Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Hoogervorst: betere beoordeling psychische klachten

Datum nieuwsfeit: 23-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

www.minszw.nl

SZW: Toespraak staatssecretaris J.F. Hoogervorst

Nr. 2000/202
23 november 2000

Embargo:
23 november 2000 tot
10.30 uur

Staatssecretaris Hoogervorst: betere beoordeling psychische klachten.

Verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen krijgen volgend jaar de beschikking over een sterk verbeterd systeem voor het beoordelen van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit systeem maakt het mogelijk psychische klachten beter te ontleden en in kaart te brengen. Bovendien biedt het geautomatiseerd informatiesysteem de mogelijkheid per districtskantoor en per verzekeringsarts zicht te krijgen op de keuringsresultaten.
Dat zei staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 23 november 2000 op een congres over honderd jaar sociale zekerheid in Den Haag. In een terugblik op de afgelopen eeuw zei de staatssecretaris dat de nieuwe uitvoeringsstructuur voor de sociale verzekeringen in wezen een moderne variant is op de eerste sociale verzekeringswet, de Ongevallenwet van 1901 van de liberaal Lely. Hoogervorst wees er in zijn toespraak op dat de vernieuwingen die nu in de uitvoering van de sociale zekerheid worden gerealiseerd, leiden tot een stabiel stelsel met een heldere
verantwoordelijkheidsverdeling tussen publieke en private partijen. Daarbij wordt de politieke verantwoordelijkheid voor de sociale verzekeringen versterkt.

Toespraak door staatssecretaris J.F. Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het najaarscongres van het Nederlands Genootschap voor Sociale Zekerheid op 23 november 2000 in Den Haag.

Het is niet de gemakkelijkste vraag die u stelt aan de sprekers op uw congres: zullen we over honderd jaar nog wel een stelsel van sociale zekerheid kennen? Ik neem aan dat u van mij niet verwacht dat ik antwoord met een eenvoudig .ja. of .nee.. Want als ik één ding de afgelopen jaren heb geleerd, dan is het dat eenvoudige antwoorden op vragen over de sociale zekerheid helaas uiterst zelden kunnen worden gegeven.

Ik veroorloof mij dus een wat langere beschouwing. Daarbij neem ik u om te beginnen mee naar de wieg van de sociale verzekeringen in Nederland. In die wieg ligt in 1901 de Ongevallenwet; het kind van de liberale minister Lely van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Het is geen gemakkelijke geboorte. Aan de invoering van de Ongevallenwet zijn verhitte discussies voorafgegaan. De belangrijkste strijdvraag is - ook in die tijd al - die over de zeggenschap over de uitvoering. Wie voert de Ongevallenwet uit? De overheid of het bedrijfsleven?

Lely wil de uitvoering in handen geven van de overheid, de Rijksverzekeringsbank. Dit voorstel kan geen genade vinden in de ogen van de Kamer. Onder aanvoering van de antirevolutionair Kuyper, die zeer hecht aan het beginsel van .soevereiniteit in eigen kring., verzet de Kamer zich tegen een monopoliepositie van het rijk bij de uitvoering van de wet. Kuyper wil - ik citeer: .in de woestijn van deze centralisatie, welke de Regering voorstelt, althans eene kleine privaatrechtelijke oase behouden.. Die oase van Kuyper zou de mogelijkheid van risico-overdracht door de werkgever aan bedrijfsverenigingen in moeten houden.

De regering houdt echter voet bij stuk. Het wetsontwerp van Lely komt ongeschonden door de Tweede Kamer. Maar in de Eerste Kamer blijkt de oppositie tegen te grote staatsbemoeienis een niet te nemen barrière. De Senaat verwerpt het wetsvoorstel op 1 juni 1900 met 29 tegen 20 stemmen.

Drie weken later komt Lely met een aangepast wetsontwerp. Daarin biedt hij ruimte voor particulier initiatief. Als werkgevers dat willen, kunnen ze zelf het ziekterisico dragen of dat herverzekeren. Maar zowel de beoordeling van het recht op een uitkering als de uitbetaling van de uitkering blijven in het publieke domein, bij de Rijksverzekeringsbank. Ondanks enig gemor in sociaal-democratische en in liberale kring, komt het voorstel nu ongeschonden door het parlement.

Maar daarmee is - helaas - de discussie over de rolverdeling tussen overheid en sociale partners niet definitief beslist. Vooral de confessionele partijen blijven vurig pleiten voor grotere invloed van de sociale partners op de sociale verzekeringen.

Die zeggenschapsdiscussie leidt niet zelden tot vertraging bij het invoeren van socialeverzekeringswetten. Met als dieptepunt de invoering van de Ziektewet. Die wordt in 1913 door het parlement aanvaard, maar kan pas worden ingevoerd in 1930; zeventien jaar later.

In de eerste helft van de vorige eeuw is er een lappendeken van uitvoeringsorganisaties ontstaan. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog zien we dat vijf ziekte- en ongevallenwetten worden uitgevoerd door de Rijksverzekeringsbank, Raden van Arbeid, de Vereeniging Zeerisico en de bedrijfsverenigingen. De uitvoering is in de loop der jaren verschoven van centraal naar decentraal en van overheid naar sociale partners. De georganiseerde werkgevers en werknemers hebben in 1950 al een stevige voet tussen de deur bij de uitvoering van de sociale verzekeringen.

In de tweede helft van de vorige eeuw is de sociale zekerheid voortdurend onderwerp van gesprek en studie. Maar grote veranderingen blijven in die tijd achterwege. In 1948 stelt de commissie-Van Rhijn voor de uitvoering van de sociale verzekeringen op te dragen aan bedrijfsverenigingen. De discussie over de voorstellen van Van Rhijn spitst zich toe op de vraag of er een Centraal of een Gemeenschappelijk Administratiekantoor moet komen. Het Centraal kantoor is een overheidskantoor, waaraan de bedrijfsverenigingen hun administratie verplicht uit moeten besteden. Een Gemeenschappelijk Administratiekantoor voert de administratie uit van de georganiseerde werkgevers en werknemers. De politiek kiest na twee jaar discussie voor dat laatste.

Met de Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1952 komt niet alleen de uitvoering van de werknemersverzekeringen, maar ook het toezicht daarop vrijwel geheel in handen van de sociale partners. Die structuur houdt in hoofdlijnen stand tot tegen het einde van de vorige eeuw.

Pas na de stelselherziening van 1987 ontstaat er Kamerbrede politieke ongerustheid als blijkt dat de voorgenomen bezuinigingen in de praktijk niet worden gehaald. In tegendeel: ondanks de verlaging van de uitkeringen, blijven de uitgaven voor de sociale zekerheid na 1987 onrustbarend stijgen. Als de Rekenkamer in 1992 vaststelt dat het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen ernstig te wensen overlaat, is voor de Kamer het moment aangebroken een diepgaand onderzoek in te laten stellen in de vorm van een parlementaire enquête onder leiding van Buurmeijer.

In 1993 brengt de Commissie-Buurmeijer verslag uit van haar bevindingen. Het rapport van de commissie wordt unaniem door de Tweede Kamer onderschreven. De kritiek van Buurmeijer op het socialezekerheidsstelsel is niet mals. De verhoudingen binnen het systeem zijn uit balans geraakt. Er is sprake van gemeenschappelijke belangen van werkgevers, werknemers en uitvoerders om mensen een goede afvloeiingsregeling te bezorgen.

De bedrijfsverenigingen houden zich vooral bezig met het verstrekken van de juiste uitkeringen. Voor de andere taak, beperken van de instroom en bevorderen van de uitstroom, is nauwelijks aandacht. De instrumenten daarvoor worden amper gebruikt. De GMD slaagt er niet in haar poortwachtersfunctie waar te maken. Er is geen controle op de keuringen. En van reïntegratie komt nauwelijks iets terecht.

Het sombere beeld dat de commissie schetst, mondt uit in een reeks aanbevelingen. Het stelsel moet op een aantal punten ingrijpend worden gewijzigd. In zijn rapport formuleert Buurmeijer vier uitgangspunten voor een modern en duurzaam stelsel van sociale zekerheid. Activering door sterker het accent te leggen op preventie en reïntegratie. Regionale uitvoering. Geen invloed meer van werkgevers en werknemers op individuele gevalsbehandeling. Onafhankelijk toezicht.

Een belangrijk deel van het gedachtegoed van Buurmeijer wordt verwezenlijkt in de Organisatiewet sociale verzekeringen van 1995. Beleid en uitvoering worden gescheiden en er komt onafhankelijk toezicht. Daarnaast worden werkgevers langs verschillende wegen geprikkeld om instroom in ziekte en arbeidsongeschiktheid tegen te gaan, de arbeidsomstandigheden te verbeteren en de uitstroom uit de sociale verzekeringen te bevorderen. Denk aan de geprivatiseerde ziektewet, de nieuwe Arbeidsomstandighedenwet, de premiedifferentiatie in de WAO en de Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten.

De Organisatiewet van 1995 luidt de overgangsfase in naar een totaal vernieuwde uitvoering. Voor de uitvoeringswereld is in 1995 vooral de scheiding tussen bestuur en uitvoering, de ontvlechting, van betekenis. De uitvoering van de werknemersverzekeringen moet worden opgedragen aan onafhankelijke uitvoeringsinstellingen. Er mogen geen personele banden meer bestaan tussen bedrijfsverenigingen, die door werkgevers en werknemers worden bestuurd, en uitvoeringsinstellingen. Er moet een zakelijke relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer komen.

Na de enquête-Buurmeijer bestaat er bij de meeste partijen een vage notie dat er marktwerking in de uitvoering moet komen. Maar de belangrijke vraag hoe ver die marktwerking moet gaan, is toen niet beantwoord.

In het regeerakkoord van 1998 hebben de coalitiepartners gekozen voor een politiek compromis. De uitvoeringsinstellingen zouden worden geprivatiseerd. Maar de beoordeling van het recht op een uitkering zou in publieke handen blijven. In feite ging het dus om een halve privatisering. Immers, meer dan veertig procent van het personeel van de uitvoeringsinstellingen was betrokken bij het vaststellen van het recht op een uitkering.

De uitvoeringsinstellingen wezen erop dat de voorgestelde splitsing van taken tot onwerkbare verhoudingen zou leiden. Dossiers zouden voortdurend heen en weer geschoven moeten worden en niemand zou echt de eindverantwoordelijkheid dragen. Ik kon niet anders dan concluderen dat die kritiek hout sneed. De structuur was in dat kabinetsvoorstel te hybride. De dagelijkse werkprocessen zouden te zeer verstoord raken. Voor mij was duidelijk: zo ging het dus niet.

Dus moesten we in het voorjaar van 1999 voor de beoordeling van het recht op een uitkering een duidelijke keuze maken: geheel privaat of geheel publiek. We hebben uiteindelijk gekozen voor een volledig publieke beoordeling van het recht op een uitkering.

Waarom de keuze voor een publieke uitvoering?

Ten eerste omdat het gaat om uitgesproken publieke taken. Als je die privaat laat uitvoeren, moet je er echt zeker van zijn dat privatisering een superieure keuze is. En daar was ik in dit geval niet zeker van. Het zou bijvoorbeeld moeilijk zijn geworden de schijn te vermijden van verstrengeling van private naast publieke belangen bij de keuring van arbeidsongeschikten. Denk aan verzekeraars die hun private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben gekoppeld aan de publieke WAO-verzekering.

En ik vond het ook moeilijk me voor te stellen dat die verzekeraars dertig miljard aan collectief premiegeld op zouden gaan halen bij de bedrijven waarmee ze commerciële banden hebben. Immers, de instantie die WAO- en WW-premies int, moet hard op kunnen treden tegen een onwillige premiebetaler.

Bovendien was al snel duidelijk dat private bedrijven die belangstelling toonden voor de uitvoeringsinstellingen die uvi.s vooral zagen als instrument om nieuwe markten voor financiële dienstverlening aan te boren. Dat mag van mij, maar ons gaat het er natuurlijk om zoveel mogelijk mensen weer aan het werk te krijgen. Ik ben uiteindelijk tot de slotsom gekomen dat we zoveel extra bureaucratische regels hadden moeten inbouwen dat privatisering bijna onvermijdelijk op een drama zou zijn uitgelopen. En ik weet dat veel verzekeringsmaatschappijen stiekem opgelucht adem hebben gehaald toen duidelijk werd dat het die kant niet op zou gaan.

De nieuwe uitvoeringsstructuur biedt grote bestuurlijke en organisatorische voordelen. De vijf uitvoeringsinstellingen worden samengevoegd in het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV. Het Lisv - dat zich overigens uitstekend van zijn taken heeft gekweten - verdwijnt en gaat op in het UWV.

Het Ctsv fuseert met onze directie toezicht tot een departementale inspectie die integraal en onafhankelijk toezicht gaat houden op het hele terrein van de sociale zekerheid. Het aantal zelfstandige bestuursorganen in de sociale zekerheid wordt teruggebracht van negen tot drie: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank en de Centra voor Werk in Inkomen.

Er komen kortere communicatielijnen, een eenvoudigere structuur, een duidelijkere verantwoordingsstructuur. De publieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering kan beter worden waargemaakt. En de uitvoering zit niet langer in een schemergebied tussen markt en overheid waar de eindverantwoordelijkheid niet duidelijk is vastgelegd.

De sociale partners maken niet langer deel uit van de besturen van de uitvoeringsorganen. Daar hebben we een stevig conflict over gehad. Maar ik ben ervan overtuigd dat we uiteindelijk de juiste oplossing hebben gevonden. De uitvoering is een complexe taak, die in het algemeen belang moet worden uitgevoerd. Het bestuur van dit soort organisaties is geen logische plek voor belangenbehartigers.

Wel is het goed dat sociale partners hun betrokkenheid bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen in adviserende zin kunnen waarmaken. Daarom hebben we de Raad voor Werk en Inkomen in het leven geroepen, die over een breed scala aan onderwerpen gaat adviseren. Bij de toewijzing van reïntegratiebudgetten krijgt de RWI een belangrijke rol.

We hebben de publieke taken bij de uitvoering dus glashelder en werkbaar afgebakend. Dat neemt niet weg dat de nieuwe uitvoeringsstructuur per saldo een forse privatiseringsoperatie inhoudt. We maken immers niets publiek wat nu al niet publiek is. Wel privatiseren we de hele reïntegratiemarkt. De monopoliepositie van Arbeidsvoorziening verdwijnt. Bedrijven kunnen voor een periode van vijf jaar zelf gaan bepalen aan wie ze de reïntegratie van hun werknemers of ex-werknemers toevertrouwen. Het bedrijfsleven kan dus straks op het gebied van ziekte en arbeidsongeschiktheid het roer voor een groot deel zelf in de hand houden.

Dank zij de premiedifferentiatie in de WAO kan een werkgever eigen risicodrager worden en zelf de verantwoordelijkheid nemen voor de kosten van de eerste zes jaar van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Ook bedrijven die geen eigen risicodrager zijn, betalen de rekening voor de eerste zes jaar grotendeels zelf. De nieuwe uitvoeringsstructuur biedt het bedrijfsleven dus de mogelijkheid om ook de reïntegratie volledig voor zijn verantwoording te nemen.

Tot slot nog een bespiegeling over de toekomst.

Het is zonneklaar dat de beheersing van de WAO de grootste uitdaging is op het gebied van de sociale zekerheid. Ook al is het verschil met andere landen in de afgelopen jaren geslonken, Nederland is in internationaal opzicht nog steeds koploper op het gebied van de arbeidsongeschiktheid.

Enkele verschillen met het buitenland vallen op. De toetredingsdrempels zijn in ons land relatief laag. Anders dan in andere landen, kent onze WAO geen minimum-verzekeringstermijn voor het ontstaan van het recht op een uitkering. In Duitsland bijvoorbeeld kennen ze een periode van vijf jaar. Ook komen Nederlanders al met een zeer laag arbeidsongeschiktheidspercentage in aanmerking voor een uitkering. Dat is in andere landen slechts in beperkte mate het geval.

De wettelijke uitkeringshoogte is in Nederland na de ingrepen van de jaren tachtig en negentig niet meer bijzonder hoog. Deze ingrepen zijn echter vrijwel geheel gecompenseerd in CAO.s en pensioenregelingen. Het bovenwettelijke traject beslaat nu ongeveer dertig procent van de wettelijke uitkeringen en betalingen. Degenen die voor een cappucino-model pleiten, realiseren zich kennelijk niet dat dit model al lang bestaat.

Door de bovenwettelijke voorzieningen merken veel werknemers pas na twee jaar ziekte en arbeidsongeschiktheid iets in de portemonnee. De financiële prikkels komen pas op het moment dat de kansen op reïntegratie sterk gaan afnemen. In het buitenland treffen we dit verschijnsel in veel mindere mate aan.

De druk op ons WAO-stelsel is op dit moment groot. Tussen 1998 en dit jaar dreigt het aantal aanvragen met 45% te stijgen.

Ik heb daarom in deze kabinetsperiode veel beleid ontwikkeld om aan die druk op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen het hoofd te bieden. Ten eerste is de hervorming van de uitvoeringsstructuur tot een robuust en evenwichtig stelsel van groot belang. Ik heb u daarover zojuist al het nodige verteld. Het feit dat er voor het eerst sinds vele jaren een duidelijk toekomstperspectief ligt, zal ongetwijfeld vruchten afwerpen.

In de tweede plaats moet er zorgvuldiger en strikter worden gekeurd. Vooral mensen met psychische klachten worden te gemakkelijk volledig afgekeurd, terwijl ze zelf vaak het gevoel hebben nog wel degelijk veel te kunnen. Hoewel de uitvoering kampt met een gebrek aan menskracht, lijken de eerste tekenen van verbetering zich toch aan te dienen. Het aantal mensen dat tot de WAO wordt toegelaten of volledig wordt afgekeurd, lijkt licht af te nemen.

Midden volgend jaar krijgen de uitvoeringsinstellingen de beschikking over een sterk verbeterd systeem voor het beoordelen van het recht op een WAO-uitkering. Dit systeem bevat twee uitermate belangwekkende vernieuwingen. Ten eerste zal de verzekeringsarts worden gevraagd psychische klachten nauwkeuriger te ontleden en explicieter in kaart te brengen. Het wordt daardoor voor de arbeidsdeskundige gemakkelijker vast te stellen welk werk mensen met psychische klachten nog wel kunnen doen. De artsen en arbeidsdeskundigen zullen daar ook beter voor worden opgeleid. Het aantal volledige afkeuringen zal hierdoor vermoedelijk afnemen.

Ook de tweede innovatie is van verstrekkend belang. Het Lisv streeft ernaar volgend jaar juli alle verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen te hebben aangesloten op een geautomatiseerd informatiesysteem. Hierdoor wordt het mogelijk om per districtskantoor en zelfs per verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zicht te krijgen op de keuringsresultaten. Dit biedt twee belangrijke mogelijkheden. Ten eerste wordt het mogelijk een verfijnd systeem van benchmarking te ontwikkelen. De deskundigen kunnen beter op hun werkwijze en resultaten worden aangesproken.

Ten tweede wordt het beter mogelijk om verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen feed back te geven op hun verrichtingen. Het informatiesysteem kan dus zeer nuttig zijn op het gebied van bijscholing. Ik ben ervan overtuigd dat beide mogelijkheden tot terugdringing van het beroep op de WAO kunnen bijdragen. Nu concluderen de keuringsprofessionals in geval van twijfel vaak dat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, zonder onderzoek naar de resterende mogelijkheid tot functioneren.

Ten derde ben ik er zeker van dat we met de introductie van financiële prikkels voor werkgevers in combinatie met de privatisering van de reïntegratiemarkt positieve resultaten zullen boeken. Die markt is nu nog erg pril. Werkgevers aarzelen nog om veel geld te besteden aan reïntegratie. Tegelijkertijd zijn ook de producten van arbodiensten en reïntegratiebedrijven nog weinig overtuigend.
Dat is ook geen wonder. Tientallen jaren lang zijn de problemen rond ziekte en arbeidsongeschiktheid op de collectiviteit afgewenteld. Het kost gewoon tijd voordat prikkels het beoogde effect sorteren en alle neuzen de goed kant op wijzen.

Tenslotte wijs ik op het wetsvoorstel dat thans bij de Raad van State ligt om de gang van zaken in het eerste ziektejaar te verbeteren. In het eerste ziektejaar moet eerder worden ingegrepen en de samenwerking tussen arbodiensten en uitvoeringsinstellingen moet worden verbeterd. Belangrijk is ook dat het moment van de keuring wordt geflexibiliseerd. Werkgevers en werknemers kunnen vragen om uitstel van de keuring. Maar ze kunnen daar ook toe worden gedwongen als blijkt dat ze niets hebben gedaan om werkhervatting te bevorderen. Daarmee wordt het automatisme uit de overgang van ziekte naar WAO gehaald.

Er gebeurt dus al veel. Niettemin heeft het kabinet het nuttig geoordeeld een commissie te vragen de arbeidsongeschiktheid aan een nauwlettend en kritisch onderzoek te onderwerpen. Dat doen we niet voor niets. Kijkend naar de WAO op langere termijn, is er reden tot zorg.

Het Centraal Planbureau heeft voorgerekend dat - vooral door de vergrijzende beroepsbevolking - het aantal arbeidsongeschikten toeneemt tot 1,25 miljoen in 2020. Ook als percentage van de beroepsbevolking dreigt de WAO weer te gaan stijgen. En de WRR heeft het kabinet voorgehouden dat ziekte en arbeidsongeschiktheid hét grote struikelblok vormen voor de noodzakelijke toename van de arbeidsparticipatie in de komende decennia.

Positief vind ik in dit licht dat ook bij de vakbeweging de bereidheid blijkt te groeien om meer fundamenteel naar de WAO te kijken. Zo vind ik het opmerkelijk dat FNV-Bondgenoten bij de uitzend-cao na wil denken over scherpere financiële prikkels in het eerste ziektejaar.

Nog opmerkelijker vind ik het WAO-plan dat het CNV onlangs heeft gepresenteerd. Het CNV wil nog slechts de mensen die om zware medische redenen volledig worden afgekeurd toelaten tot de WAO. Dan hebben we het over veertig procent van de mensen die nu voor WAO in aanmerking komen. De mensen die niet aan het criterium van het CNV voldoen, krijgen vervolgens een tijdelijke werkloosheidsuitkering en worden intensief begeleid naar werk.
Zonder twijfel zal de commissie-Donner dit plan in haar overwegingen betrekken.

Tot slot. Ik ben niet zo overmoedig dat ik mij waag aan een voorspelling over de sociale zekerheid in het jaar 2100. Wel wil ik met u .back to the future. gaan. Wie de huidige hervorming van de uitvoeringsstructuur met historisch besef beschouwt, moet vaststellen dat SUWI in feite een gemoderniseerde variant is van de Ongevallenwet van de liberaal Lely. U begrijpt dat dit voor mij als liberaal een geruststellende gedachte is.

Ik ben ervan overtuigd dat voor deze uitvoeringsstructuur een betere toekomst is weggelegd dan voor de plannen van Lely destijds. De politiek zal niet opnieuw toestaan dat de uitvoering van de sociale zekerheid in handen van deelbelangen wordt gelegd. We krijgen nu een stabiel stelsel met een heldere verantwoordelijkheidsverdeling tussen publieke en private partijen. De politieke verantwoordelijkheid wordt versterkt. Dat betekent ook dat de politiek zich niet meer achter de uitvoering kan verschuilen. En ook dat is winst.


- LET OP EMBARGO -

23 nov 00 10:30

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie