Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Ambtsbericht over situatie in Guinee

Datum nieuwsfeit: 23-11-2000
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

www.minbuza.nl\content.asp?Key=403918




1 Inleiding

2 Landeninformatie
2.1 Basisgegevens
2.1.1 Land en volk
2.1.2 Geschiedenis
2.1.3 De verhouding met de buurlanden
2.2 Politieke ontwikkelingen
2.3 Veiligheidssituatie
2.4 Staatsinrichting
2.5 Economische situatie

3 Mensenrechten
3.1 Toezicht
3.2 Naleving en schendingen
3.2.1 Vrijheid van meningsuiting
3.2.2 Vrijheid van vereniging en vergadering
3.2.3 Vrijheid van godsdienst
3.2.4 Bewegingsvrijheid
3.2.5 Rechtsgang
3.2.6 Arrestaties en detenties
3.2.7 Mishandeling en foltering
3.2.8 Verdwijningen
3.2.9 Buitengerechtelijke executies en moorden
3.2.10 Doodstraf
3.3 Positie van specifieke groepen
3.3.1 Vrouwen
3.3.2 Minderjarigen
3.3.3 Etnische groepen en minderheden
3.3.4 Dienstplicht

4 Vluchtelingen en ontheemden
4.1 Inleiding
4.2 Binnenlandse vestigingsvrijheid
4.3 Beleid andere landen
4.3.1 België
4.3.2 Denemarken
4.3.3 Duitsland
4.3.4 Frankrijk
4.3.5 Oostenrijk
4.3.6 Verenigd Koninkrijk
4.3.7 Zwitserland
4.4 UNHCR-beleid

5 Samenvatting
I Literatuurlijst
II Kaart van Guinee
Guinee situatie in verband met asielbeleid


1
Inleiding

Dit algemene ambtsbericht geeft een beschrijving van de situatie in Guinee voorzover van belang voor de beoordeling van asielverzoeken en voor de beoordeling van de vraag of terugkeer van afgewezen asielzoekers verantwoord is. Het onderhavige rapport beslaat de periode tot en met medio augustus 2000.

Na deze inleiding worden in hoofdstuk twee de ontwikkelingen geschetst op politiek en sociaal-economisch gebied. Deze beschrijving wordt voorafgegaan door een overzicht van de geschiedenis van Guinee met name vanaf 1958, toen de onafhankelijkheid tot stand kwam. Ook is een korte passage over geografie en bevolking van Guinee opgenomen.

Hoofdstuk drie geeft een overzicht van de mensenrechtensituatie in Guinee, waarbij ook wordt stilgestaan bij de positie van bepaalde specifieke groepen in de Guinese samenleving.

In hoofdstuk vier komen de binnenlandse vestigingsvrijheid, het beleid van andere westerse landen en het standpunt van UNHCR inzake asielzoekers uit Guinee alsmede de opvangmogelijkheden voor alleenstaande minderjarige asielzoekers aan de orde. Een algehele samenvatting volgt in hoofdstuk vijf.

De informatie in dit ambtsbericht is in grote mate ontleend aan vertrouwelijke rapportage van Nederlandse ambassades. Daarnaast is gebruik gemaakt van informatie afkomstig van Amnesty International, UNHCR, het United States State Department, alsmede informatie afkomstig van andere EU-lidstaten
.


2
Landeninformatie


2.1
Basisgegevens

Guinee is gelegen in West-Afrika en beslaat een gebied ter grootte van zo'n 245.000 km
. Het land grenst in het noorden aan Guinee-Bissau, Senegal en Mali, in het oosten aan Ivoorkust, in het zuiden aan Liberia en Sierra Leone, en in het westen aan de Atlantische Oceaan. Het noordoosten van het land - het binnenland - bestaat grotendeels uit beboste plateaus en savannes. Het kustgedeelte is vlak en vochtig.

Het land is verdeeld in vier administratieve regio's: Basse-Guinée is een gebied dat deels bestaat uit moerassige vlakten. De regio beslaat bijna 20% van het totale landoppervlak van Guinee. Moyenne-Guinée beslaat ongeveer 33% van het totale landoppervlak en bestaat voornamelijk uit plateaus - tot meer dan zevenhonderd meter boven de zeespiegel - en bossen. In deze regio wordt veel landbouw bedreven. Haute-Guinée is een groot savannegebied - op gemiddeld zo'n driehonderd meter hoogte - en beschikt nauwelijks over vruchtbare grond. Guinée-Forestière ten slotte is dichtbegroeid met regenwouden en heeft een subtropisch klimaat. Naast deze vier regio's is er nog de speciale zone Conakry
.

De belangrijkste steden zijn de hoofdstad Conakry en de vier regionale hoofdsteden Kankan, Kindia, Labé en Nzérékoré.

De bevolking telt tussen de zeven- en zevenëneenhalf miljoen mensen, waarvan naar schatting 80% moslim is. Naar schatting 15% van de bevolking is christen terwijl de resterende 5% inheemse godsdiensten aanhangt .

De volgende belangrijkste bevolkingsgroepen kunnen worden onderscheiden . De Peul vormen 40% van de totale bevolking en zijn de grootste etnische groep in Moyenne-Guinée. Zij komen ook voor in Basse- en Haute-Guinée. De Malinke vormen ongeveer 30% van de totale bevolking en wonen voornamelijk in Haute-Guinée. De Sousou leveren een aandeel van 20% aan de totale bevolking en worden vooral aangetroffen in Basse-Guinée. De resterende 10% van de bevolking bestaat uit een groot aantal kleine stammen .

De officiële voertaal in Guinee is het Frans. Daarnaast worden nog vele lokale talen gesproken, waaronder het Peul, Malinke en Sousou. In feite heeft iedere stam zijn eigen taal
.

Europese handelaren waren sinds de 15e eeuw actief langs de West-Afrikaanse kust. Van vestigingen was evenwel pas in de late 17e eeuw sprake. Frankrijk deed voor het eerst aanspraken gelden op zuidelijk Guinee en Tumbo eiland (thans Conakry) in respectievelijk 1783 en 1885. Tot 1891 werd het gebied bestuurd vanuit Dakar in Senegal. Vervolgens werd het gebied een autonome Franse kolonie.

In 1958 bood de net aangetreden Franse president Charles de Gaulle de Franse kolonies in Afrika de keuze tussen toetreding tot de nieuw op te richten gemeenschap van zelfbesturende Franse overzeese gebiedsdelen of onmiddellijke onafhankelijkheid. Als enige Franse kolonie stemde Frans-Guinee via een referendum tegen een dergelijk lidmaatschap. De secretaris-generaal van de
Parti Démocratique de Guinée-Rassemblement Démocratique Africain (PDG-RDA), Ahmed Sekou Touré, eiste in plaats daarvan volledige onafhankelijkheid. Deze werd verleend op 2 oktober 1958.

Ten tijde van de onafhankelijkheid was de grondwet gebaseerd op democratische principes en scheiding der machten. De uitvoerende macht lag in handen van de president die voor een periode van zeven jaar rechtstreeks werd gekozen. Een tweede termijn was mogelijk. De president was tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten. De wetgevende macht was in handen van een - uit één kamer bestaand - parlement waarvan de leden voor een periode van vijf jaar rechtstreeks werden gekozen. Er werd recht gesproken in naam van de bevolking van Guinee en volledig op basis van de wet. Dit betekende dat de rechterlijke macht als bewaker van individuele vrijheden het respect voor de mensenrechten garandeerde. Deze grondwet werd in 1982 en 1984 herzien.

Sekou Touré werd de eerste president van de Republiek Guinee en de PDG-RDA de enige politieke partij. De Fransen gingen over tot economische represailles in de vorm van opschorting van hulp en investeringen. Pas in 1976 zouden de diplomatieke relaties worden hersteld. Sekou Touré voerde een socialistische revolutionaire politiek en iedere vorm van oppositie werd onderdrukt. In 1979 werd het land omgedoopt tot Revolutionaire Volksrepubliek Guinee.

Na de onafhankelijkheid ontving Guinee veel steun van het toenmalige Oosteuropese Sovjet-blok en bleef het land grotendeels geïsoleerd van westerse invloeden. Dit isolement verdween grotendeels toen Guinee in 1975 het verdrag van Lomé ondertekende en lid werd van de Economic Community of West African States
(ECOWAS). In 1980 besloot Guinee tot samenwerking met Senegal en Gambia in de
Gambia River Development Union
en verenigde Guinee zich met Sierra Leone en Liberia in de Mano River Union
.

In 1984 overleed Sekou Touré onverwachts. Voordat er een opvolger kon worden gekozen vond er een militaire staatsgreep plaats onder leiding van het Comité Militaire de Redressement National
(CMRN). De leider van dit comité, Lansana Conté, werd president van de Tweede Republiek. Diarra Traoré werd premier en in mei 1984 werd de naam van het land weer gewoon de Republiek Guinee. Aanvankelijk had Conté een open stijl van regeren en luisterde hij naar constructieve adviezen en kritiek uit alle sectoren van het openbare leven.

De komst van de tweede republiek in 1984 veranderde het politieke leven in het land volledig. De grondwet werd buiten werking gesteld. De uitvoerende en de wetgevende macht waren in handen van de president die voorzitter was van de militaire commissie van nationaal herstel. Een van de meest opvallende kenmerken van deze periode was de afwezigheid van een parlement, politieke partijen en een grondwet
.

In december 1984 schafte Conté echter plotseling de post van premier af, waarop Traoré in juli 1985 - toen Conté in Togo verbleef als deelnemer aan een conferentie - een staatsgreep pleegde met - voornamelijk - steun van de politie. De staatsgreep werd evenwel een fiasco en Traoré werd samen met zijn sympathisanten gearresteerd. In totaal betrof het zo'n tweehonderd personen. Traoré en een halfbroer van Sekou Touré werden geëxecuteerd en na een aantal processen achter gesloten deuren werden zo'n zestig legerofficieren ter dood veroordeeld.

De mislukte staatsgreep onder leiding van Traoré versterkte de positie van Conté. Geleidelijk aan vond een bescheiden democratiseringsproces plaats. In oktober 1988 - de dertigste verjaardag van de onafhankelijkheid - werd er amnestie verleend aan 39 politieke gevangenen, waaronder een aantal coupplegers uit 1985. Ook kwam er een commissie die een nieuwe grondwet moest opstellen. Het
Comité Militaire de Redressement National
werd opgevolgd door een
Comité Transitoire de Redressement National
(CTRN), dat leiding diende te geven aan een proces waarbij via een vijfjarige overgangsperiode een tweepartijensysteem onder een gekozen president en wetgevende macht tot stand zou komen. In februari 1990 kregen alle nog resterende politieke gevangenen en verbannen dissidenten amnestie.

In datzelfde jaar waren er als gevolg van economische bezuinigingen studentenprotesten, waarop Conté in november 1990 drie leden van de illegale oppositiebeweging
Rassemblement Populaire Guinéen
(RPG) gevangen liet zetten. De voorbereidingen voor het nieuwe staatssysteem gingen echter door en in februari 1991 werd het 36-leden tellende CTRN geïnstalleerd onder voorzitterschap van Conté. De Derde Republiek werd uitgeroepen. De president verzekerde zich van de voortdurende loyaliteit van het leger door officieren te benoemen op sleutelposities in de nieuwe regering.

In mei 1991 keerde de leider van de - toen nog illegale - RPG, Alpha Condé, terug naar Guinee na een lange periode van ballingschap in Frankrijk en Senegal. Problemen tussen zijn aanhangers en de veiligheidstroepen liepen uit de hand en Condé meldde zich in de Senegalese ambassade in Conakry voor politiek asiel in Senegal, hetgeen hem verleend werd.

In oktober 1991 kondigde Conté aan dat op 3 april 1992 - de achtste verjaardag van zijn eigen coup - een meerpartijenstelsel zou worden ingevoerd (sneller dan oorspronkelijk voorgenomen) en dat in verband hiermee een ongelimiteerd aantal politieke partijen zich zou kunnen laten registreren. Voor het einde van het jaar 1992 zouden er dan parlementsverkiezingen kunnen worden gehouden.

De grondwet van de derde republiek werd afgekondigd op 23 december 1991 en in januari 1992 gaf Conté het presidentschap over aan het CRTN, conform de gemaakte afspraken. Vervolgens verliet gedurende de volgende maand een groot aantal ministers en militairen de regering om een nieuwe pro-Conté partij op te richten met de naam
Parti de l'Unité et le Progrès
(PUP).

In april 1992 was de - tot dusverre illegale - RPG één van de eerste politieke partijen die werden toegestaan. Alpha Condé keerde terug naar Guinee in juni 1992. De meest prominente tegenstanders van de PUP waren naast Condé's RPG de
Parti pour le Renouveau et le Progrès
(PRP) geleid door de journalist Siradiou Diallo, en de Union pour la Nouvelle République
(UNR), geleid door Mamadou Bâ. De oppositie was echter verdeeld. In oktober 1992 werd er een verbod ingesteld op publieke bijeenkomsten waarvoor niet vooraf door de regering toestemming was gegeven. In dezelfde maand overleefde Conté een aanslag op zijn leven.

In december 1992 werden de parlementsverkiezingen - die voor het einde van 1992 zouden worden gehouden - definitief uitgesteld door de regering om technische en financiële redenen. Later werd bekend gemaakt dat zij in 1993 zouden worden gehouden, na de presidentsverkiezingen. Dit was tegen de zin van de oppositie. De presidentsverkiezingen waren intussen voorzien voor 5 december 1993. De oppositie was nog steeds verdeeld en naast Conté betwistten zeven oppositie-kandidaten, waarvan Condé, Diallo en Bâ de meest invloedrijke waren, het presidentschap.

In september 1993 werden alle politieke bijeenkomsten verboden na gewelddadige incidenten in Conakry waarbij volgens officiële opgave achttien mensen om het leven kwamen. Officieuze bronnen spreken van 63 slachtoffers.

In oktober 1993 besloten Conté en een aantal vertegenwoordigers van andere politieke partijen een onafhankelijke verkiezingscommissie in te stellen. Bij de onafhankelijkheid werden vraagtekens gezet omdat de commissie geplaatst werd onder gezag van het machtige ministerie van Binnenlandse Zaken en Veiligheid.

Uiteindelijk werden de presidentsverkiezingen gehouden op 19 december 1993. Tijdens en voorafgaand aan de verkiezingsdag waren bij rellen nog minimaal tien slachtoffers te betreuren. Volgens officiële cijfers was de opkomst bij de verkiezingen 78,5%. Conté behaalde met 51,7% van de stemmen al in de eerste ronde de absolute meerderheid. Direct waren er claims van de oppositie dat de verkiezingen gemanipuleerd waren ten gunste van Conté. Toch werd Conté - die conform de grondwet ontslag had genomen uit de strijdkrachten om mee te kunnen doen aan de verkiezingen - geïnstalleerd als president op 29 januari 1994.

De UNR verklaarde zich in mei 1994 bij monde van leider Bâ bereid Conté te erkennen als wettig gekozen staatshoofd. Overigens bleef de verhouding tussen de regering en de oppositie moeizaam. In februari 1995 herkreeg Conté zijn militaire rang. In maart 1995 werd bekend gemaakt dat de verkiezingen voor het nieuwe nationale parlement zouden plaatsvinden op 11 juni 1995. De oppositionele RPG, PRP en UNR beschuldigden de veiligheidstroepen van pogingen tot intimidatie. De verkiezingen leverden een overwinning op voor de PUP die 71 zetels veroverde. De RPG verkreeg negentien zetels terwijl de PRP en UNR niet verder kwamen dan negen zetels elk. De opkomst zou 63% hebben bedragen. Het nieuwe parlement volgde het CTRN formeel op in juli 1995 nadat de verkiezingsresultaten waren bekrachtigd door het Hooggerechtshof. In juli 1995 verenigden de drie grote oppositiepartijen zich in de
Coordination de l'Opposition Démocratique
(CODEM).

Begin februari 1996 ontaardde een muiterij van ontevreden officieren in het leger in het Alpha Yaya Diallo Camp in een poging tot staatsgreep. Soldaten uit het kamp bezetten de luchthaven en de gebouwen van de Staatsomroep. Conté werd opgepakt en pas vrijgelaten toen hij concessies had gedaan op het punt van salariëring en immuniteit voor vervolging voor allen die bij de opstand waren betrokken. De minister van defensie, kolonel Abdourahmane Diallo, werd ontslagen. Onder de burgerbevolking waren tussen de dertig en vijftig slachtoffers te betreuren. Daarnaast raakten zo'n honderd tot driehonderd mensen - voornamelijk burgers die door verdwaalde kogels werden getroffen - gewond tijdens de gevechten tussen de rebellen en regeringsgetrouwe troepen. Ondanks de toezegging van Conté werd naderhand een aantal officieren opgepakt.

In maart 1996 werd bekend gemaakt dat acht militairen, waaronder vier hoge officieren, in staat van beschuldiging vanwege deelname aan de muiterij van februari 1996 waren gesteld. Rond juni 1996 waren al zo'n 42 officieren in staat van beschuldiging gesteld. Inmiddels waren in april 1996 twee naaste medewerkers van de president - de stafchef van het leger, Omar Soumah, en de gouverneur van Conakry, ook een officier - vervangen door nieuwe functionarissen. Dit werd algemeen gezien als onderdeel van de poging van Conté zowel het militaire apparaat als het burgerlijk bestuur te herstructureren. In juli 1996 maakte Conté bekend dat er weer een premier zou worden benoemd, en wel de econoom Sydia Touré. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Veiligheid werd opgesplitst in twee aparte ministeries en de minder geliefde minister Gomez ruimde het veld. Touré maakte bekend dat de nieuwe regering zich zou inzetten voor economisch herstel en de bestrijding van corruptie met het oog op het aantrekken van donorgelden en buitenlandse investeringen. De regering Touré werd positief ontvangen, hoewel het premierschap nogal controversieel was omdat er formeel geen grondwettelijke basis voor bestond.

Ten aanzien van de juridische afwikkeling van de muiterij verklaarde de Guinese mensenrechtenorganisatie
Association Guinéenne des Droits de l'Homme
in een rapport uit oktober 1997, dat gedetineerden constant slecht behandeld werden. De organisatie ageerde vooral tegen het feit dat vele burgers in verband met de muiterij van 1996 nog steeds zonder vorm van proces werden vastgehouden.

Op 12 februari 1998 werden in totaal 96 beschuldigden vanwege deelname aan de muiterij van februari 1996 - burgers en militairen - voor de in juni 1997 gevormde staatsrechtbank gebracht. Advocaten voor de verdediging hadden hun cliënten al geruime tijd niet te spreken gekregen. Tot midden september 1998 kwam het Hof niet meer bijeen. Pas in oktober 1998 deed de staatsrechtbank uitspraak. Dertien mensen werden vrijgelaten, omdat de tijd die zij in voorarrest hadden doorgebracht hun vonnis oversteeg, twee mensen werden vrijgelaten in verband met ziekte of immuniteit, 34 mensen werden vrijgesproken, bij vier mensen kwam het niet tot een aanklacht en 43 aangeklaagden ten slotte kregen uiteenlopende straffen opgelegd variërend van drie tot twintig jaar
.

Volgens Amnesty International werden zeker nog dertig soldaten gedurende 1999 vastgehouden
.

In maart 1998 besloot de regering om een lang voorbereid plan voor de verhuizing van een aantal ministeries, vanuit het overvolle centrum van Conakry naar de buitenwijken, ter hand te nemen. Toen de bulldozers illegaal geplaatste bouwsels in de wijk Kaporo Rails
in het Ratoma district begonnen op te ruimen, ontstond een oproer. De confrontatie tussen de bewoners en de autoriteiten nam ernstige vormen aan maar leek door de autoriteiten niet op de spits te worden gedreven. Zij beperkten zich aanvankelijk tot een omsingeling van het gebied en boden de inwoners de gelegenheid ongestoord te vertrekken om aldus de harde kern te isoleren en deze nadien met harde hand te verwijderen. Er vielen tussen de acht en dertien doden en vele gewonden
. De sloop van de wijk maakte 100.000 burgers - voornamelijk leden van de etnische groep Peul - dakloos.

De regering beschuldigde islamieten van het veroorzaken van het geweld en oordeelde dat de oppositie zich van haar onverantwoordelijke zijde had getoond door haar oproepen tot gewapend verzet. Anderen beschouwden het als een strijd langs etnische lijnen tussen bewoners van een bedreigde wijk en leden van de veiligheidstroepen.

De kern van het verzet bleek te liggen bij groepen Peul die werden opgezweept door islamitische fundamentalisten.

De politieke spanningen namen eind maart 1998 verder toe toen Mamadou Bâ en twee andere afgevaardigden van de UNR werden gearresteerd, om overigens onbekende redenen. In juni, respectievelijk september 1998 werden Bâ en de twee anderen weer vrijgelaten.

In oktober 1998 werden oppositionele activisten die in juni in verband met Kaporo Rails waren vastgezet weer vrijgelaten op basis van een presidentieel pardon.

Het jaar 1998 betekende voor Guinee ook reguliere presidentsverkiezingen. In het politieke krachtenveld speelden de volgende partijen een rol.

Parti de l'Unité et du Progrès (PUP)

Lansana Conté, behorend tot de etnische groep Kissi (6.5 % van de bevolking), de president van dat moment en voormalig legerchef, in 1984 aan de macht gekomen via een coup na het overlijden van Sekou Touré en vervolgens in één ronde tot president gekozen in 1993, was de kandidaat van de
Parti de l'Unité et du Progrès
die de meerderheid had in parlement en kabinet, een landelijk vertegenwoordigde partij waarin de etnische groep van de Sousou overheerste. Het thuisland van de partij was de westelijke regio rond Conakry. Conté had een redelijk vertrouwen weten te winnen als een boven de partij-politiek verheven leider. Diverse factoren werkten sterk in het voordeel van president Conté en zijn regeringspartij. Zo was de PUP, hoewel deze als partij van de Sousou werd beschouwd, landelijk georganiseerd. Daarnaast had de PUP als regerende nationale partij het distributiemonopolie met betrekking tot de staatsfinanciën en -diensten. Op basis van deze twee gegevens had de partij een electorale voorsprong op de overige, in hoge mate op regionaal-etnische basis gefundeerde oppositiepartijen.

Tijdens zijn relatief korte verkiezingscampagne bracht president Conté voorts zijn ambtenarenapparaat in het gehele land in actie ten behoeve van de regeringspartij onder de slogan 'vrede en rust door continuïteit'. In de pers en met behulp van verkiezingsposters werd uitbundig campagne gevoerd. In Conakry was geen poster van andere kandidaten te zien.

De PUP kon ook bogen op redelijke economische resultaten, ca. 5% jaarlijkse groei, met over de laatste periode een gunstige IMF-beoordeling. Conakry was voorzien van een geheel nieuw netwerk van straatverlichting dat inmiddels goed functioneerde na een lange periode van duisternis of slechts enkele uren per dag elektriciteit.

Toch had de PUP-regering de bevolking niet alleen succesverhalen te bieden. Doordat Guinee nog sterk onder invloed van de stalinistisch-socialistische erfenis van Sekou Touré verkeerde, stagneerde de economische en maatschappelijke ontwikkeling gedeeltelijk. Het onderwijs bleef slecht van kwaliteit, het voorzieningenniveau laag en de werkloosheid schrijnend hoog. De overheid weigerde voorts de bodemschatten waaraan Guinee rijk is, te exploiteren zolang potentiële buitenlandse investeerders weigerden de staat het leeuwendeel van de winst van minerale vondsten te gunnen.

De oppositiepartijen grepen uiteraard deze zwakke punten aan, en lieten voorts niet na de vinger te leggen op corruptie en mismanagement binnen de overheid en op de schendingen van mensenrechten, die - ook in het recente verleden - hadden plaatsgevonden. De oppositie slaagde er echter niet in om één samenbindende oppositionele presidentskandidaat in het veld te brengen, ondanks dat in 1995 de grote oppositiepartijen zich hadden gebundeld in de CODEM. Zij zette zich daarom in om een overwinning van president Conté (met 50% of meer van de stemmen) in de eerste ronde te blokkeren.

De oppositie bleef overigens zwak, etnisch en regionaal maar niet landelijk geworteld, en wist onvoldoende tegenwicht te bieden.

Voorts werd de oppositie in haar functioneren belemmerd door de kieswet die onder meer bepaalde dat de kandidaten voor het hoogste ambt de Guinese nationaliteit moesten bezitten. Daar alle kopstukken van de oppositie vanwege hun verblijf in het buitenland tijdens de regering van Sekou Touré een andere nationaliteit hadden verworven, waren zij uitgesloten. De Hoge Raad bepaalde echter in 1998 dat er een termijn van zes maanden stond voor het opgeven van de vreemde nationaliteit. Het argument dat dit gegeven een absolute uitsluiting zou betreffen werd de oppositie aldus uit handen geslagen.

De belangrijkste oppositiepartijen:

Rassemblement du Peuple Guinéen (RPG)

De oppositionele RPG steunde vrijwel exclusief op de etnische groep der Malinke, dominant in het midden-noorden van Guinee. Presidentskandidaat was Alpha Condé, oud-vakbondsleider, nationalist, hoogleraar rechtswetenschappen, expert op het terrein van de mensenrechten en destijds vurig bestrijder van Sekou Touré. Condé was ook in 1993 presidentskandidaat.

Union pour le Progrès et le Renouveau (UPR)

De oppositionele UPR (een samenwerkingsverband tussen de RPR en de UNR) was de politieke representant van de etnische groep der Peul die het sterkst vertegenwoordigd is in de noordwestelijke regio rond Fouta Djallon. Kandidaat Mamadou Bâ - parlementslid - was in 1993 al eerder presidentskandidaat.

Parti de Peuple de Guinée (PPG)

De machtsbasis van de PPG bevond zich bij een aantal etnische groeperingen in het zuidoosten van Guinee (
le forêt
). Charles Pascal Tolno, wetenschapper, oud-minister en parlementslid was de presidentskandidaat van deze partij.

l'Union pour la Prospérité de la Guinée (UPG)

Evenals de PPG vond de UPG haar machtsbasis bij etnische groeperingen in het zuidoosten. Jean Marie Doré, wetenschapper en parlementslid was de presidentskandidaat van de partij.

Samenvattend leek de positie van het staatshoofd aan de vooravond van de verkiezingen sterk. Hij gaf zijn tegenstanders voor een deel de vrijheid zichzelf te manifesteren en zodoende te getuigen van hun verdeeldheid en onmacht. Het gedrag van de oppositie gaf weinig hoop. Opjuttende uitspraken en oproepen tot geweld voorspelden weinig goeds voor de verkiezingsstrijd.

CODEM was kritisch over de voorbereidingen van de regering voor de presidentsverkiezingen, met name over de instelling van de Haut Conseil aux Affaires Electorales
(HCE) die in samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Decentralisatie de verkiezingen moest voorbereiden en overzien. De HCE bestond uit 68 leden, afkomstig uit vertegenwoordigers uit het parlement, inclusief afgevaardigden van de oppositie, ministers, en burgers. De HCE sprak begin november 1998 een ban uit over openbare demonstraties. De oppositie beschuldigde de PUP van misbruik van staatsinstellingen in het kader van de herverkiezing van Conté. Hoewel de campagne ontsierd werd door meerdere gewelddadige incidenten, gingen de verkiezingen volgens schema door op 14 december 1998.

De verkiezingsdag verliep tamelijk rustig, na de met incidenten gepaard gaande verkiezingscampagne. Aan de vooravond van de verkiezingen werden de landsgrenzen voor langere tijd gesloten. Op verkiezingsdag werd gemotoriseerd verkeer, behoudens voor vergunninghouders, in de hoofdstad Conakry verboden. Vanaf 13 december werden ook alle luchtverbindingen tijdelijk geblokkeerd. De regering wenste kennelijk het aantal incidenten tot een minimum te beperken.

Internationale waarnemers signaleerden onregelmatigheden op verkiezingsdag. In sommige districten van Conakry was een tekort aan stembiljetten voor leden van de oppositie. Veiligheidstroepen arresteerden meer dan honderd waarnemers van de oppositie.

Soldaten waren verplicht in hun kazerne stemmen. Ongeveer tweehonderd soldaten in Camp Alpha Yaya trachtten evenwel buiten hun kamp hun stem uit te brengen en een groot aantal van hen werd op orde van hun commandant, Panival Sama Bangoura, ernstig mishandeld. Eén soldaat overleed aan de gevolgen hiervan. Op 28 december 1998 braken in zijn woonplaats Labe, tijdens het overbrengen van zijn stoffelijk overschot, rellen uit. Veiligheidstroepen onderdrukten deze rellen en arresteerden ongeveer twintig personen. Bij de rellen werd één vrouw gedood door leden van de veiligheidsdiensten.

Verder geweld vond plaats in Conakry en in Mamou (in Centraal-Guinee) waar PUP-aanhangers en die van de oppositie elkaar te lijf gingen.

Op 17 december 1998 werd de officiële uitslag door de regering bekendgemaakt en twee weken later bekrachtigde het Hooggerechtshof de uitslag. Conté was winnaar met 56.1 % van de stemmen, Bâ was een goede tweede met 24.6 % van de stemmen en Condé ontving 16.6% van de uitgebrachte stemmen. Het opkomstpercentage bedroeg 71.4 %. De oppositie betichtte de regering van stembusfraude en verliet in groten getale de HCE. De regerende PUP werd met name verweten dat er op een aantal stembureau's te weinig stembiljetten waren voor oppositionele kandidaten, er zouden bussen met uitgebrachte stemmen zijn verdwenen en het zou de oppositie onmogelijk gemaakt zijn toezicht uit te oefenen op een deugdelijk verloop van de verkiezingen. Zo werden, aldus de UPR, in Centraal-Guinee circa vijftig oppositieleden die de verkiezingen wilden monitoren gearresteerd, en in een militair kamp te Boké vastgehouden.

De verslagen oppositiekandidaat Condé werd op de dag na de verkiezingen gearresteerd in Lola, een stad bij de grens met Ivoorkust. De autoriteiten hielden hem vast omdat hij vermomd als
marabout
(een islamitisch geestelijke) zou hebben geprobeerd Guinee illegaal te verlaten. Condé weersprak dit en verklaarde dat hij zich slechts in het grensgebied wilde schuilhouden omdat hij voor zijn leven vreesde. Condé werd in december 1998 formeel in staat van beschuldiging gesteld in verband met een poging de wettige regering ten val te brengen. Zo'n honderd anderen bleven in hechtenis.

De arrestatie van Condé had tot gevolg dat in Siguiri - bij de grens met Mali - ,bij een betoging ten gunste van Condé, ten minste twee doden vielen. Ook bij de stad Mamou in Centraal-Guinee liepen soortgelijke betogingen op 19 december 1998 uit op ongeregeldheden na een politieoptreden tegen betogers. In totaal zouden uiteindelijk zeker twaalf mensen zijn omgekomen als gevolg van aan de verkiezingen gerelateerd geweld in Conakry, Kankan, Siguiri en Baro
.

Tijdens zijn inauguratie op 30 januari 1999 verklaarde Conté dat Lamine Sidimé, de opperrechter, zou worden benoemd tot premier.

Het kabinet-Sidimé is thans nog steeds in functie. De verdere politieke ontwikkelingen in Guinee worden dan ook beschreven in paragraaf 2.2.

Guinee heeft ernstig te lijden onder de onrust in de buurlanden, met name in het zuiden in het grensgebied met Liberia en Sierra Leone. Met enige regelmaat wordt het land gebruikt als uitvalsbasis voor rebellerende strijders tegen de regeringen in de buurlanden. Guinee tracht een bijdrage te leveren aan de stabiliteit in de regio door troepen te leveren aan ECOMOG. Daarnaast heeft het land een belangrijke regionale functie bij de opvang van ontheemden uit de buurlanden.

Al vanaf het begin van de jaren negentig was de interne instabiliteit van de buurlanden Liberia en Sierra Leone een bron van grote zorg voor Guinee. In beide buurlanden woedden burgeroorlogen. In augustus 1990 werden Guinese troepen gelegerd aan de grens met Liberia, na een aantal invallen van Liberiaanse deserteurs op Guinees grondgebied. Guinese legereenheden gingen ook deel uitmaken van de ECOMOG-troepen die in dezelfde maand werden uitgezonden naar Liberia.

In april 1991 werd bekend dat daarnaast een contingent Guineeërs zou worden ingezet in Sierra Leone om dat land te assisteren bij het terugdringen van gebiedsschendingen door het Liberiaanse
National Patriotic Liberation Front
van Charles Taylor. In april 1992 vond in Sierra Leone een staatsgreep plaats. De als gevolg daarvan afgezette president Momoh kreeg politiek asiel in Guinee. Conté benadrukte dat normale betrekkingen met het nieuwe Sierraleoonse regime van Valentine Strasser zouden worden onderhouden en dat de Guinese troepen in Sierra Leone zouden blijven.

In oktober 1992 gaf de Guinese regering voor het eerst toe dat er op Guinees grondgebied trainingsfaciliteiten waren voor Liberiaanse militairen. Deze zouden evenwel niet behoren tot de anti-Taylor
United Liberation Movement of Liberia for Democracy (ULIMO), maar zouden te zijner tijd deel moeten gaan uitmaken van het nieuwe Liberiaanse regeringsleger dat zou worden gevormd als de vrede in het land uiteindelijk hersteld zou zijn. In maart 1993 diende de NPLF van Taylor een klacht in bij de VN dat ULIMO vanuit Guinee een gewapende aanval had ondernomen op NPLF-gebied. Deze klacht ging vergezeld van een dreiging tot vergelding. De Guinese regering bleef ontkennen sympathie te koesteren voor ULIMO, maar verklaarde op dat moment wel dat de Liberiaanse troepen die bestemd waren voor het uiteindelijk weer te vormen regeringsleger al waren vertrokken naar Liberia.

Vanaf begin 1994 werden pogingen ondernomen de veiligheid langs de grens tussen Guinee en Liberia te versterken na bewegingen van zowel ULIMO als NPLF.

Hernieuwd geweld in Liberia volgend op een poging tot staatsgreep in september 1994 zorgde voor zeker 50.000 vluchtelingen in Guinee. Bovendien zorgde een toename van de vijandelijkheden in Sierra Leone tussen regeringstroepen en rebellen in januari 1995 voor een verdere toename met zo'n 20.000 tot 40.000 vluchtelingen. De Guinese regering waarschuwde voor voedseltekorten en deed een beroep op internationale hulp. Na het vredesakkoord van Abuja in augustus 1995 waarbij in formele zin een eind kwam aan de burgeroorlog in Liberia kwam de repatriëring van Liberiaanse vluchtelingen langzaam op gang.

In januari 1996 werd in Sierra Leone president Strasser afgezet. Ook hij zocht evenals zijn voorganger zijn toevlucht in Guinee. Dit verhinderde Guinee overigens niet warme banden te onderhouden met de regering van Ahmed Tejan Kabbah, de opvolger van Strasser. De coup in Sierra Leone van Johnny Paul Koroma in 1997 zorgde voor een nieuwe vluchtelingenstroom en 1.500 Guinese manschappen gingen deel uitmaken van de ECOMOG-macht in Sierra Leone. UNHCR meldde dat het aantal vluchtelingen in Guinee aan het eind van 1997 in totaal 435.300 bedroeg vergeleken met 663.900 een jaar eerder.

Twee mensen werden gedood en vele anderen werden gewond toen eind april 1999 rebellen afkomstig uit Sierra Leone de stad Mollah aanvielen. De plaatselijke bevolking - de herhaalde aanvallen moe - nam wraak door een nabij gelegen kamp voor Sierra Leoonse vluchtelingen in brand te steken. Sierra Leone's president Kabbah kwam op bezoek in Guinee om de situatie te bespreken. Volgens officiële bronnen waren de besprekingen vruchtbaar en president Conté sprak zijn genoegen uit over het feit dat zijn Sierra Leoonse ambtgenoot besloten had de dialoog met de leiders van het Revolutionary United Front
te hervatten
.

In juni 1999 zou het Guinese leger een offensief zijn begonnen in het grensgebied met Sierra Leone om de activiteiten van Sierraleoonse guerillagroepen tegen te gaan.

In april 1999 had de Liberiaanse regering al formeel protest ingediend bij de Guinese autoriteiten als reactie op wat zij beschouwde als een Guinese invasie in de grensplaats Voinjama in Lofa County. De Guinese regering reageerde verontwaardigd en herhaalde dat het land nooit zou dienen als uitvalsbasis om de buurlanden te destabiliseren.

In augustus 1999 herhaalde de Liberiaanse regering haar beschuldiging . Volgens hulpverleners behoorden de aanvallers vrijwel zeker tot ULIMO-K van Alhaji Kromah, een oude tegenstander van Liberia's president Charles Taylor. Taylor noemde het incident een ernstige bedreiging voor de vrede en stabiliteit in de regio en deed zijn beklag bij de Guinese regering, de Economic Community of West African States
(ECOWAS) en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE). Voor het incident plaatsvond had Liberia overigens al een officieel verzoek tot uitlevering van Kromah ingediend bij de Guinese regering
.

Eind maart 1999 konden de laatste Guinese troepen uit Guinee-Bissau vertrekken na de inzet aldaar van een vredesmacht onder ECOWAS auspicieën. De Guinese troepen waren oorspronkelijk in juni 1998 ingezet als ondersteuning voor president Joao Bernardo Vieira nadat soldaten, loyaal aan de ontslagen bevelhebber Ansumane Mané, aan het muiten waren geslagen .

Als gevolg van de opnieuw opgelaaide strijd in Sierra Leone ontstond in mei en juni 2000 een nieuwe vluchtelingenstroom richting Guinee. Op 20 juni 2000 zouden reeds 4.183 vluchtelingen - voornamelijk vrouwen uit de in de noordelijke provincie gelegen steden Kambia, Makeni en Port Loko - in Guinee zijn opgevangen. Een nieuw kamp werd inmiddels gebouwd in Kalako en samen met de reeds bestaande acht kampen in de regio Forecariah zou de opvangcapaciteit zo'n 30.000 mensen bedragen
.

2.2
Politieke ontwikkelingen


In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de ontwikkelingen vanaf begin 1999, de periode volgend op het overzicht zoals dat is gegeven in subparagraaf 2.1.2.

Op 12 maart 1999 werd een nieuwe regering gevormd onder leiding van Lamine Sidime, voormalig voorzitter van het Hooggerechtshof. De meeste ministers uit de vorige regering werden herbenoemd. De reden voor het vertrek van de vorige premier, Sydia Touré, werd niet bekend gemaakt . In de nieuwe regering was derhalve sprake van een zekere continuïteit terwijl de nieuwe ministers technocraten waren zonder sterke partijbanden. De oppositie had twijfels over de samenstelling van de nieuwe regering en over het feit dat een jurist als nieuwe premier optrad in plaats van een econoom.

Eind april 1999 werd de
Assemblée Nationale
bijeengeroepen. In verband met de voortgezette detentie van Alpha Condé werd deze bijeenkomst, met uitzondering van Jean-Marie Doré van de Union pour le Progrès de Guinée
, geboycot door de CODEM.

Gedurende de eerste helft van 1999 werd er van verschillende zijden druk uitgeoefend op de regering om Condé en andere activisten die waren gearresteerd tijdens en na de presidentsverkiezingen van 1998 vrij te laten. Midden juli 1999 kondigde de regering aan dat het proces tegen Condé begin september 1999 zou aanvangen.

Politieke spanningen liepen in de loop van het jaar op in verband met de in 2000 te houden verkiezingen voor de
Assemblée Nationale
. De regerende
Parti de l'Unité et du Progrès
(PUP) staat er in principe sterk voor. Of zij een absolute meerderheid zal weten te behalen is onzeker. De werkelijke test voor de regering zal zijn het aantonen dat de verkiezingen vrij zullen zijn. Donoren zullen dit vereisen. Correct verlopende verkiezingen zullen ook het pas in december 2003 aflopende mandaat van president Lansana Conté verder ondersteunen.

President Conté staat onder druk het publieke vertrouwen in zijn regering te herwinnen nadat een financieel schandaal twee ministers tot aftreden dwong.

Lokale verkiezingen - evenals de parlementsverkiezingen oorspronkelijk voorzien voor juni 2000 - werden op 25 juni 2000 gehouden, ondanks het feit dat de regering er weinig voor voelde ze parallel te laten lopen aan het proces tegen oppositieleider Alpha Condé. De opkomst was laag en de PUP behaalde een klinkende overwinning. Volgens tegenstanders van de regering werd de uitslag van de verkiezingen te laat bekend gemaakt en protesten van militante oppositieleden leidden tot incidenten waarbij vijf doden vielen .

2.3
Veiligheidssituatie


Hoewel de politieke en economische situatie in Guinee gedurende 1999 relatief stabiel was, betekende de onveiligheid aan de zuidgrens met Liberia en Sierra Leone een bron van zorg. Toen de spanningen met buurland Liberia opliepen besloot Guinee de grens te sluiten. Uiteindelijk besloten Guinee en Liberia in september 1999 de wederzijdse vijandelijkheden te staken. De grens bleef vooralsnog gesloten.

De gastvrijheid die Guinee vluchtelingen bood diende als een goed voorbeeld voor de rest van Afrika. Een recente serie op Guinese grensdorpen in de nabijheid van de vluchtelingenkampen uitgevoerde aanvallen door rebellen uit Sierra Leone zorgde echter voor problemen.

De campus van de Kankan Universiteit werd in maart 1999 binnengevallen door veiligheidstroepen. Studenten hadden een demonstratieve mars door de stad gehouden als reactie op de dood van één van hen na een ongeluk met een minibus. Volgens de studenten traden de soldaten volstrekt willekeurig op en arresteerden en mishandelden zij honderden mensen. Naar schatting 530 van de 2.000 studenten werden voor ondervraging meegenomen naar een militair kamp. De officiële lezing van de militaire commandanten is anders. Studenten zouden - na de begrafenis van het slachtoffer - barricades hebben opgeworpen en de veiligheidstroepen hebben bekogeld met stenen, als gevolg waarvan vele soldaten gewond raakten. Volgens waarnemers zouden de studenten gemanipuleerd zijn door politieke krachten omdat het incident samenviel met het begin van het proces tegen de militanten van de RPG. Kankan campus werd in verband met de ongeregeldheden om veiligheidsredenen gesloten .

Begin april 1999 hielden veiligheidstroepen in Conakry naar schatting 150 Sierraleoners aan. Betrokkenen hadden een Italiaans schip aangevallen dat in de haven afgemeerd lag. De meerderheid werd teruggestuurd naar vluchtelingenkampen bij de grens waar zij zich eerder bij UNHCR hadden geregistreerd als vluchteling. UNHCR besloot hierop vluchtelingen grondiger te screenen om infiltratie door rebellen tegen te gaan.

In de vroege ochtend van 12 april 1999 werd bij het Amerikaanse culturele centrum in Conakry een bom aangetroffen. Het explosief kon onschadelijk worden gemaakt. Dit incident in combinatie met een criminele golf moorden en aanslagen gericht op individuen in de buitenwijken van de hoofdstad zorgde voor een toename in de zorg over de veiligheidssituatie in de stad. Patrouilles van politie en leger namen in omvang en aantal toe en in de praktijk was er gedurende de nachtelijke uren sprake van een avondklok .

2.4
Staatsinrichting


De grondwet van de derde republiek is aangenomen op 23 december 1990 en uitgevaardigd in 1991. In 1992 werd een wet afgekondigd die voorziet in de oprichting en registratie van een ongelimiteerd aantal politieke partijen waardoor de grondwet op het punt van een tweepartijensysteem herzien moest worden. De president is gedurende een termijn van vijf jaar het staatshoofd (laatste verkiezing tot dusverre in december 1998) en kan alleen worden gekozen bij absolute meerderheid van stemmen. Als geen van de kandidaten de absolute meerderheid behaalt, vindt een tweede verkiezingsronde plaats. De president is hoofd van de regering en benoemt in die hoedanigheid de ministers.

De wetgevende macht is de
Assemblée Nationale
die bestaat uit 114 leden. Verkiezingen voor de
Assemblée Nationale
vinden eens per vijf jaar plaats. Eenderde hiervan wordt gekozen als vertegenwoordiger van de verschillende kiesdistricten; de overigen worden gekozen volgens een systeem van evenredige vertegenwoordiging. De huidige Assemblée Nationale
is gekozen in juni 1995, voor 2000 staan nieuwe verkiezingen op stapel.

De grondwet voorziet in een onafhankelijk rechtsapparaat, maar in de praktijk is deze sterk gelieerd aan de uitvoerende macht.

2.5
Economische situatie


Ongeveer 85% van de bevolking is werkzaam in de landbouw. Meer dan 80% van de exportinkomsten is afkomstig uit de mijnbouw, met name bauxiet, goud, en diamanten. Daarnaast worden koffie en fruit geëxporteerd. De afgelopen jaren was sprake van bescheiden economische groei, gedeeltelijk dankzij aanzienlijke hulp door internationale instellingen. Wel werd deze groei beperkt door wijdverbreide corruptie. Vooral in de haven en bij de douane speelt dit probleem
.

Guinee kampt nog steeds met de gevolgen van een centraal geleide economie waarbij de staat alle economische activiteiten controleerde en particulier initiatief ontmoedigd werd. Een grote uitzondering op deze algemene tendens is de, zich in particuliere handen bevindende, mijnbouw die zich onafhankelijk van de rest van de economie ontwikkelde en nu nog steeds de grootste bron van inkomsten is. Daarnaast is de agrarische sector van groot belang voor de economie van Guinee. In de tijd van de planeconomie werd de landbouw door de boeren ernstig verwaarloosd onder andere als gevolg van te lage prijzen, overheidscontrole en het vorderen van productiebelasting. Ook de breuk met Frankrijk meteen na de onafhankelijkheid heeft negatieve invloed gehad op de economische ontwikkeling van Guinee: een alternatief moest worden gevonden voor de afzet van exportproducten.

Samen met het Internationaal Monetair Fonds en andere internationale organisaties werd na het afschaffen van de plan-economie een economisch en financieel hervormingsprogramma geïnitieerd om het internationale vertrouwen te herwinnen en hindernissen voor een economische groei te verwijderen. Implementatie van het programma was niet succesvol, zodat het werd stop gezet. Het werd hervat in 1991, maar de uitvoering ervan ging in de jaren erna nog steeds met veel moeilijkheden gepaard.

In november 1999 presenteerde de toenmalige minister van financiën, Ibrahima Kassory Fofana, de begroting voor het jaar 2000. In 1999 was het BNP met
3,7% gegroeid, iets minder dan de geplande 5%. Voor het jaar 2000 was de prognose voor de groei gesteld op 5% en die voor de inflatie op 4%. De belangrijkste doelstellingen waren macroeconomische stabiliteit en de uitbanning van armoede
.

Inmiddels staat het land als nummer 161 - het laagste nummer is 174 - genoteerd op de
Human Development Index
van UNDP
.

In december 1999 ging het Internationaal Monetair Fonds akkoord met de derde jaarlijkse regeling voor Guinee in het kader van
Poverty Reduction and Growth Facility
(PRGF), resulterend in een lening van ruim 32 miljoen US dollar. Deze lening dient in een periode van tien jaar te worden terugbetaald tegen een rentepercentage van een half procent. Het programma mikt op duurzame groei, een hogere levensstandaard voor de bevolking en een afname van de armoede. Het IMF maakte bekend dat 1999 voor Guinee een moeilijk jaar was geweest. De begroting was onder zware druk gekomen door de politieke instabiliteit in de regio en door de zwakke wereldprijzen voor het voornaamste exportproduct van het land, bauxiet. Het Internationaal Monetair Fonds verwelkomde de voornemens van de regering corruptie te bestrijden, maar hield tegelijkertijd een pleidooi voor een snelle, krachtige en transparante aanpak
.

Veranderingen in de economische politiek zullen vergezeld gaan van structurele hervormingen zoals de liquidatie of privatisering van twaalf staatsondernemingen, voortgaande stroomlijning van de douane, en rekapitalisatie van het sociale zekerheidsfonds. Deze initiatieven zullen worden gecombineerd met voortgaande pogingen een aantal sectoren te verbeteren zoals gezondheid, scholing, het rechtssysteem, sociale zaken, en infrastructuur. Minister Fofana riep de Guinese bevolking op de regering te steunen en af te zien van acties die het beoogde positieve resultaat zouden kunnen verhinderen. Hij hield een pleidooi voor een 'sociale wapenstilstand' en vroeg de bevolking gedisciplineerd en ijverig te zijn .

3
Mensenrechten


3.1
Toezicht

Guinee is partij bij de belangrijkste mensenrechtenverdragen, inclusief the Convention Against Torture and Other Cruel Inhuman or Degrading Treatment or Punishment
,
the Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women
,
the Convention on the Rights of the Child
,
the International Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination
,
the International Convention on the Protection of the Rights of All Migrant Workers and Members of their Families
,
the International Covenant on Civil and Political Rights , en
the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights . Er zijn sinds 1999 geen rapporten over Guinee verschenen.

Op nationaal niveau heeft de regering haar goedkeuring uitgesproken over twee NGO's die actief zijn op het gebied van de mensenrechten: l' Organisation Guinéenne de Defense des Droits de l'Homme et du Citoyen (OGDH) en
l'Association Guinéenne des Droits de l'Homme
(AGDH).

Ook worden nog genoemd als lokale NGO's op het gebied van de mensenrechten: Les Enfants des Victimes du Camp Boiro
,
S.O.S. Burial Grounds
,
The Association of Victims of Repression
,
Humanitarian Assistance for Prisons
,
Defense of Prisoner's Rights
,
Women Jurists for Human Rights
,
The Committee for the Defense of Civil Rights
, en
the Coordinating Committee on Traditional Practices Affecting Women's and Children's Health
. Door de regering en haar ambtenaren worden deze organisaties welwillend tegemoet getreden
.

Vanzelfsprekend zijn er nog meer NGO's actief - niet noodzakelijk op het gebied van de mensenrechten - in Guinee
. Deze NGO's kunnen in het kader van hun werkzaamheden wel misstanden op het gebied van de mensenrechten signaleren
.

3.2
Naleving en schendingen


In Guinee is geen sprake van grootschalige ernstige en systematische schendingen van de mensenrechten van personen met voor hen daaruit voortvloeiend direct levensgevaar.

Met name in het kader van de laatste presidentsverkiezingen en de follow-up daarvan zijn de mensenrechtenschendingen in Guinee extra in de internationale schijnwerpers gekomen. De situatie in Guinee wijkt niet sterk af van de mensenrechtensituatie in andere landen in de regio als Ivoorkust. De kwaliteit van het overheidsapparaat is gewoonlijk ondermaats, de politie-, leger- en veiligheidsfunctionarissen worden laag betaald en mede daardoor komen aberraties op het terrein van de mensenrechten veel voor. Deze schendingen kennen evenwel doorgaans geen systematisch karakter, zijn niet ideologisch gemotiveerd, met voorbedachte rade doelgericht of door de centrale overheid gepland en geleid.

Er is sprake van verdwijningen, willekeurige arrestaties en langdurig voorarrest en mishandeling van gedetineerden door de politie. De omstandigheden in de gevangenissen zijn zeer slecht en er is gebrek aan medische zorg, wat tot gevolg heeft dat regelmatig gevangenen overlijden. Voor hun voedsel zijn de gevangenen volledig aangewezen op familieleden. Er zijn rapporten verschenen waarin melding wordt gemaakt van het feit dat vrouwelijke gevangenen seksueel geïntimideerd worden. De grondwet voorziet in een onafhankelijk rechtsapparaat, maar in de praktijk is deze sterk gelieerd aan de uitvoerende macht. Geweld tegen vrouwen komt veelvuldig voor en diverse vrouwen hebben melding gemaakt van seksuele intimidatie in de formele arbeidssector in de stedelijke gebieden. De grondwet voorziet in een gelijke behandeling van man en vrouw, maar de toepassing ervan laat in de praktijk zeer te wensen over, vooral in de landelijke gebieden.

De grondwet voorziet in vrijheid van meningsuiting. De regering legt deze in de praktijk echter sterk aan banden. Openbare kritiek op de president wordt niet getolereerd. De overheid publiceert een officiëel nieuwsblad - La Nation

- en beheert enkele televisie- en radiostations. De min of meer onafhankelijke pers wordt sterk in de gaten gehouden door de overheid en journalisten worden geregeld aangehouden.

Het is onduidelijk of - in tegenstelling tot in 1997 en 1998 - in 1999 journalisten vastgehouden werden. Volgens het State Department werden gedurende 1999 geen journalisten gedetineerd
. Volgens rapporten van Amnesty International echter werd in februari 1999 een journalist van Beninse nationaliteit, Don de Dieu Agoussou, werkzaam voor het wekelijks verschijnende nieuwsblad
L'Oeil
, uitgezet. In 1998 had hij zich kritisch uitgelaten over de autoriteiten. Eveneens volgens Amnesty International werd in april 1999 Jean-Baptiste Kourouma van het onafhankelijke
l'Indépendant
gearresteerd en korte tijd vastgehouden op het politiebureau van Conakry, nadat hij een artikel had gepubliceerd waarin hij hoge staatsdienaren beschuldigde van omkoping. Na drie weken werd hij zonder officieel in staat van beschuldiging te zijn gesteld weer vrijgelaten. In december werden de eigenaar van dezelfde krant, Aboubacar Sylla, en zijn hoofdredacteur Saliou Samb gearresteerd en zonder aanklacht vastgehouden. Sylla kwam vrij na twee dagen en Samb werd na twaalf dagen uitgezet naar Ghana .

Onder de geschreven pers zijn de particuliere bladen Le Lynx
,
La Lance
,
L'Indépendant
,
L'Indépendant Plus
en
L'Economie guinéenne
. Regeringspublicaties worden verzorgd door
L'Agence Guinéenne de Presse
en
Horoya
.

In april 1999 lanceerde Mamadou Bâ een nieuw maandblad van de oppositie getiteld
Le Reveil
. De naam van het periodiek was volgens Bâ ingegeven door de wens Guinee en haar bevolking wakker te schudden uit een staat van lethargie .

De wet beperkt vrijheid van vereniging en de regering benut dit gegeven om in haar ogen ongewenste politieke activiteit te frusteren. Zo ondervinden leden van oppositionele groepen grote problemen bij het organiseren van bijeenkomsten. Volgens het strafrecht is iedere bijeenkomst met een etnisch of raciaal karakter verboden evenals elke bijeenkomst waarvan de aard de nationale eenheid zou kunnen bedreigen. De regering eist een vooraankondiging van 72 uur, anders zijn bijeenkomsten illegaal. De regering verbiedt alle straatmarsen behalve begrafenissen. Lokale autoriteiten kunnen een bijeenkomst annuleren wanneer zij van oordeel zijn dat de bijeenkomst de openbare orde bedreigt. Organisatoren kunnen aansprakelijk worden gesteld in geval van geweld en vernietiging van eigendommen.

Van de 46 geregistreerde politieke partijen zijn er negen vertegenwoordigd in de
Assemblée Nationale
waaronder de
Parti de l' Unité et du Progrès
(PUP), de
Rassemblement du Peuple Guinéen
(RPG), de
Parti du Renouveau et du Progrès
(PRP), de
Union pour la Nouvelle République
(UNR) en de
Union Nationale pour le Progrès en Guinée
(UNPG).

Er is sprake van door de grondwet gegarandeerde vrijheid van godsdienst. Over het algemeen respecteert de regering deze vrijheid in de praktijk.

Het grootste deel van de bevolking is aanhanger van de islam. De Ligue Islamique Nationale

- door de regering ondersteund - vertegenwoordigt de soennitische islamitische meerderheid in het land. Slechts een zeer klein deel van de moslims is shi'itisch.

De regering eist van alle erkende christelijke kerken dat zij zich aansluiten bij de Vereniging van Kerken en Missies om te kunnen profiteren van bepaalde privileges, zoals belastingvoordelen en subsidies op energiegebruik. Onder de christenen vinden we rooms-katholieken, anglicanen, baptisten, jehova's en zevende dagadventisten.

Er is een kleine Baha'i gemeenschap die door de overheid weliswaar niet officieel wordt erkend, maar geen last ondervindt.

De islam is in het gehele land in de meerderheid. Christenen vinden we vooral in de grote steden, met uitzondering van de Fouta Djallon regio in het midden van het land, waar de etnische groep Peul de vestiging van niet-islamitische groepen sterk frustreert.

Alhoewel de regering en de NIL tegen een uitbreiding van shi'itsich fundamentalisme zijn, uit angst voor onrust binnen de islamitische bevolkingsgroepen in het land, worden de activiteiten van deze groepen niet beperkt.

In april 1999 stelde de regering voor het eerst als eis dat iedere minister de eed moest afleggen op Koran of Bijbel. Dit leidde tot kritiek van hen die dit zagen als in strijd met het seculiere karakter van de staat.

Zowel islamitische als christelijke feestdagen worden door de regering erkend en gevierd door de bevolking.

Buitenlandse missies en op kerkelijke leest geschoeide hulporganisaties kunnen in het gehele land vrijuit opereren. Er zijn alleen incidentele meldingen geweest dat de regering zendingsarbeid van Jehova's heeft gedwarsboomd.

Voorbeelden van vervolging c.q. detentie op grond van religie zijn niet bekend. De verhouding tussen de verschillende religieuze groepen is over het algemeen goed. In sommige delen van het land, waar de islam erg dominant is, kan dit leiden tot ontmoediging bij niet-moslims hun geloof openlijk te belijden
.

De grondwet voorziet in vrijheid van beweging voor alle burgers, zowel in Guinee als naar en van het buitenland.

Binnen Guinee zijn echter wel bepaalde beperkingen. Iedereen dient te zijn voorzien van een identiteitskaart die bij veiligheidscontrolepunten moet worden getoond. Met name laat in de avond lopen reizigers het risico te worden lastig gevallen door politie en militairen bij roadblocks. Vaak worden reizigers kleine bedragen afhandig gemaakt. Alhoewel de regering volhoudt dat corruptie bij checkpoints slechts een zaak is van een klein aantal soldaten, is corruptie bij officiële checkpoints systematisch.

Reizen van en naar het buitenland is vrij toegestaan. In verband met politieke redenen behoudt de regering zich echter het recht voor deze vrijheid in te perken
.

In Guinee zijn een
Carte National d'Identité
en een paspoort verkrijgbaar. Bij de aanvraag van beide documenten is het volgende benodigd: vier foto's, een uittreksel uit het bevolkingsregister ( Extrait de Naissance
) of een
Jugement Supplétif
(een verklaring door de rechter op basis van getuigeverklaring dat de betrokken persoon op een bepaalde datum is geboren; dit is nodig indien een geboortedatum - zoals veelvuldig het geval is - niet officieel werd geregistreerd), een
Certificat de Résidence
, een
Carte d'Electeur
en 5.000 respectievelijk 75.000 Guinese francs. De kleur van de Carte National d'Identité
is oranje-donkerblauw/nachtblauw en de tekst wordt geprint. De omslag van het paspoort is blauw. Aan de binnenzijde zijn de kleuren oranje, geel en groen. De teksten worden gedrukt en zijn niet handgeschreven.

De regering werkt volledig mee met UNHCR, het Wereldvoedselprogramma en andere organisaties om vluchtelingen te ondersteunen. De regering verleent asiel conform de conventies van de Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en is over het algemeen gastvrij tegenover vluchtelingen. Er waren in 1999 geen meldingen van gedwongen terugzending van mensen met een vluchtelingenstatus naar een land waar zij vervolging zouden kunnen verwachten. Wel werden in een aantal gevallen vermeende rebellen - die mogelijk Guinee wilden gebruiken als uitvalsbasis - overgedragen aan de autoriteiten in Sierra Leone
.

De rechterlijke macht is onderworpen aan beïnvloeding door de uitvoerende macht, met name in politiek gevoelige zaken
. Ook is er een tekort aan voldoende gekwalificeerde rechters en wordt gebruik gemaakt van een gedateerd wetboek van strafrecht. De bevolking van Guinee valt vaak terug op het traditionele rechtssysteem, dat echter discriminerend is voor vrouwen.

Illustratief voor de beïnvloeding van de rechterlijke macht door de uitvoerende macht is wellicht de zaak-Condé. Zoals beschreven in subparagraaf 2.1.2 werd Condé, samen met twee leden van zijn partij en de voormalige burgemeester van Lola, Antoine Bogolo Soromou, in december 1998 gearresteerd.

Ook de EU-ambassadeurs in Conakry hielden zich bezig met de zaak-Condé en eind maart 2000 werd een démarche voorbereid bij de Guinese autoriteiten. Het voorzitterschap van de Europese Unie publiceerde een verklaring op 6 april 2000, waarin de hoop werd uitgesproken dat het proces - dat op 12 april zou moeten beginnen - op eerlijke en correcte wijze zou worden gevoerd. De démarche werd uitgevoerd op 6 april 2000 door de drie chefs de poste (Frankrijk, Duitsland en de vertegenwoordiger van de Commissie) in Conakry. Minister Togba van Justitie toonde zich in enige mate geïrriteerd ten aanzien van de verdenkingen van de Europeanen. Hij verklaarde evenwel dat het proces openbaar zou zijn. Ook zouden familieleden, advocaten, vertegenwoordigers van NGO's - zowel Guinese organisaties als Amnesty International -en de nationale en internationale pers bij het proces aanwezig zijn.

De toonaangevende Senegalese mensenrechtenorganisatie La Rencontre Africaine pour la Défense des Droits de l'Homme (RADDHO) veroordeelde op 10 april 2000 de weigering van de Guinese regering visa te verstrekken aan enkele buitenlandse journalisten en advocaten die het proces tegen Alpha Condé wilden bijwonen. Alioune Tiné, secretaris-generaal van de organisatie, beschouwde deze weigering als in flagrante tegenspraak met het Afrikaanse Handvest van de Mensenrechten. Daarnaast was de Senegalees Doucounta Diallo, een van Condé's advocaten, te verstaan gegeven dat hij zou worden gearresteerd bij aankomst in Conakry. RADDHO riep de Guinese regering op haar internationale verplichtingen na te komen en riep de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid en de Economic Community of West African States
op druk uit te oefenen op de Guinese regering
.

Uiteindelijk verscheen Condé op 12 april 2000 in de rechtbank. Naast de oorspronkelijke aanklacht werd hij ook beschuldigd van het aanvallen van wetsdienaren en het op frauduleuze wijze omgaan met vreemd geld. Tijdens zijn binnenkomst in de rechtszaal verklaarde Condé 'vertrouwen in zichzelf te hebben'. In de rechtsmacht had hij evenwel geen enkel vertrouwen en hij merkte op dat de aan zijn adres geuite beschuldigingen leken op een roman die lachwekkend slecht geschreven was. Condé verklaarde voorts zijn 47 medebeklaagden niet te kennen
.

Op 2 mei 2000 weigerden de aangeklaagden de door het hof benoemde advocaten. Rechter Mamadou Sylla had op 26 april 2000 het verzoek van de door de aangeklaagden gekozen advocaten om het proces te annuleren afgewezen waarop deze advocaten zich hadden terugtrokken.

De staatsradio maakte op 18 mei 2000 bekend dat het proces zou worden hervat op 22 mei 2000. De aangeklaagden maakten hierop bekend dat aan hun standpunt niets was veranderd. Ongeacht de omstandigheden in de gevangenis, zullen wij geen lokale (door de rechtbank aangewezen) pleiters accepteren en evenmin getuigenis afleggen in de getuigenbank
.

Regelmatig worden mensen - veelal opposanten van de regering - opgepakt zonder aanklacht en vastgehouden onder slechte condities. De omstandigheden in de gevangenissen zijn slecht en er is gebrek aan medische zorg, wat tot gevolg heeft dat regelmatig gevangenen overlijden. Voor hun voedsel zijn de gevangenen volledig aangewezen op familieleden. Er zijn rapporten verschenen waarin melding wordt gemaakt van het feit dat vrouwelijke gevangenen seksueel geïntimideerd worden
.De regering staat toe dat lokale mensenrechten- en kerkelijke organisaties gevangenissen bezoeken. Op 10 november 1999 sloot het Internationale Comité van het Rode Kruis een overeenkomst met de regering - na een periode van twee jaar onderhandelen - over toegang tot gevangenen. Deze uitkomst werd beschouwd als een stap in de goede richting door de regering.

Tijdens de nasleep van de verkiezingen van 1998 werden vele leden en aanhangers van oppositiepartijen gearresteerd. Onder hen was Marcel Cros, leider van de
Parti Démocratique Africain de Guinée
. Hij werd ervan beschuldigd vuurwapens in bezit te hebben. Na twee maanden detentie werd hij vrijgelaten zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld. Anderen, waaronder parlementsleden van de RPG, werden berecht en veroordeeld tot gevangenisstraffen. In maart 1999 werden meer dan zestig mensen berecht door een rechtbank in Karkan. Zij werden beschuldigd van betrokkenheid bij een niet toegestane demonstratieve optocht en het aanzetten tot geweld. In april werd een aantal van hen veroordeeld tot gevangenisstraffen variërend van vier maanden tot vijf jaar, alsmede een forse geldboete. Overigens werden er twee vrijgesproken. Zij die vijf jaar kregen werden bij verstek veroordeeld en het hof eiste dat een internationaal opsporingsbevel zou worden uitgevaardigd. Aanhangers van de RPG die tot vier jaar werden veroordeeld, werden na deze periode weer vrijgelaten
.

Volgens leden van de oppositie en een lokale mensenrechtenorganisatie zou er eind 1999 een onbekend aantal politieke gevangenen hebben vastgezeten. De regering ontkent dit
.

Het strafrecht en de grondwet verbieden foltering en wrede, onmenselijke behandeling. In de praktijk nemen zowel burger als militaire veiligheidstroepen hun toevlucht tot folteringen om bekentenissen af te dwingen
.

Volgens Amnesty International heeft in 1998 de president van de Assemblée Nationale
, El Hadj Biri Diallo, het gebruik van foltering veroordeeld. Hij spoorde president Conté aan actie te ondernemen om dergelijk schendingen te voorkomen
.

Mishandeling en foltering werden in 1999 veel toegepast kort na de arrestatie en tijdens de ondervraging. Ook waren er voorbeelden van mishandeling tijdens detentie bijvoorbeeld bij Kankan. Onderzoeken naar dergelijke beschuldigingen werden niet ingesteld, noch in 1999 noch in de jaren - zoals tijdens de muiterij van 1996 en de gebeurtenissen in Kaporo Rails in 1998 - daarvoor
.

Zowel oppositieleiders, lokale NGO's, als de onafhankelijke pers rapporteren met zekere regelmaat over politiek geïnspireerde tijdelijke verdwijningen die meestal eindigen met de uiteindelijke vrijlating van de gevangenen die werden vastgehouden door de veiligheidsdiensten
.

Zo verdwenen, in de maanden na de muiterij van februari 1996, honderden soldaten en burgers tijdens razzia's die werden uitgevoerd door gewapende leden van de veiligheidsdiensten. Baba Sarr, een familielid van de bij de muiterij betrokken majoor Gbago Zoumanigui, is nog steeds zoek. Gedurende 1998 zouden, volgens familieleden, veel mensen in zelfgekozen ballingschap zijn gegaan
.

Op 11 oktober 1999 doodden veiligheidstroepen twee studenten bij een poging een gewelddadig protest tegen prijsstijgingen van benzine en openbaar vervoer de kop in te drukken. Toch, vergeleken met 1998, waren er minder gewelddadige rellen en minder voorbeelden van overreacties aan regeringskant. De regeringsautoriteiten gaan door met het verhinderen van pogingen van mensenrechtengroepen en NGO's om politieke moorden uit de jaren zeventig te onderzoeken. Ook zijn er gewapende - veelal door rebellen uitgevoerde - aanvallen en moorden vanuit het grensgebied met Sierra Leone en Liberia. Veel slachtoffers hebben de neiging zich in burgerwachten te organiseren en het recht in eigen hand te nemen
.

Zoals vermeld in subparagraaf 2.1.2. overleed in december 1998 een soldaat uit het Camp Alpha Yaya als gevolg van verwondingen opgelopen tijdens een pak slaag op bevel van zijn commandant omdat hij geprobeerd had zijn stem uit te brengen buiten het kamp. De commandant, Panival Sama Bangoura, kreeg slechts een reprimande en werd op 22 juni 1999 overgeplaatst naar Kankan, waar hij chef werd van de derde militaire regio. Toen het lichaam van de soldaat werd overgebracht naar zijn woonplaats, Labe, braken daar rellen uit tussen burgers en veiligheidstroepen. Daarbij kwam een vrouw om het leven .

In het algemeen werden de verkiezingen van 1998 gekenmerkt door veel geweld. Op 28 november 1998 trachtte de subprefect van Banian, Jean Traore, een bijeenkomst van de oppositionele RPG uit elkaar te slaan. Eén man kwam daarbij om terwijl twee anderen gewond raakten. Mensen uit de menigte sloegen vervolgens Traore dood.

In Guinee wordt vastgehouden aan de doodstraf
. Er zijn evenwel geen precieze gegevens bekend over de mate waarin de doodstraf in de praktijk ten uitvoer gebracht wordt.

3.3
Positie van specifieke groepen


Hieronder wordt een beschrijving gegeven van de mensenrechtensituatie van achtereenvolgens vrouwen, kinderen, en etnische groepen en minderheden.

Ofschoon het slaan van echtgenotes wettelijk een misdaad en grond voor scheiding is, is geweld tegen vrouwen in Guinee gewoon. De politie komt in de praktijk nauwelijks tussenbeide.

Vrouwen die werken in stedelijke gebieden klagen vaak over seksuele intimidatie. Vrouwelijke gevangenen worden vaak seksueel lastig gevallen door bewakers. Het sociale stigma voorkomt dat slachtoffers deze daden melden. De regering doet er weinig aan.

De grondwet verbiedt uitdrukkelijk discriminatie op grond van ras, geslacht, godsdienst, handicap en taal. In ieder geval ten aanzien van vrouwen is de praktijk anders. Verkrachting en mishandeling zijn wijd verbreid, vooral in de landelijke gebieden. De wetgeving bevoordeelt de man bij echtscheiding. Vrouwen hebben recht op gelijke betaling bij gelijke arbeid. In de praktijk worden vrouwen ook hier gediscrimineerd. Vrouwen in landelijke gebieden zijn vrijwel uitsluitend aangewezen op landarbeid binnen de familie en het opvoeden van de kinderen
.

Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in de regering en de politiek. Tot voor kort hadden slechts twee vrouwen zitting in het kabinet en er bevonden zich negen vrouwelijke afgevaardigden onder de 114 leden tellende Assemblée Nationale
. Er zijn geen vrouwen in de hogere rangen in het leger en in de leiding van de belangrijkste politieke partijen spelen vrouwen een ondergeschikte rol . In dit verband is het opvallend dat ter gelegenheid van een wisseling in het kabinet de staatsradio op 7 juni 2000 bekend maakte dat de vroegere permanente vertegenwoordiger van Guinee bij de Verenigde Naties, mevrouw Mahawa Bangoura, benoemd was tot minister van buitenlandse zaken .

Besnijdenis bij vrouwen is in Guinee nog volstrekt normaal en komt voor in alle delen van het land en onder alle religieuze en etnische groepen. Alhoewel verboden volgens het wetboek van strafrecht, worden geen vervolgingen ingesteld
.

De grondwet bepaalt dat de regering verplichtingen heeft ten aanzien van de bescherming en opleiding van 's lands kinderen. Het onderwijssysteem raakte echter in verval na de onafhankelijkheid. Gekwalificeerd personeel vluchtte voor Sekou Touré's regime, en Frans werd op school deels vervangen door inheemse talen. Vanaf 1985 is er weer aandacht voor het lager onderwijs en verdubbelde het aantal kinderen dat zich op een school inschreef. De regering besteedt inmiddels een aanzienlijk deel van het nationale budget - ongeveer 25% - aan lager onderwijs. Het onderwijs is gratis en kinderen zijn gedurende acht jaar leerplichtig. Rond de helft van alle daarvoor in aanmerking komende kinderen zitten op de 'lagere school' (66% van de jongens, 35% van de meisjes). De kwaliteit van het geboden onderwijs blijft echter onvoldoende
.

Besnijdenis bij meisjes is in Guinee nog volstrekt normaal en komt voor in alle delen van het land en onder alle religieuze en etnische groepen. Er zijn geen mogelijkheden zich aan deze praktijk te onttrekken. Alhoewel verboden volgens het wetboek van strafrecht, worden geen vervolgingen ingesteld
.

De - zonder duidelijke rangorde - meest toegepaste vormen zijn - conform de classificatie van de World Health Organisation - excisie (type II), clitoridectomie (type I) en infibulatie (type III) .

Een lokale NGO, de
Coordination sur les Pratiques Traditionelles Affectant la santé des Femmes et des Enfants
(CPTAFE), heeft zich er op gericht besnijdenis en het ritueel aanbrengen van littekens uit te bannen. Deze organisatie constateert een recente daling in het percentage vrouwen en meisjes dat besnijdenis ondergaat en komt uit op een getal tussen de 65 en 75%. De regering ondersteunt de pogingen van CPTAFE. De organisatie geeft aan dat de cijfers met betrekking tot kinder- en moedersterfte als gevolg van besnijdenis aanzienlijk zijn. In Maart 1997 ontwikkelde de regering - samen met de
World Health Organization

- het initiatief om besnijdenis in een periode van twintig jaar uit te bannen.

Een toenemend aantal mannen en vrouwen - vooral in de stedelijke gebieden en bij de hoger opgeleiden - is tegenstander van besnijdenis .

CPTAFE - in samenwerking met de regering, lokale journalisten en internationale NGO's - voert ook nog campagne om het sluiten van huwelijken op minderjarige leeftijd te ontmoedigen. Dergelijke huwelijken zijn wettelijk verboden maar in bij voorbeeld Guinée-Forestière worden meisjes vaak al op hun elfde jaar uitgehuwelijkt
.

Kinderprostitutie komt voor bij meisjes zo jong als 14 jaar. De regering voert geen actief ontmoedigingsbeleid
.

Op basis van thans beschikbare informatie houden de navolgende instellingen zich bezig met de opvang van weeskinderen. Zeven instellingen zijn gevestigd in Conakry, een in Nzérékoré in het grensgebied met Ivoorkust en Liberia.

SOS Village d'Enfants-Guinée

Dit is een opvangcentrum dat sinds mei 1990 actief is. De instelling is opgericht door de Oostenrijkse NGO
SOS Kinderdorf
. Het dorp ontfermt zich over

weeskinderen, maar ook in de steek gelaten kinderen. Zowel jongens als meisjes tot de leeftijd van achttien jaar worden opgenomen. De kosten van onderhoud - huisvesting, voeding en kleding - worden gedragen door SOS-Guinée.

Aanvragen tot plaatsing worden ingediend bij het ministerie van Sociale Zaken, Vrouwenemancipatie en Kindzorg. Dit ministerie legt de aanvraag voor aan een nationale commissie bestaande uit vertegenwoordigers van de ministeries van Sociale Zaken, Vrouwenemancipatie en Kindzorg, Justitie, Veiligheid, Binnenlandse Zaken, en een vertegenwoordiger van SOS-Guinée.

Terre des Hommes

Terre des Hommes
is een nationale NGO met een opvanginstelling gelegen in de wijk Dixinn, gemeente Dixinn-Conakry. Met name weeskinderen - jongens en meisjes - die de wet hebben overtreden, worden hier gratis opgevangen. Zij krijgen elementaire scholing, heropvoeding en maatschappelijke resocialisatie en doen mee aan activiteiten gericht op preventie.van jeugdcriminaliteit.

Orphelinat Dimakane

Orphelinat Dimakane
is een nationale NGO gelegen in de wijk Coronthie, gemeente Kaloum-Conakry. De organisatie staat onder bescherming van het ministerie van Sociale Zaken, Vrouwenemancipatie en Kindzorg. In de steek gelaten kinderen wordt opvang en gratis onderwijs geboden.

Foyer Saint Joseph

Foyer Saint Joseph
is een nationale NGO gelegen in de wijk Entag Nord, gemeente Matoto-Conakry. De organisatie staat onder bescherming van het ministerie van Sociale Zaken, Vrouwenemancipatie en Kindzorg.

Sabou Guinée

Sabou Guinée
is een nationale NGO gelegen in de wijk Dixinn, gemeente Dixinn-Conakry. Deze instelling biedt weeskinderen opvang en scholing.

Orphelinat Mariama Bah

Orphelinat Mariama Bah
is een nationale NGO gelegen in de wijk Bonfi, gemeente Matam-Conakry. De organisatie staat onder bescherming van het ministerie van Sociale Zaken, Vrouwenemancipatie en Kindzorg. Deze instelling is gespecialiseerd in resocialisatie van weeskinderen door middel van scholing in vakken als naaien en schilderen.

Orphelinat des Pupilles de la Nation

Orphelinat des Pupilles de la Nation
is een nationale NGO gelegen in de wijk Minière, gemeente Ratoma-Conakry. De organisatie staat onder bescherming van het ministerie van Sociale Zaken, Vrouwenemancipatie en Kindzorg. Deze instelling is gespecialiseerd in resocialisatie van weeskinderen door middel van scholing en vrijetijdsbesteding.

Maison des Enfants d' Afrique

Maison des Enfants d' Afrique
is een nationale NGO gelegen in de wijk Nongo, gemeente Ratoma-Conakry. Deze instelling is gespecialiseerd in resocialisatie van weeskinderen door middel van scholing en houdt zich met name bezig met vluchtelingenkinderen.

Union des Veuves Catholiques

Union des Veuves Catholiques
is een nationale NGO gelegen in de plaats Nzérékoré. De instelling vangt weeskinderen op en biedt activiteiten op het gebied van de landbouw. De instelling wordt gefinancierd door de
Union des Veuves Catholiques
.

In Guinee leven verschillende etnische groepen. Geen enkele heeft in absolute zin de meerderheid. De grootste groepen zijn de Peul (40% van de bevolking), de Malinke (30% van de bevolking) en de Sousou (20% van de bevolking). Iedere groep spreekt zijn eigen primaire taal en is geconcentreerd in een duidelijk afgebakend gebied. De Sousou in Basse-Guinée, de Peul in Moyenne-Guinée, en de Malinke in Haute-Guinée. Grondwet en strafrecht verbieden raciale en etnische discriminatie. Etnische identificatie is sterk. Wederzijdse verdenkingen beïnvloeden relaties langs etnische scheidslijnen binnen en buiten de regering. Ook in de maatschappij komt etnische discriminatie voor en stedelijke gebieden kennen veel etnische segregatie. Interetnische huwelijken zijn schaars, zelfs in de steden. De overrepresentatie van Sousou in de publieke sector, met name op de hogere niveau's, is bron geweest van politieke spanningen en geweld. De heersende PUP-partij, hoewel in het algemeen gesteund door Sousou, heeft de etnische grenzen meer effectief overschreden dan de voornaamste oppositiepartijen, die veel sterker nog gebaseerd zijn op duidelijk te identificeren etnische en regionale bases. De UNR is sterk gekoppeld aan de Peul, de RPG aan de Malinke. De al genoemde dominante rol van de Sousou in de publieke sector en de migratie van Malinke in traditionele thuislanden van kleinere etnische groepen hebben voor veel politieke spanningen gezorgd die soms tot geweld leidden.

De rellen in Kaporo Rails in februari-maart 1998 en de rellen van december 1998 in Conakry (ter gelegenheid van de verkiezingen) waren zowel uitingen van interetnisch geweld tussen Sousou en Peul als uitingen van politiek geweld tussen de regering en aanhangers van de oppositie.

In Guinee is de militaire dienstplicht sinds 1984 afgeschaft.


4
Vluchtelingen en ontheemden


4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de situatie van vluchtelingen en ontheemden. Aan de orde komen de mogelijkheiden van binnenlandse vestigingsvrijheid, het beleid van een aantal andere landen inzake Guinese asielzoekers en het standpunt van UNHCR met betrekking tot Guinee.

4.2
Binnenlandse vestigingsvrijheid


Volgens UNHCR kan iedere Guinese vluchteling die wil terugkeren naar eigen land dat in veiligheid en waardigheid doen, ongeacht het deel van het land waarheen hij wenst terug te keren en te blijven
.

4.3
Beleid andere landen

Op basis van de beschikbare gegevens kan worden gesteld dat van de ons omringende landen Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland daadwerkelijk verwijderen naar Guinee. België heeft in 1999, toen twee per directe Sabenavlucht uit Conakry gevluchte jongens bij aankomst op Zaventem levenloos werden aangetroffen in het landingsgestel, verwijderingen opgeschort.

In België werden gedurende het jaar 1999 296 asielaanvragen door Guineeërs ingediend. Tijdens de maanden januari en februari van dit jaar werden 58 aanvragen ingediend. In de periode 1999 tot en met eind februari 2000 werden in totaal 19 aanvragen ingewilligd. Wel zijn in dit aantal beslissingen inbegrepen die slaan op aanvragen uit voorgaande perioden.

Afgewezen Guinese asielzoekers worden sedert het verleden jaar voorgedane incident niet meer verwijderd.

In 1999 werden drie personen verwijderd (voor het hierboven genoemde incident), dit jaar nog geen enkele. Verwijdering vond alleen plaats per directe Sabenavlucht naar Conakry, derhalve niet naar derde landen.

Er is in België niets bekend over mogelijke problemen die verwijderde Guineeërs bij terugkeer zouden hebben ondervonden.

Ruim eenderde van het totaal aantal asielzoekers uit Guinee wordt gevormd door mensen in de leeftijd tussen de 16 en 21 jaar. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen bedoelde groepering en overige asielzoekers uit Guinee. België houdt zich bij de beoordeling van eventuele asielverzoeken van minderjarigen aan het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Er bestaan geen contacten met instituten van opvang in Guinee.

Gedurende 1999 werden in Denemarken geen asielaanvragen door Guineeërs ingediend. In de periode januari - begin maart 2000 werd één aanvraag ingediend. Hierop is nog geen beslissing genomen. Denemarken behandelt iedere asielaanvraag op basis van individuele omstandigheden. In 1999 werden geen uitgeprocedeerde Guinese asielzoekers naar het land van herkomst verwijderd. Denemarken heeft überhaupt geen ervaring met terugzending van Guinese asielzoekers naar Guinee en/of derde landen.

In Duitsland werden gedurende de periode 1999 tot en met februari 2000 153 asielaanvragen door Guineeërs ingediend. In dezelfde periode nam het Bundesamt für die Anerkennung Flüchtlinge
(BAFl) in 258 gevallen een beslissing. Dit resulteerde in vijf gevallen in toekenning van de grondwettelijke asielgerechtigden-status (artikel 16A Grundgesetz). Eén Guineeër kreeg "klein asiel" op grond van paragraaf 51 Ausländergesetz. In totaal werden 202 verzoeken afgewezen.

Er zijn geen specifieke categorieën Guinese asielzoekers die eerder in aanmerking kunnen komen voor een vluchtelingenstatus dan wel een andere verblijfstitel. Evenmin zijn er categorieën afgewezen Guinese asielzoekers die - bijvoorbeeld - op grond van etniciteit niet (meer) worden verwijderd.

In 1999 werden 65 Guineeërs (al dan niet afgewezen asielzoekers) daadwerkelijk naar het land van herkomst verwijderd. Cijfers over de eerste maanden van het lopende jaar zijn nog niet beschikbaar. Volgens de Duitse autoriteiten hebben mensenrechtenorganisaties in meerdere gevallen gemeld dat verwijderde Guineeërs na terugkeer gearresteerd en vervolgens spoorloos verdwenen zijn. De Duitse ambassade in Conakry heeft naar aanleiding van dergelijke meldingen getracht duidelijkheid te verkrijgen over het lot van betrokkenen, echter zonder resultaat. In geen van de gevallen is vastgesteld dat een persoon na terugkeer daadwerkelijk is gearresteerd en verdwenen. De Guinese regering zou arrestatie van verwijderde personen na terugkeer ontkennen.

Er komen niet proportioneel veel alleenstaande minderjarige Guinese asielzoekers naar Duitsland. De meeste Guineeërs die in Duitsland asiel aanvragen zijn tussen de twintig en 35 jaar oud.

Over het Franse beleid ten aanzien van Guinese asielzoekers zijn helaas geen gegevens beschikbaar.

In Oostenrijk werden gedurende de periode 1999 tot en met eind februari 2000 33 asielaanvragen door Guineeërs ingediend. In dezelfde periode werden drie aanvragen ingewilligd en zes afgewezen. Elke asielaanvraag wordt afzonderlijk behandeld en allereerst beoordeeld op vluchtelingschap. Pas daarna wordt bezien of men in aanmerking komt voor een tijdelijke verblijfstitel. Over verwijderingen zijn geen gegevens beschikbaar.

Het Verenigd Koninkrijk ontving in de periode 1 januari 1999 - 31 januari 2000 circa 40 asielverzoeken van Guineeërs (de cijfers worden door het Immigration and Nationality Directorate
afgerond naar veelvouden van vijf). Tussen januari en mei 1999 zijn geen beslissingen over Guinese asielverzoeken genomen. Cijfers met betrekking tot beslissingen na die periode zijn (nog) niet beschikbaar.

Gezien het relatief kleine aantal asielaanvragen door Guineeërs hebben de Britten geen beleid ontwikkeld ten aanzien van specifieke categorieën. Alle Guinese asielverzoeken worden per geval beoordeeld op het in aanmerking komen voor een tijdelijke verblijfstitel (
exceptional leave
). Er is op dit moment geen specifieke groep Guineeërs die - op basis van etnische afkomst of een andere factor - niet teruggestuurd zou worden, indien de aanvraag zou worden afgewezen.

Cijfers ten aanzien van verwijderingen in 1999 zijn nog niet beschikbaar. Overigens zijn bij de Britten geen gevallen bekend waarbij teruggekeerde Guinese asielzoekers problemen zouden hebben ondervonden.

In de statistieken van de Britten wordt geen onderscheid gemaakt naar leeftijd van Guinese asielzoekers. In enkele gevallen zouden asielzoekers gezegd hebben minderjarig te zijn. Of een afgewezen minderjarige asielzoeker wordt verwijderd wordt ook weer per geval beoordeeld. Voor zover bekend hebben de Britten geen contact met instituten voor opvang van minderjarigen in Guinee.

Ten slotte kan nog worden vermeld dat er sprake is van een langzame toename van het aantal Guinese asielzoekers in het Verenigd Koninkrijk.

In de periode 1 januari 1999 tot en met februari 2000 werden 436 asielaanvragen door Guineeërs in Zwitserland ingediend. Voorzover deze aanvragen werden behandeld werden 63 personen gedwongen gerepatrieerd en keerden 14 personen vrijwillig terug. De overige aanvragen bevinden zich nog in de procedure en tot dusverre is geen enkele aanvraag ingewilligd. Bij de Zwitserse autoriteiten zijn geen gevallen bekend van mensen die na terugkeer werden lastiggevallen.

80% van de asielaanvragers die voorgeeft minderjarig te zijn blijkt in werkelijkheid meerderjarig te zijn. Sedert 1 januari 1999 werden 54 asielverzoeken ingediend door minderjarigen van Guinese afkomst. Zij worden teruggestuurd als er in Guinee opvangmogelijkheden zijn. Wanneer deze mogelijkheid niet aanwezig is mogen zij tot het moment waarop zij meerderjarig worden op basis van een vtv in Zwitserland blijven waarna zij alsnog worden verwijderd.

4.4
UNHCR-beleid


UNHCR beschouwt de politieke situatie in Guinee als gespannen sinds de arrestatie van Alpha Condé in december 1998. Overigens stelt UNHCR dat er tot dusverre geen sprake is geweest van meldingen van systematische of van ernstige vervolging of pesterijen gericht op politici, mensenrechtenactivisten of enige andere specifieke maatschappelijke groep. Alleen de persvrijheid is in enige mate discutabel.

Sterker nog, sinds het huidige regime in april 1984 het bestuur over het land overnam van Sekou Touré, is er nimmer sprake geweest van een massale toevloed van Guineeërs in buurlanden. Daarom worden Guineeërs slechts erkend als vluchteling indien de individuele omstandigheden in iedere zaak daartoe aanleiding geven.

Guinese vluchtelingen die de wens te kennen geven te willen terugkeren, worden op individuele basis ondersteund. Er is geen grootschalig vrijwillig terugkeerprogramma ten behoeve van Guineeërs gezien het geringe aantal Guineeërs in de buurlanden.

UNHCR ondersteunt Guineeërs - op dezelfde wijze als alle andere nationaliteiten - bij repatriëring door het bieden van vervoersmogelijkheden en onderhoudstoelagen gedurende de reis.

Zoals opgemerkt zijn UNHCR geen specifieke groepen of categorieën Guineeërs bekend die doelwit zijn van vervolging of pesterijen. Echter journalisten en politieke leiders zijn van tijd tot tijd slachtoffer van pesterijen, in het bijzonder sinds de eerste meerpartijenverkiezingen van 1993. Deze situatie is sindsdien niet wezenlijk veranderd of verbeterd. Gedurende de periode 1999-maart 2000 waren UNHCR geen rapporten over zorgelijke situaties op het gebied van grootschalige schendingen van de mensenrechten bekend.

UNHCR acht de situatie in Guinee thans voldoende veilig om iedere Guineeër die wil terugkeren in de gelegenheid te stellen dat in veiligheid en waardigheid te doen, ongeacht het deel van het land waarheen hij wenst terug te keren en te blijven onder gelijke leefomstandigheden als de lokale bevolking. Afhankelijk van de financiële middelen van betrokkene zijn er vervoersmogelijkheden (auto's en vliegtuigen) beschikbaar voor eenieder die wil reizen van Conakry naar om het even welk gebied in Guinee.

Het feit dat in het buitenland asiel is aangevraagd, is geen misdaad en zal volgens UNHCR normaal gesproken niet leiden tot problemen met de Guinese autoriteiten. Naar UNHCR aanneemt gaat het hierbij om personen die zich in het buitenland niet bezig hielden met intriges tegen de Guinese regering. UNHCR gaat ervan uit dat zij in dat geval niet zouden zijn afgewezen of vrijwillig gerepatrieerd. Alleen wanneer de terugkeerder of afgewezen asielzoeker de wet heeft overtreden, zoals bijvoorbeeld het gebruik van vervalste nationale documenten (paspoorten), drugssmokkel of betrokkenheid bij onwettige handel in enige andere zin, en daarvoor niet reeds in het buitenland is berecht, kunnen zich bij terugkeer in Guinee problemen met de autoriteiten voordoen.


5 Samenvatting


Hoewel de politieke situatie in Guinee gedurende 1999 en 2000 relatief stabiel was, betekende de onveiligheid aan de zuidgrens met Liberia en Sierra Leone een bron van zorg. Met enige regelmaat wordt Guinee gebruikt als uitvalsbasis voor rebellerende strijders tegen de regeringen in de buurlanden. Guinee tracht een bijdrage te leveren aan de stabiliteit in de regio door troepen te leveren aan ECOMOG. Ook speelt het land een uiterst prominente rol bij de opvang van vluchtelingen uit de buurlanden. Toen de spanningen met buurland Liberia opliepen besloot Guinee de grens te sluiten. Uiteindelijk besloten Guinee en Liberia in september 1999 de wederzijdse vijandelijkheden te staken. De grens bleef vooralsnog gesloten.

De binnenlandse politieke ontwikkelingen worden in 2000 voornamelijk bepaald door de verkiezingen op lokaal niveau (inmiddels gehouden op 25 juni 2000) en voor het parlement.

Guinee kampt nog steeds met de gevolgen van een centraal geleide economie waarbij de staat alle economische activiteiten controleerde en particulier initiatief ontmoedigd werd. Een grote uitzondering is de, zich in particuliere handen bevindende, mijnbouw die zich onafhankelijk van de rest van de economie ontwikkelde en nu nog steeds de grootste bron van inkomsten is. Daarnaast is de agrarische sector van groot belang voor de economie van Guinee. In de tijd van de plan-economie werd de landbouw door de boeren ernstig verwaarloosd onder andere als gevolg van te lage prijzen, overheidscontrole en het vorderen van produktiebelasting. Ook de breuk met Frankrijk meteen na de onafhankelijkheid heeft negatieve invloed gehad op de economische ontwikkeling van Guinee: een alternatief moest worden gevonden voor de afzet van exportprodukten. Het land staat laag op de Human Development Index
van UNDP.

In algemene zin is in Guinee geen sprake van grootschalige ernstige en systematische schendingen van de mensenrechten. Mede omdat de kwaliteit van het functioneren van het overheidsapparaat te wensen overlaat, komen willekeurige schendingen van de mensenrechten veelvuldig voor. Zo is er sprake van verdwijningen, willekeurige arrestaties en langdurig voorarrest en mishandeling van gedetineerden door de politie. Er zijn echter geen specifieke groepen of categorieën Guineeërs die doelwit zijn van structurele vervolging en de schendingen zijn doorgaans niet ideologisch gemotiveerd, met voorbedachte rade doelgericht en door de centrale overheid gepland en geleid. Volgens UNHCR waren er gedurende de periode 1999-maart 2000 geen rapporten over zorgelijke situaties op het gebied van grootschalige schendingen van de mensenrechten bekend. Er zijn verschillende organisaties actief op het gebied van de mensenrechten. Door de regering en haar ambtenaren worden deze organisaties in het algemeen welwillend tegemoet getreden.

UNHCR acht de situatie in Guinee thans voldoende veilig om iedere Guinese vluchteling die wil terugkeren in de gelegenheid te stellen dat in veiligheid en waardigheid te doen, ongeacht het deel van het land waarheen hij wenst terug te keren en te verblijven onder gelijke leefomstandigheden als de lokale bevolking.

Op basis van de beschikbare gegevens kan worden gesteld dat van de ons omringende landen Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland daadwerkelijk verwijderen naar Guinee. België heeft in de loop van 1999 verwijderingen opgeschort.

Amnesty International Report - ACT 50/05/00 April 2000.

Death Penalty. The Death Penalty. List of Abolitionist and Retentionist Countries.

Amnesty International International Report 2000 - Country Reports, Guinea

CIA The World Factbook 1999 - Guinea.

Economist Intellegence Unit Country Report Guinea, 1st quarter 2000.

Europa Publications Ltd Africa South of the Sahara 2000 - Guinea.

Souaré Zur Problematik der Mädchenbescheidung in Guinea.

UNDP Human Development Report 1999.

UNHCR Country Profiles - Guinea, September 1999.

U.S. Department of State Annual Report on International Religious Freedom for 1999: Guinea, September 9, 1999.

U.S. Department of State Human Rights Reports for 1999 - Guinea, February 25, 2000.


1 Zie voor een overzicht van de gebruikte openbare bronnen de literatuurlijst (bijlage I).


2 Zie bijlage II voor een kaart van Guinee.


3 Zie ook subparagraaf 3.2.3.


4 In dit ambtsbericht worden de namen van de verschillende etnische groepen weergegeven conform de in deze subparagraaf toegepaste schrijfwijze. Enkele andere schrijfwijzen: Peul: Puhlar en Fulani; Malinke: Malinké en Mandinka; Sousou: Soussou en Susu.


5 Volledigheidshalve volgt hier een opsomming van de kleinere etnische groepen per regio: Moyenne-Guinée: Koniagui, Bassari, Badiaranke, Foulacounda, Diakhanke, Tyapi, Sarakolle, Tukylor, Limba, Dan en Dialonke. Haute-Guinée: Valunka, Koranko, Dialonke en Koniagui. Guinée-Forestière: Toma, Kissi, Kono, Manon, Koniagui en Kpelle. Basse-Guinée: Baga, Nalu, Landuman, Mikifore en Mandeyeni.


6 Subparagraaf 2.1.1 is voornamelijk gebaseerd op The CIA World Factbook 1999 - Guinee.


7 Bron: United Nations: HRI/CORE/1/Add.80/Rev.1, 17 December 1998.

8 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


9 Bron: Amnesty International Report 2000 - Country Reports, Guinea.

10 Ook wel Kaporo Rail genoemd.


11 Het cijfer van dertien doden is gebaseerd op een lijst van de Organisation Guineénne de Defense des Droits de l'Homme et du Citoyen (OGDH). Diverse openbare bronnen spreken afwisselend van acht en negen doden.


12 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


13 Bron: EIU Country Report 2
quarter 1999.


14 Bron: Africa South of the Sahara 2000, Guinee.

15 Bron: EIU Country Report 2
quarter 1999.


16 Bron: EIU Country Report 2
quarter 1999.


17 Bron: Irin West Africa, 20000622.


18 Bron: Africa Research Bulletin, maart 1999.

19 De parlementsverkiezingen zijn thans voorzien op een nader te bepalen tijdstip voor het eind van 2000.


20 Bron: IRIN-WA Update 750 (20000701).


21 Bron: EIU Country Report 2
quarter 1999.


22 Bron: EIU Country Report 2
quarter 1999.


23 Bron: EIU Country Report 2
quarter 1999.


24 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


25 Bron: EIU Country Report 1
quarter 2000.


26 Bron: UNDP Human Development Report 1999.

27 Bron: EIU Country Report 1
quarter 2000.


28 Bron: EIU Country Report 1
quarter 2000.


29 Bron: www.unhchr.ch


30 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


31 Action Contre la Faim, American Refugee Committee, CARE, Centre Canadien d'Études et de Coopération Internationale, Centre Rural pour l' Éducation des Adultes, Comité National de l'Hospitalité et de Secours Croix Rouge Guinéenne, Enfants Réfugiés du Monde, Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit, Handicap International, International Federation of the Red

Cross and Red Crescent Societies, International Rescue Committee, Médecins sans Frontières Belgique, Mission Catholique pour les Réfugiés en Service Chrétien d'Animation pour le Développement des Oeuvres Sociales et de Secours.


32 Bron: UNHCR Global Appeal 2000, West and Central Africa, Regional Overview, Guinea.


33 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinee, February 25, 2000.


34 Bron: Amnesty International Report 2000 - Country Reports, Guinea.

35 Bron: WebGuinée/État & Société/Presse & Mass media.

36 Bron: EIU Country Report 2
quarter 1999.


37 Bron: U.S. Department of State: Annual Report on International Religious Freedom for 1999: Guinea, Washington, September 9, 1999.


38 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


39 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


40 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


41 Bron: IRIN-WA Update 694, 20000410.


42 Bron: IRIN-WA Update 696, 20000413.


43 Bron: Reuters, May 18 2000.


44 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


45 Bron: Amnesty International Report 2000 - Country Reports, Guinea.

46 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


47 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


48 Bron: Amnesty International: News Release - AFR 29/03/99, 14 December 1999.


49 Bron: Amnesty International Report 2000 - Country Reports, Guinea.

50 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


51 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


52 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


53 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


54 Bron: Amnesty International Report - ACT 50/05/00, April 2000. Death Penalty. The Death Penalty. List of Abolitionist and Retentionist Countries. Ook in Amnesty International Report 2000 - Country Reports - Guinea.


55 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


56 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


57 Bron: Reuters, June 8, 2000.


58 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


59 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


60 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


61 Bron: Souaré, Zur Problematik der Mädchenbescheidung in Guinea.

62 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


63 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


64 Bron: U.S. Department of State: Human Rights Reports for 1999: Guinea, February 25, 2000.


65 Deze organisatie zou wereldwijd in zo'n 130 landen 400 kinderdorpen hebben ingericht.


66 Zie paragraaf 4.4 voor een meer uitgebreide weergave van standpunten en beleid van UNHCR.

===

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie