Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Minister van Boxtel bij Grotestedenbeleid

Datum nieuwsfeit: 23-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toespraak van minister Van Boxtel ter gelegenheid van een congres van de Bank Nederlandse Gemeenten over het grotestedenbeleid Een toespraak bij het onderwerp Grotestedenbeleid 23 november 2000
Dames en heren,
Het gaat Nederland economisch voor de wind. Volgens het laatste halfjaarlijkse rapport van de OESO zal de Nederlandse economie een sterke groei blijven vertonen. Met een groeiverwachting van 4,5% over 2000 en 3,9% in 2001 is de Nederlandse economie één van de snelst groeiende in de volwassen industrielanden. Uit de krant heb ik begrepen dat we zelfs de VS aan het voorbijstreven zijn. We moeten hierbij wel bedenken dat niet alle regios evenveel meeprofiteren. Uit onderzoek van TNO Inro blijkt nog eens duidelijk dat de economische vitaliteit van de stadsgewesten verschilt. Utrecht, Amsterdam, Zwolle en de Brabantse steden scoren hoog. Steden als Venlo en Heerlen scoren lager. De algemeen gunstige ontwikkeling is een opsteker voor het grotestedenbeleid, maar het betekent niet dat we onze inspanningen kunnen verminderen. De problemen op het gebied van leefbaarheid, veiligheid en werkgelegenheid zijn gecompliceerd en hardnekkig. Gezien deze weerbarstigheid en de noodzaak van een evenwichtige ontwikkeling op alle terreinen, heeft dit kabinet in 1998 besloten om het grotestedenbeleid langdurig voort te zetten. We zijn de afgelopen jaren druk doende geweest met het inventariseren van problemen en behoeften in de grote steden, met het ontwikkelen van visies, met het maken van afspraken. Nu gaat het erom deze plannen hun beslag te laten krijgen, zichtbaar en voelbaar te maken voor de inwoners en de gebruikers van de stad. Ik hoef voor dit gezelschap niet meer te spreken over de uitgangspunten van het grotestedenbeleid. U kent mijn visie op de complete stad - u helpt deze tenslotte te realiseren -, u kent de drie pijlers waarop het grotestedenbeleid is gebaseerd en het idee van de integrale aanpak. Als dat niet zo is, zit u mogelijk in de verkeerde zaal. In ieder geval heeft u dan een belangrijke ontwikkeling gemist.
Dames en heren,
Ik wil het even met u hebben over een straat in een grote stad. De straat bestaat, maar ik hoef de naam hier niet te noemen. Simpelweg omdat het een straat is zoals er vele zijn in grote en middelgrote steden. Laten we het gewoon houden op De Straat. De Straat ligt in een achterstandswijk. Een wijk dus, met mensen uit de lagere inkomensgroepen, waar de werkloosheid hoger is dan in andere delen van de stad, waar veel etnische minderheden wonen. Een wijk ook, die moeite heeft aan huisartsen en onderwijzers te komen, en die vaak als onveilig wordt ervaren.
Vorig jaar is ongeveer de helft van de bewoners uit De Straat weggetrokken. Niet uit vrije wil, maar omdat hun oude huizen in het kader van de stadsvernieuwing worden vervangen door nieuwbouw. Aan een kant van De Straat zijn 10 jaar geleden al nieuwe huurwoningen geplaatst, gedeeltelijk sociale woningbouw. De inwoners van De Straat, zoals die er de afgelopen jaren bijstond, vormden een bont gezelschap. Dan heb ik het niet alleen over afkomst, maar ook over zaken als gezinssamenstelling, opleidingsniveau en inkomen - hoewel het laatste, het inkomen, bij de meesten laag was.
Op de plaats van de oude, goedkope etagewoningen komen vooral duurdere eensgezinswoningen: koopwoningen van ongeveer 3,5 ton. De gemeente hoopt hiermee ook gezinnen met betere inkomens naar de wijk te halen, en meer variatie in de bevolkingssamenstelling krijgen.
Op zich heeft dit project kans van slagen. De Straat schurkt tegen het centrum aan, en er zijn gelukkig nog mensen die er best wat voor over hebben om in de nabijheid te wonen van de vele voorzieningen die een stadscentrum biedt.
Maar er spelen meer overwegingen. Of er goede scholen in de buurt zijn, bijvoorbeeld. Of de kinderen op straat kunnen spelen, hoe het gesteld is met de veiligheid.
Want in de periode dat de huizen dichtgetimmerd zijn, en een groot deel van de straat braak ligt, is er een toenemende overlast. Elders in de wijk heeft de politie maatregelen genomen tegen drugscriminaliteit en De Straat, die nu in een overgangsfase zit, is een aantrekkelijke locatie geworden voor dealers. Bovendien wordt De Straat onderbroken door een ingang naar een achtergelegen hofje. Daar, zo weten bewoners en politie, is nogal eens rottigheid.
Er zijn nog meer vragen. Hoe krijg je eenheid in de straat? Gaan de nieuwe bewoners ook naar het kroegje op de hoek, net als veel van de vroegere bewoners deden. Maken zij gebruik van de kleine supermarkt en de avondwinkel even verderop? Of vereist een nieuwe straat nieuwe voorzieningen, een ander winkelaanbod, andere sociale voorzieningen. Trekken de bewoners nieuwe bedrijvigheid aan, kunnen deze dan hun goederen aangevoerd krijgen? Werken de bewoners in de stad? Gaan zij dan met de fiets, de auto of het openbaar vervoer? Of werken zij buiten de stad, en welk vervoer gebruiken ze dan?
U ziet het: bij een - op stadsniveau - betrekkelijk klein project moeten al heel wat vragen worden gesteld, heel wat problemen worden opgelost, om het tot een succes te maken. Dan heb ik het belangrijkste nog niet genoemd, namelijk: wie stelt deze vragen, hoe moeten de problemen worden aangepakt en welke partijen moeten hierbij worden betrokken? Kortom, het grotestedenbeleid in een notendop.
U heeft mij gevraagd hier te spreken over de stand van zaken van het grotestedenbeleid. Het stellen van die vraag is stukken makkelijker dan het geven van het antwoord.
Het grotestedenbeleid heeft twee belangrijke elementen die niet los van elkaar kunnen worden gezien. Allereerst de doelstelling: het sociaal, economisch en fysiek versterken van de steden. Ten tweede de aanpak: een hecht partnerschap tussen steden, rijk en publieke en private partners, waarbij oude bureaucratische schotten worden weggehaald, met sterk resultaatgericht beleid waarmee problemen in hun onderlinge samenhang worden gezien en aangepakt.
Dit laatste aspect speelt zich voornamelijk af aan de binnenkant van het Rijk, de gemeentehuizen en andere instellingen - niet direct merkbaar voor de buitenwereld. Sommigen zijn er enthousiast over; anderen beschouwen het mogelijk als een ongewenste reorganisatie. Maar het is een onontbeerlijke transformatie om tot meetbare resultaten te komen. Net zoals het grotestedenbeleid een andere benadering vraagt van de verschillende partners, namelijk dat zij over de eigen schutting heenkijken. Beide elementen zijn belangrijk voor het opnemen van de stand van zaken. Ik zie op beide terreinen beweging. De stadsbesturen zijn samen met de woningcorporaties de transformatieslag aan het maken. Met name door de herstructurering van de bestaande woningvoorraad werken zij aan een differentiatie van woonmilieus waardoor de stad weer aantrekkelijker wordt voor de middengroepen. In de wijkontwikkelingsplannen gaat het niet meer alleen om de paar honderd nieuwe woningen, maar ook om de huisvesting voor Turkse senioren, en zaken als zorgvoorzieningen en de aanpak van veiligheid.
Zo komen er ook in De Straat naast de eerder genoemde koopwoningen enkele huurwoningen bestemd voor ouderen of invaliden. Bewoners en gemeenteraad hadden hier destijds op aangedrongen, met het oog op toekomstige behoeften van inwoners van de wijk.
Deze benadering is een fundamentele verworvenheid van het grotestedenbeleid. Dat er al in de ontwikkelingsfase wordt nagedacht over toekomstige behoeften en mogelijke knelpunten. Maar ook in bestaande wijken moeten we flexibel en creatief zijn om met op maat gesneden initiatieven te komen. Daarin past ook de aanpak van de brede school, bijvoorbeeld de open wijkscholen in Nijmegen. Hier worden kinderen na schooltijd opgevangen, waarbij men meteen let op hun gezondheid en welzijn. De school fungeert ook als centrum waar volwassenen, autochtonen en allochtonen, hun kennis kunnen bijspijkeren.
Je ziet in veel steden een professionalisering van de buurtbeheerbedrijven. Deze schakelen werklozen in bij het opknappen van de buurt. In Maastricht scoren de buurtbeheerders een positief bedrijfsresultaat en is er een maatschappelijk rendement van 1.9 miljoen.
Inspringend op onveiligheidsgevoelens van bewoners van de Almelose wijk Kerkelande, is er met GSB-geld een politiepost gevestigd. Het is een ongewone post, heb ik begrepen. Agenten bepalen er zelf hun werktijden en kunnen hierdoor werken op tijden dat hun aanwezigheid het hardst nodig is.
Deze voorbeelden laten zien dat het grotestedenbeleid bezig is te beklijven. Betrokken organisaties spelen in op behoeften in de wijk maar weten ook, zoals in het geval van de
buurtbeheerbedrijven, beter gebruik te maken van het potentieel dat in de wijk aanwezig is.
Ook bij de steden zelf dringen de uitgangspunten door tot in de ingewanden van de organisatie. Ik weet bijvoorbeeld dat Maastricht werkt aan een nieuwe organisatiestructuur, gebaseerd op het ordeningsconcept stad-wijk-burger. Ook constateer ik met veel genoegen dat in veel steden de GSB-systematiek van prestatiegericht beleid terug te zien is in de voorjaarsnota's, begrotingen en jaarrekeningen. Zo maken we het grotestedenbeleid structureel.
Maar er zijn nog wel degelijk knelpunten. Er zijn problemen binnen de sociale pijler: de veiligheid, de leefbaarheid, het jeugdbeleid, om er enkele te noemen. Vanzelfsprekend gaat het hier om hardnekkige problemen, maar er is meer aan de hand. De heer Kerckhaert van de VNG heeft enige tijd geleden gewezen op kenmerken van de beleidscontext van de sociale pijler: vrij veel tamelijk los van elkaar staande regelingen van de departementen betrokken bij de sociale pijler, een toename van het aantal planverplichtingen, een wisselende positie van het lokale bestuur, waardoor de gemeentelijke regiefunctie per beleidsthema varieert. De heer Schnabel van het SCP heeft hier nog aan toegevoegd: sectoren binnen het welzijnsveld wantrouwen elkaar, verkokering niet alleen bij het Rijk maar ook bij de gemeente. En: het innovatief vermogen van gemeenten is nog te beperkt. Deze pijnpunten zijn niet beperkt tot de sociale pijler. Blijkbaar zit het tweede aspect, de werkwijze, ondanks mijn eerdere positieve opmerkingen nog niet bij iedereen goed tussen de oren. Zolang participanten nog op de oude verkokerde wijze doorgaan met hun eigen werk, zo lang zal het grotestedenbeleid aan effectiviteit inboeten.
Dit betekent dat u en ik, vooruitlopend op de resultaten van de noodzakelijk herstructurering in de sociale pijler, nu al in onze dagelijkse praktijk inhoud moeten geven aan de vereiste intensiveringsslag en cultuuromslag. Een omslag, ik zeg het nog maar eens, die onontbeerlijk is voor het welslagen van het grotestedenbeleid, en daarmee onontbeerlijk voor de toekomst van de stad.
Samen moeten wij een ambitieus beleid voeren dat inspeelt op behoeften van inwoners en bedrijven en andere gebruikers van de stad, maar waarbij we ook van hen gebruik maken. Met andere woorden: beleid dat inspeelt op het zelforganiserende vermogen in de samenleving.
Kon ik anderhalf jaar geleden nog melden dat het Rijk 16.5 miljard gulden investeert in de steden, nu is dat bedrag opgelopen tot 17.5 miljard, met name door extra investeringen in de pijler werk en economie. Ik wil dat de bijdragen van stadsbesturen, bedrijfsleven, woningcorporaties, kamers van koophandel en bewoners elkaar versterken en wel zodanig dat dit bedrag komende jaren door samenwerking van de stad met de verschillende partners zal toenemen tot 100 miljard.
Publiek-private samenwerking dus. Ik ben mijn inleiding begonnen met de gunstig economische ontwikkeling. Duidelijk is dat thans meer gerealiseerd kan worden dan voorheen. Dit is een extra aansporing voor publiek-private samenwerking. Op verschillende terreinen zie ik een goede inzet van ondernemers. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de commissie-grotestedenbeleid van het VNO-NCW. Deze commissie wil de mogelijkheden voor bedrijvigheid in de steden optimaliseren, en zij heeft hierbij ook aandacht voor de veiligheid en leefbaarheid van wijken.
Samenwerking vereist organiserend vermogen. Steeds weer komt dit als kritische succesfactor naar voren, onder meer in gesprekken met ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf. We kunnen hier gezamenlijk een fikse rij goedlopende projecten opnoemen. Dat is winst.
Maar net als bij de culturele omslag aan de binnenkant van overheden en instellingen gaat hier óók, niet alléén maar óók, om het minder zichtbare: in hoeverre zijn de projecten een basis voor structureel verbeterde contacten tussen overheden, bedrijven en burgers? Zien we de mogelijkheden, en worden ze voldoende benut? Ik wil hier een gedachte aanhalen, waarbij ik mijn blik richt op de organisator van deze bijeenkomst, de BNG. De BNG is als belangrijke bankier voor de overheden een interessante partner voor de steden. Zowel bij beleidsvoorbereiding, inbreng van know-how op het gebied van investeringen, als bij de uitvoering van beleid door investeringen (mede te) financieren. Maar de BNG zou ook andere banken kunnen activeren om hun deskundigheden in te zetten bij de ontwikkeling van de sociale en economische infrastructuur in de steden. Dat zou bij voorkeur in samenwerking met die andere banken kunnen gebeuren, opdat effectieve publiek-private samenwerking de uitvoering van het grotestedenbeleid versterkt.
Dames en heren,
De stad is geen statisch gegeven. Zij is continu in ontwikkeling. De steden en hun partners staan voor de uitdaging om bij de uitvoering van de Meerjaren Ontwikkelingsprogramma's ook daadwerkelijk een inhoudelijke vernieuwingsslag te maken, gebaseerd op de dynamiek van stedelijke processen. Hoe zorgt u dat mensen, van verschillende afkomst, met verschillende gezinssamenstellingen, uit verschillende inkomensgroepen met genoegen in de stad wonen? Dat velen niet, geconfronteerd met negatieve ervaringen als criminaliteit, wegtrekken van mensen, alleen nog in de stad wonen omdat ze het niet kunnen betalen om te verhuizen?
Hoe zorgt u dat foot-loose bedrijven zich graag nestelen in uw stad, en daarmee voor de nodige economische impulsen? Bovendien: hoe verbindt u de inwoners en bedrijven aan elkaar? En hoe verbindt u de inwoners onderling?
De grote steden zijn in 2010 multiculturele steden. Elsevier sprak onlangs van 'de grote verkleuring'. Volgens de recente cijfers van het CBS woonden op 1 januari 2000 in Amsterdam 324.565 allochtonen, in Rotterdam 237.045, in Den Haag 176.9104 en in Utrecht 69.545. De meerderheid van deze allochtonen behoort tot de etnische minderheden. Als wij bedenken dat nu reeds de meerderheid van de jeugd van deze steden van allochtone afkomst is, dan is het duidelijk dat een aanzienlijk deel van de vitale bevolking in 2010 van allochtone herkomst zal zijn.
Vaak koppelen we deze constatering aan problemen. Soms is dat ook zo, en verschillende groepen uit de etnische minderheden vereisen absoluut extra aandacht en inzet. Maar minstens zo vaak gaat het om waardevol human capital. De vraag is: hoe pak je het aan? En wat voor organisatie vraagt het?
Dames en heren,
We hebben nog veel werk voor de boeg. Ik zeg met nadruk: wé. Want dat de steden de regie voeren bij de uitvoering, en de partners het nodige werk verzetten, betekent niet dat ik rustig achterover leun. Allereerst moet er ook bij het Rijk zelf nog een grote slag gemaakt worden. Van groot belang is de actie stroomlijning financiële verantwoording en de mogelijke vervolgstap hierop: harmonisatie van rijksvoorwaarden aan de voorkant. Om tot een verdere integrale benadering van het grote stedenbeleid te komen, richt het Rijk zich volgens afspraak in de stadsconvenanten vooral op de ontschotting en deregulering binnen de sociale pijler om zo de gemeentelijke regie binnen deze pijler te versterken. De Tweede Kamer is op dit punt ook heel duidelijk geweest met moties van de afgevaardigden De Cloe en Van Heemst, over noodzakelijke verbeteringen in deze beleidstructuur. Ik denk dat wij met zijn allen, politiek en maatschappelijke organisaties, op grond van de grote problemen in de sociale pijler te ver zijn doorgeslagen in complexiteit aan regels en complexiteit aan netwerken.
Het Kabinet heeft ervoor gekozen niet lukraak met aanpassingen van deze beleidsstructuur te komen, maar dit te doen op grond van een gedegen analyse. Zeer binnenkort zal het Sociaal Cultureel Planbureau komen met het eindrapport naar de bestuurlijke aspecten van het jeugdbeleid. Ik ga hiermee aan de slag om te zorgen dat de regiefunctie van de steden in de sociale pijler toeneemt. Ik voer overigens op dit moment de motie De Boer uit. In deze motie wordt de regering gevraagd om met drie steden een onderzoek te starten naar de mogelijkheid van decentralisatie van overige rijkssubsidies uit de welzijn-, onderwijs- en zorgsector, die de realisatie van de lokale leefbaarheidsdoelen vereenvoudigen en verstevigen. Interessant is met name ook het tweede deel van de motie, namelijk het bevorderen van de leefbaarheid in achterstandswijken door de gemeentelijke regie te versterken. Wij gaan de motie in 3 steden uitvoeren.
Een ander punt op mijn prioriteitenlijst heeft te maken met de leefbaarheid en de veiligheid. Voor de nieuwe ICES-ronde 2002-2014 laat ik een claim voorbereiden, gericht op de invloed van leefbaarheid, veiligheid en sociale infrastructuur op het vestigingsklimaat voor bedrijven en mensen met midden- en hoge inkomens.
Overigens gaat er deze kabinetsperiode ongeveer 6.5 miljard gulden om in de ICES. Van dit bedrag is ongeveer 1 miljard bestemd voor het pakket Vitaliteit Steden. Het grootste deel van dat miljard is opgenomen in de 17.5 miljard die de 25 steden in het kader van het grotestedenbeleid hebben ontvangen.
Maar naast het pakket Vitaliteit Steden zijn ook andere onderdelen van het ICES-pakket voor de steden van belang. Denkt u bijvoorbeeld aan het bereikbaarheidspakket, dat bijna de helft van de totale ICES-gelden omvat. Dit betekent: investeringen in de stedelijke en regionale infrastructuur en in
achterlandverbindingen. Dus mede ten behoeve van de steden. Nu is mijn prioriteitenlijst behoorlijk lang, en ik kan hier niet alles noemen. Wat ik nog wel wil benadrukken is dat ik het beleidsconcept van het GSB nog eens goed tegen het licht ga houden. Op welke punten is verbetering wenselijk en mogelijk? Ook hier wil ik dat het bijdraagt aan de uitvoering, niet dat het de uitvoering in de weg zit. Daarom ga ik de Raad voor het Openbaar Bestuur vragen om een advies over de optimalisatie van het stelsel van het GSB. Bovendien zal de SER begin 2002 met een rapport komen waarin de huidige praktijk van het GSB wordt getoetst aan het advies Samen voor de stad dat de SER in maart 1998 uitbracht. Tot slot vind ik het belangrijk dat ik voeling houd met de steden. Vanaf januari volgend jaar wordt het 'Maandag: Stedendag'. Met andere woorden: ik ga werkbezoeken brengen aan al die steden die zo hard werken aan de uitvoering. Ik wil dan graag van de steden én hun partners horen hoe het ermee staat, wat de ervaringen zijn.
Ik ga afsluiten. In De Straat staan de oude panden nog dichtgetimmerd, wachtend op de sloop. Ik wil dat De Straat een evenwichtige straat wordt, met bewoners van divers pluimage, met goed op elkaar ingespeelde voorzieningen in de buurt. De huidige en toekomstige bewoners verdienen een complete stad. Dank u wel.
Alleen het gesproken woord geldt.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie