Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Belaste verhuur en levering en omzetbelasting

Datum nieuwsfeit: 24-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financien
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Belaste verhuur en levering en omzetbelasting



Belaste verhuur en belaste levering van gedeelten van een onroerende zaak, verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimten

Directie Rechtstoepassingsbeleid

Besluit van 24 november 2000, nr. RTB2000/2814M

Dit besluit dient ter vervanging van het besluit van 19 december 1995, nr. VB 95/4058

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.


1. Belaste verhuur van gedeelten van een onroerende zaak

In artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968, hierna de Wet, is met ingang van 31 maart 1995 18.00 uur aangegeven, dat de aldaar bedoelde verzoeken om voor de verhuur van onroerende zaken te worden uitgezonderd van de vrijstelling slechts kunnen plaatsvinden, indien de afnemer van die prestatie de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 van de Wet bestaat. Voor de toepassing van deze bepaling kan het bedoelde verzoek worden gedaan voor een gedeelte van een onroerende zaak dat voorwerp is van een huurovereenkomst, een en ander voor zover de huurovereenkomst betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.


2. Verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimten

Aangaande de toepassing van vorenbedoelde bepaling met betrekking tot de verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte is in de brief van de Staatssecretaris van Financiën inzake het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere wetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken (kamerstukken II, 1994/95, 24 172, nr. 7, blz. 7), de nota naar aanleiding van het verslag inzake voornoemd wetsvoorstel (24 172, nr. 5, blz. 8 en 12) in het bijzonder gesteld, dat in die sector het gebruik zich voordoet dat de verhuur van slechts korte duur is en om die reden verhuur plaatsvindt aan veel en telkens wisselende huurders, die niet allen in dezelfde mate tot aftrek van de in rekening gebrachte omzetbelasting gerechtigd zijn. Dit brengt mee, dat van de verhuurder niet verwacht kan worden dat hij ten aanzien van alle huurders nagaat of voldaan wordt aan de voorwaarde om te kunnen verzoeken om te worden uitgezonderd van de vrijstelling. Overeenkomstig de gedane toezegging kan er, gelet op de zich voordoende praktische problemen, van worden uitgegaan dat de verhuur van onroerende zaken of gedeelten daarvan door ondernemers wier activiteiten bestaan uit het ter beschikking stellen van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte, ook zonder een daartoe strekkend verzoek en ongeacht de vraag in welke mate de desbetreffende huurder aftrekgerechtigd is, is uitgezonderd van de vrijstelling en belast is naar het algemene tarief, voor zover de verhuur slechts een korte periode betreft. Ik verbind hieraan de voorwaarde dat aan de huurder kenbaar is gemaakt dat de verhuur van de onroerende zaak belast geschiedt, bij voorbeeld door een duidelijke vermelding op de prijslijst of een duidelijke bepaling in de huurovereenkomst. Hiermee wordt bereikt dat de huurder niet buiten zijn medeweten en ongewild wordt geconfronteerd met belastingheffing over de huursommen. Ik keur overigens goed dat eventueel ander gebruik van de ter beschikking gestelde ruimte, welk gebruik dan plaatsvindt naast het gebruik als congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte, aan de toepasselijkheid van deze regeling niet in de weg staat.

Tot de categorie van ondernemers wier activiteiten bestaan uit het ter beschikking stellen van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte, zijn naar mijn oordeel eveneens te rekenen de ondernemers bij wie de verhuur van een zodanige ruimte geschiedt in het kader van het hotel-, café-, en restaurantbedrijf.

Het vorenstaande kan overigens ook toepassing vinden jegens ondernemers wier hoofdactiviteit niet de verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte is, maar wèl het verrichten van belaste prestaties inhoudt, en voor wie de vorenbedoelde verhuur slechts een nevenactiviteit is.

De in deze paragraaf neergelegde regeling is niet van toepassing ten aanzien van kerkgebouwen en andere bij kerkgenootschappen of daaraan verbonden lichamen in eigendom zijnde gebouwen, en evenmin ten aanzien van buurthuizen, dorpshuizen en daarmee verwante instellingen. Het uitsluiten van deze categorieën houdt onder meer verband met de omstandigheid dat de financiering van dergelijke instellingen veelal beïnvloed zal zijn door subsidieregelingen of andersoortige tegemoetkomingen, waardoor zij in staat zijn ter zake een niet louter op commerciële gronden gebaseerde huurprijs te bedingen. Hier komt bij dat toepassing van de vorenstaande regeling, welke louter is getroffen om praktische redenen, bij deze categorie ondernemers een onevenredige invloed zou hebben op de mate waarin recht bestaat op aftrek van de belasting die ter zake van de onroerende zaak in rekening is gebracht. In zoverre zou toepassing van deze regeling ook in strijd met doel en strekking van de nieuwe wetgeving komen.

Bovenstaande regeling mist eveneens toepassing ten aanzien van exploitanten van theaters, schouwburgen, ijsstadions en sporthallen. Ook in dit verband is van belang dat de financiering veelal afhankelijk is van subsidieregelingen of andersoortige tegemoetkomingen.

Voor deze ondernemers, alsmede de hiervoor bedoelde buurthuizen, dorpshuizen en daarmee verwante instellingen, geldt dat zij op grond van het besluit van 24 maart 1999, nr. VB 99/571 (herdruk van Mededeling 45) desgewenst gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om bij belaste verhuur als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel b, onder 5°, van de Wet, af te zien van het indienen van een optieverzoek. Aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de toepassing van deze in Mededeling 45 opgenomen regeling dient te worden voldaan. Met betrekking tot de voorwaarde inzake het gebruik van de onroerende zaak zoals die is gesteld in artikel 11, lid 1, onderdeel b, onder 5°, van de Wet (de 90%-voorwaarde) geldt dat het gebruik dat gedurende de verhuurperiode van de onroerende zaak wordt gemaakt het relevante gebruik is. Voor de hier bedoelde ondernemers betekent dit dat bij kortlopende verhuur kan worden volstaan met een verklaring over het gebruik gedurende deze periode.


3. Belaste levering voor gedeelten van een onroerende zaak
Met ingang van 31 maart 1995 18.00 uur geldt ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet, dat de aldaar bedoelde verzoeken om voor de levering van onroerende zaken te worden uitgezonderd van de vrijstelling slechts kunnen plaatsvinden, indien de afnemer van die prestatie de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 van de Wet bestaat. Voor de toepassing van deze bepaling wordt goedgekeurd dat het bedoelde verzoek wordt gedaan voor een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt, en als zodanig ook vatbaar zou zijn om civielrechtelijk afzonderlijk te worden geleverd.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie