Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng PvdA wetsvoorstel Raad voor de rechtspraak

Datum nieuwsfeit: 24-11-2000
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

charset="iso-8859-1"

23 november 2000

Inbreng PvdA wetsvoorstel Raad voor de rechtspraak (27182)

Woordvoerder: Gerritjan van Oven

Algemeen

1.1.Inleiding

De PvdA-fractie kan in beginsel instemmen met de oprichting van een Raad voor de Rechtspraak. De oprichting was ook al in het regeerakkoord voorzien.

(4) Het effect daarvan kan zijn dat de rechterlijke organisatie beter dan thans kan functioneren zonder dat dit leidt tot meer bemoeienis van de Minister van Justitie. Die bemoeienis is immers al snel kwetsbaar. De overheid is zelf in zekere zin de meest voorkomende justitiabele: in straf- en bestuurszaken is de overheid altijd partij. In civiele zaken kan het voorkomen. Voor het vertrouwen in de rechtspraak is het cruciaal de indruk te vermijden dat de overheid de rechterlijke macht als het ware naar zijn hand zou kunnen zetten.

In de Memorie van toelichting is meegedeeld dat bij de vormgeving daarvan gekozen is voor het zogenaamde Noord-Europese model van een dergelijke raad. De PvdA-fractie vraagt op dat punt om een nadere motivering. Op zich is immers goed voorstelbaar dat een Raad voor de Rechtspraak een breder takenpakket zou hebben dan alleen het beheer en de budgettering van de rechterlijke organisatie, faciliterende taken ter bevordering van de rechtseenheid en een adviserende bevoegdheid op wetgevingsgebied. Een motivering om de bevoegdheden van de Raad daartoe te beperken ontbreekt..

Binnen Europa zijn daarvan wel verschillende voorbeelden te vinden. De omstandigheid dat op de taakstelling als nu wordt voorgesteld in de Contourennota is vooruitgelopen is daarbij niet doorslaggevend. Al tijdens het overleg daarover in april 1999 heeft de PvdA-fractie aangegeven eventueel voor een bredere taakstelling te voelen. De discussie daarover is nu pas ten principale aan de orde.

De PvdA-fractie kan zich voorstellen dat aan de Raad ook andere bevoegdheden worden toegekend dan de bevoegdheden die nu in dit wetsontwerp zijn geregeld. Met name op het gebied van de werving, selectie, benoeming en promotie van rechterlijke ambtenaren zou dat het geval kunnen zijn. In ieder geval zou het opleidingsbeleid in brede zin van magistraten tot het werkterrein van de Raad moeten behoren. Dit zou overigens wel moeten leiden tot een bredere samenstelling van de Raad waarin het maatschappelijke element nadrukkelijker zou moeten zijn verzekerd. Kan de regering uitleggen wat ertegen zou zijn ook dergelijke bevoegdheden aan de Raad te geven.

1.4.Voorbereiding van het wetsvoorstel;

Het is de PvdA-fractie opgevallen dat de discussie in het kader van de voorbereiding van dit wetsontwerp zich aanvankelijk geheel beperkt heeft tot de rechterlijke macht zelf. Aangegeven is (op blz. 7) dat de rechterlijke macht op verschillende manieren een aantal malen is geconsulteerd. Pas in de daadwerkelijke ontwerpfase zijn ook niet- magistraten bij de voorbereiding betrokken.

De PVDA fractie erkent ten volle het belang dat de rechterlijke macht bij de regeling als hier aan de orde heeft. Dat neemt echter niet weg dat een regeling als hier aan de orde een belangrijke maatschappelijke betekenis heeft omdat zij richtinggevend kan zijn voor de ontwikkeling van de rechtspraak waar iedere Nederlandse burger belang bij heeft. Het is de vraag of dit laatste facet bij de voorbereiding voldoende is onderkend.

2.Staatsrechtelijke uitgangspunten

2.1.Algemeen en 2.2.Verhouding tussen de staatsmachte

In de MvT wordt gesteld dat de minister verantwoordelijk is voor het goed kunnen functioneren van de rechterlijke organisatie (blz. 10). De PVDA fractie is het daar mee eens. De minister beheert het beschikbaar gestelde budget voor de materiele voorzieningen en de personele ondersteuning en is dus verantwoordelijk voor beheersaangelegenheden. De minister is daarvoor politiek verantwoordelijk tegenover het parlement. Wanneer het beheer praktisch overgaat op de besturen van de gerechten en de Raad voor de Rechtspraak als toezichthoudend en coördinerend orgaan dan zal ook de verhouding tussen de Minister enerzijds en de Raad voor de Rechtspraak en de gerechtsbesturen anderzijds zodanig geregeld moeten zijn dat de Minister zijn verantwoordelijkheid kan blijven waarmaken. Blz.8

De Raad wordt in het wetsvoorstel gepositioneerd als een orgaan behorend tot de rechterlijke organisatie. Zij zou gaan optreden "namens" de rechterlijke macht. Dit terwijl de Raad zelf geen rechtsprekend orgaan is en daarvan ook personen kunnen deel uitmaken die geen rechterlijk ambtenaar zijn. Anderzijds wordt de Raad belast met taken waarvoor de Minister van Justitie als onderdeel van de uitvoerende macht een zekere zeggenschap houdt.

De PVDA fractie vraagt zich af of met deze constructie niet op twee gedachten wordt gehinkt. Naar het oordeel van de PvdA-fractie is de Raad geen typisch rechtsprekend orgaan maar een orgaan dat zowel op het gebied van de rechtspraak als op het gebied van de bedrijfsvoering een uitvoerende taak zekere verantwoordelijkheden heeft. De keuze die nu is gedaan voor de Raad als onderdeel van de rechterlijke macht doet gewrongen aan. Een orgaan wordt in de praktijk niet automatisch onderdeel van de rechterlijke macht door haar formeel zo te noemen! Het gaat veeleer om de bevoegdheden en samenstelling van een dergelijk orgaan.

Op de manier waarop nu is vormgegeven aan de Raad is veeleer sprake van een orgaan sui generis, dat niet zonder meer gepositioneerd kan worden binnen een van de bestaande staatsmachten. Dat is overigens op zich geen beletsel om tot oprichting ervan te besluiten.

Zijn andere mogelijkheden voldoende overwogen?

In de MvT wordt aangegeven dat de Raad niet kan worden aangemerkt als een ZBO omdat de Raad immers geen deel uitmaakt van de uitvoerende macht. Wel wordt daarbij toegegeven dat de positie van de Raad in een aantal opzichten vergelijkbaar is met die van een zelfstandig bestuursorgaan (18). Kan precies worden aangegeven wat ertegen zou zijn de Raad toch formeel als een ZBO aan te merken? Zijn er wettelijke bepalingen die zich daartegen verzetten?

Dezelfde vraag kan gesteld worden ten aanzien van de redenering op grond waarvan besloten is de Raad niet de status van een Hoog College van Staat te geven. Gesteld wordt dat het gemeenschappelijk kenmerk van de betreffende organen is "hun bijzondere positie in het staatsbestel" (18). Maar die bijzondere positie geldt voor de Raad voor de rechtspraak toch nu juist ook? De omstandigheid dat Hoge Colleges van Staat een bijzondere relatie onderhouden met de minister van Binnenlandse Zaken, terwijl de Raad primair op rechtspraak is georiënteerd en "deel gaat uitmaken van de rechterlijke organisatie" is daarbij als redengeving weinig overtuigend. Ook de afdeling rechtspraak van de Raad van State is primair op de rechtspraak georiënteerd. Dat verhindert blijkbaar niet haar status als onderdeel van een hoog College van Staat. En is overigens ondenkbaar dat een hoog College van Staat een bijzondere relatie met de Minister van Justitie zou onderhouden? Welke wettelijke bepalingen zouden zich daartegen verzetten? De PVDA-fractie wil de regering in dit stadium van de wetsvoorbereiding met nadruk verzoeken deze mogelijkheid alsnog te overwegen.

Wat is de staatsrechtelijke status van een raad voor de Rechtspraak in andere landen en in welke mate hangt dat samen met hun respectievelijke bevoegdheden?

2.3.Beperking van de ministeriele verantwoordelijkheid;

De PVDA fractie meent - met de regering en de Raad van State -dat de regering aanspreekbaar dient te blijven op het functioneren van de rechterlijke organisatie als geheel en de daarvoor in te zetten publieke middelen(blz.12). (Ook in geval van schending van art. 6 EVRM ten gevolge van het falen van de rechterlijke organisatie is het de regering die daarop aangesproken wordt). Dat betekent ook dat er een ministeriële verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie moet bestaan. Onjuist acht de PVDA-fractie daarbij het gebruik van de term " zekere verantwoordelijkheid". Staatsrechtelijk is die benaming twijfelachtig. Er bestaat verantwoordelijkheid of er bestaat geen verantwoordelijkheid. Daarover mag geen misverstand bestaan, een andere zaak is hoe aan die verantwoordelijkheid inhoud wordt gegeven.

Inmiddels heeft de PvdA-fractie wel oog voor het - vooral vanuit de rechterlijke macht zelf - gesignaleerde risico dat de toezichtbevoegdheden van de Minister van justitie met betrekking tot de Raad voor de Rechtspraak (het geven van aanwijzingen en het schorsings- en ontslagrecht) althans in theorie de onafhankelijkheid van de rechter zouden kunnen aantasten, immers daar waar het onderscheid tussen rechtspraak en bedrijfsvoering als het ware vervaagt.

Natuurlijk is art. 2.6.4.4. met het oog op dat risico als waarborg geschreven maar toetsing of de Minister van Justitie zich aan die regel houdt door een rechterlijke instantie is niet voorzien. Is overwogen een dergelijke toetsing wel in te voeren?

Zou niet te overwegen zijn de mogelijkheid te openen aanwijzingen van de Minister aan het oordeel van de Hoge Raad voor te leggen maar dan uitsluitend ter beoordeling van de vraag of de minister bij het geven van die aanwijzing de grenzen van art. 2.2.4.2 overschreden heeft?

Opvalt dat in het geheel van "checks and balances" zoals in de MvT beschreven

(blz. 11 t/m 13) nauwelijks plaats is voor het parlement. Zou het niet voor de hand liggen om juist daar waar oneigenlijke inmenging of oneigenlijke beïnvloeding van de ene staatsmacht door de andere staatsmacht wordt gevreesd te denken aan inschakeling van het derde onderdeel van de trias, het parlement? Waarbij gedacht zou kunnen worden aan het in de Verenigde Staten gehanteerde model waarbij de rechterlijke organisatie een rechtstreekse relatie met de volksvertegenwoordiging onderhoudt.

De redenering op grond waarvan een dergelijke gedachte wordt afgewezen (blz. 12 MvT) acht de PVDA fractie wel bijzonder beknopt. Dat een dergelijke rechtstreekse relatie tussen rechterlijke macht en de volksvertegenwoordiging "zozeer afwijkt van ons constitutioneel besteld" maakt weinig indruk nu door de introductie van een raad voor de Rechtspraak dat constitutioneel besteld in elk geval toch gewijzigd wordt. Kan de regering aangeven welke andere redenen zich tegen de introductie van een dergelijk model verzetten?

In de benoemingsprocedure van leden van de Hoge Raad bestaat al de tussenkomst van de Tweede Kamer. Die speelt daarbij zelfs een beslissende rol omdat zij de voordracht voor de benoeming opmaakt daarbij al of niet achtslaand op de aanbevelingslijst die door de Hoge Raad zelf is opgesteld. Bij de laatste grondwetherziening is deze tussenkomst gehandhaafd. De bemoeienissen van de Kamer verlenen aan de benoemingen in de Hoge Raad een zekere democratische legitimatie. Formeel gesproken zijn partijpolitieke benoemingen niet uitgesloten, maar het gevaar daarvoor bleek, althans in de 20e eeuw niet bepaald dreigend. Tot nu toe zijn er geen tekenen dat die cultuur zal veranderen.

Behoort niet overwogen te worden de leden van de Raad voor de rechtspraak op vergelijkbare wijze te doen benoemen. Algemene positie van de Raad

3.1.De functie van de Raad in het licht van de moderniseringsoperatie;

In de MvT wordt de instelling van de Raad beschreven als sluitstuk van de moderniseringsoperatie. De PvdA-fractie betwijfelt of die operatie als voltooid zou kunnen worden beschouwd zonder dat de 3e fase van de herziening van de rechterlijke organisatie daarbij wordt betrokken. Na de voltooiing van de 1e fase (in 1992) en de vormgeving van de 2e fase - zij het in een andere vorm dan oorspronkelijk was voorzien - in dit wetsontwerp is immers nog steeds het wachten op de besluitvorming over de 3e fase van de herziening waarbij beslissingen zullen moeten worden genomen over de regeling van het hoger beroep en het beroep in cassatie in bestuursrechtelijke zaken.

Inmiddels worden in dit wetsontwerp keuzen gemaakt die op die besluitvorming vooruitlopen. Dat geldt bijvoorbeeld de beslissing de Centrale raad van beroep wel maar de afdeling rechtspraak van de Raad van state niet onder het bereik van de Raad te brengen. Ook het voorstel cassatie mogelijk te maken in bestuursrechtelijke zaken valt hieronder. De PvdA-fractie zou er dan ook verre de voorkeur aan geven wanneer althans over de contouren van die 3e fase duidelijkheid zou bestaan alvorens definitieve besluitvorming met betrekking tot de thans aan de orde zijnde wetsontwerpen zou plaatsvinden. De gedachtevorming over dit onderwerp in de tweede Kamer zou tenminste op hoofdlijnen hebben moeten kunnen plaatsvinden voordat over de onderhavige wetsontwerpen wordt beslist. Is de regering bereid dat te bevorderen?

3.2.Taken van de Raad

De PVDA fractie kan zich in beginsel verenigen met de taken die in art. 2.6.2.1. aan de Raad worden toebedeeld, maar vraagt zich af of er geen reden is die taken belangrijk uit te breiden (hierbij zij verwezen naar de inleiding). Wel vraagt deze fractie zich af wat precies moet worden verstaan onder de term " personeelsaangelegenheden" zoals dat onder art. 2.6.2.1 onder lid 2.d is geformuleerd.

De Minister van Justitie voert het beheer over de begroting van de rechtsprekende macht. Over de aan het beheer over de begroting te geven inhoud maakt de minister afspraken met de Raad. Als geen overeenstemming wordt bereikt tussen de minister en de Raad over het begrotingsvoorstel dan zal de minister in de begrotingswet aan moeten geven dat en op welke punten hij is afgeweken van het voorstel van de Raad en op welke gronden. Dat geeft de Tweede Kamer de mogelijkheid de beide standpunten ten volle te toetsen. De PvdA-fractie steunt die constructie.

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Wat de bedrijfsvoering betreft wordt gesteld dat de bemoeienis van de Raad op specifieke gebieden zeker in de beginperiode intensief zal zijn. Wordt de Kamer op de hoogte gebracht van het jaarprogrammering van de Raad? Dit jaarprogramma komt in samenspraak met de gerechten tot stand. Is in deze samenspraak ook in de tijd procedureel voorzien?

Voor de rechtszoekende zijn er kwaliteitseisen voor de rechtspraak als snelheid van procedure, laagdrempeligheid, inzichtelijkheid, voorlichting, eenheid van beleid, juiste bejegening, deskundigheid, begrijpelijke motivering van beslissingen en zo gering mogelijke kosten. Kan de minister aangeven óf en hoe op elk deze punten de kwaliteit van de rechtspraak wordt verbeterd, ten opzichte van de huidige situatie?

Het aantal leden van de Raad is zeer beperkt en de leden hebben zowel een managementtaak als rechtsprekende taak. Eén van de leden van de Raad moet in het bijzonder beschikken over algemene beheers- en bestuursvaardigheden. Wordt met zoveel woorden gezegd dat dit een niet-rechter moet zijn of is dit slechts onze aanname?

Één van de taken van de Raad is ondersteuning. Hoe gaat de Raad voor de Rechtspraak de gerechten concreet ondersteunen in de behandeling van deze complexe zaken?

Met het oog op de rechterlijke onafhankelijkheid wordt voor de minister een algemene onthoudingsplicht voorgeschreven. De minister mag zich niet inlaten met het rechterlijk beleid zoals termijnen voor verzending van de ontvangbevestiging herstel van vormverzuim, indien van repliek en dupliek of de behandeling van verzoeken om uitstel. Echter, in het kader van financiering van de rechtspraak zal het aantal af te handelen zaken de aandacht krijgen. Het werklastmetingysteem heeft alleen in dat kader een functie. De leden van de PvdA zien hier toch een duidelijke spanning tussen enerzijds de noodzakelijke onthouding van de minister en anderzijds een gemiddelde behandelingsduur van zaken. Is overeenstemming over het Lamicie-systeem een voorwaarde voor het functioneren van het nu voorgestelde systeem inzake het financieel beheer? Blz.29

Een viertal procedurebepalingen worden genoemd om de zorgvuldigheid van de besluitvorming van de algemene maatregel van bestuur ter vaststelling van het financieringsmodel te waarborgen. Twee daarvan betreffen de betrokkenheid van de Raad voor de Rechtspraak. Deze procedurevoorstellen veronderstellen achtereenvolgens een tijdige inwerkingtreding van onderhavige wetvoorstel en vervolgens de vaststelling van het financieringsmodel. Wat zijn de alternatieven in geval van eventuele opstartproblemen van de Raad voor de rechtspraak? Blz. 30

Voor wat betreft het financieringsmodel merkt de PvdA-fractie op dat dit, normaal gesproken, toch voor een bepaalde periode zal gelden. Dan hoeft er toch geen bezwaar tegen te bestaan althans dit model in de wet vast te leggen.

Het definitieve budget aan de afzonderlijke gerechten kan pas worden vastgesteld indien de rijksbegroting wordt goedgekeurd. Soms geschiedt dit pas in het lopende begrotingsjaar. Wat zijn de consequenties van deze laatste constatering voor de budgetten van het gerecht? Blz.31

Er loopt als gevolg van dit wetsvoorstel geen directe verantwoordingsrelatie meer tussen de minister en de gerechten. In de toekomst kan de Raad omtrent de inrichting van het jaarplan, jaarrekening en jaarverslag van de gerechten algemene aanwijzingen geven. Vergelijkingen tussen gerechten op bedrijfsmatige aspecten kan plaatsvinden binnen zekere randvoorwaarden (zgn. benchmarking) in het kader van de toetsing van de omvang van de aan de gerechten toegewezen middelen en de resultaten die daarmee uit bedrijfsmatig oogpunt zijn bereikt. Dit alles ondanks het feit dat buiten beschouwing moet blijven hoe de procedures door rechters bij het desbetreffende gerecht zijn gevoerd en de afwegingen die in dat kader zijn gemaakt. Blz.32

Zullen de gerechten ten opzichte van de huidige situatie in de nieuwe structuur geconfronteerd worden met meer bureaucratie met jaarplannen, meerjarenramingen, rekening en verantwoording jegens de Raad? Zal dat dan niet ten koste gaan van de toch al schaarse menskracht die op dit ogenblik aan pure rechtspleging kan worden besteed? Is de extra menskracht die daarmee gemoeid zal zijn begroot en hoe zal die extra behoefte in de praktijk worden opgevangen?

De PvdA stelt het op prijs als uit de begroting die aan de Kamer wordt voorgelegd blijkt hoeveel rechters en hoeveel personen als ondersteunend personeel werkzaam zijn per gerecht. Is dat mogelijk? Wat is de procedure als de Kamer nadere wensen heeft omtrent de uit te begroting af te leiden gegevens?

Samenstelling en organisatie van de Raad

De Raad bestaat ingevolge het wetsvoorstel uit drie of vijf leden. De opzet is dat in de beginperiode de Raad uit vijf leden zal moeten bestaan. Hoe lang is deze beginperiode en wat zou het einde markeren van deze zgn. beginperiode?

De PvdA-fractie kan zich niet vinden in de instelling van een Raad voor de rechtspraak die slechts uit drie personen bestaat. Deze omvang zou in geen verhouding staan tot de taken en bevoegdheden van de Raad, waarvan de werking toch van cruciale betekenis zal zijn voor de rechtspleging in ons land. Het argument van de noodzakelijke slagvaardigheid overtuigt de PvdA-fractie niet. Een bestuur van vijf personen kan even goed slagvaardig zijn als een bestuur bestaande uit drie personen. Bovendien zal een bestuur van vijf personen kunnen profiteren van de aanwezigheid van twee personen van buiten de rechterlijke macht zelf.

Ook uit een oogpunt van legislatieve consistentie is de figuur waarbij bij AMvB de omvang van zulk een orgaan zou worden bepaald, ongewenst. De PvdA-fractie heeft dan ook voorkeur voor een vaste omvang die dan ook - zonder bezwaar - in de wetstekst zelf zou kunnen worden vastgelegd.

Mocht het taken- en bevoegdhedenpakket van de Raad - overeenkomstig de wens van de PvdA-fractie belangrijk worden uitgebreid vergeleken met het nu aan de orde zijnde voorstel, dan ligt veeleer voor de hand het aantal leden van de Raad nog groter te doen zijn dan 5 en dus bijvoorbeeld te stellen op 7 of 9. Op die manier zou ook verzekerd zijn dat de portefeuilles van de verschillende bestuursleden voldoende aandacht zouden krijgen.

De leden worden benoemd voor een periode van zes jaar. Zowel het deskundigenoordeel en het rapport van de commissie Leemhuis adviseerden een kortere benoemingsduur van respectievelijk drie en vier jaar. Aangezien het kabinet hecht aan een zekere mate van continuïteit is gekozen voor een benoemingsperiode van zes jaar en een eenmalige herbenoemingmogelijkheid voor dezelfde periode. De herbenoeming van de leden na de eerste periode is volgens de Memorie van Toelichting niet vanzelfsprekend. Uit welke bepalingen zou moeten blijken dat dit niet vanzelfsprekend is? En zo dit inderdaad zou moeten worden aangenomen, aan de hand van welke criteria zou beoordeeld gaan worden of betrokkenen voor herbenoeming in aanmerking zouden komen?

Een benoemingsperiode van (na herbenoeming) twaalf jaar is naar mening van de PvdA te lang. Een bepaalde mate van continuïteit is inderdaad van belang maar continuïteit wordt niet enkel bewerkstelligd in een lange benoemingsduur van de leden van de Raad. Dit argument overtuigt de leden van de PvdA-fractie niet. Zij suggereren daarom een benoemingsperiode van vier jaar met een herbenoemingmogelijkheid voor dezelfde periode, ofwel - teneinde een herbenoemingbeslissing met alle risico's voor oneigenlijke beïnvloeding van dien te voorkomen - een periode van zes jaar. (Blz.41 )

Voor wat betreft het opnemen van niet-rechterlijke leden wordt volgens de Memorie van Toelichting het signaal afgegeven dat de rechtsprekende macht zich openstelt voor ontwikkelingen die zich buiten de eigen kring afspelen. Vervolgens wordt gesteld dat het van groot belang is dat in de Raad voldoende financieel-economische deskundigheid aanwezig is vanwege de verantwoordelijkheid van de Raad op het financiële en beheersmatige vlak. De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat met het opnemen van iemand met financieel-economische deskundigheid in het bestuur van de rechterlijke organisatie nog zeker niet gesproken kan worden van het openstellen voor ontwikkelingen die zich buiten de Raad afspelen. Het is dan ook zeer de vraag of de toevoeging van een manager op zich voldoende is om te verzekeren dat de Raad zich voor maatschappelijke ontwikkelingen zal openstellen.

Aan welke criteria moeten de niet-rechterlijke leden van de Raad voldoen? Betekent de inhoudelijke toelichting in de Memorie van Toelichting dat de niet-rechterlijke leden in ieder geval kennis moet hebben van financiële en economische zaken? Blz. 41

Artikelsgewijs

Artikel 2.2.4.2.

Dit artikel geeft de Raad de mogelijkheid bepaalde beslissingen van het bestuur van een gerecht te schorsen en te vernietigen indien ze in strijd zijn met het recht of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. Waar wordt de invulling van een goede bedrijfsvoering van een gerecht nader omschreven?

Artikel 2.6.1.2.

Dit artikel regelt de procedure inzake benoeming van de leden van de Raad. Omtrent de vraag volgens welke procedure de Raad de eerste keer moet worden samengesteld, zal nog overleg plaatsvinden met onder meer de Nederlandse Vereniging voor de rechtsspraak. Hierbij wordt verwezen naar het onder 2.3 gestelde. Wordt de Kamer betrokken en wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over te volgen procedure?

Artikel 2.6.1.7.

Het College van Afgevaardigden heeft tot taak de Raad gevraagd en ongevraagd te adviseren. Nadere regels omtrent de samenstelling van het College en de afvaardiging van leden worden bij algemene maatregel van bestuur gesteld. De PvdA hecht veel waarde aan het instituut van het College van Afgevaardigden en zou de nadere regels omtrent de samenstelling en werkwijze liever in onderhavig wetsvoorstel geregeld zien. Immers, het College heeft als enige een klankbord en advisering een belangrijke functie voor de Raad. De samenstelling is daarom essentieel.

Onduidelijk is wat de status is van het advies van het College van Afgevaardigden is. Heeft de Raad een motiveringsplicht ten aanzien van de ongevraagde en gevraagde adviezen van het College?

Artikel 2.6.2.1.

De Memorie van Toelichting maakt melding van het feit dat voor het ondersteunend personeel bijna in het geheel geen opleidingsfaciliteiten beschikbaar zijn en er ontbreekt een loopbaanperspectief. In welk opzicht zal de Raad voor de Rechtspraak hierin verandering brengen? Zal de Raad eveneens opleidingsfaciliteiten ter beschikking stellen? Is het het streven van de Raad voor de Rechtspraak om de relatief grote kloof tussen rechters en ondersteuners te verkleinen, zo ja, op welke wijze? (blz.3/62)

Artikel 2.6.4.3.

Hier wordt geregeld dat in geval van grove taakverwaarlozing de minister leden van de Raad kan voordragen voor schorsing of ontslag. Principieel gezien zou gesteld kunnen worden dat dit in strijd is met de rechterlijke onafhankelijkheid omdat de minister aldus door directe of indirecte beïnvloeding van het rechterlijk beleid de grenzen overschrijdt welke in een democratische rechtsstaat tegenover de rechtsprekende macht in acht genomen behoren te worden. Om inhoud te geven aan de verantwoordelijkheid van de Minister behoort de ontslagbevoegdheid in beginsel inderdaad aan de Minister te zijn. Wel zou daarbij een voorziening kunnen worden getroffen er op neerkomend dat aan de Hoge Raad de vraag zou kunnen worden voorgelegd of de Minister in de hantering van zijn bevoegdheid de onafhankelijkheid van de betrokken rechterlijk ambtenaar - in de zin van art. 6 EVRM - voldoende heeft gerespecteerd.

Artikel 2.6.4.4.

Bij de uitvoering van zijn bevoegdheden treedt de minister niet in de procesrechtelijke behandeling van, inhoudelijke beoordeling van of de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken. Hoe beoordeelt de minister het voorstel van de president van de Centrale Raad van Beroep in dit artikel en vergelijkbare bepalingen de algemene verplichting op te nemen dat de regering en de Raad van de rechtspraak niet mogen handelen op een wijze die onverenigbaar is met de onafhankelijkheid van de uitoefening van de rechterlijke functie?

Wat is de reactie van de minister op de visie van de president van de Hoge Raad dat wat tot het rechterlijk beleid behoort, bij uitstek een materie van en voor de rechtsprekende macht is. Als dit anders zou zijn, dan zou de onafhankelijkheid van de rechter afhangen van de beslissing door de minister, waarmee de afhankelijke in de relatie tot hem gegeven is. In dit licht doet de scheiding tussen beleid en bedrijfsvoering in onderliggend wetsvoorstel en wetsvoorstel organisatie en bestuur gerechten kunstmatig aan.

Artikel VI

Dit artikel stelt dat de Minister binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk aan de Kamer zal zenden. Betreft dit een evaluatieregeling en welke specifieke punten zullen daarbij geëvalueerd worden? Wordt een nulmeting meting verricht en op welke onderdelen? De PvdA pleit in ieder geval voor het evalueren van de rechtseenheid, ervaringen van de gerechten, snelheid van de rechtspraak, kwaliteit en toegankelijkheid.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie