Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Concept uitvoeringsregeling IB 2001

Datum nieuwsfeit: 28-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financien
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Concept uitvoeringsregeling IB 2001



Directie Wetgeving Directe Belastingen

De Voorzitter van de Vaste Commissie

voor Financiën van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

WDB 2000-00899 M

28 november 2000

Onderwerp

Concept uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en wijziging of vervanging van enige uitvoeringsregelingen

Bij mijn brief van 10 november jl. (WDB 2000-00825M) heb ik u concepten toegestuurd van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en van een ministeriële regeling waarin aanpassingen van een aantal bestaande fiscale uitvoeringsregelingen zijn opgenomen.

Voor enkele in die concepten als gereserveerd aangeduide onderdelen treft u hierbij de concept-tekst en toelichting aan. Wat betreft de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 zijn dit de artikelen 5 (verliezen uit aanloopfase van een onderneming), 10 (loon- en prijswijzigingen na afloop jaar) en 13a (verkorting driejaarstermijn bij doorschuiving naar ondernemers).

Wat betreft de Uitvoeringsregeling overige fiscale wetten betreft dit de aanpassing van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 op het punt van de inkoop van aandelen.

De concepten worden ook toegezonden aan de commissie Thunnissen/De Waard en de werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid, met het verzoek zo spoedig mogelijk commentaar op de concepten kenbaar te maken. Met de toezending van deze concepten meen ik te hebben voldaan aan de eerder gedane toezegging in het kader van de belastingherziening 2001.

Voorts doe ik u hierbij voor de volledigheid toekomen concepten die dienen ter vervanging van een aantal bestaande uitvoeringsregelingen. Het betreft de Regeling forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart 2001, de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 en de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en (energie)investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001. Deze regelingen zijn inhoudelijk
niet gewijzigd, behoudens de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, die met betrekking tot startende ondernemers op twee punten is aangepast, om onbedoeld gebruik te voorkomen.

De Staatssecretaris van Financiën,

AANVULLING van UITVOERINGSREGELING INKOMSTENBELASTING 2001

Artikel 5 Belastbare winst uit onderneming; verliezen uit de aanloopfase van een onderneming

Bij het bepalen van de winst van het eerste kalenderjaar als ondernemer komt mede in aftrek het totale bedrag van de kosten en lasten die zijn gemaakt in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren en die verband houden met het starten van de onderneming, voorzover:


a. er in die periode geen opbrengsten tegenover hebben gestaan en


b. zij niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning kunnen of konden worden gebracht.

TOELICHTING

Artikel 3.10 biedt de bevoegdheid een wettelijke regeling te treffen voor de kosten die ondernemers maken in de fase die ligt voor het moment dat sprake is van winst uit onderneming en die om die reden niet in aftrek zouden kunnen worden gebracht. Artikel 5 geeft daaraan invulling. Daarmee vervangt artikel 5 het onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op dit punt bestaande tegemoetkomende beleid (Mededeling van de Directie Particulieren, 14 april 1993, DGM93-242). Volgens dat beleid kan ter zake van zodanige kosten en lasten met toepassing van het beleid inzake de zogenoemde ambtshalve vermindering alsnog aftrek worden verleend over de jaren waarin de kosten zijn gemaakt. Op grond van het onderhavige artikel wordt de aftrek daarentegen verleend in het eerste jaar waarin de belastingplichtige ten aanzien van de tegenover die kosten staande activiteiten als ondernemer wordt aangemerkt. Daarmee wordt voorkomen dat aanslagen over reeds verstreken jaren onnodig worden opengebroken.

In artikel 3.10 is aangegeven dat het hierbij uitsluitend kan gaan om de per saldo resterende kosten en lasten, met andere woorden de kosten en lasten die in de vijf voorafgaande jaren niet konden worden weggestreept tegen eventuele opbrengsten. Indien de opbrengst bij voorbeeld in de jaren X-5, X-4 en X-3 nihil was en in X-2 f 3 000 en in X-1 f 1.000 bedroeg en de kosten en lasten in X-5 en X-4 nihil waren en in X-3 f 3 000, X-2 f 2 000 en in X-1 f 5 000 bedroegen, dan bedragen de per saldo resterende kosten en lasten f 6 000 (de som van de opbrengsten ad f 4 000 minus de som van de kosten en lasten ad f 10 000). Indien deze aftrek van kosten en lasten tot gevolg heeft dat de belastbare winst uit onderneming op een negatief bedrag wordt vastgesteld, zijn de normale regels van verliesverrekening van toepassing.

Volledigheidshalve zij erop gewezen dat het alsnog in aftrek mogen brengen van de bedoelde kosten en lasten niet tot gevolg heeft dat met terugwerkende kracht de winstbepalingen van toepassing worden verklaard; faciliteiten zoals bij voorbeeld investeringsaftrek zijn dan ook hierop niet van toepassing.

Op grond van artikel 3.95 van de wet vindt het onderhavige artikel overeenkomstige toepassing bij de bepaling van het resultaat uit overige werkzaamheden. De regeling werkt niet door naar de vennootschapsbelasting.
Artikel 10 Belastbare winst uit onderneming; loon- en prijswijzigingen na afloop van het jaar


1. In afwijking van artikel 3.27, tweede lid, van de wet is het eerste lid van dat artikel mede van toepassing op de betaling van premies voor risicoverzekeringen voor weduwen- en wezenpensioenen, voorzover het in de premies begrepen bestanddeel voor toekomstige wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen niet meer bedraagt dan nodig is voor een aanpassing aan een zodanige wijziging van 4% per jaar.


2. In afwijking van artikel 3.27, derde lid, van de wet is het eerste lid van dat artikel mede van toepassing op de betaling van premies of koopsommen aan een pensioenlichaam waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden overeenkomen met die van een pensioenfonds als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet en waarvan de winst uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ander pensioenfonds met overeenkomstige doelstelling, of een algemeen maatschappelijk belang.


3. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing voorzover de betalingen het vermogen van de onderneming onherroepelijk hebben verlaten.

Toelichting

Artikel 3.27, tweede en derde lid, van de wet hebben betrekking op de betaling van pensioenpremies voor de aanpassing van pensioenregelingen aan loon- en prijs-stijgingen. Deze bepalingen komen inhoudelijk overeen met artikel 9a, derde en vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; in den brede is genoemd artikel 9a opgenomen in de artikelen 3.26, 3.27 en 3.28 van de wet.

Van het tweede en derde lid van artikel 3.27 kan op grond van het vierde lid van dat artikel bij ministeriële regeling worden afgeweken, zo nodig onder het stellen van voorwaarden. Dit komt overeen met de in artikel 9a, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 opgenomen ontheffingsbevoegdheid, zij het dat deze is vervangen door een regelgevende bevoegdheid. Met de hier opgenomen bepaling wordt daaraan invulling gegeven.

Het eerst lid komt in strekking overeen met de resolutie van 6 januari 1977,

nr. 27-621 (BNB 1977/48), dat betrekking heeft op artikel 9a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het gaat daarbij om het volgende. In de situatie waarin de verplichtingen die voortvloeien uit een toegekend recht op een ouderdomspensioen in eigen beheer worden gehouden, plegen bij afzonderlijke contracten risicoverzekeringen voor het weduwe- en wezenpensioen te worden afgesloten. Bij zon risicoverzekering is doorgaans sprake van in de tijd stijgende uitkeringen. Aangezien in dergelijke gevallen geen premies voor opgebouwde pensioenrechten worden betaald, kunnen de voor zulke risicoverzekeringen betaalde premies, voorzover zij betrekking hebben op verhogingen van de uitkeringen in verband met loon- en prijsstijgingen, op grond van het bepaalde in art. 9a, derde lid, IB '64 niet in mindering op de winst worden gebracht. Bij de genoemde resolutie van 6 januari 1977 is op dit punt onder twee voorwaarden ontheffing verleend. Hierop ziet het eerste van de onderhavige bepaling.

Het tweede lid komt in strekking overeen met de resolutie van 13 januari 1986,

nr. 285-17 (BNB 1986/71), dat betrekking heeft op artikel 9a, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Daarbij gaat het om betalingen wegens coming-backservice ter zake van pensioenverplichtingen die zijn ondergebracht bij een directie-pensioenlichaam. Dergelijke betalingen mogen op grond van deze resolutie ten laste van de winst worden gebracht mits het directiepensioenlichaam aan bepaalde eisen voldoet. Deze eisen zijn opgenomen opgenomen in het onderhavige tweede lid, met dien verstande dat daarbij een meer open formulering wordt gehanteerd dan in de overeenkomstige voorwaarden uit de genoemde resolutie.

Het derde lid betreft de in beide voornoemde resoluties opgenomen voorwaarde dat de premies daadwerkelijk worden betaald, in die zin dat de gelden het ondernemings-vermogen onherroepelijk hebben verlaten.

Artikel 13a Belastbare winst uit onderneming; verkorting driejaarstermijn bij doorschuiving naar ondernemers


1. Aan de in artikel 3.63, vierde lid, van de wet bedoelde termijn van 36 maanden wordt geacht te zijn voldaan indien zich na het aangaan van het samenwerkingsverband een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid.


2. Het eerste lid is van toepassing indien de belastingplichtige:


a. door ziekte of gebreken gedurende ten minste één jaar niet in staat is, of vermoedelijk niet in staat zal zijn, om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde personen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen;


b. in staat van faillissement wordt verklaard;

c. surséance van betaling heeft aangevraagd;

d. onder curatele wordt gesteld;


e. vóór het aangaan van het samenwerkingsverband met degene die de onderneming gaat voortzetten nog wel, maar vanaf enig moment daarna niet meer kan kiezen voor kwalificatie als partner van de voortzetter, of


f. overlijdt en de onderneming spoedig daarna aan de in artikel 3.63, vierde lid, van de wet bedoelde voortzetter wordt overgedragen.

Toelichting

Met deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan de delegatiebevoegdheid op grond waarvan de driejaarstermijn voor de faciliteit voor doorschuiving naar mede-ondernemers kan worden verkort. Als zich na het aangaan van het samenwerkingsverband één van de in het tweede of derde lid genoemde situaties voordoet, kan de onderneming direct geruisloos worden overgedragen aan de beoogde voortzetter. Het tweede lid, onderdeel a, is bedoeld voor de situatie dat de belastingplichtige arbeidsongeschikt wordt. Bij de formulering van dat onderdeel is aangesloten bij het huidige artikel 17, tweede lid, onderdeel a, in samenhang met artikel 46, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 1964. Het tweede lid, onderdeel e, is bedoeld voor de situatie dat de voortzetter de partner is van de overdrager, en die relatie zowel zakelijk als privé wordt verbroken. Het tweede lid, onderdeel f, is bedoeld voor de situatie dat een belastingplichtige een samenwerkingsverband aangaat met een beoogde opvolger, maar vóór het verstrijken van de driejaarstermijn komt te overlijden, waarna de onderneming door zijn erfgenamen wordt overgedragen aan die beoogde opvolger. De onderneming kan dan op grond van het tweede lid, onderdeel f, geruisloos worden overgedragen aan de opvolger. De andere onderdelen van het tweede lid spreken voor zich.

Aanvulling op de Wijziging van enige Uitvoeringsregelingen

Artikel I Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965

De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A.Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

Na tweede lid, wordt ingevoegd: 4c, vierde lid,.

B. Na artikel 1a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1aa

1. Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van de inkoop, of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande jaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van een juridische fusie:


a. worden voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid, aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van aandelen die door de verdwijnende rechtspersoon volgens artikel 4c van die wet zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het fusietijdstip en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht te zijn gedaan door de inhoudingsplichtige;


b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de verdwijnende vennootschap is uitgekeerd in het jaar van inkoop voor het fusietijstip en in de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht te zijn uitgekeerd door de inhoudingsplichtige.


2. Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van inkoop of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van een juridische splitsing:


a. worden, voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid, aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van aandelen die door de splitsende rechtspersoon volgens artikel 4c van die wet zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het splitsingstijdstip en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn gedaan door de inhoudingsplichtige en worden in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, deze inkopen door de splitsende rechtspersoon in dezelfde mate geacht te zijn verminderd;


b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de splitsende rechtspersoon is uitgekeerd in het jaar van inkoop voor het splitsingstijdstip en in de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht in die jaren voor een evenredig gedeelte te zijn uitgekeerd door de inhoudingsplichtige en wordt in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, het contante dividend dat door de splitsende rechtspersoon is uitgekeerd, geacht in dezelfde mate te zijn verminderd.


3. Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van de inkoop of in de zeven voorafgaande jaren in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vermogen heeft verkregen van een rechtspersoon (overdrager):


a. worden, voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid, aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van aandelen die door de overdrager volgens artikel 4c van die wet zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het overgangstijdstip en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn gedaan door de inhoudingsplichtige en worden deze inkopen door de overdrager waarvan het vermogen wordt verkregen, geacht in dezelfde mate te zijn verminderd;


b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de overdrager is uitgekeerd in het jaar van inkoop voor het overgangstijdstip en in de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn uitgekeerd door de inhoudingsplichtige en wordt het contante dividend dat door de overdrager is uitgekeerd, geacht in dezelfde mate te zijn verminderd.


4. De vorige leden zijn niet van toepassing indien, in geval van een juridische fusie, een juridische splitsing of een bedrijfsfusie in de zin van artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het nominaal gestorte kapitaal in respectievelijk de verdwijnende rechtspersoon, de splitsende rechtspersoon of de overdrager, in het jaar van inkoop of in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is vergroot anders dan in situaties als genoemd in artikel 4c, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de dividendbelasting 1965.


5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een evenredig gedeelte verstaan:


a. voor de toepassing van het tweede lid: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding op het splitsingstijdstip tussen de waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon die overgaan op de inhoudingsplichtige en de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon;


b. voor de toepassing van het derde lid: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding op het overgangstijdstip tussen de waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen van de overdrager die worden verkregen door de inhoudingsplichtige en de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen van de overdrager.


6. De correctie met een inflatiebijstelling, bedoeld in artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, vindt plaats door het bedrag van het uitgekeerde dividend in een voorafgaand kalenderjaar te vermenigvuldigen met het produkt van de tabelcorrectiefactoren, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van het op dat jaar volgende jaar tot en met het jaar waarin de inkoop plaatsvindt.

Toelichting

De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting wordt aangepast teneinde uitvoering te geven aan de delegatiebevoegdheid die is opgenomen in het vijfde lid van het nieuwe artikel 4c (Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, hoofdstuk 1, artikel VI, onderdeel EA).

In de beschikking worden regels opgenomen voor de vaststelling van het inkoop- en dividendverleden van een vennootschap die een beroep wil doen op de faciliteit van artikel 4c, ingeval een juridische fusie, een juridische splitsing of een bedrijfsfusie heeft plaatsgevonden.

Voorts worden regels gegeven in verband met de voorgeschreven inflatiebijstelling.

In het eerste lid van het nieuwe artikel 1aa worden regels gegeven voor de situatie waarin een inkoop van aandelen plaatsvindt nadat een juridische fusie heeft plaatsgevonden. In onderdeel a is bepaald dat de inkopen van eigen aandelen die door het verdwijnende lichaam zijn gedaan in de vier jaren voor de fusie, geacht worden in die jaren te zijn gedaan door het verkrijgende lichaam. Anders zouden de gefacilieerde inkopen van eigen aandelen die zijn gedaan door het verdwijnende lichaam niet in mindering komen op de ruimte voor gefacilieerde inkoop door het verkrijgende lichaam. Het verkrijgende lichaam zou dan teveel ruimte krijgen. Daartegenover wordt in onderdeel b bepaald dat bij ruimte voor het doen van de inkoop van eigen aandelen van tien maal het gemiddelde dividendverleden van vijf voorafgaande jaren, de contante uitkeringen van het verdwijnende lichaam aan het verkrijgende lichaam worden toegerekend. Dit om te voorkomen dat de ruimte voor het doen van gefacilieerde inkopen die betrekking heeft op het verdwijnende lichaam verloren gaat. De toerekening moet plaatsvinden aan de afzonderlijke zeven voorafgaande jaren. Voor de onderscheidelijke jaren wordt dus eerst het dividend van het verdwijnende en het verkrijgende lichaam samengeteld en daarna worden het hoogste en het laagste jaar geëlimineerd.

In het tweede lid worden regels gegeven voor de situatie dat een inkoop van eigen aandelen plaatsvindt na een juridische splitsing.

In geval van een juridische splitsing worden de inkopen van eigen aandelen en de uitdeling van dividend in contanten verdeeld over de splitsende en de verkrijgende vennootschap, naar evenredigheid van het vermogen dat overgaat op de verkrijgende vennootschap ten opzichte van het totale vermogen van de splitsende vennootschap.

In het derde lid is een regeling getroffen voor het geval dat een inkoop van eigen aandelen vooraf wordt gegaan door een zogenoemde bedrijfsfusie in de zin van artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit betreft een activa/passiva-transactie tegen uitreiking van aandelen. Anders dan bij de juridische fusie, is er geen sprake van een lichaam dat verdwijnt. In principe gaat er dus geen dividendverleden verloren. Niettemin acht ik het redelijk dat het inkoop- en dividendverleden overgaat op de vennootschap die de activa en passiva overneemt. Het dividendverleden van de vennootschap vindt immers voor een deel zijn oorsprong in de winsten die zijn gemaakt met het overgenomen gedeelte van de onderneming. De term overgangstijdstip moet worden opgevat overeenkomstig de standaardvoorwaarden bij artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat wil zeggen het tijdstip vanaf wanneer de overgedragen onderneming geacht wordt rechtstreeks voor rekening van de overnemer te zijn uitgeoefend.

In het vierde lid is bepaald dat het dividendverleden van een vennootschap niet mee overgaat naar de overnemende vennootschap indien de verdwijnende, splitsende of overdragende vennootschap zelfstandig geen recht zou hebben gehad op toepassing van de inkoopfaciliteit omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat er in de afgelopen 4 jaar geen kapitaalvergroting heeft plaatsgevonden, anders dan in situaties van een fusie of in een situatie waarin artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de dividendbelasting van toepassing is.

In het vijfde lid wordt een definitie gegeven voor het begrip evenredig gedeelte. Dit is de verhouding tussen de waarde in het economische verkeer van het vermogen dat overgaat op de inhoudingsplichtige en de waarde in het economische verkeer van het totale vermogen van de splitsende rechtspersoon, respectievelijk de overdrager.

In het zesde lid is de inflatiebijstelling opgenomen die wordt voorgeschreven in het tweede lid van artikel 4c van de Wet op de dividendbelasting 1965.

Om het dividend uit te drukken in het prijsniveau van het jaar van de inkoop moet het worden vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactoren van de jaren die volgen op het jaar van de uitkering tot en met het jaar van de inkoop. Het gaat hierbij om de tabelcorrectiefactor die is opgenomen in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de daarmee overeenkomende bepaling uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het aldus verkregen bedrag dient als input voor de toepassing van het tweede lid van artikel 4c van de wet. Ter berekening van het voor de toepassing van het eerste lid van artikel 4c van de wet relevante dividendverleden wordt dus eerst het dividend van de voorgaande zeven jaren uitgedrukt in het prijsniveau van het jaar van de inkoop en daarna worden het hoogste en het laagste jaardividend weggestreept. Vervolgens wordt van de vijf resterende bedragen het gemiddelde berekend.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie