Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad - Justitie

Datum nieuwsfeit: 30-11-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
European Union

2314. Raad - JUSTITIE- BINNENLANDSE ZAKEN- CIVIELE BESCHERMING Press Release: Brussels (01-12-2000) - Press: 457 - Nr: 13865/00


13865/00 (Presse 457)

(OR. fr)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2314e zitting van de Raad


- JUSTITIE, BINNENLANDSE ZAKEN EN CIVIELE BESCHERMING -

Brussel, 30 november / 1 december 2000

Voorzitter:

mevrouw Marylise LEBRANCHU

Grootzegelbewaarder, Minister van Justitie

de heer Daniel VAILLANT

Minister van Binnenlandse Zaken

van de Franse Republiek

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID, ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN

BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN *

OMGANGSRECHT - WEDERZIJDSE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN


*

EUROPEES NETWERK VOOR JUSTITIËLE OPLEIDINGEN

*

BESCHERMING VAN DE EURO

*

CRIMINALITEITSPREVENTIE

*

TOTSTANDBRENGING VAN EEN RUIMTE VAN "VRIJHEID, VEILIGHEID EN

RECHTVAARDIGHEID" (Scorebord)

*

VERSTERKING VAN HET STRAFRECHTELIJK KADER VOOR DE BESTRIJDING VAN DE

HULP BIJ ILLEGALE BINNENKOMST EN ILLEGAAL VERBLIJF EN OMSCHRIJVING VAN

DE HULP BIJ ILLEGALE BINNENKOMST EN ILLEGAAL VERBLIJF


*

HARMONISATIE VAN DE SANCTIES DIE AAN VERVOERDERS WORDEN OPGELEGD VOOR

HET VERVOEREN VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN DIE NIET OVER DE

VEREISTE DOCUMENTEN BESCHIKKEN OM DAARIN TE WORDEN TOEGELATEN


*

SAMENWERKING TUSSEN DE LIDSTATEN BIJ DE BESTRIJDING VAN ILLEGALE

IMMIGRATIENETWERKEN - Conclusies van de Raad

*

NEVENOVEREENKOMST MET NOORWEGEN EN IJSLAND BIJ DE OVEREENKOMST VAN

DUBLIN

*

OPVANG VAN ASIELZOEKERS - Conclusies van de Raad
*

LIJST VAN LANDEN WAARVAN DE ONDERDANEN IN HET BEZIT MOETEN ZIJN VAN

EEN VISUM

*

TERRORISME

*

EUROPESE POLITIEACADEMIE

*

HARMONISERING VAN DE STATUS VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN DIE

LANGDURIG INGEZETENEN ZIJN - Conclusies van de Raad
*

VERSLAG VAN DE GROEP OP HOOG NIVEAU ASIEL- EN MIGRATIEVRAAGSTUKKEN AAN

DE EUROPESE RAAD

*

ASIELBELEID

*

IMMIGRATIEBELEID

*

INWERKINGSTELLING VAN HET SCHENGENACQUIS IN DE NOORDSE LANDEN


*

DIVERSEN

*


-
VRAGENLIJST OVER DE INSTANTIES DIE MOETEN INGRIJPEN BIJ DE

VERDWIJNING VAN KINDEREN *

-
OPRICHTING VAN EUROJUST - Materiële problemen *

GEMENGD COMITE

*

BIJLAGE

*

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

*


-
Ondersteuning door Europol van gemeenschappelijke onderzoeksteams
*

-
Europol - uitbreiding van het mandaat tot het witwassen van geld *
-
Werkprogramma van Europol voor 2001 *

-
Tweede evaluatiejaar van de wederzijdse evaluaties van de rechtsbijstand - verslag aan de Raad *

-
Georganiseerde criminaliteit - verslag 1999 *
-
Lijst van autoriteiten met directe toegang tot het SIS *
-
Studie over de controle van containers in de havens van de Europese Unie *

-
Wederzijdse rechtshulp in strafzaken *

-
Schengenakkoord - derubricering van sommige delen van het Gemeenschappelijk Handboek *

-
Wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en in handelszaken - programma van maatregelen *

-
Wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen - Programma van maatregelen *

-
Begroting voor SISNET voor het jaar 2001 *

-
Begroting voor Sirene fase II en Helpdesk voor het jaar 2001 *



Voor meer informatie: tel. 02-285.84.15, 02-285.64.23 of 02-285.68.08

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België
:

de heer Marc VERWILGHEN

minister van Justitie

de heer Antoine DUQUESNE

minister van Binnenlandse Zaken

Denemarken
:

de heer Frank JENSEN

minister van Justitie

mevrouw Karen JESPERSEN

minister van Binnenlandse Zaken

Duitsland:

mevrouw Herta DÄUBLER-GMELIN

minister van Justitie

de heer Otto SCHILY

minister van Binnenlandse Zaken

de heer Kurt SCHELTER

minister van Justitie en Europese Aangelegenheden van het Land Brandenburg

de heer Fritz BEHRENS

minister van Binnenlandse Zaken van Rijnland-Westfalen

Griekenland
:

de heer Michalis STATHOPOULOS

minister van Justitie

de heer Michalis CHRISOCHOÏDIS

minister van Openbare Orde

Spanje
:

de heer Jaime MAYOR OREJA

minister van Binnenlandse Zaken

de heer José María MICHAVILA NUÄ ES

staatssecretaris van Justitie

Frankrijk
:

mevrouw Marylise LEBRANCHU

grootzegelbewaarder, minister van Justitie

de heer Daniel VAILLANT

minister van Binnenlandse Zaken

de heer Christian PAUL

staatssecretaris van overzeese gebiedsdelen

Ierland
:

de heer Denis O'LEARY

ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Italië
:

de heer Enzo BIANCO

minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de coördinatie van de civiele bescherming

de heer Franco CORLEONE

staatssecretaris van Justitie

Luxemburg
:

de heer Luc FRIEDEN

minister van Justitie

Nederland
:

de heer Benk KORTHALS

minister van Justitie

de heer Klaas DE VRIES

minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

de heer Job COHEN

staatssecretaris van Justitie

Oostenrijk
:

de heer Dieter BÖHMDORFER

minister van Justitie

de heer Ernst STRASSER

minister van Binnenlandse Zaken

Portugal
:

de heer Nuno S. TEIXEIRA

minister van Binnenlandse Zaken

de heer Eduardo N. CABRITA

staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Justitie

Finland
:

de heer Johannes KOSKINEN

minister van Justitie

de heer Vile ITÄLÄ

minister van Binnenlandse Zaken

Zweden
:

de heer Thomas BODSTRÌ M

minister van Justitie

mevrouw Kristina RENNERSTEDT

staatssecretaris bij het ministerie van Justitie

mevrouw Maj-Inger KLINGVALL

minister bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, belast met Ontwikkelingssamenwerking en Migratie

Verenigd Koninkrijk
:

de heer Jack STRAW

minister van Binnenlandse Zaken

de heer David LOCK

staatssecretaris van Justitie

de heer Jim WALLACE

vice-eerste minister en minister van Justitie (Schotse regering)


* * *

Commissie
:

de heer António VITORINO

lid

mevrouw Michaele SCHREYER

lid

RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID, ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN

BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over de verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (
1). Deze verordening zou vóór eind december 2000, als de tekst eenmaal is bijgewerkt en de Nederlandse delegatie haar voorbehoud voor parlementaire behandeling heeft ingetrokken, moeten worden aangenomen. In dit scenario treedt de verordening in werking op 1 maart 2002.

Doel van de verordening is, het Verdrag van Brussel van 1968 in zijn huidige, via latere verdragen tot stand gekomen vorm, te "communautariseren" en de conclusies van de in mei 1999 voltooide herziening van de Verdragen van Brussel en Lugano over te nemen.

De verordening speelt een sleutelrol in de totstandkoming van de Europese juridische ruimte en zal het verkeer van rechterlijke beslissingen in de Europese Gemeenschap vergemakkelijken en vereenvoudigen.

De ministers hechtten hun goedkeuring aan een verklaring over artikel 15 (door consumenten gesloten overeenkomsten). In die verklaring (zie bijlage) wordt bijzondere aandacht besteed aan de toepassing van artikel 15 op de elektronische handel.

Het Verdrag van Brussel van 1968 bestrijkt alle onderdelen van het burgerlijk en het handelsrecht, behoudens die welke uitdrukkelijk van het toepassingsgebied zijn uitgesloten en limitatief zijn opgesomd in de tekst: staat en bevoegdheid van natuurlijke personen, huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen, faillissement, sociale zekerheid, arbitrage.

De verordening komt in de plaats van het Verdrag van 1968 maar het toepassingsgebied van dit Verdrag verandert er niet door. Het dispositief bevat bepalingen betreffende algemene bevoegdheden, bijzondere bevoegdheden, bevoegdheden in verzekeringszaken, bevoegdheden voor door consumenten gesloten overeenkomsten, voor individuele arbeidsovereenkomsten en bepaalde exclusieve bevoegdheden. Voorts bevat de verordening regels betreffende de door partijen aangewezen bevoegde rechter, de toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid, aanhangigheid en samenhang, en verder voorlopige maatregelen en maatregelen ter bewaring van recht.

Tot slot zijn in de verordening ook bepalingen opgenomen over vraagstukken rond de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, algemene, overgangs- en slotbepalingen en bepalingen over de verhouding tot andere besluiten.

Overeenkomstig het protocol betreffende de positie van Denemarken bij het Verdrag van Amsterdam heeft Denemarken niet aan de aanneming van de verordening deelgenomen. Deze lidstaat heeft wel belangstelling getoond voor het sluiten van een overeenkomst op grond waarvan de bij deze verordening vastgestelde regels ook in Denemarken kunnen worden toegepast.

OMGANGSRECHT - WEDERZIJDSE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN

De Raad heeft een uitvoerig debat gewijd aan de vraagstukken met betrekking tot de wederzijdse tenuitvoerlegging van beslissingen betreffende het omgangsrecht. Met het voorgestelde ontwerp wordt een verordening beoogd waarbij elke voorafgaande controle door de rechter van de aangezochte lidstaat wordt afgeschaft voor beslissingen die worden gegeven in het kader van de uitoefening van het omgangsrecht ten aanzien van kinderen van wie de ouders van echt gescheiden zijn of gescheiden van tafel en bed. Tijdens het debat hebben sommige delegaties verzocht om een uitbreiding van het toepassingsgebied van het voorstel tot alle kinderen voor wie een omgangsrecht geldt.

Aan het eind van het oriënterend debat nam de Raad nota van het voornemen van het voorzitterschap om een nieuwe ontwerp-verordening in te dienen in het licht van de standpunten van de delegaties. Voorts bleek er een duidelijke tendens te bestaan om in de Raad op twee terreinen tegelijkertijd te werken, nl.:


- het initiatief van Frankrijk, dat beperkt zou blijven tot beslissingen betreffende gemeenschappelijke kinderen die overeenkomstig Brussel II gegeven worden bij een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed van de echtgenoten;
- besprekingen die zouden leiden tot een instrument dat betrekking heeft op alle kinderen voor wie een omgangsrecht geldt en die niet onder het door Frankrijk voorgestelde besluit vallen.

EUROPEES NETWERK VOOR JUSTITIËLE OPLEIDINGEN

De Raad heeft voor het eerst gedebatteerd over een ontwerp-besluit tot instelling van een Europees netwerk voor justitiële opleiding en bleek in het algemeen akkoord te kunnen gaan met dit Franse initiatief, dat in de eerste fase gericht is op opleidingen op strafrechtelijk gebied. Doel van dit netwerk is de opleiding van leden van het gerechtelijk apparaat in de lidstaten coherenter en doeltreffender te maken door een verband te leggen tussen de scholen en instellingen in de lidstaten die specifiek belast zijn met de opleiding van beroepsrechters en officieren van justitie die deel uitmaken van het gerechtelijk apparaat.

Het netwerk zou met name de volgende taken kunnen krijgen:


- verdiepen van de wederzijdse kennis van de gerechtelijke en rechtsstelsels van de lidstaten;


- ontwikkelen van de kennis en verbeteren van het gebruik van de in de Europese Unie geldende Europese en internationale instrumenten;


- analyseren en inventariseren van de opleidingsbehoeften;

- uitwisselen van ervaringen op het gebied van justitiële opleiding;

- bevorderen van de coördinatie van de justitiële opleidingsprogramma's in de Europese Unie;


- coherente en regelmatig geactualiseerde opleidingsmiddelen ter beschikking stellen van de Europese instellingen, de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten, de leden van het bij het Gemeenschappelijk optreden van 29 juni 1998 ingestelde Europees justitieel netwerk en van elke andere instantie die binnen de Europese Unie belast is met justitiële samenwerking in strafzaken;
- ontwikkelen van opleidingsacties voor de leden van het gerechtelijk apparaat die in derde landen werken aan het herstel van de rechtsstaat;

- bijdragen aan het structureren van het instrumentarium voor justitiële opleiding van de kandidaat-lidstaten en toegankelijk maken van de opleidingsprogramma's voor de leden van het gerechtelijk apparaat van die landen en eventueel van derde landen.

Dit ontwerp is een uitvloeisel van het Verdrag van Amsterdam, het actieplan van Wenen en de conclusies van de Europese Raad van Tampere, waarin is bevestigd dat de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een van de topprioriteiten van de Europese Unie moet zijn.

BESCHERMING VAN DE EURO

De ministers namen nota van het voornemen van het voorzitterschap om binnen afzienbare tijd twee op titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie gebaseerde voorstellen in te dienen bij de Raad, ter aanvulling van de ontwerp-verordening betreffende de bescherming van de euro tegen valsemunterij die momenteel in de Raadsinstanties wordt besproken. De Raad heeft het Comité van artikel 36 opdracht gegeven om de twee voorstellen zo snel mogelijk te bespreken.

Het Franse voorzitterschap is van mening dat het door de Commissie ingediende verordeningsvoorstel (zie infra) betreffende de bescherming van de euro tegen valsemunterij weliswaar algemeen van opzet is, maar dat de bescherming van de euro tegen namaak en valsemunterij toch met twee soorten maatregelen moet worden aangevuld:


- de oprichting bij Europol van een eenheid ter bestrijding van eurovervalsing en via onderhandelingen tot stand te brengen overeenkomsten betreffende de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen Europol enerzijds, de Europese Centrale Bank en de Commissie anderzijds. Hiertoe wil Frankrijk de Raad ontwerp-conclusies van de Raad voorleggen;

- maatregelen die wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten op het gebied van de bestrijding van valsemunterij vergemakkelijken. Hiertoe wil Frankrijk bij de Raad een ontwerp-kaderbesluit indienen.

Gememoreerd wordt dat de Raad ECOFIN in zijn zitting van 26/27 november nota heeft genomen van de stand van de besprekingen over het verordeningsvoorstel betreffende de bescherming van de euro tegen valsemunterij. Het voorstel beoogt de rechtsbescherming van eurobankbiljetten en -munten te vergroten en behelst de bewerking van technische en statistische informatie in verband met namaak, de bewerking van de operationele en strategische gegevens en de samenwerking en wederzijdse bijstand.

De door het voorzitterschap herziene ontwerp-verordening betreft alleen die elementen uit het oorspronkelijke Commissievoorstel die volgens de Juridische dienst van de Raad in het kader van een verordening krachtens het EG-Verdrag kunnen worden aangenomen Het gaat met name om:


- de verzameling bij de bevoegde nationale autoriteiten van de valse eurobankbiljetten en -munten om over technische en statistische gegevens te kunnen beschikken betreffende alle ontdekte gevallen van namaak of vervalsing (ook in het kader van strafrechtelijke procedures);

- de verplichting om onder meer een adequate controle uit te voeren van de echtheid van de door de kredietinstellingen in omloop gebrachte eurobankbiljetten en -munten;
- een versterking van de samenwerking tussen alle betrokken partijen (lidstaten, Commissie, Europese Centrale Bank en Europol) en een verbetering van de uitwisseling en centralisering van informatie.

CRIMINALITEITSPREVENTIE

De Raad heeft voor het eerst gedebatteerd over een op initiatief van de Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden ingediend ontwerp-besluit betreffende de oprichting van een netwerk inzake criminaliteitspreventie en over een mededeling van de Commissie over hetzelfde onderwerp. Afgesproken werd dat de bevoegde groep de bespreking van het ontwerp en van de mededeling zal aanvangen onder het Zweedse voorzitterschap.

Het ontwerp-besluit beoogt een Europees netwerk voor criminaliteitspreventie tot stand te brengen tussen de lidstaten. Het netwerk draagt bij tot de ontwikkeling van de diverse aspecten van criminaliteitspreventie in de Europese Unie en ondersteunt de acties ter voorkoming van criminaliteit op lokaal en nationaal niveau.

Het netwerk, aldus het ontwerp, bestaat uit contactpunten die door elke lidstaat en door de Commissie worden aangewezen; ook Europol neemt deel met een contactpunt voor de aspecten die Europol aangaan. De overige veldwerkers zouden ook bij de activiteiten van het netwerk betrokken worden, met inbegrip van lokale overheden, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector.

TOTSTANDBRENGING VAN EEN RUIMTE VAN "VRIJHEID, VEILIGHEID EN

RECHTVAARDIGHEID" (Scorebord)

De Raad nam nota van een korte presentatie van Commissielid VITORINO over de eerste grondig bijgewerkte versie van het scorebord waarmee de vorderingen op het gebied van de totstandbrenging van een ruimte van "vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid" kunnen worden geëvalueerd.

VERSTERKING VAN HET STRAFRECHTELIJK KADER VOOR DE BESTRIJDING VAN DE

HULP BIJ ILLEGALE BINNENKOMST EN ILLEGAAL VERBLIJF EN OMSCHRIJVING VAN

DE HULP BIJ ILLEGALE BINNENKOMST EN ILLEGAAL VERBLIJF

De Raad heeft gesproken over een ontwerp-kaderbesluit tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van de hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf en een ontwerp-richtlijn tot omschrijving van de hulp bij illegale binnenkomst, illegaal verkeer en illegaal verblijf.

Uit de discussie bleek dat de Raad in elk geval de activiteiten van humanitaire organisaties, die onbaatzuchtig hulp verlenen aan onregelmatig binnengekomen of verblijvende immigranten en die slachtoffers van mensenhandel helpen beschermen wil respecteren. Verschillende eerder ingediende voorstellen van Duitsland, Portugal, Finland en België hadden trouwens ten doel de naleving van bovengenoemd beginsel te verzoenen met het voornemen om hulp bij illegale immigratie krachtig te bestrijden.

De grote meerderheid van de delegaties, zo bleek uit de gedachtewisseling, kan ermee instemmen dat op de zwaarste feiten een maximumstraf van ten minste acht jaar vrijheidsbeneming staat. Er was geen unaniem antwoord op de vraag of winstbejag een doorslaggevend element moet zijn om van een strafbaar feit te kunnen spreken.

Het Comité van Permanente Vertegenwoordigers zal de besprekingen voortzetten, onder meer op basis van een verbeterde versie van de door België gewenste humanitaire clausule, zodat uiteindelijk een formule kan worden gevonden die tegemoetkomt aan de standpunten van de ministers. De Zweedse delegatie, die een voorbehoud had gemaakt omdat de Zweedse wetgeving geen sancties bevat voor de strafrechtelijke bestrijding van hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf, verklaarde dat deze kwestie weldra opnieuw zal worden besproken op nationaal niveau.

HARMONISATIE VAN DE SANCTIES DIE AAN VERVOERDERS WORDEN OPGELEGD VOOR

HET VERVOEREN VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN DIE NIET OVER DE

VEREISTE DOCUMENTEN BESCHIKKEN OM DAARIN TE WORDEN TOEGELATEN

De Raad heeft van gedachten gewisseld over de onopgeloste vraagstukken met betrekking tot de ontwerp-richtlijn betreffende de harmonisatie van de sancties die aan vervoerders worden opgelegd voor het vervoeren naar de lidstaten van onderdanen van derde landen die niet over de vereiste documenten beschikken om daarin te worden toegelaten. Na het debat besloot de Raad, gelet op de voorbehouden van drie delegaties, het dossier opnieuw voor te leggen aan het Comité van permanente vertegenwoordigers, met het verzoek andere formules voor te stellen waarin alle delegaties zich kunnen vinden.

De voorbehouden van de drie delegaties hebben betrekking op de volgende punten: de geldstraffen, met name het in de richtlijn voorgestelde bedrag van 5000 euro per clandestiene passagier, het voortbestaan van de praktijken die de lidstaten hanteren wanneer de vervoerde persoon een asielaanvraag indient of tot het grondgebied van de lidstaat wordt toegelaten en - voor één lidstaat - een juridisch probleem omdat in de wetgeving van die lidstaat geen bepalingen zijn opgenomen betreffende boetes voor vervoerders.

SAMENWERKING TUSSEN DE LIDSTATEN BIJ DE BESTRIJDING VAN ILLEGALE

IMMIGRATIENETWERKEN - Conclusies van de Raad

De Raad,


1. trekt de eerste conclusies uit de werkzaamheden van het CIBGGI en verzoekt de lidstaten:


- zoveel mogelijk gebruik te maken van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en het aan het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie over te laten om met eigen initiatieven het overleg tussen de lidstaten in het meest passende kader te vergemakkelijken;

- zich te beraden op de verdere ontwikkeling van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing, door meer bepaald na te gaan in hoeverre de doeltreffendheid ervan zou moeten worden versterkt, enerzijds, en na te denken over het gebruik van hoogwaardiger communicatiemiddelen (beveiligde elektronische communicatie), anderzijds;

- de samenwerking tussen de verbindingsfunctionarissen die in hetzelfde land van herkomst of in hetzelfde gedeelte van de wereld gestationeerd zijn, te verbeteren, teneinde onderlinge en wederzijdse bijstand of zelfs complementariteit bij de uitvoering van de taken mogelijk te maken. Hierbij dient met name rekening te worden gehouden met de uitkomst van het seminar dat van 9 t/m 11 november 2000 op Madeira heeft plaatsgevonden;
- na te gaan hoe nieuwe procedures in het leven kunnen worden geroepen waarmee sommige functionarissen ook andere lidstaten kunnen vertegenwoordigen in landen van herkomst die voor alle betrokken lidstaten van belang zijn;


2. verzoekt ieder voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie erop toe te zien dat de bevindingen van het CIBGGI, en met name de resultaten van de informatie-uitwisseling, via het Strategisch Comité immigratie, grenzen en asiel regelmatig ter kennis gebracht worden van de andere instanties van de Unie waarvoor zij van nut kunnen zijn; daarbij moet in het bijzonder gedacht worden aan:
- de Groep op hoog niveau asiel- en migratievraagstukken, die zich bezighoudt met de landen van herkomst die voor de immigratie in Europa het belangrijkst zijn;


- het Comité van artikel 36;

- "de verbindingsstructuur" (task force) van de directeuren-generaal van politie, die tijdens de vergadering van 15-16 september heeft laten weten verdere werkzaamheden van de Unie op deze terreinen wenselijk te achten;

- Europol, dat bevoegd is op het gebied van de bestrijding van illegale-immigratienetwerken;

- de Groep Schengenevaluatie, die verzocht zou kunnen worden om via haar analyses een bijdrage te leveren aan het systeem voor vroegtijdige waarschuwing;


3. verzoekt de toekomstige voorzitterschappen en de Commissie passende initiatieven te ontplooien om de solidariteit en de operationele samenwerking tussen de lidstaten, ook op regionaal niveau, te versterken, teneinde de illegale-immigratiestromen te beperken. Meer bepaald zal worden nagegaan of er, met de toestemming van de betrokken partijen, aan de lidstaten technische middelen en/of gespecialiseerd personeel ter beschikking kunnen worden gesteld om de voorzieningen voor bewaking en controle van de buitengrenzen van de Unie die het meest getroffen zijn door de illegale-immigratiestromen, doeltreffender te maken.

NEVENOVEREENKOMST MET NOORWEGEN EN IJSLAND BIJ DE OVEREENKOMST VAN

DUBLIN

De Raad heeft nota genomen van een ontwerp-nevenovereenkomst met Noorwegen en IJsland waarover de Commissie heeft onderhandeld en heeft de Commissie verzocht een voorstel voor een besluit van de Raad in te dienen zodat de overeenkomst, na raadpleging van het Europees Parlement, spoedig kan worden ondertekend en gesloten. De instemming van de ministers is gekoppeld aan de inwerkingtreding van het Akkoord van Schengen in de Noordse landen in maart 2001.

In de overeenkomst met Noorwegen en IJsland zal, zoals in de Overeenkomst van Dublin, worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van asielverzoeken.

OPVANG VAN ASIELZOEKERS - Conclusies van de Raad

De Raad van de Europese Unie:


1. HERINNERT aan het belang dat de lidstaten, trouw aan hun gemeenschappelijke humanitaire traditie, hechten aan de bescherming van vluchtelingen en aan het bepaalde in het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967;

2. BENADRUKT dat de bescherming van de rechten van vluchtelingen inhoudt dat asielzoekers waardig en in de geest van de door alle lidstaten erkende grondbeginselen worden opgevangen;
3. HERINNERT eraan dat in artikel 63 van het gewijzigde Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de Raad verzocht wordt, binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam "maatregelen inzake asiel (aan te nemen), in overeenstemming met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen en andere desbetreffende verdragen" (artikel 63, punt 1), onder andere op het gebied van "minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten" (artikel 63, punt 1, onder b));

4. HERINNERT eraan dat de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft bevestigd te willen komen tot de instelling van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel, dat met name op korte termijn gemeenschappelijke minimumvoorwaarden voor de opvang van asielzoekers dient te bevatten;

5. IS VAN OORDEEL dat minimumnormen moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de levensomstandigheden van asielzoekers in alle lidstaten vergelijkbaar zijn;

6. IS VAN OORDEEL dat harmonisering van de opvang van asielzoekers zou moeten bijdragen tot een beperking van de secundaire asielstromen die ontstaan onder invloed van de verschillen in opvang;


7. IS VAN OORDEEL dat de toepassing van het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel ertoe moet leiden dat aan de lidstaten enige speelruimte wordt gelaten bij de opvang van asielzoekers;

8. IS INGENOMEN MET het feit dat uit de eerste besprekingen van de lidstaten over dit onderwerp de grote lijnen naar voren zijn gekomen van een toekomstig communautair instrument dat bedoeld is om minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten vast te leggen;

9. NEEMT NOTA van het voornemen van de Commissie om spoedig een voorstel voor een communautair instrument op dit terrein in te dienen en verzoekt de Commissie daarbij rekening te houden met de in de bijlage opgenomen richtsnoeren.

BIJLAGE

Richtsnoeren voor een toekomstig communautair instrument

inzake de opvang van asielzoekers


1) Toepassingsgebied


Het toekomstige communautaire instrument moet betrekking hebben op asielzoekers die een beroep doen op het Verdrag van Genève.

Er is nog een discussie gaande over twee mogelijkheden:


- in het toekomstige instrument wordt de lidstaten de mogelijkheid geboden om het toe te passen op of aan te passen aan personen die om andere vormen van bescherming verzoeken;
- het toekomstige instrument is ook van toepassing op personen die om andere vormen van bescherming verzoeken.

Het instrument moet van toepassing zijn op het grondgebied aanwezige asielzoekers totdat over hun asielverzoek een besluit tot verlening van de vluchtelingenstatus is genomen of een afwijzend besluit waarvan de werking het hun niet langer mogelijk maakt om als asielzoeker op het grondgebied te blijven.

De opvang moet echter verschillen naar gelang van het stadium van de procedure, vooral wanneer de lidstaten specifieke procedures kennen voor personen die een asielverzoek indienen aan de grensovergangen.

Voorts dient te worden nagegaan of, en in welke gevallen en in welke mate, de toepassing van het communautaire instrument kan worden opgeschort.


2) Informatie


Het is belangrijk dat asielzoekers snel ingelicht worden over alle rechten en verstrekkingen waar zij aanspraak op kunnen maken, alsmede over de verplichtingen die zij moeten nakomen, en dat hun wordt meegedeeld op welke organisaties of verenigingen zij een beroep kunnen doen. Zo moeten asielzoekers, zodra zij hun verzoek hebben ingediend, informatie ontvangen over de wijze waarop zij zullen worden opgevangen. Deze informatie moet schriftelijk worden verstrekt en, voor zover mogelijk, in een taal die voor de asielzoeker begrijpelijk is.


3) Documenten

Aan asielzoekers die toestemming hebben om zich op het grondgebied van de lidstaat op te houden moet een document of enig ander bewijsstuk worden verstrekt.


4) Verblijfplaats en vrij verkeer


Asielzoekers moeten vrij zijn om te gaan en staan op het grondgebied van de lidstaat van opvang. Hun verblijfplaats kan echter worden bepaald door de bevoegde autoriteiten van genoemde lidstaat om redenen van nationaal belang of in verband met de openbare orde.

Er is nog een discussie gaande over twee vraagstukken:


- de verblijfplaats wordt bepaald op grond van de plaats waar de asielzoeker sociale bijstand ontvangt;

- de bewegingsvrijheid van de asielzoeker wordt beperkt tot een bepaalde bestuurlijke zone of tot delen van het grondgebied om een snelle behandeling van asielverzoeken mogelijk te maken.

Een zeer voorlopig verblijf in een wachtzone kan mogelijk zijn in het kader van de specifieke procedures voor personen die een asielverzoek indienen aan een grensovergang.

Asielzoekers mogen niet gedetineerd worden louter en alleen omdat zij asielzoeker zijn.


5) Financiële en materiële steun


Het doel is om minimumnormen vast te stellen die het mogelijk maken asielzoekers vergelijkbare levensomstandigheden te bieden in alle lidstaten alsmede bij te dragen tot een beperking van de secundaire asielstromen. De lidstaten moet evenwel een zekere speelruimte worden gelaten bij het vaststellen van de financiële steun en van de wijze waarop asielzoekers onderdak wordt geboden.

De lidstaat van opvang moet erop toezien dat asielzoekers en de hen vergezellende gezinsleden tijdens de gehele duur van de procedure in fatsoenlijke omstandigheden kunnen leven. Indien de asielzoeker over onvoldoende bestaansmiddelen beschikt, moet de staat van opvang ofwel onderdak bieden ten laste van de bevoegde autoriteiten van opvang, inclusief kost en inwoning en een vergoeding voor de meest elementaire uitgaven, ofwel een financiële uitkering verstrekken, eventueel verhoogd naargelang van de gezinssamenstelling. Tevens moet worden voorzien in toegang tot een vorm van rechtsbijstand.


6) Arbeid


Het toekomstige communautaire instrument moet een harmonisatie mogelijk maken van de voorwaarden waaronder asielzoekers toegang hebben tot arbeid.

Er is nog een discussie gaande over drie mogelijkheden:


- algeheel verbod op toegang tot arbeid voor asielzoekers, om te voorkomen dat er om louter economische redenen asielverzoeken worden ingediend;

- volledig vrije toegang tot arbeid;

- mogelijkheid van toegang tot arbeid onder een of meer voorwaarden.


7) Geneeskundige verzorging


De toegang van asielzoekers tot geneeskundige verzorging die voorziet in hun onmiddellijke behoeften moet gewaarborgd zijn en moet, indien de asielzoekers over onvoldoende middelen beschikken, ten laste komen van de lidstaat van opvang, volgens een door die lidstaat zelf te bepalen formule.


8) Eenheid van het gezin


Indien de lidstaat van opvang voor onderdak zorgt, moet er in de mate van het mogelijke op worden toegezien dat een gezin dat op het grondgebied verblijft, bijeenblijft.


9) Onderwijs van minderjarigen


Leerplichtige minderjarige kinderen van asielzoekers en leerplichtige minderjarige asielzoekers moeten, net zoals kinderen van de lidstaat van opvang, toegang krijgen tot openbare onderwijsinstellingen of passende mogelijkheden krijgen speciaal onderwijs te volgen, vooral wanneer zij geen normaal onderwijs kunnen volgen omdat zij de taal van de staat van opvang niet beheersen. Indien nodig kan in een korte aanvangsfase een andere onderwijsvorm worden geboden.


10) Kwetsbare personen


De lidstaat van opvang moet extra aandacht besteden aan kwetsbare personen, zoals minderjarigen, ouderen en gehandicapten. Hij moet aan hun specifieke noden, met name op het gebied van onderwijs en/of medische verzorging, tegemoet kunnen komen.

De lidstaat van opvang moet voorzien in een specifieke medische bijstand voor asielzoekers die het slachtoffer zijn geweest van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van geweld.


11) Coördinatie met niet-gouvernementele organisaties

De lidstaten kunnen op hun eigen grondgebied de samenwerking organiseren tussen de NGO's die betrokken zijn bij de opvang van asielzoekers en de overheidsinstanties die daarvoor bevoegd zijn.

LIJST VAN LANDEN WAARVAN DE ONDERDANEN IN HET BEZIT MOETEN ZIJN VAN

EEN VISUM

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over de inhoud van de verordening tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij de overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.

In het bijzonder heeft de Raad een eenparig akkoord bereikt over de opneming


- van Bulgarije in de witte lijst, dat wil zeggen dat de visumplicht wordt opgeheven na de inwerkingtreding van de verordening;
- van Roemenië in de witte lijst, maar met een asterisk met de vermelding (in artikel 8, lid 2, van de verordening) dat over de opheffing van de visumplicht later door de Raad op basis van een verslag van de Commissie zal worden beslist. De Commissie zal Roemenië daartoe verzoeken aan te geven welke verbintenissen inzake illegale immigratie en illegaal verblijf, inclusief de repatriëring van illegalen van oorsprong uit dat land, bereid is aan te gaan. De Commissie zal de Raad uiterlijk op 30 juni 2001 een eerste verslag voorleggen, vergezeld van eventuele aanbevelingen die zij dienstig acht.

De Raad heeft bij zijn akkoord verschillende verklaringen voor de Raadsnotulen, met name betreffende Bulgarije, Roemenië, Hong Kong en Macao gevoegd:


- "Voordat deze verordening wordt aangenomen, verzoekt de Raad de Commissie hem uiterlijk na twee maanden een verslag voor te leggen over de maatregelen die Bulgarije heeft genomen ter bestrijding van illegale immigratie en illegaal verblijf van personen van oorsprong uit dat land in de lidstaten en voor de repatriëring van deze personen, alsmede over de verbintenissen die Bulgarije op dat gebied jegens de Gemeenschap en de lidstaten is aangegaan en de naleving daarvan. Daartoe verzoekt de Raad de Commissie contact op te nemen met de Bulgaarse autoriteiten".


- ad artikel 8, lid 2

"Onverminderd de in artikel 8, lid 2, genoemde datum en in afwachting van de vaststelling van deze verordening verzoekt de Raad de Commissie zo spoedig mogelijk, doch in elk geval vóór 30 januari 2001, een eerste verslag voor te leggen, vergezeld van eventuele aanbevelingen die zij dienstig acht. Met het oog daarop verzoekt de Raad de Commissie onverwijld contact op te nemen met de autoriteiten van de betrokken landen".

- "De Raad verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk, doch in elk geval vóór de vaststelling van deze verordening door de Raad, aanbevelingen voor besluiten van de Raad voor te leggen waarbij de Commissie wordt gemachtigd met de in bijlage II van deze verordening genoemde Speciale Administratieve Regio's van de Volksrepubliek China onderhandelingen te openen inzake overnameovereenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en die regio's.".

Aangezien het oorspronkelijke Commissievoorstel ingrijpend is gewijzigd, is de Raad overeengekomen het Europees Parlement opnieuw te raadplegen.

TERRORISME

De Raad nam kennis van een document over de terroristische dreiging in Europa (het EU-Terrorisme Dreigingsdocument).

De Raad bevestigde daarbij opnieuw dat hij vastbesloten is het terrorisme te bestrijden door alle op Europees niveau onontbeerlijke maatregelen te nemen en nog meer de nadruk te leggen op operationele samenwerking tussen de lidstaten.

Tijdens het debat betoonden de ministers in het bijzonder hun solidariteit met Spanje ten aanzien van het ETA-terrorisme in dat land.

De ministers onderstreepten tevens hoe belangrijk het in dat opzicht is dat de termijnen van het scorebord van de Commissie voor de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in acht worden genomen. De Commissie kondigde in dat verband aan drie ontwerpen van wetgevingsinstrumenten bij de Raad te zullen indienen:


- een ontwerp tot harmonisatie van de strafbaarstelling en bestraffing van terrorisme


- een ontwerp tot versnelling en vereenvoudiging van de uitleveringsprocedures


- een ontwerp tot instelling van een Europees arrestatiebevel.
EUROPESE POLITIEACADEMIE

De Raad bereikte een politiek akkoord over de oprichting van een Europese Politieacademie (EPA). Het besluit dienaangaande zou nog deze maand formeel door de Raad moeten worden aangenomen.

De Europese Politieacademie is bedoeld om bij te dragen aan de opleiding van hoge leidinggevende politiefunctionarissen van de lidstaten. In eerste instantie wordt de academie opgezet als netwerk van de bestaande nationale opleidingsinstituten voor hoge leidinggevende politiefunctionarissen van de lidstaten, die daartoe nauw zullen samenwerken.

De academie zal zorgen voor de ondersteuning en ontwikkeling van een Europese aanpak van de belangrijkste problemen die zich in de lidstaten voordoen op het gebied van criminaliteitsbestrijding, misdaadpreventie en handhaving van de openbare orde en veiligheid, met name vanuit een grensoverschrijdend perspectief.

Om dat doel te bereiken, zal de EPA de volgende doelstellingen nastreven:

- het verdiepen van de kennis van de nationale politiestelsels en
-structuren van de andere lidstaten, van Europol en de grensoverschrijdende politiële samenwerking in de Europese Unie;
- het verruimen van de kennis van het internationale instrumentarium, met name het reeds binnen de Europese Unie bestaande instrumentarium op het gebied van de samenwerking bij de misdaadbestrijding;

- het zorg dragen voor een adequate opleiding betreffende de naleving van de democratische waarborgen, in het bijzonder de rechten van de verdediging;

- het verbeteren van de samenwerking tussen de Academie en de andere politieopleidingsinstituten.

De Academie zal haar faciliteiten tevens ter beschikking stellen van hoge leidinggevende politiefunctionarissen van de kandidaat-lidstaten waarmee de Europese Unie toetredingsonderhandelingen voert, evenals van IJsland en Noorwegen.

Wat de bepalingen in verband met de praktische organisatie van de EPA betreft, moet de Raad bij de formele aanneming van het besluit een verklaring in de Raadsnotulen opnemen waarin staat dat het beoogde dispositief niet vooruitloopt op een toekomstig besluit over vorm en plaats van de Europese politieacademie.

HARMONISERING VAN DE STATUS VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN DIE

LANGDURIG INGEZETENEN ZIJN - Conclusies van de Raad

De definitie van de status van langdurig ingezetenen van de lidstaten, zoals neergelegd in artikel 63 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, als gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, alsmede door de Europese Raad van Tampere, is een centraal element in de integratie van onderdanen van derde landen in de Europese Unie.

De Commissie zal hierover in 2001 een desbetreffend richtlijnvoorstel indienen.

Het voorzitterschap heeft op 5 en 6 oktober 2000 in Parijs een seminar gehouden met betrekking tot de integratie van vreemdelingen die zich duurzaam in de lidstaten gevestigd hebben. Tijdens dat seminar is gebleken dat ofschoon de nationale wetgevingen de specifieke kenmerken van de verschillende rechtstradities in Europa dragen, zij toch veel punten van overeenstemming vertonen, en meer bepaald steeds rekening houden met de duurzaamheid en de intensiteit van de banden in het land van ontvangst.

Aan het slot van het seminar heeft het Franse voorzitterschap een ontwerp van Raadsconclusies voorgelegd betreffende de voorwaarden voor de harmonisering van de status van onderdanen van derde landen die langdurig ingezetenen zijn. Uit de eerste technische besprekingen in de werkgroepen is de belangstelling van de lidstaten voor deze tekst naar voren gekomen; er kon echter geen overeenstemming bereikt worden, wat vooral te maken had met het tijdpad.

Het lijkt echter van belang dat de ministers worden verzocht zich uit te spreken over de politieke richtsnoeren die als uitgangspunt kunnen dienen voor de toekomstige status van langdurig ingezetenen, waarvoor de Commissie begin volgend jaar een voorstel bij de Raad zal indienen. Vier punten lijken hier van bijzonder belang:


- verkrijging van de status op basis van drie criteria (verblijfsduur
- integratie - privé- en gezinsleven);


- inhoud van de status (garantie voor het verblijf - economische en sociale rechten);


- recht op vrijheid van verblijf.

Het beginsel dat een langdurig ingezetene vrij moet kunnen verblijven in een andere lidstaat dan die welke hem de status verleend heeft, moet bevestigd worden;

- noodzaak van ondersteunend beleid (integratie - bestrijding van discriminatie) en van uitwisseling op Europees niveau.

VERSLAG VAN DE GROEP OP HOOG NIVEAU ASIEL- EN MIGRATIEVRAAGSTUKKEN AAN

DE EUROPESE RAAD

De Raad nam kennis van de informatie van het voorzitterschap over het verslag van de Groep op hoog niveau asiel- en migratievraagstukken aan de Europese Raad, dat op 4 december aan de Raad Algemene Zaken zal worden voorgelegd ter goedkeuring en toezending aan de Europese Raad van Nice.

Het verslag heeft met name betrekking op de evaluatie van de werkzaamheden in verband met asiel en migratie sedert Tampere en de vooruitzichten voor de toekomstige werkzaamheden. In dit verband heeft de groep een inventaris opgesteld van de maatregelen die in de loop van 2000 ter uitvoering van de actieplannen konden worden genomen.

De Groep op hoog niveau asiel- en migratievraagstukken, die in december 1998 door de Raad (Algemene Zaken) was ingesteld, had tot taak pijleroverschrijdende actieplannen uit te werken voor bepaalde landen van oorsprong of doorreis van asielzoekers en migranten. Vijf actieplannen voor Afghanistan en de regio, Irak, Marokko, Somalië en Sri-Lanka zijn door de Raad in oktober 1999 aangenomen en door de Europese Raad van Tampere goedgekeurd. De Raad heeft in juni 2000 een zesde actieplan voor Albanië en de regio (in hoofdzaak Kosovo) aangenomen, omdat de Groep op hoog niveau wegens de situatie in Kosovo in 1999 er niet in geslaagd was tijdig voor de Europese Raad van Tampere een definitief actieplan op te stellen.

ASIELBELEID

De Raad nam nota van de door Commissielid VITORINO gepresenteerde mededeling inzake asielbeleid, en beloofde de voorstellen van de Commissie met bekwame spoed te zullen bespreken. Voorts verzocht de Raad de Commissie om ook de andere in het Verdrag van Amsterdam bedoelde voorstellen op asielgebied in te dienen.

In punt 15 van de conclusies van de Europese Raad van Tampere is de Commissie om een mededeling verzocht over een toekomstige communautaire regelgeving die op termijn moet leiden tot een gemeenschappelijke asielprocedure en een uniforme status voor personen die asiel hebben gekregen welke in de hele Unie geldig is.

In die mededeling komen diverse aspecten ter sprake:


- de context en de doelstellingen van de gemeenschappelijke procedure en de uniforme status (inaanmerkingneming van de migratiestromen waarmee de lidstaten worden geconfronteerd en van de juridische context alvorens de gemeenschappelijke doelstellingen en het toepassingsgebied af te bakenen);

- de diverse mogelijkheden op het gebied van:
= de gemeenschappelijke procedure (een beperkte procedurele benadering versus een meer geïntegreerde benadering),
= de uniforme status;


- de noodzaak van gemeenschappelijke analyses als basis voor de procedure en de status;


- de methode voor de bespreking en de follow-up van de mededeling.
In verband met dit laatste aspect herinnert de Commissie aan de verplichtingen van het Verdrag en aan de noodzaak om de wetgeving vóór
1 mei 2004 aan te nemen en in nationaal recht om te zetten. Zij is van mening dat in een tweede fase nog andere maatregelen nodig zullen zijn om een gemeenschappelijke procedure en een uniforme status tot stand te brengen.

IMMIGRATIEBELEID

De Raad heeft nota genomen van de toelichting van de heer VITORINO, Commissielid, bij de mededeling van de Commissie over het immigratiebeleid.

In het licht van de opmerkingen van de ministers heeft het voorzitterschap de lidstaten verzocht schriftelijk voorstellen in te dienen over de aspecten van de mededeling die voor hen belangrijk zijn, om de toekomstige werkzaamheden van de Raad in dit verband beter voor te kunnen bereiden.

Zowel in artikel 63 van het EG-Verdrag als in de conclusies van Tampere wordt gewezen op de noodzaak van een gemeenschappelijk Europees immigratiebeleid. Deze behoefte wordt des te sterker gevoeld omdat de massale toevloed van immigranten die hun land om humanitaire of economische redenen of met het oog op gezinshereniging verlaten en legaal of illegaal de Unie binnenkomen, voor alle lidstaten een ernstig probleem is. De demografische prognoses in de landen van oorsprong laten zien dat de toestroom van immigranten in de toekomst waarschijnlijk nog zal aangroeien, waardoor nu reeds op het niveau van de Gemeenschap concrete maatregelen genomen moeten worden om dit verschijnsel doeltreffend te kunnen aanpakken.

In haar mededeling schetst de Commissie de krachtlijnen van een integrale aanpak van het immigratieprobleem en stelt zij de volgende prioriteiten:


- versterking van het partnerschap met de landen van oorsprong,
- ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel,
- vaststelling van de noodzakelijke voorwaarden voor een eerlijke behandeling van derdelanders,

- doeltreffende en gecoördineerde beheersing van migratiestromen. Tevens bevat de mededeling een kader voor een tweeledig immigratiebeleid:
a) toelating om humanitaire redenen,
b) toelating om economische redenen.

Wat met name de categorie economische migranten betreft, wordt in de mededeling een open coördinatieprocedure voorgesteld om de behoeften van de arbeidsmarkt te evalueren, gebaseerd op jaarlijkse verslagen van de lidstaten in overleg met de sociale partners en degenen die bij de integratie van migranten betrokken zijn.

Voorts wordt in de mededeling een gemeenschappelijk juridisch kader voor de toelating van immigranten uitgewerkt. Daartoe is de Commissie voornemens wetgevingsvoorstellen over de volgende onderwerpen in te dienen:


- voorwaarden voor toelating en verblijf van derdelanders voor werk in loondienst of als zelfstandige of een niet-bezoldigde werkzaamheid,

- de voorwaarden voor toelating en verblijf van derdelanders die onderwijs of een beroepsopleiding wensen te volgen,
- de normen en procedures voor langetermijnvisa en
-verblijfsvergunningen,

- de vaststelling van een reeks uniforme rechten voor derdelanders,

- de criteria en voorwaarden voor toelating voor derdelanders om zich in een lidstaat te vestigen en er te werken.

INWERKINGSTELLING VAN HET SCHENGENACQUIS IN DE NOORDSE LANDEN

De Raad was ingenomen met het formele akkoord betreffende de volledige inwerkingstelling van het Schengenacquis in de Noordse landen dat tot stand is gekomen na de bespreking van dit dossier in het Gemengd Comité EU/IJsland en Noorwegen.

Met dit besluit worden de grenscontroles tussen de Noordse landen (Denemarken, Finland, Zweden, Noorwegen en IJsland) en de landen van het Schengengebied (Duitsland, Oostenrijk, België, Spanje, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland en Portugal) per 25 maart 2001 afgeschaft.

Tijdens het debat dat aan dit besluit voorafging gaven de betrokken lidstaten te kennen dat zij de Groep Schengenevaluatie opdracht willen geven om voor 1 maart rapporten op te stellen over bezoeken ter plaatse, met name betreffende de ingebruikneming van het SIS, de controle op de zeegrenzen, de Schengenopleiding van het controlepersoneel en de naleving van de Schengencontroleprocedures in de luchthavens.

DIVERSEN


- VRAGENLIJST OVER DE INSTANTIES DIE MOETEN INGRIJPEN BIJ DE

VERDWIJNING VAN KINDEREN
De Raad nam nota van het voornemen van het toekomstige Belgische voorzitterschap om een initiatief voor te stellen voor de ontwikkeling van een netwerk tussen de instanties die in de verschillende lidstaten moeten ingrijpen bij de verdwijning van kinderen; de Raad heeft toegezegd de door de Belgische delegatie ingediende vragenlijst te zullen beantwoorden.
- OPRICHTING VAN EUROJUST - Materiële problemen Tijdens de lunch hebben de ministers van gedachten gewisseld over de materiële problemen die de oprichting van Eurojust met zich meebrengt. De functies en de profielen van de leden van de eenheid werden goedgekeurd, alsook de datum waarop de eenheid wordt samengesteld. Eurojust zou in het eerste kwartaal van 2001 van start gaan.

*

* *

GEMENGD COMITE

In de marge van de Raad was er een bijeenkomst van het Gemengd Comité op ministerieel niveau EU/IJsland en Noorwegen dat in het kader van de Schengensamenwerking is opgericht; de besprekingen werden geleid door mevrouw Hanne HARLEM, minister van Justitie van Noorwegen, met medewerking van mevrouw Solveig PETURSDOTTIR, minister van Justitie van IJsland, en hadden betrekking op de volgende punten:
·
Besluit van het Gemengd Comité inzake de toepassing van het Schengenacquis in Denemarken, Finland en Zweden, alsook in IJsland en Noorwegen
Naar aanleiding van dit besluit heeft de Raad van de Unie het overeenkomstige besluit aangenomen.

·
Richtlijn betreffende de harmonisatie van de geldboetes die aan vervoerders worden opgelegd voor het vervoeren naar de lidstaten van onderdanen van derde landen die niet over de vereiste documenten beschikken om daarin te worden toegelaten Het Gemengd Comité nam nota van de vooruitgang die in dit dossier is geboekt en besloot de besprekingen over de resterende problemen voort te zetten (zie ook bladzijde 13 voor de

bespreking in de Raad).


·
Richtlijn tot omschrijving van de hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf en kaderbesluit tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van de hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf
Het Gemengd Comité nam nota van de stand van de onderhandelingen en besloot de
besprekingen ter zake voort te zetten (zie ook bladzijde 12 voor de bespreking in de Raad).


·

Richtlijn betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen

Het Gemengd Comité bevestigde de consensus die de hoge ambtenaren over de ontwerp-richtlijn van het Franse voorzitterschap hadden bereikt; doel van de ontwerp-richtlijn is bij te dragen tot een betere uitvoering van de door de lidstaten genomen verwijderingsbesluiten door een stelsel van wederzijdse erkenning in te voeren waardoor de uitvoering van een door de autoriteiten van een andere lidstaat genomen verwijderingsbesluit mogelijk wordt zonder dat die autoriteiten verplicht zijn om een nieuw verwijderingsbesluit te nemen.


·
Evaluatieverslag over Griekenland

Het Gemengd Comité nam nota van het synthesedocument van de Groep Schengenevaluatie betreffende de toepassing van de Schengenbepalingen in Griekenland/evaluatie van de buitengrenzen. De Raad toonde zich tevreden met de inzet van Griekenland op het gebied van personeel, uitrusting en opleiding. De Raad constateerde voorts dat Griekenland het eens is met de conclusies van het verslag dat nog extra inspanningen nodig zijn, met name voor de bestrijding van het gevaar van illegale immigratie van Griekenland naar Italië.


·
Nieuwe taken voor SIS II

Het Gemengd Comité nam nota van de stand van de werkzaamheden na het debat tijdens de informele vergadering van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken in Marseille op 28 en 29 juli 2000; basisdocument hiervoor was een nota van de Franse en de Duitse delegatie over de ontwikkeling van de Europese politiële samenwerking met behulp van het Schengeninformatiesysteem.

BIJLAGE

Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke

en handelszaken

II - Verklaring betreffende de artikelen 15 en


1. De Raad en de Commissie beseffen dat de ontwikkeling van de elektronische handel in de informatiemaatschappij en de economische groei van de ondernemingen hand in hand gaan. Het Gemeenschapsrecht vormt een gunstig kader om die mogelijkheden die de elektronische handel biedt open te stellen voor burgers, economische actoren en consumenten.

Zij menen dat de ontwikkeling van nieuwe technieken voor verkoop op afstand via internet ten dele berust op het wederzijdse vertrouwen dat tussen ondernemingen en consumenten kan ontstaan. Een belangrijk aspect van die vertrouwensrelatie is dat consumenten uit hoofde van artikel 16 van de verordening een rechtsvordering kunnen instellen voor de gerechten van de lidstaat waar zij hun woonplaats hebben wanneer de door de consument gesloten overeenkomst valt onder artikel 15 van de verordening.

De Raad en de Commissie herinneren eraan dat het voor de toepassing van artikel 15, lid 1, punt c) niet volstaat dat een onderneming haar activiteiten richt op een lidstaat waar de consument zijn woonplaats heeft, of op meerdere lidstaten, met inbegrip van die lidstaat; daartoe dient in het kader van die activiteiten daadwerkelijk een overeenkomst gesloten te zijn. De bepaling strekt zich uit tot meerdere verkoopsmethoden, waaronder overeenkomsten op afstand via internet.

De Raad en de Commissie onderstrepen in dit verband dat het feit dat een internetsite toegankelijk is, op zich niet voldoende is om artikel 15 toe te passen; noodzakelijk is dat de consument op die site gevraagd wordt overeenkomsten op afstand te sluiten en dat er inderdaad een dergelijke overeenkomst gesloten is, ongeacht de middelen die daartoe zijn gebruikt. De taal en de munteenheid die op de internetsite worden gebruikt doen in dat opzicht niet ter zake.


2. De Raad en de Commissie zijn van oordeel dat consumenten en ondernemingen er in het algemeen belang bij hebben een minnelijke schikking na te streven alvorens hun vorderingen voor het gerecht te brengen.

De Raad en de Commissie wijzen erop dat de verordening, met name de artikelen 15 en 17, er niet toe strekt om partijen te verbieden gebruik te maken van alternatieve geschillenbeslechting.

De Raad en de Commissie willen nogmaals benadrukken dat de besprekingen op het niveau van de Europese Gemeenschap over de alternatieve beslechting van geschillen in burgerlijke en handels-zaken moeten worden voortgezet, overeenkomstig de conclusies van de Raad van 29 mei 2000.

Zij zijn zich bewust van het grote belang van deze besprekingen en onderstrepen dat de alternatieve beslechting van geschillen in burgerlijke en handelszaken een nuttige aanvulling vormt, in het bijzonder voor de elektronische handel.


3. Overeenkomstig artikel van de verordening moet de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag indienen over de toepassing van de verordening, dat eventueel vergezeld gaat van voorstellen tot aanpassing ervan.

De Raad en de Commissie zijn van oordeel dat bij de voorbereiding van dit verslag bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de toepassing van de verordening ten aanzien van consumenten en het midden- en kleinbedrijf, in het bijzonder in het kader van de elektronische handel. Zo nodig zal de Commissie vóór de in artikel genoemde vervaldatum voorstellen doen om de verordening aan te passen.


ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Ondersteuning door Europol van gemeenschappelijke onderzoeksteams

De Raad heeft de aanbeveling inzake de ondersteuning door Europol van door de lidstaten ingestelde gemeenschappelijke onderzoeksteams goedgekeurd.

Europol - uitbreiding van het mandaat tot het witwassen van geld

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een akte houdende opstelling, op grond van artikel 43, lid 1, van de overeenkomst tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst), van een protocol tot wijziging van artikel 2 en de bijlage bij die overeenkomst.

Bij deze akte wordt het mandaat van Europol uitgebreid tot het witwassen van geld, ongeacht de aard van het basisdelict.

Werkprogramma van Europol voor 2001

De Raad heeft het werkprogramma van Europol voor 2001 aangenomen.

Tweede evaluatiejaar van de wederzijdse evaluaties van de rechtsbijstand - verslag aan de Raad

De Raad heeft nota genomen van het verslag betreffende het tweede jaar van de evaluatie van de uitvoering en de toepassing op nationaal niveau van de internationale verbintenissen inzake de bestrijding van de criminaliteit.

Voorts heeft de Raad nota genomen van de voorlopige conclusies onder punt 4 van het verslag en heeft de conclusies en de aanbevelingen in de bijlage bevestigd met het oog op maatregelen van de Raad overeenkomstig artikel 8, lid 3, van het gemeenschappelijk optreden na de evaluatie van alle lidstaten.

Georganiseerde criminaliteit - verslag 1999

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan het situatieverslag over georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie voor 1999.

Lijst van autoriteiten met directe toegang tot het SIS

De Raad heeft de lijst van autoriteiten met directe toegang tot het SIS aangenomen.

Studie over de controle van containers in de havens van de Europese Unie

De Raad nam nota van een studie over de controle van containers in de havens van de Europese Unie.

Het betreft hier het verslag van een vergelijkende studie van de door deskundigen gedane waarnemingen, waarmee als zodanig gevolg wordt gegeven aan het meerjarig actieplan dat de Groep douanesamenwerking in 1998 over dit onderwerp heeft opgesteld.

Wederzijdse rechtshulp in strafzaken

De Raad nam nota van het toelichtend rapport bij de Overeenkomst van 29 mei 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie.

Deze overeenkomst is een aanvulling op de bestaande regelingen van het Verdrag van de Raad van Europa van 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, het Benelux-Verdrag en de bepalingen van het Schengenacquis die bij het Verdrag van Amsterdam in de Europese Unie zijn geïntegreerd. De bepalingen van de overeenkomst tot aanvulling van het Schengenacquis zijn ook van toepassing op Noorwegen en IJsland, uit hoofde van de overeenkomsten met deze twee landen.

De overeenkomst bestrijkt een groot aantal gebieden: zij bepaalt voor welke procedures rechtshulp wordt verleend en bevat regels inzake procedures, toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken en inzake rechtstreekse contacten tussen de autoriteiten die bij de wederzijdse rechtshulp betrokken zijn. Daarnaast bevat de overeenkomst bepalingen betreffende een aantal specifieke vormen van wederzijdse hulp, zoals teruggave, tijdelijke overbrenging van personen, verhoor per video- en teleconferentie en grensoverschrijdende onderzoeksmethoden, dat wil zeggen gecontroleerde aflevering, gemeenschappelijke onderzoeksteams en infiltratie. Bovendien bevat de overeenkomst ook belangrijke bepalingen inzake het aftappen van telecommunicatie.

Schengenakkoord - derubricering van sommige delen van het Gemeenschappelijk Handboek

De Raad heeft een besluit aangenomen houdende derubricering van sommige delen van het Gemeenschappelijk Handboek als aangenomen door het bij de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 14 juli 1985 ingestelde Uitvoerend Comité.

Wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en in handelszaken - programma van maatregelen

De Raad keurde een ontwerp goed van een programma van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en in handelszaken.

De belangrijkste elementen van dit programma hebben vooral betrekking op:


- wat betreft de gebieden die nog niet worden bestreken door de bestaande instrumenten:

= internationale bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ontbinding van huwelijksvermogensstelsels, vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding van de niet-gehuwde paren en erfrecht;
= internationale bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en van de andere, niet-vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding van paren;


- wat betreft de gebieden die reeds worden bestreken door de bestaande instrumenten:

= omgangsregeling

= onderhoudsvorderingen

= niet-betwiste vorderingen

= kleine vorderingen.

In het programma wordt ook voorgesteld hogere niveaus van wederzijdse erkenning te bereiken, zowel op de gebieden die nog niet onder de bestaande instrumenten vallen als op de gebieden waarvoor dat wel reeds het geval is. Het programma voorziet in een aantal fases om dit te voltooien.

Wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen - Programma van maatregelen

De Raad keurde een programma goed om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen.

Het programma van maatregelen van de Raad is opgebouwd rond de volgende parameters:


- de algemene werkingssfeer van de voorgenomen maatregel of de beperking ervan tot bepaalde strafbare feiten. Een aantal maatregelen voor de toepassing van wederzijdse erkenning kan worden beperkt tot ernstige strafbare feiten;
- de handhaving of schrapping van het vereiste van dubbele strafbaarheid als voorwaarde voor de erkenning;
- regelingen voor de bescherming van de rechten van derden, slachtoffers en verdachten;

- de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken, zoals op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid;


- de rechtstreekse of onrechtstreekse tenuitvoerlegging van de beslissing en de omschrijving en omvang van de eventuele bekrachtigingsprocedure;

- de vaststelling en de omvang van gronden tot weigering van de erkenning die gebaseerd zijn op de soevereiniteit of andere wezenlijke belangen van de aangezochte staat of verband houden met het legaliteitsbeginsel;

- de regeling van de aansprakelijkheid van staten in geval van buitenvervolgingstelling of vrijspraak.

Gelet op de aard van de beslissing in kwestie kan het in aanmerking nemen van bepaalde parameters variëren, naar gelang van de toepassing die men aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen wil geven, tenzij het nodig blijkt een autonome maatregel te nemen die het mogelijk maakt deze parameter op alle maatregelen toe te passen.

Het programma van maatregelen heeft betrekking op de volgende punten:


- inaanmerkingneming van eerdere, door een rechter van een andere lidstaat gegeven onher-roepelijke strafrechtelijke beslissingen;


- tenuitvoerlegging van procedurele beslissingen;

- veroordelende beslissingen;


- beslissingen in het kader van de follow-up van het strafvonnis;

- wederzijdse evaluatie

en stelt voor de diverse beoogde maatregelen tevens een bepaalde prioriteitenstelling voor.


*


* *

Begroting voor SISNET voor het jaar 2001

De vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, keurden de begroting voor SISNET voor het jaar 2001 goed.

De bijdragen van de betrokken lidstaten en van IJsland en Noorwegen worden berekend overeenkomstig de verdeelsleutel van artikel 26 van het financieel reglement met betrekking tot de installatie en de werking van SISNET.

Het algemene totaal van de voorziene uitgaven bedraagt 1.840.500 euro.

Begroting voor Sirene fase II en Helpdesk voor het jaar 2001

De vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, keurden de begroting voor de Helpdesk Server en het Sirene-netwerk fase II voor het jaar 2001 goed.

De bijdragen van de betrokken lidstaten en van IJsland en Noorwegen worden berekend overeenkomstig de verdeelsleutel van artikel 22 van het financieel reglement met betrekking tot de installatie en de werking van de Helpdesk Server en van het Sirene-netwerk fase II.

Het totaal van de voorziene uitgaven bedraagt 1.241.000 euro.


Footnotes:

( 1) Zie ook de aanneming van twee programma's van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en in handelszaken en in strafzaken.

(zonder debat goedgekeurde punten, blz. III)


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie