Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad Algemene Zaken 4 december 2000

Datum nieuwsfeit: 04-12-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
European Union

2316. Raad - ALGEMENE ZAKEN Press Release: Brussels (04-12-2000) - Press: 465 - Nr: 13999/00


13999/00 (Presse 465)

(OR. fr)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2316e zitting van de Raad


- ALGEMENE ZAKEN -

Brussel, 4 december 2000

Voorzitter:

de heer Hubert VEDRINE

Minister Buitenlandse Zaken van de Franse Republiek

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

VOORBEREIDING VAN DE EUROPESE RAAD VAN NICE *


-
ORGANISATIE VAN DE WERKZAAMHEDEN *

-
EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID *

STATUUT VAN DE LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT


*

OVERZICHT VAN HET UITBREIDINGSPROCES - CONCLUSIES


*

PRETOETREDINGSSTRATEGIE VOOR TURKIJE

*

INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE

*

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

EXTERNE BETREKKINGEN


-
Toetredingsconferenties *

-
Associatie met Tsjechië *

-
Betrekkingen met Estland *

-
Betrekkingen met Letland *

-
Betrekkingen met Rusland *

-
Betrekkingen met Oekraïne *

-
Betrekkingen met Moldavië *

-
Top EU-Canada *

-
Top EU-Verenigde Staten *

-
Betrekkingen met Cuba - Conclusies van de Raad *
-
Jaarverslag over de gedragscode betreffende wapenuitvoer *
-
Turkije - speciaal actieprogramma van de EIB *
-
Asiel en migratie - verslag aan de Europese Raad van Nice *

HANDELSPOLITIEK


-
Toetreding van Litouwen tot de Wereldhandelsorganisatie *
-
Antidumping - televisiecamera's (Japan) *

-
Textiel - Armenië, Azerbeidzjan, de Republiek Belarus, de Volksrepubliek China, de Arabische Republiek Egypte, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Georgië, Kazachstan, Moldavië, het Koninkrijk Nepal, Tadzjikistan, Turkmenistan, Oekraïne en Oezbekistan *

-
Voorzorgsbeginsel *

VERKLARING OVER SPORT

*

DOPINGBESTRIJDING - Conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten

*

INSTITUTIONELE VRAAGSTUKKEN

*


-
Verslag over de medebeslissingsprocedure *

BENOEMING

*


-
Comité van de Regio's *

BIJLAGE

*



Voor meer informatie: tel. 285.87.04 - 285.64.23 - 285.74.59

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België
:

de heer Louis MICHEL

vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken

mevrouw Annemie NEYTS-UITTERBROECK

staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken

Denemarken
:

de heer Niels HELVEG-PETERSEN

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Friis Arne PETERSEN

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Duitsland:

de heer Joschka FISCHER

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Gunter PLEUGER

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Griekenland
:

de heer George PAPANDREOU

minister van Buitenlandse Zaken

mevrouw Elissavet PAPAZOÏ

onderminister van Buitenlandse Zaken

Spanje
:

de heer Josep PIQUÉ I CAMPS

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Ramón de MIGUEL

staatssecretaris van Europese Zaken

Frankrijk
:

de heer Hubert VEDRINE

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Pierre MOSCOVICI

onderminister van Europese Zaken

Ierland
:

de heer Brian COWEN

minister van Buitenlandse Zaken

Italië
:

de heer Lamberto DINI

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Umberto RANIERI

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Luxemburg
:

mevrouw Lydie POLFER

minister van Buitenlandse Zaken

Nederland
:

de heer Jozias VAN AARTSEN

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Dick BENSCHOP

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Oostenrijk
:

mevrouw Benita FERRERO-WALDNER

minister van Buitenlandse Zaken

Portugal
:

de heer Jaime GAMA

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Francisco SEIXAS da COSTA

staatssecretaris van Europese Zaken

Finland
:

de heer Erkki TUOMIOJA

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Kimmo SASI

minister van Buitenlandse Handel en Europese Aangelegenheden

Zweden
:

mevrouw Anna LINDH

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Hans DAHLGREN

staatssecretaris, bij het ministerie van Buitenlandse Zaken

Verenigd Koninkrijk
:

de heer Robin COOK

minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

de heer Keith VAZ

onderminister (Minister of State) van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken, belast met Europese Aangelegenheden


* * *

Commissie
:

de heer Romano PRODI

voorzitter

de heer Christopher PATTEN

lid

de heer Günter VERHEUGEN

lid


* * *

Secretariaat-generaal van de Raad
:

de heer Javier SOLANA

secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB

VOORBEREIDING VAN DE EUROPESE RAAD VAN NICE


- ORGANISATIE VAN DE WERKZAAMHEDEN

Bij het begin van de zitting heeft de voorzitter de Raad in kennis gesteld van de thema's die in Nice kunnen worden besproken, de geplande organisatie en het verwachte verloop van de werkzaamheden. De voorzitter van de Europese Raad zal zijn collega's het definitieve werkprogramma zoals gebruikelijk binnenkort per brief doen toekomen.

De bijeenkomst van de Europese Raad in Nice zal op donderdagochtend 7 december worden voorafgegaan door een Europese Conferentie op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders met alle kandidaat-lidstaten (inclusief Turkije en Zwitserland). Daarna volgt een lunch.

Donderdag in de vroege namiddag volgt de ondertekening van de proclamatie van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie door de voorzitters van het Europees Parlement, de Europese Raad en van de Commissie.

Na de gebruikelijke ontmoeting met de voorzitter van het Europees Parlement zal de eerste zitting van de Europese Raad donderdagmiddag gewijd zijn aan de uitbreiding, en aan economische en sociale vraagstukken (voortgang bij de uitvoering van de conclusies van Lissabon, werkgelegenheid, sociale agenda en bestrijding van sociale uitsluiting, economische en financiële coördinatie, inclusief het belastingpakket, mobiliteit van onderzoekers en studenten).

Tijdens het diner donderdagavond zullen de staatshoofden en regeringsleiders voor het eerst de problemen van de IGC betreffende de institutionele hervorming aansnijden, terwijl de ministers van Buitenlandse Zaken zich zullen bezighouden met GBVB-thema's (met name het Midden-Oosten).

De tweede bijeenkomst van de Europese Raad op vrijdagochtend 8 december zal de gelegenheid bieden om een aantal thema's in verband met het Europa van de burgers te bespreken, met name de veiligheid op zee en de voedselveiligheid, diensten van algemeen belang alsmede sport en milieu.

De lunch van vrijdag zal worden besteed aan vraagstukken in verband met het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en de internationale actualiteit.

Daarna zal de Raad zich buigen over de conclusies van het voorzitterschap betreffende alle besproken thema's.

De werkzaamheden van de IGC zullen de rest van de vrijdag en zaterdag en, indien nodig, een deel van de zondag in beslag nemen.

Er wordt aan herinnerd dat de werkzaamheden van de IGC toegespitst zullen zijn op 4 hoofdthema's: de uitbreiding van het stemmen met gekwalificeerde meerderheid, de samenstelling en de organisatie van de Commissie, de herweging van de stemmen in de Raad en de uitbreiding en versoepeling van de bepalingen betreffende versterkte samenwerking.


- EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan het verslag van het voorzitterschap voor de Europese Raad van Nice over het Europees veiligheids- en defensiebeleid en de volgende bijlagen daarbij:


- Verklaring betreffende de toezegging van militaire vermogens

- Versterking van de vermogens van de Europese Unie op het gebied van de civiele aspecten van crisisbeheersing

- Comité politieke en veiligheidsvraagstukken
- Militair Comité van de Europese Unie

- Organisatie van de Militaire staf van de Europese Unie
- Regelingen betreffende de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn en andere kandidaat-lidstaten van de EU
- Definitieve regelingen voor het overleg en de samenwerking tussen de EU en de NAVO.

De Raad heeft met belangstelling nota genomen van de bijdrage van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger die een referentiekader biedt van de procedures voor een algemene en samenhangende crisisbeheersing. Hij heeft zijn tevredenheid geuit over de concrete aanbevelingen van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie over hoe de coherentie en de doeltreffendheid van het optreden van de Europese Unie op het gebied van conflictpreventie kunnen worden verbeterd en heeft voorts gewezen op de noodzaak om de desbetreffende werkzaamheden voort te zetten.

De Raad is overeengekomen dit verslag en de bijlagen ervan aan de Europese Raad van Nice voor te leggen als een geheel dat, zoals in Feira is overeengekomen, ook het vraagstuk van de herziening van het Verdrag omvat. Het voorzitterschap zal in Nice een formule voorstellen om deze kwestie te behandelen.

STATUUT VAN DE LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Het voorzitterschap heeft de Raad meegedeeld dat minister MOSCOVICI op 29 november een brief heeft gericht aan de voorzitter van het Europees Parlement, mevrouw FONTAINE, waarin de teneur is weergegeven van de besprekingen in de Raad van 20 november over de voornaamste vraagstukken die in het statuut van de leden van het Europees Parlement moeten worden geregeld. De voorzitter van het Parlement heeft deze brief aan de fracties in het EP doen toekomen. Tot nog toe heeft het voorzitterschap geen antwoord ontvangen van de voorzitter van het Europees Parlement.

OVERZICHT VAN HET UITBREIDINGSPROCES - CONCLUSIES

De Raad is ingenomen met de voortgangsverslagen per land, de situatieoverzichten en de strategienota van de Commissie over het uitbreidingsproces; deze bieden de Unie een overzicht van de toetredingsonderhandelingen en van de vooruitzichten voor de komende periode.

De Raad is verheugd over de kwaliteit van de door de Commissie verstrekte informatie, die een belangrijke bijdrage vormt voor het vervolg van de besprekingen. Deze documenten geven een duidelijk, nauwkeurig beeld van de vooruitgang die de kandidaat-lidstaten elk in hun voorbereiding op de toetreding hebben geboekt, en van de moeilijkheden die de verschillende landen nog moeten oplossen.

De Raad uit ook zijn tevredenheid over de ingrijpende hervormingen die elk van deze landen in verschillende mate hebben ingeleid, en moedigt hen aan te volharden in die noodzakelijke inspanning, zowel op het gebied van de omzetting van het acquis in nationaal recht als op het gebied van de feitelijke uitvoering ervan. De Raad zal in een eenvormig en samenhangend kader blijven toezien op de vorderingen die de kandidaten met betrekking tot het naleven van de toetredingscriteria zullen boeken. In dit verband wijst hij op de verklaring van de Raad van 27 november 2000 (zie bijlage 2) over de macro-economische en financiële stabiliteit in de kandidaat-lidstaten waarmee onderhandelingen zijn aangevat.

In het verlengde van de impuls die de Europese Raad in Helsinki en in Feira heeft gegeven, is de Raad van oordeel dat de strategienota van de Commissie een ambitieus en realistisch kader biedt voor de voortzetting van de toetredingsonderhandelingen en een nieuwe impuls aan het uitbreidingsproces kan geven. Hij is van mening dat alle nodige elementen voor de voortzetting en de afronding van de toetredingsonderhandelingen thans verenigd zijn; hij wijst erop dat het politieke vooruitzicht van de uitbreiding in alle huidige en toekomstige werkzaamheden van de Europese Unie aanwezig is en hij bevestigt zijn politiek engagement en zijn totale vastberadenheid in dezen.

De Raad onderstreept hierbij nogmaals de historische betekenis van het uitbreidingsproces en bevestigt opnieuw dat hij het welslagen daarvan als een politieke prioriteit beschouwt.

De Raad is van mening dat de Unie voorts, in het kader van de geregelde verslagen en situatieoverzichten, over de nodige instrumenten beschikt om toe te zien op de voorbereiding van de verschillende kandidaat-lidstaten en op de naleving van de tijdens de toetredingsonderhandelingen aangegane verbintenissen. Die instrumenten, waarop zowel de Unie als de kandidaat-lidstaten zich zullen moeten baseren, zullen bijdragen tot de efficiëntie van de toetredingsonderhandelingen, en dus tot de afronding daarvan binnen een zo kort mogelijke termijn.

De Raad is van oordeel dat de intensivering van die onderhandelingen, waarbij met name de laatste maanden geleidelijk aan dieper is ingegaan op de problemen, tot een aanzienlijke vooruitgang heeft geleid (zie bijlage 1), welke een stevige basis biedt voor inhoudelijke onderhandelingen over tal van kernvraagstukken. Op vele gebieden zijn bijkomende onderhandelingen in dit stadium niet meer nodig. Voorts heeft de bespreking per geval van de verzoeken om overgangsregelingen haar eerste resultaten opgeleverd, met aanvaarding van sommige van deze verzoeken.

De Raad is verheugd over het scenario dat de Commissie voor de komende 18 maanden in overweging geeft; de ambitieuze opzet daarvan kan hij onderschrijven en hij zal er zich bij het voeren van de onderhandelingen naar richten. Hij is van oordeel dat dit scenario een belangrijk referentiekader vormt, dat concreet vorm geeft aan de verbintenis van de Unie om, voor wat haar betreft, de door deze onderhandelingen aan de orde gestelde problemen te behandelen, inclusief de verzoeken om overgangsregelingen, en om haar onderhandelingsstandpunten over de hoofdstukken van het acquis binnen een gegeven tijdschema vast te stellen, opdat de verschillende hoofdstukken voorlopig kunnen worden afgesloten zodra aan de voorwaarden is voldaan.

Het scenario vormt een indicatief en soepel kader dat bij de uitvoering kan worden aangepast aan de vooruitgang die met elke kandidaat-lidstaat wordt geboekt, en dat de best voorbereide kandidaten in staat zal stellen tot snellere vorderingen bij de onderhandelingen. Het beginsel dat gedifferentieerd wordt naar de eigen merites van elke kandidaat-lidstaat staat centraal en biedt tevens inhaalmogelijkheden.

Met de afsluiting van de Intergouvernementele Conferentie over de hervorming van haar instellingen zal de Unie via deze aanpak in staat zijn overeenkomstig het door de Europese Raad te Helsinki gestelde doel vanaf 1 januari 2002 de kandidaat-lidstaten op te nemen die gereed zijn.

De Raad herinnert eraan dat de intensivering van de onderhandelingen op gemeenschappelijke inspanningen van de Unie en de kandidaat-lidstaten berust. Voor de kandidaat-lidstaten waarvoor nog niet alle onderhandelingshoofdstukken zijn geopend, zal alles in het werk worden gesteld om zo vroeg mogelijk in 2001 de nodige voorwaarden voor de opening van de resterende hoofdstukken te vervullen.

Wat de door de kandidaat-lidstaten gevraagde overgangsperioden betreft, die in sommige gevallen noodzakelijk zouden kunnen zijn, herinnert de Raad eraan dat de behandeling van de verzoeken van de kandidaat-lidstaten per geval moet worden voortgezet op basis van de door de Unie vastgestelde algemene criteria. De Unie zal zelf, in haar eigen belang, bepaalde overgangsregelingen noodzakelijk kunnen achten.

De Raad neemt met belangstelling nota van het voorstel van de Commissie om de verzoeken om overgangsperioden in drie categorieën in te delen aanvaardbaar, onderhandelbaar, onaanvaardbaar - en wijst erop dat de behandeling van die verzoeken gepaard zal moeten gaan met een duidelijke verbintenis van de kandidaat-lidstaten het acquis werkelijk om te zetten en uit te voeren. De behandeling van die verzoeken en van andere nog open gebleven kwesties dient te geschieden volgens het in het scenario voorgestelde tijdschema, met inachtneming van het differentiatiebeginsel.

De Raad is van mening dat het in bepaalde uitzonderlijke gevallen nuttig zou kunnen zijn de bespreking van duidelijk gestelde kwesties in beraad te houden, teneinde de hoofdstukken waaronder die kwesties vallen voorlopig te sluiten. In elk geval zal deze methode slechts worden gebruikt wanneer in het kader van de onderhandelingen over de betrokken hoofdstukken geen verdere inspanning meer mogelijk is.

De Raad herinnert aan het belang van niet alleen de omzetting van het acquis in nationaal recht, maar vooral ook de feitelijke toepassing daarvan. De nakoming van de verbintenissen die de kandidaatlanden zijn aangegaan in het kader van de onderhandelingen hangt immers in zeer grote mate af van het vermogen van hun bestuursorganen het acquis concreet toe te passen.

In dit verband moedigt de Raad de kandidaat-lidstaten aan de nodige hervormingen voort te zetten en te bespoedigen, zodat zij volledig kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit de toetreding voortvloeien. De vooruitgang terzake van ieder land zal bepalend zijn voor de voortgang en de afronding van de onderhandelingen.

De Unie verklaart zich bereid aanzienlijke steun te blijven verlenen aan deze hervormingen alsmede de middelen daartoe te verlenen in het kader van de pre-toetredingsstrategie.

De Unie moet op systematische en gecoördineerde wijze gebruikmaken van alle haar ten dienste staande instrumenten om de naleving van de verbintenissen die de kandidaat-lidstaten in het kader van de onderhandelingen zijn aangegaan, te verifiëren en te begeleiden. De Raad verzoekt in het bijzonder de Commissie de overzichtssituaties voor ieder land regelmatig te actualiseren.

De Raad herinnert eraan dat de partnerschappen voor de toetreding een essentieel instrument van de pre-toetredingsstrategie zijn, waarbij voor iedere kandidaat-lidstaat prioriteiten voor de korte en de middellange termijn worden vastgesteld. Hij hoopt ten zeerste dat de prioriteiten voor de korte termijn die door de in 1999 aangenomen partnerschappen zijn vastgesteld en die tot op heden nog niet in acht zijn genomen door de kandidaat-lidstaten, spoedig zullen worden uitgevoerd.

Met betrekking tot Turkije bevestigt de Raad zijn wil zo spoedig mogelijk het kader van de pre-toetredingsstrategie vast te stellen, overeenkomstig de conclusies van Helsinki.

De Raad is ingenomen met de bijeenkomst, op 23 november jongstleden, van de Europese Conferentie op ministerieel niveau, als voorbereiding op de bijeenkomst van de Europese Conferentie op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders die op 7 december aanstaande zal plaatsvinden.

De ministeriële bijeenkomst heeft het mogelijk gemaakt de kandidaat-lidstaten overeenkomstig hun wens te informeren over de stand van de besprekingen in de Intergouvernementele Conferentie betreffende de hervorming van de instellingen, en met hen een debat aan te gaan over de werking van de uitgebreide Unie op langere termijn.

Bijlage 1

Alle onderhandelingshoofdstukken (met uitzondering van de hoofdstukken betreffende de instellingen en diverse vraagstukken), nl. 29 in totaal, zijn opengesteld voor onderhandelingen met Cyprus, Estland, Hongarije, Polen, de Tsjechische Republiek en Slovenië. Overeenkomstig het differentiatiebeginsel zijn er onderhandelingen geopend over 17 hoofdstukken met Malta, 16 met Letland, Litouwen en Slowakije, 11 met Bulgarije en 9 hoofdstukken met Roemenië. De toepassing van het differentiatiebeginsel in de onderhandelingen bevestigt aldus de "inhaalmogelijkheid" die overeenkomstig de Europese Raden van Helsinki en Feira bestaat.

Afhankelijk van het land zijn tussen 6
en17 onderhandelingshoofdstukken voorlopig afgerond: 8 voor Bulgarije, 17 voor Cyprus, 16 voor Estland, 14 voor Hongarije, 9 voor Letland, 7 voor Litouwen, 12 voor Malta, 13 voor Polen, 13 voor de Tsjechische Republiek, 6 voor Roemenië, 10 voor Slowakije en14 voor Slovenië.

Met bepaalde kandidaat-lidstaten zijn de onderhandelingen over complexe gebieden van het acquis, zoals vrij verkeer van goederen, vrij verrichten van diensten, vrij verkeer van kapitaal, vennootschapsrecht, reeds afgesloten.

De Commissie heeft op niet-landbouwgebied tot op heden meer dan 170 verzoeken van de kandidaat-lidstaten om overgangsmaatregelen geteld, en meer dan 340 met betrekking tot landbouw alleen. Daar de volledige overname van het communautaire acquis de basis is van de onderhandelingen, vormen de verzoeken om overgangsperioden, samen met de feitelijke uitvoering van het acquis, enkele van de belangrijkste punten van de onderhandelingen.

Bijlage 2

De Raad Ecofin levert graag een bijdrage aan de voorbereiding van een volledig succesvolle economische integratie van de kandidaat-lidstaten waarmee thans onderhandelingen gevoerd worden en aan hun toetreding tot de Europese Unie. In dit verband heeft de Raad Ecofin de economische situatie in de kandidaat-lidstaten besproken om hen te kunnen bijstaan bij de vaststelling van hun strategie voor de economische integratie in de Europese Unie. In het kader van deze discussie heeft de Raad Ecofin kennis genomen van de nota van de Commissie over de door de kandidaat-lidstaten geboekte vooruitgang bij het voldoen aan de economische criteria van Kopenhagen en de noodzaak van evaluaties van de macrofinanciële stabiliteit. In de nota van de Commissie worden de resultaten gepresenteerd van het economische hoofdstuk van de periodieke verslagen en van het strategisch document over de vooruitgang die geboekt is bij het voldoen aan de economische criteria van Kopenhagen ten aanzien van de macro-economische situatie en de structurele hervormingen, terwijl het document daarnaast voorstellen bevat voor een economische dialoog met de kandidaat-lidstaten op het gebied van de macro-economische en financiële stabiliteit.

De Raad is van mening dat de kandidaat-lidstaten in het algemeen vooruitgang geboekt hebben in hun streven te voldoen aan de beide onderdelen van het economisch criterium van Kopenhagen, namelijk in de eerste plaats het bestaan van een "functionerende markteconomie" en in de tweede plaats het vermogen "het hoofd te bieden aan de concurrentiedruk en marktkrachten binnen de Unie".

Volgens de nota van de Commissie bestaan er nog steeds belangrijke verschillen tussen de kandidaat-lidstaten. In de nota staat voorts dat deze landen beschouwd kunnen worden als functionerende markteconomieën of belangrijke vorderingen hebben geboekt in die richting. In de komende jaren zouden de kandidaat-lidstaten in staat moeten zijn het hoofd te bieden aan de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie, mits zij de juiste weg naar structurele hervormingen blijven bewandelen. In de meeste landen is de macro-economische stabiliteit voldoende groot om het bedrijfsleven in staat te stellen besluiten te nemen in een klimaat van stabiliteit en toegenomen zekerheid. Landen met functionerende marktmechanismen zullen beter in staat zijn om de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie het hoofd te bieden en zich daaraan aan te passen.

De kandidaat-lidstaten moeten voortgaan met de omvorming van hun economieën en met het wegwerken van hun economische achterstand, in combinatie met verdere inspanningen om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen en ter voorbereiding op het lidmaatschap van de EU. De Raad Ecofin steunt het streven van de kandidaat-lidstaten de achterstand sneller weg te werken.

In het proces van economische integratie in de EU zullen de kandidaat-lidstaten voort moeten gaan met economische hervormingen. De vooruitzichten voor een werkelijke en daardoor duurzame formele convergentie zullen onder andere afhangen van de inzet van deze landen bij het streven naar eerst macro-economische en vervolgens financiële stabiliteit op basis van de tot op heden geboekte vooruitgang.

Wat het eerste punt betreft: het waarborgen van macro-economische stabiliteit vergt een voldoende mate van prijsstabiliteit, terwijl tevens een snelle productiegroei mogelijk moet zijn, en daarnaast gewaarborgd dient te zijn dat de tekorten op de betalingsbalans hoofdzakelijk gefinancierd worden met langetermijnkapitaal waarmee de aanzienlijke investeringsbehoeften kunnen worden gedekt. Essentieel is voorts het waarborgen van de duurzaamheid van de overheidsfinanciën op de middellange termijn, terwijl tevens verbetering van infrastructuur nodig is om het economische concurrentievermogen te ondersteunen, en fluctuerende wisselkoersen voorkomen moeten worden met het oog op de grote instroom van kapitaal.

Wat betreft het tweede punt is het voor de stabiliteit van de nog onderontwikkelde financiële stelsels in de kandidaat-lidstaten nodig dat het bankstelsel volledig voorbereid is op de toegenomen concurrentie, terwijl ook het kader voor regelgeving en toezicht moet worden versterkt en de tenuitvoerlegging ervan dient te worden gewaarborgd, technisch degelijke betalingsstelsels moeten worden ingevoerd en het algemeen juridisch en zakenklimaat moet worden verbeterd om het financieel stelsel beter in staat te stellen productieve investeringen te financieren.

De Raad is van mening dat een regelmatige, uitvoerige dialoog met de kandidaat-lidstaten over het brede scala van de problemen op het gebied van het macro-economisch beleid en de financiële stabiliteit het toetredingsproces ten goede komt. Deze dialoog kan een middel zijn om de risico's en kwetsbare situaties in deze landen na te gaan en daarnaast deze landen bij te staan bij de vaststelling van hun strategie voor de economische integratie in de EU. Door een dergelijke dialoog zouden de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de huidige en de toekomstige lidstaten reeds vóór de toetreding nog verder versterkt worden.

Onverminderd het pretoetredingsproces en de evaluatie van de criteria van Kopenhagen in het kader van de toetredingsonderhandelingen, verzoekt de Raad de Commissie jaarlijks een evaluatie voor te leggen van de macro-economische en financiële stabiliteit in de kandidaat-lidstaten. Ter ondersteuning van de economische dialoog met de kandidaat-lidstaten wenst de Raad dat de door de kandidaat-lidstaten ingediende economische pre-toetredingsprogramma's, de beoordeling daarvan door de Commissie en de evaluatie van de financiële stabiliteit worden besproken tijdens een bijeenkomst waaraan ook wordt deelgenomen door de leden van het EFC en vertegenwoordigers op hoog niveau van de kandidaat-lidstaten; deze bijeenkomst zou door elk voorzitterschap kunnen worden georganiseerd, te beginnen met het Zweedse in de eerste helft van 2001. De Commissie wordt verzocht jaarlijks aan de Raad Ecofin verslag uit te brengen over haar beoordeling van de fiscale informatie en de economische pre-toetredingsprogramma's, die met ingang van 2001 door de kandidaat-lidstaten moeten worden voorgelegd, alsmede over de conclusies van de bijeenkomst op hoog niveau.

PRETOETREDINGSSTRATEGIE VOOR TURKIJE

De Raad heeft zijn politieke goedkeuring gehecht aan het partnerschap voor toetreding voor Turkije en aan de bijbehorende kaderverordening. De kaderverordening levert de rechtsgrondslag (artikel 308 VEG) voor het naderhand door de Raad te nemen besluit inzake de principes, prioriteiten, tussentijdse doelstellingen en voorwaarden van het partnerschap. Nadat het Europees Parlement (wellicht in januari 2001) advies heeft uitgebracht, kan de Raad de kaderverordening formeel aannemen.

Er wordt aan herinnerd dat de Europese Raad van Helsinki heeft verklaard dat Turkije als kandidaat-lidstaat voorbestemd is om tot de Unie toe te treden op basis van dezelfde criteria als die welke voor de andere kandidaat-lidstaten gelden en dat, voortbouwend op de bestaande Europese strategie, Turkije evenals de andere kandidaat-lidstaten in aanmerking zal komen voor een pretoetredingsstrategie om zijn hervormingen te stimuleren en te ondersteunen. De Europese Raad van Helsinki heeft tevens verklaard dat op basis van de conclusies van de vorige Europese Raad een partnerschap voor toetreding zal worden ingevoerd, dat de prioriteiten behelst waarop de toetredingsvoorbereidingen toegespitst moeten zijn in het licht van de politieke en economische criteria en de verplichtingen die een lidstaat moet nakomen.


* * *

INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE

De ministers hebben de gebruikelijke gedachtewisseling - de laatste vóór de Europese Raad van Nice - gehouden met mevrouw Nicole FONTAINE, voorzitter van het Europees Parlement, samen met de heer Elmar BROK en de heer Dimitris TSATSOS, leden, over de stand van de werkzaamheden van de IGC, met name in het licht van de besprekingen in het ministerieel conclaaf van zondag 3 december in de late namiddag.

De besprekingen in het conclaaf hadden vooral betrekking op bepaalde aspecten van de versterkte samenwerking uit hoofde van titel V van het Verdrag betreffende de GBVB (met name de artikelen J en K), de omvang en samenstelling van de Commissie (met name de details van het toerbeurtsysteem op voet van gelijkheid, indien gekozen wordt voor de vaststelling van een maximumaantal Commissieleden) en andere aspecten die aan bod komen in het herzien synthesedocument van het voorzitterschap, zulks om na te gaan of de standpunten van de delegaties zich op bepaalde punten zouden hebben gewijzigd.


* * *

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

EXTERNE BETREKKINGEN

Toetredingsconferenties

De Raad heeft de gemeenschappelijke standpunten van de Unie aangenomen met het oog op de toetredingsconferenties op ministerieel niveau op 4 december 2000 met Polen en Estland en op 5 december 2000 met Tsjechië, Slovenië, Cyprus en Hongarije.

Associatie met Tsjechië

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een besluit betreffende het standpunt van de Gemeenschap in de Associatieraad inzake de overgang naar de tweede etappe van de associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Tsjechische Republiek, anderzijds, overeenkomstig artikel 7 van de Europaovereenkomst.

Artikel 7 van de Europa-overeenkomst EU-Tsjechië voorziet in een overgangsperiode van ten hoogste tien jaar, verdeeld in twee opeenvolgende etappes, die elk in beginsel vijf jaar duren. De overeenkomst is op 1 februari 1995 in werking getreden en dus is de eerste etappe op 31 januari 2000 afgelopen.

In artikel 7 staat eveneens dat de Associatieraad een besluit moet nemen over de overgang naar de tweede etappe, waarbij rekening dient te worden gehouden met de stand van de toepassing van de overeenkomst alsmede met "de resultaten van de economische hervormingen in de Tsjechische Republiek op de grondslag van de in de preambule neergelegde beginselen". De Commissie is van oordeel dat aan alle voorwaarden is voldaan en dat de Associatieraad derhalve een dergelijk besluit kan nemen.

Betrekkingen met Estland

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een verordening houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1349/2000 tot vaststelling van bepaalde concessies in de vorm van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouwproducten en tot aanpassing, via de autonome overgangsregeling, van bepaalde landbouwconcessies die zijn opgenomen in de Europa-overeenkomst met Estland.

Naar aanleiding van de richtsnoeren die haar door de Raad waren verstrekt, heeft de Commissie met de tien geassocieerde LMOE onderhandelingen gevoerd over nieuwe wederzijdse concessies voor landbouwproducten. De resultaten van de onderhandelingen worden later opgenomen in protocollen tot wijziging van de Europa-overeenkomsten. In afwachting van de sluiting van de protocollen worden deze via een autonome overgangsregeling door de partijen geïmplementeerd. Wat Estland betreft, heeft de Gemeenschap de concessies waarover onderhandeld is, door middel van Verordening (EG) nr. 1349/2000 van 19 juni 2000 geïmplementeerd (PB L 155 van 28.6.2000).

Vervolgens oordeelde de Commissie dat in Verordening (EG) nr. 1349/2000 enkele technische aanpassingen moesten worden aangebracht, met name wat betreft het beheer van de tariefcontingenten: dit is het doel van de verordening.

Betrekkingen met Letland

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een besluit inzake het door de Gemeenschap in te nemen standpunt in de Associatieraad, ingesteld bij de op 12 juni 1995 ondertekende Europa-overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Letland, anderzijds, ten aanzien van de vaststelling van de voorschriften voor de uitvoering van artikel 64, lid 1, onder i) en ii), en lid 2, van de Europa-overeenkomst

Het betreft de aanneming van de voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de Europa-overeenkomst met dit land met betrekking tot de concurrentieregels voor ondernemingen.

Betrekkingen met Rusland

De Raad heeft nota genomen van het verslag van het voorzitterschap over de stand van de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie van de EU ten aanzien van Rusland. Het verslag, dat onder verantwoordelijkheid van het voorzitterschap is opgesteld, bevat de volgende conclusies:


- De uitvoering van de gemeenschappelijke strategie toont nogmaals het belang aan dat de Unie en Rusland hechten aan de versterking van hun strategisch partnerschap in het kader de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en uitgaande van de beginselen van democratie, eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en de markteconomie.

- Het door Rusland aangevangen hervormingsbeleid vormt het begin van een nieuwe fase, die het Franse voorzitterschap met zijn werkprogramma heeft willen begeleiden. De gemeenschappelijke strategie is een doeltreffend instrument gebleken om de inspanningen van de Unie en haar lidstaten terzake te coördineren. Dankzij deze strategie kon eveneens de samenwerking met Rusland met het oog op een volledige en strikte uitvoering van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst worden opgevoerd.
- De politieke dialoog met Rusland is voortgezet, waarbij alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang in alle openheid ter sprake konden komen. De Europese Unie prijst zich gelukkig dat tijdens de topontmoeting EU-Rusland ook president Poetin heeft erkend dat een politieke oplossing voor de situatie in Tsjetsjenië noodzakelijk en urgent is. Uit de vooruitgang bij de versterking van de dialoog en de samenwerking betreffende politieke en veiligheidsvraagstukken in Europa blijkt het vertrouwen dat er thans tussen de Europese Unie en Rusland ten aanzien van deze vraagstukken bestaat.

- De uitvoering van de gemeenschappelijke strategie heeft aldus het strategisch partnerschap EU-Rusland tot een nieuwe graad van rijpheid gebracht.

Betrekkingen met Oekraïne

De Raad heeft een verslag over de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie ten aanzien van Oekraïne goedgekeurd, zodat dit aan de Europese Raad kan worden voorgelegd.

Er wordt aan herinnerd dat de Europese Raad, bij de aanneming in december 1999 van de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Oekraïne, de Raad had verzocht het optreden van de Unie in het kader van die gemeenschappelijke strategie te bespreken en te evalueren en ten minste eenmaal per jaar aan de Europese Raad verslag uit te brengen over de voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen ervan.

Betrekkingen met Moldavië

De Raad heeft, met het oog op het bezoek van de trojka van 6-11 december 2000, de elementen voor een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van Moldavië goedgekeurd.

Top EU-Canada

De Raad heeft nota genomen van de informatie van het voorzitterschap over de stand van de voorbereidingen van de top EU-Canada die op 19 december 2000 in Ottawa zal worden gehouden.

Top EU-Verenigde Staten

De Raad heeft nota genomen van de informatie van het voorzitterschap over de stand van de voorbereidingen van de top EU-Verenigde Staten die op 18 december 2000 in Washington zal worden gehouden.

Betrekkingen met Cuba - Conclusies van de Raad

"De Raad nam nota van de achtste toetsing van het gemeenschappelijk standpunt van de EU over Cuba. De Raad constateerde dat er sinds de vorige toetsing in juni jongstleden voortdurend gemengde signalen worden opgevangen, maar dat de Cubaanse Regering geen fundamenteel verschillende koers is ingeslagen, noch in de richting van de doelstellingen van het gemeenschappelijk standpunt, noch in de tegenovergestelde richting.

De Raad herhaalde dat bevordering van een proces van vreedzame overgang naar een pluralistische democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, een duurzaam economisch leven en herstel evenals een verbetering van de levensomstandigheden van de Cubaanse bevolking, het doel van de Europese Unie ten aanzien van Cuba blijven.

Daarom acht de Raad het van essentieel belang dat de EU zich extra inspanningen getroost om de Cubaanse autoriteiten te betrekken bij een constructieve en vrijmoedige dialoog over allerlei kwesties van gemeenschappelijk belang, die tastbare resultaten kunnen opleveren op het gebied van met name politiek, economie en burgerrechten. Er moet dus nog meer werk worden gemaakt van de uitvoering van de vertrouwenwekkende maatregelen in de geest van het gemeenschappelijk standpunt, dat de basis zal blijven van de betrekkingen tussen de EU en Cuba.

De Raad constateert dat de Europese Unie thans de voornaamste economische partner van Cuba is. Tegen de achtergrond van de economische problemen waarmee Cuba en in de eerste plaats de meest kwetsbare sectoren van zijn bevolking te kampen hebben, is de Raad van oordeel dat de Europese Unie toch haar huidige
samenwerkingsinspanning, zoals die is omschreven in de achtste toetsing, moet voortzetten en eventueel zelfs moet uitbreiden tot milieubescherming en preventie van natuurrampen, conform de doelstellingen van het gemeenschappelijk standpunt.

De Raad herinnert eraan dat de EU er groot belang aan hecht dat Cuba zich kan verenigen met de beginselen welke zijn vervat in de overeenkomsten inzake politieke, sociale en burgerrechten, zeer in het bijzonder wat de doodstraf betreft.

De Raad is van oordeel dat het debat over de actualisering van de betrekkingen van de EU met Cuba moet worden voortgezet."

Jaarverslag over de gedragscode betreffende wapenuitvoer

De Raad heeft nota genomen van het tweede jaarverslag over de toepassing van de op 8 juni 1998 aangenomen gedragscode betreffende wapenuitvoer (zie bijlage).

Turkije - speciaal actieprogramma van de EIB

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een besluit houdende wijziging van Besluit 2000/24/EG tot vaststelling van een speciaal actieprogramma van de EIB ter ondersteuning van de consolidatie en verdieping van de douane-unie tussen de EG en Turkije.

Dit besluit heeft tot doel de EU-verbintenis inzake speciale EIB-leningen voor Turkije ten belope van 450 miljoen euro te effectueren.

Asiel en migratie - verslag aan de Europese Raad van Nice

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan het verslag over de werkzaamheden van de Groep op hoog niveau asiel- en migratievraagstukken dat, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, ter aanneming aan de Europese Raad van Nice zal worden voorgelegd.

Het verslag heeft met name betrekking op de beoordeling van de werkzaamheden in verband met asiel en migratie sedert Tampere en de vooruitzichten voor de toekomstige werkzaamheden. In dit verband heeft de groep een inventaris opgesteld van de maatregelen die in de loop van 2000 ter uitvoering van de actieplannen konden worden genomen.

De Groep op Hoog Niveau asiel- en migratievraagstukken, die in december 1998 door de Raad (Algemene Zaken) was ingesteld, had tot taak peileroverschrijdende actieplannen uit te werken voor bepaalde landen van oorsprong of doorreis van asielzoekers en migranten. Vijf actieplannen voor Afghanistan en de regio, Irak, Marokko, Somalië en Sri-Lanka zijn door de Raad in oktober 1999 aangenomen en door de Europese Raad van Tampere goedgekeurd. De Raad heeft in juni 2000 een zesde actieplan voor Albanië en de regio (in hoofdzaak Kosovo) aangenomen, omdat de Groep op Hoog Niveau wegens de situatie in Kosovo in 1999 er niet in geslaagd was tijdig voor de Europese Raad van Tampere een definitief actieplan op te stellen.

HANDELSPOLITIEK

Toetreding van Litouwen tot de Wereldhandelsorganisatie

De Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, hebben ingestemd met de toetreding van Litouwen tot de WTO. Dit gemeenschappelijk standpunt wordt door de Commissie, namens de Gemeenschap en haar lidstaten, aan de WTO voorgelegd.

Antidumping - televisiecamera's (Japan)

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een verordening tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2042/2000 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op televisiecamerasystemen uit Japan, waarbij bepaalde modellen van camera's worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de bestaande antidumpingmaatregelen.

Met deze verordening wordt gevolg gegeven aan de mededeling van een Japanse producent/exporteur aan de Commissie dat hij voornemens was nieuwe modellen van professionele camera's op de markt van de Gemeenschap te brengen en het verzoek deze camera's en hun onderdelen op te nemen in de bijlage van genoemde verordening (hierna "de bijlage" genoemd), met het oog op vrijstelling van antidumpingrechten.

De Commissie heeft een technisch onderzoek verricht, met inbegrip van een gedetailleerde vergelijking van de modellen in kwestie met de vroegere modellen die al in de bijlage waren opgenomen, en heeft vastgesteld dat zij nagenoeg identiek zijn. De vastgestelde verschillen zijn het resultaat van de technologische ontwikkelingen in de sector van de professionele camerasystemen, maar hebben geen invloed op de indeling van de onderzochte modellen als professionele camera's.

De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat alle betrokken modellen moeten worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het vigerende antidumpingrecht op televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan en dat de bijlage dienovereenkomstig moet worden aangepast.

Textiel - Armenië, Azerbeidzjan, de Republiek Belarus, de Volksrepubliek China, de Arabische Republiek Egypte, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Georgië, Kazachstan, Moldavië, het Koninkrijk Nepal, Tadzjikistan, Turkmenistan, Oekraïne en Oezbekistan

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan het besluit inzake de sluiting van overeenkomsten betreffende de handel in textielproducten met bepaalde derde landen (Armenië, Azerbeidzjan, de Republiek Belarus, de Volksrepubliek China, de Arabische Republiek Egypte, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Georgië, Kazachstan, Moldavië, het Koninkrijk Nepal, Tadzjikistan, Turkmenistan, Oekraïne en Oezbekistan).

De Commissie had in de tweede helft van 1999 overeenkomstig de door de Raad aangenomen richtsnoeren onderhandelingen gevoerd over deze overeenkomsten en de tekst ervan geparafeerd. In afwachting van de formele goedkeuring zijn deze overeenkomsten in het jaar 2000 voorlopig toegepast, onder voorbehoud van wederkerigheid, conform de besluiten van de Raad van december 1999.

Voorzorgsbeginsel

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan de resolutie waarin de richtsnoeren voor de integratie en de toepassing van het voorzorgsbeginsel in de Unie worden bepaald, en waarin tevens een gemeenschappelijk standpunt wordt bepaald dat men moet laten erkennen door de internationale instanties. Deze resolutie zal worden voorgelegd aan de Europese Raad van Nice.

Er wordt aan herinnerd dat de Europese Raad in Feira akte nam van het verslag van het Portugese voorzitterschap over de resultaten van een eerste lezing, in het kader van de Raad, van de mededeling van de Commissie en daarbij besloot de toepassing van het voorzorgsbeginsel te bespreken tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad in Nice.

VERKLARING OVER SPORT

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan de verklaring over de specifieke kenmerken van de sport en de maatschappelijke functie daarvan in Europa, waarmee bij de uitvoering van het gemeenschappelijk beleid rekening moet worden gehouden. Deze verklaring zal ter goedkeuring aan de Europese Raad van Nice worden voorgelegd met het verzoek haar aan de conclusies te hechten.

DOPINGBESTRIJDING - Conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE

REGERINGEN DER LIDSTATEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN, IN

OVEREENSTEMMING MET DE COMMISSIE,


1) WIJZEN OP het belang van dopingbestrijding in de sport, welk belang door de Europese Unie is erkend in de conclusies van de Europese Raad van Wenen van 11 en 12 december 1998. In zijn conclusies onderstreepte de Europese Raad "dat hij zich zorgen maakt over de omvang en de ernst van het dopinggebruik in de sport, dat de sportethiek ondermijnt en de volksgezondheid in gevaar brengt. Hij benadrukt de noodzaak van mobilisatie op het niveau van de Europese Unie en verzoekt de lidstaten om samen met de Commissie en internationale sportorganen mogelijke maatregelen te bestuderen om de strijd tegen dit gevaar op te voeren...".
2) NEMEN NOTA van de recente ontwikkelingen op dit gebied en van de oprichting van het mondiaal antidopingagentschap, en van het voornemen van dit agentschap een op het internationaal publiekrecht gebaseerde internationale organisatie te worden, en zijn van oordeel dat regelingen moeten worden getroffen met betrekking tot de rol van de lidstaten en van de Europese Unie in deze organisatie, om te zorgen voor een passende vertegenwoordiger in de oprichtingsraad van het agentschap.

3) KOMEN OVEREEN dat de deelneming van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten verzekerd wordt door de fungerend voorzitter van de Raad en door een lid van de Commissie. Binnen een redelijke termijn voor elke vergadering, vindt er onder verantwoordelijkheid van het voorzitterschap coördinatie plaats. Het Commissielid mag het woord voeren over aangelegenheden die tot de communautaire bevoegdheden behoren overeenkomstig het verdrag en de jurisprudentie van het Hof van Justitie (overwegende dat de Gemeenschap niet rechtstreeks bevoegd is voor sportaangelegenheden). In dit verband worden de uiteenzettingen van het lid van de Commissie goedgekeurd volgens de bovengenoemde beginselen en overeenkomstig de gebruikelijke procedures. Voor aangelegenheden die niet tot de communautaire bevoegdheid behoren zal het Commissielid zich in voorkomend geval, en als aanvulling op het voorzitterschap, uitspreken overeenkomstig richtsnoeren die bij consensus door de lidstaten zijn overeengekomen.
4) NEMEN ER NOTA VAN dat voor elke communautaire uitgave met betrekking tot de activiteiten van het agentschap voor acties die tot de bevoegdheid van de Gemeenschap behoren, een besluit wordt genomen overeenkomstig het interinstitutioneel akkoord over de begrotingsdiscipline. Meer bepaald moet voor elke aanzienlijke communautaire uitgave op voorstel van de Commissie een op een passende rechtsgrondslag gebaseerde maatregel worden aangenomen.
5) ZIJN VAN OORDEEL dat de lidstaten de samenwerking moeten aanmoedigen tussen de op nationaal niveau bevoegde autoriteiten voor wat betreft de inspanningen inzake dopingbestrijding in de sport."

INSTITUTIONELE VRAAGSTUKKEN

Verslag over de medebeslissingsprocedure

De Raad heeft een verslag van het voorzitterschap en het secretariaat-generaal van de Raad aan de Europese Raad over verbetering van de efficiëntie van de medebeslissingsprocedure aangenomen, dat aan de Europese Raad van Nice zal worden voorgelegd.

BENOEMING

Comité van de Regio's

De Raad heeft het besluit aangenomen houdende benoeming van de heer Josef FILL tot plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's, ter vervanging van de heer Christoph LEITL, voor de verdere duur van diens ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2002.

BIJLAGE

Tweede jaarverslag over de toepassing van de gedragscode

van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer

Bij de op 8 juni 1998 vastgestelde EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer is een mechanisme voor informatie-uitwisseling en overleg tussen de lidstaten ingesteld dat berust op de in 1991 door de Europese Raad van Luxemburg en in 1992 door de Europese Raad van Lissabon aangenomen gemeenschappelijke criteria. Dankzij de gedragscode is in de Europese Unie een proces op gang gebracht van convergentie van het nationale controlebeleid inzake wapenuitvoer, gepaard gaande met een herstructurering van de Europese defensie-industrie.

De EU-gedragscode behelst een jaarlijkse evaluatieprocedure. Het eerste jaarverslag is op 3 november 1999 in het PBEG verschenen, nadat de Raad, overeenkomstig de wens van de lidstaten, had besloten het openbaar te maken.

Het onderhavige document vormt het tweede jaarverslag en maakt de balans op van het tweede toepassingsjaar van de gedragscode. Dit tweede jaar werd gekenmerkt door een consolidatie van hetgeen in het eerste jaar bereikt was en door nieuwe vorderingen, met name op de in het eerste jaarverslag als prioritair aangemerkte punten. Omdat de toepassing van de gedragscode zich afspeelt binnen een proces dat op de lange termijn tot convergentie en harmonisatie van het nationale beleid inzake wapenexportcontrole moet leiden, gaat dit verslag tevens in op de door de lidstaten gekozen uitgangspunten voor het toekomstige beleid.

I. Balans van het tweede toepassingsjaar van de gedragscode: consolidatie van de bereikte resultaten
In het eerste verslag was geconstateerd dat men erin geslaagd was in een gering tijdsbestek aanzienlijke vorderingen te maken en dat de toepassing van de gedragscode in het eerste bestaansjaar reeds voor positieve resultaten had gezorgd. Het tweede toepassingsjaar heeft een aanscherping van de gedragscode en een consolidatie van de in het eerste jaar bereikte resultaten te zien gegeven. De kennisgevingen van weigeringen en de raadplegingen zijn in aantal aanzienlijk toegenomen, zoals wordt geïllustreerd in de tabel in bijlage dezes. Die toename getuigt van de bereidheid van de lidstaten een nieuwe transparantie ten aanzien van wapenexportcontrole in praktijk te brengen en daarbij meer in overleg te handelen.
De toepassing van de gedragscode is in toenemende mate met overleg tussen de lidstaten gepaard gegaan. Dat overleg had zowel betrekking op de praktische toepassing van de gedragscode en de verbetering van die praktische toepassing als op het beleid inzake wapenexportcontrole. De Groep export van conventionele wapens GBVB (COARM) was het kader bij uitstek voor dit overleg. In dit tweede toepassingsjaar van de gedragscode heeft de groep zich met name toegelegd op de behandeling van de aangelegenheden die in het eerste jaarverslag als prioritair aangemerkt waren. De bevindingen dienaangaande worden hierna uiteengezet. De gestage toename van het aantal kennisgevingen en raadplegingen, waaruit blijkt dat de gedragscode aanslaat, draagt ertoe bij dat de in het kader van deze groep tussen de lidstaten uitgewisselde informatie steeds substantiëler van aard wordt.

Uitvoeringsbepaling nr. 11 schrijft voor dat de lidstaten zich tot het uiterste inspannen om andere wapenexporterende staten ertoe over te halen de beginselen van de gedragscode te onderschrijven. In het eerste jaarverslag was reeds vermeld dat de beginselen van de gedragscode zijn onderschreven door de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa en Cyprus, de EVA-landen die lid zijn van de EER, en Canada. Turkije en Malta hebben die beginselen inmiddels eveneens omarmd. Deze landen hebben zich er aldus toe verbonden niet alleen hun exportbeleid maar waar nodig ook hun regelgeving dienovereenkomstig aan te passen. De lidstaten zijn verheugd dat de beginselen van de gedragscode steeds bredere erkenning vinden en zij zullen dit proces standvastig blijven aanmoedigen.
Parallel aan de toepassing van de gedragscode zijn de lidstaten elk voor zich op nationaal vlak met de bevordering van transparantie bezig. Zo publiceert het merendeel van de wapenexporterende lidstaten thans nationale verslagen over de wapenuitvoer. In bijlage dezes gaat een lijst van deze verslagen, met vermelding van het internetadres indien het verslag online beschikbaar is. Deze ontwikkeling, die de gedragscode aan kracht doet winnen, stemt de lidstaten tot vreugde.

II. Stand van zaken in verband met de in het eerste jaarverslag aangegeven prioriteiten

In het eerste jaarverslag waren vier kerngebieden aangegeven die door de lidstaten bij voorrang bestudeerd en aangepakt dienden te worden om de gedragscode kracht bij te zetten en voor meer transparantie te zorgen. Hierna worden de vorderingen geschetst die in het tweede toepassingsjaar ten aanzien van die kerngebieden konden worden opgetekend:


- gemeenschappelijke lijst van militaire goederen: de voltooiing van de gemeenschappelijke lijst van militair materieel (uitvoeringsbepaling nr. 5 van de gedragcode), was in het eerste jaarverslag als topprioriteit aangemerkt en als hoeksteen van de gedragscode bestempeld.
Deze lijst is op 13 juni 2000 door de Raad vastgesteld en op 8 juli 2000 in het PBEG verschenen. De Raad had namelijk tot openbaarmaking van de lijst besloten, overeenkomstig het beginsel van brede transparantie dat bij de toepassing van de gedragscode geldt.
De vaststelling van de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen is een belangrijke stap voorwaarts en draagt in significante mate bij tot de effectiviteit van de gedragscode. Zij is bevorderlijk voor de convergentie van de praktijken van de lidstaten op het gebied van de exportcontroles op conventionele wapens. In het vervolg zullen de lidstaten de referenties van de gemeenschappelijke lijst hanteren voor de kennisgevingen van weigeringen (met terugwerkende kracht voor reeds ter kennis gebrachte weigeringen), wat tot verduidelijking en vereenvoudiging van hun onderlinge uitwisselingen in dat verband zal leiden. De gemeenschappelijke lijst van militaire goederen heeft de status van een politieke verbintenis in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Aldus zijn alle lidstaten de politieke verbintenis aangegaan ervoor te zorgen dat hun nationale wetgeving hen in staat stelt de uitvoer van alle goederen op de lijst te controleren. Het is de bedoeling dat de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen dient als referentiepunt voor de nationale militaire-goederenlijsten van de lidstaten, doch niet direct ter vervanging van die nationale lijsten.

Aangezien de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen evolutief van aard is, wordt zij regelmatig door de lidstaten in de Groep COARM bijgewerkt.

De lidstaten hebben voorts te kennen gegeven dat zij hun steun zullen verlenen aan inspanningen om goederen van de gemeenschappelijke militaire lijst die ontbreken op de militaire lijst van Wassenaar op de agenda te doen plaatsen voor bespreking in het kader van het arrangement van Wassenaar.


- begrip "in wezen identieke transacties": in het eerste jaarverslag was als tweede prioritaire punt vermeld het trachten te komen tot een gemeenschappelijke opvatting van het begrip "in wezen identieke transacties". Dat begrip raakt immers de kern van de uitvoeringsbepalingen van de gedragscode; een door alle lidstaten gedeelde opvatting van wat eronder moet worden verstaan is uiteraard onontbeerlijk.

De lidstaten hebben in de Groep COARM verder over deze materie nagedacht. Hoewel er vooruitgang is geboekt, heeft men het nog niet tot een gemeenschappelijke uitlegging van het begrip weten te brengen. De materie is dan ook complex en de uitgangspunten die terzake worden gekozen, zullen het functioneren van de gedragscode sterk beïnvloeden.

De lidstaten zijn voornemens de uitwisselingen en het streven naar harmonisatie op dit gebied voort te zetten. Nu er een gemeenschappelijke lijst van militaire goederen bestaat is men het erover eens dat deze de basis kan vormen om een gemeenschappelijke uitlegging van het begrip "in wezen gelijke transacties" naderbij te brengen.


- precisering van kennisgevingen van weigeringen:
in het eerste jaarverslag was ook vermeld dat kennisgevingen van weigeringen een nauwkeuriger omschrijving van de weigeringsgronden dienden te omvatten, om de lidstaten een beter inzicht te gunnen in de motieven die aan kennisgevingen van weigeringen ten grondslag liggen en de beslissing om al dan niet tot raadplegingen over te gaan te vergemakkelijken.

De lidstaten zijn overeengekomen dat de kennisgevingen van weigeringen te dien einde de volgende gegevens moeten bevatten:


* land van bestemming


* gedetailleerde beschrijving van het goed in kwestie (met vermelding van het nummer van de gemeenschappelijke lijst)
* aankopende entiteit (vermeld moet worden of het gaat om overheid, politie, leger, marine, luchtmacht of paramilitaire troepen, dan wel om een privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon; bij weigering op grond van criterium 7 moet de naam van de natuurlijke of rechtspersoon vermeld worden)


* uiteindelijk gebruiksdoel


* motieven van de weigering (met vermelding van het nummer van het criterium/de criteria en daarnaast van de elementen waarop de beoordeling berust)

* datum van de weigering (of vermelding van de datum waarop de weigering ingaat indien deze nog niet is ingegaan).

De lidstaten zijn tevens overeengekomen dat eveneens kennis wordt gegeven van de weigering vergunning te verlenen voor een transactie die te beschouwen is als in wezen identiek aan een transactie waarvoor een andere lidstaat reeds kennis heeft gegeven van een weigering.


- wapenexportembargo's:
in het eerste jaarverslag was onderstreept dat het van belang is dat de lidstaten informatie blijven uitwisselen over de nationale uitleggingen van VN-, EU-, en OVSE-embargo's. Daarnaast hebben de lidstaten het overleg geïntensiveerd over hun nationale beleid inzake wapenexportcontrole ten aanzien van bepaalde landen of gebieden waarvoor geen embargo maar wel bijzondere waakzaamheid geldt (bestaan van een intern of extern conflict, mensenrechtensituatie enz.).

III. Andere vraagstukken die in verband met de toepassing van de gedragscode in de Groep COARM zijn aangesneden

De lidstaten zijn doorgegaan met het verbeteren en harmoniseren van de praktische toepassing van de gedragscode.

Behalve met de reeds vermelde aangelegenheden hebben zij zich beziggehouden met de praktische aspecten van de raadplegingsprocedures, in het bijzonder met de problemen in verband met het vertrouwelijke karakter van de uitwisselingen, onverminderd het transparantiebeginsel dat bij de toepassing van de gedragscode geldt.

Een andere bekommernis van de lidstaten was het militaire materieel dat gebruikt wordt bij humanitaire operaties, met name bij humanitair ontmijnen; waarvoor is onderzocht of te dien aanzien bij een rechtsbesluit niet in uitzonderingen kan worden voorzien.

Voor de toepassing van de gedragscode hebben de lidstaten zich ook gebogen over de controle op wapenmakelaars. Aan deze kwestie is meermaals aandacht besteed en er werd een specifieke vergadering van deskundigen aan gewijd. De lidstaten zijn voornemens in hun verdere besprekingen nog dieper in te gaan op de praktische aspecten van de controle op de activiteiten van wapenmakelaars, zodat dit nogal specifieke maar belangrijk geachte onderwerp wordt meegenomen in het convergentieproces van het controlebeleid van de lidstaten.

Met het oog op de in 2001 te houden VN-conferentie over de illegale handel in handvuurwapens in al zijn aspecten zijn de lidstaten begonnen met het bepalen van hun gemeenschappelijke uitgangspunten en met het intensiveren van hun coördinatie inzake de controle op handvuurwapens; zij maken daarbij gebruik van de bij de toepassing van de gedragscode opgedane ervaring.

IV. Uitgangspunten die in de nabije toekomst extra aandacht behoeven

De toepassing van de gedragscode geschiedt binnen een proces dat op lange termijn tot nauwere samenwerking en toenemende convergentie tussen de lidstaten van de Europese Unie op het gebied van de uitvoer van conventionele wapens moet leiden.

Zoals is opgemerkt in het eerste jaarverslag is dit proces tot dusverre enig in zijn soort. De toepassing van de gedragscode vormt een belangrijk baken voor het toekomstige Europese beleid inzake wapenexportcontrole. De transparantie tussen de lidstaten en tegenover de civiele samenleving wordt erdoor bevorderd en het beleid van de lidstaten wordt geleidelijk geharmoniseerd.

Op het gebied van de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten heeft de toepassing van de gedragscode na twee jaar reeds significante resultaten opgeleverd. Om er ten volle de vruchten van te plukken behoeft die toepassing echter verdere uitdieping en consolidatie.

In dit jaarverslag zijn reeds verscheidene aangelegenheden genoemd die met het oog op een nog betere en diepgaander toepassing van de gedragscode de gemeenschappelijke aandacht blijven verdienen.

In aanvulling op de reeds vermelde onderwerpen hebben de lidstaten voorts een aantal uitgangspunten aangeduid waarover in de nabije toekomst een besluit moet worden genomen of beraad moet plaatsvinden:


1. Vaststelling van een gemeenschappelijke lijst van niet-militaire goederen bestemd voor gebruik door veiligheids- en politiediensten. De lidstaten zijn van oordeel dat de uitvoer van bepaalde niet-militaire goederen die voor binnenlandse repressie kunnen worden aangewend, aan controle door de nationale autoriteiten moet worden onderworpen; aangezien het civiele goederen betreft, dient dat te gebeuren op basis van communautaire regels. Doel is te vermijden dat goederen van oorsprong uit de Europese Unie worden aangewend voor handelingen die een schending van de mensenrechten vormen.
Daarom is de Groep COARM begonnen met de opstelling van een gemeenschappelijke lijst van niet-militaire goederen bestemd voor gebruik door veiligheids- en politiediensten, waarvan de uitvoer moet worden gecontroleerd uit hoofde van criterium 2 van de gedragscode (eerbiediging van de rechten van de mens in het land van eindbestemming). De door de groep opgestelde lijst zal worden toegezonden aan de Commissie, aan wie het initiatief toekomt tot het indienen van een voorstel betreffende een communautaire regeling voor de controle op de uitvoer van niet-militaire goederen die voor binnenlandse repressie kunnen worden gebruikt. Dit instrument is te onderscheiden van de uitvoeringsbepalingen van de gedragscode, al houdt het er wel verband mee, aangezien de controle zal worden verricht op basis van criterium 2 van de gedragscode (eerbiediging van de mensenrechten). De Raad neemt akte van het voornemen van de Commissie om zo spoedig mogelijk een op de lijst gefundeerd voorstel tot invoering van een gemeenschappelijke controleregeling voor te leggen.
2. Uitbouw van de uitwisseling van informatie over het nationale beleid inzake wapenexportcontrole ten aanzien van bepaalde landen of gebieden waarvoor bijzondere waakzaamheid dient te gelden. Het uitbouwen van een dialoog tussen de lidstaten over hun nationale wapenexportbeleid raakt de kern van het met de gedragscode nagestreefde doel. De lidstaten zijn vastbesloten vooruitgang in deze dialoog te brengen. Het reeds aanzienlijke bestand aan kennisgevingen van weigeringen uit hoofde van de gedragscode kan een praktisch aanknopingspunt voor deze uitwisseling vormen.
3. Harmonisatie van de met het oog op de toepassing van de gedragscode ingestelde procedures. De lidstaten zullen de reeds aangevangen harmonisatiewerkzaamheden voortzetten. Zij zullen zich meer bepaald toeleggen op het verfijnen en intensiveren van de bilaterale raadplegingen, het bepalen van de wijze van intrekking van sommige kennisgevingen op verzoek van de kennisgevende lidstaat (buiten de gevallen van embargo-opheffing, waarvoor reeds procedures overeengekomen zijn) en tot slot het nadenken over een minimumdrempel voor kennisgevingen van uitvoer.


4. Harmonisatie van de nationale jaarverslagen over de toepassing van de gedragscode. Het jaarverslag over de toepassing van de gedragscode wordt opgesteld op basis van verslagen van de lidstaten. Het feit dat sommige toegezonden gegevens slecht te vergelijken zijn, vooral waar het om statistieken gaat, bemoeilijkt de synthese van de nationale verslagen en kan het gemeenschappelijk streven naar transparantie belemmeren. Om die transparantie, alsmede het informatieve gehalte van het jaarverslag te verbeteren, zullen de lidstaten bij de opstelling van de nationale verslagen zoveel mogelijk eenvormigheid betrachten, met name wat de statistieken betreft.
5. Coördinatie van de nationale standpunten van de lidstaten in multilaterale fora waar kwesties in verband met wapenexportcontroles aan de orde zijn. Voor de toepassing van uitvoeringsbepaling nr. 7 van de gedragscode zullen de lidstaten met het voorzitterschap als spil streven naar een betere coördinatie van hun nationale standpunten en het standpunt van de Europese Unie in de internationale fora waar de wapenexportcontrole wordt behandeld.

6. IJveren voor het doen naleven van de beginselen van de gedragscode door derde landen. Uitvoeringsbepaling nr. 11 van de gedragscode stipuleert dat de lidstaten zich inspannen om ander wapenexporterende landen ertoe over te halen de beginselen van de gedragscode te onderschrijven. De lidstaten zullen hun inspanningen op dat punt actief blijven voortzetten en trachten de dialoog met de landen die zich reeds achter de beginselen van de gedragscode geschaard hebben, uit te bouwen, onder meer via initiatieven tot ondersteuning van landen die bij de toepassing van de gedragscode problemen ondervinden. Zij hebben er voorts met belangstelling nota van genomen dat het Congres van de Verenigde Staten een wet heeft goedgekeurd betreffende de bevordering van een internationale gedragscode voor de uitvoer van wapens. Zij constateren met vreugde dat de Verenigde Staten daarmee een weg inslaan waarop de Europese Unie is voorgegaan. De lidstaten achten het zeer wenselijk dat de Verenigde Staten en de Europese Unie zich gezamenlijk beijveren om gemeenschappelijke beginselen inzake wapenexportcontrole ingang te doen vinden bij derde landen.

Bijlage I bij de BIJLAGE

Informatie over de uitvoer van conventionele wapens en de toepassing van de gedragscode in de lidstaten voor de verslagperiode 1 januari - 31 december 1999 (N.B: de cijfers tussen haakjes betreffen de periode
1 januari-30 juni 2000).


Het vergaren van statistische gegevens varieert van lidstaat tot lidstaat; er is geen gemeenschappelijke standaard. Niet alle lidstaten konden de gegevens voor de tabel aanleveren, wegens geldende procedures op het gebied van de wapenexportcontrole of de wetgeving inzake gegevensbescherming.

Land

Totale waarde van de wapenuitvoer (in euro)

Totaal aantal afgegeven vergunningen

Aantal kennisgevingen van weigeringen

Aantal bilaterale raadplegingen

Aantal ontvangen verzoeken om overleg

Oostenrijk

395.453,327*


1.294


11

(7)

4

(0)


1


België

622.021.411*

950

29

(13)


6

(7)


2


(2)

Denemarken

Onder het geldende systeem zijn geen gegevens beschikbaar****

228 in totaal (waarvan 186 op GL + 17 voor buitenlandse politie + 43 voor o.a .jachtwapens)


2


(1)

0

(0)

0

(0)

Finland

40.155.692**

174 (afgegeven vergunningen, d.w.z. met uitzondering van voorafgaande kennisgevingen)


1


(2)

0

(0)

0

(1)

Frankrijk


3.780.000.000*

5.093 vergunningen voor uitvoer van oorlogsmateriaal

62

(46)

15

(7)

5

(0)

Duitsland

3.026.167.800*

9.373

61

(9)


4

(0)

14

(4)

Griekenland

43.158.770

23

0

(0)

0

(0)

0

(0)

Ierland

60.394.090

41***

0

(0)

0

(0)

0

(0)

Italië


1.340.812.490*


definitief: 495

Voor tijdelijke uitvoer : 116

Verleningen van vergunningen: 65


11


(12)

0

(2)


1


(3)

Luxemburg


39.093*



20


0

(0)

0

(0)

0

(0)

Nederland


366.336.768*


Niet beschikbaar


12


(6)

0

(0)


4


(0)

Land

Totale waarde van de wapenuitvoer (in euro)

Totaal aantal afgegeven vergunningen

Aantal kennisgevingen van weigeringen

Aantal bilaterale raadplegingen

Aantal ontvangen verzoeken om overleg

Portugal


10.640.103,89 (voor 57 effectieve operaties)


898



2 (tussen 1/1/99 en 30/6/00)


0

(0)

Spanje

141.383,860**


2.305


4

(2)

0

(0)

Zweden


3.654 miljoen SEK**



7.153 miljoen SEK*

527 (uitvoer-vergunningen voor verkoop)

0

(0)

0

(0)

0

(0)

Verenigd Koninkrijk

GBP 980,52 miljoen**

Totaal aantal vergunningen: 9 416

(Standaard uitvoervergunningen voor een bepaalde categorie : 8 967

Uitvoervergunningen zonder beperking voor een bepaalde categorie: 449)

26

(15 tussen 8/6/99 en 7/6/00)


4


(5 tussen 8/6/99 en 7/6/00)


* Totale waarde van de afgegeven vergunningen
** Werkelijke waarde van de uitvoer

*** Krachtens de Ierse wetgeving is een vergunning vereist voor het uit het land brengen van geweren en munitie voor onverschillig welk doel, sport en jacht, herstel en overdracht van persoonlijke bezittingen inbegrepen. In 1999 zijn er in totaal 419 vergunningen afgegeven, waarvan 378 voor particuliere doeleinden en 41 voor de uitvoer van oorlogsmateriaal.

**** Per 1 juli 2000 is een systeem voor de vergaring van deze gegevens ingevoerd.

Bijlage II bij de BIJLAGE

Op onderstaande adressen zijn de nationale wapenexportverslagen beschikbaar (op papier of op het internet):

Duitsland: www.bmwi.de, select "politikfelder, select Aussenwirtschaft@europa, select exportkontrolle

België: diplobel.fgov.be/default_nl.htm

Denemarken: Ministerie van Buitenlandse Zaken, n°2, Asiatisk Plads 2, DK-1448 Kopenhagen, Denemarken of www.um.dk (het verslag is tegen eind 2000 beschikbaar)

Finland: www.vn.fi/plm/index.html

Frankrijk: www.defense.gouv.fr/actualités/dossier/d49/index.html

Ierland: www.irlgov.ie/iveagh

Italië: rapport van de regering aan het parlement inzake wapenuitvoer voor 1999 gepubliceerd door Camera dei deputati en Senato della repubblica (Doc. LXVII n.4)

Nederland :
http//://info.minez.nl/bhi/handelspolitiek/strateg/jaarrap1999.pdf

Verenigd

Koninkrijk : www.fco.gov.uk/newstext.asp?3991 : rapport 1999

Zweden : www.utrikes.regeringen.se/inenglish/pressinfo/information/ publications.htm




reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie