Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

PvdA over hoofdlijnen wet basisvoorzieningen kinderopvang

Datum nieuwsfeit: 04-12-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 4 december 2000

BIJDRAGE VAN MARIËTTE HAMER (PVDA) AAN HET NOTAOVERLEG OVER DE NOTA HOOFDLIJNEN WET BASISVOORZIENING KINDEROPVANG (WBK)(26 587 nr. 9)

Het lijkt zo langzamerhand bijna een cliché te worden, maar toch wil ik ook vandaag hier weer herhalen hoe belangrijk het is om het delen van de combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken. Voor vrouwen zodat ze aan het arbeidsproces kunnen deelnemen, voor mannen dat zij ook de mogelijkheid krijgen om te zorgen en een minder traditionele rol kunnen vervullen. En voor de samenleving als totaal, want door de combinatie van arbeid en zorg tussen mannen en vrouwen ontstaat de geëmancipeerde samenleving die wij nastreven. Goede kinderopvang is daarbij een van de belangrijkste voorwaarde.

Kinderopvang heeft niet alleen een economische waarde, maar ook voor het kind kan kinderopvang veel betekenen. Van jongs af aan spelen met andere kinderen, zeker nu dat in onze samenleving niet allemaal meer vanzelfsprekend is voor kinderen van grote waarde. De experimenten met voor en vroegschoolse educatie bewijzen dat er zelfs een achterstand voor sommige kinderen op school kan worden voorkomen. Kinderopvang is naast ICT een van de meest snel groeiende sectoren en wellicht even belangrijk voor de samenleving. Dat realiseren we ons vaak niet. De PvdA vindt het daarom noodzakelijk dat er flink wordt geïnvesteerd in de capaciteit, de diversiteit en de kwaliteit van de kinderopvang. Dat vraagt ook om goede wetgeving. Mijn partij is daarom verheugd dat we elke keer een stapje dichter komen bij de wet kinderopvang, waarvan we vandaag de hoofdlijnennotitie bespreken.

Uitgangspunten zijn voor ons:

1. er moet voldoende kinderopvang zijn, toegankelijk voor alle groepen in de samenleving en gedragen door alle partijen die er belang bij hebben dus ouders, werkgevers en overheid;
2. ouders moeten kunnen kiezen wat voor opvangmogelijkheden het beste bij hen past;
3. de kwaliteit van de kinderopvang moet goed zijn; 4. er moet een divers en flexibel aanbod zijn;
5. de werkomstandigheden in de sector kinderopvang moeten goed zijn, dat betekent o.a. ook aandacht voor opleidingen, bij en nascholingsmogelijkheden etc.

Toegankelijkheid, betaalbaarheid en capaciteit

Aan de toegankelijkheid en de capaciteit is de laatste jaren veel aandacht besteed. Het aantal plaatsen op de kinderdagverblijven is flink gegroeid. Ook andere vormen van kinderopvang ontwikkelen zich, zoals de gastouderprojecten en meer informele kinderopvang die ouders zelf regelen. Toch blijven de geluiden van de wachtlijsten ons achtervolgen. En met name ouders met lage inkomens maken nog steeds minder gebruik van de kinderopvang. Misschien is het goed als de bewindslieden ons aangeven hoe de meest recente ontwikkeling op dit moment is. Wij hebben begrepen dat er met name het laatste jaar erg veel plaatsen zijn gerealiseerd en dat er overvraging is voor de bonusregeling voor het snel realiseren van plaatsen. Klopt dat?

Vraagfinanciering

Het kabinet heeft steeds aangegeven dat na de capaciteitsuitbreiding de omslag van aanbodfinanciering naar vraagfinanciering zou volgen. Op dat punt zitten we nu. Uit de sector - zowel van de kant van de ouders/gebruikers als de aanbieders - horen wij dat men toe is aan de omslag naar de vraagfinanciering. In de hoofdlijnennotitie wordt deze omslag nu ook gemaakt. Het kabinet kiest daarbij voor een financieringsmodel die uit gaat van een gedeelde verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid. Dat principe steunen wij. Vervolgens is de vraag op welke wijze hier vorm aan wordt gegeven. In ons vorige algemene overleg vroegen we om de uitwerking van een aantal modellen. In deze notitie wordt daarin als ik het goed begrijp een keuze gemaakt voor de inkomensafhankelijke kinderopvangsubsidie die centraal wordt uitgevoerd door de belastingdienst. Het principe er achter is dat er een vorm van vraagfinanciering wordt gekozen die de middelen zoveel mogelijk bij de ouders terecht laat komen, zodat zij ook daadwerkelijk tot een vraag c.q. een keuze kunnen komen. Ook dat principe ondersteunen wij, sterker nog daar gaat het namelijk om dat de ouders die keuze kunnen maken.

Bij de uitwerking van dit model zijn wel nog enkele vraagtekens te plaatsen, waarvan ik denk dat het goed is als de bewindslieden daarop nog een antwoord geven:


* Misschien is het goed als de bewindslieden in dit overleg nog eens goed toelichten waarom ze voor het beschreven model gekozen hebben, boven bijvoorbeeld het veel genoemde fiscale model C. Belangrijke vraag lijkt mij hierbij wat is het meest simpele model voor ouders en instellingen om onnodige administratie te voorkomen. Voor de ouders kan dit namelijk tot problemen in de aanvraag leiden. Voor de instellingen moeten incassoproblemen worden voorkomen. Een derde ijkpunt lijkt mij dat er ook meer ruimte moet komen voor vergoeding van alternatieve vormen van kinderopvang dan alleen via de kinderdagverblijven.
* Onderdeel van de tripartite verantwoordelijkheid is dat de werkgevers ook daadwerkelijk bijdragen Graag willen wij wel meer informatie van de bewindslieden op basis waarvan zij het vertrouwen hebben dat het streefcijfer van 90% in 2002 via de CAO geregelde werkgeversbijdragen gehaald gaat worden en wat het zou betekenen voor de uitvoering van de wet als dit niet zo is. Wij krijgen hierover zorgelijke berichten, zo zou bijvoorbeeld de BSO niet geregeld zijn in de cao voor gemeenteambtenaren.
* Utvoering via de belastingdienst heeft ook onze voorkeur; kan de belastingdienst dit aan?

* Onbekend is nog hoe de feitelijke bijdrageregeling voor ouders uitpakt. Sommige berekeningen geven aan dat de ouderbijdrage hoger wordt dan het inkomen van de ouder met het laagste inkomen. Dit zou de arbeidsparticipatie dus juist ontmoedigen. Wanneer krijgen wij de beschikking over deze cijfers? In het laatste nummer van de VNG spreekt de wethouder uit Den Haag uit dat zij zich grote zorgen maakt over de mogelijke consequenties voor de laagst betaalden. Zijn hier risico's en hoe kunnen die worden voorkomen?

* Vraag is de toegankelijkheid voor specifieke doelgroepen voldoende geregeld nu de daarvoor bestaande regelingen opgaan in de wbk.
* Is voldoende gegarandeerd dat met het systeem van vraagfinanciering de opvang in de wijken met veel achterstandsproblemen blijft bestaan dan wel toeneemt op basis van de vraag die er is?

* Het kabinet gaat uit van een kostprijsberekening van 19.500. Wij blijven signalen krijgen dat de kostprijs in de praktijk hoger uitpakt. Ook is er de zorg dat als de gemeenten zich terugtrekken de prijs zal stijgen. Is daarover meer inzicht te verkrijgen? En hoe zal er in de nieuwe wet met de kostprijsberekening worden omgegaan?

Rol van de gemeenten

De rol van de gemeenten gaat veranderen in de toekomstige wet. Van financiering en soms zelfs van aanbieder worden zij regisseur van het lokaal jeugdbeleid waarvan de kinderopvang een belangrijk onderdeel is.. Dat is de consequentie van het nieuwe model. Daarbij is het wel van belang te weten of de gemeenten dan ook wel die rol van regisseur kan vervullen en welke randvoorwaarden er daarvoor komen.


* Welke randvoorwaarden krijgen de gemeenten om hun regisseursrol goed te kunnen uitvoeren? Welke instrumenten krijgen zij in handen om bijvoorbeeld instellingen en scholen aan de gewenste afstemming te laten meewerken? Is het een idee om in de wet een verplichting op te nemen voor de instellingen om deel te nemen aan een zgn. op overeenstemming gericht overleg, waarbij bijvoorbeeld ook de aanwezigheid van kinderdagverblijven in achterstandswijken kan worden besproken?

* Zijn er risico's dat door de terugtrekkende bewegingen van de gemeenten de capaciteit terugloopt?

* Is het denkbaar dat de totale financiering van kinderopvang vermindert omdat gemeenten minder gaan bijdrage en is het denkbaar dat er afspraken met de gemeenten worden gemaakt dat het beschikbare bedrag toch voor de sector kinderopvang dan wel het jeugdbeleid beschikbaar blijft?
* Gaat het maatwerk dat gemeenten aan doelgroepen moeten leveren ook in de wet opgenomen worden nu de twee bijzondere regelingen daarvoor verdwijnen? Nog geenszins is het duidelijk hoeveel middelen de gemeenten voor hun doelgroepenbeleid zullen ontvangen. Hoe reëel is het geschatte percentage van 10% en wat als dit hoger gaat uitpakken? Krijgen de gemeenten mogelijkheden om de doelgroepen bij voorrang te plaatsen?
* Vraagfinanciering voor de 0-4 jarigen leidt geen twijfel. Over de mogelijkheden van buitenschoolse opvang horen wij nog wel eens wat vragen. Zijn die vragen gerechtvaardigd of is de verwachting dat de capaciteit onder deze verandering niet zal dalen?

Samenhang in het aanbod

De wet regelt een deel van het aanbod van de opvang voor kinderen. Buiten het bereik van de wet blijven de peuterspeelzalen, voorlopig ook nog de tussenschoolse opvang. De regeling voor- en vroegschoolse educatie en ook de tieneropvang valt er nog niet onder. De samenhang hiermee zou tot stand moeten komen via de gemeenten. Uit de praktijk horen wij dat dit knap ingewikkeld is.

Al in een eerder overleg vroeg ik speciale aandacht hiervoor. Over deze vormen van opvang zou een notitie verschijnen die er nog niet is. In de hoofdlijnennotitie wordt hier in vrij algemene termen op ingegaan.


* Wellicht is het toch mogelijk om op korte termijn meer inzicht te geven in de ontwikkeling van de peuterspeelzalen, mede als gevolg van de inzet met voor en vroegschoolse educatie. Wat gebeurt er nu feitelijk om dit werk goed te professionaliseren, welke kwaliteitseisen worden gesteld? En op welke termijn zouden de peuterspeelzalen dan in de wet kunnen worden opgenomen? Het lijkt mij van belang dat er op korte termijn kwaliteitseisen aan de peuterspeelzalen gaan worden gesteld.

* Wanneer komt het onderzoek over de tussenschoolse opvang beschikbaar? Juist voor deze vorm is het creëren van aanbod van groot belang. Is het denkbaar dat hiervoor op korte termijn meer middelen ter beschikking komen?

* Wanneer zijn de resultaten beschikbaar over de tieneropvang en komt er zicht op opname in de wet?

Mijn fractie zou er de voorkeur aangeven dat de verschillende vormen van opvang op termijn in hetzelfde regime worden geregeld. Wellicht zou in de wet hiertoe de ruimte kunnen ontstaan door als het ware voor een soort groeimodel te kiezen, waarbij in de komende jaren de verschillende vormen van kinderopvang worden opgenomen.

Kwaliteit

In de wet gaan landelijke basiseisen voor kwaliteit worden gesteld. Dat is van belang. De aandacht voor de kwaliteit vinden we nog te mager benoemd in de wet. We hebben dat ook al eerder aangegeven. Kwaliteitsverbetering bestaat uit drie elementen: het toezicht, de ontwikkeling en de uitvoering.

Voor wat betreft het toezicht is de staatssecretaris onlangs met voorstellen gekomen. Daarin zit een verbetering. Maar ik ben er nog niet gerust op dat met name het toezicht op de pedagogische kwaliteit voldoende geregeld is. Wellicht kan de staatssecretaris nog eens toelichten hoe zij dit precies met de GGD wil regelen, waar de landelijke eisen worden ontwikkeld en welk systeem zij voor de langere termijn voor ogen heeft. Wij hebben eerder gepleit voor een landelijke onafhankelijke inspectie los van de rol van de gemeenten. Kan de staatssecretaris haar bezwaren daartegen nog eens verhelderen?

Naast het toezicht is het ontwikkelen van kwaliteit van belang. Hiertoe kunnen de opleidingen van groot belang zijn, maar ook bij en nascholing horen daarbij. Vanochtend was daarover in De Volkskrant te lezen dat begeleidsters en instellingen dat ook hard nodig vinden. Maar de middelen om dit te ontwikkelen zijn zeer schaars. Ik zou er voor willen pleiten dat die worden uitgebreid. Tot nu toe is er steeds voor gepleit om dit in de formatie c.q. berekeningsgrondslag mee te rekenen. Maar het is ook denkbaar dat hiervoor een geoormerkte faciliteitenpot komt waarop instellingen of gastouderprojecten een beroep kunnen doen. Daar hoort dan bij dat er een kennisinstituut, een begeleidingsdienst wordt ontwikkeld - vergelijkbaar met de ondersteuningsdiensten voor het onderwijs - waar kennis wordt gebundeld, verder ontwikkeld, onderzoek wordt uitgezet etc.

Gastouder

Gelukkig gaat ook deze vorm van opvang nu onder de wbk vallen. Gezien de tekorten is dit hard nodig en het kan een oplossing zijn voor de plattelandsgemeenten. Het kabinet is van plan om de gastouderopvang financieel aantrekkelijker te maken. Hoe gaat zij dit doen? Wordt er gedacht aan het regelen conform het zelfstandig ondernemerschap of het werken als freelancer?

De oppas thuis, informeel

Er ontstaan steeds meer verschillende vormen van opvang, de oppas thuis, de burenhulp met meerdere kinderen. Deze vormen vallen buiten de reikwijdte van de wet, maar het gebruik er van neemt toe. Is het denkbaar dat zonder te vervallen in allerlei bureaucratische regels hier toch een relatie naar de wet wordt gelegd, bijvoorbeeld in vergelijk met de ontwikkelingen die er nu zijn voor de regeling van het project "witte werkster" en hoe wordt in dit verband omgegaan met de resultaten van de experimenten die in het kader van het project dagindeling plaats vinden?

Zelfstandige freelancers

Een klein punt betreft de situatie voor de freelancer waarbij geen sprake is van een werkgever: hoe wordt e.a. voor deze groep geregeld?

Medezeggenschap

In de wbk vallen alle instellingen onder de medezeggenschap, ook de particuliere. De wet lijkt echter minder te willen regelen dan inde wet medezeggenschap zorginstellingen waar de gesubsidieerde instellingen nu onder vallen. Medezeggenschap van ouders lijkt ons echter juist van groot belang. Wij pleiten er daarom voor dat er op dit punt meer wordt geregeld en dat dit punt nog verder wordt uitgewerkt.

Voldoende begeleidsters met verschillende achtergronden

De uitvoering van de wet valt of staat bij het hebben van voldoende begeleiding in de kinderopvang. Hier dreigt hetzelfde probleem als in het onderwijs. Wat wordt er aan gedaan om dit te voorkomen en op welke wijze wordt er specifieke aandacht besteed aan opvang voor allochtone kinderen en het opleiden van allochtone leidsters in de kinderopvang?

Overgangssituatie en groeimodel

Het mag helder zijn dat wij een groot wensen en eisen pakket hebben ten aanzien van de kinderopvang. Mijn fractie hecht daarom aan snelle invoering van de wet. Toch realiseren wij ons ook dat alles wel goed geregeld moet zijn, omdat de risico's van overhaaste en slordige invoering de ouders en de instellingen voor grote problemen kunnen plaatsen. Hoe kijken de bewindslieden hier tegen aan? Welke uitvoeringsproblemen voorzien zij en denken zij een bepaalde overgangsperiode nodig te hebben? Ik bepleitte eerder al de samenhang in de verschillende kinderopvang. Is het denkbaar om de wet in dit opzicht ook als een groeimodel te gebruiken waarbij wij nu starten met de 0-4 jarigen en de BSO en langzamerhand de andere vormen geheel of gedeeltelijk onder de wet gaan vallen, zodat vanaf het begin de reikwijdte van de wet wel helder is aangegeven.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie