Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Trimbos Instituut Nieuwsflitsen

Datum nieuwsfeit: 06-12-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Trimbos Instituut

Nieuwsflits

16|00 Nummer 16, 6 december 2000

Nieuwe centra voor mensen met dementie en hun verzorgers

Het Trimbos-instituut en de Katholieke Universiteit Nijmegen starten binnenkort in de provincie Utrecht en in Nijmegen met nieuwe ontmoetingscentra voor thuiswonende ouderen met dementie en hun verzorgers. Deze zijn een vervolg op soortgelijke projecten in Amsterdam, Amstelveen en Groningen, die een groot succes blijken te zijn. Ook zijn er vergevorderde plannen voor centra in Uithoorn, Hoofddorp en Badhoevedorp.
Nederland telt ongeveer 150.000 mensen met dementie. Circa 80 procent van hen woont thuis en heeft op de een of andere manier behoefte aan ondersteuning. De mogelijkheden hiervoor in verpleeg- en verzorgingshuizen zijn niet toereikend.
Het overheidsbeleid is erop gericht ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen en dat is meestal ook de wens van hen zelf. Voor mensen met dementie kan dat alleen als er opvang voor hen is en steun gegeven wordt aan de verzorgers, die zelf ook de kans lopen op psychische problemen wanneer de belasting te zwaar wordt.
Onderzoek van de Vrije Universiteit bij twee Amsterdamse centra heeft aangetoond dat de formule van ontmoetingscentra voor ouderen met dementie en hun verzorgers goed werkt. De centra hebben een positief effect op de draagkracht van de verzorgers en op het functioneren van mensen met dementie, die hierdoor minder gedragsproblemen vertonen en langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. De centra onderscheiden zich van het reguliere aanbod, door het bieden van ondersteuning aan zowel ouderen met dementie als aan hun verzorgers. Voor de verzorgers, de zogenaamde mantelzorgers, bestaat het programma uit informatieve bijeenkomsten, gespreksgroepen en een spreekuur. De mensen met dementie kunnen drie dagen per week de dagsociëteit bezoeken die gevestigd is in een wijkcentrum. De begeleiding is gericht op wat dementerenden nog kunnen en sluit zoveel mogelijk aan bij hun interesses.
Het programma wordt uitgevoerd door een vast team van hulpverleners, dat op de hoogte is van zowel de situatie thuis als de gang van zaken op de dagsociëteit en dat ook bekend is met de plaatselijke sociale kaart, zodat de weg naar extra hulp of doorverwijzing bij de hand is. Door de Vrije Universiteit wordt samen met het Trimbos-instituut en de Katholieke Universiteit Nijmegen onderzoek gedaan naar het functioneren van zowel de nieuwe, als de bestaande ontmoetingscentra. Gekeken wordt welke varianten mogelijk zijn in de oorspronkelijke opzet en uitvoering, en welke mogelijkheden en obstakels er zijn voor verdere landelijke invoering van de centra. Het onderzoek wordt gefinancierd door ZorgOnderzoek Nederland, Stichting Zomerpostzegels, VSB-fonds en Sluytermans en van Loo, de stichting Valerius en de provincies Utrecht en Gelderland.

* Ina Boerema/Jacomine de Lange (030) 297 11 00
Leerwerkmap arbeid en opleiding voor psychiatrische patiënten Onlangs is de tweede fase van het project 'Ontwikkeling van een informatiesysteem over arbeid en opleiding voor cliënten met langdurige psychiatrische problematiek' gestart. In de proefregio Midden Brabant (Tilburg en omgeving) kunnen cliënten sinds 20 november een zogenoemde leerwerkmap raadplegen. Deze leerwerkmap is zo opgezet, dat cliënten hem zelfstandig kunnen doornemen. Hebben zij daarna behoefte aan hulp of meer informatie, dan kan een beroep worden gedaan op één van de drie consulenten, die speciaal voor dit project zijn aangetrokken.
De leerwerkmap informeert in kort bestek over de arbeids- en opleidingsmogelijkheden van cliënten. Daarnaast geeft hij een overzicht van wettelijke regelingen en subsidiemogelijkheden. Ook het probleem van het al dan niet verzwijgen van een psychiatrisch verleden bij een sollicitatie komt aan de orde. Tevens wordt beschreven bij welke organisaties cliënten terecht kunnen met hun vragen. Een ander onderdeel is de beschrijving van instellingen, met een compleet overzicht van alle relevante instellingen in Midden Brabant. Bij het bedenken van de inhoud en de opzet van de leerwerkmap zijn cliënten op verschillende manieren betrokken geweest. Mede op hun wens is de leerwerkmap niet alleen afgestemd op (de weg naar) betaald werk. Cliënten benadrukten dat dit doel vaak ver weg is. Daarom bevat het systeem veel informatie over vrijwilligerswerk en andere alternatieven voor regulier werk en reguliere opleidingen.
In de tweede fase van het project, van juli 2000 tot mei 2001, moet inzicht worden verkregen in de bruikbaarheid van dit voorlichtingsexperiment. Aan de hand van vragenlijsten, registratie en interviews hopen de projectmedewerkers aanknopingspunten te krijgen voor een nieuwe, verbeterde versie van de leerwerkmap. Ook belangrijk is dat in deze fase wordt nagegaan hoe deze voorlichting een vaste plaats kan krijgen in de regio Midden Brabant. Tevens wordt de mogelijkheid van landelijke toepassing verkend. De komende maanden zal de leerwerkmap bij wijze van proef worden toegepast op drie locaties in Tilburg, te weten arbeidsrehabilitatiecentrum Switsj, de Infodesk cliënten en betrokkenen in de GGZ en de ruimte van de cliëntenraad GGZ Midden Brabant. Drie consulenten worden getraind en begeleid door het Regionaal Patiënten en Consumenten Platform (RPCP) Midden Brabant. De consulenten doen hun werk voorlopig op vrijwillige basis. De mogelijkheden om er een betaalde baan van te maken worden onderzocht. Het project is een gezamenlijke onderneming van het Trimbos-instituut, het Regionaal Patiënten en Consumenten Platform (RPCP) Midden Brabant, GGZ Midden Brabant, het Steunpunt Vrijwilligerswerk van Contour en het arbeidsrehabilitatiecentrum Switsj. Het project wordt gefinancierd door ZorgOnderzoek Nederland en door de genoemde Tilburgse instellingen.

* Harry Michon (030) 297 11 00

Vaktherapeuten in de GGZ
In het najaar van 1998 besloten de Nederlandse vereniging voor psychomotorische therapie (NVPMT) en de beroepsvereniging van creatief therapeuten (NVKT) samen een start te maken met het expliciteren en verduidelijken van hun therapie-aanbod. Daarmee wilden zij meer inzicht geven in het eigene van activiteiten van psychomotorisch en creatief therapeuten en daarnaast een aanzet geven tot een meer gesystematiseerde samenwerking in de behandelpraktijk. Deze samenwerking moest resulteren in een samenhangend en expliciet behandelaanbod en bijdragen aan een duidelijker positionering van de beide beroepsgroepen in de zorg. Het initiatief werd ondersteund door de hoofdinspectie van de geestelijke gezondheidszorg en het Nationaal Fonds voor de Geestelijke Volksgezondheid.
Het leidde ertoe dat het Trimbos-instituut, in samenwerking met beide beroepsverenigingen het project Producten van vaktherapeuten startte. Doel hiervan was om aan de hand van beschrijvingen van interventies het eigene van beide disciplines te verduidelijken. Hierdoor ontstaat meer zicht op het eigene en het gemeenschappelijke van iedere beroepsgroep.
Het project bestond uit drie fasen.
In de eerste fase van het project heeft een coördinerend forum het begrip product geoperationaliseerd. Producten zijn omschreven als uitgewerkte typeringen van hulpvraag-aanbodcombinaties op het gebied van (deel)diagnostiek en aanvullend onderzoek, advisering en behandeling. Producten beschrijven welke therapeutische interventies bij welke specifieke hulpvragen van cliënten tot welke resultaten leiden. Deze eerste fase leidde tot een opzet voor de structuur van een disciplinespecifiek document.
In de tweede fase zijn vervolgens twee disciplinedocumenten uitgewerkt voor de behandeling van mensen met een stemmingsstoornis. Enerzijds door een disciplineforum psychomotorische therapie en anderzijds door een disciplineforum creatieve therapie. In de derde fase is in een discussie aan de hand van beide disciplinedocumenten geprobeerd consensus te bereiken over het gemeenschappelijke, dan wel het specifieke en complementaire van beide typen vaktherapie. De resultaten van het project zijn weergegeven in de bundel Vakwerk. Producttyperingen van vaktherapeuten voor het programma stemmingsstoornissen en op 3 november jongstleden gepresenteerd op het symposium Vakwerk.
De bundel geeft een overzicht van de producten van vaktherapeuten. Ook wordt terloops aandacht besteed aan de proceskant. Het formuleren van producten blijkt aanleiding te zijn geweest voor heel wat vragen van vaktherapeuten en voor een flinke discussie over aard en inhoud van de verschillende therapieën. Productbeschrijvingen blijken vooral therapiespecifieke elementen te benoemen en minder in te gaan op de non-specifieke factoren en het therapeutisch proces. Groot voordeel van producttyperingen is dat zij volop mogelijkheden bieden voor het opzetten en uitvoeren van effectonderzoek. De psychomotorisch therapeuten hebben bovenstaande exercitie vervolgens uitgebreid naar de zorg voor mensen met andere stoornissen (psychotische stoornissen, angststoornissen, somatoforme stoornissen, eetstoornissen en de antisociale persoonlijkheidsstoornis). De resultaten van deze aanvullende exercitie zijn gebundeld in de publicatie In beweging. De ontwikkeling van producten voor psychomotorische therapie. De beschreven producten in deze bundel geven de huidige stand van zaken weer in het proces naar verduidelijking en verheldering van het zorgaanbod van psychomotorische therapie.
Vakwerk en In beweging zijn te bestellen bij de telefoniste van het Trimbos-instituut (030) 297 11 00. Vakwerk heeft bestelnummer 2000-13 en kost f 32,50. In beweging heeft bestelnummer 2000-11 en kost f 35,00.

* Marion van Hattum (030) 297 11 00

Verslaafd, allochtoon en drop-out
Waarom blijft een groot deel van de allochtone verslaafden maar kort in de verslavingshulpverlening? In een studie van het Trimbos-instituut is gezocht naar redenen en motieven van allochtone verslaafden om de intramurale verslavinghulpverlening vervroegd te verlaten. Het betreft een kwalitatieve studie waarin allochtone drop-out cliënten, autochtone drop-out cliënten en hulpverleners zijn geïnterviewd. De studie is gefinancierd vanuit het programma verslaving van ZON.
Het vergroten van de toegankelijkheid van de zorg en het verlagen van de drop-out cijfers zijn twee belangrijke doelen bij het verbeteren van zorg voor allochtone verslaafden. Dit onderzoek levert materiaal voor een hoognodige contemplatie over de kwaliteit van de verslavingshulpverlening voor de diverse doelgroepen die er gebruik van zouden willen maken. De conclusies van de verkennende studie zijn niet schokkend: veel allochtone cliënten vinden het huidige hulpverleningsaanbod te `wit' en zeggen dat sommige programma onderdelen niet aansluiten bij hun behoeften en culturele identiteit. Het onderzoeksverslag gaat verder dan deze algemene zaken die bij velen al bekend zijn en biedt inzicht in de precieze beleving van de zorg. Door de kwalitatieve interviews wordt het mogelijk om de ervaringen van de allochtone verslaafden te vergelijken met de indrukken van hulpverleners en op grond daarvan conclusies te trekken over mogelijke verbeteringen voor het hulpaanbod. De redenen en motieven van allochtone verslaafden om de zorg vervroegd te verlaten, worden onderscheiden in cliëntkenmerken, hulpverlenerskenmerken, interactiekenmerken en omgevingskenmerken. Een belangrijk cliëntkenmerk is een medische of materiële visie op het verslavingsprobleem. Dit is lastig omdat de cliënt de problemen die aan de verslaving ten grondslag liggen grotendeels buiten zichzelf plaatst, terwijl de hulpverlening juist gericht is op eigen verantwoordelijkheid. Een relevant hulpverlenerskenmerk is de allochtone of autochtone achtergrond van hulpverleners. Veel cliënten willen graag iemand met een gelijke culturele achtergrond en zijn terughoudend en wantrouwend tegenover autochtone hulpverleners. Daarnaast kan het bij jonge, onervaren, vrouwelijke en niet-medische hulpverleners vaak lang duren voor er een vertrouwensband ontstaat. Bij de interactieproblemen werden communicatieproblemen en een taalbarrière genoemd.
Omgevingskenmerken die bijdragen aan het vervroegd vertrekken van allochtone cliënten zijn bijvoorbeeld groepsgerichte programmaonderdelen en bepaalde hiërarchische verhoudingen. Het rapport eindigt met een lijst met adviezen ter vermindering van drop-out bij allochtone cliënten. De adviezen staan beschreven in eerder genoemde categorieën (cliënt, hulpverlener, interactie, omgeving). Een voorbeeld is om meer tijd te nemen voor probleemverheldering. Ook geven cliënten aan het stimulerend te vinden om andere allochtonen te ontmoeten die van hun verslaving af zijn en tot voorbeeld kunnen zijn. Ervaringsdeskundige allochtonen zouden bij een psycho-educatietraining kunnen worden betrokken. Er staan tips in op het gebied van communicatie en het programma-aanbod. Het boekje is geschreven door Ella Broers en Anne Eland, kost f 30,- en is te bestellen bij de telefoniste van het Trimbos-instituut (030) 297 11 00, onder vermelding van Trimbos-reeks 2000-12.
* Anne Eland (030) 297 11 00

Symposium allochtonen en verslavingszorg De hulp aan allochtone verslaafden verkeert al jaren in een impasse. Ondanks vele inspanningen lijkt de situatie vooralsnog niet te verbeteren. In de afgelopen twee jaar zijn er verschillende onderzoeken gedaan naar allochtone verslaafden binnen en buiten de zorg. Vanuit het Trimbos-instituut wordt nu een poging ondernomen tot uitwisseling van kennis uit de onderzoeken en de ervaringen van hulpverleners. Daarom wordt op 8 mei in Utrecht een symposium georganiseerd over allochtone verslaafden en de hulpverlening. Doel is om hulpverleners op de hoogte te brengen van conclusies uit lopende en recent afgeronde onderzoeken en om met hen in discussie te gaan over mogelijke verbeteringen in de zorg. Gestreefd wordt naar een document dat als checklist gebruikt kan worden bij de intake van allochtone cliënten in de verslavingshulpverlening.
's Ochtends staan er presentaties van verschillende onderzoeksinstituten op het programma over zaken als: redenen van allochtone verslaafden om geen hulp te vragen, drop-out van allochtone verslaafden, winti en mogelijke interventies om drop-out te voorkomen. 's Middags wordt in kleinere groepen commentaar vanuit de praktijk van de hulpverleners gevraagd op de conclusies uit het onderzoek. Centraal staan de implementatiemogelijkheden van de aanbevelingen uit de onderzoeken. Thema's voor de middagbijeenkomsten zijn onder andere: visie op de hulpverlening, normen en waarden, communicatie, organisatie van zorg.
Het symposium wordt gehouden op 8 mei in de Driehoek in Utrecht en gaat ongeveer 175 gulden kosten. Het wordt georganiseerd door Het Trimbos-instituut en Arta (antropsofische instelling voor verslavingszorg). U kunt zich opgeven bij Mieke Hommels (030) 297 11 31.

* Anne Eland (030 ) 297 11 00

Bajescliënten - Het MGv in december Het decembernummer van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid is gewijd aan de forensische psychiatrie, een vakgebied dat de laatste jaren nogal ter discussie staat. Zijn de Nederlandse tbs-klinieken, bijvoorbeeld, wel in staat om de samenleving voldoende te beschermen? Een van de moeilijkheden is dat `ter beschikking gestelden' pas in behandeling komen zodra ze hun straf hebben uitgezeten (én er plaats voor hen is in een kliniek). Scheiding van behandeling en straf is een groot goed, maar kunnen de nadelen ervan niet worden ondervangen? S.M.M. Lammers, S.A. Oosterhoff, H. Groen en A.W. Knol beschrijven een experiment in Overijssel: `tbs-passanten' worden al in detentie voorbereid op hun behandeling, door kennismakingsgesprekken met psychotherapeuten. Die laatsten dragen geen verantwoordelijkheid voor de bewaking, en dat leidt soms tot wrijving met de Penitentiaire Inrichtingswerkers.
Gedetineerden zijn vaak psychisch ongezond, zwakbegaafd of verslaafd. Dat wil niet zeggen dat zij niet kunnen zitten maar wel dat samenwerking tussen justitie, ggz, jeugd-, verslavings- en zwakzinnigenzorg geboden is. De regering streeft naar het vormen van `forensische zorgcircuits' en het ontwikkelen van `ketengerichte zorg'. Erik Mol en Pierre Stalman stellen een regionaal samenwerkingsverband ten voorbeeld.
Interventies beginnen en eindigen met een rapport Pro Justitia. Van zo'n onderzoeksverslag hangt veel af, zowel voor de enkeling als voor de maatschappij. Vandaar de aandrang op meer exactheid bij het taxeren van het risico dat psychisch gestoorde delinquenten recidiveren. Volgens Joke M. Harte is het nut van `actuariële' instrumenten echter beperkt: ze kunnen vooralsnog niet de plaats innemen van het klinische oordeel. Rapporteurs Pro Justitia moeten erkennen dat ze minder zekerheid kunnen bieden dan de samenleving verlangt. Konden ze maar van hun fouten leren: `In de huidige situatie horen gedragskundigen na het onderzoek Pro Justitia in de regel nooit meer iets over de persoon in kwestie.'
Op dat gebrek aan feedback wijst ook Nils Duits. Rapporteren Pro Justitia is vooral moeilijk, zegt hij, wanneer het gaat over jeugdige delinquenten. De vragen die de rechtbank stelt sluiten namelijk slecht aan bij de jeugdpsychiatrische diagnostiek. De toerekeningsvatbaarheid en `behandelbaarheid' van jeugdigen, bijvoorbeeld, zijn lastig te bepalen. Toch krijgen steeds meer jeugdigen de ingrijpendste maatregel opgelegd: `Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen' (pij). De meesten hebben al een hele delinquente loopbaan achter de rug - maar slechts enkelen kwamen eerder in aanraking met de jeugd-ggz. Is een pij-maatregel dan wel het geëigende middel? Over weinig delicten is het publiek zo verontrust als over zedenmisdrijven. De schrik zit erin, en de argwaan is groot: vervallen `sex offenders' niet vaak opnieuw in het kwaad? Op basis van onvolmaakte maar unieke gegevens schetsen A.Ph. van Wijk en H. Ferwerda een genuanceerder beeld van `de zedendelinquent' -- of liever: van de plaats die verkrachting, aanranding en lichtere zedendelicten innemen in de criminele carrière van de hen die zich er schuldig aan maakten. Die loopbaan nu blijkt veelal lang, maar de `seksuele recidive' lijkt beperkt: slechts een minderheid wordt betrapt op meer dan één zedendelict.
Meer over forensische psychiatrie in Boeken en Bijeenkomsten: Marijke Drost bespreekt een recente bundel en Bauke Koekkoek een nog recenter congres, over persoonlijkheidsstoornissen in de ggz en justitie.

Het Maandblad Geestelijke volksgezondheid
is een uitgave van het Trimbos-instituut (Netherlands Institute of Mental Health and Addiction) in samenwerking met Bohn StafleuVan Loghum. Het heeft een onafhankelijke redactie.
Losse nummers zijn te bestellen bij de uitgeverij: BSL Klantenservice, Postbus 246; 3990 GA Houten; tel.: (030) 638.3736; fax: (030) 638.3999; e-mail: klantenservicebsl.nl

* David Bos (030) 297 11 00

16|00

Nummer 16, 6 december 2000

Colofon

Het Trimbos-instituut is een onafhankelijk landelijk kenniscentrum voor de GGZ en verslavingszorg met als doel de geestelijke gezondheid van mensen te bevorderen.
Nieuwsflitsen voorziet mensen die betrokken zijn bij de GGZ en verslavingszorg kort en bondig van informatie over activiteiten, diensten, producten en resultaten van het Trimbos-instituut. Nieuwsflitsen mag vrijelijk worden gekopieerd en verspreid.

Redactie

Henk Maurits,
email: (hmaurits@trimbos.nl)
Henk Verburg,
e-mail: (hverburg@trimbos.nl)

Opmaak

Heidie Wisselo

Adreswijzigingen

Peter Stark,
e-mail: (pstark@trimbos.nl)

Belangrijke telefoonnummers

Bestellingen 030 297 11 00
Bibliotheek 030 297 11 17
Mediatheek 030 297 11 13
Helpdesk Preventie (LSP/LOP) 030 297 11 51
Drugs Informatie Lijn 0900-1995

Trimbos-instituut
Netherlands Institute of Mental Health and Addiction Da Costakade 45
Postbus 725 3500 AS Utrecht
Telefoon (030) 297 11 00
Fax (030) 297 11 11

Homepage

Copyright © 2000 Trimbos-instituut All rights reserved.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie