Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vragen n.a.v.de tweede suppletore begroting ministerie

Datum nieuwsfeit: 08-12-2000
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

www.minbuza.nl\content.asp?Key=405049



Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 Den Haag Directie Financieel-Economische Zaken Afdeling Begrotingszaken Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag

Datum 8 december 2000 Auteur Gera Sneller

Kenmerk FEZ/BZ-456/00 Telefoon +31 70 348 5319

Blad /1 Fax +31 70 348 6128

Bijlage(n) 1 E-mail (gaa.sneller@minbuza.nl)

Betreft Vragen naar aanleiding van de tweede suppletore begroting 2000 van Buitenlandse Zaken

Zeer geachte Voorzitter,

Hierbij heb ik de eer u, mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de antwoorden aan te bieden op de vragen gesteld door de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de tweede suppletore begroting 2000 van Buitenlandse Zaken (wijzigingen samenhangende met de Najaarsnota; 2000-2001, 27 525, nr. 1).

De Minister van Buitenlandse Zaken a.i.

Eveline Herfkens

Antwoorden op de vragen gesteld door de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de Tweede Suppletore Begroting 2000 van Buitenlandse Zaken (wijzigingen samenhangende met de Najaarsnota)

Kamerstuknummer : 27525V

Nr Vraag Blz van tot


1 Art. 21.01: ten opzichte van de ontwerpbegroting is sprake van een stijging van het benodigde budget, ten opzichte van de eerste suppletore begroting een forse daling. Vertraging bij de ambassades wordt als oorzaak genoemd. Wat is hiervan het gevolg voor het realiseren van de doelstellingen van het beleid? Zie de antwoorden op vraag 6 en 29 ?


2 Art. 15.01: bij de begroting 2000 is het budget verhoogd met 763 miljoen tot 896,9 miljoen. Naar aanleiding van mutaties geresulteerd in een neerwaartse bijstelling van circa 100 miljoen naar 761 miljoen. In de toelichting wordt alleen opgesomd hoeveel er nodig is voor schuldverlichting en begrotingssteun. Vijf miljoen wordt meer uitgeven aan schuldverlichting dan in de begroting is voorzien. Welke activiteiten voor een totaalbedrag van 100 miljoen gaan niet door? Zie het antwoord op vraag 33. ?


3 Art. 18.04: Hoe wil de regering bevorderen dat in de toekomst voldoende en onderbouwde ORET aanvragen binnenkomen mede gezien het hiervoor beschikbare budget van 220 miljoen voor 2001? Antwoord Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Nota "Ondernemen tegen armoede" (2000-1001, 27467, nr. 1). ?


4 Bij de artikelen met de landenprogramma's (artikel 13.08 met betrekking tot sociale ontwikkeling, artikel 14.08 Landenprogramma's met betrekking tot onderwijs en cultuur, en artikel 18.01 Landenprogramma's met betrekking tot economische ontwikkeling) wordt in een adem de plussen en minnen opgesomd. Kan een nadere verdeling naar verhogingen en verlagingen en oorzaken gegeven worden? Zijn de vertragingen cq de ophogingen geconcentreerd bij bepaalde landen/ambassades? Wat zijn de gevolgen van deze vertragingen? Zijn er als gevolg hiervan landen die aanmerkelijk minder steun ontvangen dan was voorzien? Zie het antwoord op vraag 6. ?


5 Kan een meer inhoudelijke toelichting worden gegeven op de wijzigingen bij de gedelegeerde budgetten? Zie het antwoord op vraag 6 0


6 Een aantal ambassades heeft aangegeven het oorspronkelijk toegekende budget voor landenprogramma's met betrekking tot sociale ontwikkeling en onderwijs en cultuur voor 2000 niet uit te putten vanwege vertraging in de voortgang van de projecten. Ook vorig jaar was dit het geval. Wordt er aan verbetering gewerkt? Antwoord op vraag 1, 4, 5 en 6 De landenprogramma's zijn grotendeels gedelegeerd aan een groot aantal ambassades met elk drie tot vijf budgetten. Uit elk van deze deelbudgetten worden vervolgens weer meerdere activiteiten gefinancierd. Sommige daarvan gaan wat sneller dan verwacht, andere wat langzamer. De ambassades leggen deze mutaties per deelbudget in september ter goedkeuring voor. Bij de daarop volgende aanpassing van hun budget wordt gelet op de mate waarin de mutaties onvermijdelijk zijn en wordt gekeken of de mutaties acceptabel zijn in het licht van de ontwikkeling van het totale budget voor een land. Een veel genoemde oorzaak bij verlagingen is dat de opzet van nieuwe programma's volgens de uitgangspunten van sectorale benadering in eerste instantie meer tijd kost. De resulterende schommelingen per deelbudget per land leiden per saldo tot verlagingen of verhogingen op het niveau van begrotingsartikelen, die op hoofdlijnen zijn toegelicht in de tweede suppletore begroting. Daarbij worden de belangrijkste landen waar verhogingen of verlagingen optreden vermeld. Tenzij de oorzaak is gelegen in beleidsrelevante ontwikkelingen zoals het stilleggen van de totale samenwerking met een land als gevolg van bijvoorbeeld een oorlogssituatie of juist de hervatting daarvan of er sprake is van beleidswijzigingen, heeft een opsomming van achterliggende oorzaken over het algemeen niet zoveel zin. Het is immers een optelsom van honderden, vaak zeer projectspecifieke omstandigheden. Er is geen duidelijk patroon in te ontdekken Er zijn weliswaar ambassades waar dit jaar per saldo vooral verlagingen of verhogingen optreden, maar deze vallen onder de normale schommelingen. Het resultaat van alle verhogingen en verlagingen is per land veelal redelijk budgetneutraal. In een aantal landen resulteert echter per saldo een hoger of lager budget. De grootste verhogingen (meer dan NLG 5 miljoen) betreffen India (NLG 5,2 miljoen), Zambia (NLG 5,4 miljoen) en Indonesië (nieuw programma van NLG 157 miljoen). De grootste verlagingen betreffen Bangladesh (NLG 14,9 miljoen), Bolivia (NLG 6 miljoen), Ethiopië (NLG 7,4 miljoen), Palestijnse Gebieden (NLG 6,8 miljoen), Egypte (NLG 5,1 miljoen), Ecuador (NLG 5,5 miljoen), Peru (NLG 8 miljoen), Senegal (NLG 7,2 miljoen), Kenia (NLG 8,9 miljoen), Namibië (NLG 9,1 miljoen), Zimbabwe (NLG 12,4 miljoen), China (NLG 11 miljoen), Guatemala (NLG 9,2 miljoen) en Costa Rica (NLG 6,7 miljoen). 0


7 Kan een overzicht gegeven worden welke bedragen zijn uitgegeven ten behoeve van de landen waarmee Nederland een structurele bilaterale ontwikkelingsrelatie heeft en voor welke sectoren deze bestemd waren, uitgesplitst per land? Antwoord: Hieronder volgen per land de geraamde totale uitgaven voor de gedelegeerde programma's en de gekozen sectoren in 2000 (in miljoenen guldens) Bangladesh 62 miljoen: Waterbeheer, Gezondheidszorg, Onderwijs Bolivia 51 miljoen: Participatie & Decentralisatie, Onderwijs, Rurale ontwikkeling Burkina Faso 38 miljoen: Rurale ontwikkeling, Primaire gezondheidszorg, basisonderwijs Eritrea 5 miljoen: Voor lopende programma's ;sectorbeleid nog niet gespecificeerd Ethiopië 38 miljoen: Voor lopende programma's ;sectorbeleid nog niet gespecificeerd Ghana 15 miljoen: Gezondheidszorg, Milieu India 68 miljoen: Gezondheidszorg, onderwijs, Urbane ontwikkeling, Rurale ontwikkeling Jemen 43 miljoen: Onderwijs, Water, Gezondheidszorg, Landbouw Macedonië 50 miljoen: Onderwijs, Landbouw, Openbaar bestuur Mali 32 miljoen: Onderwijs, Gezondheidszorg, Rurale ontwikkeling Mozambique 59 miljoen: Onderwijs, Basis gezondheidszorg, Water & Sanitatie, Milieu Nicaragua 20 miljoen: Rurale ontwikkeling, Kleine bedrijven, Gezondheidszorg Sri Lanka 20 miljoen: Rurale ontwikkeling, Milieu, Rehabilitatie en verzoening Tanzania: 74 miljoen: Onderwijs. Lokaal bestuur, Gezondheidszorg en drinkwater, Private sector Uganda 31 miljoen: Onderwijs, Rurale ontwikkeling, Lokaal bestuur, Juridische sector Vietnam 29 miljoen: Bossen en biodiversiteit, Waterbeheer, Watertransport, Gezondheidszorg Zambia 49 miljoen: Gezondheidszorg, Onderwijs, Economische ontwikkeling Egypte 34 miljoen: Waterbeheer, Drinkwater, Sanitatie Indonesië 154 miljoen: Goed bestuur, Milieu, Armoedebestrijding Palestijnse gebieden 31 miljoen: Landbouw, Water, Basisonderwijs Zuid-Afrika 49 miljoen: Onderwijs, Justitie, Lokaal bestuur, Jeugdbeleid 1 32


8 Kan worden aangegeven welke bedragen zijn uitgegeven ten behoeve van de zogenaamde themalanden, uitgesplitst per land? Antwoord: Hieronder volgen voor elk van de themalanden "milieu" en/of "goedbestuur, vredesopbouw en mensenrechten" de geraamde totale uitgaven voor de gedelegeerde programma's in 2000 (inclusief exit-programma's, in miljoenen guldens). Themalanden Milieu Brazilië: 4.0 Ecuador: 14.2 Filippijnen: 16.9 Kaap Verdie: 15.2 Mongolië: 9.0 Peru: 21.4 Senegal: 12.6 Totaal: 93.3 Themalanden Goed bestuur, vredesopbouw en mensenrechten Albanië 9.0 Armenië 2.6 Bosnië 110.0 Cambodja 13.1 El Salvador 4.9 Georgië 0.7 Guinee Bissau 10.2 Honduras 11.5 Kenia 34.9 Moldavië 30.3 Namibië 4.9 Rwanda 44.0 Zimbabwe 30.4 Totaal 306.5 Themalanden Milieu en Goedbestuur, vredesopbouw en mensenrechten China 16.0 Colombia 9.9 Guatemala 25.6 Nepal 10.6 Pakistan 28.8 Totaal 90.9 1 32


9 Is het de verwachting dat de negatieve loon- koers- en prijsontwikkeling zich in 2001 voortzet? Antwoord: Er zal altijd sprake zijn van een zekere loon-, koers- en prijsontwikkeling. In welke mate is thans niet te voorzien. Een belangrijk deel van hiervan is immers afhankelijk van een aantal vooraf niet te beïnvloeden factoren zoals bijvoorbeeld nieuwe CAO-afspraken, waardoor de loonkosten stijgen, internationale inflatie en wisselkoersontwikkelingen. Met name de ontwikkeling van de dollarkoers in de nabije toekomst is niet te voorspellen. Het jaar 2000 is een jaar geweest met een hoge dollarkoers. 2


10 Was voortzetting van de lease van de huidige residentie en kanselarij in Londen, in retrospect, niet een beter voorstel dan verhuizing (zie ook recent interview met ambassadeur Bentinck in Volkskrant-magazine)? Antwoord: Voor de goede orde zij vermeld dat de kanselarij in Londen niet wordt geleasd. Dit is een eigendomspand. De lease-overeenkomst van de huidige residentie in Londen eindigt in 2002. De vraagprijs voor verlenging van de lease zou uitkomen op een marktconforme prijs van GBP 20 miljoen (ca. NLG 75 miljoen). Gezien deze zeer hoge vraagprijs en de grootte van het pand is enkele jaren geleden besloten om te zien naar een alternatief. Het alternatief waarvoor is gekozen is een eigendomspand (hetgeen wordt geprefereerd boven lease) nabij de kanselarij, dat kon worden verkregen voor ca. de helft van de prijs van de huidige residentie. Deze nieuwe residentie voldoet aan alle functionele en representatieve eisen. 2


11 Heeft de uitbreiding van het noodhulpprogramma voor Ethiopië/Eritrea een functionele link met UNMEE? Antwoord: De uitbreiding van het noodhulpprogramma in Ethiopië en Eritrea is bedoeld om de humanitaire noden in beide landen te verlichten. Het betreft zowel nood als gevolg van voedselschaarste als nood die voortvloeit uit de gevoerde oorlog tussen beide landen. Humanitair ontmijnen en andere hulp voor de terugkeer van ontheemden naar de voormalig bezette gebieden is bedoeld om de situatie te stabiliseren en voor de getroffen bevolking te verzachten. 3


12 Waardoor worden de vertragingen bij de uitvoering van de milieuactiviteiten in ontwikkelingslanden veroorzaakt? Vinden de Nederlandse bijdragen aan het GEF en het Verwoestijningssverdrag wel direct goed functionerende bestemmingen? Zie eveneens het antwoord op vraag 29. Bij het GEF en het Verwoestijningsverdrag (UN Convention to combat desertification) is geen sprake van tegenvallende uitgaven. De wijze waarop de middelen worden uitgegeven sluit aan bij het Nederlands beleid. 3


13 Wat zijn de oorzaken en gevolgen van de verlaging van het budget op het ministerie voor mensenrechtenprojecten? Wordt iets gedaan aan het stimuleren van kwalitatief goede projectvoorstellen? Antwoord: Het budget voor 2000 is vanwege onderuitputting verlaagd. Deze onderuitputting is een gevolg van het overgangsjaar waarin de Directie Mensenrechten en Vredesopbouw zich bevindt. Er vindt een herstructurering van het projectenpakket op het gebied van mensenrechten plaats, zowel inhoudelijk als procedureel. Daarnaast dient een aantal problemen van beheersmatige aard met VN-instanties, waaronder het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens, te worden opgelost. Het ligt in de bedoeling om in de komende periode met inachtneming van de prioritaire doelstellingen op het terrein van mensenrechten beleidsmatig en beheersmatig goede voorstellen te genereren. 3


14 Zijn de - terechte - verhogingen van de Nederlandse bijdrage aan UNHCR en UNRWA structureel? Zijn deze bijdragen niet geïndexeerd? Antwoord: De verhogingen van de Nederlandse bijdrage aan UNHCR en UNRWA zijn structureel. Beide verhogingen zijn eveneens verwerkt in de ontwerpbegroting 2001. De bijdragen zijn niet geïndexeerd. 3


15 Wat is de reden dat het budget voor Samenwerking met Internationale Instituten verlaagd wordt met NLG 10,4 miljoen en dat voor het Academische Samenwerkingsprogramma met NLG 1,7 miljoen? Antwoord: Het programma voor Samenwerking met Internationale Instituten (SII) richt zich op versterking van de onderwijssector in ontwikkelingslanden. De onder dit begrotingsartikel ondergebrachte activiteiten die niet aan deze doelstelling bijdragen worden (zoals in de Memorie van Toelichting 2000 aangekondigd) gefaseerd afgebouwd. Dit proces is inmiddels gestart. De identificatie van nieuwe activiteiten die wel aan de doelstelling bijdragen kost echter meer tijd dan verwacht. Om deze reden zijn de uitgaven binnen het SII lager uitgevallen en is het budget in de loop van dit jaar teruggebracht met NLG 8,4 miljoen. Daarnaast is NLG 2 miljoen ten behoeve van het Nederland-Israël Programma doorgeschoven naar 2001 (zie de brief van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan de Tweede Kamer van 17 oktober 2000, 2000-2001, 27400 V, nr.6). Het Academische Samenwerkingsprogramma (ASP) omvat drie programma's. Een van deze programma's verkeerde in 1999 nog in een opbouwfase, waardoor niet alle financiële middelen zijn uitgeput. In het kader van de eindejaarsmarge is toen NLG 1,7 miljoen overgeheveld naar 2000. In verband met de herstructurering van de hoger onderwijsprogramma's, in het kader van de uitwerking van het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Internationaal Onderwijs (IBO-IO), is in 2000 besloten tot de afbouw van de huidige programma's. In een dergelijke situatie is het niet opportuun tot een uitgavenintensivering over te gaan. Daarom zullen de reguliere middelen van het ASP in 2000 geheel worden uitgegeven, maar de via de eindejaarsmarge naar 2000 overgehevelde NLG 1,7 miljoen niet. 4


16 Waarom is de bijdrage aan de Caraibische Ontwikkelingsbank vervallen? Antwoord: De bijdrage aan de Caraibische Ontwikkelingsbank is vervallen omdat Nederland niet deelneemt aan de middelenaanvulling van het zachte loket van de Bank (het Special Development Fund) voor de periode 2000-2002. Nederland is geen lid van de Caraïbische Ontwikkelingsbank, maar droeg eerder wel bij aan het zachte loket van de Bank. Het ging om een test case voor lidmaatschap van de Bank, waarbij het belang van de Nederlandse Antillen en Aruba centraal stond. Inmiddels is gebleken dat het lidmaatschap, ook voor de Nederlandse Antillen en Aruba, geen reële optie is, ondermeer vanwege het vereiste dat lenende regionale leden lid moeten zijn van Caricom en omdat de kosten relatief hoog zijn. 4


17 Past het voorstel van het SLO voor het BTE project niet in het verhoogde budget voor basisonderwijs Indonesië? Antwoord op vraag 17 en 31 In het kader van de onderwijssamenwerking met Indonesië is gekozen voor het multilaterale kanaal. Via dit kanaal wordt het decentralisatieproces van de overheid met betrekking tot basic education ondersteund. In deze benadering past dus het voorstel van het SLO niet. 4


18 Gelden problemen met de sterk gestegen dollarkoers ook voor andere begrotingsonderdelen, zo ja, welke? Zijn deze te verzekeren c.q. af te dekken? Antwoord: Ja, ook voor andere begrotingsonderdelen kan sprake zijn van verhogingen als gevolg van een sterk gestegen dollarkoers. Voorbeelden hiervan zijn de verhogingen op de begrotingsartikelen 07.01 (personeel&materieel buitenland), 07.02 (gebouwen buitenland), 12.01(milieubeleid), 17.01 (contributies internationale organisaties) en 18.03 (IFAD). Het Rijk verzekert dergelijke koersontwikkelingen in beginsel niet (conform comptabele wetgeving terzake) en dekt dit ook niet af. Het onvoorspelbare karakter van de dollarkoers is hier mede debet aan. Voor veel uitgaven van Buitenlandse Zaken is het exacte betaalmoment niet altijd duidelijk en de bestaande regelgeving staat het afdekken van koersrisico's voor dergelijke uitgaven niet toe. 4


19 Is de onvoldoende instroom van goed onderbouwde en volledige ORET-aanvragen het gevolg van onbekendheid met de vereisten of zijn er te weinig kwalitatief hoogwaardig projecten die in aanmerking zouden kunnen komen voor de ORET? Indien er sprake is van onbekendheid met de vereisten; wat kan worden gedaan om het bedrijfsleven te brengen tot betere onderbouwde ORET-aanvragen? Wie toets de voorstellen? Bestaat over het oordeel "niet volledig c.q. niet goed onderbouwd" overeenstemming c.q. overleg met het bedrijfsleven en/of VNO/NCW en MKB? Antwoord: De onvoldoende instroom is niet het gevolg van onbekendheid met het programma. De hoofdlijnen staan goed uiteengezet in een programmabeschrijving. Hebben bedrijven nog vragen alvorens een aanvraag wordt ingediend, dan kan overleg plaatsvinden met het Ministerie van Buitenlandse Zaken (DGIS). Er komen wel te weinig complete en goedonderbouwde aanvragen binnen. Compleet wil zeggen: met haalbaarheidstudie en met prioriteitsverklaring van de ontvangende overheid. Toetsing op de compleetheid van een voorstel wordt gedaan door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (DGIS). Voorts toetst het Nederlands Economisch Instituut (NEI) de aanvragen op de haalbaarheid. 5


20 Met welke onvoorziene uitgavenontwikkelingen wordt gerekend in de HGIS en voor welk bedrag? Antwoord: Onvoorziene uitgavenontwikkelingen zijn met name vooraf niet voorzienbare overschrijdingen op HGIS-begrotingsposten die niet compenseerbaar blijken te zijn binnen bestaande HGIS-programma's. De HGIS kent in artikel 07.04 (indexering lonen en prijzen HGIS en nader te verdelen middelen) op de begroting van Buitenlandse Zaken een voorziening waaruit naast loon- en prijscompensatie ook onvoorziene uitgavenontwikkelingen in beginsel dienen te worden bestreden. Voor 2000 bedroeg ten tijde van de vermoedelijke uitkomsten (Miljoenennota 2001) de totale voorziening NLG 62 miljoen. 6


21 Waarom wordt wederom rekening gehouden met een onderuitputting van de HGIS? Antwoord: Op diverse begrotingsartikelen is sprake van verlagingen vanwege vertragingen in de uitvoering van projecten. Zo is op begrotingsartikel 06.01 vertraging opgetreden bij het nieuwe personeelsbeleid en bij projecten van het Nationaal Bureau voor verbindingsbeveiliging. Bij begrotingsartikel 07.01 is aangegeven dat een deel van de activiteiten voor asielbeleid en automatisering vertragingen hebben ondervonden. Ook bij diverse programma-uitgaven (internationale conferenties art 07.03, Azië-faciliteit art 15.09, Internationale culturele betrekkingen art 14.09 en Haagsche Conferentie art 06.06) zijn verlagingen doorgevoerd. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de desbetreffende begrotingsartikelen. 6


22 Waaraan is het non-ODA deel van de HGIS besteed waarvoor bij Voorjaarsnota nog geen besteding was gevonden? Antwoord: De verdeling van de additionele ruimte binnen non-ODA heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de prioriteitsstelling non-ODA, die in het voorjaar 2000 heeft plaatsgevonden. Daarnaast zijn middelen bestemd voor loon-, prijs- en koersontwikkelingen. Samengevat zijn de belangrijkste beleidsprioriteiten voor de komende jaren vrede en veiligheid, Europese integratie en internationaal milieubeleid. Voor elk van deze prioriteiten zijn additionele middelen beschikbaar gesteld. Voor wat betreft export- en investeringsbevordering ligt de nadruk op het verder stroomlijnen van het instrumentarium en de afstemming met de ODA-programma's. Om de belangenbehartiging van Nederland in het buitenland verder te versterken zijn extra middelen uitgetrokken voor het postennet. Daarnaast zal meer worden geïnvesteerd in het internationaal cultuurbeleid. Een volledig overzicht van de non-ODA intensiveringen wordt gegeven in de HGIS-nota 2001 (2000-2001, 27 405, nr. 1). 6


23 Welke onderdelen van het nieuwe personeelsbeleid zijn vertraagd, met welke oorzaken? Antwoord: De eerste ervaringen met de invoering van een aantal personeelsinstrumenten leert dat alle betrokken partijen hebben moeten wennen aan het vernieuwde personeelsbeleid. De verdere ontwikkeling van een aantal instrumenten is daarom wat vertraagd. Het betreft met name het management-development traject en het partner- en gezinsbeleid. Het uitgavenpatroon blijft derhalve achter bij de verwachtingen. 6


24 Wat is de omvang van de budgettair-neutrale begrotingsmutaties? Antwoord: De verlagingen bedragen ruim NLG 35,5 miljoen. Deze wordt grotendeels verklaard door een mutatie op artikel 06.01 (personeel en materieel binnenland) en 07.01. (personeel en materieel buitenland). In de gedrukte versie van de tweede suppletore begroting staat ten onrechte onder artikel 07.01 een bedrag van +/+ NLG 30,066 miljoen; dit moet zijn -/- NLG 30,066 miljoen (mutatie 6). Deze verlaging wordt grotendeels ingezet voor een verhoging op artikel 07.02 (gebouwen buitenland). Daarnaast is sprake van een ophoging van ca. NLG 4,9 miljoen op artikel 07.01. Deze verhoging betreft een desaldering met de ontvangstenartikelen 06.01, 07.01 en 07.02. 7


25 Wat is een "track2+5"subsidie voor parallelle diplomatie voor Clingendael? Antwoord: De subsidie is bestemd voor een breed scala activiteiten die Clingendael onderneemt ten behoeve van buitenlandse overheden en daarmee verbonden instellingen, variërend van ontvangsten van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders tot deelname aan cursussen en seminars in het buitenland. Deze activiteiten ondersteunen de rol van Clingendael als diplomatieke ontmoetingsplaats en schakel in internationale netwerken. 9


26 Waarom zullen een groot deel van de activiteiten voor asielbeleid en automatisering niet in 2000 kunnen plaatsvinden, welke problemen spelen hierbij een rol? Antwoord: De belangrijkste automatiseringsactiviteiten van BZ vinden thans plaats onder het project GMIS (Geïntegreerd Management Informatie Systeem). De voor 2000 geplande activiteiten zijn grotendeels gerealiseerd. Slechts 1 deeltraject heeft enige vertraging opgelopen. Het GMIS als totaal is een complex geheel van geschakelde trajecten, waardoor de veranderende planningen van onderdelen elkaar sterk beïnvloeden. GMIS valt grofweg uiteen in een deelproject voor vernieuwing van de basisinfrastructuur automatisering en een deelproject voor vernieuwing van enkele kerninformatiesystemen (waaronder de financiële administratie). Het basisinfrastructuurproject loopt goed op schema, maar omdat dat zich ook uitstrekt tot de ca. 140 posten in het buitenland, kan dit niet eerder dan juli 2001 gereed zijn op alle posten. Hiermee wordt het fundament gelegd voor de (kern)informatiesystemen. Voor de vereiste functionaliteit daarvan moet de standaardprogrammatuur door de leverancier worden aangepast. De ontwikkeling daarvan gaat in fasen, waarvan de laatste per medio 2001 gereed kan zijn. Overgang van oud naar nieuw kan slechts op enkele momenten in het begrotingsjaar. Het eerstvolgende moment na medio 2001 is voorjaar 2002. De lagere realisatie op de middelen voor asielbeleid wordt voornamelijk veroorzaakt door de moeizame werving van noodzakelijk kwalitatief hoogwaardig personeel zowel op de posten als het departement. Daarnaast is er sprake van vertraging binnen de verschillende automatiseringsprojecten op het gebied van consulaire dienstverlening. 10


27 Kan precies worden aangegeven voor welke bedragen resp. loon-, prijs-, en koersontwikkelingen compensatie noodzakelijk is en wat zijn precies de onvoorziene tegenvallers binnen het non-ODA deel van de HGIS en om welk bedrag gaat het hierbij? Antwoord: In onderstaande tabel is de gevraagde uitsplitsing weergegeven (bedragen x NLG 1 miljoen): De onvoorziene tegenvallers zijn: wereldtentoonstelling Hannover (begroting AZ) ad NLG 7 miljoen, de schikking met W. Oltmans (begroting BZ) ad NLG 8 miljoen, garanties EIB uit hoofde van de overeenkomsten van Lomé (begroting Financiën) ad NLG 4 miljoen en vredesoperaties i.v.m. UNMEE (begroting Defensie) ad NLG 5,1 miljoen. Zie voor een nadere toelichting de desbetreffende suppletore begrotingen. 12


28 Welk deel van het budget voor mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur wordt beheerd door het ministerie en wat is de omvang van het bedrag dat niet is uitgegeven en wat is de omvang van de overschrijdingen uitgesplitst naar landen? Antwoord: Van het budget voor mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur van NLG 202 miljoen wordt NLG 60 miljoen beheerd door het ministerie. De omvang van de onderschrijdingen is totaal NLG 34 miljoen (posten en departement), terwijl de omvang van de overschrijdingen totaal NLG 44 miljoen (posten en departement) bedraagt. De grootste onderschrijdingen (NLG 2 miljoen of meer) treden op in de Palestijnse Gebieden (NLG 3,1 miljoen), Guatemala (NLG 2,8 miljoen), Pakistan (NLG 2,4 miljoen) en op het departement (NLG 16,8 miljoen). De grootste overschrijdingen betreffen Indonesië (NLG 33,8 miljoen), Mozambique (NLG 3,1 miljoen), Rwanda (NLG 4,3 miljoen) en Zuid Afrika (NLG 2,3 miljoen). 15 16


29 Wat is de oorzaak van de vertragingen van de milieuactiviteiten op diverse ambassades, om welk bedrag gaat het en op welk moment zullen de problemen naar verwachting zijn opgelost. Zijn er consequenties van deze onderschrijdingen voor het halen van de 0,1-doelstelling. Wat zijn de oorzaken van overschrijding van de andere ambassades en om welk bedrag gaat het? Antwoord op vraag 1, 12 en 29 De verlaging van het artikel met circa tien procent leidt tot een budget dat per saldo nog steeds hoger ligt dan het budget voor het landenprogramma het milieu in de ontwerpbegroting 2000. Dergelijke schommelingen hebben geen fundamentele gevolgen voor het behalen van de doelstellingen. Wel kan in de landen die in de tweede suppletore begroting zijn genoemd in verband met verlagingen enige vertraging optreden in het realiseren van de doelen die in overleg met die landen per activiteit zijn gesteld. De lagere uitgaven hebben met name betrekking op Bangladesh (NLG 7 miljoen), Bolivia (NLG 4 miljoen), Palestijnse Gebieden (NLG 8 miljoen), Indonesië (NLG 4,8 miljoen), Ecuador (NLG 5,9 miljoen), Senegal (NLG 5,4 miljoen), China (NLG 4,6 miljoen) en Guatemala (NLG 3,4 miljoen). Deze verlagingen hebben uiteenlopende oorzaken, zoals het optreden van vertraging in het goedkeuringstraject van activiteiten aan de ontvangende zijde of vertraging in de uitvoering van individuele programma's en projecten. Deze gevallen hebben uiteraard de volle aandacht van de betrokken ambassades. 18


30 Waarom leidt de herpositionering van de SNV tot een onderschrijding? Antwoord: De onderschrijding op het budget van SNV is het gevolg van de aanwending van het overschot van 1999 (ruim 2 miljoen) én een tijdelijk personeelstekort. Dit heeft geleid tot vertragingen in een aantal activiteiten, waaronder de herpositionering van SNV. 19


31 Welke overwegingen liggen ten grondslag aan het besluit om het budget voor samenwerking met internationale instituten met 10.4 miljoen te verlagen? Zie het antwoord op vraag 17. 23


32 Welke activiteiten bij het macro-economische steun en schuldenbeleid zijn geschrapt? Zie het antwoord op vraag 33 25


33 Kan nader worden toegelicht waarom voor art. 15.01 sprake is van een neerwaartse bijstelling en welke activiteiten kunnen geen doorgang vinden? Antwoord op vraag 2, 32 en 33 Op artikel 15.01 is de groei van het ODA-budget geparkeerd waarvoor tijdelijk nog geen bestemming bestond. Deze vrije ruimte is in de loop van het jaar gealloceerd. Daarvoor hoefden echter geen activiteiten geschrapt te worden. 25


34 Wat is de relatie tussen het meerwerk als gevolg van de subsidiewet en de verlaging van de Azië-faciliteit? Antwoord: In 1999 werd in het kader van de subsidiewetgeving besloten om de uitvoering van de Azië-faciliteit in handen te leggen van SENTER. Deze wijziging in de uitvoering had een zekere vertraging van de activiteiten tot gevolg. Derhalve werden de middelen, die voor 1999 beschikbaar waren grotendeels (NLG 3 miljoen) doorgeschoven naar 2000. Inmiddels heeft SENTER laten weten dat de tenderronde voor 2000 dit jaar niet meer tot substantiële kasuitgaven zal leiden. 26


35 Wat is de inhoud van het partnershipprogramma met de ILO? Waarom is voor FAO, ILO en WHO een tweejarige verplichting aangegaan en betekent dit een verhoging van de jaarlijkse bijdrage en zo ja, met hoeveel per organisatie? Antwoord: Het partnershipprogramma met de ILO richt zich op drie zogenaamde "in-focus programma's" van de ILO, te weten: het bevorderen en verbeteren van rapportages over de ILO-verdragen, sociaal-economische zekerheid en ontwikkeling van kleine ondernemingen alsmede het dwarsdoorsnijdende thema gender. Daarmee wordt aangesloten bij de prioriteiten van de organisatie. De ILO heeft haar activiteiten gebundeld in acht in-focus programma's en twee dwarsdoorsnijdende thema's. Met de ILO en de WHO is een tweejarige verplichting aangegaan om de voorspelbaarheid van de inkomsten te vergroten en daardoor de organisaties beter in staat te stellen hun activiteiten op meerjarige basis te plannen. De verplichting voor het partnershipprogramma met de FAO is nog niet aangegaan. Een definitieve beslissing hierover moet nog worden genomen. Aan de ILO, WHO en FAO betaalt Nederland uit hoofde van het lidmaatschap van deze organisaties jaarlijks een verplichte contributie. De partnershipprogramma's vormen een aanvulling daarop en zijn in de plaats gekomen van afzonderlijke uit centrale Nederlandse ODA-middelen gefinancierde activiteiten via de betrokken organisaties. Het partnershipprogramma met de WHO heeft thans een omvang van in totaal NLG 206 miljoen voor 2000 en 2001. Hiervan heeft NLG 126 miljoen betrekking op een bijdrage aan het poliobestrijdingsprogramma, die bij uitzondering in het partnershipprogramma is ondergebracht. Het partnershipprogramma met de ILO bedraagt voor dezelfde periode NLG 37,1 miljoen. 29


36 Hoe wil de minister bevorderen dat in de toekomst voldoende en onderbouwde ORET aanvragen binnenkomen, mede gezien de antwoorden van de minister bij de najaarsnota 1999 toen dezelfde vraag is gesteld? Antwoord Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Nota "Ondernemen tegen armoede" (2000-1001, 27467, nr. 1). 32


37 Waarop is de verwachting gebaseerd dat PSOM het komend jaar beter zal verlopen? Waarom wordt niet overwogen de ORET/MILIEV-gelden over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar en welke maatregelen neemt de minister opdat in 2001 voldoende aanvragen zullen binnenkomen? Antwoord In het afgelopen jaar zijn nieuwe PSOM-Memoranda of Understanding (MoU) gesloten met Zuid-Afrika, Mozambique, Cuba, Tanzania en Oeganda. Daarnaast wordt verwacht op zeer korte termijn een MoU met Thailand te kunnen ondertekenen. Hiermee zal het programma in 2001 in negen landen operationeel zijn; in Ghana, Egypte en China is het programma eerder al gestart, terwijl het programma in Zimbabwe tijdelijk is stopgezet. Hierdoor kan met redelijke zekerheid worden gesteld dat de uitgaven in 2001 meer in lijn met de oorspronkelijke verwachting zullen zijn. Onderuitputting op programma's wordt meegenomen naar volgende jaren via de eindejaarsmarge. De eindejaarsmarge wordt niet geearmarkt voor bepaalde programma's. 32

Kenmerk
FEZ/BZ-456/00
Blad /12

===

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie