Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Voortgangsrapportage invoering Euro in Nederland

Datum nieuwsfeit: 11-12-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financien
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Voortgangsrapportage euro: chartale omwisseling en



DIRECTIE FINANCIËLE MARKTEN

CENTRALE DIRECTIE VOORLICHTING

Aan:

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

FM 2000-185

11 december 2000

Onderwerp

Voortgangsrapportage euro: chartale omwisseling en voorlichtingscampagne NFE


1. Inleiding en overzicht van ontwikkelingen op hoofdlijnen.




1.1. Overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen

Dit jaar is een stevig fundament gelegd voor de invoering van de chartale euro in Nederland. De eerste maanden van 2000 stonden in het teken van het finaliseren van het scenario voor de chartale omwisseling. Begin april dit jaar is het definitieve scenario vastgesteld en goedgekeurd door het ministerie van Financiën. In mei is de bijbehorende veiligheidsanalyse door De Nederlandsche Bank (DNB) opgeleverd, die -na consultatie van de voor dit terrein verantwoordelijke departementen- eveneens door Financiën is goedgekeurd. In de daarop volgende maanden zijn de deelprojecten door DNB, in nauw overleg met de betrokken partijen, verder ingevuld en zijn waar nodig contracten gesloten. Deze invulling betreft onder meer het waardetransport voor de bevoorrading van het bankwezen en het grootwinkelbedrijf met bankbiljetten en munten, alsmede de bevoorrading van toonbankinstellingen met munten (fijndistributie).

Belangrijke voortgang is ook geboekt bij het in kaart brengen van de wisselgeldbehoefte bij de detailhandel en andere toonbankinstellingen begin 2002. Een aantal maatregelen is genomen om deze wisselgeldbehoefte zo veel mogelijk te beperken. Zo zullen de gelduitgifteautomaten van de banken vanaf 1 januari 2002 vooral kleine denominaties eurobiljetten uitgeven (in alle gevallen ook 10 euro en veelal ook 5 euro biljetten). Eind 2001 worden vooral nog kleine denominaties guldenbiljetten (25 gulden) gedistribueerd. Daarnaast zal het publiek al vanaf 17 december 2001 pakketjes met euromunten kunnen aanschaffen.

Doelstelling blijft een snelle omschakeling van gulden naar euro, waarbij na twee weken nagenoeg alle transacties in euro plaats zullen vinden. Daarvoor is het cruciaal dat het publiek snel beschikt over voldoende euromunten en -biljetten in kleine coupures, zodat in winkels zoveel mogelijk gepast kan worden betaald. Aan de andere kant levert de detailhandel zelf een belangrijke bijdrage aan een snelle invoering door vanaf 1 januari alleen nog maar wisselgeld in euro terug te geven. Het publiek kan tot 28 januari evenwel nog met guldens terecht bij de winkels en nog tot 1 april bij de eigen bank voor het kosteloos omwisselen danwel afstorten van guldens. De banken zullen ook zorgen voor extra openingsuren. In de voorlichtingscampagne van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro (NFE) zal het publiek worden aangemoedigd om vooral van deze bancaire faciliteit gebruik te maken. Door de banken is ook aangeboden om voor kleinere toonbankinstellingen een nul-tarief in rekening te brengen voor het afstorten van guldenbiljetten in de eerste kalenderweek van januari 2002. Dit is een belangrijke tegemoetkoming, aangezien de toonbankinstellingen in deze periode meer guldenbiljetten zullen afstorten dan normaal.

De Europese context blijft voor een aantal elementen van het scenario van groot belang. Wat betreft de vroegtijdige beschikbaarheid van munten is in de verklaring van de Ecofinraad van 8 november 1999 de mogelijkheid geopend om het publiek vanaf half december 2001 reeds op beperkte schaal kennis te laten maken met euromunten. Dit is in Nederland in tweeërlei vorm uitgewerkt. Het kabinet heeft besloten half december 2001 aan alle ingezetenen van zes jaar en ouder de mogelijkheid te bieden tegen inlevering van een waardebon een gratis set met euromunten te verkrijgen ter gewenning aan de nieuwe munt. Daarnaast zullen er tegelijkertijd consumentenpakketten met euromunten ter waarde van 25,- te koop worden aangeboden door banken en toonbankinstellingen. Het publiek kan er ook voor kiezen de waardebon te gebruiken voor het verkrijgen van korting op een consumentenpakket. Zowel de consumentenpakketten als de kleine coupures uit de geldautomaten zorgen voor een vermindering van de wisselgeldproblematiek voor winkeliers.

De ECB heeft al eerder (in 1999) aangegeven van oordeel te zijn dat verspreiding van eurobankbiljetten aan het publiek voor 1 januari 2002 niet is toegestaan. In de informele Ecofinraad van 9 september in Versailles was er geen steun voor het Belgische voorstel om de ECB te verzoeken op dit punt haar standpunt te herzien.


1.2. Recente informatievoorziening aan de Tweede Kamer over de euro

In december 1999 is aan de Tweede Kamer een tweetal voortgangsrapportages verzonden over belangrijke onderdelen van de voorbereidingen op de chartale introductie van de euro. Deze rapportages betroffen respectievelijk de organisatie van de chartale omwisseling en de voorlichtingscampagne, die wordt gevoerd onder de vlag van het NFE. In mei/ juni 2000 heeft de Tweede Kamer een tweetal brieven ontvangen inzake de gratis publiekssets met euromunten. Over de voorbereidingen van het Rijk, de zbos en de mede-overheden is verslag gedaan in respectievelijk de zesde en de zevende voortgangsrapportage Euro en overheid (in januari, respectievelijk juli van dit jaar)1. De achtste voortgangsrapportage Euro en overheid zal in januari 2001 aan de Kamer worden gezonden.

Voorts is de Tweede Kamer het afgelopen jaar enkele malen geïnformeerd naar aanleiding van mondelinge en schriftelijke vragen, en in verslagen van Europese bijeenkomsten over enkele bijzondere onderwerpen betreffende de euro.


1.3. Indeling van deze rapportage


De voorliggende voortgangsrapportage betreft de chartale omwisseling en de voorlichtingscampagne van het Nationaal Forum. Daarbij wordt uiteraard ook aandacht besteed aan de wijze waarop de voorbereidingen binnen de samenleving worden opgepakt.

Hierboven (in paragraaf 1.1) is reeds een overzicht in vogelvlucht gegeven van de ontwikkelingen die zich sinds de vorige voortgangsrapportage hebben voorgedaan op het gebied van de chartale omwisseling.

In paragraaf 2 wordt de organisatie van het omwisselingsscenario gerecapituleerd, die in de vorige rapportage al uitgebreider is beschreven. Vervolgens wordt op hoofdlijnen het distributiescenario geschetst zoals dat in Nederland zal worden uitgevoerd. In paragraaf 3 wordt een nadere toelichting gegeven op de afzonderlijke elementen van het distributiescenario. In paragraaf 4 worden enkele gerelateerde onderwerpen besproken, zoals de veiligheidsaspecten van de chartale omwisseling en de aanpassing van betaalautomaten. In paragraaf 5 wordt het Nederlandse scenario vergeleken met de plannen voor de omschakeling elders in Europa; een meer specifieke vergelijking met andere landen is te vinden in bijlage 1. Paragraaf 6 is gewijd aan de voorlichtingscampagne van het NFE. Ingegaan wordt op zaken als de kennis, houding en voorbereidingen in de samenleving ten opzichte van de euro, alsmede op de doelgroepen en instrumenten die in de voorlichtingscampagne van het NFE worden onderscheiden; een uitgebreide beschrijving van de ingezette instrumenten is te vinden in bijlage 2.
In paragraaf 7 wordt ingegaan op de toekomstige activiteiten van de bij het distributiescenario betrokken partijen, en op de voor 2001 geplande voorlichtingscampagne.


2. Organisatie en hoofdlijnen van het omwisselscenario


2.1. Organisatie van de chartale omwisseling

Binnen de ministerraad is de minister van Financiën aangewezen als coördinerend minister voor de invoering van de euro. Op specifieke terreinen vindt overleg plaats met betrokken andere ministeries.

Ten behoeve van de voorbereiding en uitvoering van de chartale omwisseling is er een uitvoeringsovereenkomst gesloten tussen het ministerie van Financiën en DNB. Hierin is afgesproken dat DNB een coördinerende rol zal vervullen ten aanzien van (a) de opslag en distributie van euromunten, (b) de productie, opslag en distributie van eurobankbiljetten en (c) de inname van guldenmunten en -biljetten. Daartoe is binnen DNB een projectbureau ingesteld: het Bureau Euro Omwisseling. Ieder kwartaal wordt door DNB gerapporteerd over de voortgang van het project. De omvang van de projectkosten bedraagt

305 mln voor de periode 1997-2003, inclusief de huur en beheerskosten van het Opslag- en Distributiecentrum (ODC) in Lelystad en inclusief een bedrag van 125 mln ten behoeve van de prestatiegerelateerde vergoeding voor de inname van guldenmunten (zie paragraaf 3.4).

Het Nationaal Forum voor de introductie van de euro heeft een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de kaders van het scenario voor de chartale omwisseling. Ook de verdere uitvoering hiervan komt aan de orde in de bijeenkomsten van het NFE (waar de chartale omwisseling een vast agendapunt vormt) en zijn werkgroepen. Daarnaast zijn er door DNB een werkgroep en een klankbordgroep ingesteld ten behoeve van het Bureau Euro Omwisseling. Hierin zijn de maatschappelijke partijen vertegenwoordigd die een directe rol vervullen bij de chartale omwisseling (zoals banken, detailhandel, Consumentenbond en waardevervoerders).


2.2. Hoofdpunten omwisselscenario


Het goedgekeurde omwisselscenario voor de introductie van de chartale euro kan puntsgewijs als volgt worden samengevat.
* De chartale omwisseling betreft het in circulatie brengen van 2,8 miljard euromunten en 360 miljoen eurobankbiljetten, alsmede het uit circulatie halen van 3 miljard guldenmunten en 380 miljoen guldenbankbiljetten. Het logistieke knooppunt voor de munten is het ODC in Lelystad. Voor de bankbiljetten zijn dit het hoofdkantoor en de agentschappen van DNB.

* Vanaf 1 januari 2002 is de euro wettig betaalmiddel in Nederland en de overige elf Europese landen waar de euro wordt ingevoerd. In Nederland zal de gulden nog tot 28 januari 0.00 uur wettig betaalmiddel zijn. De feitelijke omschakeling zal nog sneller worden voltooid; doel is dat binnen één week 75% en na twee weken 90% van de contante betalingen in euro plaatsvindt. Nederland heeft hiermee de kortste duale fase en waarschijnlijk ook de kortste feitelijke omschakelingsperiode van alle deelnemende landen.

* Dit wordt mede gerealiseerd doordat toonbankinstellingen vanaf 1 januari 2002 in beginsel alleen euros als wisselgeld zullen teruggeven.

* Banken en winkels zullen al vóór 1 januari 2002 worden bevoorraad met euros, uiteraard onder de voorwaarde dat zij deze nog niet zullen gebruiken in transacties met het publiek. Er zijn twee kanalen voor distributie van euros naar het bedrijfsleven. Ten eerste het waardevervoer dat de banken en grote toonbankinstellingen die daar nu al klant zijn zal bevoorraden met euromunten en -biljetten. De overige toonbankinstellingen zullen van de door hen gewenste hoeveelheid euromunten gratis worden voorzien via het tweede kanaal, namelijk het -in Europa unieke- netwerk van de fijndistributie. Eurobiljetten kunnen door deze toonbankinstellingen -evenals thans het geval is met guldenbiljetten- bij hun locale bank worden verkregen.
* Via de kanalen van waardevervoer en fijndistributie zal eveneens worden gezorgd voor het afvoeren van guldenmunten naar het ODC in Lelystad. Banken en toonbankinstellingen kunnen in aanmerking komen voor een prestatiegerelateerde vergoeding voor de door hen ingeleverde hoeveelheid guldenmunten. Uitgaande van 3 miljard munten is hiervoor 125 mln beschikbaar; afhankelijk van het aantal guldenmunten dat terugkeert kan dit bedrag hoger of lager uitvallen.

* Het publiek kan eurobiljetten verkrijgen via de geldautomaten. Deze zullen vanaf 1 januari 2002 0.00 uur alleen nog euros uitgeven, waarbij ook kleine coupures ( 10 en deels ook 5) zullen worden verstrekt. Het publiek kan eind december al in het bezit komen van euromunten door middel van de gratis publieksset met alle acht euromunten en van de consumentenpakketten ter waarde van 25,-. Tot 1 april 2002 kan het publiek bij de eigen bank gratis guldenmunten en -biljetten afstorten danwel omwisselen voor euros. Daarna -tot 1 januari 2003- kan men ook nog bij de banken terecht, maar is er mogelijk een tarief verschuldigd. Guldenmunten kunnen tot 1 januari 2007 gratis bij DNB worden ingewisseld, guldenbiljetten zelfs tot 1 januari 2032 (op dezelfde wijze zoals nu ook al mogelijk is voor het inleveren van ingetrokken guldenbiljetten bij DNB).


3. Nadere toelichting op afzonderlijke elementen van het scenario
3.1. Productie van munten en biljetten.

De muntcirculatie behoort op basis van het EG-Verdrag (art. 106 lid 2) en de Muntwet tot de verantwoordelijkheid van de minister van Financiën. De productie van euromunten is in november 1998 geregeld in een contract tussen het ministerie van Financiën en de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM). Het contract voorziet in de productie van 2,8 miljard euromunten in acht verschillende denominaties, met een optie dit aantal te verhogen tot 3,3 miljard. Over het feitelijke verloop van de productie wordt maandelijks gerapporteerd aan Financiën. De stand per ultimo oktober 2000 is dat zich inmiddels een hoeveelheid van 1,6 miljard munten in het ODC bevindt. Daarmee ligt de productie grosso modo op schema, met uitzondering van de 2 munten. Deze zijn technisch het meest gecompliceerd om te vervaardigen vanwege de combinatie van de twee verschillende metalen (legeringen van cupro nickel en nickel brass) en het randschrift. KNM heeft besloten een deel van de productie van 2 munten uit te besteden aan de Birmingham Mint in het Verenigd Koninkrijk.

Ook andere landen (o.a. België, Frankrijk en Duitsland) hebben inmiddels besloten een deel van de muntproductie in het Verenigd Koninkrijk te laten uitvoeren.

Omdat de muntproductie op verschillende locaties in Europa plaatsvindt zijn er aanvullende garanties nodig om te verzekeren dat de euromunten zonder problemen te gebruiken zijn in alle deelnemende landen. Zowel voor het toonbankverkeer als voor de acceptatie in automaten dienen de munten immers onderling uitwisselbaar te zijn. Daarom zijn er in Europees verband scherpe afspraken gemaakt over de technische specificaties en toleranties. Deze afspraken zijn uitgebreider en strakker dan de normen die worden gehanteerd voor de verschillende nationale munten, waaronder de gulden. Er zijn in Europa zes testcentra waar de producenten hun productie zelf kunnen laten controleren, waaronder één bij KNM in Utrecht. De ECB ziet daarnaast toe op de kwaliteit van de in de verschillende Europese landen vervaardigde munten. KNM heeft aangegeven dat toetsing door de ECB uitwees dat de Nederlandse productie volledig binnen de gestelde technische specificaties viel. Ook voor de andere landen geldt dat er vooralsnog geen sprake is van problemen die de acceptatie van euromunten in de weg staan.

De productie van biljetten behoort op grond van artikel 106 lid 1 van het EG-Verdrag tot de verantwoordelijkheid van de ECB. Voor Nederland bepaalt artikel 3 van de Bankwet 1998 dat DNB ter uitvoering van het Verdrag in het kader van het Europese Stelsel van Centrale Banken bijdraagt aan het verzorgen van de geldomloop voor zover deze uit bankbiljetten bestaat. DNB is op grond van artikel 6 van de Bankwet 1998 bevoegd tot het uitgeven van biljetten.

De productie van eurobankbiljetten vindt wat Nederland betreft plaats bij Joh. Enschede in Haarlem. In Nederland zullen in totaal ruim 600 miljoen eurobiljetten worden gedrukt. Voor heel de eurozone gaat het om een aantal van 14,5 miljard coupures met een totale waarde van 616 miljard. Daarvan zullen initieel 10 miljard biljetten in omloop worden gebracht, waarvan 360 miljoen in Nederland. Medio oktober 2000 waren er in Nederland 400 mln bankbiljetten gedrukt, waarvan er 35 miljoen alle productieprocessen -inclusief verpakken- hadden doorlopen. De voor de initiële distributie benodigde hoeveelheid zal uiterlijk per september 2001 gereed zijn. Over heel Europa bezien is de verwachting dat er tijdig ruim voldoende biljetten beschikbaar zullen zijn, ondanks de gebruikelijke aanloopproblemen in de productie in sommige landen. Uiteraard zijn er ook wat betreft de biljetten afspraken gemaakt in ECB-kader over kwaliteitscontrole.

3.2. Bevoorrading van banken en toonbankinstellingen

Waardevervoer

Uitgangspunt is dat de twee waardevervoerders (Geldnet en Brinks) ook bij de omwisseling hun klanten (de banken en de grote toonbankinstellingen) blijven bevoorraden met zowel munten als biljetten. Dit kan grotendeels worden opgevangen binnen de bestaande capaciteit. Vanwege de hoeveelheden munten en biljetten die rond -day zullen worden getransporteerd zijn echter aanvullende afspraken nodig met de klanten over de transportplanning en daarmee samenhangende zaken. Ook dient ten behoeve van de distributie van muntgeld een aantal extra autos te worden ingezet.

Voorts is het voor de waardevervoerders nodig tijdig inzicht te krijgen in de door hun klanten benodigde hoeveelheid euromunten en
-biljetten. Klanten zullen daarom ruim van tevoren worden gevraagd hun bestellingen te doen. De bevoorrading vindt in principe plaats in december 2001, met als doel dat deze klanten (banken en toonbankinstellingen) op -day beschikken over een startvoorraad voor de eerste week van 2001.

Door een zorgvuldige analyse van de geldstromen zal getracht worden ook na -day tot een zo optimaal mogelijke bevoorrading te komen.

Fijndistributie

Gezien de grote hoeveelheden munten die rond -day vervoerd zullen moeten worden is er bij het waardevervoer geen extra capaciteit die ingezet kan worden voor het vervoer naar andere toonbankinstellingen. Tevens moet rekening gehouden worden met de beschikbare capaciteit bij de banken, die in de omwisselperiode extra zwaar belast zullen zijn. Daarom is voor de toonbankinstellingen die niet worden bediend door het waardevervoer het netwerk van de fijndistributie opgezet. Dit houdt in dat de vooraf bestelde hoeveelheid euromunten in standaardverpakkingen aan de deur zal worden bezorgd. Tegelijkertijd kunnen guldenmunten worden geretourneerd. Er zijn twee soorten standaardpakketten met euros, te weten één set met munten van 5 eurocent en hoger - waarde 219- en een set met uitsluitend 1 en 2 eurocent t.w.v. 15.

Voor deze service komen alle 230.000 toonbankinstellingen in aanmerking, dat wil zeggen die instellingen met een chartale kasfunctie die in de handelsregisters van de Kamers van Koophandel zijn geregistreerd en geen gebruik maken van het waardevervoer. Daarnaast kunnen ook gemeenten zich hiervoor aanmelden; zij vervullen immers ook een toonbankfunctie naar het publiek. Deelname aan de fijndistributie is gratis; de kosten zijn opgenomen op de projectbegroting van DNB. Aanmeldingsformulieren worden in september 2001 door de eigen bank toegestuurd en dienen door toonbankinstellingen ook weer bij hun huisbank te worden ingeleverd; deze bepaalt (op basis van kredietwaardigheid) de maximaal te bestellen hoeveelheid munten.

Voor de uitvoering van de fijndistributie is door DNB een contract gesloten met TPG. Deze zal maximaal 1000 autos inzetten om de bevoorrading uit te voeren. Alle fijndistributie-klanten zullen voor het eerst met euromunten worden bevoorraad in de periode tussen Kerst en nieuwjaarsdag. De vervoersstromen kunnen aanzienlijk worden beperkt door winkels in hetzelfde geografische gebied direct op elkaar aansluitend te bevoorraden.

Om de herhaalbestellingen vanaf 2 januari 2002 te kunnen verwerken is een contract gesloten met een call-center. De fijndistributie beslaat de periode tot en met de zesde week van 2002, hoewel de piek van de werkzaamheden uiteraard rond -day zal liggen.

Toonbankinstellingen die niet willen deelnemen aan de fijndistributie kunnen bij het bankwezen euromunten opnemen; hiervoor kan een tarief worden berekend.

Biljettenvoorziening aan toonbankinstellingen

Toonbankinstellingen die geen klant zijn bij het waardevervoer - met name kleinere toonbankinstellingen - dienen de eurobiljetten net als in de huidige normale situatie bij hun eigen bank af te halen. Wanneer zij daartoe een contract met hun huisbank afsluiten kunnen zij daar ook al vóór 1 januari terecht, teneinde over een startvoorraad biljetten te kunnen beschikken. Ten opzichte van de normale situatie zullen de toonbankinstellingen in de eerste weken van 2002 een veel grotere behoefte hebben aan eurobiljetten; tevens zullen zij meer dan gebruikelijk guldenbiljetten afstorten. Zonder nadere afspraken zou dit betekenen dat toonbankinstellingen hogere kosten aan hun bank verschuldigd zijn, als gevolg van het feit dat zij een deel van de omwisseling voor hun rekening nemen. Om hen tegemoet te komen is door de banken aangeboden dat het afstorten van guldenbiljetten gedurende de eerste week van de duale fase gratis is voor de kleinere toonbankinstellingen. De verwachting is dat de betrokken toonbankinstellingen niet meer kwijt zijn aan bankkosten dan thans het geval is vanuit de reguliere afstort- en opnametransacties.

Voor alle toonbankinstellingen geldt dat zij op 2 januari worden gedebiteerd voor de aan hen gefrontloade munten en biljetten. Voor de debitering van banken voor geleverde eurobiljetten is in Europees verband een vergelijkbare methodiek overeengekomen, waarbij debitering plaatsvindt op drie momenten in januari. Voor munten zal door de Nederlandse Staat conform het verzoek van de ECB eenzelfde methodiek worden gebruikt.

Randvoorwaarden voor frontloading

Bij de frontloading van banken en toonbankinstellingen worden euromunten en -biljetten uitsluitend onder de expliciete clausule verstrekt dat zij niet voor 1 januari 2002 in circulatie worden gebracht. Vermeden moet immers worden dat er verwarring bij het publiek ontstaat door het voortijdig opduiken van euros in het economische verkeer. De voor het publiek bestemde muntensets (zie hierna in 3.3.) kunnen door banken en toonbankinstellingen uiteraard wel vanaf 17 december aan het publiek worden uitgegeven, maar de hierin opgenomen munten zijn pas vanaf 1 januari 2002 wettig betaalmiddel.

3.3. Bevoorrading van het publiek

Biljetten

Bij de voorziening van het grote publiek met euros wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande gewoonten. Het publiek zal de benodigde eurobiljetten hoofdzakelijk verkrijgen door middel van de geldautomaten bij banken en in winkelcentra, evenals thans met guldens gebeurt. Vanaf 1 januari 2002 om 0.00 uur zullen geldautomaten alleen nog eurobiljetten uitgeven. Dit is technisch mogelijk omdat geldautomaten beschikken over meerdere (doorgaans vier) laden waarvan sommige met guldenbiljetten en sommige met eurobiljetten kunnen worden gevuld. Overschakeling naar de laden met eurobiljetten kan op afstand worden uitgevoerd.

Geldautomaten die niet in staat zijn eurobankbiljetten te leveren worden buiten gebruik gesteld.

De geldautomaten zullen vanwege het grotere beroep dat hierop wordt gedaan met een hogere frequentie worden bijgevuld.

Muntensets

Ter gewenning aan de nieuwe munten kan het grote publiek al vanaf 17 december in het bezit komen van één of meer setjes met euromunten. In de eerste plaats zullen alle ingezetenen van zes jaar en ouder een waardebon ontvangen waarmee een gratis eurokit kan worden afgehaald met van alle acht euromunten één exemplaar; de waarde daarvan is 3,88 ( 8,55). Bij de waardebon zal een informatieboekje worden gevoegd met kerngegevens over de euro. Vanwege het grote bereik, de persoonlijke adressering en de koppeling aan een waardebon is dit een belangrijk element in de voorlichtingscampagne.

Bovengenoemde waardebon kan overigens ook gebruikt worden voor het verkrijgen van een korting van 8,55 op de consumentenpakketten met euromunten ter waarde van 25,-, die vanaf 17 december verkrijgbaar zijn. Hierin zijn 32 euromunten opgenomen van verschillende denominaties. Doelstelling van deze set is om te bevorderen dat consumenten al vanaf 1 januari 2002 beschikken over een startvoorraad kleingeld in euros.

De uitvoering van het deelproject gratis eurokits zal door DNB ter hand worden genomen; op dit punt hebben het ministerie van Financiën en DNB een aanvullende overeenkomst gesloten. Er is door DNB inmiddels een contract gesloten voor de fabricage van verpakkingen van de eurokits. Binnenkort wordt bezien welke distributiepunten de verspreiding van de gratis eurokits en de consumentenpakketten ter hand zullen nemen. Voorwaarde daarbij is dat alle ingezetenen in hun nabije omgeving hun gratis eurokit moeten kunnen ophalen. Uitgangspunt wat betreft de kosten van dit deelproject is, zoals reeds eerder gemeld, een bedrag van maximaal 93 mln (inclusief BTW). Uiteraard wordt geprobeerd besparingen te realiseren ten opzichte van dit bedrag; of dit lukt is met name afhankelijk van de omvang van de distributiekosten.

Ook van de consumentenpakketten zullen verpakking en distributie door DNB worden meegenomen; de kosten daarvan zullen worden verantwoord op de begroting van het reguliere project chartale omwisseling.

Wisselgeld in euros

In NFE-kader is afgesproken dat na 1 januari het publiek bij alle transacties in winkels in principe wisselgeld in euros zal ontvangen, ook als men met guldens betaalt. Dit zal er voor zorgen dat het publiek al snel zal beschikken over euromunten in de portemonnee. Voor gevallen van overmacht blijft het -tot 28 januari 2002- mogelijk om guldens als wisselgeld te geven. Een andere (en betere) terugvaloptie is de mogelijkheid om klanten te vragen elektronisch te betalen.

3.4. Omwisselen van guldens en buitenlands geld

Faciliteiten voor het publiek

In NFE-kader is door de banken toegezegd dat klanten bij hun eigen bank tot 1 april 2002 gratis guldenmunten en -biljetten kunnen afstorten c.q. omwisselen. In de praktijk zal dit in de regel zo worden vormgegeven dat aan het loket guldens kunnen worden gestort op rekening, waarna bij de geldautomaat euros kunnen worden opgenomen. Dit sluit aan bij de bestaande gedragspatronen van consumenten; de banken zullen er voor zorgen dat deze omwisselfaciliteit op een klantvriendelijke wijze wordt ingevuld. De banken zullen tevens zo nodig zorgen voor aanvullende openingstijden van bankkantoren teneinde congestie aan de loketten te voorkómen. Dit wordt in de loop van 2001 nader uitgewerkt.

In de voorlichtingscampagne zal het publiek worden gestimuleerd om oppotkassen (spaargeld in guldens) al zoveel mogelijk in 2001 af te storten bij de bank, danwel dit uit te stellen tot de periode februari-maart 2002. De banken zullen in dit kader in oktober 2001 gezamenlijk een nationale spaarweek organiseren.

Voor het inwisselen van buitenlandse valuta uit de eurozone gelden in de periode van de omwisseling dezelfde regels als thans. Tot 1 april 2002 kunnen bij alle post- en bankkantoren biljetten van valuta uit de eurozone worden ingewisseld tegen het gebruikelijke tarief; bij kantoren van DNB is het -eveneens tot 1 april 2002- mogelijk om buitenlandse biljetten gratis in te wisselen. Buitenlandse munten zijn in Nederland niet inwisselbaar (op een enkele uitzondering na; grotere denominaties kunnen namelijk worden ingewisseld bij de Grenswisselkantoren).

Vergoeding voor inname van guldenmunten

Er zijn sinds 1948 zon 6 miljard guldenmunten in omloop gebracht, maar in de loop van de tijd is een groot deel hiervan verloren gegaan (vooral dubbeltjes en stuivers). Naar verwachting zijn thans nog 3 miljard guldenmunten in omloop. De afspraken in NFE-kader voorzien ook in een prestatiegerelateerde vergoeding voor de inname van guldenmunten. Door actief bij te dragen aan het uit de markt nemen van guldenmunten dragen banken en toonbankinstellingen immers bij aan de regulering van de muntcirculatie wat in principe een overheidstaak is. Voor de vergoeding is 125 mln beschikbaar, uitgaande van een totale hoeveelheid ingeleverde munten van 3 miljard. Wanneer de ingeleverde hoeveelheid munten groter of kleiner is, valt het bedrag van de vergoeding dus hoger of lager uit.

De vergoeding wordt vormgegeven door een vast bedrag van 11 per standaardzak ingeleverde munten. De standaardzakken bevatten voor de hogere denominaties een kleiner aantal munten dan voor de lagere denominaties.

Acties van charitatieve instellingen

Verschillende organisaties met ideële doelstellingen hebben met het oog op de omwisseling naar de euro een samenwerkingsverband opgezet voor geldwervingsacties.

De Stichting Nationaal Collecteplan -met 21 leden, die allen landelijke dekkende collectes houden- zet in samenwerking met een aantal andere instellingen een nationale inzamelingsactie op. In de eerste plaats is er een landelijke huis-aan-huis collecte, verzorgd door de Stichting Nationaal Collecteplan zelf, met name gericht op Nederlandse munten. Onder dezelfde noemer organiseert NOC/ NSF in samenwerking met de lokale sportverenigingen een inzamelingsactie. Daarnaast is de organisatie Coins for care (een particulier initiatief, dat een groot aantal charitatieve instellingen steunt) van plan in een groot aantal winkels collectebussen te plaatsen, voor Nederlands, maar vooral ook voor vreemd geld. De Stichting Nationaal Collecteplan en Coins for Care overleggen nog over de mogelijkheid beide genoemde acties onder dezelfde paraplu te laten plaatsvinden.

3.5. Reductie wisselgeldbehoefte toonbankinstellingen

Het afgelopen jaar is nadrukkelijk aandacht besteed aan de wisselgeldbehoefte van toonbankinstellingen. Zij vervullen bij de omwisseling een belangrijke rol doordat zij enerzijds bijdragen aan het uit circulatie nemen van guldens in transactiekassen, en anderzijds een groot deel van de nieuwe munten in circulatie brengen door uitsluitend euros als wisselgeld te geven. Door de toonbankinstellingen is aandacht gevraagd voor de logistieke problemen die dit voor hen meebrengt, met name de grote benodigde hoeveelheid eurowisselgeld.

Om dit vraagstuk zorgvuldig te kunnen analyseren is door DNB en de Raad voor de Nederlandse detailhandel (RND) een model ontwikkeld met behulp waarvan de benodigde hoeveelheid wisselgeld kan worden geschat. De wisselgeldbehoefte bedraagt onder normale omstandigheden ongeveer 5% van de contante omzet. Zonder nadere maatregelen zou deze de eerste paar dagen van januari gemiddeld 60% tot 80% van de contante omzet bedragen, afhankelijk van de vraag hoe snel het aantal eurobetalingen oploopt en over welke coupures het publiek beschikt. Daarna daalt de behoefte aan wisselgeld tot 40-50% aan het eind van de eerste week van januari.

Om de wisselgeldbehoefte van toonbankinstellingen te verminderen zijn extra maatregelen genomen in de sfeer van de geldautomaten. In de eerste plaats betreft dit de al eerder genoemde muntpakketten die al in december beschikbaar zijn voor de consument. Daarnaast zullen aan het eind van 2001 de geldautomaten veelal biljetten van 25 uitgeven (in plaats van 100). In het begin van 2002 zullen bij alle geldautomaten 10 biljetten worden uitgegeven, en bij een deel (ongeveer 35%) ook 5 biljetten. Dit laatste is technisch en/of logistiek niet bij alle automaten mogelijk, gezien de verschillende omvang van de eurobiljetten ( 5 biljetten zijn het kleinst). Tot slot kan ook een toename van elektronische betalingen bijdragen aan een vermindering va de wisselgeldbehoefte.

Als gevolg van deze maatregelen kan de wisselgeldbehoefte worden teruggebracht tot zon 20% van de contante omzet (gemiddeld over de hele eerste week). Dit is ongeveer 4 à 5 keer zoveel als normaal. Het is belangrijk hierbij te bedenken dat winkeliers zullen worden bevoorraad op basis van de benodigde hoeveelheid wisselgeld voor de gehele eerste week. Weliswaar zal de genoemde ontwikkeling voor winkeliers een grotere opslagcapaciteit vergen dan normaal, maar dit blijft binnen proporties. Om een indruk te geven: per 500 contant afgerekende transacties moet gedacht worden aan vijf standaardpakketten munten (waarvan één met de 1 en 2 eurocent), een hoeveelheid die -uitgepakt- past in een schoenendoos.

Op basis van de modeluitkomsten worden vuistregels opgesteld over de benodigde hoeveelheid wisselgeld voor winkeliers, zodat zij een passende hoeveelheid euros kunnen bestellen. Hierbij zullen overigens ruimere marges worden geadviseerd. Uiteraard kunnen er toonbankinstellingen zijn waar vanwege specifieke omstandigheden een grotere hoeveelheid wisselgeld nodig is.

In de voorlichtingscampagne zal aandacht worden besteed aan maatregelen waardoor de wisselgeldbehoefte bij toonbankinstellingen verder kan worden gedrukt. Gedacht kan worden aan het aanmoedigen om begin januari snel eurobiljetten in huis te halen (quick-loaden), het stimuleren van de verkoop van de consumentenpakketten, en het bevorderen van elektronisch betalen.

Gerelateerde onderwerpen


4.1. Veiligheid

In het kader van het distributiescenario zijn de veiligheidsaspecten leidend voor de invulling. Dit geldt zowel voor het waardevervoer, de fijndistributie als de faciliteiten voor het publiek. Dit vereist bijzondere aandacht omdat tijdens de omwisselperiode meer geld zal worden vervoerd dan anders, zij het dat dit vooral komt door de grotere frequentie van de transporten en een deel van het vervoer (nl. de fijndistributie) alleen munten betreft.

De op veiligheidsgebied bestaande politieke en ambtelijke coördinatiestructuur werd reeds in de rapportage van december 1999 besproken. Aanvullend zal binnen deze structuur een stuurgroep justitiële en veiligheidsaspecten invoering euro worden ingesteld onder leiding van BZK en Justitie, die zich onder meer richt op de coördinatie van politie-inzet in de periode rondom de chartale omwisseling. Door de politie zal namelijk een separate coördinatiestructuur worden opgezet ten behoeve van de invoering van de euro.

De betrokken ministeries hebben in juni 2000 de door DNB bij het distributiescenario opgeleverde veiligheidsanalyse goedgekeurd. Als vervolg hierop zullen alle momenten in het distributieproces waarop een verhoogd risico bestaat worden geanalyseerd; waar nodig zal gezorgd worden voor extra veiligheidsmaatregelen.

Vanzelfsprekend wordt over inhoudelijke zaken betreffende de veiligheid alleen met direct betrokkenen en op vertrouwelijke basis gecommuniceerd.

4.2. Bestrijding witwassen

In de periode rond de introductie van de euro zullen de bevoegde autoriteiten met bijzondere aandacht kijken naar transacties die als ongebruikelijk zijn aan te merken.

In het kader van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties is in dit kader, in aanvulling op de bestaande indicatoren, besloten dat transacties objectief meldingsplichtig zullen zijn wanneer meer dan 25.000,- contant van gulden in euro wordt omgewisseld. Onder omwisseling worden daarbij tevens transacties verstaan waarbij wordt gestort op rekening en vervolgens in een vloeiende beweging direct weer in euro's wordt opgenomen.

Naast de indicator van 25.000,- zijn dezelfde subjectieve indicatoren van kracht als thans, wat betekent dat de banken op basis van bestaande richtlijnen ook andere ongebruikelijke transacties (in euro) moeten melden. Een voorbeeld hiervan is het geval dat iemand een in zijn geval ongebruikelijk hoog bedrag in guldens stort en het enkele dagen later in euros opneemt.

4.3. Elektronisch betalen

Door het Nationaal Forum is benadrukt dat elektronische betalingen een vangnetfunctie kunnen vervullen tijdens de periode van de chartale omwisseling. Voor het elektronisch betalen is het tijdstip voor de omschakeling 1 januari 2002 om 0.00 uur. Vanaf dat moment zullen alle pin- en chipfaciliteiten in euro moeten werken. Het is van groot belang dat alle toonbankinstellingen die over pin- en chipfaciliteiten beschikken tijdig opdracht geven om de aanpassingen te verrichten, vanwege de noodzaak om de beschikbare capaciteit gespreid in de tijd in te zetten.

Enige commotie is ontstaan doordat in de communicatie van de grootste terminalleveranciers richting winkeliers onduidelijkheid was gewekt over de prijsstelling, en doordat een boeteclausule was opgenomen wanneer er niet snel werd gereageerd. Inmiddels is op initiatief van het Nationaal Forum meer duidelijkheid verschaft over de kosten van de aanpassingen, en hebben de leveranciers besloten de inschrijfperiode te verlengen. Het gelijktijdig doorvoeren van nieuwe veiligheidsmaatregelen in de betaalautomaten brengt overigens geen of nauwelijks extra kosten met zich mee. Voor verreweg de meeste betaalautomaten vallen de kosten in een range van 200-600 excl. BTW; alleen bij oudere betaalautomaten kan een gedeeltelijke of volledige vervanging nodig zijn, waarvan de kosten kunnen oplopen tot 2000 excl. BTW. Betaalautomaten van minder dan een jaar oud behoeven niet te worden aangepast.

De partijen die deelnemen in het Nationaal Forum zullen bezien welke andere initiatieven zij kunnen nemen om het elektronisch betalen te bevorderen, teneinde de chartale omwisseling te vergemakkelijken. In dit kader heeft de overheid recent aangekondigd2 het voor gemeenten mogelijk te willen maken om parkeerbelasting uitsluitend via elektronische betaalmiddelen te innen. Gemeenten die het uitsluitend elektronisch betalen van parkeerbelasting willen invoeren dienen wel aan een voorwaarde te voldoen: in die gemeenten dienen er in voldoende mate los verkrijgbare chipkaarten met een landelijke dekking te koop te zijn, zodat b.v. ook toeristen gemakkelijk het parkeergeld kunnen voldoen. In de uitvoeringsregelgeving zal worden bepaald dat gemeenten bij het vaststellen van hun beleid moeten beoordelen of in de lokale omstandigheden voldoende los verkrijgbare chipkaarten te koop zijn.

4.4. Prijzenmonitor Consumentenbond

Uit onderzoeken blijkt dat één van de voornaamste zorgen van de burgers bij de introductie van de euro is dat er prijsverhogingen zullen plaatsvinden. Uitgangspunt bij de omschakeling is dat de overgang naar de euro geen reden is voor de aanpassing van prijzen. De rijksoverheid heeft dit principe ook gehanteerd bij de aanpassing van bedragen in wet- en regelgeving. Ook voor lokale overheden is technische omzetting het uitgangspunt; in hun besluitvorming zijn zij evenwel autonoom.

In de private sector zal marktwerking er in het algemeen voor zorgen dat het prijsniveau op hetzelfde peil blijft. Daarvoor is wel voldoende transparantie nodig over de prijsontwikkeling in gulden en in euro. De Consumentenbond zal daarom een onderzoek (euro prijzenmonitor) uitvoeren naar de wijze waarop de prijzen als gevolg van de introductie van de euro worden afgerond. De nadruk van het onderzoek zal liggen op de prijsbeleving van de consument. Voorkomen moet worden dat deze het idee krijgt dat de invoering van de euro gebruikt wordt om verkapte prijsverhogingen door te voeren. Het onderzoek zal op microniveau plaatsvinden en zich met name toespitsen op: voeding, kleding, diensten, tarieven van de rijksoverheid, lokale overheden of nutsbedrijven en duurzame consumptiegoederen. De vijf peilmomenten vallen in de periode februari 2001-juli 2002 (plus een nulmeting die in oktober 2000 heeft plaatsgevonden). Er zal worden gerapporteerd aan het Nationaal Forum.

Bovengenoemde prijzenmonitor moet worden onderscheiden van de eveneens periodieke rapportage over het convenant inzake dubbel prijzen en gewenningsinformatie. In dit convenant tussen Consumentenbond, Raad voor de Nederlandse Detailhandel en MKB-Nederland is onder meer overeengekomen dat vanaf 1 juli 2001 in principe alle producten dubbel zullen worden geprijsd. De afspraken uit het convenant zijn overgenomen door het Nationaal Forum.

Uit een in oktober verschenen eerste rapport over de uitvoering blijkt dat 80% van de detailhandel bekend is met het convenant; 1 op de 8 bedrijven voert inmiddels dubbele prijzen, en 35% verwacht dit voor het einde van het jaar te doen.


5. Omwisselscenarios in andere lidstaten

Tot op heden hebben België, Duitsland, Frankrijk, Finland, Ierland en Nederland een distributiescenario gepubliceerd. Van de andere landen in de eurozone is inmiddels op hoofdlijnen bekend wat de belangrijkste uitgangspunten en afspraken zijn bij de chartale omwisseling. In deze paragraaf wordt hier kort op ingegaan; in bijlage 1 wordt een meer uitgebreide beschrijving gegeven van de scenarios in andere lidstaten.

Wat betreft de lengte van de duale fase blijkt dat de meeste landen een formele periode van dubbele circulatie van twee maanden in acht nemen. In Nederland is de duale fase met 27 dagen duidelijk het kortste. Bovendien lijkt ook de feitelijke periode van dubbele circulatie in Nederland het kortst te gaan duren. In Duitsland is weliswaar afgesproken dat de D-mark formeel vanaf 1 januari geen wettig betaalmiddel meer is, maar dit is gekoppeld aan de afspraak dat winkels de D-mark nog tot eind februari 2002 als betaalmiddel zullen accepteren.

Nederland kent ook als enige land een netwerk van fijndistributie van munten naar toonbankinstellingen. Mede hierdoor kent Nederland ook de meest geconcentreerde periode van bevoorrading van banken en toonbankinstellingen. Dit is gunstig omdat de extra opslagcapaciteit voor dit geld dan slechts gedurende een relatief korte periode vereist is. In Nederland worden banken vanaf december 2001 (of eerder indien overeengekomen met de waardevervoerders) met euro-munten en -biljetten gefrontload. Voor toonbankinstellingen zijn dit de laatste vier dagen van december. De meeste lidstaten starten al in september met het frontloaden van banken met euros. Voor toonbankinstellingen varieert in de andere landen de startdatum van het frontloaden tussen september en 1 december 2001.

Er zijn in ieder geval 9 landen van plan om al vóór -day euromunten aan het publiek ter beschikking te stellen. Nederland is vooralsnog het enige land met een gratis muntenset.

Ook wat betreft de uitgifte van biljetten via geldautomaten is het Nederlandse scenario het gunstigst: alle geldautomaten geven vanaf
-day uitsluitend eurobiljetten uit, waaronder ook 10 biljetten en in veel gevallen 5 biljetten. In de meeste andere landen vindt de omschakeling van geldautomaten evenwel pas gedurende de eerste twee weken van 2002 plaats, waarbij het zelfs niet zeker is dat alle geldautomaten na twee weken eurobiljetten uitgeven.

Het omwisselen van nationale valuta in euro is in ook in de meeste andere landen gratis voor de eigen klanten van banken, zij het dat er soms maxima zijn vastgesteld voor de gratis om te wisselen bedragen. Niet alle landen hebben hierover trouwens al afspraken gemaakt. Dit laatste geldt ook voor de lengte van de periode waarin munten en biljetten al dan niet gratis kunnen worden omgewisseld. In het algemeen is het echter ook in andere landen mogelijk om na de periode van dubbele circulatie nog enige tijd nationale valuta om te wisselen bij banken (maar dan tegen betaling), en voor een nog langere periode bij de centrale bank.

Uit het bovenstaande blijkt dat het Nederlandse omwisselscenario de vergelijking met andere landen ruimschoots kan doorstaan, hetgeen ook door alle betrokken partijen in Nederland wordt gewaardeerd. De Nederlandse invulling wordt niet geëvenaard op onderdelen als de snelheid van de omschakeling, de uitgifte van biljetten via de geldautomaat, de verstrekking van gratis muntensets aan het publiek, en het opzetten van een netwerk voor de gratis distributie van munten naar toonbankinstellingen.


6. Voorlichtingscampagne Nationaal Forum

6.1. Aanpak eurovoorlichting

Om een zachte landing van de euro in Nederland te bewerkstelligen is een heldere, doelgerichte en afgewogen voorlichting een eerste vereiste. De conversie van gulden naar euro raakt alle facetten van de samenleving. De invoering van de euro brengt aanpassingen van en voor iedereen met zich mee. De voorlichting over de euro is daarom van groot belang.

Doel van de voorlichting is dat de overgang van de gulden naar de euro in Nederland zo soepel mogelijk verloopt. Dat vereist dat iedereen tijdig geïnformeerd is over de gevolgen van de komst van de euro.

Het NFE verzorgt de overkoepelende en algemene voorlichting over de invoering van de euro aan het grote publiek en aan de intermediaire organisaties. Uitgangspunt van de eurovoorlichting is een gezamenlijke en gecoördineerde aanpak door alle organisaties die in het NFE zitting hebben. Daarbij is de afspraak gemaakt, dat iedere organisatie zelf verantwoordelijk is voor de voorlichting naar de eigen achterban. De achterban kan op deze wijze specifieke informatie over de euro halen op de plaats waar het altijd informatie haalt: vragen over gemeentelijke belastingen bij de gemeente, vragen over verzekeringen bij de verzekeraars, enzovoorts. Organisaties kunnen aansluiten bij de voorlichting van het NFE.

Daarnaast heeft het NFE een aantal doelgroepen aangewezen waarvoor een extra inspanning gewenst is. Dit zijn ondernemers, mensen met een handicap, etnische minderheden, onderwijs, ouderen, mede-overheden en de dak- en thuislozen. Voor deze doelgroepen worden onder de paraplu van het NFE aanvullende voorlichtingsactiviteiten verzorgd (zie bijlage 2).

Voor de verschillende departementen geldt dat zij waar nodig zelf de aanvullende voorlichting verzorgen voor hun eigen beleidsterrein (specifieke aspecten, intermediairs of doelgroepen).

De kosten van de massamediale voorlichting worden gedragen door het Ministerie van Financiën, evenals de kosten van de voorlichting aan organisaties die verdere voorlichting aan burgers en bedrijfsleven verzorgen, inclusief die groepen waarvoor een extra inspanning is gewenst. De kosten van de specifieke voorlichting aan de eigen achterban worden door de organisaties zelf gedragen.

6.2. Voorlichting in 2000

Omdat vanaf maart 1999 voorrang verleend werd aan de millennium-campagne werd de voorlichting over de euro aan het brede publiek via de televisie enige tijd stop gezet. Om het verlies in bereik zoveel mogelijk te compenseren is de inzet in tijdschriften geïntensiveerd. Vanaf het jaar 2000 is de campagne via de televisie hervat.

Iedereen van 16 jaar en ouder moet op de hoogte zijn van de volgende algemene kern-boodschappen, die in 2000 zijn verspreid:
* Nederland blijft guldenland tot 2002;

* de euromunten en -biljetten worden op 1 januari 2002 ingevoerd;
* de waarde van de euro is 2,20371;

* er doen 12 landen mee;

* de eurolijn (gratis) voor informatie 0800-1521
* de eurosite (www.euro.nl)

* de folder is verkrijgbaar bij postkantoor en bibliotheek.
Voor de specifieke doelgroepen zoals het brede publiek en ondernemers en mede-overheden zijn aanvullende boodschappen verspreid.

De boodschappen aan het brede publiek voor het jaar 2000 waren:
* tot 2002 is het voor burgers niet noodzakelijk iets te doen; met ingang van 1 januari 2002 worden alle hypotheken, pensioen, polissen, contracten, rekeningen, spaargeld etc. automatisch omgezet van guldens naar euro;

* hoe om te rekenen naar guldens, naar euros en naar andere EMU-valutas;

* alle landen krijgen dezelfde munten/biljetten (munten met nationale zijden);

* één rekening voor guldens en euros is voldoende.
De boodschappen aan ondernemers en mede-overheden voor het jaar 2000 betroffen onder andere:

* automatisering;

* financiële zaken/ bedrijfsvoering;

* belastingen;

* personeel;

* (marketing)communicatie;

* juridische aspecten;

* bevoorrading met euros;

* aspecten van het euro-distributiescenario.
De impact van de campagne en de kennis over de euro worden regelmatig onderzocht. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen de campagneboodschappen worden bijgesteld.

6.3. Kennis van de Nederlandse bevolking over de euro

Brede publiek

Uit het onderzoek van het NIPO blijkt dat het bereik van de algemene voorlichting in 2000 is blijven toenemen: in september 2000 gaf 85% van de Nederlanders aan voorlichting of reclame over de euro te hebben gezien tegenover 69% in november 1999. Het kennisniveau van de burgers is stabiel gebleven, maar de bekendheid met de waarde van de euro is gedaald. Deze daling is waarschijnlijk te wijten aan de berichtgeving omtrent de koersverhouding tussen de euro en de dollar. De kennisniveaus van de verschillende (doel)groepen liggen in het algemeen met elkaar in lijn. Bij onderlinge vergelijking van de doelgroepen zijn er wel enkele verschillen waarneembaar:
* mannen zijn bekender met de datum van invoering van de euro dan vrouwen (67% versus 58 %);

* jongeren zijn bekender met de exacte waarde van de euro (54% versus 46%) ten opzichte van de Nederlandse bevolking;
* jongeren zijn minder op de hoogte van het feit dat ze niets hoeven te regelen voor de invoering van de euro (62% versus 81%) ten opzichte van de Nederlandse bevolking.

* uitkeringsgerechtigden zijn beter op de hoogte van de waarde van de euro;

* het kennisniveau van etnische minderheden is fors toegenomen en ondertussen vergelijkbaar met het brede publiek; de bekendheid met de waarde van de euro en de introductiedatum is gestegen van rond de 45% in november 1999, naar rond de 60% medio 2000.

Ondernemers

Bedrijven bereiden zich voor op de komst van de euro, maar het kleinbedrijf blijft achter. Bijna de helft (45%) van het bedrijfsleven heeft -voorafgaand aan de meting in juni 2000- aangegeven recentelijk voorlichting over de euro te hebben gezien of gehoord. De meeste bedrijven kennen het ondernemersgerichte informatiemateriaal van het Nationaal Forum (66%). Ook is men van mening dat het materiaal duidelijke informatie verschaft. Een krappe meerderheid van de bedrijven is bekend met de waarde en introductiedatum van de euro. De lengte van de overgangsperiode en het aantal deelnemende landen bleken echter slecht bekend.

6.4. Houding ten opzichte van de euro

Brede publiek

* In maart 1999 vond 80% de euro een aanvaardbare opvolger voor de gulden. De publiciteit rondom de externe wisselkoers van de euro heeft geleid tot een afnemende steun voor de euro. Bij de meting in mei j.l. had 54% van de bevolking minder vertrouwen in de euro dan in de gulden. In de meting van september bleek dat deze daling zich niet verder heeft doorgezet.

* Een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking (47%) verwacht een prijsstijging als gevolg van de overschakeling op de euro. Daartegenover staat dat 42% verwacht dat de prijzen niet zullen stijgen.

Ondernemers

* De mening van de ondernemers over de euro is minder positief dan vorig jaar. In februari 2000 was 8% negatiever gaan denken over de euro; in mei 2000 was dit 23%. Als voornaamste reden voor de negatievere houding geeft men de dalende externe wisselkoers aan. Daartegenover staat dat de mening van 69% van de ondernemers niet is veranderd, terwijl 8% gunstiger over de euro is gaan denken.
* Bedrijven verwachten prijsstijgingen. Het grootste deel van de ondernemers (rond de 90%) is van mening dat de prijzen zullen worden aangepast bij het omrekenen. In de meeste gevallen (61%) verwacht men dat de prijzen naar boven zullen worden aangepast.
* De mate waarin het bedrijfsleven zich voorbereidt op de euro laat nog steeds te wensen over. Wel geeft (in oktober 2000) een meerderheid van de bedrijven inmiddels aan hiermee bezig te zijn. Van het grootbedrijf geeft echter maar 44% aan de voorbereidingen al voor meer dan de helft te hebben afgerond. Er zijn ook nog steeds bedrijven die helemaal niet zijn begonnen met de voorbereidingen (3% van het grootbedrijf, 13% van het middenbedrijf, en 26% van het kleinbedrijf).

Bij de vraag naar een plan van aanpak blijkt dat het aantal bedrijven dat zich door middel van een planning serieus voorbereidt op de komst van de euro nog steeds een minderheid vormt. Bedenkelijk is dat zon 40% van de bedrijven niet voornemens is een plan van aanpak op te stellen. In de loop van 2000 zijn de cijfers op dit punt nauwelijks gewijzigd:

februari 2000 juni 2000 oktober 2000

Plan nu al gereed 28% 30% 30%

Plan gereed in 2000 13% 11% 7%

Plan gereed in 2001 11% 14% 16%

Maakt geen plan 42% 39% 43%

Het kan overigens zo zijn deze cijfers enige onderschatting geven van de voorbereidingen, wanneer er bij bedrijven wel bepaalde maatregelen worden getroffen, maar dat de term plan hiervoor wat te zwaar wordt geacht.

Uit onderzoek blijkt verder ook voor zowel het brede publiek als de ondernemers dat er een verschuiving in informatiebehoefte gestalte krijgt. Er treedt een paradox in werking: naarmate men meer weet, heeft men het gevoel minder te weten. Dit uit zich in een vraag naar steeds praktischer informatie. Uit de analyse zijn de volgende onderwerpen onder nadere naar voren gekomen waarover men meer wil weten:

* algemene instrumentele informatie;

* voor- en nadelen van de euro;

* consequenties van de invoering;

* waarde van de euro en waardevastheid en uitleg over koers;
* introductieperiode, overgangsperiode en omwisselperiode;
* wijze waarop met de introductie moet worden omgegaan in het dagelijks leven;

* vormgeving van de euro.

De Europese Commissie laat twee keer per jaar een onderzoek uitvoeren over diverse onderwerpen, waaronder de euro. Onderzoek dat in het voorjaar van 2000 heeft plaatsgevonden kende onder andere de volgende uitkomsten:

* Nederland voelt zich van alle Europese landen het beste geïnformeerd over de euro;

* Nederland is boven gemiddeld vóór de komst van euro;
* 82% van de Nederlanders geeft aan informatie over de euro te hebben ontvangen.

6.5. Convenant met de Europese Gemeenschap

Evenals voorgaande jaren zal er voor het jaar 2000 een convenant met de Europese Gemeenschap worden afgesloten over de financiële bijdrage van de Europese Commissie aan de voorlichtingsactiviteiten in het kader van de euro. De vertegenwoordiger van de Europese Commissie in Den Haag heeft zitting in het Voorlichtersforum (een werkgroep van het NFE), om de Nederlandse ontwikkelingen te kunnen volgen. Een aantal malen per jaar komen in Brussel de euro-campagneleiders uit de lidstaten, de Europese commissie en de Europese Centrale Bank bijeen om ervaringen uit te wisselen en te praten over de voortgang van de eurovoorlichting.


7. Vervolgactiviteiten

7.1. Chartale omwisseling

Tot slot volgt een kort overzicht van de vervolgactiviteiten in de nabije toekomst. Nu de hoofdlijnen van het scenario vaststaan komt het wat betreft de projectorganisatie bij DNB aan op verdere uitwerking van de verschillende onderdelen, in overleg met betrokken partijen. Hiertoe behoort ook een testtraject. Deze maanden wordt b.v. een administratieve fijndistributie-proef gedaan met voorlichtingsmateriaal en vuistregels voor de bepaling van de wisselgeldbehoefte bij winkels in Gouda en Amersfoort.

Ook zal er de komende maanden meer duidelijkheid komen over de vraag via welke distributiepunten de gratis eurokits en consumentenpakketten met euromunten aan het publiek zullen worden verspreid.

De overheid zal op verschillende sporen actief zijn. Op het gebied van de regelgeving wordt binnenkort het voorstel voor een nieuwe Muntwet aan de Tweede Kamer aangeboden. Hiermee wordt de status van wettig betaalmiddel van de euro vanaf 1 januari 2002 geregeld.In de loop van 2001 zullen enkele Koninklijke Besluiten worden genomen in het kader van de Muntwet en de Bankwet. De strekking hiervan is dat de status van de gulden als wettig betaalmiddel wordt ingetrokken per 28 januari 2002 om 0.00 uur.

Andere prioriteiten voor de overheid betreffen: de productie van munten en het zich er van vergewissen dat er voldoende biljetten worden geproduceerd, de uitwerking van veiligheidsmaatregelen en de voorlichting over de chartale omwisseling voor toonbankinstellingen en het publiek.

Voor marktpartijen is het in de eerste plaats zaak om de eigen organisatie in te richten op het afgesproken distributiescenario. Dit betekent onder meer dat tijdig bestellingen dienen te worden verricht van benodigde hoeveelheden euromunten, dat er afspraken worden gemaakt over de aanpassing van betaalautomaten en andere apparatuur zoals kassas, en dat er praktische invulling wordt gegeven aan de duale fase. Een niet te vergeten element is de training van het personeel. Iedereen dient immers tijdig vertrouwd te raken met de nieuwe munten en biljetten, de nieuwe prijzen en de specifieke omstandigheden van de duale fase.

Voorlichting in 2001

De conversiecampagne in 2001 wordt de grootste en meest intensieve fase in de eurovoorlichting. Het publiek zal steeds intensiever, actiever en gedetailleerder worden geïnformeerd over de gevolgen die de komst van de euro heeft. Zowel burgers als bedrijven worden voorbereid op de komst van de euro in de meest praktische zin. De voorlichting zal onder meer betrekking hebben op het uiterlijk van de euromunten en -biljetten en de echtheidskenmerken ervan, de waarde van de euro ten opzichte van de gulden, het distributiescenario en tot wanneer en waar guldens gewisseld kunnen worden. Over de echtheidskenmerken van de eurobankbiljetten wordt een Europese voorlichtingscampagne worden georganiseerd door de ECB; in Nederland wordt deze campagne geïntegreerd in de campagne van het NFE. Tevens zal waar nodig kunnen worden ingespeeld op de actualiteit. Zoals bijvoorbeeld op die onderwerpen die uit het onderzoek zoals hierboven vermeld naar voren zijn gekomen.

Communicatie-activiteiten

Naast het materiaal dat het Nationaal Forum al heeft ontwikkeld (zie bijlage 2), zal het Nationaal Forum komend jaar ook weer aanwezig zijn op diverse beurzen, congressen en andere bijeenkomsten.

In ieder geval zal de eurovoorlichtingscampagne worden gecontinueerd met advertenties en televisiespots waarin onderstaande onderwerpen naar voren zullen komen. Daarin zullen naast de reeds in paragraaf 6.2. genoemde algemene campagneboodschappen ook per kwartaal specifieke onderwerpen worden behandeld voor de verschillende doelgroepen.

Brede publiek:

Boodschappen het gehele jaar door

* Wanneer verdwijnt de gulden als wettig betaalmiddel?
* De euromunten circuleren door heel Europa. Ook in Nederland kun je euromunten uit de andere EMU-landen tegenkomen.
* Duale fase van 1 januari 2002 tot 28 januari 2002.
* Tot wanneer kunnen munten en biljetten gratis worden omgewisseld/ afgestort.

* Alle landen krijgen dezelfde munten en biljetten (munten met nationale zijde).

Eerste kwartaal

* Wat is de intrinsieke waarde van de euro, hoe moet je omrekenen en afronden.

* Koopkracht blijft gelijk en met ingang van 1 januari 2002 worden alle hypotheken, pensioenen, polissen, contracten, rekeningen, spaargeld etc. automatisch omgezet van guldens naar euro.
* Herkenningstekens op de munten en biljetten voor blinden.
Tweede kwartaal

* Attenderen op dubbelprijzen per 1 juli.
Derde kwartaal

* Attenderen op de veranderingen die zich met vakanties in de eurolanden zullen aandienen.

Vierde kwartaal

* Echtheidskenmerken van de euro.

* Omwisselen van guldens in euros. Waar kan dat en op welk moment?
* Betalingen in euros met creditcards/ cheques.
* Pinnen en chippen in euros.

* Eurokits en consumentenpakketten.

Ondernemers en mede-overheden:

In aanvulling op het bovenstaande moeten ondernemers en mede-overheden het komend jaar gestimuleerd worden zich voor te bereiden op de komst van de euro. Zij moeten geattendeerd worden op de veranderingen die de euro met zich meebrengt op diverse gebieden:

Boodschappen het gehele jaar door:

* automatisering

* financiële zaken/ bedrijfsvoering

* belastingen

* (marketing)communicatie

* juridische aspecten

* communicatie

* ketenafhankelijkheden

* strategische keuzen

* testen.

Tweede kwartaal

* informeren van personeel

* dubbel prijzen en gewenningsinformatie

Vierde kwartaal

* bevoorrading met euros

* aspecten van het distributiescenario.

7.3. Tenslotte

Uit de geschetste stand van zaken blijkt dat de Nederlandse overheid en andere betrokken partijen de chartale omwisseling gedegen voorbereiden, op een wijze die zo min mogelijk hinder geeft voor publiek en marktpartijen.

Dit laat onverlet dat alle betrokken partijen met extra inspanningen te maken zullen krijgen. Naast een ordelijk en publieksvriendelijk verloop van de omschakeling, en een beperking van de totale maatschappelijke kosten is ook een evenwichtige verdeling van de lasten tussen alle partijen van belang. Het kabinet is in navolging van het NFE van mening dat het huidige scenario zo goed als mogelijk aan deze doelstellingen voldoet.

Het Nederlandse scenario kan zonder meer wedijveren met alle andere lidstaten als het gaat om de kwaliteit van de voorbereidingen. Dit geldt ook voor de voorlichtingscampagne. Uiteraard zal in alle opzichten het jaar 2001 het jaar van de waarheid worden, waarin de voorbereidingen worden afgesloten op de bij voorbaat al historische datum van 1 januari 2002.

De Minister van Financiën,

BIJLAGE 1: OMWISSELSCENARIOS IN ANDERE LIDSTATEN

Periode van dubbele circulatie

Uit de bekend gemaakte plannen van de euro-12 blijkt dat de formele periode van dubbele circulatie, waarin zowel de nationale munt als de euro wettig betaalmiddel is, in Nederland het kortst zal duren, nl. tot 28 januari 2002 0.00 uur. In de meeste lidstaten (B, Grk, Sp, It, Lux, Oost, Port en Finland) loopt de periode van dubbele circulatie door tot 28 februari 2002. Ierland mikt op een periode van dubbele circulatie tot en met 9 februari 2002, in Frankrijk zal de periode van dubbele circulatie tot in de tweede helft van februari 2002 doorlopen. In Duitsland is de DM vanaf 1.1.2002 weliswaar geen wettig betaalmiddel meer, maar hebben banken en detailhandel zich verplicht om tot en met 28 februari 2002 DM-munten en biljetten te blijven accepteren.

Ook feitelijk lijkt de periode van dubbele circulatie in Nederland het kortst te gaan duren. Nederland verwacht dat na de eerste week reeds 75% van alle chartale transacties in euro afgewikkeld zal worden. Een rechtstreeks vergelijkbaar cijfer voor andere landen is niet voorhanden, maar wel bekend is b.v. dat Finland en Italië verwachten dat er na de eerste twee weken minder dan 40% van de nationale biljetten in omloop zullen zijn. Oostenrijk en Portugal verwachten dat er minder dan 50% van de nationale biljetten in omloop zullen zijn. Andere lidstaten hebben nog geen verwachtingen aangegeven.

Bevoorraden van banken en toonbankinstellingen

Nederland kent ook de meest geconcentreerde periode van bevoorrading van banken en toonbankinstellingen. In Nederland worden banken in de tweede week van december 2001 met euro-munten en -biljetten gefrontload. Voor toonbankinstellingen is dit de laatste twee weken van december.

De meeste lidstaten (D, F, Sp, Irl, Lux, Oost en Port) starten al met het frontloaden van banken met euros op 1 september 2001 (voor F en Irl uitsluitend euromunten, frontloading biljetten vindt later plaats). Een aantal van deze lidstaten (D, Irl, Lux, Oost en Port) start ook met de frontloading van toonbankinstellingen op 1 september. Finland en Griekenland hebben nog niet besloten op welke wijze de frontloading van banken en toonbankinstellingen zal plaatsvinden. Voor het overige wordt over het algemeen op 1 december 2001 gestart met het frontloaden van toonbankinstellingen met euromunten. Italië zal overigens uitsluitend grote winkels frontloaden.

Vijf lidstaten (B, F, Oost, Port en Nederland) hebben aangegeven gebruik te willen maken van standaardsets met euromunten voor het frontloaden van toonbankinstellingen, variërend in waarde van E 145 tot 250 (NB. Nederland kent twee pakketten, te weten één set met munten van 5 eurocent en hoger - waarde E 219- en een set met uitsluitend 1 en 2 eurocent t.w.v.
E 15).

Beschikbaarstellen van euromunten aan het publiek vóór -day

In Nederland zullen vanaf maandag 17 december setjes met euromunten aan het publiek verkocht gaan worden. Acht andere lidstaten (B, D, Fin, F, Lux, Oost, Port en Sp) zullen eveneens vóór setjes aan het publiek gaan verkopen. De grootte van de sets varieert van E 3,88 in Finland tot E 15,24 in Frankrijk (Nederland E11,34). De start van de verkoop van de setjes met euromunten is in België, Finland, Frankrijk en Luxemburg op zaterdag 15 december en in de overige landen op maandag 17 december.

Nederland is vooralsnog uniek met de gratis set met de acht verschillende euromunten ter waarde van E 3,88.

Beschikbaarheid van eurobiljetten uit de geldautomaat

In Nederland geven alle geldautomaten vanaf -day uitsluitend eurobiljetten uit. Alle geldautomaten zullen E10-biljetten uitgeven en een deel zal eveneens E5-biljetten uitgeven.

Ook in België, Duitsland, Ierland en Luxemburg geven geldautomaten reeds vanaf E-day uitsluitend eurobiljetten uit. In meeste eurolanden vindt de omschakeling van geldautomaten evenwel pas gedurende de eerste twee weken van 2002 plaats (waarbij het zelfs niet zeker is dat alle geldautomaten na twee weken eurobiljetten uitgeven).

Naast Nederland zullen in D, Grk, en Port E5-biljetten in de eerste weken van 2002 via geldautomaten uitgegeven worden. In andere landen (m.u.v. België en Finland) zullen er E 10-biljetten via geldautomaat uitgegeven worden. Frankrijk heeft nog niet aangegeven welke denominaties via de geldautomaat uitgegeven zullen worden.

Maximaal kosteloos om te wisselen bedrag

In Nederland kan het publiek (via zijn bankrekening) bij de eigen bank tot 1 april 2002 onbeperkt guldens voor euro omwisselen zonder dat hiervoor kosten in rekening worden gebracht.

Ook in Spanje, Italië (mits één dag van te voren aangekondigd), Luxemburg, Portugal (via bankrekening) en Finland gelden voor de eigen klanten van de bank geen beperkingen. In Ierland (E 635), Oostenrijk (E 3633) en Portugal ( 500) is er wel een maximum gesteld aan het bedrag dan men kosteloos kan omwisselen. In België, Duitsland en Frankrijk zijn hierover nog geen afspraken gemaakt.

Inwisselperiode nationale munten en biljetten

Na de periode van dubbele circulatie kan in Nederland nog tot 1 april 2002 kosteloos bij de eigen bank worden omgewisseld. Ook daarna kan men nog tot 1 januari 2003 bij de commerciële banken omwisselen; hiervoor kunnen kosten in rekening worden gebracht.

Ook in de meeste andere eurolanden (alleen in Duitsland beperkt tot 28 februari 2002) blijven banken na de periode van dubbele circulatie nog nationale munten en biljetten omwisselen. Deze periode varieert van een aantal maanden tot maximaal 31 december 2002 (B en Lux). In Griekenland, Italië, Ierland en Oostenrijk zijn hierover nog geen definitieve afspraken gemaakt.

In Nederland blijft DNB nog gedurende 5 jaar guldenmunten omwisselen en gedurende 30 jaar guldenbiljetten. Ook de centrale banken van andere eurolanden blijven nog enige tijd de eigen nationale munt innemen. Voor munten varieert de inwisseltermijn bij de centrale bank van 1 jaar (Frankrijk en Portugal) tot een onbeperkte termijn (D, Oost, en Irl). De inwisseltermijn voor biljetten varieert van 10 jaar (Grk, F, It, en Finland) tot een onbeperkte termijn (B, D, Oost, Sp en Irl).


- 0 -

BIJLAGE 2:

DE SPECIFIEKE AANDACHTSGROEPEN VAN DE VOORLICHTINGSCAMPAGNE

A. Doelgroepen

Breed publiek

Het Nationaal Forum wil het kennisniveau van Nederland beïnvloeden door algemene, overkoepelende en feitelijke informatie te geven over de euro op een sympathieke, laagdrempelige manier. Onder Nederland wordt verstaan alle inwoners ongeacht inkomen en sociale klasse. In het algemeen geldt als leeftijdsgrens 16+, maar de voorlichtingsactiviteiten in het kader van de euro binnen het onderwijstraject richten zich ook op jongere leeftijdscategorieën.

Daarnaast zijn door het voorlichtersforum enkele doelgroepen aangewezen die extra aandacht nodig hebben. Deze groepen worden uiteraard bereikt door de massamediale campagne, maar in aanvulling daarop worden specifieke voorlichtingsactiviteiten verzorgd die op hen gericht zijn. Het zijn:

Ouderen

Het is niet zinvol de doelgroep ouderen af te bakenen door middel van harde leeftijdsgrenzen. Door een bepaalde leeftijd als ondergrens te hanteren zouden mensen tussen de wal en het schip kunnen raken. De doelgroep is vanuit het perspectief van de eurovoorlichting van het Nationaal Forum in drie groepen te verdelen.

De eerste groep bestaat uit de actieve en mondige gepensioneerden. Deze groep staat midden in het leven, volgt de actualiteit op radio en televisie. De tweede groep bestaat uit afhankelijke ouderen, ouderen die niet meer zelfstandig wonen en niet meer zelfstandig met geld omgaan of om kunnen gaan. Deze groep wordt door de omgeving ook op het gebied van hun financiën volledig verzorgd.

De werkgroep Ouderen zal zich in het bijzonder richten op de voorlichting aan de derde groep ouderen die op de eerste plaats nog zelfstandig met geld omgaan, maar die in een sociaal isolement zitten en die al of niet in seniorencomplexen of zorginstellingen verblijven. Specifieke voorlichting is derhalve nodig voor de groep die bestaat uit ouderen die zelfstandig met geld omgaan maar een hetzij sociale, verstandelijke of fysieke handicap hebben.

Mensen met een handicap

De doelgroep is onderverdeeld in auditief, visueel en verstandelijk gehandicapten die in staat zijn financiële handelingen te plegen en hun koepelorganisaties.

Auditief gehandicapten

Auditief gehandicapten zijn doven en slechthorenden. De Gebarentaal is van groot belang in het maatschappelijk verkeer met dove mensen. Het is daarom raadzaam om voorlichting over de introductie van de euro in gebarentaal beschikbaar te stellen.

Visueel gehandicapten

Hieronder wordt verstaan: blinden en slechtzienden. Daaronder zijn veel ouderen, van wie het gezichtsvermogen met de jaren slecht is geworden. Het is daarom raadzaam om voorlichting over de introductie van de euro in braille, op geluidscassette en in groot letterdruk beschikbaar te stellen.

Verstandelijk gehandicapten

Steeds meer verstandelijk gehandicapten wonen zelfstandig in woonunits. Aan deze mensen wordt de mogelijkheid geboden zich zelfstandig te integreren in de samenleving. Ze moeten zelfstandig betalingen kunnen verrichten en hun eigen boodschappen doen. De verstandelijk gehandicapten die in internaten wonen, worden voorgelicht via hun begeleiders en betrokken ouder- en patiëntenorganisaties. Daarom is voorlichting over de introductie van de euro makkelijker geschreven en op een speciale video beschikbaar.

De koepelorganisaties van auditief, visueel en verstandelijk gehandicapten in Nederland zijn talrijk. De koepelorganisaties die zijn vertegenwoordigd in de werkgroep en als adviseurs optreden zijn: de Nederlandse Vereniging voor Blinden en Slechtzienden (NVBS), het Dovenschap, de Federatie van Ouderverenigingen (FVO).

Minderheden

Bij de vaststelling van de omvang en inhoud van deze doelgroep is aangesloten bij de invulling van de minderhedendefinitie die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden wordt gehanteerd: het algemene publiek van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst. Daar zijn door het NFE nog het Chinese algemene publiek en etnische ondernemers aan toegevoegd. Verder wordt een selectie van het voorlichtingsmateriaal vertaald in het Spaans, Frans, Engels, Portugees,Turks, Arabisch, Chinees en Papiamento .

Dak- en thuislozen

Thuislozen

De thuislozen vormen een bevolkingsgroep met wel degelijk een (permanent) dak boven hun hoofd. Zij verblijven meestal in opvanghuizen en/of -instellingen. Het is hierdoor dat zij in grote lijnen hetzelfde mediagedrag vertonen als het brede publiek. De werkgroep stelt dan ook dat deze sub-doelgroep goed te bereiken is met de normale campagne. Tegelijkertijd strekt het kwetsbare aspect van deze groep èn een wat kortere attentie-span tot de aanbeveling om deze groep, via hun intermediairs, in de informatie te voorzien die ook aan de sub-doelgroep daklozen wordt verstrekt.

Daklozen

Daklozen hebben in tegenstelling tot de thuislozen geen vaste woon- of verblijfplaats. Veelal brengen zij de tijd door op straat, in passanten- of dagverblijven. Mede als gevolg daarvan vertonen zij niet hetzelfde mediagedrag als het brede publiek. Communicatie met deze groep is daarom moeilijk en zal met het oog op de praktijk vooral verlopen via de relevante intermediaire organisaties.

Ondernemers, etnische ondernemers en hun intermediaire kaders

De doelgroep is omschreven als ondernemingen tot ca. 200 werknemers.

Intermediaire kaders zijn een belangrijke informatiebron voor ondernemers. De belangrijkste directe adviseurs zijn: accountants, administratieconsulenten, boekhouders en fiscalisten; banken en verzekeraars; juridisch adviseurs; automatiseerders/ IT-specialisten; leveranciers van kasregisters, betaalautomaten en geldaccepterende automaten; kamers van koophandel; brancheverenigingen/ belangen- en beroepsorganisaties van ondernemers

De indirecte adviseurs zijn: de koepels van adviseurs; de koepels van brancheverenigingen, beroepsorganisaties en bedrijfschappen.

Om de etnische ondernemers in Nederland te informeren over de invoering van de euro en de consequenties voor hun bedrijfsvoering is er een klankborggroep voor etnische ondernemers ingesteld. Deze ondernemers kunnen zoveel mogelijk via bestaande etnische organisaties worden bereikt.

Mede-overheden

De doelgroep van de werkgroep mede-overheden bestaat uit gemeenten, provincies en waterschappen. Daarnaast ondersteunt de werkgroep het Landelijk Euro Gemeenten Overleg (LEGO) met betrekking tot haar communicatie. Het LEGO richt zich op het euro-implementatieproces bij gemeenten, o.a. in de vorm van de uitwisseling en bundeling van kennis en ervaring en het opstellen van een gezamenlijk kader in de vorm van aanbevelingen voor de eurovoorbereidingen van gemeenten. Vanuit het LEGO kan informatie over het gezamenlijke kader, aanbevelingen, oplossingen, kennis en ervaring onder de eurocoördinatoren van alle Nederlandse gemeenten verspreid worden.

In het kader van de communicatie van de informatie uit het LEGO kunnen de volgende primaire doelgroepen worden aangeduid:
1. Gemeenten

2. Provincies

3. Waterschappen

4. Colleges van B&W

5. Deelgemeenten

6. Departementen

7. Incidenteel door LEGO bepaalde groepen

De werkgroep richt zich in haar communicatie rechtstreeks op de primaire doelgroepen. Voor de secundaire doelgroepen geldt dat zij bereikt zullen moeten via de kanalen van de primaire doelgroepen. De primaire doelgroepen hebben dus een eigen verantwoordelijkheid in de communicatie. Secundair kunnen, niet limitatief, de volgende doelgroepen worden aangewezen:

* Gemeentelijke samenwerkingsverbanden (i.g.v. Wet gemeenschappelijke regelingen)

* GSDs, Divosa

* Gemeentelijke kredietbanken

* Gemeentelijke diensten

* Grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden
* Samenwerkingsverband ziekenhuizen

* Openbaar Onderwijs

* Werkvoorzieningsschappen

* Woningbedrijven, corporaties, AZCs

Onderwijs en jongeren

De doelgroep omvat de hoogste groepen van het basisonderwijs en de laagste klassen van het middelbaar onderwijs. Hiernaast is er ook rekenmateriaal ontwikkeld voor de groepen 3 tot en met 8 klassen van het basisonderwijs, is er materiaal ontwikkeld voor de hoogste klassen van het middelbaar onderwijs en is er nieuw aanvullend lesmateriaal voor het MBO sector economie beschikbaar. Dit is geheel in overeenstemming met de opzet van de tweede fase.

B. Voorlichtingsmateriaal dat op dit moment beschikbaar is

B1. Welke algemene informatie is beschikbaar?

Euro-info

In Euro-info vindt u de antwoorden op meer dan 100 van de meest gestelde vragen over de euro. De vragen en antwoorden in deze ringband worden afhankelijk van nieuwe ontwikkelingen ge-actualiseerd. Als u de ringband aanvraagt, krijgt u de actualisaties automatisch toegestuurd.

Van de Euro-info is er bovendien een makkelijk geschreven en beknopte versie met de titel "Wat moet u weten over de euro".

Euro-info selecties

Er zijn momenteel drie verschillende selecties met vragen en antwoorden uit Euro-info: één met algemene informatie over de invoering van de euro, één met de specifieke vragen die voor ondernemers van belang kunnen zijn en één Engelstalige selectie voor buitenlandse ondernemers die in Nederland actief zijn. De algemene versie is ook beschikbaar in braille en op geluidscassette.

Eurobase

De vragen en antwoorden uit de ringband staan ook in een database op diskette: de Eurobase. Aanvragers krijgen automatisch een abonnement op updates.

De euro. Stap voor stap naar 2002

De brochure "De euro. Stap voor stap naar 2002" geeft een beknopte beschrijving van de veranderingen waarmee elke Nederlander te maken krijgt als gevolg van de invoering van de euro. Deze brochure is ook in de volgende vormen beschikbaar: in braille, op geluidscassette en in grootletterdruk. Voor sommige mensen is deze brochure te moeilijk geschreven, daarom heeft het Nationaal Forum in samenwerking met o.a. de Federatie van Ouderverenigingen een eenvoudige versie uitgegeven met de titel "De euro, ons nieuwe geld".

De euro. Stap voor stap naar 2002 in andere talen

De brochure "De euro. Stap voor stap naar 2002" is beschikbaar in Engels, Frans, Portugees, Spaans, Turks, Arabisch, Chinees en Papiamento.

Alle euros op een rij
Alle euro's op een rij is een compact naslagwerk met de afbeeldingen van alle eurobankbiljetten en euromunten, die iedereen vanaf 2002 in het betalingsverkeer tegenkomt.

Alle euros in beeld

Een overzicht op A3-formaat met alle euromunten en -biljetten.

De eurolezing

Het Nationaal Forum heeft als bijzondere service een sprekerspool ingesteld. De sprekers zijn door het Nationaal Forum opgeleid om presentaties over de euro te geven. In deze folder is een antwoordkaart opgenomen waarmee u voor uw organisatie of vereniging een spreker kunt uitnodigen. Het Nationaal Forum biedt deze voorziening tevens voor doven en slechthorenden. In dat geval dient u zelf te beschikken over een doventolk.

Omrekenen volgens de regels

In deze folder wordt uitgelegd hoe u guldens naar euros moet omrekenen en omgekeerd. Om het u nog makkelijker te maken is een Euro-omrekenschijf bij de folder gevoegd. De folder is ook beschikbaar in grootletterdruk. Voor sommige mensen is deze folder te moeilijk geschreven, daarom heeft het Nationaal Forum ook nog een eenvoudige versie uitgegeven met de titel "omrekenen van gulden naar euro, van euro naar gulden".

B2. Welke informatie is er voor ondernemers beschikbaar?

Euro checklist voor ondernemers

De euro checklist voor ondernemers geeft aan op welke aspecten van de bedrijfsvoering in uw bedrijf de invoering van de euro van invloed kan zijn. De vragen die u positief beantwoordt, geven aan op welke onderdelen van de bedrijfsvoering u voorbereidingen moet treffen voor de komst van de euro.

Euro-info voor ondernemers

Euro-info voor ondernemers biedt antwoord op een groot aantal praktische vragen over de invoering van de euro in Nederland.

Euro-info: business information

Euro-info: The euro: the questions most frequently asked by businesses: a selection of questions about the introduction of the euro for foreign companies in the Netherlands.

Eurokoers

Eurokoers is een kwartaalblad voor voorlichters, ondernemers en maatschappelijke organisaties over de laatste ontwikkelingen en recente besluitvorming over de euro. Eurokoers bevat naast praktische informatie en interviews, praktijkverhalen met tips voor het bedrijfsleven over de aanpak van de invoering van de euro.

Van gulden naar euro

De overgang van gulden naar euro heeft al heel wat voeten in aarde gehad. "Van gulden naar euro" biedt inzicht in de (Europese) processen die hieraan vooraf zijn gegaan. Het is een nuttig naslagwerk voor alle ondernemers die zich op de invoering van de euro voorbereiden.

Het euro tabellenboekje

Het euro tabellenboekje geeft een handzaam en uitgewerkt overzicht met omrekeningen van zowel gulden naar euro als van euro naar gulden. Voor gebruik in het midden- en kleinbedrijf is het net zon praktisch naslagwerk als het BTW-tabellenboek.

Omrekenen volgens de regels voor ondernemers

In deze folder wordt uitgelegd hoe men moet omrekenen van euros

naar guldens en vice versa.

Eurohandreiking

Eurohandreikingen verkennen de euro-thematiek van een tiental verschillende branches van het MKB. In deze handreikingen vindt de ondernemer tal van praktische tips en voorbeelden waarmee hij zich kan voorbereiden op de komst van de euro.

B3. Welke informatie is er voor jongeren?

Junior Eurokrant

Voor jongeren tussen de 10 en 12 jaar is een junior Eurokrant ontwikkeld, een levendige folder met informatie over de invoering van de euro en het verdwijnen van de gulden. Aan de hand van concrete informatie, praktijkvoorbeelden en kleurenmateriaal kunnen jongeren zich informeren over de euro.

Euro zakboekje

Voor jongeren tussen de 12 en 15 jaar is er een euro zakboekje, waarin alle interessante informatie over de euro en de achtergronden en gevolgen van de Economische en Monetaire Unie op een aansprekende manier zijn opgenomen.

Finesse K-tern

Voor jongeren van 15 tot 18 jaar is Finesse K-tern ontwikkeld. Dat is een magazine met achtergrondinformatie, feiten en interviews over de Economische en Monetaire Unie en de euro.

Klaar voor de euro?

Het Nationaal Forum heeft een zelfstudiemodule over de euro op cd-rom gemaakt. De cd-rom bevat onder andere een kennistest waarmee leerlingen van het voortgezet onderwijs hun eurokennis kunnen testen. Daarnaast wordt via een database alle informatie over de euro toegankelijk.

Eurofocus

Voor leerlingen van het beroepsonderwijs in de BVE-sector is een speciaal magazine gemaakt waarin de invoering van de euro vanuit een praktische invalshoek wordt benaderd. Het magazine gaat vergezeld van opdrachtkaarten en een docentenhandleiding.

Onderwijsmateriaal

Voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs is educatief materiaal ontwikkeld ter aanvulling op het reguliere lesmateriaal. Docenten kunnen dit materiaal klassikaal gebruiken, leerlingen kunnen er ook individueel mee werken. Scholen kunnen de vier ondersteunende pakketten bestellen. Voor drie van deze pakketten wordt ongeveer f 50,- per stuk (incl. BTW en verzendkosten) in rekening gebracht.
* Rondje euro

Voor groep 7 en 8 van het basis onderwijs is het pakket "Rondje euro" ontwikkeld. Dit pakket bevat een mix aan activiteiten waarmee leerlingen spelenderwijs met de euro vertrouwd raken. De activiteiten variëren van spelvormen waarin vragen over de euro en taal een belangrijke rol spelen, onderzoeksactiviteiten, tot het maken van een presentatie waarin de opgedane kennis aan bod komt.
* Euro rekenen (gratis)

Voor de groepen 3 t/m 8 is er materiaal ontwikkeld om kinderen voor te bereiden op het rekenen met de euro. Zij leren onder andere te rekenen met geldwaarden die bij de euro horen en guldens om te rekenen naar euros en omgekeerd. Daarnaast zullen de kinderen door dit materiaal sneller de nieuwe munten en biljetten gaan herkennen en begrijpen dat de waarde van voorwerpen gelijk blijft als de prijs is veranderd.
* De euro enzo...

Voor de laagste klassen van het voortgezet onderwijs en de eindexamenklassen vbo/mavo is materiaal ontwikkeld met als kern een euro zakboekje met inhoudelijke basisinformatie over de EMU en de euro. Hiernaast zijn er voor leerlingen op twee niveaus werkboekjes ontwikkeld waarmee ze hun kennis en inzicht in EMU en euro kunnen toetsen en verdiepen door het uitvoeren van onder meer onderzoeksopdrachten, interviews en presentatie-opdrachten. Wanneer u dit pakket eenmaal heeft aangevraagd, ontvangt u de gratis nieuwsbrieven, actualisaties en aanvullingen van het materiaal.

Naast het gelijknamige zakboekje bevat het pakket voor de leerlingen een werkboekje op 2 niveaus, met onder andere vragen die de zelfwerkzaamheid van de leerlingen bevorderen. In werkboekje 2 zijn bijvoorbeeld extra opdrachten opgenomen met berekeningen die betrekking hebben op inflatie, vreemde valuta en wisselkoersen. Voor de docent is een uitgebreide docentenhandleiding en extra achtergrondinformatie over de EMU en de euro bijgevoegd.
* Euro inzicht

Op 1 januari 1999 is de EMU van start gegaan en is de euro officieel ingevoerd in Nederland en in elf andere Europese landen. Bijna dagelijks komen de EMU en de euro in het nieuws. Omdat de meeste economiemethoden weinig of geen aandacht aan deze onderwerpen besteden, biedt het Nationaal Forum voor de introductie van de euro u een lespakket aan over de feiten en achtergronden van de EMU en de euro: "Euro inzicht".

Het vak economie staat centraal in "Euro inzicht". Het lesmateriaal is bedoeld voor de profielen Economie en Maatschappij en Cultuur en Maatschappij in de tweede fase van havo/vwo en sluit aan bij de eindtermen van het vak economie.

Studiehuis

Inhoud en didactiek van "Euro inzicht" sluiten nauw aan bij het Studiehuis. Het materiaal daagt de leerling uit zelfstandig aan de slag te gaan bij het invoeren van opdrachten. Nieuw in de gekozen aanpak is dat het uitgaat van concrete maatschappelijke vraagstukken. "Euro inzicht" stelt leerlingen in staat aan de hand van praktische opdrachten zelfstandig te onderzoeken welke maatregelen moeten worden getroffen om de invoering van de euro goed te laten verlopen en welk economisch beleid in het kader van de EMU gevoerd moet worden. Daarbij gaat ook veel aandacht uit naar het ontwikkelen van vaardigheden met betrekking tot vinden van informatie en presenteren. Docenten die dat willen, kunnen het lesmateriaal ook klassikaal gebruiken.

B4. Voor specifieke doelgroepen heeft het Nationaal Forum speciaal voorlichtingsmateriaal ontwikkeld.

Gebarentaal

Voor doven en slechthorenden heeft het Nationaal Forum in samenwerking met o.a. het Dovenschap een video en cd-rom in Nederlandse gebarentaal ontwikkeld. Zowel de video als de cd-rom zijn gebaseerd op de folder "De euro. Stap voor stap naar 2002" en geven duidelijk de veranderingen aan waarmee elke Nederlander te maken krijgt als gevolg van de euro. De video en de cd-rom zijn in de vorm van een nieuws-item gebracht, afwisselend met reportages op locatie. De cd-rom heeft nog een aantal extras, zoals een kennisquiz en een eurorekenprogramma.

Braille, gesproken woord en grootletterdruk

Voor blinden en slechtzienden heeft het Nationaal Forum in samenwerking met de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden te Ermelo eurovoorlichtingsmateriaal gemaakt.

Het volgende materiaal is verkrijgbaar in braille:
* De euro. Stap voor stap naar 2002. Hierin staan alle veranderingen waarmee elke Nederlander tussen 1 januari 1999 en uiterlijk 1 juli 2002 te maken krijgt als gevolg van de invoering van de euro.
* Euro-info: de meest gestelde vragen over de euro. Euro-info biedt antwoord op een groot aantal vragen over de invoering van de euro in Nederland.

* Omrekenen volgens de regels. In deze folder wordt uitgelegd hoe u guldens naar euros moet omrekenen en omgekeerd.

Het volgende materiaal is verkrijgbaar op geluidscassette:
* De euro. Stap voor stap naar 2002. Hierop staan alle veranderingen waarmee elke Nederlander tussen 1 januari 1999 en uiterlijk 1 juli 2002 mee te maken krijgt als gevolg van de invoering van de euro.
* Euro-info: de meest gestelde vragen over de euro. Euro-info biedt antwoord op een groot aantal vragen over de invoering van de euro in Nederland.

* Omrekenen volgens de regels. Op deze cassette wordt uitgelegd hoe u guldens naar euros moeten omrekenen en omgekeerd.

Het volgende materiaal is verkrijgbaar in grootletterdruk:
* De euro. Stap voor stap naar 2002. Hierin staan alle veranderingen waarmee elke Nederlander te maken krijgt als gevolg van de invoering van de euro.

* Euro-info: de meest gestelde vragen over de euro. Euro-info biedt antwoord op een groot aantal vragen over de invoering van de euro in Nederland.

* Omrekenen volgens de regels: in deze folder wordt uitgelegd hoe u guldens naar euros moet omrekenen en omgekeerd. Om u het nog makkelijker te maken is een euro-omreken-tabel toegevoegd.

B5. Wat betekent de euro voor mede-overheden?

Informatiepakket

Voor gemeenten, provincies en waterschappen is een informatiepakket samengesteld. Met behulp van dit informatiepakket kunnen mede-overheden hun voorbereidingen op de introductie van de euro ter hand nemen.

Euro checklist voorlichting voor mede-overheden

De euro checklist voorlichting voor mede-overheden is bedoeld voor voorlichtings- en communicatiemedewerkers bij gemeenten, provincies en waterschappen. Met behulp van deze checklist kan geïnventariseerd worden op welke punten een gemeente, provincie of waterschap activiteiten moet ontwikkelen als gevolg van de introductie van de euro op het gebied van de interne en externe communicatie.

Euro special voor mede-overheden

Euro special is een informatieblad voor mede-overheden en is met name toegespitst op diegene die bij gemeenten, provincies en waterschappen betrokken zijn bij de invoering van de euro. Euro special geeft achtergrondinformatie en praktijkvoorbeelden gerelateerd aan de voorbereidingen op de komst van de euro bij gemeenten, provincies en waterschappen.

Handleiding euro implementatie overheid (HEIO)

Deze handleiding geeft een uitgebreid en gedetailleerd overzicht van de diverse maatregelen die overheidsorganisaties zullen moeten treffen om verzekerd te zijn van een goede voorbereiding op de euro.

Handreiking Strategische Uitgangspunten - euro implementatie

gemeenten (HSU)

Deze handreiking is opgesteld om gemeenten te ondersteunen bij het doorlopen van de planning- en analysefase van het europroject. In deze fase van het project worden de zogenoemde strategische beslissingen genomen: op welke wijze gaat de gemeente omschakelen naar de euro. In deze handreiking wordt in de eerste plaats een aantal bindende uitgangspunten op een rij gezet.

Kennisbundel Euro en Informatiesystemen (KEI)

De Kennisbundel Euro en Informatiesystemen is een handreiking voor overheidsorganisaties bij het realiseren, het testen en het implementeren van informatiesystemen met betrekking tot de invoering van de euro in informatiesystemen. De bundel bevat inhoudelijke aspecten, zoals aanpak, methoden en technieken, voorbeelden en tips om te komen tot een ordelijke en doelmatige invoering. De KEI is modulair opgebouwd en bevat naast een managementmodule ook modules over programma van eisen, omrekenen & afronden, implementatieplan, programmaconversie, gegevensconversie, testaanpak, kantoorautomatisering, interfaces & ketenafhankelijkheden en risicobeheersing & noodscenario's.

Euro Infobulletin

Het Euro Infobulletin is speciaal bedoeld voor bestuurders en ambtenaren van gemeenten die betrokken zijn bij de invoering van de euro binnen hun organisatie.

Het Euro Infobulletin houdt hen op de hoogte van relevante ontwikkelingen, de (inter)nationale kaders en de faciliteiten en ondersteuning die het Nationaal Forum en het Landelijk Euro Gemeenten Overleg (LEGO) te bieden hebben.

Klaar voor de euro?

De zelfstudiemodule op cd-rom bevat ook een uitgebreid onderdeel dat speciaal is bestemd voor medewerkers binnen de overheid. Deze module bevat onder andere een kennistest waarmee u uw eurokennis kan testen. Daarnaast is via een database alle informatie over de euro toegankelijk. In deze database is ook alle belangrijke informatie over het omschakelingstraject in de overheidssector opgenomen.

Eurodagen (1 keer per jaar een aantal regionale bijeenkomsten)

Om gemeenten op een praktische manier kennis te laten maken met aspecten die komen kijken bij de omschakeling op de euro worden deze bijeenkomsten georganiseerd.


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie