Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kabinet stemt in met nieuwe ammoniakwet

Datum nieuwsfeit: 11-12-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

www.minvrom.nl

MINVROM: Kabinet stemt in met nieuwe ammoniakwet

Het kabinet heeft vrijdag ingestemd met het voorstel voor een nieuwe ammoniakwet, de Wet ammoniak en veehouderij. Het wetsvoorstel wordt aan de Raad van State voor advies voorgelegd. De nieuwe wet zal de Interimwet ammoniak en veehouderij vervangen en moet uiterlijk op 1 januari 2002 in werking treden.

In het wetsvoorstel is een regeling getroffen die nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderijen in bos- en natuurgebieden die gevoelig voor verzuring zijn en in een zone van 500 meter daaromheen, moet tegengaan.
De regeling houdt in dat een vergunning voor oprichting of uitbreiding van een veehouderij die is aangevraagd op of na 8 december 2000, bij het in werking treden van de nieuwe wet zal vervallen. Alleen wanneer de betreffende vergunning niet in strijd blijkt te zijn met de nieuwe wet, zal deze in stand blijven.

Het kabinet heeft tot deze regeling besloten om te voorkomen dat de uitvoering van het ammoniakbeleid en de reconstructie van de concentratiegebieden in de komende jaren worden ondermijnd, doordat vooruitlopend op de nieuwe ammoniakwet veehouderijen zich in en nabij de kwetsbare natuurgebieden gaan vestigen of bestaande veehouderijen daar gaan uitbreiden.

Hieronder volgt de brief van de ministers van VROM en LNV aan de Tweede Kamer van 8 december 2000, 'Ammoniakbeleid: regeling ter voorkoming van ongewenste anticipatie'.

Voor meer informatie:
Ministerie voor Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Babette Graeber, Persvoorlichter
070 339 24 05

Geachte Voorzitter,
Begin november hebben verschillende leden van de Tweede Kamer de problematiek van het anticiperend
gedrag van veehouders op het nieuwe ammoniakbeleid en op de reconstructie van de concentratiegebieden aan de orde gesteld en geïnformeerd naar de voornemens van het kabinet terzake. Wij verwijzen naar
de schriftelijke vragen van het lid Waalkens (kenmerk 2000101900, ingezonden 2 november 2000) en de vragen van het lid Vos die tijdens de behandeling van de begroting 2001 van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op 7 november jl. zijn gesteld (Plenaire verslagen LNV 021-0001
donderdag 9 november 2000).
In deze brief schetsen wij de stand van zaken met betrekking tot het wetsvoorstel Wet ammoniak en veehouderij, het probleem van ongewenste anticipatie en de wijze waarop dit ongewenst anticiperen in het wetsvoorstel wordt tegengegaan.
Voorgestelde Wet ammoniak en veehouderij Bij brief van 7 september 2000 hebben wij u bericht over de hoofdlijnen van het nieuwe ammoniak-beleid,
waarin rekening is gehouden met de bevindingen van de Kamer over de beleidsvoorstellen, zoals die naar voren zijn gebracht in het algemeen overleg op 25 en 31 mei 2000. Op basis van deze hoofdlijnen is door ons een wetsvoorstel voorbereid dat uiterlijk op 1 januari 2002, de vervaldatum van de Interimwet ammoniak en veehouderij, van kracht moet worden. Het kabinet heeft heden, 8 december 2000, ingestemd
met het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel wordt zo spoedig mogelijk aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Overeenkomstig de brief van 7 september bevat het wetsvoorstel aanvullende maatregelen voor kwetsbare bos- en natuurgebieden en een zone van 500 meter daaromheen. Het wetsvoorstel zal na ommekomst van het advies van de Raad van State aan u worden aangeboden.
Onder de nieuwe ammoniakwet is in de kwetsbare natuurgebieden of in een zone van 500 meter daaromheen, het oprichten van nieuwe veehouderijen niet meer toegestaan en worden de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande veehouderijen sterk ingeperkt. Veehouderijen kunnen alleenmeer dieren gaan houden indien zij verdergaande technieken kunnen toepassen dan op grond van de toekomstige amvb huisvesting is vereist. Voor melkrundveehouderijen geldt een enigszins afwijkende,
voor de veehouder gunstiger regeling.
Ongewenste anticipatie
De in het wetsvoorstel voorgestelde maatregelen zouden in belangrijke mate worden uitgehold als veehouders op grote schaal zouden anticiperen op de daarin opgenomen regels.
De provincies en de gemeenten hebben gesignaleerd dat met name in Noord-Brabant en Limburg veehouderijen gaan anticiperen op de beperkingen die voortvloeien uit het nieuwe ammoniakbeleid. De huidige Interimwet ammoniak en veehouderij biedt veehouders de mogelijkheid om binnen de vergunde depositie/emissie het aantal dieren uit te breiden. Dit kan door in bestaande stallen emissiearme technieken toe te passen. De daardoor ontstane emissieruimte wordt benut voor het houden van meer
dieren. De met het wetsvoorstel en de toekomstige amvb huisvesting beoogde daling van de emissie komt dan niet tot stand. Daarnaast kan op grond van de Interimwet door middel van saldering in ammoniakreductieplangebieden zelfs toename van de emissie in of nabij de kwetsbare natuurgebieden plaatsvinden, waarbij ook nieuwvestiging niet is uitgesloten.
In de desbetreffende regio.s bieden de vigerende bestemmingsplannen veelal nog ruimte om dergelijke uitbreidingen ook te kunnen realiseren. Nieuwvestiging is daarentegen meestal uitgesloten. Gelet op de ruimte in de Interimwet en de bestemmingsplannen vragen veehouders, nu het nog kan, de voor een uitbreiding benodigde vergunningen aan (bouwvergunning en milieuvergunning). De veehouder verwacht daarbij tenminste de economische waarde van zijn bedrijf te verhogen, mocht het tot uitkoop door de overheid komen, dan wel door een uitbreiding de mogelijkheid te krijgen om langer op die locatie voort te boeren. Dit anticiperen staat haaks op de nieuwe ammoniakwetgeving die is gericht op de noodzakelijke vermindering van de ammoniakbelasting op de kwetsbare natuurgebieden. Ook de voorgestane reconstructie van de concentratiegebieden, zoals verwoord in het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden, kan door dit anticiperen worden gefrustreerd. De reconstructie is bedoeld om een verbetering van de ruimtelijke structuur ten behoeve van de landbouw te combineren met een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van natuur, landschap, milieu en ruimte. Tegenover het terugdringen van veehouderij-activiteiten in delen van reconstructiegebieden staat de aanwijzing van
landbouwontwikkelingsgebieden elders in het reconstructiegebied. De meeste veehouders zijn reeds geruime tijd op de hoogte van deze beleidsvoornemens. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, bieden de vigerende bestemmingsplannen echter veelal nog ruimte om de veestapel binnen de vergunde bouwblokken uit te breiden. Pas na het in werking treden van de Reconstructiewet zullen de bestemmingsplannen worden geactualiseerd op basis van de nog op te stellen reconstructieplannen. Tot dat moment zijn .onomkeerbare. beslissingen van veehouders tot uitbreiding van bestaande bedrijven of vestiging van nieuwe bedrijven .op de verkeerde plek. maatschappelijk gezien ongewenst.
Een steekproef onder gemeenten in het oostelijk deel van Noord-Brabant wijst uit dat het tot nu toe om enkele tientallen aanvragen gaat. In de gemeenten waar in het afgelopen jaar pilot-projecten voor dereconstructie van de concentratiegebieden zijn gestart en in dat kader concrete plannen zijn uitgewerkt, is een duidelijke toename van het aantal vergunningaanvragen geconstateerd.
In potentie is de problematiek veel omvangrijker. Alleen al in de concentratiegebieden van Oost- en Zuid-Nederland liggen op dit moment circa 12.500 veehouderijen in de kwetsbare bos- en natuurgebieden en in een zone van 500 meter daaromheen. In heel Nederland gaat het om ongeveer 14.000 bedrijven. Niet al deze bedrijven zullen door middel van de hiervoor beschreven methode van anticiperen ook
daadwerkelijk tot uitbreidingen kunnen komen. Allereerst zal de ondernemer de financiering rond moeten krijgen voor de bouw van de stal en voor de eventuele aankoop van dierrechten, mestproductierechten en
straks ook mestafzetcontracten. Bovendien geldt op grond van de Wet milieubeheer dat een milieuvergunning die niet binnen 3 jaar na verlening is gerealiseerd (dit betekent dat de stal moet zijn gebouwd en er bedrijfsmatig dieren moeten worden gehouden) van rechtswege vervalt. Het is niet uit te sluiten dat een veehouder ook geen ambities tot een daadwerkelijke uitbreiding van de veestapel op het
bedrijf heeft maar verwacht dat een .ruimere. vergunning de economische waarde van zijn bedrijf verhoogt, mocht het tot uitkoop door de overheid komen.
Maatregelen
Het kabinet vindt het ongewenst dat de winst van het toekomstige emissiebeleid juist in de kwetsbare gebieden en de zone van 500 meter daaromheen, waar die emissiewinst van essentieel belang is voor het realiseren van de gewenste milieukwaliteit, door ongewenste anticipatie wordt beperkt of zelfs ongedaan zou worden gemaakt. Anders gezegd: het kabinet is van mening dat moet worden voorkomen dat door anticiperend gedrag van veehouders in het komend jaar, de uitvoering van het ammoniakbeleid en de reconstructie in de jaren daarna wordt gefrustreerd.
Het kabinet heeft daarom besloten om in de nieuwe ammoniakwet een regeling op te nemen die de gevolgen van ongewenste anticipatie ongedaan maakt. De regeling heeft betrekking op veehouderijen, die gelegen zijn in een voor verzuring gevoelig bos- of natuurgebied, zoals aangewezen op grond van de Interimwet ammoniak en veehouderij, of in een zone van
500 meter daaromheen.
Voor nieuwe veehouderijen die op of na 8 december 2000 een oprichtingsvergunning hebben aangevraagd, zal deze vergunning na het in werking treden van de nieuwe wet vervallen. Voor bestaande veehouderijen die op of na 8 december 2000 een aanvraag hebben ingediend voor een
milieuvergunning met het oog op een uitbreiding, houdt de regeling in dat de betreffende vergunningen na het in werking treden van de nieuwe wet vervallen, tenzij deze uitbreidingsvergunningen ook op grond van de nieuwe wet verleend zouden kunnen worden. De regeling biedt de veehouder in deze gevallen de mogelijkheid om binnen een bepaalde termijn een nieuwe vergunning aan te vragen. Gedurende de vergunningprocedure mag de veehouderij in werking blijven. In het kader van de nieuwe aanvraag kan de veehouder aanpassingen doorvoeren, waardoor de vergunning alsnog verleend kan worden. Zo kan de veehouder bij de nieuwe aanvraag bijvoorbeeld uitgaan van een verdergaande emissiearme techniek of van minder dieren. Het bleek niet mogelijk de regeling te beperken tot de voor verzuring gevoelige gebieden die behoren tot de ecologische hoofdstructuur (EHS), omdat de begrenzing van de EHS door de provincies nog niet overal is afgerond. Wel voorziet de regeling erin dat een vergunning in stand blijft, wanneer bij het in werking
treden van de nieuwe wet blijkt dat het betreffende voor verzuring gevoelige gebied niet binnen de EHS is gelegen. In sommige gevallen is het binnen de Wet milieubeheer mogelijk om uit te breiden zonder het aanvragen van een vergunning. Er is dan alleen een melding vereist. Voor deze meldingen is een vergelijkbare regeling als hiervoor omschreven in het wetsvoorstel opgenomen, waardoor ook het anticiperen door middel van een melding onmogelijk wordt.
Bij de voorbereiding van deze maatregelen zijn verschillende alternatieven in ogenschouw genomen.
Daarbij is voor wat betreft de milieuregelgeving gekeken naar: de bij de Tweede Kamer aanhangige reparatie van de Interimwet ammoniak en veehouderij, het geheel of gedeeltelijk intrekken van de Interimwet, de invoering van een milieu-effectrapportage en het treffen van een speciale voorziening in de nieuwe ammoniakwet of in een afzonderlijke noodwet. Ook zijn de mogelijkheden om het instrumentarium
van de ruimtelijke ordening te benutten, onderzocht en is gekeken naar de gewenste en ongewenste effecten van voorgestelde veranderingen in de regeling voor afroming van dier- en mestproductierechten. Wij zijn
tot de conclusie gekomen dat alleen een speciale voorziening in de nieuwe ammoniakwet of in een afzonderlijke noodwet - op zo kort mogelijke termijn én zo gericht mogelijk - het beoogde effect kan realiseren. Alle andere maatregelen zijn (veel) minder effectief (de reparatie van de Interimwet werpt bijvoorbeeld alleen een financiële drempel op tegen uitbreidingen) of hebben ongewenste neveneffecten (het intrekken van de Interimwet leidt bijvoorbeeld tot onduidelijkheid over de te hanteren regels voor alle veehouderijen). Om redenen van doelmatigheid is uiteindelijk de voorkeur gegeven aan regeling in de
nieuwe ammoniakwet boven regeling in een afzonderlijke (nood)wet. De voorgestelde maatregelen zijn volgens het kabinet niet alleen effectief maar ook proportioneel in het licht van de anticipatie-problematiek. De maatregelen gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is en zijn slechts tijdelijk van aard. Ze tasten de positieve werking van de ammoniakreductieplannen niet aan. Zo kunnen veehouderijen die stoppen of inkrimpen hun .ammoniakrechten. blijven salderen met andere
veehouderijen die buiten de 500 meter zones zijn gelegen of zich daar willen vestigen. Ook zullen eventueel verleende milieuvergunningen die niet in strijd zijn met de nieuwe ammoniakwet in stand blijven. Voorts gaan wij er vanuit dat de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel medio 2001 zover is gevorderd dat er duidelijkheid bestaat over de inhoud van de nieuwe wet. In dat geval zal er in de
praktijk slechts gedurende een periode van ruim een half jaar sprake zijn van enige mate van onzekerheid voor de betrokken veehouders over de (on)mogelijkheid tot uitbreiding of vestiging van hun bedrijf. De beslissing van het kabinet om de voorgestelde regeling op 8 december 2000 in te laten gaan acht zij redelijk, gelet op het belang van het voorkomen van ongewenste anticipatie. Doordat de regeling niet van
teopassing is op aanvragen en meldingen gedaan vóór 8 december 2000, wordt in beginsel gewaarborgd dat er geen onomkeerbare investeringsverplichtingen door de betreffende veehouders zijn aangegaan, er van uitgaande dat de veehouder de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die bij dergelijke investeringen past. Tot slot Met de nu genomen maatregel ten aanzien van nieuwvestiging en uitbreiding van veehouderijen die zijn gelegen in voor verzuring gevoelige bos- en natuurgebieden of in een zone van 500 meter daaromheen,
wordt voorkomen dat het voorgenomen ammoniak- en reconstructiebeleid als gevolg van ongewenst anticiperen wordt gefrustreerd.

Hoogachtend,

De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P. Pronk
De Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij,
mr. L.J. Brinkhorst

11 dec 00 10:56

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie