Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Uitleg over beslotenheid van personenvennootschappen

Datum nieuwsfeit: 19-12-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financien
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Beslotenheid van personenvennootschappen



Beslotenheid van personenvennootschappen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein winstbelastingen

Besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/2157M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Naar aanleiding van het besluit over fiscale aspecten van ondernemerschap bij personenvennootschappen tussen echtgenoten (Besluit van 30 november 1998, nr. DB98/841M zoals dit is herdrukt bij het besluit van 12 april 1999, nr. DB99/1140M, zie ook Infobulletin 99/335) en het besluit vragen en antwoorden over ondernemerschap in de inkomstenbelasting van 8 september 1999, nr. DB99/2344M (Infobulletin 99/673), zijn mij enkele vragen over het al dan niet besloten karakter van personenvennootschappen voorgelegd.

Deze vragen geven mij aanleiding mijn standpunt ten aanzien van het stapelen van personenvennootschappen hierna in onderdeel I integraal weer te geven. Daarnaast heb ik in onderdeel II een overgangsregeling getroffen voor gevallen die niet voldoen aan de eisen voor beslotenheid zoals deze volgen uit onderdeel I van dit besluit. In onderdeel III tenslotte beantwoord ik een aantal vragen die zijn gesteld over het unanieme toestemmingsvereiste bij de toetreding of vervanging van commanditaire vennoten van een besloten commanditaire vennootschap.

I. Het stapelen van personenvennootschappen

Onder het stapelen van personenvennootschappen versta ik de situatie waarin een fiscaal transparant lichaam deelneemt in een ander fiscaal transparant lichaam (het onderliggende lichaam). In een dergelijke situatie stel ik mij op het standpunt dat de participanten van het deelnemende lichaam fiscaal worden geacht ook ieder individueel deel te nemen in het onderliggende lichaam. Dit uitgangspunt kan als volgt worden verduidelijkt.

Commanditair vennoot in een CV in een besloten CV

Stel een besloten commanditaire vennootschap (CV I) is op haar beurt commanditair vennoot in een andere commanditaire vennootschap (CV II). Om het besloten karakter van CV II te waarborgen, is voor de toetreding en vervanging van commanditaire vennoten de toestemming vereist van alle vennoten van CV II. Onder alle vennoten van CV II vallen in deze situatie ook alle individuele vennoten van CV I. De vennoten van CV I dienen dus ieder voor zich toestemming te verlenen voor de toetreding of de vervanging van commanditaire vennoten van CV II.

In geval toetreding plaatsvindt van een vennoot van CV I, wordt deze vennoot tevens geacht toe te treden als commanditair vennoot van CV II. Om het besloten karakter van CV II te waarborgen, is voor deze toetreding dus de toestemming vereist van alle vennoten van CV II. Daarnaast dient uiteraard de unanieme toestemming te worden verkregen van alle vennoten van CV I om het besloten karakter van deze CV te waarborgen. Het komt er in deze situatie dus op neer dat alle vennoten van zowel CV I als CV II hun toestemming voor een dergelijke toetreding moeten verlenen.

Beherend vennoot in een besloten CV

Een andere situatie doet zich voor in geval CV I als beherend vennoot deelneemt in CV II.

Uit artikel 2 lid 3, onderdeel c Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt dat het voor het besloten karakter van een CV niet van belang is dat voor toetreding of vervanging van een beherend vennoot de toestemming van alle overige vennoten wordt verkregen.

Dit betekent dat voor de toetreding of vervanging van een vennoot van CV I geen toestemming vereist is van de vennoten van CV II. Daarentegen is voor de toetreding of vervanging van een commanditair vennoot van CV II wel weer de toestemming vereist van alle individuele vennoten van CV I.

Ter vermijding van misverstanden merk ik op dat het voorgaande behalve voor de commanditaire vennootschap eveneens geldt voor de maatschap, de vennootschap onder firma, fondsen voor gemene rekening en met voornoemde lichamen vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse limited partnership.

Tenslotte kan zich de vraag voordoen hoe het besloten karakter van een CV waarin wordt deelgenomen door een andere besloten CV kan worden gewaarborgd zonder dat de commanditaire vennoten van de deelnemende CV rechtstreeks hun individuele toestemming moeten verlenen. Hierover merk ik op dat de oplossing kan worden gezocht in de onderlinge contractuele verhoudingen tussen de vennoten van de deelnemende CV. Denkbaar is dat in een beheerovereenkomst tussen de beherend vennoot en de commanditaire vennoten van de deelnemende CV wordt overeengekomen dat de beherend vennoot de toestemming verleent namens de deelnemende CV onder de voorwaarde dat daaraan voorafgaand alle andere vennoten individueel hebben aangegeven hun toestemming te willen verlenen.

II. Overgangsregeling

Personenvennootschappen die deel uitmaken van een stapelstructuur en die op grond van het gestelde in onderdeel I van dit besluit als open moeten worden aangemerkt, stel ik in de gelegenheid om binnen één jaar na publicatiedatum van dit besluit de contracten aan te passen teneinde desgewenst alsnog te voldoen aan de eisen voor beslotenheid. Na aanpassing zullen deze personenvennootschappen dan van aanvang af als besloten worden aangemerkt.

III. Vragen en antwoorden over het unanieme toestemmingsvereiste

Vraag 1

In het antwoord op vraag 7 in het besluit van 8 september 1999, nr. DB99/2344M wordt gesteld dat om het besloten karakter van een CV te waarborgen alle vennoten zelf actief toestemming moeten geven voor iedere wijziging van de verhoudingen tussen de vennoten onderling en toetreding of vervanging door derden. Hoe verhoudt dit uitgangspunt zich tot de uitspraak van het Hof Arnhem van 13 april 2000, nummer 00/00101?

Antwoord 1

De uitspraak van het Hof Arnhem berust mijns inziens op een onjuiste lezing van artikel 2, lid 3 letter c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Tegen deze uitspraak heb ik niettemin geen cassatie ingesteld omdat ik mij kan vinden in het eindoordeel van het Hof dat toch sprake is van een open CV. Hiervoor verwijs ik naar mijn onderschrift bij deze uitspraak zoals gepubliceerd in Infobulletin nummer 2000/413.

Vraag 2

Is met het oog op het besloten karakter van een CV de unanieme toestemming van de vennoten vereist in de volgende situaties:


a. Vestiging van een recht van vruchtgebruik op een commanditaire participatie?


b. Plaatsing van extra kapitaal binnen de kring van zittende vennoten?

c. Overdracht van een commanditaire participatie aan een stroman die houdt voor rekening en risico van de overdrager? (NB: situatie doet zich met name voor bij sommige Duitse CV-achtigen waarbij de rechtsfiguur van de Treuhand een rol kan spelen).


d. Overdracht van een participatie aan een door de overdrager opgerichte trust?

Antwoord 2


a. Ja. Vestiging van een recht van vruchtgebruik houdt immers in dat een wezenlijk deel van het economisch belang in een CV wordt vervreemd.


b. Ja, maar alleen indien deze extra kapitaalstortingen leiden tot wijziging in de relatieve belangen (onderlinge machtsverhoudingen) van de zittende vennoten.


c. Nee. Materieel wijzigt er immers niets.


d. Dit is afhankelijk van het type trust waaraan wordt overgedragen. Bij overdracht aan een zgn. irrevocable discretionary trust heeft de overdrager na de overdracht van de participatie geen invloed meer. Voor een dergelijke overdracht is dus de toestemming vereist van de andere vennoten. Bij een zuivere, non-discretionaire trust ligt dit anders en is geen toestemming van de andere participanten vereist. Materieel wijzigt er immers niets.

Vraag 3

In de praktijk komt het vaak voor dat beleggers de gelegenheid wordt geboden om met een zekere inleg toe te treden tot een besloten personenvennootschap welke tot doel heeft het voor gezamenlijke rekening en risico beleggen van gelden. Daarbij is het soms wenselijk dat deze vennootschap reeds wordt aangegaan op een moment dat er nog onvoldoende participanten zijn om het beoogde beleggingskapitaal bijeen te brengen. De vragen die daarbij opkomen zijn de volgende:


a. Kan, nadat het samenwerkingsverband tot stand is gekomen, de initiatiefnemer van het samenwerkingsverband zonder toestemming van de overige participanten nieuwe participanten toelaten totdat het beoogde beleggingskapitaal is volgetekend? Hierbij wordt opgemerkt dat de initiatiefnemer de nog niet geplaatste participaties houdt voor rekening en risico van toekomstige participanten.


b. Kan, als variant op hetgeen genoemd is onder a, de beherend vennoot van een CV op eigen naam de nog niet bij derden geplaatste commanditaire participaties verwerven en deze zonder toestemming van de overige vennoten binnen zes maanden na totstandkoming van de CV aan derden overdragen?

Antwoord 3


a. Bij wijze van tegemoetkoming aan de praktijk keur ik goed dat in dergelijke gevallen nog niet bij derden geplaatste participaties zonder toestemming van de overige participanten alsnog bij derden kunnen worden geplaatst, mits dit geschiedt binnen zes maanden gerekend vanaf het moment dat het samenwerkingsverband tot stand is gekomen.


b. Nee. Door zelf commanditaire participaties te verwerven verkrijgt de beherend vennoot tevens de status van commanditair vennoot. Het toestemmingsvereiste voor vervreemding van de aldus verkregen commanditaire participaties geldt dan onverkort.

Vraag 4

In veel contracten van met name Amerikaanse limited partnerships is voorzien in sanctiebepalingen voor situaties waarin een partner niet aan zijn contractuele verplichtingen voldoet (de zgn. "defaulting partner"). In hoeverre geldt met het oog op de beslotenheid van dergelijke partnerships het toestemmingsvereiste bij toepassing van de volgende sancties:


a. De partner verliest zijn stemrecht en kan dientengevolge geen invloed meer uitoefenen op de toetreding en vervanging van andere partners.


b. De samenwerking met de partner wordt opgezegd en deze krijgt zijn aandeel uitgekeerd.


c. De samenwerking met de partner wordt opgezegd en deze verliest zijn aandeel aan de overige partners.

Antwoord 4


a. Er is sprake van een bijzondere situatie die zich in veel gevallen nooit voor zal doen. De achtergrond van het verlies van stemrecht is immers een sanctie. De bedoeling van contractspartijen is niet om te bewerkstelligen dat er geen unanieme toestemming nodig is voor toetreding of vervanging van partners. In deze situatie ben ik daarom van mening dat het niet kunnen verlenen van toestemming door de betrokken partner er op zichzelf niet toe leidt dat de partnership haar besloten karakter verliest.


b. Er is in feite sprake van een inkrimping van de partnership met het aandeel van de vertrekkende partner. De relatieve en absolute belangen van de achterblijvende partners blijven gelijk. Het toestemmingsvereiste is in deze situatie niet aan de orde.


c. In deze situatie treden de achterblijvende partners in de plaats van de vertrekkende partner en is er dus sprake van vervanging. Indien het aandeel van de vertrekkende partner pro rata toevalt aan de achterblijvende partners blijven de relatieve belangen van de achterblijvende partners gelijk. Het toestemmingsvereiste is in deze situatie niet van toepassing. Wordt het aandeel van vertrekkende partner daarentegen niet pro rata toebedeeld aan de achterblijvers of wordt dit aandeel aangeboden aan een derde, dan dienen de achterblijvende partners hun unanieme toestemming te verlenen.

Vraag 5

Gelden de eisen die worden gesteld aan de besloten CV onverkort voor andere personenvennootschappen zoals de maatschap?

Antwoord 5

Nee. De eisen die worden gesteld aan de CV teneinde het besloten karakter te waarborgen zijn een invulling van het in artikel 2, lid 3, letter c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geformuleerde criterium met betrekking tot de vrije toetreding en vervanging van commanditaire vennoten. Een dergelijke wettelijke bepaling geldt niet voor de maatschap en evenmin voor de vennootschap onder firma. Deze rechtsvormen dienen in beginsel altijd als fiscaal transparant te worden aangemerkt. Slechts in bijzondere gevallen zal van dit uitgangspunt worden afgeweken, namelijk indien er sprake is van een zogenoemde maatschap of VOF "op aandelen". Voor de vraag of van een dergelijk geval sprake is dient het arrest van de Hoge Raad van 24 november 1976, nr. 17 998 (BNB 1978/13) tot leidraad te worden genomen.

In dit verband merk ik op dat maatschappen, VOF's en daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen in ieder geval verzekerd zullen zijn van de kwalificatie 'besloten' in geval zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde bepalingen hanteren ten aanzien van de toetreding en vervanging van maten respectievelijk vennoten als in het geval er sprake zou zijn van een besloten CV.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie