Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Varianten schuldreductie ministerie Financien

Datum nieuwsfeit: 20-12-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financien
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Varianten schuldreductie



DIRECTIE ALGEMENE FINANCIËLE EN ECONOMISCHE POLITIEK

Aan:

De Tweede Kamer der Staten-Generaal

Commissie Rijksuitgaven

Binnenhof 4

2513 AA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

AFEP/2000134

20-12-2000

Onderwerp

varianten schuldreductie

Naar aanleiding van het debat tijdens de Algemene en Financiële Beschouwingen in de Tweede Kamer heb ik toegezegd enkele varianten voor reductie van de schuld op te stellen. Met bijgaand memo voldoe ik aan deze toezegging

DE MINISTER VAN FINANCIËN

MEMO

Datum

:

14-12-00

Aan

:

De Commissie Rijksuitgaven

Van

:

ministerie van Financiën

Onderwerp

:

scenarios schuldreductie

Algemeen beeld

Een robuuste uitkomst van CPB-berekeningen (en ook van studies van de WRR en DNB) is dat een welvaartsvaste financiering van de vergrijzingsuitgaven mogelijk is bij een volledige afbouw van de schuld in de komende 25 jaar. De periode tot 2010 biedt goede kansen om een belangrijke eerste stap te zetten.

In diverse scenarios die door het CPB voor het rapport een verkenning van de schuldpolitiek op lange termijn heeft opgesteld is voor de periode 2000-2010 sprake van overschotten van 1 à 2% BBP, waardoor de schuld in 2010 zal worden gereduceerd tot bijna 25% BBP. In dit memo worden ook enkele andere technische tijdpaden voor schuldreductie gepresenteerd alsmede de ontwikkeling van het AOW-spaarfonds.

Scenarios uit Een verkenning van de schuldpolitiek op lange termijn

In het rapport Een verkenning van de schuldpolitiek op lange termijn van de ambtelijke werkgroep bestaande uit de leden van de Studiegroep Begrotingsruimte zijn een aantal scenarios voor de ontwikkeling van de overheidsfinanciën opgenomen. De onderliggende berekeningen zijn uitgevoerd door het CPB met behulp van de techniek van generatierekeningen.

Allereerst is een basisscenario gemaakt, waarin is uitgegaan van welvaartsvaste voortzetting van het huidige collectieve arrangement (d.w.z. aan de welvaart geïndexeerde uitgaven en een constante belasting- en premiestructuur). In dit basisscenario daalt de EMU-schuld aanvankelijk tot circa 20% BBP in 2025, waarna de schuld weer gaat oplopen. De vergrijzing veroorzaakt al maar oplopende begrotingstekorten en rente-betalingen waardoor in dit scenario de schuld op lange termijn dreigt te ontsporen. Voor houdbare overheidsfinanciën is volgens de CPB-berekeningen een beperkte structurele aanpassing van het niveau van de collectieve lasten en/of uitgaven t.o.v. het basisscenario nodig. In tabel 1 zijn naast het basisscenario twee scenarios opgenomen met een houdbare ontwikkeling van de overheidsfinanciën. In figuren 1 en 2 wordt de ontwikkeling van het saldo en de schuld voor de periode 2000- 2060 grafisch weergegeven.

Tabel 1 Scenarios werkgroep Schuldpolitieka


1.basis


2. aanpassing 0,6% bbp


3. participatie

1. basis


2. aanpassing 0,6% bbp


3. participatie
EMU-SALDO (% BBP)

EMU-SCHULD (% BBP)

2002


1,4%


2,0%


1,5%

50%

50%

50%

2005


1,2%


1,8%


1,5%


41%


39%


40%


2010


0,4%


1,3%


1,2%


30%


25%


27%


2015


0,4%


1,5%


1,3%


23%


14%


16%


2020


0,0%


1,3%


1,1%


18%


5%


8%


2025



-0,6%

1,0%

0,8%


17%


-1%


3%

a Op basis van CPB-berekening die zijn gemaakt uitgaande van het CEP
2000, de uitgangspositie wijkt daardoor iets af van Miljoenennota
2001.


Toelichting:

1. Basisscenario: welvaartsvaste extrapolatie van huidige collectieve arrangement. Dit is iets anders dan een ongewijzigd beleid scenario voor de middellange termijn. In dit scenario is voor de lange termijn impliciet aanvullend (uitgaven)beleid verondersteld.
2. Aanpassing 0,6% BBP: als t.o.v. het basisscenario vanaf het startjaar van de berekeningen (2001) de collectieve inkomsten structureel 0,6% BBP hoger zouden liggen of de collectieve uitgaven structureel 0,6% BBP lager dan resulteert een houdbaar scenario. In een houdbaar scenario hoeven in de toekomst de lasten niet te worden verhoogd of de voorzieningen te worden beperkt ter financiering van de vergrijzing. De lasten worden dan gelijk verdeeld over de generaties, rekening houdend met de demografie. Vergrijzingskosten worden niet afgewenteld op toekomstige generaties: iedere generaties draagt relatief dezelfde last. Dit scenario kan bereikt worden door beleidsaanpassingen maar is ook relevant voor een situatie waarin verdere inkomsten- of uitgavenmeevallers optreden (en ten gunste van de schuld gebracht worden).

3. Participatie: houdbare overheidsfinanciën kunnen ook bereikt worden via een verhoging van de arbeidsparticipatie. In dit scenario is verondersteld dat de arbeidsparticipatie t.o.v. het basisscenario wordt verhoogd door een gerichte lastenverlichting (arbeidskorting) ter grootte van circa 1% BBP. Het CPB schat dat hierdoor op lange termijn de werkgelegenheid met 150 duizend personen en de participatiegraad met 1½%-punt zal toenemen. Voor het effect op de schuldontwikkeling is van cruciaal belang dat hierbij is verondersteld dat de kosten van de verhoging van de arbeidskorting ex-ante gefinancierd worden. Bij een verhoging van de arbeidsparticipatie snijdt het mes aan meer kanten: het draagvlak verbreedt, het beroep op de sociale zekerheid daalt en via schuldreductie leidt dit tot lagere renteverplichtingen.

In bovenstaande scenario zal de extra werkgelegenheid zowel bestaan uit personen die een uitkeringsalternatief hebben als uit personen waarvoor dat niet geldt (huisvrouwen). Ten behoeve van de werkgroep schuldpolitiek heeft het CPB ook de budgettaire effecten doorgerekend van het terugdringen van de collectief gefinancierde inactiviteit. Een afname van de collectieve gefinancierde inactiviteit met circa 100 duizend personen ten opzichte van het basisscenario levert dan een vergelijkbaar (houdbaar) schuldpad op. Hierbij kan gedacht worden een effectievere uitvoering van het sociale zekerheid, waaronder een verbetering van het keuringsproces in de WAO, maatregelen ten aanzien van rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden (sanctiebeleid), een bestrijding van de armoedeval en aan (budgettair-neutrale) intensiveringen op het gebied van de sluitende aanpak en. Ook in deze variant is verondersteld dat de maatregelen budgettair neutraal zijn ten opzichte van het basispad.

Figuur 1 EMU-saldo 2000-2060 (in % BBP)

Figuur 2 EMU-schuld 2000-2060 (in % BBP)

In de twee houdbare scenarios wordt de schuld vrijwel geheel afgelost tussen 2000 en 2025. De vergrijzing zal na 2010, als de eerste babyboommers de 65-jarige leeftijd bereiken, accelereren. Hierdoor biedt het eerste decennium van deze eeuw betere kansen voor schuldreductie dan de latere perioden. In de scenarios ligt het zwaartepunt van de schuldreductie dan ook in de periode tot 2010.

Andere paden voor saldo en schuld

Tabel 2 bevat enkele tentatieve paden voor volledige schuldreductie in de periode tot 2025. Deze paden staan los van de CPB-berekeningen. Wel is in de bovenste helft van de tabel de groeiveronderstelling voor
2000-2025 van het CPB aangehouden (circa 2% economische groei en 2% inflatie). Bij een jaarlijks overschot van 1,3% zal dan de schuld geheel zijn afgelost (scenario 1). Omdat, zoals al gemeld, de periode tot 2010 betere mogelijkheden biedt voor schuldreductie, is in scenario 2 een hoger overschot verondersteld voor de periode tot 2010 dan voor de jaren daarna. In het derde scenario is enige fasering aangebracht in de veronderstelde opbouw en afbouw van het overschot. Namelijk een oploop met circa 0,1%-BBP per jaar tot 2010 en daarna een geleidelijk afloop naar een overschot van circa ½% BBP in 2025.

Tabel 2 Technische tijdpaden voor volledige schuldreductie (in % BBP)

scenario 1

scenario 2

scenario 3

scenario 1

scenario 2

scenario 3

EMU-SALDO (%BBP)

EMU-schuld (%BBP)

economische groei (2%) en inflatie (2%) conform CPB


2002



1,35%


1,85%


1,1%


50%


50%


51%


2005



1,35%


1,85%


1,5%


41%


39%


41%


2010



1,35%


1,85%


2,1%

28%

24%

25%

2015


1,35%


1,15%


1,6%


16%


14%


13%


2020



1,35%


1,15%


1,1%


7%


6%


4%


2025



1,35%


1,15%

0,6%

0%

0%

0%

economische groei 2½% en inflatie 2½%


2002



1,15%


1,7%


1,1%


50%


50%


51%


2005



1,15%


1,7%


1,4%


41%


39%


41%


2010



1,15%


1,7%


1,9%


29%


24%


26%


2015



1,15%


1%


1,4%


17%


15%


13%


2020



1,15%


1%


1,0%


8%


7%


5%


2025



1,15%


1%

0,5%

0%

0%

0%

In de onderste helft van de tabel wordt gerekend met een 1%-punt hogere nominale groei van BBP (½% volume en ½% inflatie). Door het hogere BBP komen de voor volledige schuldreductie benodigde overschotten als percentage van het BBP iets lager (0,1% à 0,2%) uit (in nominale guldens zijn de overschotten even hoog).

Als de economische groei structureel hoger (of lager) uitkomt heeft dit slechts een beperkte invloed op de te realiseren overschotten. Hierbij is van belang dat de collectieve voorzieningen de neiging hebben om over een langere periode mee te groeien met de welvaart. Via de (indirecte) koppeling van de lonen in de collectieve sector en de uitkeringen aan de lonen in de marktsector gaat dit deels automatisch. Een hogere economische groei maakt het realiseren van begrotingsoverschotten wel makkelijker.

Het AOW-spaarfonds

Het AOW-spaarfonds kan een nuttige rol spelen bij de vormgeving schuldreductie. Van belang hierbij is dat het AOW-spaarfonds een onderdeel van de collectieve sector is. Stortingen in en rente-betalingen aan het spaarfonds leiden hierdoor niet tot een belasting van het EMU-saldo. Feitelijke belasting van het EMU-saldo en
-schuld vindt pas plaats als in de toekomst ter financiering van AOW-uitgaven uitnamen uit het fonds worden gedaan. Zie verder bijgevoegde box uit het rapport Een verkenning van de schuldpolitiek op lange termijn.

Tabel 3 geeft de omvang van de thans voorgenomen stortingen in het AOW-spaarfonds en de daaruit voortvloeiende vermogensontwikkeling weer. Vanaf 2020 kunnen uitnamen uit het AOW-spaarfonds worden gedaan. Vanaf het moment van uitname stoppen de stortingen.

Uitgaande van het huidige reserveringsschema, zullen de ontvangsten van het AOW-spaarfonds voor de periode tot 2015/2020 lager uitkomen dan de berekende overschotten voor de houdbare scenarios uit tabel 1 en de paden voor volledige schuldreductie uit tabel 2. Voor volledige schuldreductie is het dus nodig grotere overschotten na te streven dan de ontvangsten van het AOW-spaarfonds. Dit geldt in sterkere mate voor de komende jaren omdat de rente-opbrengsten van het AOW-spaarfonds de eerste jaren nog relatief beperkt zijn. Het schema van betalingen aan het AOW-spaarfonds houdt er geen rekening mee dat door de demografische ontwikkelingen bepaalde perioden betere mogelijkheden bieden voor schuldreductie dan andere. Schuldpolitiek vergt een integrale beoordeling van alle onderdelen van de collectieve financiën.

Tabel 3 AOW-spaarfonds (in % BBP)

Storting+rente

Vermogen


2002


0,7%


3%


2005


0,8%


5%


2010



1,0%


8%


2015



1,2%


12%


2020



1,4%


16%



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie