Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Acht besluiten Wet IB 2001

Datum nieuwsfeit: 29-12-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financien
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: 8 besluiten Wet IB 2001



8 Besluiten Wet IB 2001

Deze besluiten zijn afgegeven in het kader van de invoering van de Wet IB 2001. Ze wijken inhoudelijk niet af van de IB 1964-besluiten die tussen haakjes zijn vermeld.Het betreft besluiten die van belang blijven voor de toepassing van de Wet IB 2001, maar waarvoor een redactionele aanpassing nodig was. Hierbij kunt u denken aan omzetting van verwijzingen naar bepalingen in de Wet IB 1964.

De volgende besluiten zijn afgegeven:

Kapitaalverzekeringen. Betaling premies in vreemde valuta

Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2751M (voor de Wet IB 1964 het Besluit van 3 mei 1991, nr. DB93/317);

Desinvesteringsbijtellingen bij overdracht en liquidatie in het zicht van overlijden

Besluit van 4 december 2000, nr. CPP2000/2652M (voor de Wet IB 1964 het Besluit van 21 mei 1991, nr. DB90/6163);

Verlenging termijn waarbinnen lijfrentepremie moet zijn betaald/verrekend

Besluit van 4 december 2000, nr. CPP2000/1942M (voor de Wet IB 1964 het Besluit van 9 september 1998, nr. DB98/1229M, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 11 september 1999, nr. DB99/2343M);

Heffing van omzetbelasting en inkomstenbelasting ter zake van de steunverlening aan de producenten van akkerbouwgewassen

Besluit van 4 december 2000, nr. CPP2000/2535M (voor de Wet IB 1964 het Besluit van 4 maart 1993, nr. VB93/101);

Waardering voordelen bij het afsluiten van (hypothecaire) geldleningen

Besluit van 5 december 2000, nr. CPP2000/2817M (voor de Wet IB 1964 het Besluit van 2 april 1993, nr. DB92/4590 en het Besluit van 16 augustus 1995, nr. DB95/3055M).

Gelijkstelling aandelenbezit verworven in algemeen belang met deelneming

Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2668M (vergelijk het Besluit van 7 april 1997, nr. DB97/160M);

Kwalificerend aandeel in open commanditaire vennootschap

Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2667M (vergelijk het Besluit van 21 juli 1994, nr. DB94/2414M);

Aanmerkelijk belangregeling. Vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal

Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2666M (vergelijk het Besluit van 1 september 1993, nr. DB93/3572M).

Kapitaalverzekeringen. Betaling premies in vreemde valuta

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling

Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2751M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de regeling die gold voor de toepassing van de Wet IB 1964: het besluit van datum 3 mei 1991, nr. DB93/317.


1. Inleiding


Aan de staatssecretaris van Financiën is de vraag voorgelegd of het door de Hoge Raad d.d. 7 juni 1989, BNB 1989/237, gewezen arrest gevolgen heeft voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De gevolgen gelden evenzeer voor de toepassing van de Wet IB 2001.

Aan de orde is of bij kapitaalverzekeringen met premiebetalingen (en eventueel een verzekerd kapitaal) luidende in vreemde valuta, de in vreemde valuta betaalde premiebedragen voor de toetsing aan de bandbreedte-eis moeten worden herrekend naar Nederlandse valuta. De bandbreedte-voorwaarde is van belang voor de bepaling of sprake is van een (vrijgesteld voordeel uit) kapitaalverzekering eigen woning.

Naar mijn oordeel, dat gebaseerd is op de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis, dienen de in vreemde valuta betaalde premiebedragen voor de toetsing aan de bandbreedte-eis niet te worden herrekend naar Nederlandse valuta. Koersmutaties kunnen dus niet tot gevolg hebben dat de rente begrepen in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekeringen in de heffing wordt betrokken in gevallen waarin deze rente bij een toetsing louter op basis van de in vreemde valuta uitgedrukte premiebedragen zou zijn vrijgesteld.

Indien bij overschrijding van de bandbreedte in vreemde valuta de omrekening naar Nederlandse valuta (omrekening conform het in BNB 1989/237 gepubliceerde arrest van de Hoge Raad) van de in vreemde valuta voldane premies als resultaat heeft dat in Nederlandse valuta gezien de premiebetaling binnen de bandbreedte is gebleven, houdt mijn standpunt in dat niet van heffing over het rente-element kan worden afgezien.


2. Voorbeelden


Twee cijfervoorbeelden mogen het vorenstaande verduidelijken. In de voorbeelden is uitgegaan van in US-dollars luidende premiebedragen en van de euro als Nederlandse valuta. De koersmutaties zijn gefingeerd en variëren per voorbeeld.

Voorbeeld 1

X sluit op 3 januari 2001 een overeenkomst van kapitaalverzekering tegen premiebetaling. Gedurende de gehele looptijd van vijftien jaren wordt premie voldaan en wel in het eerste jaar $ 6.000 en in de volgende jaren elk jaar $ 600. De verzekering voldoet (overigens) aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning. De uitkering ad $ 30.000 zal plaatsvinden op 3 januari 2016.

De dollarkoers bedraagt in 2001 g 1 en in alle latere jaren g 0,75.

Uitwerking

De rente in de kapitaalsuitkering uit levensverzekering dient niet in de heffing van inkomstenbelasting te worden betrokken, omdat de toegestane bandbreedte (1:10) niet is overschreden.

Dit ondanks het feit dat de herleiding tot euros naar de tijdstippen waarop de premies zijn voldaan, het volgende beeld zou hebben opgeleverd:

jaar 1 g 6.000

jaar 2 tot en met jaar 15 g 450

Hoewel de toegestane bandbreedte (1:10) in euros gemeten is overschreden, wordt het rentebestanddeel in de kapitaalsuitkering niet in de heffing van inkomstenbelasting betrokken omdat de bandbreedte in dollars gemeten niet is overschreden. Uiteraard dient wel te worden voldaan aan de overige eisen om voor de vrijstelling voor de kapitaalsuitkering in aanmerking te komen.

Voorbeeld 2

X sluit op 3 januari 2001 een overeenkomst van kapitaalverzekering tegen premiebetaling. Deze verzekering wordt gekoppeld aan de eigen woning. Gedurende de gehele looptijd van vijftien jaren zal premie worden voldaan en wel in het eerste jaar $ 6.000 en in de volgende jaren elk $ 500. De uitkering ad $ 20.000 zal plaatsvinden op
3 januari 2016. De koers van de dollar bedraagt in 2001 g 1,60, in 2002 tot en met 2016 g 2,50.

Uitwerking

De rente in de kapitaalsuitkering uit levensverzekering dient in de heffing van inkomstenbelasting te worden betrokken, omdat de toegestane bandbreedte (1:10) is overschreden.

De herleiding tot euros naar de tijdstippen waarop de premies zijn voldaan, zou het volgende beeld opleveren:

jaar 1 g 9.600

jaar 2 tot en met jaar 15 g 1.250

Herleid tot euros is de premiebetaling derhalve binnen de toegestane bandbreedte gebleven.

Toch dient het rente-element in de heffing te worden betrokken aangezien, zoals ik hiervoor heb gesteld, voor de toetsing van de bandbreedte-eis louter de premiebedragen in de valuta zoals opgenomen in de overeenkomsten van levensverzekering relevant zijn.

3. Ingangsdatum

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Desinvesteringsbijtellingen bij overdracht en liquidatie in het zicht van overlijden

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein winstbelastingen

Besluit van 4 december 2000, nr. CPP2000/2652M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de regeling die gold voor de toepassing van de Wet IB 1964, besluit van 21 mei 1991, nr. DB90/6163, behoudens uiteraard voor zover deze betrekking heeft op toepassing van een bijzonder tarief.


1. Ik keur goed dat onder de werking van artikel 3.47 van de Wet IB 2001 geen desinvesteringsbijtellingen behoeven plaats te vinden in geval een onderneming in het zicht van overlijden wordt overgedragen dan wel geliquideerd, mits wordt voldaan aan twee voorwaarden.

A. Er moet een direct causaal verband bestaan tussen het overdragen dan wel het liquideren van de onderneming en het overlijden van de ondernemer in die zin dat de onderneming niet zou zijn overgedragen of geliquideerd indien het overlijden niet aanstaande zou zijn geweest.

B. Aannemelijk moet zijn, dat de mogelijkheden die de Wet biedt om een overeenkomst aan te gaan die er toe leidt dat de fiscale afrekening eerst bij overlijden plaatsvindt, niet konden worden benut. Hierbij valt aan de volgende mogelijkheden te denken:


- verhuur van de onderneming met een optierecht voor de huurder uit te oefenen na het overlijden van de verhuurder;


- verlenen van een optierecht zonder verhuur van de onderneming, waarbij de toekomstige koper tegen een gedeelte van de winst uit onderneming tot aan het tijdstip van uitoefening van het recht - bij overlijden - drijft;


- aangaan van een firma-overeenkomst met de koper waarbij de oorspronkelijke ondernemer zich de stille reserves voorbehoudt en waarbij pas na overlijden van deze firmant de onderneming aan de nieuwe firmant - bijvoorbeeld door middel van een overnemingsbeding - wordt geleverd (zie HR 5 november 1958, BNB1958/354);


- toekenning van een legaat - zijnde de onderneming - tegen inbreng (zie HR 17 januari 1964, NJ 1965/126 en Antwoord Staatssecretaris Van den Berge in de vergadering van de Eerste Kamer van 9 december 1964. Handelingen, blz. 223 rk.);


- verkoop van de onderneming met uitstel van levering gedurende een bepaalde tijd en vervolgens of verhuur van de onderneming aan de koper, of het door de koper tegen een aandeel in de winst laten drijven van de onderneming, tot het leveringstijdstip. Het leveringstijdstip dient dan wel na de vermoedelijke overlijdensdatum te liggen om de overdrachtswinst als overlijdenswinst aan te merken (zie HR 29 oktober 1958, BNB1959/41 en Hof Amsterdam 20 april 1970,BNB1971/18).

Indien binnen een samenwerkingsverband de onderneming wordt overgedragen aan een of meer personen die de onderneming mede drijven kan geen gebruik worden gemaakt van bovengenoemde goedkeuring. In die gevallen kunnen de wettelijke mogelijkheden naar mijn mening worden benut.


2. Verzoeken moeten bij de aangifte worden ingediend, doch in ieder geval voor het onherroepelijk worden van de aanslag over het desbetreffende jaar.


3. De inspecteurs zijn gemachtigd te beslissen op de verzoeken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001.

Verlenging termijn waarbinnen lijfrentepremie moet zijn betaald/verrekend

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein winstbelastingen

Besluit van 4 december 2000, nr. CPP2000/1942M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de regeling die gold voor de toepassing van de Wet IB 1964, besluit van 9 september 1998, nr. DB98/1229M, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 11 september 1999, nr. DB99/2343M.

Inleiding

Mij is gebleken dat strikte toepassing van de termijn van zes maanden na afloop van het kalenderjaar, zoals vermeld in artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001 waarbinnen lijfrentepremies moeten zijn betaald of verrekend om alsnog aangemerkt te kunnen worden als waren zij betaald in het kalenderjaar in bepaalde gevallen kan leiden tot ongewenste gevolgen, met name in gevallen waarbij de inspecteur een aanzienlijke correctie aanbrengt op de aangegeven stakingswinst, alsmede in gevallen waarbij de termijnoverschrijding het gevolg is van (zeer) bijzondere omstandigheden terwijl daarmee de mogelijkheid tot een eenmalig verhoogde aftrek definitief verloren gaat.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de termijn van artikel 3.130, tweede lid, van de Wet IB 2001 (de zogenoemde zesmaands-termijn) kan worden verlengd als:


a. de termijnoverschrijding wordt veroorzaakt door een omstandigheid die de belastingplichtige redelijkerwijs niet kan worden aangerekend, zulks aannemelijk te maken door de belastingplichtige. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie inzake artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht of - indien genoemde jurisprudentie (nog) geen uitsluitsel biedt - de jurisprudentie inzake artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;


b. de inspecteur bij de aanslagregeling correcties aanbrengt - al dan niet door middel van een navorderingsaanslag - waardoor de te betalen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen met ten minste g 544 (f 1.200) toeneemt. De correcties mogen niet het gevolg zijn van grove schuld of opzet als bedoeld in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, zulks ter beoordeling van de bevoegde inspecteur. Bij grove schuld kan tevens worden gedacht aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid.

De goedkeuring is beperkt tot lijfrenten die kunnen worden bedongen ingevolge artikel 3.128 en artikel 3.129 van de Wet IB 2001.

Ik heb hierbij overwogen dat dergelijke (vaak aanzienlijke) correcties plaatsvinden op onderdelen van de stakingswinst waarvan de exacte hoogte een discussiepunt kan zijn (bijvoorbeeld de goodwill), in tegenstelling tot relatief eenvoudiger vast te stellen onderdelen van het inkomen, zoals loon.

Een verzoek om termijnverlenging dient te worden gericht aan de bevoegde inspecteur. De inspecteur is gemachtigd een dergelijk verzoek in te willigen, ook voordat de desbetreffende (navorderings)-aanslag onherroepelijk vaststaat. Het verzoek dient evenwel uiterlijk zes weken na onherroepelijk vaststaan van voornoemde aanslag te zijn ingediend. De inspecteur stelt bij inwilliging van het verzoek als voorwaarde dat binnen een door hem te stellen termijn zowel de lijfrente wordt bedongen als de desbetreffende premie wordt betaald of verrekend.

In andere dan de onder a en b genoemde gevallen van termijnoverschrijding of wanneer het verzoek te laat is ingediend, wordt geen termijnverlenging toegestaan.

Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001.

Heffing van omzetbelasting en inkomstenbelasting ter zake van de steunverlening aan de producenten van akkerbouwgewassen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein winstbelastingen

Besluit van 4 december 2000, nr. CPP2000/2535M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de regeling die gold voor de toepassing van de Wet IB 1964, besluit van 4 maart 1993, nr. VB93/101.


1. Steunverlening producenten akkerbouwgewassen

In het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector akkerbouw is in Europees verband een regeling getroffen (Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (Pb. EG nr. L 181/12)). De regeling voorziet in een compensatie voor het inkomensverlies als gevolg van de aanpassing van de prijzen van bepaalde akkerbouwgewassen aan lagere wereldmarktprijzen.

Ter uitwerking van deze EG-verordening is een nationale regeling tot stand gekomen, de zogenoemde Beschikking steunverlening producenten akkerbouwgewassen (Stcrt. 1992, nr. 164). Ter compensatie van de voorgenomen prijsdaling voorziet genoemde beschikking in financiële steun voor producenten van granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen. De steunregeling bestaat uit een inkomenstoeslag per ingezaaide hectare van de hiervoor genoemde gewassen (de zogenoemde hectaresteun) en een compenserende betaling, zo er een braakleggingsverplichting geldt. Dit laatste is het geval, indien de algemene regeling van toepassing is, waaraan alle producenten kunnen deelnemen. De voor kleine producenten geldende vereenvoudigde regeling kent geen braakleggingsverplichting.


2. Heffing van omzetbelasting


De bovengenoemde steunmaatregel richt zich in de eerste plaats op de compensatie van inkomensverlies. De hectaresteun is een vorm van inkomenssteun. Inkomenssteun als zodanig houdt geen verband met een prestatie in de zin van artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968. De compenserende betaling heeft op zichzelf een tweeledig karakter, enerzijds die van inkomenssteun, anderzijds die van vergoeding voor een prestatie. Mede gelet op doel en strekking van de regeling kan ik mij er vooralsnog mee verenigen dat zowel de bedragen aan hectaresteun als die aan compenserende betaling buiten de heffing van omzetbelasting blijven.


3. Heffing van inkomstenbelasting

Een bijdrage op grond van bovenvermelde regeling behoort tot de winst uit onderneming in de zin van artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001


4. Set-aside regeling


De in punt 1 genoemde regeling laat de Beschikking ter zake van het uit produktie nemen van bouwland (Stcrt. 1988, nr. 158), onverlet. In de naar aanleiding van die beschikking uitgevaardigde Resolutie van 8 maart 1989, nr. VB89/321 (BTW-256, IB'65-1079), is het standpunt ingenomen dat het tegen vergoeding voldoen aan de braakleggingsverplichting een dienst vormt in de zin van artikel 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968. De braaklegging in de set-aside regeling vormt, in tegenstelling tot de braaklegging in de onderhavige regeling, een op zichzelf staande verplichting.

Waardering voordelen bij het afsluiten van (hypothecaire) geldleningen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

Besluit van 5 december 2000, nr.CPP2000/2817M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de regeling die gold voor de toepassing van Wet op de inkomstenbelasting 1964, besluit van 2 april 1993, nr. DB92/4590 en van 16 augustus 1995, nr. DB95/3055M.


1. Inleiding


Door financiële instellingen of door tussenpersonen worden soms voordelen toegekend in het kader van het afsluiten van (hypothecaire) geldleningen voor de eigen woning. Vergelijkbare voordelen kunnen worden toegekend indien een persoon na vervroegde aflossing van zijn (hypothecaire) geldlening in verband met de verkoop van zijn eigen woning wederom een nieuwe (hypothecaire) geldlening bij dezelfde financiële instelling afsluit in verband met de aankoop van een nieuwe eigen woning. De voordelen worden zowel in geld als in natura (bijvoorbeeld waardebonnen te besteden bij meubelzaken of keukenleveranciers) toegekend. Daarnaast komt het ook voor dat het voordeel ineens in mindering wordt gebracht op de hoofdsom van de geldlening


2. Fiscale gevolgen


De vergoeding moet worden getoetst aan de artikelen 3.110, 3.111 en
3.120 Wet IB 2001 (hierna: de Wet). De vergoeding heeft betrekking op de voor de verwerving van de eigen woning aangegane geldlening. Derhalve moet aan de hand van het criterium op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten worden beoordeeld of in het jaar van afsluiten van de nieuwe leningovereenkomst de betaalde rente drukt in de zin van art. 3.110 van de Wet.

In het algemeen zal het toegekende voordeel kunnen worden aangemerkt als een korting op de te betalen afsluitprovisie dan wel op de te betalen rente. Dit betekent dat de afsluitprovisie dan wel de betaalde rente in zoverre niet drukt op de belastingplichtige. Voor het antwoord op de vraag of de kosten drukken maakt het niet uit of het voordeel afgeboekt wordt op de hoofdsom van de geldlening of dat het voordeel in contanten dan wel in natura is verstrekt.

In de situatie dat de aanspraak op de vergoeding de in het jaar van afsluiten betaalde rente ter zake van de nieuwe geldlening overtreft, dient het restant in het daarop volgende jaar in aanmerking te worden genomen. Dit standpunt is van toepassing ongeacht of de vergoeding in mindering wordt gebracht op de hoofdsom of in contanten dan wel in natura wordt ontvangen.

Ingeval er sprake is van een voordeel in natura dient dat te worden gewaardeerd op de waarde welke daaraan in het economisch verkeer kan worden toegekend (analoge toepassing van art. 3.144 Wet IB 2001 en art. 13 Wet LB 64). Ik merk hierbij op dat, gelet op het karakter van een aantal van de voordelen in natura (waardebonnen met bestedingsmogelijkheden toegespitst op de desbetreffende doelgroep), de waarde in het economische verkeer veelal gelijk zal zijn aan de nominale waarde van de toegekende waardebonnen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat belastingplichtigen die van mening zijn dat het bedrag lager is, dit aannemelijk dienen te maken.

In de situatie dat de vergoeding op grond van de contractuele voorwaarden wordt terugbetaald, is er sprake van aftrekbare kosten.

Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001.

Gelijkstelling aandelenbezit verworven in algemeen belang met deelneming

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein winstbelastingen

Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2668M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit dient ter vervanging van het besluit van 7 april 1997, nr. DB97/160M, en is opnieuw uitgebracht naar aanleiding van de Belastingherziening 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Aan mij is de vraag voorgelegd of een aandelenbezit van minder dan vijf percent van het nominaal gestorte aandelenkapitaal in een instelling als bedoeld in artikel 5.13, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001, gelijkgesteld kan worden met een deelneming, omdat met de verwerving daarvan het algemeen belang gediend is geweest. Dienaangaande merk ik het volgende op.

Doel en strekking van de regeling van artikel 5.13, lid 1, van de Wet IB 2001 is de bevordering van beleggingen en investeringen in het milieu en de betrokkenheid van burgers daarbij. Naar mijn oordeel dient het beleggen en investeren in het milieu, waaronder natuur en bos, het algemeen belang. Een aandelenbezit van minder dan vijf percent van het nominaal gestorte aandelenkapitaal in een fonds als bedoeld in artikel 5.13, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001, kan worden aangemerkt als een deelneming in de zin van artikel 13, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan met de verwerving het algemeen belang gediend is geweest. Ik merk daarbij wel op dat de aandelen dienen te zijn verworven in het kader van een emissie. (Vergelijk ook mijn besluit van 30 november 1982, nr. 282-17832 inzake de Maatschappij voor Industriële Projecten NV.) Wellicht ten overvloede wijs ik er op dat de gelijkstelling van een aandelenbezit met een deelneming de toepassing van art. 13, lid 4 en lid 5, Vpb (uitsluiting van deelnemingsvrijstelling bij deelneming door en in een fiscale beleggingsinstelling) onverlet laat.

Kwalificerend aandeel in open commanditaire vennootschap

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein winstbelastingen

Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2667M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit dient ter vervanging van het besluit van 21 juli 1994, nr. DB94/2414M, en is opnieuw uitgebracht naar aanleiding van de Belastingherziening 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In het besluit van 19 december 1991, nr. DB91/6241 (Vpb'69, nr.
1.01.42; BNB 1992/55) heb ik met toepassing van artikel 63 AWR goedgekeurd, dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is indien een aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichaam voor ten minste
5% in het vennootschapsvermogen van een open commanditaire vennootschap participeert als commanditair vennoot en indien ook overigens voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 13, lid 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Op een vraag naar de betekenis die moet worden toegekend aan het in het besluit gebruikte begrip vennootschapsvermogen van de open commanditaire vennootschap heb ik geantwoord dat ik, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 1982, BNB 1982/268, van oordeel ben dat daaronder is te verstaan dat deel van het vermogen van de commanditaire vennootschap dat toekomt aan de commanditaire vennoten.

Voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling ex hoofdstuk 4 van de Wet IB 2001 neem ik een gelijkluidend standpunt in.

Aanmerkelijk belangregeling. Vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein winstbelastingen

Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2666M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit dient ter vervanging van het besluit van 1 september 1993, nr. DB93/3572M, en is opnieuw uitgebracht naar aanleiding van de Belastingherziening 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Aan mij is de vraag voorgelegd of een spolecnost rucemin omezenym (hierna: SRO), een naar Tsjechisch recht opgericht lichaam, dient te worden aangemerkt als een vennootschap in de zin van artikel 4.6, onderdeel a van de Wet IB 2001.

Deze vraag heb ik op grond van de navolgende overwegingen bevestigend beantwoord:


- een SRO bezit naar Tsjechisch recht rechtspersoonlijkheid;

- het vermogen van een SRO kwalificeert als afgescheiden een vermogen;

- voor schulden van een SRO zijn de aandeelhouders ten opzichte van derden slechts aansprakelijk tot hun kapitaaldeelname;


- een SRO is onderworpen aan een winstbelasting en

- voor ondernemingsbeloningen aan eigenaren van een SRO kent de Tsjechische wetgeving een specifieke regeling.

Het feit dat een SRO geen aandeelbewijzen uitgeeft doet aan het vorenstaande niet af.

Gelet op het bovenstaande ben ik tevens van oordeel dat, met uitzondering van de hierboven bedoelde ondernemersbeloningen aan de eigenaren, op de voordelen genoten uit een SRO artikel 13 Vpb van toepassing is.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie