Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Ambtsbericht ministerie buitenlandse zaken over hezbi-wahdat

Datum nieuwsfeit: 02-01-2001
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

www.minbuza.nl\content.asp?Key=406117




1 Inleiding

2 Hezb-i-Wahdat
2.1 Ontstaan
2.2 Partijstructuur
2.3 De Afghaanse burgeroorlog
2.3.1 Militaire ontwikkelingen 1992-1996
2.3.2 Militaire ontwikkelingen 1996-1999

3 Mensenrechtenschendingen
3.1 Inleiding
3.2 Willekeurige arrestaties
3.3 Marteling
3.4 Krijgsgevangenen
3.5 Vrouwen
3.6 Buitengerechtelijke executies
3.7 Verantwoordelijkheid voor mensenrechtenschendingen
4 Samenvatting

5 Literatuur
Hezb-i-Wahdat Mensenrechtenschendingen (1992-1999)


1 Inleiding


In aanvulling op de eerder verschenen algemene ambtsberichten inzake de 'Situatie in Afghanistan' is dit deelambtsbericht gewijd aan Hezb-i-Wahdat
met het oog op de beoordeling van asielaanvragen. Hezb-i-Wahdat staat bekend als één van de meest gewelddadige politiek-militaire bewegingen in Afghanistan. In dit deelambtsbericht staat de vraag centraal welke mensenrechtenschendingen deze partij in de periode van 1992 tot 1999 in Afghanistan heeft begaan. Om deze vraag te beantwoorden wordt in dit ambtsbericht eerst een beeld geschetst van de ontstaansgeschiedenis en de partijstructuur van Hezb-i-Wahdat. Voorts wordt kort de Afghaanse burgeroorlog die sedert 1992 woedt beschreven. In hoofdstuk drie komen de mensenrechtenschendingen aan bod die Hezb-i-Wahdat heeft gepleegd. Het ambtsbericht wordt afgesloten met een samenvatting.

Aan de totstandkoming van dit ambtsbericht liggen onder meer vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse ambassade in Islamabad ten grondslag. Daarnaast is gebruik gemaakt van publicaties van Amnesty International, Human Rights Watch en het US Department of State. Ten slotte is vakliteratuur over Afghanistan gebruikt. Op pagina 22 wordt een opsomming van de geraadpleegde openbare bronnen gegeven.

Wenk voor de lezer

De Afghaanse benamingen die in de tekst worden gebezigd zijn fonetische vertalingen in het Latijnse schrift van begrippen in het Dari en Pashtu. Het is dan ook mogelijk dat in andere bronnen enigszins afwijkende schrijfwijzen worden gehanteerd.


2
Hezb-i-Wahdat


2.1 Ontstaan

Hezb-i-Wahdat, ofwel de 'Eenheidspartij', is een coalitie van sjiietische verzetsbewegingen die haar leden werft onder de etnische groepering der sjiietische Hazara's.
De politieke Hazara-partijen die sedert de jaren tachtig in de leefgebieden van de Hazara's in Afghanistan actief waren, varieerden van ultraconservatieve tot modern-islamitisch radicale, zelfs maoïstische partijen. Dit weerspiegelt het (oorspronkelijke) gebrek aan eenheid onder de Hazara's. Nadat de Sovjet-troepen zich in februari 1989 uit Afghanistan hadden teruggetrokken, werden de Hazara-partijen onder druk van Iran in juli 1989
samengevoegd tot Hezb-i-Wahdat. Iran achtte het noodzakelijk om een (sjiietisch) tegenwicht te vormen tegen de soennitische Mudjahedin-strijders in Afghanistan.

De volgende acht groeperingen vormden Hezb-i-Wahdat:

Sazman-i-Nasr/Organization of Victory (radicaal)

Pasdaran-i-Jihad-i-Islami/Guards of the Islamic Holy War

Daawat-i-Ittehad-i-Islami

Nazhat-i-Islami

Sazman-i-Nayro-i-Islami

Jabha-i-Mutahed-i-Inqelabi-i-Islami

Shura-i-Itttefaq/Council of the Union (ultraconservatief)

Sazman-i-Mujahidin-i-Mustazafin/Organization of Warriors of the

Dispossessed

Van de acht bewegingen waaruit Hezb-i-Wahdat is voortgekomen, was Sazman-i Nasr de grootste en invloedrijkste. Vrijwel alle politieke en militaire leiders van Hezb-i-Wahdat waren voorheen lid van Sazman-i-Nasr. Enkele van deze vooraanstaande leden waren Abdul Ali Mazari,
Abdol Karim Khalili
en Haji Mohammed Mohaqiq.
Een ander prominent lid van Hezb-i-Wahdat was 'ustad' Mohammad Akbari, de oprichter van Pasdaran-i-Jihad-i-Islami. Voorts hebben vele etnische Hazara's van de politieke sjiietische bewegingen
Harakat-i-Islami
(o.l.v. ayatollah Asef Mohseni) en
Hezbollah
zich in 1989 bij Hezb-i-Wahdat aangesloten. Harakat-i-Islami en Hezbollah hebben nimmer deel uitgemaakt van Hezb-i-Wahdat. Zij bleven onafhankelijk van Hezb-i-Wahdat opereren (zie ook §2.3.1).

Hezb-i-Wahdat heeft haar thuisbasis in de stad Bamiyan in de provincie Bamiyan. Op 18 juli 1989 werd in Bamiyan een partijovereenkomst gesloten, getiteld
Meesaq-i-Wahdat
(Eenheidsconventie), bestaande uit twintig artikelen. De nieuwe partij legde de nadruk op de Hazara-identiteit vóór islamitische solidariteit. De partij beoogde voorts in hoofdzaak een eenheid te scheppen tussen alle strijdende sjiietische troepen en een islamitische regering te installeren gebaseerd op de regels van de Koran en de soenna. Tijdens een congres in 1991 werd Mazari gekozen tot secretaris-generaal van de partij. Mohaqiq is sinds 1992 de hoogste militaire bevelhebber van Hezb-i-Wahdat. Vanaf 1992 heeft Hezb-i-Wahdat als één van de strijdende partijen aan de Afghaanse burgeroorlog deelgenomen.

2.2 Partijstructuur


Hezb-i-Wahdat kent de volgende hiërarchische structuur.

Shura Aali Nizarat
(
Monitoring Council/High Council
)

De Shura Aali Nizarat is formeel het hoogste orgaan binnen Hezb-i-Wahdat
. Deze Shura Aali Nizarat heeft een toezichthoudende en adviserende functie en bezit geen uitvoerende bevoegdheden. Binnen de Shura Aali Nizarat hebben zo'n vijf tot tien
stamoudsten en geestelijken zitting. In de praktijk is Shura Aali Nizarat een nagenoeg machteloos orgaan en wordt het over belangrijke beslissingen nimmer geraadpleegd.

Shura-i-Markazi
(
Centraal Leiderschapsorgaan)

De Shura-i-Markazi is de facto het belangrijkste orgaan binnen Hezb-i-Wahdat. Alle belangrijke beslissingen binnen genoemde politieke beweging, ook inzake militaire aangelegenheden en veiligheidskwesties, worden binnen de Shura-i-Markazi genomen. De Shura-i-Markazi telt in totaal 180 leden. Deze 180 leden zijn afkomstig uit alle acht politieke bewegingen waaruit Hezb-i-Wahdat is voortgekomen. De politieke macht binnen Shura-i-Markazi ligt met name bij de voormalige leden van Sazman-i-Nasr, Pasdaran-i-Jihad-i-Islami en Shura-i-Ittefaq.

Binnen het Centraal Leiderschapsorgaan hebben
hardliners
het overwicht en worden de meer gematigde, op consensus gerichte leden naar de achtergrond gedrongen. Enkele
hardliners
binnen de Shura-i-Markazi waren/zijn Mazari, Mohaqiq, Mohammed Bashir Tawhidi en Qurban Ali Irphani. Khalili wordt als gematigd gekenmerkt.

De Shura-i-Markazi had haar hoofdkwartier van oorsprong in Bamiyan-Stad in de gelijknamige provincie en stond onder leiding van de secretaris-generaal van Hezb-i-Wahdat.
De Shura-i-Markazi functioneert thans niet langer meer volledig daar vele van haar leden in Iran verblijven. Ofschoon Khalili formeel nog steeds secretaris-generaal van Hezb-i-Wahdat en de Shura-i-Markazi is, ligt thans de politieke en militaire macht binnen de Shura-i-Markazi bij, de in de provincie Balkh verblijvende, Mohaqiq en zijn persoonlijk assistent, Irphani.

De Shura-i-Markazi is opgedeeld in de volgende comités.


- Politiek Comité


- Militair Comité (zie onder)


- Cultureel Comité


- Public Relations Comité


- Publieke Diensten Comité (Public Services)


- Medisch Comité


- Vrouwen Comité


- Informatie Comité

Bovenstaande comités dienen verantwoording af te leggen aan de secretaris-generaal. De comités kunnen worden aangemerkt als de organen die het beleid en de doelstellingen van de Shura-i-Markazi nader uitvoeren. De comités hadden afdelingen in de diverse provincies waarbinnen Hezb-i-Wahdat actief was. Zij zijn thans niet langer meer volledig operationeel.

Komiteh Nizami (Militair Comité)

De militaire politiek van Hezb-i-Wahdat wordt vormgegeven binnen het Militair Comité van de Shura-i-Markazi. Dit Militair Comité legt formeel verantwoording af aan de secretaris-generaal van de Shura-i-Markazi (Khalili). In feite worden de militaire aangelegenheden van Hezb-i-Wahdat gecoördineerd door Mohaqiq, de algemeen militair bevelhebber van Hezb-i-Wahdat.

Het Militair Comité van de
Shura-i-Markazi
telt ongeveer tien leden. Het staat onder dagelijkse leiding van de heer Afkari. De bevelhebber van de troepen van
Hezb-i-Wahdat
is Mohammed Hashimi. Hij is verantwoording verschuldigd aan de hoogste militaire bevelhebber, Mohaqiq.

Ondanks bovenstaande formele structuur was het gezag van het Militair Comité van de Shura-i-Markazi over haar strijdkrachten veelal marginaal. De strijdmacht van Hezb-i-Wahdat was geen reguliere legereenheid, maar bestond daarentegen uit voornamelijk met vrijwilligers opgevulde milities. Deze milities waren niet ingebed in een formele militaire structuur, maar werden opgericht al naar gelang de lokale situatie. De algehele chaotische situatie in Afghanistan, de gebrekkige organisatie binnen Hezb-i-Wahdat en het heersende politieke klimaat zorgden dat vele commandanten van Hezb-i-Wahdat zich in hun handelingen vele vrijheden toe-eigenden en de facto soms geheel onafhankelijk opereerden. Dit impliceert dat er gedurende de periode 1992-1999 vele milities van Hezb-i-Wahdat in Afghanistan (kortstondig) actief zijn geweest. Dit laat echter onverlet dat het Militair Comité van de Shura-i-Markazi
altijd een gewelddadige oplossing van het conflict in Afghanistan heeft voorgestaan en ook geweld jegens de burgerbevolking toestond.

Provinciale vertegenwoordigingen

Hezb-i-Wahdat was in diverse provincies van Afghanistan met provinciale vertegenwoordigingen actief. De provinciale vertegenwoordigingen stonden onder leiding van een provinciale raad. Binnen deze raad was een grote rol weggelegd voor de provinciale vertegenwoordiger van Hezb-i-Wahdat. Zo was Mohaqiq zeer invloedrijk als hoofd van de Hezb-i-Wahdat-vertegenwoording in de provincie Balkh en had Irphani als hoofd van de vertegenwoordiging in de provincie Ghazni een grote machtsbasis weten op te bouwen. De provinciale raden dienden verantwoording af te leggen aan de Shura-i-Markazi.

Hezb-i-Wahdat beschikte gedurende de periode 1990-1998 over vertegenwoordigingen in de centrale en de noordelijke gebieden. De centrale gebieden (Hazarajat) besloegen de provincies Bamiyan, Ghazni, Ghor, Parwan, Uruzgan en Wardak. Deze gebieden vielen rechtstreeks onder supervisie van de Shura-i-Markazi in Bamiyan. De noordelijke gebieden (de noordelijke zone) betreffen de provincies Baghlan, Balkh, Faryab, Jowzjan, Kunduz en Samanghan. De noordelijke gebieden vielen gedurende de periode 1992-1998 onder directe verantwoording van Mohaqiq, destijds hoofd van de Noordelijke Zone van Hezb-i-Wahdat. Mohaqiq legde op zijn beurt verantwoording af aan de Shura-i-Markazi.

In vele provincies beschikt Hezb-i-Wahdat thans niet langer meer over provinciale vertegenwoordigen.

2.3 De Afghaanse burgeroorlog


Na de val van het communistische regime van Najibullah in april 1992 kwam Afghanistan in een zeer gewelddadige en wetteloze situatie terecht. Overal in Afghanistan grepen Mudjahedin-facties de macht. In een poging om de eenheid te herstellen werd eind april 1992 een interimregering geformeerd onder leiding van premier Mojaddedi. Een raadgevende vergadering koos vervolgens Burhanuddin Rabbani tot president, die op 28 juni 1992 aantrad. Hezb-i-Wahdat sloot zich bij deze interimregering aan.

Aangezien Rabbani's benoeming tot president niet gezamenlijk door alle partijen werd erkend, laaide de burgeroorlog in de zomer 1992 evenwel opnieuw op. Het kwam tot bittere gevechten tussen de Afghaanse verzetsgroepen, die tot die tijd gezamenlijk een veertien jaar durende strijd hadden gevoerd tegen het door de Sovjet-Unie gesteunde communistische bewind. De oorlog begon in een strijd om Kabul, hetgeen de uiteindelijke verwoesting van grote delen van de stad tot gevolg had.

De regering van de
'Islamitische Staat Afghanistan'
van Rabbani raakte in een hevige strijd met onder andere Hezb-i-Wahdat, Hezb-i-Islami
(o.l.v. Gulbuddin Hekmatyar) en
Ittehad-i-Islami
(o.l.v. Sayyaf), ondersteund door de strijders van de Shura-e-Nazar
(o.l.v. Ahmad Shah Massoud) en de manschappen van Junbish-i-Melli wa Islami
(o.l.v. Abdul Rashid Dostam).
De nieuwe burgeroorlog, nu tussen de Mudjahedin-partijen onderling die deels in een coalitieregering waren vertegenwoordigd, bracht een nieuwe stroom vluchtelingen op gang.

Niet lang na de overname van Kabul door de Mudjahedin-bewegingen begonnen er gevechten om de controle van West-Kabul tussen Ittehad-i-Islami en Hezb-i-Wahdat. Op 11 februari 1993 voerde Ittehad-i-Islami, ondersteund door Massoud, een grote aanval uit op het Afshar district in West-Kabul, dat werd gecontroleerd door Hezb-i-Wahdat. Dit eindigde in een bloedbad waarbij binnen vierentwintig uur honderden Hazara's werden gedood dan wel verdwenen. In januari 1994 braken hevige gevechten uit in het noorden van Kabul tussen aanhangers van Massoud en Hezb-i-Wahdat. In de zomer van 1994 stonden in Kabul voor het eerst sjiietische groeperingen tegenover elkaar. Hezb-i-Wahdat en
Harakat-i-Islami
streden om de controle van de wijken en voorsteden in het zuidwesten van Kabul. In die periode begonnen de Taliban vanuit het zuiden van Afghanistan aan hun opmars richting Kabul.

Sedert mei 1994 stelde ustad Mohammed Akbari het beleid van de secretaris-generaal Mazari steeds openlijker aan de kaak. De geschillen waren in de eerste plaats terug te voeren op een persoonlijke machtsstrijd binnen Hezb-i-Wahdat. Akbari stelde zich kandidaat voor het voorzitterschap van de partij. Voorts stelde Akbari dat Mazari een racistische politiek voerde en verdeeldheid probeerde te zaaien binnen de sjiietische geloofsgemeenschap. Dit vanwege het feit dat Hezb-i-Wahdat zich alleen richtte op sjiietische Hazara's en zich nogal vijandig opstelde jegens andere etnische en religieuze groeperingen. Volgens Akbari leidde deze houding tot een toename van etnisch en religieus geweld. De visie van Akbari werd door Mazari fel bestreden, hetgeen het reeds bestaande persoonlijke conflict naar een politiek niveau tilde.

In september 1994 viel Hezb-i-Wahdat
in twee elkaar rivaliserende fracties uiteen. Akbari koos partij voor Rabbani en ging een alliantie aan met de Jamiat-i-Islami en de Harakat-i-Islami. De fractie van Mazari daarentegen vormde een alliantie met de
Hezb-i-Islami. Sindsdien waren er twee Hezb-i-Wahdat-partijen actief in Afghanistan. De fractie van Akbari was getalsmatig niet omvangrijk en beschikte over weinig invloed in de burgeroorlog. De fractie van Mazari bleef de belangrijkste Hezb-i-Wahdat-fractie in de woongebieden van de Hazara's. Wel heeft de coalitie waartoe Akbari behoorde in de periode 1994-1995 hevig gevochten met de Hezb-i-Wahdat-fractie van Mazari. Tijdens deze gevechten zijn vele burgerslachtoffers gevallen.

In opdracht van Mazari reisde in februari 1995 een delegatie van Hezb-i-Wahdat naar Kandahar af om aldaar met de Taliban te onderhandelen over een te sluiten wapenstilstand. Tijdens de onderhandelingen in Kandahar werd overeengekomen dat Hezb-i-Wahdat
de troepen van de Taliban vrije toegang zou verlenen tot West-Kabul en dat men gezamenlijk ten strijde zou trekken tegen de onder leiding van Massoud staande troepen van Shura-e-Nazar.

Op basis van voornoemd akkoord trokken de troepen van de Taliban begin maart 1995 West-Kabul binnen. In tegenspraak met het akkoord, begonnen de Taliban echter de troepen van Hezb-i-Wahdat
te ontwapenen. De Taliban bleken uiteindelijk niet bij machte om de troepen van
Jamiat-i-Islami in Kabul te bestrijden. Medio maart 1995 viel West-Kabul in handen van de regeringstroepen van Rabbani en werd Hezb-i-Wahdat uit Kabul verdreven.
Hierbij werden Mazari en een aantal van zijn naaste vertrouwelingen door troepen van de Taliban ontvoerd. Zij kwamen onder dubieuze omstandigheden om het leven, toen zij per helikopter naar Kandahar werden vervoerd. Khalili werd door de partij gekozen tot opvolger van Mazari.

Nadat de Taliban in september 1996 erin waren geslaagd Kabul in te nemen, sloot Khalili op 10 oktober 1996 een alliantie met generaal Dostam en commandant Massoud. Door de successen van de Taliban ontstond een dringende behoefte aan samenwerking tussen de verschillende Mudjahedin-facties. De alliantie stond bekend als de
Supreme Council for the Defence of Afghanistan
. In juni 1997 werd deze anti-Taliban coalitie uitgebreid. De naam van de coalitie werd gewijzigd in
United Islamic Front for the Salvation of Afghanistan (UIFSA) , kortweg ook wel '
United Front'
of 'Noordelijke Alliantie'.

Sedert de inname van Kabul door de Taliban in 1996 heeft Hezb-i-Wahdat geen officiële vertegenwoordiging meer in Kabul. Het merendeel van haar leden had de stad reeds verlaten. Na de verovering van Mazar-i-Sharif door de Taliban in augustus 1998 is militair bevelhebber Mohaqiq naar het platteland van de provincie Balkh uitgeweken. De weinig invloedrijke Hezb-i-Wahdat fractie van Akbari heeft in augustus 1998, volgend op de val van Mazar-i-Sharif, de banden met de Jamiat-i-Islami en Harakat-i-Islami doorgesneden. Akbari heeft eerst zijn toevlucht gezocht in Bamiyan. Vervolgens heeft hij zich in november 1998 bij de Taliban aangesloten. Thans is zijn Hazara-militie
geïncorporeerd binnen de Taliban en als zodanig belast met ordehandhaving in Hazarajat.

Op 13 september 1998 viel de thuisbasis van Hezb-i-Wahdat van Khalili, Bamiyan, in handen van de Taliban. Strijders van Hezb-i-Wahdat heroverden de stad op 21 april 1999. Deze strijd ging gepaard met brandstichtingen, arrestaties en executies. Mede vanwege onenigheid binnen het UIFSA wisten de Taliban Bamiyan reeds op 9 mei 1999 opnieuw in te nemen.

Thans zijn de traditionele leefgebieden van de Hazara's in Afghanistan (de provincies Bamiyan, Uruzgan, Ghazni, Ghor, het zuiden van de provincie Balkh en de hoofdstad Kabul) vrijwel volledig in handen van de Taliban. Hezb-i-Wahdat (Khalili) heeft thans nog enkele gebieden in haar macht, te weten het noorden van de provincie Uruzgan, het uiterste zuiden van de provincie Balkh, de plaatsen Balkhab en Sangchark in de provincie Jowzjan, de plaats Dar-i-Suf
in de provincie Samanghan en de plaatsen La'al en Lah-i-Saijungle in de provincie Ghor. Khalili zou in mei 1999 naar Iran zijn uitgeweken, waar hij sindsdien naar verluidt verblijft. De werkelijke macht binnen Hezb-i-Wahdat ligt sedertdien in handen van Mohaqiq en zijn persoonlijk assistent Irphani.


3
Mensenrechtenschendingen


3.1 Inleiding

Sinds 1992 is Hezb-i-Wahdat actief betrokken geweest in de machtsstrijd tussen de diverse Mudjahedin-groeperingen in Afghanistan. Hezb-i-Wahdat beschikte over een aanzienlijke, deels door Iran gefinancierde, strijdmacht en beheerste grote delen van Hazarajat, de provincie Balkh en Kabul. Nadat deze gebieden in de loop van 1992 en 1993 in handen van Hezb-i-Wahdat waren gevallen, waren zij het toneel van zeer ernstige schendingen van de mensenrechten.

De ernst van de schendingen van de mensenrechten die onder verantwoordelijk-heid van Hezb-i-Wahdat plaatsvonden moge blijken uit de navolgende beschrijving van enige gangbare praktijken uit de periode 1992-1999. Aangezien de Hezb-i-Wahdat-fractie van Akbari zeer klein en weinig invloedrijk was, heeft de informatie ten aanzien van de door Hezb-i-Wahdat begane mensenrechten-schendingen in dit ambtsbericht in de periode na de opsplitsing in september 1994 betrekking op de Hezb-i-Wahdat-fractie van Khalili.

De hieronder beschreven mensenrechtenschendingen zijn verre van volledig. Zij geven een indruk van de meest flagrante schendingen waarover is gerapporteerd.

3.2 Willekeurige arrestaties

Van 1993 tot 1995 controleerde Hezb-i-Wahdat West-Kabul. Zij werd bestreden door diverse Mudjahedin-facties. Gedurende deze periode arresteerden strijders van Hezb-i-Wahdat regelmatig, zonder aanleiding, ongewapende burgers.
Ze hadden het voornamelijk voorzien op Pashtuns. Aangezien de Hazara's in Afghanistan van oudsher een marginale positie vervullen, nam Hezb-i-Wahdat een zeer vijandige houding aan jegens andere etnische groeperingen. Het was voor Pashtuns dan ook gevaarlijk zich in gebieden te begeven die door Hezb-i-Wahdat werden beheerst. Behalve Pashtuns zijn ook Tadzjiekse, Oezbeekse en Turkmeense burgers en zelfs vele Hazara's het slachtoffer geworden van het terreurklimaat. De door Hezb-i-Wahdat gearresteerde burgers wachtte veelal een gruwelijk lot (zie ook §3.3).

3.3 Marteling

Alle Mudjahedin-partijen hebben zich gedurende de burgeroorlog schuldig gemaakt aan marteling van personen van andere etnische afkomst of van vermoedelijke opposanten (zie ook §3.5). Marteling vond destijds routinematig plaats in de huizen van de slachtoffers of in speciale martelkamers in geïmproviseerde detentiecentra, meestal in de kelder van een huis of in een stalen container. De gevangenen werden over het algemeen hardhandig geslagen, blootgesteld aan extreme hitte of kou en kregen geen voedsel en water. Sommigen werden net zo lang gemarteld tot ze een grote som geld betaalden.

In de loop der jaren ontwikkelden de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat nieuwe martelvormen. Een van deze methoden bestond eruit gevangenen te dwingen om mensenvlees te eten.

Een veel gebruikte martelmethode van Hezb-i-Wahdat hield in dat de strijders een arrestant dwongen geboeid op straat te knielen, waarna zij met een hamer net zolang spijkers in zijn hoofd sloegen totdat hij bezweek.

Leden van Hezb-i-Wahdat hebben ook regelmatig gevangenen levend gevild. Het kwam ook voor slechts een lichaamsdeel (bijvoorbeeld een arm of been) werd gevild. De gevangene overleefde deze gedeeltelijke ontvilling meestal.

In West-Kabul kwam het regelmatig voor dat de strijders van Hezb-i-Wahdat een aantal arrestanten geboeid in een ruimte samenbrachten, waar zij werden onderworpen aan een marteling die bekend stond als de 'dodendans'. Bij deze marteling kozen de strijders van Hezb-i-Wahdat een van de arrestanten uit, die vervolgens werd onthoofd. Meteen na de onthoofding werd de nekwond met kokend schapenvet dichtgeschroeid. Het ontzielde lichaam maakte in reactie hierop spastische bewegingen en werd door de strijders van Hezb-i-Wahdat rechtop gezet en heen en weer geschopt, vanwaar de benaming 'dodendans'. De marteling voor de overige arrestanten bestond niet alleen uit hun aanwezigheid bij deze executie, maar ook uit het aanschouwen van dit schouwspel. Vele inwoners van West-Kabul, met name Pashtuns, zijn het slachtoffer geworden van de genoemde en overige martelpraktijken van de zijde van Hezb-i-Wahdat.

3.4 Krijgsgevangenen


Tussen 1996 en 1998 behaalde Hezb-i-Wahdat regelmatig militaire overwinningen in het noorden van Afghanistan. De militaire leider van Hezb-i-Wahdat, Mohaqiq, speelde hierin een sturende rol. Hij staat bekend als een van de meest wrede en hardvochtige militaire leiders uit de Afghaanse geschiedenis. Niet alleen vanwege de verrichtingen van de milities van Hezb-i-Wahdat op het strijdveld en de genadeloze afrekening met politieke tegenstanders van Hezb-i-Wahdat, maar ook vanwege de misdaden die de milities van Hezb-i-Wahdat
jegens de burgerbevolking van Afghanistan begingen.

Het kwam geregeld voor dat strijders van Hezb-i-Wahdat de krijgsgevangenen die zij maakten met tientallen tegelijk levend in diepe waterputten wierpen, alwaar zij zonder uitzicht op redding aan hun lot werden overgelaten. Tevens geschiedde het dat strijders van Hezb-i-Wahdat krijgsgevangenen opsloten in stalen containers, onder meer in de wijk Afshar te Kabul. Deze containers waren door het Sovjet-leger gebruikt bij het transport van hulpgoederen. Naast het gebrek aan sanitaire faciliteiten hadden de gevangenen te lijden van slechte ventilatie. Honderden krijgsgevangenen zijn als gevolg van excessieve hitte of kou bezweken. Onder de krijgsgevangenen van Hezb-i-Wahdat bevonden zich vele Taliban-strijders.

De gevangenissen van Hezb-i-Wahdat in de wijken Karte Char, Karte Seh en Dasht-e Barchi in Kabul zijn tot maart 1995, toen de militie de controle over Kabul verloor, in gebruik geweest. In deze gevangenissen werden gevangenen lange tijd vastgehouden en mishandeld. Volgens rapporten van Amnesty International werden grote sommen losgeld van de familie van de gevangene geëist voor de vrijlating.
Indien de familie zich het bedrag niet kon veroorloven, werd de gevangene wederom mishandeld of zelfs vermoord. Vele slachtoffers waren Pashtuns of Tadzjieken.

In 1995 werden in de kelders van het Instituut van Sociale Wetenschappen te Kabul een groot aantal verkoolde lijken aangetroffen. Deze gevangenen waren, nadat zij waren vastgeketend, waarschijnlijk levend door strijders van Hezb-i-Wahdat in brand gestoken.

3.5 Vrouwen


In gebieden in Afghanistan waar wordt gevochten of waar de autoriteiten hun invloed nauwelijks kunnen doen gelden, zijn meisjes en vrouwen regelmatig het slachtoffer van verkrachting. Jarenlang zijn vrouwen op deze wijze gemarteld door leden van de gewapende strijdkrachten van alle bij de burgeroorlog betrokken politieke partijen zonder dat deze door hun leiders ter verantwoording werden geroepen.

Strijders van Hezb-i-Wahdat hebben zich evenzo op grote schaal schuldig gemaakt aan groepsverkrachtingen van vrouwen. Een veel gebruikte methode was een willekeurige vrouw op zeer brute wijze te verminken nadat zij door een tiental soldaten was verkracht. Haar handen werden dan afgehakt en de wonden dichtgeschroeid met vuur, waarna haar armen met ijzeren haken op haar borsten werden vastgespeld. Hierop werd de vrouw bij bewustzijn gebracht en gedwongen naakt door de straten te lopen. Omstanders die de betrokken vrouw te hulp wilden schieten, werden gedood. In West-Kabul zijn diverse vrouwen van deze methode het slachtoffer geworden.

In West-Kabul is het regelmatig voorgekomen dat strijders van Hezb-i-Wahdat zwangere vrouwen, van met name Pashtun en/of Tadzjiekse afkomst, aanhielden. Deze vrouwen werden vervolgens vastgebonden en op de grond gedrukt. Daarna werd de ongeboren vrucht met geweld uit het lichaam van de zwangere vrouw gedrukt. Doorgaans verloren hierdoor zowel de zwangere vrouw als de ongeboren vrucht het leven.

In februari 1993 zouden bij de gevechten tussen Ittehad-i-Islami en Hezb-i-Wahdat zo'n zestig vrouwen in het Instituut van Sociale Wetenschappen te Kabul zijn vastgehouden, verkracht en vermoord. De gezamenlijke troepen van Hezb-i-Wahdat en Hezb-i-Islami hebben te Kabul in april en mei 1994 de huizen van Pansjhiri
families aangevallen. Ze verkrachtten daarbij vele vrouwen, onder meer een vrouw van zestig jaar oud. De vrouw zou tevergeefs bij de hoogste commandant van Hezb-i-Islami hebben geklaagd. De commandant zou de klacht evenwel niet serieus hebben genomen.

3.6 Buitengerechtelijke executies

Gedurende de burgeroorlog is een groot aantal (politieke) moorden gepleegd. Onder de slachtoffers waren bekende Afghaanse persoonlijkheden die een bedreiging zouden hebben gevormd voor een specifieke politieke groepering.

De strijd om de noordelijke provinciestad Mazar-i-Sharif tussen het UIFSA en de Taliban in 1997 en 1998 ging gepaard met buitensporig veel geweld. In mei 1997 veroverde de Taliban Mazar-i-Sharif op de troepen van Massoud en Khalili, maar de heerschappij duurde slechts drie dagen. Tijdens de hevige gevechten die uitbraken tussen Hezb-i-Wahdat en de Taliban werden vele Taliban-strijders vermoord. Hezb-i-Wahdat zou meer dan driehonderd Taliban-manschappen hebben gedood en tweeduizend Taliban-strijders gevangen hebben genomen. Op grote schaal vonden plunderingen door leden van Hezb-i-Wahdat plaats.

De Taliban hebben tijdens de inname van Mazar-i-Sharif in augustus 1998 duizenden inwoners van de stad, met name Hazara's, gedood als represaille voor de zware verliezen die ze in mei 1997 hadden geleden. Andere inwoners probeerden de stad in noordelijke richting te ontvluchten. Deze route werd gecontroleerd door Hezb-i-Wahdat. Strijders van
Hezb-i-Wahdat
waren slechts bereid de vluchtelingen doorgang te verlenen na betaling van een bepaald bedrag. Indien de vluchtelingen dit bedrag niet konden voldoen, werden zij teruggestuurd en in de handen van de Taliban gedreven. Dit gold zelfs voor etnische Hazara's.
Bij hun uittocht uit Bamiyan in september 1999 doodden troepen van Hezb-i-Wahdat dertig aanhangers van de Taliban die in de plaatselijke gevangenis werden vastgehouden.

3.7 Verantwoordelijkheid voor mensenrechtenschendingen


Hezb-i-Wahdat wordt gezien als één van de meest gewelddadige groeperingen in Afghanistan gedurende de Afghaanse burgeroorlog. Niet alleen vanwege de verrichtingen van de milities van Hezb-i-Wahdat op het strijdveld en de genadeloze afrekening met hun politieke tegenstanders, maar vooral ook vanwege de misdaden die de milities van Hezb-i-Wahdat de burgerbevolking van Afghanistan hebben aangedaan. De partij oefende een waar terreurklimaat in Afghanistan uit.

In ieder geval wordt aannemelijk geacht dat de volgende leden van Hezb-i-Wahdat verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Afghanistan gedurende de periode 1992-1999.


- Alle leden van het Centrale Leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi.

- De leden van het Militair Comité van Shura-i-Markazi

- De leden van het Politiek Comité van Shura-i-Markazi

- De hoofden van de Provinciale Vertegenwoordigingen

- Alle commandanten van een ferq'a, een brigade van duizend man.

- Hoge officieren (commandant, generaal, kolonel, majoor) van de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat.

Bovenstaande personen waren binnen Hezb-i-Wahdat
in een gezaghebbende positie en werden op concrete wijze betrokken bij militaire besluitvorming en veiligheidskwesties. Zij hadden derhalve op concrete wijze weet van de begane schendingen van de mensenrechten c.q. oorlogsmisdaden. Zij hadden hiertoe veelal opdracht gegeven dan wel stonden dergelijke misdaden oogluikend toe en hebben binnen Hezb-i-Wahdat bewust een meedogenloos gewelddadig klimaat jegens opponenten geschapen.

Het is niet aannemelijk
dat leden van het hoogste orgaan van de Hezb-i-Wahdat, de Shura Aali Nizarat
, uit hoofde van die functie verantwoordelijk dragen voor schendingen van de mensenrechten en oorlogsmisdrijven. In de praktijk was dit een machteloos orgaan, dat over belangrijke beslissingen nimmer werd geraadpleegd.

Het is, gelet op de belangrijke rol van de Shura-i-Markazi, onontkombaar dat leden van deze raad verantwoordelijkheid dragen voor schendingen van de mensenrechten en oorlogsmisdrijven. De leden van Shura-i-Markazi waren immers op concrete wijze betrokken bij de politieke en militaire besluitvorming binnen Hezb-i-Wahdat.

Het is evenzo, gelet op de belangrijke rol die hogere leidinggevenden van de provinciale vertegenwoordigingen van Hezb-i-Wahdat binnen een provincie vervulden
,
nagenoeg onontkombaar dat hogere provinciale vertegenwoordigers van Hezb-i-Wahdat verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdrijven. De hoofden waren, via tussenkomst van de Shura-i-Markazi, op concrete wijze betrokken bij de politieke en militaire besluitvorming binnen Hezb-i-Wahdat. Echter, niet alle leden van een provinciale vertegenwoordiging kunnen verantwoordelijk worden gehouden voor mensenrechtenschendingen. Sommige provinciale bestuursleden hielden zich enkel bezig met activiteiten voor bijvoorbeeld het Cultureel Comité of het Vrouwen Comité van Hezb-i-Wahdat.

De troepen van Hezb-i-Wahdat zijn gedurende de periode 1992-1999 dermate gewelddadig in hun optreden geweest dat het onmogelijk wordt geacht dat commandanten, die actief leiding gaven aan milities van Hezb-i-Wahdat, geen verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dit gewelddadige optreden. Alle militaire commandanten van Hezb-i-Wahdat waren op de hoogte van de mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht die door hun strijders zijn begaan. In meer of mindere mate hebben alle militaire commandanten van Hezb-i-Wahdat, ongeacht de omvang van hun militaire eenheid, zich in persoon schuldig gemaakt aan onder meer afpersing van onschuldige burgers, ontvoering van rijke personen, verkrachting van vrouwen, willekeurige arrestaties van ongewapende burgers, marteling en buiten-gerechtelijke executies. Er heerste binnen de milities van Hezb-i-Wahdat een dermate gewelddadige cultuur, die ook gericht was tegen de burgerbevolking, dat het niet aannemelijk wordt geacht dat een persoon de rang van militair commandant kon bekleden, zonder de gewelddadige cultuur op actieve wijze mede in de praktijk te hebben gebracht.

De militaire leiding van
Hezb-i-Wahdat heeft nooit pogingen ondernomen om deze praktijken een halt toe te roepen. Integendeel, vele schendingen van de mensenrechten vonden onder direct toezicht en op instigatie van de militaire leiding van Hezb-i-Wahdat plaats. De leidinggevenden hebben hun troepen herhaaldelijk laten weten dat zij enkel door het gebruik van ongebreideld geweld een onafhankelijke positie in Afghanistan konden verwerven. De militieleden werden bovendien door middel van geweldstoepassing in de gelegenheid gesteld hun eigen inkomen te verwerven. Binnen Hezb-i-Wahdat was een promotie tot commandant dan ook slechts weggelegd voor personen die zich op actieve wijze hadden onderscheiden (in de militaire strijd, alsmede in hun optreden jegens de burgerbevolking), dan wel voor personen die, op gewelddadige wijze, eigenhandig besloten hadden leiding te nemen over een militie van Hezb-i-Wahdat. Dit kon onder meer gebeuren door een andere commandant van het leven te beroven.

Buiten bovenstaande personen hebben ook vele lagere officieren en/of soldaten van de milities van Hezb-i-Wahdat op actieve en zelfstandige wijze de mensenrechten geschonden, dan wel oorlogsmisdrijven begaan. Dit mede vanwege het feit dat een centraal gezag binnen vele milities van Hezb-i-Wahdat ontbrak. De strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat werden, mede vanwege de chaotische situatie in Afghanistan en vanwege haar verleden als verzetsbeweging, niet altijd gekenmerkt door een duidelijke hiërarchische structuur. Niet alleen konden soldaten en onder-officieren soms snel promoveren, ook lagere officieren konden over veel invloed en macht beschikken. In de militaire strijd gold het recht van de sterkste en waren alle mensenrechtenwaarborgen en de rechtshandhaving weggevallen. Het is niet mogelijk in algemene bewoordingen aan te geven welke lagere officieren en soldaten van Hezb-i-Wahdat verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor mensenrechtenschendingen begaan gedurende de periode 1992-1999. Daartoe was de situatie in Afghanistan in deze periode veel te chaotisch. Het feit dat lagere officieren en soldaten van Hezb-i-Wahdat ook verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor schendingen van de mensenrechten en/of oorlogsmisdrijven heft terzake geenszins de verantwoordelijkheid op van de hogere politieke en militaire leidinggevenden van Hezb-i-Wahdat. De geweldscultuur, mede jegens de Afghaanse burgerbevolking, die Hezb-i-Wahdat zo kenmerkte werd immers door de Shura-i-Markazi en haar Politieke en Militaire Comités bewust gestimuleerd.


4
Samenvatting


Tegen de achtergrond van de massale gevechten tussen de verschillende Mudjahedin-facties en tussen de Taliban en het UIFSA in de periode van 1992-1999 zijn de mensenrechten in Afghanistan straffeloos geschonden en was van enigerlei rechtsorde nauwelijks sprake. Met name in de strijd om Kabul hebben hevige botsingen tussen gewapende groeperingen met verschillende etnische-religieuze achtergronden onder meer geleid tot de verkrachting van vrouwen, willekeurige arrestaties van ongewapende burgers, marteling en buiten-gerechtelijke executies.

De in 1989 geformeerde sjiietische coalitie Hezb-i-Wahdat kan als één van de meest gewelddadige politiek-militaire bewegingen worden beschouwd. Haar bestuurs- en militaire functionarissen, hoge officieren en soldaten hebben zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht, zoals intimidaties, bedreigingen, afpersingen, martelingen, willekeurige arrestaties en buiten-gerechtelijke executies. In het algemeen heeft Hezb-i-Wahdat zowel in het noorden van Afghanistan als in Kabul, alwaar Hezb-i-Wahdat gedurende de periode van 1992 tot 1995 de macht in handen had, een waar terreurklimaat onder de Afghaanse bevolking teweeggebracht.

Haji Mohammed Mohaqiq, alsmede andere militaire commandanten van Hezb-i-Wahdat hebben hun troepen nimmer aangesproken op hun gewelddadige gedrag jegens de burgerbevolking. Integendeel, het geweld lijkt door de leidinggevenden te zijn geïnstigeerd. Zij hebben hun troepen herhaaldelijk laten weten dat zij enkel door het gebruik van ongebreideld geweld een onafhankelijke positie in Afghanistan konden verwerven. De militieleden werden bovendien door middel van geweldstoepassing in de gelegenheid gesteld hun eigen inkomen te verwerven.

Thans speelt Hezb-i-Wahdat geen belangrijke rol meer in de voortdurende Afghaanse machtsstrijd. De weinig invloedrijke, Hezb-i-Wahdat-fractie van Akbari heeft zich in november 1998 bij de Taliban aangesloten. Sedert mei 1999 hebben de Taliban, na de verovering van Kabul en Mazar-i-Sharif, ook de machtsbasis van de Hezb-i-Wahdat-fractie van Khalili in Bamiyan ingenomen.


5
Literatuur


US Department of State, Afghanistan Human Rights Practices, 1993.

Amnesty International, Afghanistan. Incommunicado Detention and "Disappearances" (ASA 11/01/94, april 1994).

Amnesty International, Women in Afghanistan (ASA 11/03/95, mei 1995).

Amnesty International, Afghanistan. International Responsibility for Human Rights Disaster (ASA/11/09/95, 1995).

Amnesty International, Afghanistan. The Human Rights of Minorities, (ASA/11/14/99).

Rubin Barnett R., The Fragmentation of Afghanistan. State Formation and Collapse in the International System, (Lahore, 1996).

Yunas S. Fida, Afghanistan, Political Parties, Groups, Movements and Mujahideen Alliances and Governments (1879-1997) Volume-II, (Pakistan).

Dupree L., Afghanistan (Karachi 1997).

Driessen H., In het huis van de islam (Nijmegen 1997).

Human Rights Watch, Afghanistan: The Massacre in Mazar-i-Sharif, vol. 10, No 7 (C) (november 1998).

Berg Harpviken Kristian,
The Hazara of Afghanistan: The Thorny Patch Towards Political Unity, 1978-1991,
Post-Soviet Central Asia, Tauris Academic Studies, pp.177-187, (London 1998).

Maley William, Fundamentalism Reborn? Afghanistan and the Taliban (Londen 1998).

Jalalzai Musa Khan, Taliban and the Great Game in Afghanistan (Lahore, 1999).

Matinuddin Kamal, The Taliban Phenomenon Afghanistan 1994-1997, (Oxford 1999).

UN, Situation of Human Rights in Afghanistan. Note by the Secretary-General, (A/54/422, 30 september 1999).

UN, Letter dated 23 November 1999 from the Secretary-General addressed to the President of the General Assembly, (A/54/626, 23 november 1999).

Rashid Ahmed, Taliban, Islam, Oil and the New Great Game in Central Asia, (New York 2000).


1 Naast Hazara's zijn ook vele
Qizilbash
, oorspronkelijk behorende tot de dynastie van de Safawieden in Iran, lid van de partij. De Hazara's behoren overwegend tot de zogeheten 'twaalver' sjiieten, ook wel imamieten genoemd, en deels tot de sjiietische groep der ismaïlieten. Zij maken zo'n 15-20% van de Afghaanse bevolking uit en spreken een eigen dialect van het Dari, Hazaragi. De Hazara's zijn vooral woonachtig in het berggebied Hazarajat (in officiële publicaties van Hezb-i-Wahdat wordt hun woongebied Hazaristan genoemd) van Centraal-Afghanistan, met name in de provincies Bamiyan, Uruzgan, Ghazni en Ghor. Groepen Hazara's leven ook in Noord-Afghanistan (o.a. Mazar-i-Sharif) en in (de armere wijken van) West-Kabul. Hazara's zijn als etnische groep herkenbaar op grond van hun Centraal-Aziatische voorkomen. Over het algemeen waren de Hazara's voor de burgeroorlog onwillig om zichzelf als Hazara te onderscheiden, wellicht omdat Hazara's in Kabul met armoede werden geassocieerd.

De Qizilbash vormen een afzonderlijke (minderheids)groepering binnen de twaalver sjiietische gemeenschap in Afghanistan, die zich oorspronkelijk kenmerkte door het dragen van rode kleding, vrij vertaald qizilbash. Er zijn geen inhoudelijke verschillen in geloofsopvatting tussen de Qizilbash en de Hazara's, maar de term qizilbash bleef gebruikt als een aanduiding voor 'andere groepen sjiieten'. Het merendeel van hen is woonachtig in Kabul, Kandahar, Herat en Mazar-i-Sharif.

Amnesty International, Afghanistan. The Human Rights of Minorities, (ASA/11/14/99), blz. 1; Driessen H., In het huis van de islam (Nijmegen 1997), blz. 164; Dupree L., Afghanistan (Karachi 1997), blz. 60.


2 Het sjiietische bewind in Iran heeft de Hazara's in Afghanistan sinds de jaren tachtig steun verleend.


3 Ofschoon de officiële aankondiging van Hezb-i-Wahdat in Teheran op 16 juni 1990 plaatsvond, werd de doorslaggevende beslissing om een eenheidspartij te vormen in juli 1989 genomen. Een enkele publicatie vermeldt 1988 als oprichtingsjaar.


4 Mazari (Mazar-i-Sharif ± 1930*-1995?) heeft een religieuze opleiding genoten aan diverse (sjiietische) madrassas in Kabul. Voorts heeft hij enkele jaren aan een sjiietische madrassa te Najaf in Irak gestudeerd. Aanvankelijk verrichtte Mazari werkzaamheden binnen de sjiietische (Hazara) geloofsgemeenschap. Tijdens de regeringsperiode van Mohammad Daoud (1973-1978) heeft Mazari de beweging Sazman-i-Nasr opgericht, een sjiietische beweging met een radicaal nationalistisch (pro-Hazara) karakter. Na de invasie van het Sovjet-leger in Afghanistan op 25 december 1979 heeft Sazman-i-Nasr zich bij het islamitisch verzet aangesloten en is Mazari gedurende tien jaar militair commandant geweest. (Zie ook §2.3.)


5 Khalili is geboren in Behsood in Hazarajat en thans ongeveer 55 jaar oud. Hij heeft een opleiding doorlopen aan de Pul-i-Soghtah madrassa in Kabul. Rond 1978 heeft Khalili zich bij Sazman-i-Nasr aangesloten, alwaar hij politiek functionaris werd. Khalili is nimmer in dienst geweest bij de militaire vleugel van Sazman-i-Nasr.


6 Mohaqiq, die een opleiding tot sjiietisch geestelijke heeft gevolgd en thans ongeveer 45 jaar oud is, is sinds het begin van de jaren tachtig actief als Mudjahedin-strijder voor de Hazara's. Gedurende de 'heilige oorlog' tegen het communistische bewind van Afghanistan is hij erin geslaagd een aanzienlijke machtsbasis te creëren binnen de militaire vleugels van de diverse Hazara-bewegingen.


7 Ustad betekent professor. Dit is echter een bijnaam en verwijst niet naar een academische vorming.

Akbari is ongeveer 50 jaar geleden geboren in het district Waraz in Hazarajat. Hij heeft zich in 1979 als verzetsstrijder c.q. militair commandant bij de politieke beweging Shura-i-Ittifaq aangesloten. Rond 1980/1981 heeft hij zelfstandig, doch met steun van Iran, de Hazara-verzetsbeweging Pasdaran-i-Jihad-Islami opgericht. Deze beweging wist binnen korte tijd een redelijke aanhang te verwerven en heeft op actieve wijze tegen het communistische bewind van Afghanistan gestreden.


8 Zie voor de twintig artikelen van de Eenheidsconventie: Yunas S. Fida, Afghanistan, Political Parties, Groups, Movements and Mujahideen Alliances and Governments (1879-1997), Volume II, Pakistan, blz. 962-964.


9 Het woord
soenna
betekent 'weg, manier van doen, gedrag'. Er wordt onder verstaan: 'het na te volgen gedrag van de Profeet'.


10 Het ledental kan wisselen.


11 Aanvankelijk was dit Mazari. Na zijn dood in 1995 is hij opgevolgd door Khalili (zie ook §2.3).


12 Het merendeel van de Hazara-mannen meldt zich vrijwillig bij het leger van Hezb-i-Wahdat aan. Slechts zeer sporadisch worden soldaten gedwongen gerecruteerd. Het is Hezb-i-Wahdat in die gevallen dan voornamelijk om een afkoopsom van twee jaarsalarissen te doen.


13 Zie voor de geschiedenis van het communistisch regime de algemene ambtsberichten over de 'Situatie in Afghanistan' van 4 maart 1998 en 16 september 1999.


14 Mohaqiq, de militair bevelhebber van Hezb-i-Wahdat, vervulde in het noorden van Afghanistan van 1994-1996 hoge bestuurlijke posten binnen de coalitieregering van Rabbani. Hij was onder meer voorzitter van de Shura-i-Tasmimgiri Shomal
, het forum dat namens de regering Rabbani overheidsbeslissingen in de zes noordelijke provincies Baghlan, Balkh, Faryab, Jowzjan, Kunduz en Samanghan van Afghanistan coördineerde.


15 De militaire vleugel van de
Jamiat-i-Islami

.


16 Zie voor een beschrijving van de diverse Mudjahedin-bewegingen bijlage 2 van het algemene ambtsbericht 'Situatie in Afghanistan' van 4 maart 1998.


17 US Department of State, Afghanistan Human Rights Practices, 1993. Deze gebeurtenis staat bekend als 'het bloedbad van Afshar'.


18 Zie voor meer informatie over de opmars van de Taliban §2.3 van het algemeen ambtsbericht over de 'Situatie in Afghanistan' van 16 september 1999.


19 De regeringstroepen hebben zich hierbij schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen jegens de Hazara's. Amnesty International, Afghanistan Executions, amputations, and possible deliberate and arbitrary killings, (ASA 11/05/95).


20 De dood van Mazari zou volgens woordvoerders van de Taliban het gevolg zijn geweest van een vuurgevecht met bewakers van de Taliban. Het vermoeden bestaat evenwel dat Mazari door de Taliban is geëxecuteerd.


21 The Far East and Australasia 1999, Afghanistan, p. 67.

22 Het betreft zowel sjiietische en soennitische Hazara-strijders die de zijde van de Taliban hebben gekozen.


23
Cf.
Algemeen ambtsbericht over de 'Situatie in Afghanistan' van 9 mei 2000, §3.4.2 ('Minderheden').


24 Zie voor meer informatie over de strijd in en om Bamiyan de algemene ambtsberichten over de 'Situatie in Afghanistan' van 16 september 1999 (§2.3) en 9 mei 2000 (§2.2).


25 In Dar-i-Suf wordt thans nog zwaar gevochten tussen eenheden van de Taliban en Hezb-i-Wahdat.


26 In mei 1994 zou volgens Amnesty International een zwangere vrouw in het district Darl-Aman in Kabul door leden van Hezb-i-Wahdat zijn gearresteerd en verdwenen. Amnesty International, Women in Afghanistan, (ASA 11/03/95, mei 1995).


27 Zo stonden troepen van Hezb-i-Wahdat vijandig tegenover leden van de Tadzjiekse minderheid, die in en rond Bamiyan leefden. Dit heeft ertoe geleid dat in de loop van 1996 en 1997 honderden Tadzjieken Bamiyan hebben verlaten. UN, Situation of Human Rights in Afghanistan. Note by Secretary-General, (A/54/422, 30 september 1999).


28 Amnesty International, Women in Afghanistan.

29 In januari 1994 zou een journaliste uit Kabul zijn vastgehouden en herhaaldelijk met een geweerkolf door leden van Hezb-i-Wahdat zijn geslagen. Ze werd beschuldigd van het doorspelen van informatie aan de vijand en bedreigd met de dood. Om vrijgelaten te worden moest ze eerst seksueel verkeer hebben met de bewakers. Toen ze weigerde, werd ze onderworpen aan een schijnexecutie. Nadat een groot geldbedrag was betaald werd ze vrijgelaten. Amnesty International, Afghanistan, International Responsibility for Human Rights Disaster, (ASA/11/09/95, 1995).


30 Amnesty International meldt dat in 1993 een taxichauffeur die een zwangere vrouw vervoerde in Kabul staande werd gehouden door troepen van Hezb-i-Wahdat. Ze namen hen beiden mee naar een huis dat Hezb-i-Wahdat als basis gebruikte en gaven de taxichauffeur een papiertje waarop hij moest schrijven dat hij zijn auto aan hen had verkocht. Toen de taxichauffeur dit weigerde, dreigden Hezb-i-Wahdat-strijders hem te dwingen mensenvlees te eten en sloegen ze hem. Er werd gekookt vlees binnengebracht dat hij en de zwangere vrouw moesten eten. De taxichauffeur en de vrouw werden hierna bevolen te gaan. Terwijl ze de trap afliepen hoorde de taxichauffeur een geluid achter zich en was de vrouw verdwenen. De taxichauffeur werd gedwongen door te lopen anders zou hij worden gedood. Amnesty International, Afghanistan, International Responsibility for Human Rights Disaster.


31
ibidem


32 US Department of State, Afghanistan Human Rights Practices, 1993.

33 Dit zijn Tadzjieken uit de Pansjhir-vallei. Dupree L., Afghanistan, blz. 70.

Zie over de Pansjhir-vallei het algemeen ambtsbericht over de 'Situatie in Afghanistan' van 3 november 1998, blz. 8-9.


34 Amnesty International, Women in Afghanistan..

35 Najmuddin Musleh, een Oezbeek en persoonlijk assistant van president Rabbani was zo'n slachtoffer. Musleh was een bekend politicus, die hoge politieke posities had bekleed, onder andere als gouverneur gedurende het presidentschap van Daoud. Op 31 december 1993 was hij als onderhandelaar naar generaal Dostam gestuurd. Toen op 1 januari 1994 de gevechten weer uitbraken, werd hij gevangen genomen door de strijdkrachten van generaal Dostam en Hekmatyar. Zijn familie werd niet op de hoogte gesteld van de plaats waar Musleh werd gedetineerd. Vervolgens zou Najmuddin Musleh zijn overgedragen aan de troepen van Hezb-i-Wahdat in West-Kabul. In april 1994 zou Hezb-i-Wahdat de familie van Musleh om US $ 5 miljoen hebben gevraagd voor zijn vrijlating, ervan uitgaande dat het geld door de regering Rabbani zou worden verschaft. Deze weigerde evenwel te betalen. Toen in maart 1995 de posities van Hezb-i-Wahdat in West-Kabul door de troepen van Rabbani werden veroverd, vonden deze troepen in een detentiecentrum waar 1500 gevangenen werden gedetineerd acht lijken, onder wie dat van Musleh. Volgens getuigen zouden Musleh en anderen op 10 maart 1995 zijn doodgeschoten door de gewapende troepen van Hezb-i-Wahdat, Amnesty International, Afghanistan, International Responsibility for Human Rights Disaster.

Leden van Hezb-i-Wahdat worden eveneens verantwoordelijk gehouden voor de moord begin 1994 op Zaman Shoughi, een bekende Afghaanse zanger. Shoughi werd voor zijn huis getroffen door een raket die op hem was afgevuurd. Vervolgens werd zijn vrouw gearresteerd. Sedertdien is niets meer van haar vernomen. Amnesty International, Women in Afghanistan.


36 Zie over de strijd om Mazar-i-Sharif ook het algemeen ambtsbericht over de 'Situatie in Afghanistan' van 16 september 1999. Op 30 april 1999 is door de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten een VN Onderzoeksteam voor Afghanistan ingesteld. Het mandaat van het team bestond eruit de massamoorden te onderzoeken, welke zijn gepleegd in Noord- en Centraal Afghanistan in de periode van 1 januari 1997-21 december 1998. Daar geen van de strijdende partijen bereid bleek mee te werken aan het onderzoek, heeft het onderzoek weinig resultaat opgeleverd. UN, Letter dated 23 November 1999 from the Secretary-General addressed to the President of the General Assembly, (A/54/626, 23 november 1999).


37 UN, Situation of Human Rights in Afghanistan. Note by the Secretary-General, 30 september 1999.


38 Vanwege de ongestructureerde wijze waarop vele milities van Hezb-i-Wahdat opereerden, kan geen nadere informatie worden verschaft over het exacte aantal commandanten en hoge officieren. Naar schatting betreft het enkele duizenden personen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie