Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toezicht op seksuele geweldplegers na invrijheidstelling

Datum nieuwsfeit: 08-01-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Justitie
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Justitie

WODC-rapporten & EWB-rapporten

WODC
Publicaties
Rapporten

Publicatie

Toezicht op seksuele geweldplegers na invrijheidstelling/ Safe reintegration of sexual offenders

Ed. Leuw, L.L. Motiuk, met een inleiding van H.J.C. van Marle

Onderzoek en beleid, nr. 186

Bestelwijze

Volledige tekst in pdf

Inleiding

Plegers van gewelddadige zedendelicten, met name verkrachting en agressieve pedoseksuele misdrijven, brengen veel maatschappelijke onrust teweeg. Allereerst wordt eenieder geschokt door het door hen veroorzaakte leed bij het slachtoffer en diens directe omgeving, maar daarnaast ontstaan er een groeiend onbehagen en een toenemend gevoel van onveiligheid. Bij een herhalingsdelict wordt naar de justitiële autoriteiten en eerdere behandelaars gekeken: had een dergelijk ernstig misdrijf niet voorkomen kunnen worden? Is daar wel alles aan gedaan? Van elke tien zedendelicten worden vier gepleegd door personen die eerder vanwege zo'n delict bekend zijn geworden. Hoewel een klein percentage zedendelinquenten een terbeschikkingstelling krijgt opgelegd, zijn de delicten van deze groep maatgevend voor het beeld van `de zedendelinquent' omdat die het meest de aandacht trekken van de media. Van de overheid wordt ingrijpen verwacht.

Met name de Verenigde Staten van Amerika hebben model gestaan voor het vastleggen van de rechten van de burgers om tegen seksuele misdadigers te worden beschermd. De president ondertekende persoonlijk en in het licht van de camera's de wet waarin de burgerij werd gegarandeerd op de hoogte gesteld te worden wanneer een zedendelinquent zich in haar buurt zou vestigen: Megan's law, genoemd naar het slachtoffertje wier dood aanleiding werd tot de wet. De burgerij eist het recht op geïnformeerd te worden zodat zij zich kan beschermen door eventuele maatregelen daartoe te nemen. De grens tussen dit recht tot zelfbescherming en eigenrichting, in de vorm van agressie en uitstoting, komt daarbij onder druk te staan. Het openlijk aan iedereen bekendmaken van de verblijfplaats van een ex-dader, het `naming and shaming', heeft als grote nadelen dat het veel maatschappelijke onrust verspreidt en dat de ex-dader per definitie verdacht is en gestereotypeerd wordt, waardoor diens rehabilitatie wordt gefrustreerd.
Op dit moment zijn de verschillen tussen de Verenigde Staten cum Canada en ons land groot, te groot om ons onberoerd te laten. Niet alleen het recht op informatie (`notification') spreekt aan, maar ook de zeer langdurige begeleiding en controle die plegers als voorwaarden voor resocialisatie krijgen opgelegd, lijken zinvol. Maar kunnen die maatregelen zomaar worden overgebracht naar de Nederlandse situatie? Evenals bij onze buur het Verenigd Koninkrijk wordt op de notification terughoudend gereageerd in verband met de rechten van het individu: het recht op privacy en het recht op zorg. Deze Angelsaksische ontwikkelingen zijn echter niet onverenigbaar met de forensische psychiatrie in Nederland. Zo kennen wij al jarenlang de voorbereiding van het proefverlof tbs door kliniek en reclassering, waarbij justitiële instanties, het slachtoffer en overige betrokkenen - indien gewenst - op de hoogte worden gesteld. Niet alleen bestaat er in ons land het voorwaardelijke toezicht door de reclassering en kan het proefverlof zo lang duren als iemand gevaarlijk voor anderen wordt geacht, maar ook bestaat hier al langere tijd het streven naar een opgelegd toezicht na ontslag uit de tbs-kliniek. Het Nederlandse strafrecht, waarin naast het gepleegde delict `de persoon van de dader' centraal staat, behoedt tegen een gegeneraliseerde aanpak van alle plegers van een bepaald type delict door zowel juristen, beleidsmakers als behandelaars. De ene zedendelinquent is immers de andere niet. Maar is dat ook zo waar het gaat om recidivegevaar?

De Noord-Amerikaanse wetenschappelijk onderzoekers zijn van huis uit meer empirisch en onderzoektechnisch ingesteld dan de Europese, hetgeen bijna een cultureel gegeven is. Al in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn er cohortstudies gedaan naar groepen ontslagen psychiatrische patiënten, forensisch seksuologisch onderzoek bij groepen proefpersonen en delinquenten, en factoranalytische screenings van dossiers. Bekende namen daarbij zijn onder andere die van John Monahan, Hank Steadman en Chris Webster. Het vage `voorspellen van gevaar' heeft zich ontwikkeld tot risicotaxatie-instrumenten en het `management' van maatschappelijk risico van de ex-dader. `Need-assessment' heeft geleid tot een onderling vergelijkbare aanpak met behulp van `case-management', waardoor de effectiviteit van de aanpak van bepaalde risicogebieden met omschreven behandelingsmethoden valt te meten. `Validation', `monitoring', `evidence-based practice', `standardisation', dat al die Engelstalige termen ingeburgerd zijn geraakt in het Nederlandse forensische hulpverlenersjargon geeft goed aan welke waarde er wordt gehecht aan deze ontwikkelingen. Risicotaxatie, `risk-assessment', geeft daarnaast door een herhaalde afname de mogelijkheid de voortgang in de behandeling vast te leggen, waardoor zowel het voor lange tijd gedetineerd houden, alsmede het op verlof gaan van daders kunnen worden gelegitimeerd. Om dit kennisgebied voor de Nederlandse belanghebbenden te ontsluiten, zijn in deze bundel twee stukken opgenomen die het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum speciaal met dat doel heeft laten maken. Het ene stuk is geschreven door een gastschrijver, dr. L. Motiuk, hoofd van de researchafdeling van de Correctional Services in Ottawa, Canada. Hij beschrijft de huidige praktijk in Canada waarbij na terugkeer in de samenleving van `potentieel gevaarlijke' delinquenten intensief gebruik wordt gemaakt van toezicht en begeleiding die primair zijn gericht op preventie van crimineel gedrag. Over een preventieve werking van gevangenisstraf maakt men zich daar geen illusies meer. Deze `veilige terugkeer' kan echter alleen worden bereikt wanneer inzet van professionals en het systematisch gebruik van de risicotaxatie-instrumenten zijn gegarandeerd. Belangrijk is dat alle bronnen van informatie moeten worden aangeboord en dat het risicotaxatie-instrument verschillende, veranderlijke en onveranderlijke, risicokenmerken bij elkaar moet kunnen optellen.
Ed. Leuw, senior onderzoeker bij het WODC, heeft daarnaast de Engelse en Amerikaanse regelgeving betreffende de registratie en het blijvend controleren van pedoseksuele delinquenten geïnventariseerd en besproken. De voors en tegens van de publieksinformatie mogen uit de tekst blijken. Nadrukkelijk komt in dit stuk aan de orde dat er verschillende types van zedendelinquenten zijn, die qua aard en motieven van hun delicten en qua recidivegevaar sterk verschillen. Vooral waar het gaat om informatie aan derden, kunnen zij daarom niet over één kam worden geschoren. Informatievertrekking is maatwerk voor de ontvangers en voor degene over wie informatie wordt gegeven.

De recent tot stand gekomen regelingen in deze ons zo bekende landen geven het gevoel dat wij in Nederland meer kunnen doen aan recidivepreventie. Opgemerkt moet worden dat de interventies daar nog niet zijn geëvalueerd zodat hun effectiviteit niet bekend is. Evenmin is bekend hoe lang ex-daders gevolgd moeten worden wil dat succesvol zijn voor recidivepreventie. Ook moet nog worden uitgezocht of de gebruikte middelen vallen toe te passen binnen het Nederlandse civiele en strafrechtelijke wetstelsel. Een eigen risicotaxatiemodel, deels gestoeld op de bovengenoemde buitenlandse expertise, deels op eigen ervaringen in de tbs-klinieken, zal over enige tijd al wel worden toegepast. Er wordt druk gesproken over de begeleidingsmogelijkheden van ex-daders via de voorwaardelijke sancties. Gezien de grote maatschappelijke en individuele belangen is een grondige studie van de mogelijkheden en beperkingen van notification, risk-management en langdurig toezicht, ook in combinatie met elkaar, op zijn plaats. De hier gebundelde stukken geven een goed beeld van de stand van zaken elders en zijn daardoor een goede leidraad voor de verdere discussie.

WODC- informatiedesk / e-mail: (Wodcinfo@wodc.minjust.nl) Redacteur: Hans van Netburg

Laatst gewijzigd: 08-01-2001

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie