Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Landbouwraad 29 januari 2001 te Brussel

Datum nieuwsfeit: 31-01-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
IZ. 2001/182
datum
31-01-2001

onderwerp
Verslag Landbouwraad 29 januari 2001 te Brussel. doorkiesnummer

bijlagen
1

Geachte Voorzitter,

Op maandag 29 januari jl. vond in Brussel een vergadering plaats van de Europese ministers van Landbouw. BSE was het belangrijkste gespreksonderwerp op de Raad. De Raad heeft unaniem de conclusies overgenomen die als bijlage aan deze brief zijn toegevoegd. Tijdens de Landbouwraad hebben de commissarissen Byrne en Fischler een uiteenzetting gegeven over de stand van zaken in de lidstaten. Belangrijkste conclusie van de Raad is dat het besluit is genomen om de wervelkolom uit de voedselketen te verwijderen. De commissie komt daarom op korte termijn met voorstellen. Ten aanzien van de markt voor rundvlees stelde commissaris Fischler dat extra maatregelen nodig zullen zijn om weer evenwicht op de markt te realiseren. Hij zal daarom in de Raad van februari met voorstellen komen.

up

datum
31-01-2001

kenmerk
IZ. 2001/182

bijlage

De voorzitter van de landbouwraad, mevrouw Winberg, heeft een presentatie van de voornemens van het voorzitterschap gegeven. Verder is stilgestaan bij de onderwerpen bescherming van dieren tijdens vervoer en het welzijn van varkens. Een debat vond plaats over het onderwerp van het in de handel brengen van teeltmateriaal van wijnstokken. Dit agendapunt was tweemaal eerder van de agenda afgehaald.
Aanvullend is het agendapunt vereenvoudiging van regelgeving behandeld. De commissie bracht aan de Landbouwraad verslag uit. De commissie heeft een presentatie gegeven over de kwaliteitsstrategie voor olijfolie waarbij de commissie tevens het voorstel heeft gedaan de bestaande marktordening voor olijfolie met twee jaar te verlengen. Onder het punt diversen is van gedachten gewisseld over het verzoek van Oostenrijk om een totaalverbod voor antibiotica in diervoeding in te voeren.

Conform mijn toezegging aan u tijdens het algemeen overleg in de Tweede Kamer d.d.
25 januari heb ik en marge van de Landbouwraad er bij de heer Byrne voor gepleit dat de commissie op korte termijn met voorstellen komt voor een aanpassing van de zoönose richtlijn. De commissaris heeft mij toegezegd dat de commissie haar voorstel spoedig zal publiceren.

Bovine Spongiforme Encefalopathie (BSE)

Zowel tijdens de lunch als het formele deel van de vergadering is uitvoerig gesproken over BSE. De commissarissen Byrne en Fischler hebben een uitvoerige stand van zaken gegeven ten aanzien van zowel de bestrijding van BSE als de (mogelijke) gevolgen voor de rundvleesmarkt. Aan het eind van de discussie nam de Raad unaniem de in de bijlage bijgevoegde conclusies over.

Met betrekking tot de BSE-problematiek gaf commissaris Byrne een toelichting over de uitvoering van de maatregelen die tot nu toe door de lidstaten zijn genomen. Hij baseerde zich daarbij op de antwoorden op een vragenlijst van de commissie die door de lidstaten waren ingestuurd en de toelichting die daarop in het Permanent Veterinair Comité (PVC) van 16 januari door de lidstaten is gegeven.

De commissie lichtte toe hoe de aanpak van de bestrijding van BSE in de verschillende lidstaten ter hand genomen wordt. Uit het betoog van de heer Byrne viel op te maken dat de uitbreiding van de lijst met risicomaterialen waartoe besloten is, geen problemen oplevert. Ten aanzien van de introductie van het snelle-testprogramma heeft geen van de lidstaten gemeld problemen te hebben met de verplichting tot testen van zogenoemde risicodieren. Ten aanzien van het testen van dieren ouder dan 30 maanden, blijkt dat dit in een groot aantal landen tot capaciteitsproblemen leidt. Desondanks denkt een meerderheid van de lidstaten rond half februari voldoende capaciteit te hebben om alle dieren te testen.

De heer Byrne deelde mee dat sinds het van kracht worden van de maatregelen ter bestrijding van BSE, negentien nieuwe BSE-gevallen in de EU zijn ontdekt.

De commissaris vervolgde zijn betoog met het geven van een samenvatting van het advies van het Scientific Steering Committee (SSC). Dat advies zal aan het PVC ter beoordeling worden voorgelegd. Het advies van de SSC betreft: het verbod op separatorvlees van herkauwers; speciale behandeling van vet van herkauwers dat in diervoeders wordt gebruikt en het verwijderen van de wervelkolom.

Ten aanzien van de situatie op de rundvleesmarkt gaf commissaris Fischler tijdens de Raad een uitvoerige uiteenzetting. Hij stelde daarbij dat de huidige situatie ernstiger is dan was voorzien in december van het vorig jaar. Ook wat betreft de vooruitzichten schetste de commissaris een vrij somber beeld. Volgens hem moet voor het jaar 2001 rekening gehouden worden met een vermindering van de consumptie van rundvlees met zeker
10 procent. Momenteel is de daling van de consumptie in de EU 27%, waarbij Duitsland een daling van 50% meldt en Zweden en het Verenigd Koninkrijk daarentegen een lichte stijging (+3%) noteren. In Nederland is de consumptie van rundvlees gelijk gebleven.

De opkoopregeling voor ongeteste dieren ouder dan 30 maanden vindt momenteel nog slechts in enkele landen op enige schaal plaats. In totaal zijn tot nu toe rond de 57.000 dieren voor de regeling aangeboden. Frankrijk en Ierland nemen daarvan samen bijna 90% van voor hun rekening, zo meldde Fischler.
De commissie verwacht dat tot en met juni van dit jaar ongeveer 1,7 miljoen dieren zullen worden aangeboden voor het programma. Dit getal is overigens met grote onzekerheden omgeven, waarbij met name van belang is of Duitsland aan het programma zal deelnemen. Zoals u bekend, hebben Nederland en Denemarken formeel ontheffing van deelname gekregen. Dit op grond van het feit dat voldoende testcapaciteit aanwezig is om alle dieren ouder dan 30 maanden op BSE te testen. Oostenrijk en België hebben recent een verzoek bij de commissie voor ontheffing gevraagd.

Gezien de verwachte daling van de consumptie en de tot nu beperkte deelname aan de opkoopregeling, verwacht de commissie dat de onevenwichtigheden op de rundvleesmarkt nog geruime tijd zal aanhouden. De prijsdalingen die dat tot gevolg heeft, bedraagt voor (jonge) stieren en oudere koeien momenteel rond de 20%. Dit kan de komende tijd nog verder toenemen, zo verwacht Fischler, omdat de afgelopen weken het aanbod van slachtdieren fors is achtergebleven bij de normale aanvoer.

Het uit de markt nemen van rundvlees voor interventie, is geen structurele oplossing, zo betoogde hij. Het is namelijk zeer twijfelachtig of dat vlees na verloop van tijd wel door de markt kan worden opgenomen. Te meer daar in de toekomst de etiketteringseisen aan rundvlees sterk zullen toenemen. Volgens de commissaris is het daarom noodzakelijk dat nagedacht wordt over maatregelen die zich richten op het verminderen van het aanbod van rundvlees. Hij gaf aan daarvoor in de Raad van februari met meer concrete voorstellen te komen.
Enkele van de mogelijkheden daarvoor zijn het stimuleren van lagere slachtgewichten bij kalveren, het verminderen van de premierechten voor zoogkoeien en stieren en het aanscherpen van de extensiveringscriteria om in aanmerking te komen voor premies. De commissaris stelde tot slot dat de financiële mogelijkheden voor extra maatregelen in het landbouwbudget beperkt zijn.

Uit de discussie die volgde viel op te maken dat een meerderheid van de lidstaten een stevige aanpak van de commissie ten aanzien van de uitroeiing van BSE ondersteunt. Nadruk werd gelegd op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Een aantal lidstaten pleit voor harmonisatie van kosten en nationale maatregelen. Nagenoeg unaniem zijn de lidstaten van mening dat het advies van de SSC aangaande het verwijderen van de ruggengraat uit runderen opgevolgd dient te worden.

Van Nederlandse zijde heb ik ingebracht mij te kunnen vinden in de maatregelen die de SSC voorstelt. Ik heb mij aangesloten bij de meerderheid die pleit voor het verwijderen van de wervelkolom.

Ik heb ingebracht het van groot belang te vinden dat de kosten van de crisis geharmoniseerd worden. Tot op heden blijkt dat ieder land zijn eigen systeem erop na houdt. Zo worden in sommige lidstaten zowel de kosten van de testen als de kosten van het vernietigen van diermeel door de overheid vergoed terwijl in andere landen de sector de kosten voor haar rekening neemt. Nederland zit met haar beleid hier tussenin, tot 1 april 2001 neemt de overheid alle kosten voor haar rekening, daarna zal dit afgebouwd worden zodat de sector alle kosten gaat dragen. Dit niet-geharmoniseerde beleid kan al snel tot scheve concurrentie verhoudingen leiden.
Ook heb ik aandacht gevraagd voor de nationale maatregelen die sommige lidstaten nog steeds overeind houden. Ik heb hier al in de Landbouwraad van november tegen geageerd. We moeten ervoor waken dat niet een lappendeken aan regelgeving in de EU ontstaat, een eensgezinde aanpak in de EU is noodzakelijk om het vertrouwen van de consument te herstellen.
Als laatste heb ik me er sterk voor gemaakt dat derde landen die rundvlees of rundvleesproducten naar de EU willen exporteren zodanige maatregelen tegen BSE moeten nemen dat een gelijkwaardig beschermingsniveau aan de Europese consumenten geboden wordt.

Uit de conclusies van de Raad blijkt dat de commissie naar aanleiding van het wetenschappelijk advies voorstellen voor zal leggen aan het Permanent Veterinair Comité om de productie van separatorvlees van herkauwers van alle leeftijden te verbieden, extra voorwaarden te stellen aan het gebruik van vet van herkauwers in diervoeder en de verwijdering van de wervelkolom te regelen. Ik ben van mening dat dit de juiste gang van zaken is.

Met betrekking tot een harmonisatie van de financiële maatregelen worden de lidstaten opgeroepen alle nationale steun te melden die is verleend om BSE-maatregelen te treffen. Dit is een eerste, belangrijke stap richting harmonisatie. De commissie zal terzake in de eerstvolgende Raad zijn bevindingen presenteren. Ik ga ervan uit dat dan ook concrete harmonisatievoorstellen op tafel komen. Uitgangspunt van mijn beleid is en blijft dat het bedrijfsleven op zo kort mogelijke termijn zelf de kosten van de BSE-maatregelen voor zijn rekening neemt en ik zal de Commissievoorstellen ook langs die lijn beoordelen.

Met betrekking tot de nationale maatregelen zijn in de Raad helaas geen besluiten genomen.
De beoogde harmonisatie op dat vlak is uitgebleven; het ligt dan ook in de rede te veronderstellen dat de eenzijdige nationale maatregelen van diverse lidstaten vooralsnog niet zullen worden opgeheven. In dit verband is bijvoorbeeld illustratief dat recent in Duitsland de testverplichting in werking is getreden voor runderen vanaf 24 maanden en ik - ondanks de insteek van de Raad om niet tot verlaging van de testleeftijd over te gaan - geen enkele indicatie heb dat dit Duitse besluit op korte termijn ongedaan zal worden gemaakt. Voor Nederland betekent dit dat voorlopig het staande beleid terzake van in andere lidstaten eenzijdig getroffen BSE-maatregelen wordt gehandhaafd. Nog deze week zal ik in dat kader overgaan tot het - op kosten van de sector - voorschrijven van de BSE-test voor in Nederland geslachte runderen, ouder dan 24 maanden en afkomstig uit Duitsland.

Met betrekking tot de derdelandenproblematiek is het goed te constateren dat de commissie zich ten volle zal inzetten om vóór 1 april 2001 een besluit te nemen over de BSE-status van derde landen. Vanaf dat moment bestaat dan een gedegen inzicht over de reële risico's, verbonden aan import uit de verschillende landen en kan zo nodig ook gericht een communautaire aanpak worden ingesteld. Alleen langs die weg kan immers een geheel sluitend systeem worden opgezet. Niettemin moet geconstateerd worden dat - in ieder geval tot 1 april - met betrekking tot de BSE-situatie in derde landen en het bijbehorende BSE-risico onzekerheden blijven bestaan. Ik acht dat niet verantwoord.

De minister van VWS en ik hebben dan ook besloten - bij wijze van spoednotificatie - op zo kort mogelijke termijn maatregelen te melden en in werking te laten treden teneinde het derdelandengat zo veel mogelijk te dichten. Daarbij streven wij middels een verhoogde EU-inspectie in derde landen (met name ontwikkelingslanden) waarvan de BSE-status thans niet bekend is, de gevolgen van deze maatregelen zoveel mogelijk te beperken.

In reactie op het betoog van commissaris Fischler heb ik van mijn kant aangegeven dat een zekere terughoudendheid bij het nemen van maatregelen om de markt te ondersteunen, gewenst is. Dit mede vanwege de beperkte financiële ruimte in het landbouwbudget. Een voortvarende Europese aanpak van BSE is volgens mij de beste maatregel om het vertrouwen van consumenten in rundvlees te herstellen. Daarvoor is een transparant beleid vanuit de EU en de lidstaten nodig en een goede communicatie over dat beleid. Herstel van het vertrouwen in rundvlees is ook voor de producenten van het grootste belang. Alleen dan is een structurele verbetering van de prijzen mogelijk. Een grootschalige opkoop van dieren ouder dan 30 maanden voor destructie, zo heb ik betoogd, vind ik uit ethische overwegingen onjuist. Vandaar dat Nederland ook om de inmiddels verleende ontheffing voor het opkoopprogramma heeft gevraagd. Verder heb ik erop gewezen dat bij het nemen van marktmaatregelen een evenwichtige benadering voor de verschillende categorieën dieren nodig is. Tot nu toe heeft de commissie bij het nemen van maatregelen zich vooral gericht op rundvlees van oudere dieren, terwijl voor de kalfsvleessector geen enkele maatregel is genomen. Ik heb de commissie daarom in overweging gegeven te kijken naar een particuliere opslagregeling voor deze sector. Overigens bestond er tijdens de Raad weinig steun voor een dergelijke maatregel.

Tegen deze achtergrond ben ik voornemens samen met enkele EU-collega's te onderzoeken of de beschikbare middelen niet op een andere wijze ondersteunend voor de markt kunnen worden ingezet dan het op grote schaal opkopen van gezonde dieren ten behoeve van destructie.

I&R-systeem

In de Landbouwraad is aandacht gevraagd voor het I&R-systeem. Het is duidelijk dat een gedegen aanpak van de BSE-problematiek alleen dan ten volle effectief is, indien ook op het vlak van de tracering van dierbewegingen sprake is van een sluitend systeem door de hele keten. In dat verband speelt het I&R-systeem een essentiële rol. Om die reden wordt dan ook sinds enige tijd versterkt gewerkt aan vervolmaking van dat traject. Ik heb u daarover vorig jaar bericht. Voor de korte termijn is een aantal acties opgestart om zo snel mogelijk tot een aanzienlijke verbetering van de naleving van de I&R-regels te komen, acties die enerzijds betrekking hebben op verbetering van de feitelijke meldings- en registratieprocedures, en anderzijds op een aanscherping van het controle- en sanctiebeleid. Zo heb ik - in het kader van laatstbedoelde aanscherping - eind december jongstleden besloten in de sfeer van de handhaving en sanctionering de bevoegdheid aan mij te trekken om tot doding en vernietiging van niet-geïdentificeerde runderen over te gaan, bv in de situatie dat oormerken ontbreken en de identiteit van het rund door de veehouder niet alsnog binnen
2 dagen kan worden bewezen.

Dit geldt zowel op het niveau van de slachterijen, als op het niveau van de primaire bedrijven. Daarnaast zal in geval van constatering van onregelmatigheden uiteraard ook vaker strafrechtelijk worden opgetreden.
Ook is inmiddels een directe verantwoordelijkheid en plicht van de slachterijen ingevoerd om ervoor te zorgen dat alleen runderen op de slachterijen worden toegelaten waarvan
de I&R-gegevens correct zijn. Bij constatering van onregelmatigheden kan uiteindelijk besloten worden tot stillegging van het productieproces binnen de slachterij.
Vanuit de RVV en de AID zal een gericht controle- en toezichtsspoor worden ingezet op de hierboven bedoelde aanscherpingen.

Momenteel zijn alle houders van dieren verplicht binnen drie dagen melding te maken van de aanvoer, respectievelijk afvoer van dieren. Gebleken is dat deze driedagentermijn in de praktijk met name bij veehandelaren tot de misvatting heeft geleid dat melding niet nodig is indien deze een rund korter dan drie dagen gehouden heeft. Dit leidt ertoe dat, in situaties waarin diverse bewegingen elkaar in een korte periode snel opvolgen, onduidelijkheden bestaan omtrent de verblijfplaats van het betrokken rund. Dat is ongewenst. Ik ben dan ook voornemens betrokken organisaties uitdrukkelijk te wijzen op hun plicht in alle gevallen waarin sprake is van aan- en afvoer van runderen deze te melden en deze meldplicht onverkort te handhaven. Daarnaast zal ik waar mogelijk op korte termijn de meldperiode zoveel mogelijk verkorten.

Ten slotte zal - als sluitstuk van de keten - zeer binnenkort ook de verplichting in werking treden dat kadavers uitsluitend mogen worden opgehaald indien deze zijn voorzien van tenminste één oormerk. In het streven het aantal zwevende runderen zoveel mogelijk te beperken is het immers essentieel ook dit potentiële gat in de levensloop van een rund te dichten.

Presentatie van het programma van het Zweeds voorzitterschap

De Zweedse minister lichtte toe dat het Zweedse voorzitterschap in het teken staat van drie hoofdthema's: uitbreiding, werkgelegenheid en milieu. Deze worden kortweg de 3 E's genoemd (Enlargement, Employment en Environment).

De hoogste prioriteit voor het Zweedse voorzitterschap is de uitbreiding, zo betoogde de voorzitter. Middels het ondersteunen van de hervormingsprocessen in Centraal- en Oost-
Europa wil Zweden verder bijdrage aan vrede en veiligheid in Europa.

Mevrouw Winberg legde uit dat het Zweedse voorzitterschap groot belang hecht aan de verdere hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB). Om de doelstelling weergegeven in Agenda 2000 te bereiken is Zweden voornemens om tijdens haar voorzitterschap, verder gestalte te geven aan de hervorming van de marktordening olijven en schapen- en geitenvlees. Aanvullend zal Zweden prioriteit geven aan het integreren van milieubeleid in het landbouw- en visserijbeleid. Concrete voorstellen zijn hiervoor nog niet gedaan.

Het voorzitterschap zal verder aandacht besteden aan het intensiveren van internationale samenwerking. Doel is te komen tot de realisatie van een economisch, ecologisch en sociaal aanvaardbare duurzame bosbouw, zo vervolgde mevrouw Winberg haar betoog. Samenwerking binnen het kader van het bossenbeleid van de EU zal verder gestimuleerd worden. Meer belang dient er gehecht te worden aan bosbouw als leverancier van duurzame grondstoffen en goederen. Daarnaast zal Zweden enkele conferenties organiseren over de toekomst van de landbouw en het landbouwbeleid. Daarbij wordt onder andere aandacht besteed aan de ethische aspecten van landbouw in het bijzonder dierhouderij.

Dierenwelzijn tijdens transport

De heer Byrne heeft een toelichting gegeven op het Rapport dat op 19 december 2000 door de commissie is aangenomen. Het rapport gaat in op de implementatie van bestaande EG-regelgeving inzake de bescherming van dieren tijdens vervoer. Het geeft een analyse van de Communautaire wetgeving in de periode 1997/1998. De commissaris is van mening dat de vele problemen die in het rapport besproken worden schadelijk zijn voor het imago van de sector. Uit het rapport blijkt dat lidstaten niet voldoende prioriteit hechten aan de tenuitvoerlegging van de regelgeving. Dit geldt zeer zeker voor het vervoer van slachtpaarden in met name de zuidelijke lidstaten. Om reden van de vele tekortkomingen, is de commissaris van mening dat een aantal technische aanpassingen van de richtlijn noodzakelijk is. Deze aanpassing zullen betrekking hebben op:
1. de maximale rijtijden;
2. normen voor beladingsdichtheid;
3. harmonisatie van de verschillende nationale regelgevingen; 4. betere controle op de tenuitvoerlegging van regelgeving.

De heer Byrne heeft medegedeeld dat de commissie nog in de eerste helft van 2001 een voorstel terzake zal presenteren. Naast bovengenoemde aanpassingen zal hierbij ook aandacht besteed worden aan de aspecten:
1. ventilatie;
2. verbetering van routeplanning;
3. definities van wanneer dieren wel en in welke omstandigheden dieren niet vervoerd mogen worden.

Een grote meerderheid van de lidstaten steunde de intentie van de commissie om met verbeterde voorstellen te komen. Aandacht dient hierbij uit te gaan naar transporten over lange afstand. Deze dienen op termijn beperkt te worden. Een aantal lidstaten legde in hun betoog nadruk op het feit dat ook de economische belangen en de concurrentieverhoudingen niet uit het oog verloren mogen worden.

Van Nederlandse zijde heb ik betoogd dat we er alles aan moeten doen om de situatie te verbeteren. Nederland steunt de maatregelen die de commissie heeft aangekondigd om op korte termijn de zaak te verbeteren.

In combinatie met harmonisatie van regelgeving op Europees niveau kan dit de samenwerking tussen lidstaten bij de handhaving sterk verbeteren. Ik heb de vraag naar voren gebracht of we - op langere termijn - wel door moeten gaan met het vervoeren van dieren over grote afstanden. Ik heb de suggestie gedaan om op een van de conferenties onder het Zweeds voorzitterschap over 'ethiek en dierhouderij' daar bij stil te staan. Daarnaast ben ik ingegaan op onze internationale geloofwaardigheid. De EU heeft in WTO-verband een hard punt gemaakt van dierenwelzijn. Wij willen onze normen niet laten verwateren door importen uit landen met veel lagere standaards ten aanzien van dierenwelzijn. Ik heb betoogd dat het voor derde landen dan wel duidelijk moet zijn dat we ons beleid ook naleven. Anders wordt onze oproep in de WTO niet veel meer dan een holle kreet.

De voorzitter deelde de mening van de lidstaten dat vervoer van dieren van groot belang is. Het is een politieke kwestie. Het wordt maatschappelijk niet langer geaccepteerd dat het vervoer niet in orde is. De Zweedse minister nodigde de commissie uit om nog tijdens het Zweeds voorzitterschap met voorstellen te komen.

Welzijn varkens

De commissaris heeft een korte uiteenzetting gegeven van het rapport dat het Wetenschappelijk Veterinaire Comité in 1997 al heeft uitgebracht. Daaruit blijkt dat in de EU 65% van alle zeugen individueel gehuisvest worden en van die 65% wordt 62% aangebonden. Kortom, zo vervolgde de heer Byrne, een groot aantal zeugen beschikt niet over enige bewegingsvrijheid. In het voorstel zal opgenomen worden dat, uitgezonderd van de periode rond werpen, zeugen niet meer individueel gehuisvest mogen worden. Daarnaast zullen in het voorstel normen opgenomen worden aangaande oppervlakte-eisen voor zeugen en gelten. De commissaris is zich ervan bewust dat nieuwe maatregelen, investeringen vergen die veel geld kosten. Echter de commissie is tot de conclusie gekomen dat die investeringen de moeite waard zijn. Om die reden is gekozen voor een gestaffelde invoering zodat producenten niet ineens met een grote financieringslast geconfronteerd worden.

Uit het debat dat volgde bleek dat een groot aantal lidstaten de commissie steunt om te komen tot verbetering van het welzijn van varkens. Een vijftal lidstaten, waaronder Nederland, hebben reeds hoge welzijnseisen voor het houden van varkens.

Van Nederlandse zijde heb ik betoogd dat de intensieve veehouderij van de toekomst haar legitimatie ontleend aan hoge eisen voor dierenwelzijn. De invoeringstermijn van twaalf jaar die de commissie voorstaat vind ik wel erg lang. Ik heb mijn steun uitgesproken voor de concrete voorstellen van de commissie. Afsluitend heb ik het verzoek gedaan het onverdoofd castreren van biggen via communautaire regelgeving te verbieden. Dit laatste punt werd ondersteund door mijn nieuwe Duitse collega.

In antwoord op de kritiek op de lange invoeringstermijn deelde de heer Byrne mee dat de commissie het verzoek tot verkorting van die termijn in overweging zal nemen.

Het in de handel brengen van teeltmateriaal voor wijnstokken

De voorzitter gaf aan dat dit onderwerp reeds tweemaal eerder op de agenda van de Landbouwraad heeft gestaan.

De Italiaanse minister stelde grote problemen te hebben met het toestaan van de productie en marketing van wijn afkomstig van genetisch gemodificeerde (GMO) wijnstokken in deze richtlijn. De Italianen zijn van mening dat niet voldoende onderzoek is uitgevoerd naar de risico's van het gebruik van GMO-wijnstokken. Het risico van kruisbestuiving is aanwezig en er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de effecten op de bodem, zo betoogde de Italiaanse minister. De Italiaanse minister gaf aan in te kunnen stemmen met de richtlijn als die passage aangaande GMO's zou komen te vervallen.

Uit de discussie die volgde, bleek dat een aantal lidstaten begrip had voor het standpunt van Italië.

De commissie is van mening dat er bij het opstellen van de richtlijn een gedegen risicobeoordeling heeft plaatsgevonden. Die beoordeling vindt ook plaats bij een vergunningaanvraag. De richtlijn is door het Europees Parlement in eerste lezing besproken. Een aantal amendementen is verwerkt in de richtlijn, zo gaf de heer Byrne aan. De commissaris is van mening dat de richtlijn voldoende garanties beidt.

Naar aanleiding van de discussie heeft de voorzitter geconcludeerd dat er geen gekwalificeerde meerderheid voor het voorstel van de commissie is. Om die reden zal het voorstel wederom besproken worden op Raadswerkgroepniveau alvorens het weer voor besluitvorming in de Landbouwraad wordt voorgelegd.

Vereenvoudiging van de directe steunverlening aan kleine landbouwers

De heer Fischler heeft uiteengezet op welke wijze de wens tot vereenvoudigingsvoorstellen in het kader van het Gemeenschappelijk LandbouwBeleid (GLB) tot stand is gekomen. Ten tijde van de hervormingen van het GLB is op grote schaal rechtstreeks steunverlening aan boeren ingevoerd om de verlaging van de prijssteun te compenseren. Bij Agenda 2000 is deze ontwikkeling doorgezet. Dit systeem betekende echter dat landbouwers, de nationale ambtelijke apparaten en de commissie met veel administratieve rompslomp werden geconfronteerd. Hoewel de meeste landbouwers rechtstreekse steun ontvangen, krijgen velen slechts zeer kleine bedragen. Tot op heden wordt geen onderscheid gemaakt tussen landbouwers die kleine bedragen aan steun ontvangen en landbouwers die grote bedragen krijgen. Om de administratieve last van de drie betrokken partijen te verminderen heeft de commissie het vereenvoudigingsvoorstel voor kleine landbouwers gepresenteerd, zo gaf de commissaris aan. Deze regeling geldt voor een proefperiode. Het voorstel strekt ertoe een vereenvoudigd systeem voor de betaling van inkomenssteun in te voeren gedurende een proefperiode welke loopt van 2002 tot en met 2005. In deze periode ontvangen de producenten één alomvattende betaling per jaar, waarin de steunbedragen zijn begrepen van de akkerbouwregeling en de dierlijke premieregelingen.
Deze betaling is gebaseerd op het bedrag dat de producent gedurende de referentieperiode, de voorgaande drie jaren, heeft ontvangen met een maximum van 1000 Euro.
Deze regeling heeft een facultatief karakter, zowel voor de lidstaten als voor de producenten. Eén van de voorwaarden om aan deze regeling deel te mogen nemen is de verplichting de gronden in een landbouwkundig goede staat te houden. Er bestaat echter geen verplichting om te produceren. Volgens de commissie past de regeling binnen de voorwaarden van de groene box van de WTO.

De voorzitter lichtte toe dat het Raadsecretariaat een drietal vragen aan de lidstaten heeft toegestuurd om het debat te structureren. Omwille van de tijd verzocht mevrouw Winberg de antwoorden op die vragen schriftelijk in te dienen. De discussie zal op een later tijdstip worden voortgezet.

Nederland steunt het voorstel. Het zal een bijdrage leveren aan verdere administratieve lastenverlichting. In Nederland zullen tussen de 20% en 25% van de landbouwers van de regeling gebruik kunnen maken.

Kwaliteitsstrategie voor olijfolie

De heer Fischler heeft een presentatie van het Commissierapport over de verbetering van de kwaliteitsstrategie voor olijfolie gegeven. Reeds in 1998 was duidelijk dat de gemeenschappelijke marktordening (GMO) een aantal technische tekortkomingen vertoonde. Deze problemen houden in meer of mindere mate verband met de valorisatie en kwaliteit van olijfolie. Dit rapport dient mede als basis voor de fundamentele hervorming voor de marktordening olijfolie die nu nog niet zal plaatsvinden, zo gaf de commissaris aan. Deze definitieve hervorming is uitgesteld bij gebrek aan informatie van voldoende kwaliteit. Het gaat daarbij vooral om informatie over de totale productie en het aantal bomen (via een geografisch informatiesysteem).

De kwaliteit van olijfolie kan positief worden beïnvloed indien verplichte indeling en etiketteringsregels voor productie en afzet worden verbeterd. Dit betekent dat ook de controle en de organisatie van de sector aangepast moeten worden. De problemen met de kwaliteit en de valorisatie van olijfolie zijn thematisch in vier groepen in te delen:
1. de huidige indeling in categorieën beantwoordt niet meer aan de situatie in de markt;
2. de huidige etiketteringsregels zijn onvoldoende nauwkeurig. Dit leidt tot verwarring bij de consument;
3. de controle op fraude is onvoldoende;
4. de organisatie van de kwaliteitsverbetering, van de oorsprongstracering en van de certificering functioneert zeer gebrekkig.

Een ander belangrijk aspect uit het onderzoek is de controle op de oorsprong van olijven. Dit is van belang, enerzijds voor controle op uit te keren steunbedragen, anderzijds voor de geografische naam onder welke de daaruit verwerkte olijfolie vermarkt mag worden. Hierbij spitst de discussie zich toe op benaming naar oorsprong van olijfproductie of benaming naar verwerkingsplaats van olijven in olijfolie.

De voorzitter stelde voor om de voorstellen op technisch niveau verder te bespreken.

Diversen

Totaal verbod op antibiotica in diervoeding (verzoek Oostenrijk)

De Oostenrijkse minister van Landbouw, de heer Molterer, lichtte toe dat dit voorstel ingegeven is vanuit het oogpunt van voedselveiligheid en het risico op antibioticaresistentie. Oostenrijk wil voorkomen dat door kruisresistentie afbreuk wordt gedaan aan de werking van bepaalde humane geneesmiddelen. Daarom stelt Oostenrijk voor om de richtlijn inzake de toevoegingsmiddelen in diervoeding aan te passen. Onderzoek van het Wetenschappelijk Comité toont aan dat een verbod op deze middelen gerechtvaardigd is. De Oostenrijks minister riep de commissie op deze bevindingen aan de Raad voor te leggen. Tevens is in het Witboek Voedselveiligheid aangegeven dat een verbod op antibiotica nagestreefd wordt, zo besloot de Oostenrijkse minister zijn betoog.

Uit debat dat volgde, bleek dat er een brede steun bestaat voor het voorstel.

Ook ik heb mijn steun betuigd. Nederland streeft sinds 1998 naar een dergelijk verbod. Ik heb eraan toegevoegd dat het verbod ook van toepassing dient te zijn op producten die worden geëxporteerd naar derde landen.

De heer Byrne onderstreepte dat het inderdaad van het grootste belang is dat antibiotica-resistentie wordt voorkomen. De commissaris wees erop dat al een aantal typen antibiotica verboden is. De heer Byrne deelde mee dat de commissie op korte termijn met voorstellen zal komen. Hij wees er echter wel op dat hij de reactie van Oostenrijk om dit verzoek in te dienen niet geheel de juiste vindt. Lidstaten hebben zelf een grote verantwoordelijkheid als het aankomt op controle van niet-toegelaten middelen en het voorlichten van de veehouders op de risico's van gebruik daarvan.

De voorzitter stelde dat het Witboek Voedselveiligheid ook mogelijkheden biedt om een verbod van antibiotica na te streven. Met belangstelling wordt uitgekeken naar de voorstellen van de commissie.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst

up

datum

kenmerk

bijlage

30.1.01 - 1.00 uur

BSE
Conclusies van de Raad

1. Onder verwijzing naar de conclusies die hij op 4 december 2000 heeft aangenomen, benadrukt de Raad dat, om het vertrouwen van de consument in de rundvleessector te vergroten, de uitroeiing van BSE voortgezet moet worden met communautaire maatregelen die gebaseerd zijn op de meest recente wetenschappelijke gegevens, en dat daarbij onderzoeksprogramma's gestimuleerd moeten worden. 2. De Raad benadrukt dat er, om het vertrouwen van de consument te herwinnen, ook een coherente langetermijnaanpak voor de BSE-problematiek nodig is, en erkent in deze context het belang van de verordeningen inzake TSE en dierlijke bijproducten die nog aangenomen moeten worden.
3. De Raad neemt nota van het werk dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verricht hebben om de meeste recente besluiten van Raad en Commissie uit te voeren, en verzoekt de Commissie om de uitvoering van die besluiten goed te controleren, en neemt nota van het verzoek van de Commissie aan de lidstaten om maandelijks verslag uit te brengen over de implementatie van de communautaire maatregelen.
4. De Raad heeft nota genomen van het wetenschappelijk advies dat op 4 december 2000 in de Landbouwraad is uitgebracht en van het voornemen van de Commissie om het Permanent Veterinair Comité voorstellen voor te leggen om met name
+ de productie van separatorvlees van herkauwers van alle leeftijden te verbieden,
+ een verplichte warmtebehandeling in te voeren voor gesmolten vet van herkauwers dat in diervoeders gebruikt wordt, en alleen vet van diverse vetweefsels in melkvervangers voor herkauwers toe te staan. De Commissie zal ook de nodige controlemaatregelen bestuderen die nodig zijn om die regels uit te voeren, alsmede de noodzaak om gelijkwaardige garanties in te voeren met betrekking tot voor menselijke consumptie bestemde vetten. Er zal een op wetenschappelijke gegevens en controles gebaseerde evaluatie plaatsvinden om na te gaan of vet in alle diervoeders verboden moet worden. Deze maatregelen dienen ter ondersteuning van het nodige communautaire raamwerk voor de bestrijding van BSE, en moeten het vertrouwen van de consument helpen herwinnen. 5. De Raad bevestigt dat de leeftijd van 30 maanden gehandhaafd moet worden voor de snelle BSE-test, maar neemt nota van het voornemen van de Commissie om, indien dat nodig mocht zijn, de leeftijdslimiet voor de snelle test te herzien op basis van de resultaten van de testprogramma's en nieuw wetenschappelijk onderzoek.
6. In het licht van het advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep van 12 januari 2001 besluit de Raad dat de wervelkolom uit het dier verwijderd moet worden, en steunt hij het voornemen van de Commissie om in de volgende vergadering van het Permanent Veterinair Comité ontwerp-maatregelen voor te leggen, met inbegrip van technische uitvoeringsbepalingen. De Commissie zal nagaan of er voor lidstaten met een lage BSE-incidentie uitzonderingen mogelijk zijn.
7. De Raad wijst andermaal op de noodzaak om het huidige voorlopige verbod op vleesbeendermeel opnieuw te bezien zodat de situatie vóór eind juni volledig geëvalueerd kan worden. Bij die evaluatie zal ook rekening gehouden worden met de vooruitgang die geboekt is in verband met de ontwerp-verordeningen betreffende TSE en dierlijke bijproducten.
8. De Commissie herinnert de lidstaten eraan dat er geen uitzondering is op de verplichting om alle nieuwe regelingen voor overheidssteun en alle nieuwe afzonderlijke gevallen van overheidssteun aan de Commissie te melden voordat zij worden uitgevoerd (artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag en Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad). De Raad verzoekt de lidstaten derhalve om alle nationale steun te melden die verleend is om BSE-maatregelen te treffen in overeenstemming met de EG-wetgeving, zodat de Commissie in de komende zitting van de Landbouwraad verslag kan uitbrengen, en de goede werking van de interne markt gewaarborgd wordt.
9. De Raad neemt er nota van dat de Commissie van plan is vóór 1 april 2001 een besluit te nemen over de BSE-status van derde landen in verband met de invoer in de EU van vlees en vleesproducten, zodat de volksgezondheid beschermd wordt en concurrentieverstoring voorkomen wordt.
10. De Raad neemt nota van het verzoek van de Commissie aan de lidstaten om de 'aankoop voor destructie'-regeling doeltreffend uit te voeren, in overeenstemming met de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 2777/2000. De Commissie zal de regeling bestuderen.
11. De Raad verheugt zich over het voornemen van de Commissie om, binnen de financieringsvooruitzichten van Berlijn, vóór de volgende zitting van de Landbouwraad een pakket maatregelen voor te stellen om de problemen in verband met de onevenwichtige rundvleesmarkt in de EU op de korte en de lange termijn aan te pakken, en de kwaliteit te verbeteren. De Raad zal die maatregelen met de hoogste urgentie behandelen.



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie