Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

SER Advies nr. 01/04 : Arbeidsmobiliteit in de EU

Datum nieuwsfeit: 16-02-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Sociaal-Economische Raad
Zoek soortgelijke berichten

Sociaal-Economische Raad

Advies nr. 01/04 : Arbeidsmobiliteit in de EU

16 februari 2001 -

De arbeidsmobiliteit tussen de huidige lidstaten van de Europese Unie (EU) is gering. De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren het initiatief genomen de arbeidsmobiliteit tussen de lidstaten te bevorderen. Hiertoe moeten de resterende belemmeringen voor grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit worden weggenomen. Dit initiatief wordt door de Nederlandse regering ondersteund. In deze context heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de SER advies gevraagd over:
de bijdrage die arbeidsmobiliteit kan leveren aan de werking van de Europese arbeidsmarkten;
de factoren die arbeidsmobiliteit belemmeren, en hoe deze belemmeringen het beste kunnen worden weggeruimd; arbeidsmobiliteit in relatie tot nieuwe toetredende lidstaten.
Status document = publicatie

Advies (in PDF) Samenvatting (in PDF)
1. Inleiding (in PDF)
2. Analysekader (in PDF)
3. Arbeidsmobiliteit en de werking van de arbeidsmarkt (in PDF) 4. EU-regelgeving en de resterende belemmeringen voor arbeidsmobiliteit (in PDF)
5. De mogelijkheid om elders te werken (in PDF) 6. Arbeidsmobiliteit en sociale zekerheid (in PDF) 7. Arbeidsmobiliteit en uitbreiding van de EU (in PDF) 8. Conclusies en aanbevelingen (in PDF)

Bijlagen
1. Adviesaanvraag en achtergrondnotitie
2. Advies Stichting van de Arbeid inzake de uitvoering van Richtlijn 96/71/EG (detacheringsrichtlijn)
3. Samenstelling Commissie Internationale Sociaal-Economische Aangelegenheden en de ad hoc sub-commissie Arbeidsmobiliteit in de EU

Samenvatting Advies nr. 01/04 : Arbeidsmobiliteit in de EU

Inleiding
De arbeidsmobiliteit tussen de huidige lidstate va de Europese Unie (EU) is gering. De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren het initiatief genomen de arbeidsmobiliteit tussen de lidstaten te bevorderen .Hiertoe moeten de resterende belemmeringen voor grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit worden weggenomen. Dit initiatief wordt door de Nederlandse regering ondersteund. In deze context heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de SER advies gevraagd over:
de bijdrage die arbeidsmobiliteit ka leveren aan de werking van de Europese arbeidsmarkten;
de factoren die arbeidsmobiliteit belemmeren, en hoe deze belemmeringen het beste kunnen worde weggeruimd; arbeidsmobiliteit in relatie tot nieuwe toetrede de lidstaten.
De visie van de raad
De raad vindt dat de arbeidsmobiliteit in de EU moet worden bevorderd en dat belemmeringen voor arbeidsmobiliteit zoveel mogelijk dienen te verdwijnen. Een grotere mobiliteit van arbeid draagt bij aan een betere werking van de arbeidsmarkt en daarmee aan een betere concurrentiepositie voor het Nederlandse en Europese bedrijfsleven. Het wegnemen van belemmeringen voor arbeidsmobiliteit is daarnaast belangrijk voor het effectueren van het recht op vrij verkeer binnen de EU.

De raad constateert een aantal mancos in de bestaande Europese regelgeving te aanzien van het vrij verkeer van werknemers en de uitvoering daarvan, die arbeidsmobiliteit belemmeren. Deze mancos liggen op het vlak van de verblijfsrechten voor werknemers met een kortdurend arbeidscontract en voor werkzoekende, de uitsluiting van derdelanders aan het vrij verkeer van werknemers, de toegang tot beroepen door diploma-erkenning en -waardering, de informatievoorziening over de vraag en het aanbod van arbeid in de EU, en ten slotte de afstemming van aanvullende pensioenregelingen in Europa. De raad doet voorstellen om elk van deze mancos op te vullen .Deze voorstellen zullen later uitvoeriger besproken worden.

De raad vindt het niet nodig in de toetredingsonderhandelingen vanuit de huidige lidstaten lange overgangsperioden voor de liberalisatie van het vrij verkeer van werknemers te eisen .Met de toekomstige vrijmaking van het werknemersverkeer uit Midden- en Oost-Europa zouden nu al ervaringen kunnen worden opgedaan door arbeidsaanbod uit deze landen in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen te beschouwen als prioriteitsgenietend arbeidsaanbod uit niet-EU landen.

Uitgangspunten van de raad
Bij de beantwoording van de adviesaanvraag is de raad uitgegaan van twee uitgangspunten :
1. De raad steunt het streven naar bevordering van de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit in de EU door het wegruime van resterende belemmeringen. Hiervoor geeft de raad twee motieven die hij gelijkwaardig acht:
effectuering van het recht op vrij verkeer en de meer efficiënte allocatie van arbeid die door arbeidsmobiliteit te bereiken is.

2. Bevordering van de arbeidsmobiliteit is echter geen doel op zich maar een middel om tot meer welvaart te komen. Dit impliceert dat bij het wegnemen van belemmeringen een afweging gemaakt moet worde tussen enerzijds het recht op vrij verkeer en de economische voordele die dit met zich meebrengt en anderzijds mogelijke negatieve welvaartseffecten die door het wegnemen van belemmeringen kunnen ontstaan. Bij dit laatste valt met name te denken aan ongewenste vormen van migratie als socialezekerheidstoerisme en fiscaal geïnduceerde pensioenvlucht.

Arbeidsmobiliteit en de werking van de arbeidsmarkt

Het kabinet vraagt aan de SER in hoeverre het mogelijk is de werking van de Europese arbeidsmarkt(en) en van de EMU te verbeteren door het bevorderen van arbeidsmobiliteit in de EU. Voor de beantwoording van deze vraag worden in het advies twee aspecten van de werking van de arbeidsmarkt onderscheiden: de aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en de opvang van schokken .Arbeidsmobiliteit in brede zin (tussen banen, tussen beroepen, en in geografische zin) is essentieel voor een goede aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Ook geografische mobiliteit kan een bijdrage leveren aan een goede aansluiting van vraag en aanbod. Bij het opvangen van schokken kan arbeidsmobiliteit vooral een bijdrage leveren aan het opvangen van langdurige schokken op de regionale arbeidsmarkt zoals de sluiting van kolenmijnen. Vanwege de kosten die geografische mobiliteit met zich meebrengt is arbeidsmobiliteit echter minder geschikt als instrument voor het opvangen van tijdelijke schokken. De raad relativeert daarom het belang van arbeidsmobiliteit als vervanging van het monetaire beleidsinstrumentarium waarmee voorheen tijdelijke schokken konden worden opgevange in de afzonderlijke lidstaten. Nu de lidstate in de EMU afzonderlijk het monetaire beleidsinstrumentarium niet meer ter beschikking hebben, moet dus gezocht worden naar andere instrumenten .Hierbij komt als eerste flexibiliteit in de loonvorming in aanmerking.

Het specifieke belang van arbeidsmobiliteit voor de werking van de EMU ziet de raad met name bij de verdieping va de Europese integratie op de goederen- en kapitaalmarkt. Deze verdieping die door de introductie van de euro een impuls krijgt, leidt ertoe dat bepaalde vormen van grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit zulle toenemen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de grotere mobiliteit op de interne arbeidsmarkt als gevolg va de vorming van Europese bedrijven.

Potentiële en feitelijke arbeidsmobiliteit
Het weg nemen van belemmeringen dat de potentiële mobiliteit verhoogt garandeert nog geen toename van de feitelijke mobiliteit. De feitelijke mobiliteit wordt immers aast de belemmeringen tevens bepaald door mobiliteitskosten en -prikkels. In het algemeen zijn de prikkels in de vorm van inkomensverschillen tussen de huidige lidstaten met uitzondering van Spanje, Portugal en Griekenland niet zo groot.
Naast inkomensverschillen kunnen ook werkloosheidsverschillen mensen prikkelen te migreren. Geconstateerd moet echter worden dat de mobiliteitsstromen in de EU nauwelijks gevoelig zij voor werkloosheidsverschillen.
Voor de laaggeschoolden die vaak het meest door werkloosheid getroffen worden en minder goede vooruitzichten hebben, zijn de mobiliteitskosten naar verhouding hoog. Voor hooggeschoolden wegen de mobiliteitskosten minder zwaar. De prikkel voor hooggeschoolde om in een andere lidstaat te werken is echter minder groot vanwege de aantrekkende vraag naar hooggeschoolde arbeid in alle lidstaten. Voor een deel hebben de lidstate dezelfde knelpunten op de arbeidsmarkt. Dit beperkt de mogelijkheden om door grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit tot een betere allocatie van arbeid te komen. Wat het opvullen van vacatures op de Nederlandse arbeidsmarkt betreft mag dus niet te veel verwacht worden van de bijdrage die grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit uit de huidige EU-lidstaten kan leveren. Zeker waar het de onderkant van de arbeidsmarkt betreft ligt activering van de binnenlandse arbeidsmarkt meer voor de hand. In het SER-advies Sociaal-Economisch Beleid 2000-2004 is hiervoor een aantal voorstellen gedaan.

De raad verwacht op grond van de inkomensverschillen tussen de huidige EU-lidstaten en de kandidaat-lidstaten dat de vrijmaking va het werknemersverkeer na toetreding van de kandidaat-lidstaten uit Midden-en Oost- Europa tot migratiestromen van Oost naar West zal leiden. De arbeidsmigratie uit Midden -en Oost-Europa kan behulpzaam zijn in het oplossen van vacatureknelpunten in bijvoorbeeld technische beroepen of bij seizoensarbeid. Om hiermee ervaring op te doen pleit de raad ervoor nu al in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen, aanbod uit Midden- en Oost-Europa te beschouwen als prioriteitsgenietend arbeidsaanbod uit niet-EU-landen.

Belemmeringen voor mobiliteit
Dit advies concentreert zich op mancos in bestaande EU-regelgeving en de kwaliteit van uitvoering. De motivatie hiervoor is dat het advies zich toespitst op belemmeringen die specifiek voor grensoverschrijdende migratie in de EU gelden en op belemmeringen die in principe door beleidsmatig ingrijpen weggeruimd kunnen worden .

Voor de bestaande Europese regelgeving op het gebied van de verblijfsrechten, toegang tot beroepen, informatie-uitwisseling en sociale zekerheid, is voor het opsporen van resterende belemmeringen de reikwijdte va de regelgeving en het functioneren daarvan nagegaan. Het advies concentreert zich op hoofdlijnen en pretendeert daarom niet alle mancos tot in detail te inventariseren. Verder concentreert het zich vooral op werknemers en is de specifieke problematiek van de grensarbeid buiten beschouwing gelaten.

De mancos in de Europese regelgeving en uitvoering

De raad constateert op genoemde terreinen een aantal mancos in de Europese regelgeving en de uitvoering ervan. Deze worden in de tabel op pagina 11 opgesomd.

Belemmeringen voor socialezekerheidstoerisme en fiscaal geïnduceerde pensioenmigratie beschouwt de raad in principe als wenselijk. Wel is daarbij de vraag aan de orde of de maatregelen die bovengenoemde vormen van migratie tegenhouden niet tevens belemmeringen vormen voor maatschappelijk gewenste arbeidsmobiliteit. Wanneer dit inderdaad het geval is, moet verder bezien worden hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen zonder dat dit leidt tot bovengenoemde ongewenste vormen van migratie. Deze vragen spelen met name met betrekking tot afstemming van aanvullende pensioenen.

Verblijfsrechten werkzoekenden en werknemers met kortdurende contracten
De raad is van mening dat er lacunes bestaan in de Europese en nationale regelgeving met betrekking tot werkzoekende en werknemers met een kortlopend arbeidscontract uit andere lidstaten. Deze lacunes hebben hun doorwerking in de nationale rechtspraktijk en leiden ertoe dat werkzoekenden en uitzendkrachten belemmerd worden in het zoeken en aanvaarde van werk in andere lidstaten. De raad beveelt het kabinet aan voor het opvullen van deze lacunes op Europees vlak initiatieven te ondernemen. Te denken valt daarbij aan introductie van een verblijfskaart die toegang geeft tot arbeid en die aan EU-burgers op vertoon van een geldig paspoort automatisch wordt uitgereikt. Deze verblijfskaart die naast de reeds bestaande verblijfskaart met de duur voor vijf jaar zou komen vervalt als aanspraak wordt gemaakt op de publieke kas of bij verstoring van de openbare orde.

Belemmeringen voor arbeidsmobiliteit

Beleidsterrein Voornaamste belemmeringen

Verblijfsrechten Lacunes in de regelgeving met betrekking tot werkzoekenden en uitzendkrachten. Hierdoor ontstaan ook problemen in de uitvoeringspraktijk met betrekking tot de verblijfsrechten van deze groepen. Dit bemoeilijkt het vinden van een baan in een andere lidstaat

Uitsluiting van derdelanders aan vrij verkeer van werknemers

Toegang tot beroepen Restrictieve toegang in bepaalde lidstaten tot beroepen in de publieke sector

Onvoldoende diploma-erkenning in beroepsonderwijs en opleidingen

Informatievoorziening over de vraag respectievelijk het aanbod in andere lidstaten Beperkt gebruik van de Europese vacaturebank

Wettelijke sociale zekerheid Uitsluiting van derdelanders van verordening 1408/71

Aanvullende pensioenen Risico pensioenbreuk en onvoldoende pensioenopbouw door:
lange wacht- en verwervingsperioden in sommige lidstaten en lage dekkingsgraad aanvullende pensioenen;
onmogelijkheid internationale waardeoverdracht;
ontbreken van grensoverschrijdende pensioenfondsen;
fiscale drempels voor waardeoverdracht en deelname aan grensoverschrijdende pensioenen

Daarnaast vindt de raad het gewenst dat er maatregelen genomen worden om belemmeringen in de Nederlandse uitvoeringspraktijk weg te nemen die de mobiliteit van EU-werknemers en werkzoekenden beperkt. Te denken valt hierbij aan:
betere voorlichting aar werkgevers, uitzendbureaus en arbeidsbureaus over de rechten en plichten van EU-onderdanen; stroomlijning van de uitvoeringspraktijk door heldere richtlijnen en goede opleiding van de desbetreffende uitvoerende ambtenaren;
introductie bij de vreemdelinge dienst van een apart loket voor EU-burgers.
Uitbreiding recht op vrij verkeer derdelanders / uitbreiding verordening 1408/71 naar derdelanders
De raad acht het iet gerechtvaardigd dat derdelanders van het vrij verkeer van werknemers zijn uitgesloten .Duurzaam legaal verblijvende derdelanders zouden dezelfde rechten moeten krijgen als EU-werknemers. Hierbij kan aangesloten worden bij eerdere door de Commissie, mede op basis van Nederlandse experts, ontwikkelde voorstellen. Legaal verblijven de derdelanders zouden tevens een beroep moeten kunnen doen op verordening 1408/71 die de afstemming van de wettelijke sociale zekerheid met het oog op de arbeidsmobiliteit regelt.

Heldere Europese regelgeving voor vrij verkeer in publieke sector De raad is van mening dat er een Europese verordening dient te komen waarin overeenkomstig de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie nader bepaald wordt welke activiteiten en beroepen de lidstaten in het kader van orde- en gezagshandhaving voor hun eigen burgers mogen reserveren.
De toegang tot de overige functies in de lidstaten dient dan daadwerkelijk opengesteld te worden voor mensen uit andere lidstaten inclusief langdurig legaal verblijvende derdelanders.

Diploma-erkenning beroepsonderwijs
De raad constateert dat afstemming tussen de lidstaten met betrekking tot de diploma-erkenning op het gebied van het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen achterblijft bij de bereikte afstemming op dit vlak in het academisch onderwijs. Voor het beroepsonderwijs zou op EU-niveau een soortgelijk netwerk als het Naric-netwerk moeten worden opgezet. Verder is het gewenst bepaalde initiatieven in de grensregios op dit vlak te stimuleren.
Ten slotte moeten op Europees en op nationaal niveau initiatieven genomen worden voor de verdere ontwikkeling en stimulering van instrumenten als diplomasupplementen en EVCs (elders verworven competenties).

Ontwikkeling aanvullende instrumenten voor informatievoorziening vraag en aanbod op de arbeidsmarkt
Het Eures-netwerk slaagt er nog onvoldoende in om informatie over de vraag respectievelijk het aanbod van arbeid in Europa bij elkaar te brengen .Het zwaartepunt van Eures is te eenzijdig gericht op de gecentraliseerde vacaturebank. De informatie-uitwisseling over vraag en aanbod naar arbeid tussen de lidstaten zou een breder terrein moeten omvatten en gericht moeten zijn op het tijdig signaleren van overschotten / tekorten op de Europese arbeidsmarkt. Deze informatie zou ook tijdig naar werkgevers en werknemers verspreid moeten worden.

Betere afstemming aanvullende pensioenregelingen

De raad meent dat er een duidelijke leemte bestaat in de afstemming van de aanvullende pensioenregelingen. Het is van belang de met aanvullende pensioenen samenhangende belemmeringen voor grensoverschrijdende mobiliteit op nationaal en Europees niveau aan te pakken door een verdergaande afstemming.
Bij het wegruimen van de belemmeringen op het vlak van de aanvullende pensioenen dient erop gelet te worden dat er hierdoor geen ongewenste fiscaal-geïnduceerde pensioenmigratie ontstaat. Uitgangspunten voor nadere afstemming zijn dan ook:
het handhaven van de fiscale omkeerregel;
de mogelijkheid tot effectuering van de fiscale claim op het pensioen.
Daarnaast moet het arbeidsvoorwaardelijke karakter van de aanvullende pensioenen en de hiermee verbonden speciale positie van de sociale partners gerespecteerd worden.

Voor verdere afstemming van de aanvullende pensioenregelingen komen in principe drie oplossingsrichtingen in aanmerking:
versterking van het behoud van pensioenrechten in het opbouwland;
vergroting van de mogelijkheid tot internationale waardeoverdracht;
de introductie van de mogelijkheid tot grensoverschrijdende deelname aan een pensioenfonds.
Deze oplossingrichtingen sluiten elkaar iet uit en kunnen elk bijdragen aan de totstandkoming van een betere afstemming van aanvullende pensioenen in de EU. Dit biedt mogelijkheden tot maatwerk.

Aan de lidstaten wordt aanbevolen zorg te dragen voor een Europees fiscaal kader voor afstemming van aanvullende pensioenregelingen. Enerzijds moet dit fiscale drempels voor migratie wegnemen. Anderzijds dient het voor de opbouwstaat een regeling te treffen voor het verlies van de fiscale claim bij migratie.

Arbeidsmobiliteit in relatie tot de nieuwe toetredende lidstaten

De raad vindt het niet nodig om in de toetredingsonderhandelingen vanuit de huidige lidstaten lange overgangsperiode voor de liberalisatie van het vrij verkeer van werknemers te eisen. Op grond van onder meer de inkomensverschillen met de huidige lidstaten is te verwachte dat de vrijmaking van het werknemersverkeer na de toetreding van de kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa tot migratie van Oost naar West zal leiden. Van een door sommige gevreesde massamigratie die de opnamecapaciteit van de Europese arbeidsmarkten op de proef zal stellen, zal volgens de raad naar alle waarschijnlijkheid geen sprake zijn.

De migratiestromen zullen in belangrijke mate gestuurd worden door de behoefte aan arbeid in de huidige lidstaten die door vergrijzing hoog zal blijven en de inkomensontwikkeling in de nieuwe lidstaten. Op basis van het bovenstaande verwacht de raad positieve welvaartseffecten van de migratie uit de nieuwe lidstate .De raad baseert zij oordeel op de ervaringen na de eerdere toetreding van Spanje en Portugal, berekeningen in opdracht va de Europese Commissie en de huidige migratiestromen in en vanuit de Midden- en Oost-Europese landen.

Volledig advies in PDF-formaat

© SER 2002 6/5/2002

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie