Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Ministerie van Landbouw over CITES handhavingsproject

Datum nieuwsfeit: 16-02-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
N2001-688
datum
16-02-2001

onderwerp
CITES handhavingsproject
doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Hierbij bericht ik u over de resultaten en aanbevelingen van het CITES-handhavingsproject. Deze brief is in overleg met de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie tot stand gekomen. Het is in vervolg op de u eerder aangeboden voortgangsrapportage handhaving CITES (TK 2000-2001 LNV 0000708) van 12 september 2000 en het Eindverslag CITES-project (TK 2000-2001 LNV 0001039) van 6 december 2000. Over deze onderwerpen heb ik met u van gedachten gewisseld tijdens het Algemeen Overleg CITES op 7 december 2000. Daarbij heb ik aangegeven de resultaten van het CITES project te bespreken met mijn betrokken collega's en hierbij de aanbevelingen te betrekken van het Wereld Natuur Fonds (bij brief van 15 juni 2000) en de Stichting Fast Forward Foundation (4 oktober 2000).

up

datum
16-02-2001

kenmerk
N2001-688

bijlage

CITES-project
Op 30 november 2000 heeft de stuurgroep van het CITES-project haar eindverslag afgerond en aan de opdrachtgevers aangeboden (Portefeuillehouder Milieu College Procureurs Generaal, Directeur AID, Korpschef Politieregio Rotterdam-Rijnmond). Hiermee zijn de resultaten en ervaringen in het CITES-project over de periode 1994 tot 1 januari 1999 (met de informele verlenging van het project tot de overdracht aan de Landelijke Milieu Groep LMG in mei 2000) vastgelegd en afgerond.
Alvorens specifiek op de aanbevelingen in te gaan, beschouw ik het als positief dat de betrokken handhavingsorganisaties (OM, AID, Politie, Douane en Marechaussee) in de afgelopen jaren de krachten hebben gebundeld om zo gericht mogelijk de illegale handel in bedreigde dier- en plantensoorten terug te dringen. Tot mijn tevredenheid constateert de stuurgroep dat de volgende belangrijke doelen, die bij het begin van het project zijn geformuleerd, tot resultaat hebben geleid:
* een nader inzicht in de illegale handel in bedreigde dieren- en plantensoorten op basis van fenomeenonderzoek,
* verbeterde informatievoorziening en -uitwisseling ten behoeve van opsporing,

* betere analyse van controle- en opsporingsgegevens alvorens onderzoeken worden ingesteld,

* uitvoering van een aantal grootschalige opsporingsonderzoeken in samenwerkingsverband,

* vergroting van de bewustwording bij de diverse handhavingsinstanties,

* uitvoeringsadviezen op vlak van regelgeving, vergunningverlening, handhaving en determinatie.

De stuurgroep formuleert echter ook een aantal kanttekeningen. Met de start van de Landelijke Milieugroep in mei 2000 heeft overdracht van de werkzaamheden pas op dat moment kunnen plaatsvinden. Daarnaast bleek meer politionele capaciteit gewenst dan feitelijk beschikbaar was.

De karakterisering van de stuurgroep ten aanzien van de CITES-criminaliteit ligt grotendeels in lijn met hetgeen ik eerder in de voortgangsrapportage (12 september 2000) heb aangegeven. Het aanvankelijke beeld van zware georganiseerde criminaliteit met vertakkingen naar andere vormen van ernstige criminaliteit (drugs of wapenhandel) blijkt genuanceerder te liggen. Onderzoeken van de afgelopen jaren hebben niet kunnen bevestigen dat er sprake is van structurele banden met deze vormen van criminaliteit. Het blijkt veel meer te gaan om een vermenging van legale en illegale activiteiten. In die zin lijkt de situatie wat minder alarmerend dan aanvankelijk gedacht. Desondanks zijn er wel bepaalde netwerken, waarin Nederlanders betrokken zijn, van waaruit deze illegale handel wordt georganiseerd. Tevens ben ik het eens met de constatering van de stuurgroep dat de kwalificatie zware criminaliteit valide is gelet op de gevolgen die illegale handel in bedreigde soorten kan hebben op ecologische processen met het uiteindelijke gevolg de onomkeerbare uitputting en aantasting van de natuur en de leefomgeving.

Vervolg
Deze laatste gegevens onderstrepen dat er nog veel te doen valt. Het feit dat steeds professioneler geopereerd wordt en moeilijk te traceren handelslijnen worden gebruikt, vereist een alerte en gerichte aanpak vanuit de handhaving. De stuurgroep merkt daarbij op dat de moeilijkheidsgraad van de opsporing van organisatie- en/of netwerkcriminaliteit zeker niet minder is dan die van georganiseerde criminaliteit.
Tegen deze achtergrond dient dus niet geconcludeerd te worden dat met de afronding van het CITES project ook de samenwerking bij de handhaving is afgerond. Integendeel, naar mijn mening vormt het CITES project vooral een startfase op grond waarvan structurele samenwerking, afstemming en informatieuitwisseling wordt geborgd via inbedding in staande organisaties. Hierbij komen de ervaringen van de afgelopen jaren goed van pas.

Voor de komende periode zet ik daarom in op 4 hoofdlijnen: 1. versterken coördinatie en aansturing door het Openbaar Ministerie (OM);
2. inbedding CITES-opsporingsonderzoeken in de Landelijke Milieu Groep (LMG);
3. start van een criminaliteitsbeeld analyse als vervolg op de resultaten van het CITES project. Dit om een verbeterd meer integraal beeld te krijgen van de (illegale) handel met Nederlandse betrokkenheid;
4. blijvende aandacht voor 'regulier' toezicht en controle.

Ad 1. Versterking coördinatie en aansturing door OM De werkzaamheden van het CITES project zijn in de loop van 2000 ingebed binnen de Landelijke Milieu Groep (LMG) van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). De tijdelijke projectvorm van het CITES-project is daarmee omgezet in een vaste structuur binnen de LMG. Het OM is eindverantwoordelijke voor de operationele werkzaamheden van de LMG en stuurt middels een landelijk officier zware milieucriminaliteit de LMG aan bij haar dagelijkse werkzaamheden.

Binnen het OM verzorgt het Expertisecentrum Groen naast de inbreng binnen het LMG ook inhoudelijke ondersteuning bij de strafrechtelijke handhaving van onder meer CITES. Het centrum onderhoudt contacten met partners, verzamelt informatie en ondersteunt officieren van justitie bij de voorbereiding van strafzaken. Daarnaast wordt vanuit het Expertisecentrum gewerkt aan de opstelling van een nieuw handhavingsdocument over de handel in bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten. Dit zal de kennis over CITES binnen het OM en andere opsporingsinstanties vergroten. Afronding wordt voorzien in 2001. Voor handhavingspartners is verder een helpdesk en kenniscentrum beschikbaar voor vragen en informatie.

Voor de aanpak van de minder zware CITES-onderzoeken is het regionale OM verantwoordelijk voor de aansturing. De afspraken inzake de handhaving CITES (zowel zware als reguliere zaken) voor 2001 zijn door het Ministerie van LNV, AID en het OM vastgelegd in het zogenaamde handhavingsarrangement.

In december 2000 is voorts, onder de naam 'functioneel OM', door het College van Procureurs Generaal besloten dat ten behoeve van de aansturing van de nog te vormen vier bijzondere opsporingsdiensten een centrale landelijke OM-unit zal worden gecreëerd. Het college is van mening dat tegen de landelijk georganiseerde en gestuurde opsporingscapaciteit ook landelijk gestuurde vervolgingscapaciteit moet worden aangezet. Praktisch betekent dit dat elk van de vier (te vormen) bijzondere opsporingsdiensten een aanspreekpunt in het OM krijgt. Momenteel wordt onderzocht hoe de verdere organisatorische en inhoudelijke invulling van de landelijke voorziening gestalte moet krijgen.

Ad 2: Landelijke Milieugroep
De landelijke Milieu Groep is een multidisciplinair team dat als taak heeft de bestrijding van de zware en georganiseerde milieucriminaliteit. De LMG bestaat uit medewerkers van politie, het ministerie van VROM en het ministerie van LNV. Met de inbedding van de werkzaamheden van het CITES-project (voor wat betreft informatieverzameling, analyse en projectvoorbereiding van grootschalige onderzoeken) is de organisatie en formatie van het LMG op de doelstellingen ingericht. Concreet zijn medewerkers met specifieke CITES-expertise in de LMG-organisatie opgenomen. De AID en andere opsporingsinstanties dragen hierin bij. De LMG houdt actief contact met de andere opsporingsinstanties. Op basis van informatie worden, na besluitvorming door het OM, opsporingsonderzoeken voorbereid en uitgezet bij politieregio's of andere opsporingsdiensten. Aangezien deze projecten in grote mate worden voorbereid in samenwerking met de beoogde politieregio zal de betrokkenheid en het draagvlak, als het gaat om grootschalige onderzoeken, bij de politie worden vergroot. Dit zal naar verwachting tegemoet komen aan de constatering van de stuurgroep van het CITES-project dat de betrokkenheid vanuit politiekorpsen tot nu toe beperkt is.

Bij het beslissen of voorbereide onderzoeken daadwerkelijk worden uitgevoerd, adviseert het Platform Zware Milieucriminaliteit. Hierin hebben zitting vertegenwoordigers van het OM (Landelijk Parket en Experticecentrum Groen), bijzondere opsporingsdiensten en politie. Voor het bepalen van de prioriteit hanteert het Platform uitgewerkte criteria en weegfactoren. Bij het samenstellen van deze criteria en weegfactoren is rekening gehouden met de CITES problematiek, zodat zij onverkort toepasbaar zijn voor CITES onderzoeken. Afhankelijk van de zwaarte en aard van het dossier wordt bepaald welke instantie het meest geschikt is voor de uitvoering.

Ad 3. Criminaliteitsbeeld analyse
Dit jaar wordt door het LMG in samenwerking met de AID en het OM een criminaliteitsbeeld analyse uitgevoerd. Op basis hiervan vindt een 'nul-meting' plaats naar de (illegale) handel in en richting Nederland. Naar verwachting ontstaat hiermee een concreter beeld van de echte zorgpunten omtrent de illegale handel. Dit voor zowel dier- als plantensoorten en de producten daarvan. Voorts kunnen trends en ontwikkelingen in de toekomst beter worden gevolgd. De gegevens zullen na beoordeling door het Platform Zware Milieucrimilateit leiden tot nadere prioritering en het starten van gerichte onderzoeksprojecten.

Ad 4. Toezicht en controle
Naast de organisatie rond grootschalige onderzoeken blijft het dagelijks toezicht op de wetgeving inzake CITES van groot belang. Dit ligt in handen van de politie, douane, AID en Koninklijke Marechaussee. De douane en Koninklijke Marechaussee controleren aan de grens, de politie in het binnenland en de AID assisteert voornoemde diensten en voert zelfstandige controles uit. Daarnaast informeert de AID de andere toezichthouders over de regelgeving, verleent assistentie bij identificatie van soorten en verstrekt informatie over de aard van de doelgroepen die op dit vlak werkzaam zijn.

Overige aanbevelingen

kennis en vaardigheden
Met de introductie van het Project CITES is een verdere professionalisering van de handhaving tot stand gebracht. Dit geldt zowel voor het verzamelen, bewerken en analyseren van informatie voor het selecteren van opsporingsonderzoeken, als ook het reguliere toezicht- en controle-werk. Door de AID zijn via een systeem van vraagbaak-functionarissen de afgelopen jaren ca. 120 gespecialiseerde controle- en opsporingsambtenaren opgeleid binnen politie, douane en Marechaussee. Ook de komende tijd zal de AID zich, als kennismakelaar, richten op verdere ondersteuning en training van de handhavingspartners. Via o.a. landelijke contactdagen CITES zullen de handhavingspartners geïnformeerd worden over actuele ontwikkelingen. Zo hebben op 18 oktober 2000 ruim honderd personen deelgenomen aan een dergelijke door de AID georganiseerde contactdag. Ook binnen het OM zal de kennis rond CITES worden vergroot vanuit het Expertise Centrum Groen en het in voorbereiding zijnde handhavingsdocument.

Regelgeving en vergunningstelsel
Ten aanzien van de toepassing van de regelgeving constateert het CITES-project dat deze niet eenvoudig is. De complexe structuur van de regelgeving maakt dat blijvende aandacht voor de opleiding van de handhavingspartners, zoals hiervoor genoemd, belangrijk is. De voorlichting aan handelaren en gebruikers is inmiddels meer toegespitst op bepaalde doelgroepen. Daarnaast is eind 2000 een project in gang gezet om handelaren en gebruikers van traditionele oosterse medicijnen specifiek voor te lichten over de regelgeving. De voorlichting van de regelgeving ten aanzien van natuur-souvenirs zal, op initiatief van het Wereld Natuur Fonds, verder worden toegespitst.

Omtrent het vergunningstelsel kan worden opgemerkt dat op CITES-documenten de precieze dier- of plantensoorten worden vermeld. In Nederland zijn de houders van CITES-dieren- of planten gehouden de legale status van de dieren aan te kunnen tonen. Het bijhouden van registers en de doorgifte hiervan aan het CITES-bureau kan aan de uitvoering van deze verplichting bijdragen. Bij de doorwerking van de EU CITES-verordeningen in de ministeriële regelingen onder de Flora- en Faunawet wordt onderzocht op welke wijze nadere regels voor de aantoonbaarheid van de legale status kunnen worden geformuleerd. Voor de controle op de verleende vergunningen zijn in de afgelopen jaren nadere afspraken gemaakt met de AID. Van belang hierbij is een goede informatieuitwisseling over verleende vergunningen tussen het CITES-bureau en de AID. De mogelijkheden om dit verder te vereenvoudigen, door bijvoorbeeld de instelling van on-line verbindingsmogelijkheden, worden verkend.

Omtrent de regelgeving heeft de heeft de stuurgroep CITES-project voorts voorgesteld om een bepaling in te voeren voor bepaalde soorten die in het productieland beschermd zijn, maar niet onder CITES vallen. Voor een belangrijk deel wordt dit reeds ondervangen in het CITES-Verdrag zelf. Het Verdrag kent de mogelijkheid dat productielanden dergelijke soorten voorstellen voor opname in bijlage III. Of in Nederland daadwerkelijk aanvullende wettelijke maatregelen noodzakelijk zal in het kader van de criminaliteitsbeeld analyse worden onderzocht.

Vanuit de Fast Forward Foundation (FFF) is er voorts op aangedrongen dat Nederland afstand moet nemen van het gedachtengoed om vanwege dierenwelzijnsoverwegingen de handel in alle dieren uit het wild eenzijdig te willen verbieden. De afweging tussen natuurbescherming en dierenwelzijn zou meer in overeenstemming moeten worden gebracht met internationaal afgesproken principes van duurzaam gebruik. In mijn verslaglegging omtrent de CITES-Conferentie te Nairobi (TK 1999-2000, lnv0000682 van 1 september 2000) heb ik u melding gedaan dat er voor een verbod op invoer van niet-gekweekte dieren (inclusief soorten die geheel niet bedreigd zijn) geen internationaal draagvlak bestaat. Naar het oordeel van diverse landen wordt hiermee een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het duurzaam beheer en gebruik van natuurlijke hulpbronnen ontkend. Deze laatste benadering sluit in het algemeen aan bij de ecosysteembenadering waarover, met ondersteuning vanuit Nederland, in het kader van het Biodiversiteitsverdrag internationale principes zijn vastgelegd. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan immers bijdragen aan het behoud van ecosystemen doordat een vorm van grondgebruik in stand blijft die kan concurreren met andere vormen van landgebruik (zoals omzetting in landbouwgrond), inclusief participatie van lokale bevolking bij het beheer. Daarnaast volg ik de argumentatie van het FFF dat voor de opsporing van illegale handel de nadruk vooral dient te liggen op bedreigde soorten die internationale bescherming nodig hebben (CITES-soorten). Het geheel verbieden van de invoer van niet-bedreigde soorten kan de illegale handel in andere (bedreigde) soorten aanwakkeren en de opsporingscapaciteit onnodig belasten of versnipperen.
Ik heb u op 9 februari 2001 voorts bericht (TK 2000-2001, 23.147 nr 127) dat recent de Europese Commissie richting Nederland heeft aangegeven dat zij artikel 13, lid 1 onderdeel b van de Flora- en Faunawet (verbod invoer niet-bedreigde diersoorten) in strijd acht met het vrije verkeer van goederen binnen de EU. Ik heb daarbij aangegeven dat, gezien de conclusie van de Commissie, ik voornemens ben op het verzoek van de Commissie in te gaan en af te zien van de vaststelling van een besluit tot inwerkingtreding van dit artikel.

Controle, opsporing en rapportage
Controle op de benodigde vergunningen vindt voor een belangrijk deel plaats aan de buitengrenzen van de EU, zoals Schiphol en Rotterdam. De douane vervult in dit kader haar rol waar het gaat om de niet-fiscale douanetaken (CITES). De AID blijft hierbij een belangrijke ondersteunende rol vervullen. Gezien het feit dat Nederland mèèr is dan alleen Rotterdam of Schiphol vinden ook controles elders in het land plaats. De politie en de AID richten zich daarbij vooral op deze taken. Binnen de AID is de organisatie gewijzigd, zodat meer wordt aangesloten bij de regionale indeling van de politie. Anderzijds wordt nadrukkelijk onderkend dat een landelijke coördinatie en aansturing van taken op dit vlak nodig is, mede gezien de internationale component van CITES. Om deze reden is binnen de AID op landelijk niveau specifieke ruimte vrijgemaakt voor expertise opbouw, informatieuitwisseling en inzet in multidisciplinaire onderzoeken. Dit laatste in nauwe samenwerking met de LMG.
De in het CITES-project geconstateerde problematiek over de uitwisseling van informatie behoeft nadere aandacht. Voor de uitwisseling van opsporingsinformatie geeft de Wet op de Politieregisters strikte regels. Ik zal dit nader onder de aandacht brengen bij de Minister van Justitie om te bezien of hiervoor een oplossing aanwezig is.
Ten aanzien van de rapportage over de CITES-handhaving stel ik voor hiertoe geen eigenstandige rapportage op te stellen, maar deze, gezien de directe betrokkenheid van de diverse betrokken handhavingsinstanties, verder te integreren en aan te laten sluiten bij de cyclus van de halfjaarlijkse milieurapportage die aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, inclusief jaarlijkse rapportage van de kwantitatieve handhavingsgegevens.

Internationaal
Tot slot behoeft de internationale samenwerking nadrukkelijk aandacht. Op dit vlak spelen Interpol, de World Customs Organisation (WCO) en het CITES-Secretariaat een belangrijke rol. In EU-verband richt de Enforcement Working Group zich daarnaast op uitwisseling van kennis en ervaring. Voor de concrete opsporingstaken is direct contact met de buitenlandse opsporingsinstanties via de geëigende kanalen (in kader van Interpol) van groot belang. Naast het opereren in het internationaal netwerk door Douane en AID, zal de LMG, als centraal aanspreekpunt binnen Nederland op het vlak van de opsporingsinformatie, de betrokkenheid met de internationale organisaties de komende periode versterken. Zo zal Nederland vanuit de LMG bijdragen aan de Tiger Enforcement Expert Group die landen zal ondersteunen op het vlak van illegale handel in tijgerproducten. Tot mijn tevredenheid is in 1998 de CITES-regelgeving ook in werking getreden op de Nederlandse Antillen (Aruba in 1995). In vervolg op een eerdere trainingsworkshop in 1997 is vanuit de Nederlandse Antillen de wens geuit tot een nadere training op dit vlak. Ik verwacht dit onderwerp, als onderdeel van een nieuwe samenwerkingsovereenkomst tussen mijn Ministerie van LNV en het Departement van Volksgezondheid en Milieu van de Antillen, dit jaar te kunnen realiseren.

Slot
Met de resultaten van het CITES-project is naar mijn oordeel het belang van een gezamenlijke aanpak tussen de handhavinginstanties nogmaals onderstreept. Er is hiermee een belangrijke basis gelegd om de illegale handel in bedreigde dier- en plantensoorten verder terug te dringen. Met bovenstaande afspraken hoop en verwacht ik dat de inzet, kennis en ervaring van al deze partners verder op gerichte en effectieve wijze ingezet wordt om het doel daadwerkelijk te kunnen realiseren.

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

G.H. Faber



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie