Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag van 2331e zitting van de Europese Raad

Datum nieuwsfeit: 27-02-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
European Union

2331. Raad - ALGEMENE ZAKEN Press Release: Brussels (26-02-2001) - Press: 61 - Nr: 6506/01


6506/01 (Presse 61)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2331e zitting van de Raad


- ALGEMENE ZAKEN -

Brussel, 26/27 februari 2001

Voorzitter:

mevrouw Anna LINDH

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Leif PAGROTSKY

minister, bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, belast met Handel

van het Koninkrijk Zweden

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

WESTELIJKE BALKAN - conclusies van de Raad

*

VREDESPROCES IN HET MIDDEN-OOSTEN - financiële situatie van de Palestijnse autoriteit

*

DEMOCRATISCHE REPUBLIEK CONGO - conclusies van de Raad
*

ZUIDELIJKE KAUKASUS - Conclusies van de Raad

*

DOUANEVRIJSTELLING VOOR DE MINST-ONTWIKKELDE LANDEN


*

DIVERSEN
14


-
EL SALVADOR *

-
ZIMBABWE *

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

EXTERNE BETREKKINGEN


-
Gemeenschappelijke strategieën - conclusies van de Raad *
-
Instelling van een snellereactiemechanisme *
-
Turkije - Partnerschap voor toetreding *

-
FRJ - specifieke beperkende maatregelen tegen Slobodan Milosevic en de met hem verbonden personen *

-
Associatie van de landen en gebieden overzee *
-
Bangladesh - partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst *
-
Betrekkingen met Rusland - Kaliningrad *

-
Afghanistan - Aanvullende beperkende maatregelen tegen de Taliban
*

-
Civiele bescherming *

-
Rekenkamer - Speciaal verslag 12/2000 *

-
Europese Economische Ruimte - Besluiten van het Gemengd Comité *
-
Samenwerking en handelsbetrekkingen tussen de EU en de geïndustrialiseerde landen van Noord-Amerika, het Verre Oosten en Australazië *

-
Europa-overeenkomsten met Hongarije en de Tsjechische Republiek - Aanvullende protocols inzake industrieproducten - "PECA" *
-
Associatieraden met de Baltische staten *

-
Gezamenlijke Raad EU-Mexico *

HANDELSVRAAGSTUKKEN


-
Betrekkingen met Bulgarije, Hongarije en Roemenië - wijnen en gedistilleerde dranken *

-
Textiel - markttoegang (Sri Lanka) *

-
Textiel - gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit derde landen *

-
Textiel - handel in textielproducten (Bosnië en Herzegovina) *

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN


-
Schengen - toepassing van het acquis in de Noordse landen *
-
Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving *

ONDERWIJS


-
Samenwerkingsprogramma op het gebied van het hoger onderwijs, het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding met de Verenigde Staten van Amerika *

-
Samenwerkingsprogramma op het gebied van het hoger onderwijs en de beroepsopleiding met Canada *

BENOEMINGEN


-
Comité van de Regio's *

-
Economisch en Sociaal Comité *



Voor meer informatie: tel. 02-285.64.23, 02-285.87.04 of 02-285.68.08

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België:

de heer Louis MICHEL

vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken

Denemarken
:

de heer Mogens LYKKETOFT

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Friis Arne PETERSEN

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Duitsland:

de heer Joschka FISCHER

minister van Buitenlandse Zaken en plaatsvervanger van de bondskanselier

de heer Christoph ZÖPEL

staatsminister van Buitenlandse Zaken

Griekenland
:

de heer George PAPANDREOU

minister van Buitenlandse Zaken

Spanje
:

de heer Josep PIQUÉ I CAMPS

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Ramon DE MIGUEL Y EGEA

staatssecretaris van Europese Zaken

Frankrijk
:

de heer Hubert VEDRINE

minister van Buitenlandse Zaken

Ierland
:

de heer Brian COWEN

de heer Tom KITT

minister van Buitenlandse Zaken

onderminister van Ondernemingen, Handel en Werkgelegenheid (belast met Arbeidsvraagstukken, Consumentenrechten en Internationale Handel)

Italië
:

de heer Rocco Antonio CANGELOSI

directeur-generaal voor Europese Zaken, ministerie van Buitenlandse Zaken

Luxemburg
:

de heer Nicolas SCHMIT

ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Nederland
:

de heer Jozias van AARTSEN

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Dirk BENSCHOP

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Oostenrijk
:

de heer Martin BARTENSTEIN

de heer Gregor WOSCHNAGG

minister van Economische Zaken en Arbeid

ambassadeur, permanent vertegenwoordiger

Portugal
:

de heer JAIME GAMA

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Francisco SEIXAS DA COSTA

staatssecretaris van Europese Zaken

Finland
:

de heer Erkki TUOMIOJA

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Kimmo SASI

minister van Buitenlandse Handel en Europese Aangelegenheden

Zweden
:

mevrouw Anna LINDH

minister van Buitenlandse Zaken

de heer Leif PAGROTSKY

minister, bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, belast met Handel

de heer Hans DAHLGREN

staatssecretaris, bij het ministerie van Buitenlandse Zaken

Verenigd Koninkrijk:

de heer Robin COOK

minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken


* * *

Commissie
:

de heer Pascal LAMY

de heer Chris PATTEN

lid

lid


* * *

Secretariaat-generaal van de Raad
:

de heer Javier SOLANA

secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB


* * *

Andere deelnemers

de heer Hans HAEKKERUP

de heer Bodo HOMBACH

speciaal vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN in Kosovo

speciaal coördinator van het Stabiliteitspact

WESTELIJKE BALKAN - conclusies van de Raad

"De Raad verwelkomt de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN in Kosovo, Hans Haekkerup, en betuigt zijn volledige steun voor diens inspanningen om de volledige uitvoering van Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de VN te waarborgen. Hij onderstreept zijn niet aflatende gehechtheid aan een democratisch en multi-etnisch Kosovo. De Raad veroordeelt krachtig de recentste aanval op een konvooi van bussen met Kosovo-Serviërs in de buurt van Podujevo. Deze terreurdaad is een ernstige aanslag op de belangen van de bevolking van Kosovo. Ondermijning van de inspanningen van de internationale gemeenschap om UNSCR 1244 volledig uit te voeren, zal niet worden geduld. De Raad roept de betrokken plaatselijke leiders en gemeenschappen op hun inspanningen op te voeren om door middel van een oprechte constructieve dialoog vertrouwen te kweken en vooruitgang te boeken op punten van gemeenschappelijk belang. In dit verband spreekt de Raad zijn grote waardering uit voor de centrale rol die de KFOR speelt bij de handhaving van de veiligheid en de openbare orde ter plaatse, en de inspanningen van de KFOR om voor alle mensen en gemeenschappen van Kosovo een veilige omgeving tot stand te brengen. De EU is bereid tot voortzetting van haar steun, ook via de UNMIK, voor het afbouwen van de spanningen door middel van projecten ter ondersteuning van alle etnische groepen en minderheden en ter bevordering van economische ontwikkeling en meer veiligheid. Hij memoreert dat de autoriteiten van de FRJ en van Servië dringend moeten voortgaan met de spoedige vrijlating van alle politieke gevangenen. Hij dringt er bij alle gezagsdragers op aan om informatie over vermisten te verstrekken en de voorwaarden te scheppen voor de veilige en waardige terugkeer van vluchtelingen en ontheemden.

De Raad spreekt oprecht zijn voldoening uit over het voorstel van de speciale vertegenwoordiger om als volgende stap een wettelijk kader te ontwikkelen voor voorlopige instellingen voor zelfbestuur, met inbegrip van passende waarborgen voor de rechten van minderheden. De Raad verwacht dat alle etnische groepen in Kosovo op constructieve wijze aan dit proces deelnemen. Hij is het met de speciale vertegenwoordiger eens dat de totstandbrenging van het wettelijk kader, en in het bijzonder de definiëring van de functies en de bevoegdheden van de verkozen organen, van wezenlijk belang is om in heel Kosovo geslaagde verkiezingen overeenkomstig UNSCR 1244 te waarborgen. In dit verband onderstreept de Raad dat het kiesstelsel verder moet worden ontwikkeld, onder meer door een gemoderniseerd en geïntegreerd bevolkings- en kiesregister waarin ook vluchtelingen en in eigen land ontheemde personen worden opgenomen, teneinde te waarborgen dat de verkiezingen de wil van de bevolking van Kosovo getrouw weerspiegelen. De Raad beklemtoont ook dat het van belang is dat alle gemeenschappen aan de stemming deelnemen en dat de verkiezingen in alle veiligheid plaats kunnen vinden. Voorts moedigt hij de autoriteiten in Belgrado aan om het verkiezingsproces te steunen en een positieve invloed uit te oefenen op de deelneming door de Kosovo-Serviërs aan het verkiezingsproces.

De Raad wijst op de grote steun die de EU blijft verstrekken voor de stabilisering en ontwikkeling van Kosovo. Ter ondersteuning van openbare orde en veiligheid hebben de lidstaten van de EU de grootste bijdrage aan de KFOR geleverd, alsmede politiefunctionarissen en magistraten beschikbaar gesteld, en financieren zij het grootste deel van de OVSE-inspanningen om instituties en een maatschappelijk middenveld te vormen. De EG is de grootste donor van humanitaire bijstand en blijft de toonaangevende rol spelen bij de wederopbouw en de economische ontwikkeling, niet alleen in financiële termen maar ook via haar verantwoordelijkheid voor/leiderschap van Pijler 4 van UNMIK. De Raad neemt er nota van dat op 25 en 26 februari in Pristina een donorvergadering voor Kosovo plaatsvindt.

De Raad spreekt zijn bezorgdheid uit over de omvang van de spanningen en gewelddadigheden in Zuidoost-Servië en veroordeelt de acties van gewapende groepen etnische Albanezen, die de regio dreigen te destabiliseren en vrij vervoer en vrije communicatie hinderen, met name in de pan-Europese corridor. In dit verband veroordeelt hij tevens het groeiende aantal incidenten in de FYROM en herhaalt hij grote waarde te hechten aan het beginsel van de onschendbaarheid van alle grenzen in de regio. Hij doet een beroep op alle betrokkenen om extremisten te isoleren, verzoening en multi-etnische samenwerking te bevorderen en constructief aan een vreedzame oplossing van het conflict te werken, onder volledige eerbiediging van de soevereiniteit en de territoriale integriteit van de FRJ. Hij steunt het initiatief van de autoriteiten in Belgrado om een vreedzame en duurzame oplossing voor de huidige situatie in Zuidoost-Servië te vinden. De Raad verklaart zich bereid tot verdere concrete ondersteuning van de inspanningen voor een vreedzame oplossing van het conflict. Hij onderstreept het belang van een grotere aanwezigheid van de EUMM-waarnemers in het gebied als een waardevolle bijdrage daartoe en verklaart dat de Europese Unie bereid is een behoorlijk aantal extra waarnemers beschikbaar te stellen, mits hun veiligheid voldoende is gewaarborgd.

De Raad is voldaan over projecten die reeds door de Commissie en de lidstaten op gang zijn gebracht ten behoeve van de ontwikkeling van het gebied en verzoekt hen extra hulp te overwegen.

De Raad is ingenomen met het schrijven van de SG/HV en verzoekt hem op korte termijn een uitgebreid pakket voorstellen voor verdere EU-actie met betrekking tot de Presevo-vallei in te dienen, in nauwe samenwerking met het voorzitterschap en de Commissie, teneinde het proces in de regio te ondersteunen en een bijdrage te leveren tot de internationale inspanningen om tot een vreedzame oplossing te komen.

Naar aanleiding van een voorstel van SG/HV Solana bekrachtigt de Raad de aanstelling van ambassadeur Antóin MAC UNFRAIDH als nieuw hoofd van de EUMM."

VREDESPROCES IN HET MIDDEN-OOSTEN - financiële situatie van de Palestijnse autoriteit

De Raad heeft de financiële situatie van de Palestijnse autoriteit besproken op basis van een rapport van Commissielid Patten.

De Raad wees erop dat de EU een belangrijke rol moet spelen in het kader van een gezamenlijke internationale inspanning om instorting van de economie en de instellingen in de Palestijnse gebieden te voorkomen. Hij benadrukte dat de voorwaarden die voor een functionerende Palestijnse economie noodzakelijk zijn, gegarandeerd moeten worden.

De EU zal:

- er bij de Palestijnse autoriteit op aandringen om in nauwe samenwerking met het IMF te werken aan de opstelling van een herziene restrictieve begroting teneinde de basis te leggen voor internationale steun, en de autoriteit verzoeken doeltreffende maatregelen tegen corruptie en voor meer democratische transparantie te treffen;

- ervoor ijveren dat met spoed een internationale donorvergadering wordt gehouden onder auspiciën van het ad hoc Verbindingscomité. Ter voorbereiding van deze vergadering zal de EU de andere donoren aanmoedigen om financiële middelen toe te zeggen ter ondersteuning van de Palestijnse begroting;

- in het kader van een gezamenlijke inspanning van de internationale gemeenschap ten volle gebruikmaken van de middelen die uit hoofde van de bestaande kasfaciliteit voor de Palestijnse autoriteit beschikbaar zijn en daarbij een langetermijnaanpak huldigen.

De Raad heeft beide kampen ertoe opgeroepen zich te onthouden van alle gewelddaden en terug te keren naar de onderhandelingstafel. De Raad riep Israël nogmaals op om de inhouding van aan de Palestijnse autoriteit verschuldigde belastinginkomsten onmiddellijk te beëindigen en de resterende afsluitingen op te heffen.

DEMOCRATISCHE REPUBLIEK CONGO - conclusies van de Raad

"De Raad heeft de ontwikkelingen in de Democratische Republiek Congo (DRC) besproken.

De Raad nam met voldoening nota van de door de partijen op 15 februari in Lusaka en op 21 en 22 februari in New York gedane plechtige toezeggingen om de uitvoering te hervatten van de staakt-het-vuren-overeenkomst van Lusaka, die de afgesproken grondslag vormt voor vrede in de DRC en de regio. Hij doet een beroep op alle betrokken partijen onmiddellijk maatregelen te treffen met het oog op de scheiding en ordelijke terugtrekking van hun troepen, in overeenstemming met de Overeenkomst van Lusaka en de Overeenkomsten van Kampala en Harare, en overeenkomstig de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad.

De Raad was verheugd over de aanneming van Resolutie 1341 waarbij het geactualiseerde concept voor MONUC-operaties werd goedgekeurd, en onderstreept dat het van cruciaal belang is MONUC snel in te zetten om controle en toezicht uit te oefenen op de troepenscheiding, met het oog op een volledige, definitieve en onvoorwaardelijke terugtrekking van buitenlandse troepen uit de DRC met als uiteindelijke doelstelling de soevereiniteit en territoriale integriteit van de DRC te herstellen.

De Raad bevestigde dat de Europese Unie MONUC politiek en materieel blijft steunen. De Europese Unie zal nagaan hoe zij de VN-troepen en de landen die een bijdrage leveren concreet kan steunen.

De Raad wees er andermaal op dat de "Nationale dialoog" tijdig gestart moet worden, als bepaald in de Overeenkomst van Lusaka. Hij is verheugd dat president Kabila instemt met de bemiddelaar, president Masire, en dat de DRC de bemiddelaar voor een bezoek aan Kinshasa heeft uitgenodigd. De Raad is verheugd over de rol van president Bongo in dit proces. De Raad memoreerde dat de Europese Unie en haar lidstaten de "Nationale dialoog" hebben gesteund, en herhaalde dat de Europese Unie bereid is haar steun aan het institutionele kader voort te zetten.

De Raad onderstreepte dat gewapende troepen die op of vanaf het grondgebied van Congo opereren, ontwapend moeten worden. Hij sprak zijn voldoening uit over de bepalingen in Resolutie 1341 van de VN-Veiligheidsraad waarbij de partijen bij het conflict worden aangespoord met MONUC samen te werken bij het opstellen van een plan voor de ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van alle in bijlage A, hoofdstuk 9.1, van de Overeenkomst van Lusaka genoemde gewapende groepen. De Europese Unie is bereid om samen met de internationale gemeenschap, met name de gespecialiseerde organen van de Verenigde Naties, de nadere bepalingen van dat programma uit te werken. De Raad heeft de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie opdracht gegeven na te gaan hoe deze kwestie opgelost moet worden. De Raad herhaalde zijn verzoek aan alle partijen om volledig mee te werken met het Internationaal Tribunaal voor Rwanda.

De Raad sprak zijn waardering uit voor het uitdrukkelijke voornemen van de regeringen van de DRC en Burundi om hun besprekingen voort te zetten, hetgeen het vredesproces in zowel de DRC als Burundi ten goede kan komen.

De Raad onderstreepte de ernst van de humanitaire situatie en nam nota van het laatste verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, waarin het aantal mensen die rechtstreeks door het conflict getroffen zijn, op meer dan vier miljoen wordt geraamd, waaronder de in eigen land ontheemde personen die thans op meer dan 2 miljoen worden geschat en wier aantal nog steeds toeneemt; de helft van deze mensen is onbereikbaar voor humanitaire hulp. De Raad drong er bij alle partijen op aan de humanitaire hulpverlening een snelle, veilige en ongehinderde toegang te bieden, en verklaarde dat de Europese Unie bereid is haar humanitaire hulp te vergroten en zo mogelijk hulp voor de langere termijn in overweging te nemen. De Raad was ingenomen met de inspanningen die de Commissie al geleverd heeft.

De Raad sprak zijn ernstige bezorgdheid uit over de voortdurende ernstige schendingen van de mensenrechten in de DRC en nam nota van het jongste verslag van de speciale VN-rapporteur over de mensenrechtensituatie in de DRC. Hij herinnerde de betrokken regeringen eraan dat zij verantwoordelijk zijn en rekenschap verschuldigd zijn voor het doen respecteren van de mensenrechten door hun eigen strijdkrachten, alsmede door de strijdkrachten die zij de facto controleren.

De Raad sprak zijn afschuw uit over het feit dat er in het conflict nog steeds kindsoldaten worden gerecruteerd en ingezet. Hij riep alle partijen op onmiddellijk een einde te maken aan deze praktijk en toonde zich verheugd over het feit dat Resolutie 1341 van de VN-Veiligheidsraad het verzoek bevat om de speciale vertegenwoordiger voor de bescherming van kinderen in gewapende conflicten op te dragen deze doelstelling prioritair na te streven.

De Raad verheugde zich erover dat de regering van de DRC zich niet alleen verbonden heeft tot de uitvoering van de Overeenkomst van Lusaka, maar ook economische hervormingen aangekondigd heeft. Indien deze concreet worden uitgevoerd, is de Europese Unie bereid met de DRC wezenlijke besprekingen te beginnen over de geleidelijke hervatting van de ontwikkelingssamenwerking. De Raad juicht het in dit verband toe dat de president van de DRC contact heeft opgenomen met de internationale financiële instellingen en onderstreept dat deze een centrale rol te spelen hebben bij de economische hervorming van de DRC.

De Raad zal passende maatregelen overwegen voor het geval dat de partijen hun toezeggingen in het kader van de Lusaka-overeenkomst en de relevante resoluties in de VN-Veiligheidsraad niet gestand zouden doen."

ZUIDELIJKE KAUKASUS - Conclusies van de Raad

"Het bezoek van de ministeriële trojka aan Armenië, Georgië en Azerbeidzjan op 20/21 februari 2001 heeft bewezen dat de EU er belang aan hecht de betrekkingen met de Zuidelijke Kaukasus te verstevigen, ter bevordering van vrede, stabiliteit, welvaart en regionale samenwerking.

De Europese Unie is bereid in de regio een actievere politieke rol te vervullen. De Raad is ingenomen met de hartelijke ontvangst van de trojka in de drie landen, die het bezoek beschouwen als een teken van het blijvend engagement van de EU in de regio. Alle drie de landen toonden zich voorstander van een grotere rol van de EU in de Zuidelijke Kaukasus. In nauwe samenwerking met de partijen, de bevoegde internationale organisaties en de landen van de regio, zal de EU zoeken naar nog meer manieren om steun te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn conflicten te voorkomen en op te lossen, alsmede aan inspanningen voor de wederopbouw van de regio na conflicten. Er dient bijzondere aandacht te worden geschonken aan het versterken van de samenwerking met de OESO, de VN en de Raad van Europa.

In dit verband zal de EU de bilaterale en multilaterale politieke dialoog met de landen in de Zuidelijke Kaukasus opvoeren. Ook zal de EU de politieke dialoog over de regio met Rusland, Turkije, Iran en de Verenigde Staten intensiveren.

De EU blijft steun verlenen aan de regio, in nauwe samenwerking met de hiertoe geëigende internationale organisaties en de IFI's. De doeltreffendheid van de hulp van de EU hangt echter samen met de voortgang van de vredesprocessen in de regio.

De Raad heeft zijn bevoegde instanties - die worden bijgestaan door de HV/SG - en de Commissie verzocht aanbevelingen te doen voor de uitvoering van een versterkt EU-beleid, op basis van het voorbereidend werk voor en de resultaten van het bezoek van de trojka, en daarover tijdig verslag uit te brengen voor de Samenwerkingsraden met Georgië, Armenië en Azerbeidzjan die onder het Belgische voorzitterschap zullen plaatsvinden."

DOUANEVRIJSTELLING VOOR DE MINST-ONTWIKKELDE LANDEN

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid een verordening aangenomen waarbij de douanevrijstelling zonder enige kwantitatieve beperking wordt uitgebreid tot producten van oorsprong uit de minst-ontwikkelde landen (het zogenaamde "everything but arms"-voorstel).

Deze maatregel is niet alleen van substantiële waarde voor de minst-ontwikkelde landen (MOL), maar is ook een concrete uiting van de politieke welwillendheid van de EU ten aanzien van de MOL in het kader van de voorbereidingen voor de volgende ronde van de WTO-onderhandelingen en voor de derde VN-conferentie over MOL waarvoor de EU in mei 2001 te Brussel als gastheer zal optreden.

De verordening treedt in werking per 5 maart 2001 en behelst de toegang tot de EU-markten met volledige douanevrijstelling voor 's werelds 48 armste landen met betrekking tot alle goederen, behoudens wapens. Ten aanzien van de drie "gevoelige" producten (bananen, rijst en suiker) behelst de verordening voornamelijk het volgende:


- voor bananen, volledige liberalisering vanaf 2006,
- voor suiker, volledige liberalisering per 1 juli 2009,
- voor rijst, volledige liberalisering per 1 september 2009,
- toekenning van rechtenvrije contingenten voor rijst en suiker tijdens de interimperiode vóór de liberalisering. Deze contingenten zullen aanvankelijk gebaseerd zijn op de beste uitvoercijfers van de MOL in de jaren '90, vermeerderd met 15%. Zij zullen tijdens de interimperiode elk jaar met 15 % worden verhoogd;


- toepassing van de volgende tariefverlagingen tijdens de interimperiode

= bananen: jaarlijkse verlaging met 20% vanaf januari 2002

= suiker: verlaging met 20% per 1 juli 2006

verlaging met 50% per 1 juli 2007
verlaging met 80% per 1 juli 2008

= rijst: verlaging met 20% per 1 september 2006

verlaging met 50% per 1 september 2007

verlaging met 80% per 1 september 2008.

De verordening staat voor een grote inspanning van de Gemeenschap om een vlotte integratie van de MOL in de wereldeconomie te vergemakkelijken. De toekenning van de regeling is afhankelijk van de strikte naleving door de begunstigde landen van alle in deze context toepasselijke bepalingen, met name in verband met de oorsprongregels.

De Raad kwam overeen dat de Commissie de toepassing van deze verordening nauwlettend blijft volgen, teneinde zo spoedig mogelijk problemen op te sporen en deze te verhelpen. In dit verband zal de Commissie nagaan in hoeverre de MOL baat hebben bij deze verordening ingevoerde liberalisering. De Commissie zal ook nagaan of de beschikbare instrumenten adequaat zijn om zo nodig het hoofd te bieden aan ernstige verstoringen van de communautaire markten en van de regulerende mechanismen, met name wat betreft rijst, suiker en bananen. In het licht van dit onderzoek zal de Commissie in 2005 verslag uitbrengen bij de Raad en zal zij eventuele passende voorstellen doen.

De Raad kwam ook overeen dat indien invoer van gevoelige producten een ernstige verstoring van de communautaire markten en van hun regulerende mechanismen met zich brengt, de Commissie de bij de verordening ingestelde preferentiële behandeling voor de betrokken producten kan schorsen overeenkomstig de in een vrijwaringsclausule vervatte procedure.

DIVERSEN


-
EL SALVADOR

De Spaanse minister van Buitenlandse Zaken Josep PIQUÉ vestigde de aandacht van de Raad op de moeilijke situatie van El Salvador als gevolg van de reeks aardbevingen die dit kleine land de laatste zes weken heeft getroffen.

De Raad verzocht de lidstaten en de Commissie hun bijstand aan El Salvador voort te zetten en hun actie in het gebied nauw te coördineren. In dit verband verheugde hij zich over de vergadering van de Adviesgroep voor El Salvador die op 7 maart in Madrid wordt gehouden en benadrukte hij dat de internationale hulp op doeltreffende wijze dient te worden gecoördineerd.


-
ZIMBABWE

De Raad heeft een korte gedachtewisseling gehouden over Zimbabwe, nadat de minister van Buitenlandse Zaken van het VK, Robin COOK, actuele informatie had verstrekt over de situatie in dit land, die er in de afgelopen weken sterk op achteruit is gegaan.

De Raad zal de nodige stappen ondernemen om de regering van Zimbabwe een uitgebreide en evenwichtige dialoog voor te stellen. De Raad zal te zijner tijd op deze kwestie terugkomen.

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

EXTERNE BETREKKINGEN

Gemeenschappelijke strategieën - conclusies van de Raad

De Raad is ingenomen met het verslag van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger inzake gemeenschappelijke strategieën, dat op waardevolle wijze bijdraagt aan zijn beraad over de verbetering van de doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie.

Gemeenschappelijke strategieën vormen een belangrijk instrument voor een meer samenhangende behartiging van de belangen van de Unie. Dit neemt niet weg dat het potentieel van deze strategieën verder moet worden ontwikkeld en grotere inspanningen nodig zijn om de uitvoering ervan te verbeteren.

Met het oog op een doelmatiger toepassing van de bestaande en toekomstige gemeenschappelijke strategieën is de Raad overeengekomen dat de volgende richtsnoeren moeten worden gevolgd:


- Van gemeenschappelijke strategieën wordt verwacht dat zij een duidelijke, op voorhand vastgestelde, toegevoegde waarde opleveren, waaronder de verbetering van de samenhang en de coördinatie van het externe beleid, zowel bilateraal als multilateraal.

- Gemeenschappelijke strategieën worden nadrukkelijker gericht op duidelijk omschreven problemen en onderwerpen. Zij dienen specifieke, duidelijk omschreven en verifieerbare beleidsdoelstellingen. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie vervullen hierbij een centrale rol.

- Met gemeenschappelijke strategieën wordt gestreefd naar een meer samenhangend gebruik van alle passende middelen en bronnen die de Unie, de Gemeenschap en de lidstaten ter beschikking staan, onder meer door een daarop aansluitende uitvoering via met gekwalificeerde meerderheid vastgestelde gemeenschappelijke standpunten en gezamenlijke optredens.

- De stand van de uitvoering van verifieerbare doelstellingen wordt geregeld getoetst en indien nodig wordt er bijgestuurd. In het kader van zijn algemene verantwoordelijkheid zorgt de Raad vooral voor nauwlettend toezicht op de uitvoering, hetgeen onder meer, in januari, een jaarlijkse evaluatie inhoudt; hij baseert zich daarvoor op de bijdragen van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie, die beiden een actieve rol in de uitvoering spelen.

De Raad hoopt verdere aanbevelingen van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie over de verbetering van de uitvoering van bestaande gemeenschappelijke strategieën te ontvangen.

Instelling van een snellereactiemechanisme

De Raad heeft een verordening aangenomen tot instelling van een snellereactiemechanisme.

Het SRM moet de Gemeenschap in staat stellen in spoedeisende of crisissituaties, of in dreigende crisissituaties, snel, efficiënt en soepel te reageren. Het is gebaseerd op een groot aantal bestaande communautaire juridische instrumenten, die zowel "geografisch" als "sectorieel" zijn (bv. voedselhulp, wederopbouw, NGO's, enz.).

SRM-acties kunnen worden ondernomen indien

a) de voorgenomen actie onmiddellijk optreden vereist en in het kader van de bestaande juridische instrumenten niet binnen een redelijke termijn kan worden ingeleid, zulks in het licht van de noodzaak om snel te handelen;

b) de actie in de tijd beperkt is.

In specifieke veiligheids- en crisisbeheersingsomstandigheden kan de Commissie besluiten dat een optreden in het kader van het snellereactiemechanisme wordt gekoppeld aan een ECHO-actie.

Het SRM kan op gang worden gebracht wanneer in de betrokken begunstigde landen sprake is van een werkelijke of opkomende crisissituatie, een situatie die de openbare orde en de veiligheid van met name personen bedreigt, een situatie die dreigt te ontaarden in een gewapend conflict of het land dreigt te destabiliseren, en de betrokken situatie afbreuk zou kunnen doen aan het positieve effect van de bijstand- en samenwerkingsmaatregelen en -programma's, de doeltreffendheid daarvan en/of de voorwaarden voor de goede uitvoering.

Elk jaar bepaalt de begrotingsautoriteit, binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten, een maximumtotaalbedrag voor de financiering van de krachtens deze verordening vastgestelde maatregelen. De Commissie voorziet een bedrag van 20 miljoen euro voor 2001 en van 25 miljoen euro voor 2002.

Turkije - Partnerschap voor toetreding

De Raad heeft een verordening aangenomen betreffende hulp aan Turkije in het kader van de pretoetredingsstrategie, inzonderheid de invoering van een partnerschap voor toetreding.

Dit partnerschap, inzonderheid de tussentijdse doelstellingen ervan, moet Turkije helpen zich in het kader van economische en sociale convergentie op het lidmaatschap voor te bereiden en een nationaal programma voor de overname van het acquis uit te werken, tezamen met een tijdschema voor de uitvoering ervan.

Het partnerschap voor toetreding voorziet in één enkel kader dat het volgende omvat:


- de prioriteiten voor de voorbereiding op de toetreding zoals deze resulteren uit de analyse van de situatie van Turkije in het licht van de politieke en economische criteria en uit de aan de hoedanigheid van lidstaat van de Europese Unie inherente verplichtingen zoals deze door de Europese Raad zijn bepaald;
- de financiële middelen om Turkije te helpen bij de tenuitvoerlegging van de prioritaire werkzaamheden zoals vastgesteld in de periode voorafgaand aan de toetreding.

De Raad zal te zijner tijd de beginselen, prioriteiten, tussentijdse doelstellingen en voorwaarden van het partnerschap voor toetreding vaststellen zoals deze aan Turkije zullen worden voorgelegd, en op basis van deze besluiten wordt de programmering van de financiële middelen in het kader van het partnerschap voor toetreding vastgesteld.

Gememoreerd zij dat de staatshoofden en regeringsleiders tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van Helsinki op 10 en 11 december 1999


- opnieuw het inclusieve karakter van het toetredingsproces, dat thans 13 kandidaat-lidstaten in één kader omvat, hebben bevestigd.
- hebben verklaard dat Turkije als kandidaat-lidstaat voorbestemd is om tot de Unie toe te treden op basis van dezelfde criteria als die welke voor de andere kandidaat-lidstaten gelden en dat, voortbouwend op de bestaande Europese strategie, Turkije evenals andere kandidaat-lidstaten in aanmerking zal komen voor een pretoetredingsstrategie om zijn hervormingen te stimuleren en te ondersteunen.

- hebben verklaard dat een partnerschap voor toetreding zal worden ingevoerd op basis van eerdere conclusies van de Europese Raad, dat de prioriteiten behelst waarop de toetredingsvoorbereidingen toegespitst moeten zijn in het licht van de politieke en economische criteria, en de verplichtingen van een lidstaat.

FRJ - specifieke beperkende maatregelen tegen Slobodan Milosevic en de met hem verbonden personen

De Raad Algemene Zaken heeft op 9 oktober 2000 besloten alle sinds 1998 aan de FRJ opgelegde sancties op te heffen, met uitzondering van de maatregelen betreffende Slobodan Milosevic en de met hem verbonden personen. Bijgevolg heeft de Raad op 10 november besloten tot een eerste vermindering van het aantal personen op wie de overige restrictieve maatregelen van toepassing zijn. Deze restrictieve maatregelen bestaan uit een visumverbod, de bevriezing van persoonlijke activa en een verbod op iedere financiële transactie met de betrokken personen.

In de conclusies van 22 januari 2001 verheugt de Raad zich over het feit dat de parlementsverkiezingen in Servië in december eerlijk en in vrijheid verlopen zijn. De verkiezingsuitslag bevestigt dat het Servische volk vastbesloten is om door te gaan met de consolidering van de democratie in zijn land.

Als volgende stap in de ontwikkeling van de betrekkingen van de EU met de FRJ heeft de Raad vandaag besloten zijn restrictieve maatregelen tegen burgers van de FRJ te beperken tot de voormalige president van de FRJ. Slobodan Milosevic, zijn gezin en vier personen tegen wie het internationaal oorlogstribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) een aanklacht heeft ingediend en die in dezelfde aanklacht worden genoemd als Slobodan Milosevic (Milutinovic, Sainovic, Ojdanic en Stoljilkovic) en drie voormalige officieren van het Joegoslavische nationale leger tegen wie door het ICTY een aanklacht is ingediend wegens wreedheden tegen burgers in Vukovar (Mrksic, Radic, Slivancanin).

Indien nodig zal de Raad deze restrictieve maatregelen in de toekomst herzien.

Associatie van de landen en gebieden overzee

De Raad heeft een besluit aangenomen tot verlenging van Besluit 91/482/EEG betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee (LGO) met de EU tot 1 december 2001.

Dit besluit wordt genomen ter vermijding van een juridisch vacuüm, aangezien het niet mogelijk was om vóór het verstrijken van de huidige regeling eind februari 2001, op basis van het Commissievoorstel van 27 november 2000 tot een besluit te komen over de nieuwe bepalingen van deze associatie.

Bangladesh - partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst

De Raad heeft een besluit aangenomen betreffende de sluiting van een samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en samenwerking, ondertekend te Brussel op 22 mei 2000.

Aangezien de regering van Bangladesh de Europese Gemeenschap reeds heeft meegedeeld dat van haar kant geen verdere formaliteiten vereist zijn, treedt deze overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop aan Bangladesh kennis wordt gegeven van het besluit van de Raad van heden.

Betrekkingen met Rusland - Kaliningrad

De Raad heeft positief gereageerd op de Commissiemededeling van 17 januari over de EU en Kaliningrad, die een goede basis vormt voor de ontwikkeling van de verdere samenwerking van de EU met Rusland en de buurlanden om een oplossing te vinden voor de specifieke, aan Kaliningrad gerelateerde problemen in verband met het verkeer van goederen en personen, de energievoorziening, de visserij, de economische ontwikkeling, het bestuur, de democratie en de rechtsstaat, het milieu en de gezondheid. De Raad is tot overeenstemming gekomen over de volgende aspecten van de procedure en zal:


- nota nemen van de eerste besprekingen van voorzitterschap/Commissie/secretariaat over Kaliningrad in het kader van het overleg voorafgaand aan de conferentie van de ministers van Buitenlandse Zaken over de noordelijke dimensie op 9 april in Luxemburg;

- de Groep Oost-Europa en Centraal-Azië belasten met de algehele verantwoordelijkheid voor de voorbereiding van de EU-standpunten inzake Kaliningrad;

- de Groep Midden-Europa opdracht geven de haar betreffende delen van de mededeling te behandelen, vooral om mogelijkheden te vinden voor verdere samenwerking met Polen en Litouwen, en tijdig verslag uit te brengen vóór de zitting van de Samenwerkingsraad Rusland op 10 april 2001;


- er nota van nemen dat het voorzitterschap zo nodig ook andere Raadsinstanties kan verzoeken bij te dragen tot de bepaling van een standpunt van de EU inzake Kaliningrad;
- uitzien naar de besprekingen met Rusland over de toestand in Kaliningrad in het kader van de PSO, dat wil zeggen in de desbetreffende subcomités en tijdens de komende vierde zitting van de Samenwerkingsraad; en

- nota nemen van het voornemen van het voorzitterschap om in Raadsverband op deze kwestie terug te komen met het oog op de bepaling van verdere standpunten van de EU.

Afghanistan - Aanvullende beperkende maatregelen tegen de Taliban

De Raad heeft een gemeenschappelijk standpunt aangenomen betreffende aanvullende beperkende maatregelen tegen de Taliban en tot wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 96/746/GBVB.

Doel van dit gemeenschappelijk standpunt is de sancties tegen de Taliban en met de Taliban verband houdende personen op het grondgebied van Afghanistan dat door de Taliban gecontroleerd wordt, aan te scherpen. Het gemeenschappelijk standpunt voorziet in een wapenembargo, een vluchtverbod en de bevriezing van de buitenlandse tegoeden en andere financiële activa van de Taliban. Ook voorziet het gemeenschappelijk standpunt in de sluiting van alle in de EU gevestigde kantoren van de Taliban en van Ariana Afghan Airlines en een verbod op de verkoop van de chemische stof azijnzuuranhydride op het Afghaanse grondgebied dat door de Taliban gecontroleerd wordt.

Civiele bescherming

De Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen,

hebben de volgende resolutie over de versterking van de capaciteit van de Europese Unie op het gebied van civiele bescherming aangenomen:

DE RAAD EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN, IN

HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN,


1. ERVAN OVERTUIGD dat de talloze door de mens veroorzaakte, technische rampen en natuurrampen die de Europese Unie en derde landen treffen, vragen om het versterken en doeltreffender maken van de capaciteit van de Europese Unie en de lidstaten op het gebied van civiele bescherming.

2. VAN OORDEEL ZIJNDE dat de Gemeenschap, zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden van de lidstaten, een adequate combinatie van paraatheid en preventie, het effectief verzamelen en verspreiden van informatie en ervaringen, het coördineren van de op nationaal en communautair niveau beschikbare middelen, en het samenwerken van de lidstaten, met name bij rampen die het interventievermogen van de afzonderlijke lidstaten overstijgen, dient te bevorderen.

3. BENADRUKKEND dat de bij de Beschikkingen 98/22/EG van de Raad (
1) en 1999/847/EG van de Raad ( 2) vastgestelde communautaire actieprogramma's voor civiele bescherming bijdragen tot een beter gebruik en een betere integratie van de voorzieningen van de lidstaten, en een aanvulling zijn op de maatregelen die naar aanleiding van eerdere resoluties van de Raad en de lidstaten ( 3) zijn genomen.

4. OVERWEGENDE dat het noodzakelijk is de vorige resoluties met deze resolutie aan te vullen, rekening houdend met recente ontwikkelingen, onder meer die op het gebied van niet-militaire crisisbeheersing in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB).

5. WIJZEN EROP dat de in de communautaire actieprogramma's ingebouwde flexibiliteit ervoor moet zorgen dat de op communautair en nationaal niveau geplande acties gemakkelijker worden aangepast aan de veranderende prioriteiten op het gebied van civiele bescherming, onder meer middels een verbeterde integratie van de doelstellingen inzake civiele bescherming in andere beleidsvormen en -maatregelen zoals milieubescherming, alsmede de rol van civielebeschermingsmiddelen bij de civiele aspecten van crisisbeheersing moet versterken.

6. INFORMATIE/OPLEIDING/COMMUNICATIE

BEKLEMTONEN in dit verband
a) het belang van het vademecum voor civiele bescherming in de Europese Unie, met onder meer een beschrijving van de wijze waarop de civiele bescherming in de lidstaten is georganiseerd, alsmede een overzicht van de wetgeving en methoden die bij de voorbereiding op noodsituaties worden gevolgd, en nemen er nota van dat het vademecum op diverse punten geactualiseerd en aangevuld moet worden;

b) de meerwaarde van het communautaire kader voor contacten tussen nationale correspondenten;
c) dat een intensiever gebruik van geavanceerde informatie- en telecommunicatiesystemen noodzakelijk is om de meest recente informatie over rampen te kunnen verstrekken; d) dat werk moet worden gemaakt van initiatieven zoals voorlichtingscampagnes op het gebied van civiele bescherming, alsmede initiatieven inzake informatie, educatie en bewustmaking van het publiek en met name van jongeren, teneinde het zelfbeschermingsniveau van de burgers te verhogen; e) de voordelen die verbonden zijn aan het - als onderdeel van opleidingsprogramma's, in het bijzonder simulatie-oefeningen - uitwisselen van personen die verantwoordelijk zijn voor civiele bescherming en aan het stimuleren van het bijeenbrengen van de ervaringen van civielebeschermingsdiensten; f) dat de samenwerking tussen scholen en nationale opleidingscentra die actief zijn op het gebied van civiele bescherming, moet worden geïntensiveerd;
g) dat het uiterst zinvol is de ervaringen van niet-gouvernementele en andere particuliere, bij de civiele bescherming betrokken organisaties in de sector vrijwilligers te evalueren, zodat hun middelen beter kunnen worden aangewend en hun bijdrage aan de met civiele bescherming samenhangende activiteiten kan worden vergroot.


7. OPERATIONELE ACTIVITEITEN EN INSTRUMENTEN

ONDERSTREPEN

a) de vorderingen die zijn gemaakt inzake regelingen voor bijstand tussen de lidstaten en organisaties voor civiele bescherming; b) het grote nut van het communautaire operationele handboek met lijsten van de nationale en communautaire contactpunten, de plaatsen waar deskundig advies over bepaalde interventieaspecten kan worden ingewonnen, een overzicht van de in elke lidstaat voorhanden zijnde middelen, alsook de procedures en regelingen waarmee die voorzieningen ter beschikking kunnen worden gesteld, waardoor de coördinatie tussen de lidstaten wordt verbeterd; c) het grote nut van de door de Commissie ingestelde permanente operationele dienst op stand-by-basis en van afspraken met de Commissie inzake de detachering van deskundigen; d) het nut van het gemeenschappelijke noodnummer 112 dat is ingesteld bij Beschikking 91/396/EEG van de Raad van 29 juli 1991 inzake invoering van een gemeenschappelijk Europees oproepnummer voor hulpdiensten ( 4);
e) de rol van het permanente netwerk van nationale correspondenten om de communautaire samenwerking samenhangend te maken en informatie te verzamelen over de bijstandsvoorzieningen die in geval van een ramp in elke lidstaat voorhanden zijn; f) de belangrijke rol die de directeuren-generaal Civiele Bescherming of hun ambtgenoten kunnen spelen bij de vaststelling van belangrijke prioriteiten en gemeenschappelijke doelstellingen, en bij het tot stand brengen van een hoog coördinatieniveau, in het bijzonder tijdens hun regelmatige vergaderingen.


8. INTERNATIONALE ASPECTEN

a) BEKLEMTONEND dat de coördinatie van op internationaal niveau, bijvoorbeeld in het kader van de VN, de OVSE en de NAVO genomen maatregelen, moet worden verbeterd, teneinde de daarvoor ingezette middelen rationeler te benutten; nota nemend van het voornemen van de lidstaten en de Commissie om stappen te ondernemen ter vermijding van dubbel werk en ter versterking van het meest doelmatig gebruik van deskundigheid;
b) NEMEN ER NOTA VAN dat de EVA-landen aan verscheidene activiteiten in het kader van het communautaire actieprogramma deelnemen;
c) ZIJN VERHEUGD dat het VN/ECE-Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen op 19 april 2000 in werking is getreden;
d) DRINGEN AAN op een snelle uitvoering van de resolutie van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 9 december 1999 inzake samenwerking op het gebied van civiele bescherming tussen de Gemeenschap en haar lidstaten met de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa en Cyprus ( 5), met name wat betreft de uitwisseling van informatie tussen hen, inclusief wat de operationele handboeken betreft, en zijn van oordeel dat andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie op dezelfde wijze dienen te worden behandeld;
e) VERZOEKEN de Commissie en de lidstaten voort te gaan met de proefprojecten inzake civiele bescherming die in het kader van de Europees-Mediterrane strategie zijn ondernomen, en na te gaan hoe kan worden gewerkt aan een intensievere samenwerking krachtens deze strategie;
f) VERZOEKEN de Commissie en de lidstaten ook om na te gaan hoe een soortgelijke actie ondernomen kan worden in de vorm van een Europees-Baltisch programma voor samenwerking op het gebied van civiele bescherming in de Baltische en de Barentszregio.


9. CIVIELE BESCHERMINGSMIDDELEN IN HET KADER VAN CRISISBEHEERSING

a) ER NOTA VAN NEMEND dat er bij de uitvoering van het actieplan voor niet-militaire crisisbeheersing dat de Europese Raad van Helsinki in december 1999 heeft uitgestippeld, wellicht voorzieningen van de civiele bescherming zullen moeten worden ingezet en dat dus moet worden gestreefd naar samenhang tussen de pijlers; b) ZIJN VERHEUGD dat er in de studie betreffende de concrete doelen van de civiele aspecten van crisisbeheersing die voorgelegd is aan de Europese Raad van Feira van 19/20 juni 2000, prioriteit wordt toegekend aan civiele bescherming;
c) NEMEN ER NOTA van dat er bij het op 22 mei 2000 aangenomen besluit van de Raad een comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing is opgericht; ( 6)
d) BEVELEN AAN dat de middelen en voorzieningen waarover de lidstaten beschikken op het gebied van civiele bescherming, na door de bevoegde instanties beoordeeld te zijn, ingezet worden in het kader van de crisisbeheersing ter ondersteuning van het GBVB.

Rekenkamer - Speciaal verslag 12/2000

De Raad heeft conclusies aangenomen met betrekking tot Speciaal Verslag nr. 12/2000 van de Rekenkamer over het beheer door de Commissie van de steun van de Europese Unie voor de ontwikkeling van de mensenrechten en de democratie in derde landen wat betreft hoofdstuk B7-7 tussen 1994 en 1998, waarin een aantal aanpassingen in het beheer door de Commissie van het Europees initiatief terzake wordt aanbevolen.

Europese Economische Ruimte - Besluiten van het Gemengd Comité

De Raad heeft namens de EU zijn goedkeuring gehecht aan twee ontwerp-besluiten van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van


- bijlage II - technische voorschriften, normen, keuring en certificatie en bijlage XI -telecommunicatiediensten - bij de EER-overeenkomst, door er onlangs aangenomen acquis op deze gebieden (Richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van Richtlijn 98/34/EG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften) in op te nemen;

- bijlage IX - financiële diensten - bij de EER-overeenkomst door er onlangs aangenomen acquis op dit gebied (Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen) in op te nemen.

Samenwerking en handelsbetrekkingen tussen de EU en de geïndustrialiseerde landen van Noord-Amerika, het Verre Oosten en Australazië

De Raad heeft een verordening aangenomen betreffende de tenuitvoerlegging van projecten ter bevordering van de samenwerking en de handelsbetrekkingen tussen de EU en de geïndus-trialiseerde landen van Noord-Amerika, het Verre Oosten en Australazië.

De verordening heeft meer bepaald tot doel één begrotingslijn in te stellen voor de financiering van activiteiten ter bevordering van de samenwerking en de handelsbetrekkingen met de Verenigde Staten, Canada, Japan, de Republiek Korea, Australië en Nieuw-Zeeland. Tot dusver werden die activiteiten uit verschillende begrotingslijnen gefinancierd.

Europa-overeenkomsten met Hongarije en de Tsjechische Republiek - Aanvullende protocols inzake industrieproducten - "PECA"

De Raad heeft besluiten aangenomen betreffende de ondertekening en sluiting van twee aanvullende protocollen inzake overeenstemmingsbeoordeling en de aanvaarding van industrieproducten bij de Europa-overeenkomsten waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en respectievelijk de Tsjechische Republiek en Hongarije, anderzijds.

De ondertekening van deze twee protocollen heeft vandaag, 26 februari, plaatsgevonden (zie persmededeling 6512/01 Presse 67).

Associatieraden met de Baltische staten

De Raad heeft het standpunt van de Europese Unie vastgesteld met het oog op de vierde zitting van de Associatieraden op 27 februari


- met Estland (zie persmededeling UE-EE 807/01 Presse 71),

- met Letland (zie persmededeling UE-LV 855/01 Presse 72),

- met Litouwen (zie persmededeling UE-LT 907/01 (Presse 73).
Gezamenlijke Raad EU-Mexico

De Raad heeft het standpunt van de Europese Unie vastgesteld met het oog op de eerste zitting van de Gezamenlijke Raad EU-Mexico, ingesteld bij de op 1 oktober 2000 in werking getreden Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de EU en Mexico, op 27 februari (zie persmededeling UE-MX 3856/01 (Presse 74).

HANDELSVRAAGSTUKKEN

Betrekkingen met Bulgarije, Hongarije en Roemenië - wijnen en gedistilleerde dranken

De Raad heeft een verordening aangenomen betreffende de sluiting van overeenkomsten in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Bulgarije, de Republiek Hongarije en Roemenië betreffende wederzijdse handelsconcessies voor bepaalde wijnen en gedistilleerde dranken, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 933/95.

De Gemeenschap heeft in 1993 met elk van de drie bovengenoemde landen twee overeenkomsten gesloten betreffende de wederzijdse vaststelling van tariefcontingenten voor bepaalde wijnen, enerzijds, en betreffende de wederzijdse bescherming van en controle op wijnbenamingen, anderzijds. De overeenkomsten betreffende tariefcontingenten, die aanvankelijk op 31 december 1997 moesten aflopen voor Bulgarije en Roemenië, en op 31 december 1998 voor Hongarije, zijn uiteindelijk verlengd tot en met 31 december 2000.

In december 1998 heeft Raad de Commissie gemachtigd om met elk van deze landen onderhandelingen te voeren met het oog op een nieuwe overeenkomst, in de vorm van een aanvullend protocol bij de Europaovereenkomst, die in de plaats zou komen van de twee bestaande overeenkomsten en waarvan het toepassingsgebied zou worden uitgebreid tot gedistilleerde dranken. Deze onderhandelingen zijn thans beëindigd. In afwachting van de procedure voor de aanneming van de nieuwe protocollen, en om de regeling van het preferentieel handelsverkeer niet te onderbreken, heeft de Commissie met de drie betrokken landen eveneens onderhandeld over overeenkomsten in de vorm van een briefwisseling waardoor de in de protocollen op te nemen handelsconcessies nu reeds in werking kunnen treden. Het onderhavige voorstel beoogt de sluiting van deze briefwisselingen en voorziet in de interne bepalingen voor de tenuitvoerlegging ervan (aanpassingen van Verordening (EG) nr. 933/95).

Textiel - markttoegang (Sri Lanka)

De Raad heeft een besluit aangenomen betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka inzake regelingen op het gebied van de markttoegang voor textiel- en kledingproducten, en inzake de goedkeuring van de voorlopige toepassing van deze overeenkomst.

De overeenkomst bepaalt dat Sri Lanka:


- zijn invoerrechten voor de sector textiel en kleding binnen de WTO zal consolideren op het niveau dat de Europese Unie passend acht voor ontwikkelingslanden, met enkele zeldzame uitzonderingen;
- zijn rechten zal verlagen tot deze nieuwe geconsolideerde niveaus indien zij momenteel hoger liggen;

- zich ertoe verbindt geen tarieven in de sector toe te passen die hoger zijn dan die welke momenteel worden toegepast ("standstill"), indien de momenteel toegepaste rechten in de sector lager zijn dan de geconsolideerde rechten.

De overeenkomst bepaalt dat de Europese Gemeenschap:


- de huidige toepassing van kwantitatieve beperkingen voor de vier categorieën (categorieën 6, 7, 8 en 21) zal schorsen na kennisgeving door Sri Lanka aan de WTO van de overeengekomen geconsolideerde rechten, en eerbiediging door Sri Lanka van de overeengekomen rechten;

- het recht behoudt de contingentregeling opnieuw toe te passen op het niveau dat voor het desbetreffende jaar van toepassing is, indien Sri Lanka zich niet houdt aan bovengenoemde verplichtingen of aan de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen op niet-tarifair gebied.

De overeenkomst bepaalt verder dat bepaalde categorieën textiel- en kledingproducten van Sri Lanka naar de Europese Gemeenschap (een breder scala dan de eerdere contingenten) worden onderworpen aan een systeem van dubbele controle. Zij verplicht de partijen tevens geen niet-tarifaire belemmeringen voor de handel in de sector textiel en kleding in te voeren. Tenslotte voorziet de overeenkomst in periodiek overleg en in overleg op verzoek, met betrekking tot welke bepaling dan ook, en zij voorziet verder in volledige samenwerking tussen de partijen met betrekking tot kennisgevingen die aan de WTO of een van de WTO-organen moeten worden gedaan.

Textiel - gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit derde landen

De Raad heeft besloten tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3030/93 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen.

De wijzigingen betreffen in grote lijnen het volgende:

a) toestemming aan de bevoegde autoriteiten om de goederen in de Gemeenschap in het vrije verkeer te brengen, afhankelijk van het advies van de lidstaten;
b) verplichting voor importeurs om de autoriteiten van de lidstaat mede te delen of zij hun invoervergunning volledig hebben benut; c) de comitéprocedures (noodzaak om ze in overeenstemming te brengen met Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden); d) elektronische vergunningafgifte zonder papier.

Textiel - handel in textielproducten (Bosnië en Herzegovina)

De Raad heeft een besluit aangenomen betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van de op 24 november 2000 in Brussel geparafeerde overeenkomst betreffende de handel in textielproducten tussen de Europese Gemeenschap en Bosnië en Herzegovina.

Bij de overeenkomst wordt een systeem van dubbele controle (surveillance) ingesteld op de invoer van producten waarop momenteel contingenten van toepassing zijn krachtens Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad, evenals bepalingen inzake administratieve samenwerking en een vrijwaringsmechanisme.

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Schengen - toepassing van het acquis in de Noordse landen

De Raad heeft nota genomen van een verslag van het Zweedse voorzitterschap waarin wordt bevestigd dat het Schengenacquis in de Noordse landen met ingang van 25 maart 2001 volledig zal worden toegepast.

Op 1 december 2000 heeft de Raad besloten ( 7) dat, vanaf 25 maart 2001, het Schengenacquis wordt toegepast in Denemarken, Zweden, Finland, Noorwegen en IJsland, zowel in hun onderlinge betrekkingen als in hun betrekkingen met de landen waar Schengen reeds wordt toegepast. Er moesten echter evaluatiebezoeken worden uitgevoerd (overeenkomstig een verleend mandaat) om na te gaan of het SIS functioneert en correct wordt toegepast en om na te gaan of de Noordse luchthavens en de havens in Denemarken en Noorwegen aan de noodzakelijke vereisten voldoen. Krachtens dit besluit wordt het SIS in de Noordse staten toegepast sinds 1 januari 2001.

Ter voorbereiding van deze verslagen werden bezoeken georganiseerd aan het SIS in januari en aan de lucht- en zeegrenzen in februari. Frankrijk bekleedde het voorzitterschap van de inspectiecommissies.

Op basis van de bevindingen van de inspectiecommissies aan de Noordse landen is het duidelijk dat het SIS functioneert, dat het op correcte wijze zal worden toegepast, en dat de controles aan de buitengrenzen op de Noordse luchthavens en in de zeehavens van Denemarken en Noorwegen vanaf 25 maart 2001 aan de noodzakelijke vereisten zullen voldoen. Er zijn derhalve geen redenen om deze datum uit te stellen.

Voorts zullen de Noordse staten zoveel mogelijk de aanbevelingen van de inspectiecommissies opvolgen, teneinde hun toepassing van het Schengenacquis te verbeteren.

De Noordse staten zullen de Groep Schengenevaluatie informeren over de concrete maatregelen die zij hebben uitgevoerd om de diverse aanbevelingen van de visitatiecommissies in aanmerking te nemen. Die informatie zullen de Noordse staten ofwel gefaseerd, ofwel in één keer verstrekken vóór 1 juli 2001.

Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving

De Raad heeft overeenstemming bereikt over een advies over het werkprogramma van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor de periode 2001-2003.

In dit advies staat het volgende: de Raad, zijn waardering uitsprekend voor het voorgenomen doel van het programma, namelijk er allereerst voor zorgen dat de informatie een hoge mate van degelijkheid en betrouwbaarheid vertoont;


1. Moedigt het EWDD aan, voort te gaan of een begin te maken met de werkzaamheden ten aanzien van de vijf prioritaire werkterreinen als genoemd in de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 302/93 van de Raad;

2. Pleit ervoor om verder werk te maken van de uitvoering van het door het EWDD gecoördineerde gemeenschappelijk programma PHARE/EWDD, dat bedoeld is om de kandidaat-lidstaten geleidelijk op te nemen in het Europees netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (Reitox);

3. Wenst dat in elk jaarlijks werkprogramma van het EWDD de beleidslijnen van het driejarig programma concreet en gedetailleerd worden aangegeven, inclusief de personeelsbehoeften van het Centrum en de noden van de nationale aanspreekpunten;
4. Acht het van belang dat de nieuwe taken voor de nationale aanspreekpunten op adequate wijze worden geïntegreerd wanneer een besluit wordt genomen over de uitvoering van het werkprogramma van het EWDD;

5. Verzoekt de directeur om zijn voorstel voor een driejarig werkprogramma vergezeld te laten gaan van een goed leesbare samenvatting waarin de doelstellingen, activiteiten, resultaatsindicatoren en tijdschema's worden vermeld.
6. Acht het van belang dat het EWDD nauw samenwerkt en overleg pleegt met de andere instellingen en organen van de Europese Unie, alsmede met internationale/regionale organisaties, teneinde tot synergie te komen en doublures uit te schakelen.

ONDERWIJS

Samenwerkingsprogramma op het gebied van het hoger onderwijs, het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding met de Verenigde Staten van Amerika

De Raad heeft het besluit aangenomen betreffende de sluiting van de op 18 december 2000 tijdens de Top van de EU en de Verenigde Staten ondertekende overeenkomst tot vernieuwing van de van 1995 daterende Overeenkomst tot vaststelling van een samenwerkingsprogramma op het gebied van het hoger onderwijs en de beroepsopleiding.

Het samenwerkingsprogramma heeft in het bijzonder ten doel:
- een beter begrip tussen de volkeren van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika te bevorderen, alsmede een bredere kennis van hun talen, culturen en instellingen;
- de kwaliteit van de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen te verbeteren, waaronder de verwerving van de vaardigheden die nodig zijn om de uitdagingen van de op kennis gebaseerde wereldeconomie aan te gaan;

- een vernieuwende en duurzame reeks studentgerichte samenwerkingsactiviteiten te stimuleren op het gebied van hoger onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding die een duurzaam effect hebben;

- de kwaliteit van de transatlantische mobiliteit van studenten te verbeteren door de transparantie, de wederzijdse erkenning van studieperiodes en, indien van toepassing, de overdraagbaarheid van studiepunten te bevorderen;

- de uitwisseling van kennis op het gebied van e-learning en open en afstandsonderwijs en het daadwerkelijke gebruik daarvan aan te moedigen om het effect van het programma te verbreden;
- partnerschappen te vormen en te stimuleren tussen instellingen voor hoger onderwijs, beroepsonderwijs en beroepsopleiding, beroepsorganisaties, overheden, de particuliere sector en andere verenigingen;

- de Europese en Amerikaanse toegevoegde waarde van de transatlantische samenwerking op het gebied van het hoger onderwijs, het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding te versterken; en

- een aanvulling te vormen op relevante bilaterale programma's tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, alsmede op andere programma's en initiatieven van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten.

Samenwerkingsprogramma op het gebied van het hoger onderwijs en de beroepsopleiding met Canada

De Raad heeft het besluit aangenomen betreffende de sluiting van de op 19 december 2000 tijdens de Top van de EU en Canada ondertekende overeenkomst tot vernieuwing van de van 1995 daterende Overeenkomst tot vaststelling van een samenwerkingsprogramma op het gebied van het hoger onderwijs en de beroepsopleiding.

Het samenwerkingsprogramma heeft in het bijzonder ten doel:


- een beter begrip tussen de volkeren van de Europese Gemeenschap en Canada te bevorderen, alsook een bredere kennis van hun talen, culturen en instellingen;

- de kwaliteit van de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen te verbeteren, met inbegrip van de verwerving van de vaardigheden die voor de op kennis gebaseerde wereldeconomie vereist zijn;
- op het gebied van het hoger onderwijs en de beroepsopleiding een reeks innovatieve en duurzame studentgerichte samenwerkingsactiviteiten te stimuleren die een duurzaam effect hebben;

- de kwaliteit van de transatlantische mobiliteit van studenten te verbeteren door de transparantie, de wederzijdse erkenning van kwalificaties en studie- en opleidingstijdvakken, en waar nodig de overdraagbaarheid van studiepunten te bevorderen;
- de uitwisseling van kennis op het gebied van e-learning en open en afstandsonderwijs, alsook het daadwerkelijk gebruik daarvan door projectpartnerschappen aan te moedigen, teneinde het effect van het programma te verbreden;

- partnerschappen te vormen of te stimuleren tussen instellingen voor hoger onderwijs en beroepsopleiding, beroepsorganisaties, overheden, de particuliere sector en waar nodig andere verenigingen;

- de Europese en Canadese toegevoegde waarde van de transatlantische samenwerking op het gebied van het hoger onderwijs en de beroepsopleiding te versterken;
- een aanvulling te vormen op de bilaterale programma's tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en Canada, alsmede op andere Europese en Canadese programma's en initiatieven.

BENOEMINGEN

Comité van de Regio's

De Raad heeft het besluit aangenomen houdende benoeming van:


- de heer W. ZWAAN tot lid van het Comité van de Regio's ter vervanging van de heer A.G.J.M. ROMBOUTS voor de verdere duur van diens ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2002, en van

- de heer VERKERK tot plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's ter vervanging van mevrouw Mathilde VAN DEN BRINK voor de verdere duur van haar ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2002.

Economisch en Sociaal Comité

De Raad heeft het besluit aangenomen houdende benoeming van de heer Alfredo Manuel VIEIRA CORREIA tot lid van het Economisch en Sociaal Comité ter vervanging van de heer Manuel António ARAUJO DOS SANTOS voor de verdere duur van diens ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2002.



Footnotes:

( 1)
PB L 8 van 14.1.1998, blz. 20.

( 2)
PB L 327 van 21.12.1999, blz. 53.

( 3)
Resoluties van:


-
25 juni 1987 betreffende de instelling van communautaire samenwerking op het gebied van de civiele bescherming (PB C 176 van 4.7.1987, blz. 1).

- 13 februari 1989 betreffende de nieuwe ontwikkelingen van de communautaire samenwerking op het gebied van de burgerbescherming (PB C 44 van 23.2.1989, blz. 3).

- 23 november 1990 over de communautaire samenwerking op het gebied van de civiele bescherming

(PB C 315 van 14.12.1990, blz. 1).


- 23 november 1990 betreffende de verbetering van de onderlinge hulp tussen lidstaten bij natuurrampen of rampen ten gevolge van menselijk optreden (PB C 315 van 14.12.1990, blz. 3).


- 8 juli 1991 betreffende de verbetering van de onderlinge hulp tussen lidstaten bij natuurrampen en technische rampen (PB C 198 van 27.7.1991, blz. 1).

31 oktober 1994 inzake de versterking van de communautaire samenwerking op het gebied van de civiele bescherming. (PB C 313 van
10.11.1994, blz. 1).

( 4)
PB L 217 van 6.8.1991, blz. 31.

( 5)
PB C 373 van 23.12.1999, blz. 2.

( 6)
PB L 127 van 27.5.2000, blz. 1.

( 7) Besluit 2000/777/EG van de Raad

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie