Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Speech van minister Zalm in Israel over Joodse tegoeden

Datum nieuwsfeit: 05-03-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Financiën
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: SPEECH MINISTER ZALM OVER JOODSE TEGOEDEN



Persberichtnr.


01/066


Den Haag

5 maart 2001

SPEECH MINISTER ZALM OVER JOODSE TEGOEDEN

Minister Zalm van Financiën heeft deze speech op maandag 5 maart om 11.00 uur lokale tijd in Israël gehouden. Dit gebeurde tijdens een symposium van het Platform Israël. Hieronder volgt de integrale tekst van de speech.

DE JOODSE TEGOEDEN: EEN TERUGBLIK EN EEN VOORUITBLIK

Dames en heren,

Ik voel mij bijzonder vereerd dat ik vandaag in uw midden mag zijn. Ik heb de uitnodiging van het Platform Israël om hier te komen spreken graag aangenomen. Ik spreek over de joodse tegoeden in het Nederlands, temidden van de Nederlandse gemeenschap in Israël. Velen van u hebben zelf aan den lijve ervaren hoe er met de joodse tegoeden in en na de oorlog is omgesprongen. Dat geeft wel een aparte dimensie aan de woorden die ik tot u zou willen spreken.

De joodse tegoeden van de tweede wereldoorlog kwamen de afgelopen jaren in de volle maatschappelijke en politieke aandacht. Dit heeft veel stof doen opwaaien. Historici en politici hebben de laatste jaren niet recht kunnen maken wat krom is. Zij kunnen alleen proberen opheldering te geven van wat in het verleden gebeurd is en daarover alsnog rekenschap afleggen. Ik hoop dat vandaag voor u te doen.

In de afgelopen jaren heb ik gepoogd om eerlijk onderzoek te laten plaatsvinden en goed overleg te hebben met de leiders van de Nederlands-joodse gemeenschap in Nederland en in Israël. Sedert eind 1997 heb ik heel veel persoonlijk contact gehad met het Platform Israël. Op de verschillende bijeenkomsten op het departement met het Centraal Joods Overleg en het Adviescollege ontbrak zelden of nooit een vertegenwoordiging uit Israël. We hebben vanaf het begin goed naar elkaar geluisterd. We zaten nooit in een slechte sfeer bij elkaar, er was geregeld ook humor over en weer. Die openheid, het elkaar vertrouwen is volgens mij de basis geweest om goed overleg te voeren. De uitkomsten van dat proces zijn ook gemeenschappelijk door de regering en de joodse organisaties in maart 2000 naar buiten gebracht. En met het uiteindelijke resultaat, de Maror-gelden heeft Nederland internationaal gezien een snelle stap gezet om te doen wat moreel moest.

Ik ben blij dat ook de voorzitter van de Maror-stichting, de heer Van der Heijden, in ons midden is. Ik prijs me gelukkig dat hij en zijn medebestuursleden voortvarend de Maror-gelden in Nederland, in Israël, in de Verenigde Staten en waar dan ook laten terechtkomen. Ik ben er trots op dat al zoveel aanvragen en daadwerkelijke uitkeringen gedaan konden worden. In Israël zijn er met steun van de helpdesk ook al vele uitkeringen gedaan. Ik vind dit een geweldige prestatie.

Nu terug naar vier jaar geleden. In 1997 kwam ik er voor het eerst mee in aanraking. Het begon in de Verenigde Staten en in Zwitserland. Het nazigoud dat naast goud van de centrale banken ook goud van vervolgingsslachtoffers bevatte. En er kwam opeens discussie over bankrekeningen en polissen van vervolgingsslachtoffers die er nog zouden zijn. Deze onderwerpen werden internationaal actueel in 1997. Ik volgde het wel begin 1997, maar in Nederland kwam de aanzet tot de eerste commissie, die van de heer Van Kemenade, van de banken, verzekeraars en de Nederlandsche Bank zelf. Men vroeg en verkreeg mijn instemming. Deze commissie die zelf al snel in contact trad met het Centraal Joods Overleg, ging dus vooral kijken naar wat er in het buitenland gebeurde. Pas even voor de zomer van 1997 werd het de commissie duidelijk dat ook wat er in Nederland in en na de oorlog met de joodse tegoeden gebeurd was, aandacht zou behoeven. Uit het midden van de commissie-Van Kemenade ontstond toen een nieuwe commissie, de commissie-Scholten. Mijn betrokkenheid met het onderwerp van de joodse tegoeden groeide in het najaar van 1997 al snel, omdat Nederland in toenemende mate door andere landen werd aangesproken op haar onderzoeksinspanningen. Er kwam, gestimuleerd door de allereerste onderzoekscommissie in de Verenigde Staten (Eizenstat) en Zwitserland (Bergier) overleg tussen de verschillende onderzoekers in allerlei landen. De aandacht werd gebundeld en leidde tot het uitbreiden van de onderzoeksvelden. Het ging om onderzoek naar nazigoud, financiële tegoeden als bankrekeningen en polissen, kunst, goederen, communal properties als scholen, synagogen en begraafplaatsen.

De allereerste regeringsconferentie in Londen over nazi-goud begin december 1997 bracht wetenschappers op grote schaal bijeen. De conferentie leidde ertoe dat nog meer landen onderzoekscommissies instelden. Ook werd toen een internationaal fonds voor de slachtoffers van de nazi-vervolging ingesteld.

Door de Liro-affaire in december 1997 werd ik er zeer persoonlijk bij betrokken. Gevonden archiefkasten in een studentenhuis in Amsterdam, de verkoop van joodse kleinoden onder personeel van het Agentschap van Financiën Het was teveel voor woorden.

Ik prijs mij gelukkig dat ik in december 1997 snel een goed contact kreeg met het Centraal Joods Overleg en met haar toenmalige voorzitter, Henri Markens die vandaag in ons midden is. In die moeilijke dagen toen de commissie-Kordes ingesteld werd en het Parlement naar verantwoording vroeg, waren Henri Markens en de zijnen mij tot steun. Het vertrouwen dat toen over en weer gegeven is, is in de jaren daarna gebleven. Ook toen alle onderzoeken klaar waren, konden we gezamen optrekken. Ik heb de gesprekken dan ook niet alleen als onderhandelingen beschouwd, maar ook als een proces om zaken te corrigeren die na de oorlog niet goed waren gelopen. Een therapeutisch proces waarbij ik er trots op ben dat door de rapporten het zelfreinigend vermogen van de overheid werd aangesproken.

Wat zijn de kernpunten in de benadering van de Nederlandse regering? De eerste is dat de Nederlandse regering thans volledig erkent dat bepaalde zaken rondom het rechtsherstel met de ogen van nu anders hadden moeten lopen. Als de onderzoeksrapporten oordelen dat de naoorlogse regering en het naoorlogs rechtsherstel kil, formalistisch en bureaucratisch was, dan neem ik dat oordeel over. Als de rapporten zeer kritische noten plaatsen bij onderwerpen als de verhandelde joodse effecten over de Beurs en de kosten van de kampen Westerbork en Vught, dan is dat zo. Ik denk overigens dat het geschiedbeeld van Nederland door wat nu op tafel is gekomen, zal veranderen. Ik vind het ook naar toekomstige generaties goed dat beelden over de Nederlandse samenleving en als pendant daarvan de Nederlandse regering bijgesteld worden.

Er zullen overigens dit jaar nog meer rapporten verschijnen, dan gaat het om de immateriële kanten die samenhangen met de terugkeer en opvang van vervolgingsslachtoffers. Ik ben benieuwd wat de rapporten van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang, afgekort als SOTO, zullen opleveren. Dan is het volledige beeld over roof, restitutie, terugkeer en opvang beschikbaar.

Ik keer terug naar het regeringsstandpunt. Het regeringsstandpunt spreekt in haar motivering voor het ter beschikking stellen van gelden over een erkenning van morele aanspraken van de joodse gemeenschap in verband met tekortkomingen van het rechtsherstel. Alhoewel het rechtsherstel op hoofdlijnen strikt juridisch genomen door de beugel kon, oordeelt de regering vooral over het morele gehalte van de toentertijd genomen beslissingen. De regering is van mening dat zaken toentertijd anders hadden moeten lopen. Om deze redenen erkent de regering de morele aanspraken van de joodse gemeenschap. Voor het Centraal Joods overleg en het Platform Israël zijn dit de termen geweest waar we elkaar op konden vinden. Opvallend vond ik het dat deze partijen mij in februari, maart van het vorig jaar vooral duidelijk maakten dat de motivering essentieel was. Men wilde geen gebaar, geen smartengeld, geen immateriële schadevergoeding, maar alleen daar waar men recht op had. En alhoewel de regering niet termen als restitutie tot de hare gemaakt heeft, begreep zij heel goed dat deze partijen bewust van overheidsgelden zouden afzien als de motivering van regeringswege niet afdoende zou zijn.

De rest van het regeringsstandpunt kent u ongetwijfeld. De rekensommen van het CJO en het Platform en vervolgens het finale akkoord van deze partijen met de regering. Ook de verdere uitwerking zult u wel op hoofdlijnen weten. Een bedrag dat in hoofdzaak besteed wordt aan individuele uitkeringen en voor 10 tot 20 procent aan collectieve doelen in Nederland en Israël. Daarnaast is er in goed overleg een internationaal fonds afgesproken dat vooral bestemd is voor de zogeheten double victims, holocaust-survivors die in armoedige omstandigheden leven.

Ik acht het van groot belang dat in het voorjaar van 2000 het CJO en het Platform Israël ook definitieve akkoorden gesloten hebben met de financiële sector. De verzekeraars, de banken en de Beurs hebben hun maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen en hebben een soortgelijk proces doorgemaakt als de regering. Zij hebben eveneens gelden beschikbaar gesteld aan de joodse gemeenschap die thans hun bestemming vinden.

Op dit moment zijn we weer vele stappen verder gekomen. Er is een bureau Maror, er zijn stichtingen gekomen voor de publieke en private gelden. De uitkeringssystematiek bij de individuele uitkeringen is bepaald doordat de doelgroep heel precies omschreven is. Na de installatie door mij van de stichting Maror-gelden Overheid op 4 december jl. is er bijzonder hard gewerkt om de individuele uitkeringen zo snel mogelijk daar te laten komen, waar zij moeten komen. Er zijn archieven aangewezen die behulpzaam kunnen zijn bij de vraag of iemand rechthebbend is of niet. Dat bij de plaatsvervangers de check wat moeilijker is, begrijp ik. Ik verwacht dat het stichtingsbestuur onder leiding van de heer Van der Heijden erin zal slagen om de laatste, technische problemen op te lossen.

Is hiermee alles gezegd? Is het een kwestie van geld ontvangen en dan weer terug naar het normale leven? Ik denk van niet. De regering ziet het proces van de afgelopen jaren als een poging om in het reine te komen met de Nederlands-joodse gemeenschap in Nederland en Israël . Daar waar dingen fout gegaan zijn, is er nu uitzicht op een nieuwe ontwikkeling. In die zin is het ook mooi dat de stichting de naam Maror meegekregen heeft. Het bittere kruid is vooral iets dat de tijd van het lijden, de pijn en het verdriet markeert. Tegelijkertijd is het de opmaat naar een andere tijd van welbevinden, het beloofde land: de uittocht na bittere tijden wordt treffend met de naam Maror aangeduid.

Voortbouwend hierop wil ik iets zeggen over wat dat heden ten dage zou moeten betekenen. Ik vind het uiterst belangrijk dat in de toekomst de joodse traditie en cultuur levend wordt gehouden en ik zou graag enige initiatieven van overheidszijde willen noemen die dit ondersteunen. Het Ministerie van VWS ondersteunt al jaren activiteiten op het vlak van jeugdvoorlichting, herdenking en onderzoek. Nederland heeft daar veel kennis mee opgedaan en deelt die kennis ook met andere landen in Midden en Oost Europa die nog niet zo ver zijn. Een mooi voorbeeld in Nederland zijn de evenementen voor joodse jongeren van de tweede generatie na de tweede wereldoorlog. Op dit moment is Nederland bovendien voorzitter van de internationale task force Holocaust Educatie; begin mei is er een grote internationale conferentie in Amsterdam. Ik noem al deze activiteiten niet om ons als Nederland op de borst te slaan, maar wel om te benadrukken dat verhalen over het verleden doorgegeven moeten worden en dat er voortdurend lering getrokken moeten worden. De lessen zijn dat hedendaagse vormen van discriminatie, racisme en intolerantie te allen tijde bestreden moeten worden. Dit vergt een permanente aandacht.

Ik hoop dat het collectieve deel van de Maror-gelden de komende jaren gebruikt zal worden om het joodse leven te stimuleren. Ik mocht zelf twee jaar geleden in Nederland Crescas openen, een centrum, een soort studium generale in het jodendom voor hen die van hun wortels zijn komen af te staan.

Ik wacht nu met spanning af met welke ideeën het CJO en het Platform Israël de komende tijd zullen komen als het gaat om de Kamers II en III van Maror. Ik heb van de heer Wurms, de voorzitter van het CJO, begrepen dat het CJO in overleg is met het Platform Infrastructuur Nederland waarin zon dertig joodse organisaties vertegenwoordigd zijn. Dit overleg maakt thans een inventarisatie van de wensen in joodse kring over de te subsidiëren doelen. Ik ga er vanuit dat het verdelingsplan snel tot stand komt en daarna de uitwerking in statuten en uitkeringscriteria. Uiteindelijk zal ik de concrete uitwerking van Kamer II van Maror moeten presenteren naar het Parlement. Ik hoop dat dit jaar nog de leden van Kamer II aangezocht kunnen worden en de feitelijke werkzaamheden kunnen beginnen.

Een zelfde verwachting spreek ik uit naar de Kamer III, de collectieve projecten ten behoeve van de Nederlandse gemeenschap in Israël. Hier is het Platform Israël aan zet. Ook van het Platform wacht ik de voorstellen af zodat deze snel in goed overleg uitgewerkt kunnen worden.

Er is dus samenvattend al heel veel gebeurd, maar we zijn er nog niet helemaal.

Zoals ik al eerder aangegeven heb gaat het erom dat de gelden een rechtmatige en doelmatige bestemming zullen vinden. Ook alle uitvoeringskosten moeten verantwoord worden. Alles moet zo transparant mogelijk zijn, naar u en naar mij toe. Ik zal mij geregeld moeten verantwoorden naar de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer. Ik ga er vanuit dat het Maror-bestuur mij hiervoor alle noodzakelijke informatie zal aanreiken.

Wanneer het voor de hand ligt dat er enige fondsvorming optreedt, zal ik dat niet afwijzen. De Maror-gelden die een collectieve bestemming zullen krijgen, zijn vooral bedoeld om de joodse identiteit naar de toekomst blijvend toe te ondersteunen.

Ik ondersteun van harte allerlei plannen in Nederland en in Israël om de joodse infrastructuur te versterken. Vanuit de geschiedenis van het joodse volk en de holocaust-educatie, hoop ik dat de lijnen verder naar de toekomst doorgetrokken kunnen worden.

Dames en heren, ik wil graag mijn erkentelijkheid uitspreken dat ik hier vandaag op uitnodiging van het Platform Israël mocht spreken. Ik vind het een eer om dit te mogen doen in uw kring, U die zon speciale band heeft met Nederland.

Als u nu al een vraag wilt stellen, ben ik gaarne bereid deze nu te beantwoorden. Voor dit moment dank ik u voor uw aandacht.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie