Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Registratiekamer adviseert over DNA onderzoek in strafzaken

Datum nieuwsfeit: 08-03-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Registratiekamer

De Registratiekamer adviseert over het voorstel tot "Wijziging van de regeling van het DNA onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijke persoonskenmerken aan de hand van celmateriaal"

Deze betreft de aanvulling van de omschrijving van DNA onderzoek met het vaststellen van uiterlijke persoonskenmerken. Voorts wordt in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid tot het verrichten van dit onderzoek door de officier van justitie geregeld.

De Registratiekamer is verrast over het feit dat reeds nu een wetsontwerp met deze strekking aan haar wordt voorgelegd. In het kader van de nog bij de Tweede Kamer in behandeling zijnde wijziging van de DNA-regeling gaf de Minister eerder dit jaar aan in beginsel positief te staan tegenover het gebruik van celmateriaal om persoonskenmerken van de onbekende verdachte af te leiden. De minister achtte het toen evenwel wenselijk gelet op het karakter van de afwegingen die in het kader daarvan zullen moeten worden gemaakt, niet over een nacht ijs te gaan. In de toelichting van het ontwerp wordt niet ingegaan op de inmiddels verworven inzichten die de minister ertoe brengen thans dit voorstel van wet ter advisering voor te leggen. Het gevolg hiervan is dat nu een wettelijk kader wordt voorgesteld voor het gebruik van zeer gevoelig materiaal, terwijl de maatschappelijke discussie over de ethische grenzen van het gebruik van celmateriaal voor meer dan de profielvaststelling nog niet is gevoerd. De Registratiekamer acht het ontwerpen in dit stadium van een juridisch raamwerk voor het gebruik van DNA-celmateriaal voor opsporingsdoeleinden prematuur.

Maatschappelijke discussie
De Registratiekamer hecht groot belang aan het voeren van een maatschappelijke discussie en vertrouwde er, op grond van uw toezegging eerder dit jaar, ook op dat deze gevoerd zou worden alvorens een juridisch raamwerk voor verdergaande toepassing zou worden ontworpen.

Open einde regeling
In het aan de Registratiekamer voorgelegde wetsvoorstel wordt al een voorschot genomen op een positieve uitkomst van het maatschappelijk debat. Uitgegaan wordt van de maatschappelijke en juridische acceptatie van verdergaande toepassingen van het gebruik van DNA-materiaal. De uitkomst is vervat in de voorgestelde uitbreiding van artikel 138a.
De constructie waarbij krachtens het voorgestelde artikel 151d, tweede lid Sv uiterlijke persoonskenmerken bij AMvB kunnen worden aangewezen maakt dit wetsontwerp tot een open einde-regeling. Op een terrein dat zo volop in ontwikkeling is als de ontrafeling van DNA-materiaal acht de Registratiekamer dit onverantwoord.

Bewaren van celmateriaal
De Registratiekamer schat in dat met name als gevolg van dit voorstel het bewaren van celmateriaal als onvermijdelijk zal worden ervaren.. De politieke besluitvorming hierover moet nog plaatsvinden. Maar dit voorstel brengt dit vraagstuk in een stroomversnelling. Als de uitkomst hiervan is dat DNA-celmateriaal, zowel afgenomen bij verdachten als gevonden in sporenmateriaal, bewaard wordt dan betekent dit het begin van een biometrische databank. Naarmate uit het DNA-materiaal in de toekomst meer informatie kan worden afgeleid, wordt deze databank een basisregistratie van een groeiend aantal persoonskenmerken van een groeiend aantal justitiabelen. Dat de draagwijdte hiervan voldoende wordt onderkend blijkt niet uit de desbetreffende passages uit de toelichting op het wetsontwerp.

Geen zekerheid maar voorspelling
Het breed gewortelde geloof in DNA-materiaal als opsporingsmethode maakt de Registratiekamer echter bezorgd over de aanwending van dwangmiddelen op grond van wat uiteindelijk slechts voorspellingen en geen redelijke vermoedens van betrokkenheid bij strafbare feiten zijn. Dat dit tot ongerechtvaardigde inbreuken op de privacy kan leiden is evident.

Privacywetgeving
De Registratiekamer constateert dat aan de inbedding van de in het wetsvoorstel geregelde materie in de regelgeving ter bescherming van persoonsgegevens geen aandacht is besteed

Toezicht
Los van de kritiek op het voorliggende wetsontwerp acht de Registratiekamer het van groot belang dat op mogelijk toekomstig gebruik van DNA-materiaal, anders dan voor het vervaardigen van een profiel, deskundig en onafhankelijk toezicht wordt uitgeoefend.

Conclusie
De Registratiekamer acht het prematuur en gelet op de gevoelige aard van de materie daarmee onverantwoord om het voorliggende wetsvoorstel door te zetten zonder dat eerst een maatschappelijk debat is gevoerd over de aanwending van DNA-materiaal voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Zij beveelt de minister aan de uitkomst van de parlementaire behandeling van de aanhangige wijziging van de DNA-regeling af te wachten. Na afronding hiervan zou het voeren van een gestructureerd en in tijd begrensd debat met bij de materie betrokken deskundigen en organisaties kunnen leiden tot het vaststellen van de contouren van het maatschappelijk verantwoord gebruik van DNA-materiaal. Op grond hiervan kan de wetgeving ter uitvoering van dit verantwoord geachte gebruik ter hand worden genomen. (z2000-1143, 22 december 2000)

Brief

Onderwerp wetsontwerp DNA onderzoek pers. kenmerken

Geachte A,

De Registratiekamer voldoet hierbij aan uw verzoek van 1 november 2000 om te adviseren over het voorstel tot "Wijziging van de regeling van het DNA onderzoek in strafzaken in verband met het vaststellen van uiterlijke persoonskenmerken aan de hand van celmateriaal".

De Registratiekamer is verrast over het feit dat reeds nu een wetsontwerp met deze strekking aan haar wordt voorgelegd. In het kader van de nog bij de Tweede Kamer in behandeling zijnde wijziging van de DNA-regeling gaf u eerder dit jaar aan in beginsel positief te staan tegenover het gebruik van celmateriaal om persoonskenmerken ter identificatie van de onbekende verdachte af te leiden. U achtte het toen evenwel wenselijk gelet op het karakter van de afwegingen die in het kader daarvan zullen moeten worden gemaakt, niet over een nacht ijs te gaan (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000,26271, nr. 9 op bladzijde 3 ). In de toelichting wordt niet ingegaan op de inmiddels verworven inzichten die u ertoe brengen thans dit voorstel van wet ter advisering voor te leggen. Het gevolg hiervan is dat nu een wettelijk kader wordt voorgesteld voor het gebruik van zeer gevoelig materiaal, terwijl de maatschappelijke discussie over de ethische grenzen van het gebruik van celmateriaal voor meer dan de profielvaststelling nog niet is gevoerd. De Registratiekamer acht het ontwerpen in dit stadium van een juridisch raamwerk voor het gebruik van DNA-celmateriaal voor opsporingsdoeleinden prematuur.

Maatschappelijke discussie
In december 1996 heeft de Registratiekamer in het rapport Gegeven de Genen, morele en juridische aspecten van het gebruik van genetische gegevens (A&V-studies, nr. 7), een inventarisatie gemaakt van de gedachtevorming over het gebruik van genetische gegevens. Hieruit bleek dat er een lacune is in het normatief-juridisch raamwerk ten aanzien van het gebruik van DNA en ander lichaamsmateriaal. In haar rapport "At face value", over biometrische identificatie en privacy, vroeg de Registratiekamer in september 1999 ook aandacht voor het gebruik van biometrische gegevens van de burger in diens afhankelijke relatie met de overheid. Een bijzonder aandachtspunt hierbij was de opslag van gegevens voor andere doeleinden dan voor directe identificatie. Zo noemde zij de mogelijkheid om uit lichaamskenmerken informatie over de gezondheidstoestand en ras af te leiden (A&V-studies, nr. 15). In het algemeen stelde zij de toepassingen van erfelijkheidsgegevens buiten de zorgsector ter discussie.
In het in mei 2000 door de Registratiekamer georganiseerde debat over de kansen en de risico's van verdergaand gebruik van DNA materiaal speelde de kansen en risico's van het gebruik van DNA-materiaal dat verder gaat dan het vervaardigen van een profiel, ook een rol. Velen, ook van de zijde van justitie, toonden zich huiverig hiervoor. In het algemeen leefde de wens om eerst de contouren hiervan te verkennen alvorens tot toepassing hiervan in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten over te gaan.
Dit zelfde geluid liet de voorzitter van de D66-fractie uit de Tweede Kamer, mr. Th. de Graaf, horen in zijn bijdrage aan de rubriek "brandende kwesties" in Vrij Nederland van 23 september j.l. Hij riep op tot pro-actief onderzoek in deze kwestie door het gebruik van kennis die de onderzoeksinstituten in huis hebben teneinde een debat over DNA- technologie in de volle breedte te voeren.

De Registratiekamer hecht groot belang aan het voeren van deze discussie en vertrouwde er, op grond van uw toezegging eerder dit jaar, ook op dat deze gevoerd zou worden alvorens een juridisch raamwerk voor verdergaande toepassing zou worden ontworpen.

Open einde regeling
In het aan de Registratiekamer voorgelegde wetsvoorstel wordt al een voorschot genomen op een positieve uitkomst van het maatschappelijk debat. Uitgegaan wordt van de maatschappelijke en juridische acceptatie van verdergaande toepassingen van het gebruik van DNA-materiaal. De uitkomst is vervat in de voorgestelde uitbreiding van artikel 138a Sv en de toevoeging van een artikel 151d Sv.

Artikel 138 a Sv wordt uitgebreid met het onderzoek van celmateriaal gericht op het vaststellen van uiterlijke persoonskenmerken van de onbekende verdachte. Dit is een nauwelijks afgegrensd begrip. De persoonskenmerken kunnen, ingevolge het voorgestelde artikel 151d Sv, bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen. De grens van uiterlijke naar innerlijke persoonskenmerken is vloeiend, maar daarin is ook precies het bezwaar tegen een dergelijke omschrijving gelegen. Bijvoorbeeld bij het vaststellen, op grond van het DNA-materiaal, van voor het signalement van een verdachte relevante handicaps worden hiermee onvermijdelijk ook medische en wellicht ook erfelijke gegevens prijs gegeven. Andere uiterlijke gedragskenmerken kunnen ook informatie over de psychische gesteldheid van de betrokken persoon verschaffen. Het feit dat het hierbij aanvankelijk nog gaat om een onbekende verdachte doet niet ter zake. Alles is er immers op gericht de verdachte te identificeren. Als dat eenmaal is gebeurd dan worden de persoonskenmerken verder gebruikt en bewaard in relatie met een geïdentificeerd persoon. Naarmate de informatie meer betrekking heeft op innerlijke eigenschappen van de betrokken personen, raakt dit een materie waarover deze doorgaans niet verplicht is informatie aan politie en justitie prijs te geven. Voorzover deze informatie in het kader van een medische behandeling aan de orde is, berust hierop het medische beroepsgeheim, dat ook in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten wordt gerespecteerd.

De memorie van toelichting op het wetsontwerp trekt ook geen nadere grens. Wel worden enkele thans voor de hand liggende toepassingen, met name geslacht en ras, genoemd. Welke uiterlijke persoonskenmerken bij de huidige stand van zaken nodig zijn voor het opsporingsonderzoek wordt bepaald door wat in het belang van de waarheidsvinding noodzakelijk en nuttig is en dient ter identificatie van de "eigenaar" van het gevonden materiaal (blz. 1). Wel wordt opgemerkt dat het DNA-onderzoek niet tot doel mag hebben verborgen erfelijke afwijkingen van de onbekende verdachte vast te stellen. Maar op welke wijze dit wordt voorkomen wordt niet duidelijk gemaakt. Wat als het DNA-onderzoek dergelijke eigenschappen wel aan het licht brengt? Deze informatie kan voor het opsporingsonderzoek noodzakelijk en nuttig zijn.

De constructie waarbij krachtens het voorgestelde artikel 151d, tweede lid Sv uiterlijke persoonskenmerken bij AMvB kunnen worden aangewezen maakt dit wetsontwerp tot een open einde-regeling. In het voorgestelde artikel 138a Sv wordt het begrip uiterlijke persoonskenmerken niet nader gedefinieerd. Evenmin wordt het gebruik hiervan begrensd door een specificatie van toegestane doeleinden. Het criterium "nuttig zijn" voor de opsporing miskent het potentieel informatieve karakter van het DNA-materiaal en de gevolgen voor de betrokkene van het gebruik van de uitkomsten van het onderzoek hiervan. Bij deze wijze van wetgeving kunnen bij AMvB zonder parlementaire discussie nieuwe toepassingen onder het bereik van artikel 138a Sv worden gebracht. Op een terrein dat zo volop in ontwikkeling is als de ontrafeling van DNA-materiaal acht de Registratiekamer dit onverantwoord.

Bewaren van celmateriaal
De Registratiekamer schat in dat met name als gevolg van dit voorstel het bewaren van celmateriaal als onvermijdelijk zal worden ervaren. Nu al bepleiten deskundigen zoals het NFI voor het bewaren van het celmateriaal dat dient als grondslag voor het vervaardigen van een DNA-profiel. In de praktijk van de afgelopen jaren is, ondanks stringente wettelijke voorschriften omtrent vernietiging, het celmateriaal ook bewaard gebleven. De Registratiekamer gaf haar bezwaren hiertegen al aan in haar advies over het besluit DNA onderzoek in strafzaken van 17 februari 2000.
De politieke besluitvorming hierover moet nog plaatsvinden. Maar dit voorstel brengt dit vraagstuk in een stroomversnelling. Als de uitkomst hiervan is dat DNA-celmateriaal, zowel afgenomen bij verdachten als gevonden in sporenmateriaal, bewaard wordt dan betekent dit het begin van een biometrische databank. Naarmate uit het DNA-materiaal in de toekomst meer informatie kan worden afgeleid, wordt deze databank een basisregistratie van een groeiend aantal persoonskenmerken van een groeiend aantal justitiabelen. Dat de draagwijdte hiervan voldoende wordt onderkend blijkt niet uit de desbetreffende passages uit de toelichting op het wetsontwerp.

Geen zekerheid maar voorspelling
Het gebruik van DNA-profiel voor identificatie geeft een hoge mate van zekerheid. Anders is het met uit DNA-materiaal afleiden van persoonskenmerken. De memorie van toelichting maakt al een onderscheid tussen het kunnen vaststellen van het geslacht en het voorspellen van een raskenmerk. Deze voorspelling vormt dan de basis op grond waarvan een daderprofiel kan worden bepaald en op grond waarvan opsporingshandelingen kunnen worden verricht. Bij de inzet van dwangmiddelen dient met het voorspellende karakter van de uit het materiaal afgeleide kenmerken in hoge mate rekening te worden gehouden. Het breed gewortelde geloof in DNA-materiaal als opsporingsmethode maakt de Registratiekamer echter bezorgd over de aanwending van dwangmiddelen op grond van wat uiteindelijk slechts voorspellingen en geen redelijke vermoedens van betrokkenheid bij strafbare feiten zijn. Dat dit tot ongerechtvaardigde inbreuken op de privacy kan leiden is evident.

Privacywetgeving
De Registratiekamer constateert dat aan de inbedding van de in het wetsvoorstel geregelde materie in de regelgeving ter bescherming van persoonsgegevens geen aandacht is besteed. Zowel bij het in relatie met een persoon brengen van gevonden sporenmateriaal als bij het afnemen van celmateriaal van een verdachte gaat het om persoonsgegevens. In haar eerder genoemde rapport "At face value" is de Registratiekamer op de toepasselijkheid van de Europese richtlijn bescherming persoonsgegevens uitvoerig ingegaan. Zij volstaat met een verwijzing hiernaar. Voor wat betreft de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verwijst zij uitdrukkelijk naar de relevante bepalingen betreffende verwerking van bijzondere gegevens, zoals die met betrekking tot het ras en medische gegevens. Voorts is artikel 21, lid 4 Wbp aan de orde: Persoonsgegevens betreffende erfelijke eigenschappen mogen slechts worden verwerkt voor zover deze verwerking plaatsvindt met betrekking tot de betrokkene bij wie de gegevens zijn verkregen.

Toezicht
Los van de kritiek op het voorliggende wetsontwerp acht de Registratiekamer het van groot belang dat op mogelijk toekomstig gebruik van DNA-materiaal, anders dan voor het vervaardigen van een profiel, deskundig en onafhankelijk toezicht wordt uitgeoefend. De Registratiekamer denkt hierbij aan het instellen van een ethische commissie die over het gebruik hiervan de wetgever en de met de opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste instanties adviseert.

Conclusie
De Registratiekamer acht het prematuur en gelet op de gevoelige aard van de materie daarmee onverantwoord om het voorliggende wetsvoorstel door te zetten zonder dat eerst een maatschappelijk debat is gevoerd over de aanwending van DNA-materiaal voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Zij beveelt u aan de uitkomst van de parlementaire behandeling van de aanhangige wijziging van de DNA-regeling af te wachten. Na afronding hiervan zou het voeren van een gestructureerd en in tijd begrensd debat met bij de materie betrokken deskundigen en organisaties kunnen leiden tot het vaststellen van de contouren van het maatschappelijk verantwoord gebruik van DNA-materiaal. Op grond hiervan kan de wetgeving ter uitvoering van dit verantwoord geachte gebruik ter hand worden genomen. De Registratiekamer hoopt dat u tot het voeren van dit debat het initiatief wil nemen en wil gaarne haar bijdrage hieraan leveren.

Hoogachtend,

De volledige brief staat onder de samenvatting

Zie ook Registratiekamer adviseert over DNA-profielen (17 februari 2000)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie