Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord op kamervragen over PEO-programma volksgezondheid

Datum nieuwsfeit: 26-03-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport


Binnen de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond er bij een tweetal fracties behoefte een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over haar brief van 1 december 2000 ter aanbieding van het PEO-programma Volksgezondheid en Zorg 2001 (27 542, nr. 1).



Vragen D66-fractie Vragen D66-fractie Vragen D66-fractie Vragen D66-fractie

Vraag 1.
Wordt bij het ontwikkelen en implementeren van richtlijnen, waarin de verantwoordelijkheden tussen de verschillende beroepsbeoefenaren duidelijk opgenomen zijn, ook gekeken naar de bevoegdheden die bij de verantwoordelijkheden horen? (blz. 2)

Antwoord
Het ZON programma Verpleging en Verzorging, waarin het ontwikkelen en inventariseren van richtlijnen centraal staat, is gericht op de beroepsgroepen verpleegkundigen en verzorgenden. Bij de toedeling van verantwoordelijkheden wordt zeker gekeken naar de bevoegdheden van beide beroepen.

Vraag 2.
Zijn de resultaten van het 10-jarig onderzoeksprogramma Pijn zodanig dat dit reden geeft voor een tweede onderzoeksprogramma? Zo ja, wat zijn die resultaten? (blz. 3)

Antwoord
In 1993 is het NWO-programma PIJN I van start gegaan. Dit programma richt zich op chro-nisch benigne pijnsyndromen en op pijn bij zeer jonge kinderen en andere groepen mensen die zich niet kunnen uiten, zoals verstandelijk gehandicapten. Resultaten zijn o.m. meetinstrumen-ten en pijnclassificaties. Deze zijn van groot belang voor het geven van adequate pijnbestrij-ding. In PIJN I is baanbrekend onderzoek verricht. Uit consultatierondes in het veld en uit de evaluatie bleek dat vervolgonderzoek wenselijk is. Enerzijds om de implementatie en de toe-passing van de resultaten uit PIJN I mogelijk te maken. Anderzijds om aandacht te kunnen geven aan twee onderwerpen die in PIJN I niet aan bod konden komen, nl. het voorkòmen van chronische pijn en de lange termijn effecten van blootstelling aan pijn en pijnmedicatie.

Vraag 3.
Wat is in het programma Chronisch zieken de definitie van een chronisch zieke? (blz. 6)

Antwoord
Mensen met een chronische ziekte worden omschreven als mensen met een onomkeerbare aandoening, zonder uitzicht op volledig herstel, vaak gepaard gaande met een geleidelijke achteruitgang en met een relatief lange ziekteduur. Vraag 4.

Bij de inleiding van punt 4. Nieuwe projecten, experimenten en onderzoek wordt geschreven: "Het betreft voorstellen ten aanzien van onder meer de volgende....." De woorden onder meer suggereren dat er meer programma's zijn dan hier worden beschreven. Klopt dit? En wordt bij die niet beschreven programma's ook het ME-onderzoek gerekend? (blz. 7) 2

Antwoord
Er is geen sprake van andere programma's dan de hier genoemde. De betreffende omschrij-ving doelt op het feit dat programma's mede betrekking kunnen hebben op andere themage-bieden. Zoals ik bij de begrotingsbehandeling aan de Kamer heb gemeld (Handelingen Tweede Kamer, 2000-2001, nr. 30 , p. 2571) zal voor het ME onderzoek door herschikking van prioriteiten bij lopende programma's van ZON en NWO Medische Wetenschappen ruimte worden gemaakt.

Vraag 5.

Kan worden aangegeven waarop de indeling in de notitie is gebaseerd? Waarom staan de chronisch zieken bij 3 e en seksespecifieke hulpverlening bij 4b. Beide onderzoeken zijn immers al in 2000 gestart.

Antwoord
Voor de programma's die in hoofdstuk 4 worden beschreven, worden in het kader van het PEO-programma 2001 middelen beschikbaar gesteld. Daarbij kan het gaan om geheel nieuwe programma's, maar ook om reeds lopende programma's zoals het programma seksespecifieke hulpverlening, waarvoor additioneel middelen worden gereserveerd. Voor de programma's in hoofdstuk 3, zoals het programma chronisch zieken, zijn in het kader van het PEO-programma 2001 geen additionele middelen beschikbaar gesteld.

Vraag 6.
Is er overleg met Sociale Zaken over onbetaald verlof voor vrijwilligers in de terminale zorg? (blz. 8)

Antwoord
Zoals bekend is door het SCP een Verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden van een recht op (betaald) langdurig zorgverlof voor informele helpers die hulp bieden aan ernstig hulpbe-hoevenden in hun sociale netwerk. Daarbij gaat het ook om mogelijk zorgverlof voor degenen die informele hulp bieden aan terminaal zieken in hun netwerk. Het eindrapport van deze Ver-kenning wordt binnenkort naar de Kamer gestuurd en rond de zomer zal het kabinet op grond van de resultaten een standpunt innemen.
Vragen van de GroenLinks-fractie Vragen van de GroenLinks-fractie Vragen van de GroenLinks-fractie Vragen van de GroenLinks-fractie

Vraag 7.
De brief bespreekt ontwikkelingen aangaande het PEO beleid, afgeronde en lopende projecten en nieuwe projecten. Bevorderen van "evidence based" en multidisciplinair werken is van be-lang. Welke criteria worden daarnaast gehanteerd bij de selectie en prioritering van de onder-werpen?

Antwoord
Bij de selectie van de onderwerpen die voor het PEO-programma in aanmerking komen, wordt gezocht naar thema's waarop vanuit maatschappelijk oogpunt de ontwikkeling van onder-zoeks- en ontwikkelingsprogramma's wenselijk is. Bij de prioritering van de onderwerpen wordt onder meer gekeken naar de relevantie van het thema voor het beleid, de kwaliteit van de voorstellen, reeds lopende en afgeronde programma's op hetzelfde terrein resp. verwante 3
gebieden, adviezen van bijvoorbeeld de Raad voor Gezondheidsonderzoek en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, en doelmatigheid en doeltreffendheid van de voorstellen. Het aanwijzen van prioriteiten binnen de aldus gekozen onderwerpen - zoals het kiezen voor een bevordering van "evidence based" handelen en multidisciplinair werken bij het programma Verpleging en verzorging - ten behoeve van een opdracht aan intermediaire organisaties ge-beurt steeds in nauwe samenwerking met het betrokken veld.

Vraag 8.
Hoe worden aspecten als relevantie, validiteit en methodologie beoordeeld?

Antwoord
De uitwerking van de onderwerpen die zijn opgenomen in deze PEO-brief wordt aan Zorg-Onderzoek Nederland (ZON) opgedragen. Deze intermediair draagt vervolgens zorg voor pro-grammering en programma-uitvoering. Voor de beoordeling van de projectvoorstellen hanteert ZON een vaste procedureset. De beoordeling verloopt in drie stappen: beoordeling van de re-levantie en implementatiekans, beoordeling van de kwaliteit, en prioritering en honorering. Bij de beoordeling van de relevantie wordt onder meer gekeken naar de mate waarin het project past in een programma, het vernieuwend karakter, de maatschappelijke opbrengst van het project en de verhouding van de kosten tot de beoogde opbrengst. De kwaliteit van project-voorstellen wordt beoordeeld aan de hand van de probleemstelling, het plan van aanpak, de projectgroep, de haalbaarheid en de aandacht voor de factoren sekse, cultuur, leeftijd en pa-tiëntenperspectief.

Vraag 9.
Worden epidemiologische criteria gehanteerd ("hoe groot is het probleem voor de volksge-zondheid?")

Antwoord
Epidemiologische gegevens zijn een maat waarmee de relevantie van een bepaald onderwerp kan worden geduid. Zowel bij de selectie en prioritering van onderwerpen voor het PEO-pro-gramma, als bij het aanwijzen van prioriteiten binnen programma's zullen epidemiologische gegevens dan ook een rol spelen.

Vraag 10.
Welke rol vervullen de diverse advieslichamen van de regering (Gezondheidsraad, Raad voor Gezondheidsonderzoek, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg) bij de selectie en prioritering van de onderwerpen?

Antwoord
De adviezen van de Gezondheidsraad en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg zijn een mogelijke bron voor onderwerpen die in het PEO-programma worden opgenomen. Kabinetsstandpunten op die adviezen en toezeggingen die naar aanleiding van de advisering aan de Tweede Kamer worden gedaan zijn belangrijke criteria bij het opstellen van het pro-gramma. Wat betreft de advisering door de Raad voor Gezondheidsonderzoek ligt er een meer directe relatie. Een advies van de Raad voor Gezondheidsonderzoek wordt in aantal gevallen gevraagd met het oog op een in PEO-kader te financieren programma. Dat laatste geldt bij-voorbeeld voor de programma's preventie, pijnonderzoek en doelmatigheidsonderzoek. 4

Vraag 11.
Wie verricht de beoordeling van de ingediende voorstellen?

Antwoord
De uitwerking van de onderwerpen die zijn opgenomen in de PEO-brief wordt aan ZON opge-dragen. Deze organisatie zal dan ook de beoordeling van de ingediende projectvoorstellen voor haar rekening nemen. Beoordeling vindt plaats in specifiek voor een programma toegeruste commissies, waarin afhankelijk van het onderwerp deskundigen van zowel het maatschap-pelijke als het wetenschappelijke veld zitting kunnen hebben.

Vraag 12.
Wanneer verschijnt het RGO-advies over voortzetting van het preventie project? Is hier finan-ciering voor gereserveerd en zo ja, hoeveel? (blz. 3)

Antwoord
Aan de RGO is advies gevraagd over prioriteiten voor preventieonderzoek vanaf 2003. De RGO verwacht hierover medio 2001 te adviseren. Dit advies zal input vormen voor een nieu-we opdracht aan ZON voor een onderzoeksprogramma op het terrein van preventie. Voor het nieuwe Preventie- programma zullen vanaf 2003 nieuwe middelen worden gereserveerd.

Vraag 13.
Is de minister bereid de resultaten en verdere opzet van het preventieonderzoek (blz. 6) aan de Kamer te doen toekomen?

Antwoord
Eind 2000 zijn de resultaten verkregen van een procesevaluatie van het Preventieprogramma tot nu toe. Deze zijn in een evaluatierapport vastgelegd dat ik u zal doen toekomen. Over de resultaten van de onderzoeken die binnen het programma worden uitgevoerd kan ik u nog niet informeren omdat het merendeel van de projecten nog niet is afgerond. De opzet van het preventie-onderzoek na afloop van het huidige programma zal worden uit-eengezet in de opdracht die ik ZON op basis van het RGO-advies over dit onderwerp zal ge-ven voor een nieuw programma. Wanneer ik de nieuwe opdracht verstrek aan ZON zal ik u hier over informeren.

Vraag 14..
Hoe wordt optimale samenhang bewerkstelligd tussen de resultaten van het traumazorgpro-ject (blz. 3), de onlangs gepubliceerde aanpak van traumazorg door meer inzet van helikop-terteams en de voorgenomen aanpak van de ambulancehulpverlening?

Antwoord
De activiteiten op het gebied van traumazorg zoals genoemd op p. 3 van de PEO-brief zijn be-doeld om een advies te krijgen van de RGO over de aard van en wijze waarop wetenschappe-lijk onderzoek op het gebied van de traumazorg (somatisch & psychisch) vorm en inhoud moet krijgen. Dit heeft dus geen directe relatie met de gepubliceerde aanpak rond de inzet van helikopterteams en de voorgenomen aanpak van de ambulancehulpverlening . 5

Vraag 15.
Hoe verhoudt het project traumazorg zich tot de spoedeisende medische hulpverlening? (blz. 9)

Antwoord
De kop "spoedeisende medische hulpverlening" op pagina 9 van de PEO brief dekt niet geheel de lading van de tekst die onder deze kop is opgenomen. Met dit programma moet namelijk inzicht worden verkregen in de resultaten van de implementatie van de beleidsvoornemens zo-als geformuleerd in de nota 'Met zorg verbonden'. Onderdeel hiervan zijn beleidsmaatregelen ter verbetering van de organisatie van de traumazorg. Dit traject richt zich dus niet primair niet op wetenschappelijk onderzoek. Wel is goed denkbaar dat de resultaten van onderzoek naar aanleiding van het RGO-advies zullen leiden tot beleidaanpassingen op het betreffende terrein.

Vraag 16.
Is financiering gereserveerd voor uitvoering van de versterking van de infectieziektenstruc-tuur? (blz. 3). Zo ja, hoeveel?

Antwoord
Het toegezegde RGO-advies over infectieziektebestrijding verwacht ik pas in 2002. De kosten voor uitwerking van het advies zal ik meenemen in de budgetvoorbereiding 2003. In ieder ge-val verwacht ik delen van het advies te kunnen implementeren middels het nieuwe preventie-programma.

Vraag 17.
Hoe vindt implementatie plaats van de resultaten van het doelmatigheidsonderzoek? (p.4)

Antwoord
In de zorg bestaat over het algemeen veel animo om verbeteringsprojecten te starten. Er is echter weinig aandacht voor systematische implementatie van evidentie en 'best practices', waardoor het effect van die projecten doorgaans relatief beperkt blijft. Om die reden heeft ZON de wettelijke taak gekregen om implementatie systematisch te bevorderen en heb ik ook aan CVZ en NWO gevraagd aan implementatie van onder meer doelmatigheidsonderzoek na-drukkelijk aandacht te besteden.
Uiteraard heeft bij implementatie het zorgveld zelf een belangrijke taak. Het veld wordt daarbij ondersteund door organisaties als het CBO, dat zich met zijn DOORBRAAK-projecten richt op een snelle verspreiding en daadwerkelijke toepassing van beschikbare kennis en best practi-ces. Ik beraad mij momenteel omtrent eventuele aanvullende activiteiten gericht op implementatie. Ik zal de Kamer hierover op een later tijdstip nader informeren.

Vraag 18.
Hoe wordt optimale samenhang bewerkstelligd tussen de NIVEL studie naar de huisartsenzorg en de door het NHG bepleite onderzoek t.b.v. alledaagse ziekten in de huisartsenpraktijk? 6

Antwoord
Een directe relatie tussen de NIVEL- studie en het onderzoek naar alledaagse ziekten is niet aanwezig. Het betreft verschillende typen onderzoek met een verschillend doel. De door het NIVEL uitgevoerde Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk valt te typeren als een vorm van gezondheidszorgonderzoek waarbij de focus ligt op het verkrijgen van inzicht in de activiteiten en productie die door huisartsen worden verricht.
Het door het NHG bepleite onderzoek naar alledaagse ziekten heeft betrekking op ziekten of klachten die frequent worden gepresenteerd aan de huisarts. Dit type onderzoek valt te typeren als medisch-inhoudelijk, patiëntgericht onderzoek. Het NHG wil middels dergelijk on-derzoek de grote hiaten die er bestaan in de kennis over deze ziekten en hun behandeling verminderen om op die wijze een betere wetenschappelijke onderbouwing van het medisch handelen te realiseren. Dit mede in relatie tot het standaardenbeleid dat door de NHG wordt gevoerd.
Hoewel het duidelijk gaat om 2 verschillende studies, kan wel te zijner tijd uit de gegevens van het NIVEL-onderzoek worden afgeleid welke ziekten frequent worden gepresenteerd aan de huisarts en daarmee wellicht in aanmerking komen voor onderzoek als door het NHG be-pleit.

Vraag 19.
Het rapport over de administratieve lastendruk in de zorgsector werd voor eind 2000 toege-zegd (blz. 5). Wanneer wordt het aan de Kamer gezonden?

Antwoord
Het onderzoek dat PriceWaterhouseCoopers heeft uitgevoerd naar de terugdringing van admi-nistratieve lasten in de zorg is op 26 oktober 2000 aan de Tweede Kamer aangeboden. Tegelijk is daarbij aan de Kamer een taakopdracht gezonden voor een commissie die concrete voorstellen gaat doen om deze administratieve lasten aan te pakken. Deze commissie zal dit voorjaar een tussenrapport uitbrengen en aan het eind van dit jaar het eindrapport opleveren.

Vraag 20.
In de bijlagen Zorgnota 2001 worden de thema's arbeid en gezondheid, ouderen, etnische minderheden en wachtlijsten beschreven. Waarom is in deze brief geen overzichtelijke en complete beschrijving van de vele onderwerpen met hun doelstelling, looptijd en financiering gegeven? Is de minister bereid alsnog een dergelijk overzicht aan de Kamer te zenden?

Antwoord
De Kamer wordt in de jaarlijkse PEO-brief geïnformeerd over het VWS-beleid met betrekking tot projecten, experimenten en onderzoek op het gebied van volksgezondheid en zorg. Tot 1996 werd bij de brief aan de Kamer een overzicht gepubliceerd van alle PEO-programma's. Gezien het meerjarige karakter van de activiteiten betekende een dergelijk overzicht dat ver-schillende jaren achtereen dezelfde programma's aan de Kamer werden gepresenteerd. Daarom is er met ingang van het PEO-programma 1997 voor gekozen om alleen nieuwe on-derwerpen en ontwikkelingen in lopende programma's in de brief aan de Kamer op te nemen. Daarbij was voorts een punt van overweging dat informatie over de lopende activiteiten ook jaarlijks via de jaarverslagen van de intermediaire organisaties die de PEO-programma's uit-voeren
- ZON en NWO - wordt geïnformeerd.
Het recent beschikbaar gekomen jaarverslag 2000 van ZON wil ik u hierbij aanbieden. 7

Vraag 21.
Hoe wordt omgegaan met voorstellen zoals het z.g. PACT II project, gericht op verbetering van de samenwerking tussen specialisten en bedrijfs- en verzekeringsartsen, waarvoor finan-ciering in het vooruitzicht was gesteld?

Antwoord
Het Ministerie van SZW financiert samen met het Ministerie van VWS het PACT-project van de Landelijke Vereniging van Sociaal-geneeskundigen (LVSG). Dit betreft in eerste instantie een pilot-studie met als doelstelling de samenwerking en afstemming tussen medische spe-cialisten en bedrijfs- en verzekeringsartsen te bevorderen door middel van bij- en nascholings-modules. Uit de eerste fase van de pilot-studie is naar voren gekomen dat er bij de betrokken beroepsgroepen voldoende draagvlak is om een dergelijk traject te starten. Op grond daarvan heeft de LVSG een vervolgproject geformuleerd voor het ontwikkelen van bij- en nascholings-modules voor de specialismen cardiologie en reumatologie. De Ministeries van SZW en VWS zullen binnenkort een besluit nemen over de financiering van dit vervolg. Overigens zal de KNMG de verantwoordelijkheid voor dit project overnemen in verband met de opheffing van de LVSG.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie