Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad Vervoer en Telecommunicatie

Datum nieuwsfeit: 04-04-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
European Union

2340. Raad - VERVOER/TELECOMMUNICATIE


.

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2340e zitting van de Raad


- VERVOER/TELECOMMUNICATIE -

Luxemburg, 4-5 april 2001

Voorzitter:

de heer Björn ROSENGREN

Minister van Industrie, Werkgelegenheid en Verkeer van het Koninkrijk Zweden

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

TELECOMMUNICATIE

HERZIEN REGELGEVINGSKADER VOOR ELEKTRONISCHE COMMUNICATIEWERKEN EN


-DIENSTEN

*


-
Kaderrichtlijn *

-
Richtlijn inzake toegang en interconnectie *
-
Richtlijn betreffende de machtigingen *

RICHTLIJN INZAKE DE UNIVERSELE DIENST EN GEBRUIKERSRECHTEN


*

INVOERING VAN HET ".EU"-TOPNIVEAUDOMEIN

*

VERDERE OPENSTELLING VAN DE POSTMARKT IN DE GEMEENSCHAP VOOR

MEDEDINGING

*

ORGANISATIE EN BEHEER VAN INTERNET

*

TIJDENS DE LUNCH BESPROKEN PUNTEN

*

VERVOER

SCHEEPVAART

*


- VEILIGHEID VAN DE ZEEVAART - ERIKA II-PAKKET


*

HORIZONTALE VERVOERSVRAAGSTUKKEN

*


-
STRATEGIE VOOR DE INTEGRATIE VAN MILIEU EN DUURZAME ONTWIKKELING

IN HET VERVOERSBELEID - Resolutie van de Raad *
-
GALILEO - Resolutie van de Raad *

LUCHTVERVOER

*


-
MILIEUKWESTIES IN DE INTERNATIONALE BURGERLUCHTVAARTORGANISATIE

(ICAO) - Conclusies van de Raad *

-
EUROPEES AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE LUCHTVAART (EASA) *


-
VERDRAG VAN MONTREAL BETREFFENDE DE AANSPRAKELIJKHEID VAN

LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJEN *

INLANDTRANSPORT

*


-
OPENBAREDIENSTEISEN OP HET GEBIED VAN HET PERSONENVERVOER *


-
VERORDENING MET BETREKKING TOT EEN UNIFORM BESTUURDERSATTEST

(BESTUURDERS UIT DERDE LANDEN) *

-
RICHTLIJN BETREFFENDE HET VERPLICHTE GEBRUIK VAN

VEILIGHEIDSGORDELS *

-
WETTELIJK TOEGESTANE ALCOHOLPROMILLAGE VOOR BESTUURDERS VAN,

MOTORVOERTUIGEN - Conclusies van de Raad *

-
RICHTLIJN OVER MAXIMUMLENGTE VAN BUSSEN *

-
TRANSITOGOEDERENVERVOER OVER DE WEG DOOR OOSTENRIJK/ ECOPUNTEN *

TIJDENS DE LUNCH BESPROKEN PUNTEN

*


-
LUCHTVAART *

-
RIJVERBOD IN HET WEEKEINDE *

DIVERSEN

*


-
Opleiding van beroepschauffeurs voor goederen- en personenvervoer over de weg *

-
Plechtige ingebruikneming van de nieuwe luchthaven van Athene *

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

LANDTRANSPORT

*

* Controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg *
EXTERNE BETREKKINGEN

*

* Malta/Cyprus *

* Chili *

* Hongarije, Tsjechische Republiek *

* Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië *
* Japan *

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

*

* Actieplan inzake drugs Europese Unie/Centraal Azië *
* Turkije - controle op precursoren van verdovende middelen *
VISSERIJBELEID

*

* Technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen *

* Overeenkomst met Rusland *

* Visserijovereenkomst met Ivoorkust *

* Visserijovereenkomst met Equatoriaal-Guinea *
MILIEU

*

* Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand - Protocol inzake zware metalen * *

BENOEMINGEN

*

* Comité van de Regio's *



Voor meer informatie: tel. 02-285.60.83, 02-285.67.00 of 02-285.68.08

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België:

de heer Rik DAEMS

minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven

mevrouw Isabelle DURANT

vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer

Denemarken
:

mevrouw Birte WEISS

minister van Informatie, Technologie en Onderzoek

de heer Jacob BUKSTI

minister van Verkeer

mevrouw Ole STAVAD

minister van Handel en Industrie

de heer Karsten DYBVAD

staatssecretaris van Vervoer

Duitsland
:

de heer Alfred TACKE

staatssecretaris, ministerie van Economische Zaken en Technologie

de heer Henner WITTLING

staatssecretaris, ministerie van Verkeer en Bos- en Woonbeleid

Griekenland
:

de heer Christos PAPOUTSIS

minister van Koopvaardij

de heer Christos VERELIS

minister van Verkeer

de heer Constantinos ROVLIAS

secretaris-generaal van Verkeer

Spanje
:

de heer Francisco ALVAREZ-CASCOS FERNANDEZ

minister van Opbouw

de heer Baudilio TOME MUGURUZA

staatssecretaris van Telecommunicatie en Informatiemaatschappij

Frankrijk
:

de heer Jean-Claude GAYSSOT

minister van Infrastructuur, Verkeer en Huisvesting

de heer Christian PIERRET

staatssecretaris van Industrie

Ierland
:

mevrouw Mary O'ROURKE

minister van Overheidsbedrijven

Italië
:

de heer Pierluigi BERSANI

minister van Verkeer en Scheepvaart

de heer Michele LAURIA

staatssecretaris van Verkeer

Luxemburg
:

de heer François BILTGEN

minister van Arbeid en werkgelegenheid, gedelegeerd minister van Verkeer

de heer Henri GRETHEN

minister van Vervoer

Nederland
:

mevrouw Tineke NETELENBOS

minister van Verkeer en Waterstaat

mevrouw Monique DE VRIES

staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat

Oostenrijk
:

mevrouw Monika FORSTINGER

minister van Verkeer, Innovatie en Technologie

Portugal
:

de heer Eduardo FERRO RODRIGUES

minister van Infrastructuurvoorzieningen

de heer José JUNQUEIRO

staatssecretaris van Maritiem en Havenbestuur

de heer Rui CUNHA

toegevoegd staatssecretaris, tevens bevoegd voor Verkeer

Finland
:

de heer Olli-Pekka HEINONEN

minister van Verkeer en Communicatie

de heer Juhani KORPELA

staatssecretaris van Verkeer en Communicatie

Zweden:

de heer Björn ROSENGREN

minister van Industrie, Werkgelegenheid en Verkeer

mevrouw Birgitta HEIJER

staatssecretaris van Industrie

Verenigd Koninkrijk
:

mevrouw Patricia HEWITT

onderminister van Kleinbedrijf en E-handel, ministerie van Handel en Industrie

de heer Keith HILL

staatssecretaris van Milieubeheer, Verkeer en Regionaal beleid


* * *

Commissie
:

mevrouw Loyola DE PALACIO

vice-voorzitter

de heer Erkki LIIKANEN

lid

de heer Mario MONTI

lid

TELECOMMUNICATIE

HERZIEN REGELGEVINGSKADER VOOR ELEKTRONISCHE COMMUNICATIEWERKEN EN


-DIENSTEN

De Raad bereikte politieke overeenstemming over zijn gemeenschappelijke standpunten met het oog op de aanneming van drie richtlijnen in het herziene regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten. Na bijwerking van de teksten in de talen van de Gemeenschap, zullen deze gemeenschappelijke standpunten formeel door de Raad worden vastgesteld en aan het Europees Parlement voor de tweede lezing worden toegezonden, overeenkomstig de bepalingen voor de medebeslissingsprocedure van het Verdrag.
* Kaderrichtlijn

(Voorstel voor een richtlijn inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en
-diensten)
Deze richtlijn beoogt de vaststelling van de beginselen waaraan de nationale regelgevende instanties (NRI's) zich moeten houden, en van de rol van de Commissie. Zij bevat ook bepalingen met betrekking tot de toekenning en indeling van radiofrequenties en nummers en het verlenen van doorgangsrechten. De richtlijn groepeert ook de bepalingen die de specifieke richtlijnen gemeen hebben, in het bijzonder:


- een definitie van het begrip "aanmerkelijke marktmacht" en de procedure voor marktanalyse die de NRI's moeten volgen om specifieke verplichtingen op te leggen aan bepaalde ondernemingen;
- de procedures voor een geharmoniseerde uitvoering van het nieuwe regelgevingskader;

- bepalingen met betrekking tot de beslechting van geschillen tussen ondernemingen.

Overeenkomstig de heden bereikte overeenkomst wordt een onderneming geacht een aanmerkelijke marktmacht te hebben wanneer zij, alleen of samen met andere, een economische machtspositie bezit die haar de mogelijkheid geeft zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, haar afnemers en, uiteindelijk, de consumenten te gedragen.

Bij de beoordeling of twee of meer ondernemingen gezamenlijk een aanmerkelijke marktmacht hebben, treden de NRI's meer bepaald op overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en houden zij daarbij zoveel mogelijk rekening met de door de Commissie gepubliceerde "Richtsnoeren voor marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht". De maatregelen die bij een dergelijke beoordeling worden gehanteerd, staan in bijlage II van de richtlijn.

Wanneer een onderneming aanmerkelijke macht op een specifieke markt bezit, kan zij ook worden aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een nauw verwante markt, als de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de marktmacht die men op de ene markt heeft, op de andere markt zodanig kan worden gebruikt dat de marktmacht van de onderneming wordt vergroot.

Wat de raadpleging en transparantie betreft, bepaalt de ontwerp-richtlijn dat, wanneer een NRI voornemens is maatregelen te treffen die aanzienlijke gevolgen voor de markt hebben, zij de ontwerp-maatregel tegelijkertijd toegankelijk maakt voor de Commissie en de NRI's in andere lidstaten, tezamen met de motivering van de maatregel, en dat zij de Commissie en de andere nationale regelgevende instanties daarvan in kennis stelt.

De betrokken NRI houdt zoveel mogelijk rekening met de opmerkingen van de Commissie en van andere NRI's en kan de uiteindelijke ontwerp-maatregel vaststellen; indien zij die maatregel vaststelt, doet zij hiervan mededeling aan de Commissie.

De Commissie kan een uitvoerig standpunt openbaar maken waarin zij aan de instantie uiteenzet waarom zij de ontwerp-maatregel niet verenigbaar acht met het communautaire recht. De NRI kan de beoogde maatregelen na de bekendmaking van het uitvoerig standpunt van de Commissie vaststellen en hiervan mededeling doen aan de Commissie. Indien de NRI het advies van de Commissie niet opvolgt, deelt zij haar motivatie mee.

* Richtlijn inzake toegang en interconnectie

* (Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot en interconnectie van elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten)

Deze specifieke richtlijn is erop gericht prioriteit te geven aan de commerciële onderhandelingen tussen de partijen over de overeenkomsten inzake toegang en interconnectie; hiertoe worden nauwkeurige regels vastgesteld voor eventueel ingrijpen door de NRI's, mocht dit noodzakelijk blijken, bijvoorbeeld met het oog op de correctie van marktverstoringen. In de richtlijn worden de soorten van toegang en interconnectieverplichtingen gespecificeerd die aan exploitanten met aanzienlijke marktmacht kunnen worden opgelegd, alsmede de beperkte omstandigheden waarbij verplichtingen aan andere exploitanten kunnen worden opgelegd.


* Richtlijn betreffende de machtigingen

(Voorstel voor een richtlijn betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en -diensten) Deze richtlijn dient ter vervanging van de huidige Richtlijn 97/13/EG betreffende machtigingen en vergunningen. Zij schrijft een systeem van algemene machtigingen voor, behalve voor de toekenning van radiofrequenties en nummers, en stelt nieuwe beperkingen aan de voorwaarden die aan de dienstverleners mogen worden opgelegd. De richtlijn vereenvoudigt de procedures voor het verkrijgen van machtigingen door afschaffing van de informatie-eisen en verlichting van de controles op de nakoming van de voorwaarden.

De Raad memoreerde ook de conclusies van de Europese Raad van Stockholm, waarin staat: "de Commissie zal samen met de Raad werken aan een ondersteunend beleidskader voor mobiele communicatie van de derde generatie in de Unie, inclusief overeenstemming over het voorgenomen besluit voor een regelgevend kader voor radiospectrumbeleid en breedbandnetwerken.".

RICHTLIJN INZAKE DE UNIVERSELE DIENST EN GEBRUIKERSRECHTEN

De Raad nam nota van de vooruitgang die met dit voorstel is geboekt en verzocht het Comité van permanente vertegenwoordigers zijn besprekingen over dit dossier voort te zetten in het licht van het ingewachte advies van het Europees Parlement, en bij de Raad een verslag in te dienen zodat hij in zijn zitting van 27/28 juni overeenstemming kan bereiken over een gemeenschappelijk standpunt.

De richtlijn bundelt de bestaande communautaire bepalingen inzake de universele dienst en gebruikersrechten. Zij voorziet niet in een uitbreiding van de universele dienst; wel wordt een proces op gang gebracht voor herziening van de werkingssfeer. Ook preciseert de richtlijn de rechten van de gebruikers (bv. bijstand van een telefonist, toegang tot telefoongidsen en nummerportabiliteit) alsmede maatregelen om de verstrekkers van de universele dienst schadeloos te stellen.

INVOERING VAN HET ".EU"-TOPNIVEAUDOMEIN

De Raad nam nota van de stand van zaken met betrekking tot het voorstel voor een verordening betreffende de invoering van het ".eu"-topniveaudomein. De Raad verzocht het Comité van permanente vertegenwoordigers de bespreking van dit dossier voort te zetten, met inachtneming van het ingewachte advies van het Europees Parlement, en bij de Raad een verslag in te dienen zodat hij deze ontwerp-verordening snel kan aannemen.

VERDERE OPENSTELLING VAN DE POSTMARKT IN DE GEMEENSCHAP VOOR

MEDEDINGING

De Raad nam akte van de informatie van het voorzitterschap met betrekking tot de vorderingen over dit dossier. De Raad verzocht het Comité van permanente vertegenwoordigers de besprekingen over dit voorstel actief voort te zetten, overeenkomstig het mandaat van de Europese Raad van Stockholm, en een ontwerp in te dienen zodat de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt over dit voorstel in zijn volgende zitting op 27/28 juni kan vaststellen.

Dit voorstel voor een richtlijn wijzigt de bestaande Richtlijn 97/67/EG op een aantal punten en voorziet in twee extra fasen in de liberalisering van de postmarkt.

Het Commissievoorstel voorziet in een eerste fase die uiterlijk op
1 januari 2003 ingaat en die een extra liberalisering van 20% ten opzichte van de toestand onder de huidige richtlijn vertegenwoordigt. Nieuwe, in 2005 vast te stellen maatregelen, zouden ingaan op
1 januari 2007. De voornaamste in 2003 van toepassing zijnde elementen voor dit voorstel behelzen de invoering van nieuwe definities, de beperking van het maximale gewicht en de maximale prijs van de voorbehouden diensten tot 50 g en 2,5 maal het basistarief, en de liberalisering van de uitgaande grensoverschrijdende stromen; in 2004 zal een nieuwe fase worden vastgesteld.

ORGANISATIE EN BEHEER VAN INTERNET

De Raad nam akte van de informatie van de Commissie over de internationale aspecten van de organisatie en het beheer van Internet.

Deze informatie is een bijwerking van de in april 2000 bij de Raad ingediende mededeling van de Commissie "De organisatie en het beheer van Internet, internationale en Europese
beleidsvraagstukken 1998-2000".

TIJDENS DE LUNCH BESPROKEN PUNTEN

Tijdens de lunch bracht Commissielid LIIKANEN bij de Raad verslag uit over


- de vorderingen die zijn gemaakt met betrekking tot de ontbundelde toegang tot het aansluitnet sedert de inwerkingtreding (1 januari 2001) van de verordening met betrekking tot dit punt; en

- de plannen van de Commissie voor een voorstel voor een alomvattende strategie en actieplan voor veilige netwerken in de EU, dat naar verwachting zal worden besproken op de zitting van de Raad (Interne Markt, Consumentenzaken en Toerisme) van 5 juni 2001.

De Raad nam ook akte van de informatie van Commissielid LIIKANEN over de volgende mededelingen:


- "e-Europa 2002: effecten en prioriteiten";

- "De informatiemaatschappij veiliger maken door de informatie-infrastructuur beter te beveiligen en computercriminaliteit te bestrijden: Europa 2002";
- "De invoering van mobiele communicatie van de derde generatie in de Europese Unie", waarin actielijnen worden voorgesteld die de overgang van mobiele systemen van de tweede generatie naar de derde generatie moeten vergemakkelijken. De maatregelen betreffen de verbetering van de regelgevingsomgeving, de aanpak van de bestaande technische problemen en de ondersteuning van de ontwikkeling van innoverende draadloze toepassingen en inhoudsaanbod alsmede de zorg voor een voortdurende O&O-inspanning in de sector op communautair niveau.

VERVOER

SCHEEPVAART


- VEILIGHEID VAN DE ZEEVAART - ERIKA II-PAKKET

De Raad hield een beleidsdebat over het pakket van de drie wetgevingsvoorstellen die de Commissie in december 2000 indiende als bijkomend antwoord op de problemen inzake veiligheid van de zeevaart, die waren gerezen na het ongeval met de ERIKA een jaar voordien (ERIKA II-pakket).

Het eerste wetgevingsvoorstel heeft betrekking op de monitoring, de controle en de informatie voor het zeeverkeer; het moet bijdragen tot een grotere veiligheid van de zeevaart, het moet verontreiniging door schepen helpen voorkomen en zoek- en reddingsacties bij ongevallen vergemakkelijken.

Het voorstel tot instelling van een aanvullend fonds voor de vergoeding van schade als gevolg van olieverontreiniging zal meer middelen beschikbaar stellen voor de vergoeding van schade bij ernstige rampen aan de Europese kusten.

Het derde voorstel betreffende een Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart is bedoeld om de lidstaten en de Commissie bij te staan bij het toepassen van de communautaire wetgeving en het uitoefenen van toezicht op de naleving daarvan, alsmede bij het beoordelen van de doeltreffendheid van de getroffen maatregelen.

De ministers werd gevraagd om voor de verdere werkzaamheden politieke richtsnoeren op te stellen, door een antwoord te geven op de vraag of het dienstig is om


- het melden van schepen voor alle vaartuigen en in alle gebieden verplicht te stellen;


- het besluit van de Raad van december toe te passen door "black boxes" verplicht te stellen op alle schepen, via een akkoord in IMO-verband, waarbij de lidstaten een gemeenschappelijke benadering volgen, dan wel door naast deze IMO-onderhandelingen gelijktijdig te werken aan een communautaire wetgeving;
- de schadevergoedingsmaxima van de internationale aansprakelijkheids- en schadevergoedingsregeling te verhogen door een gemeenschappelijke aanpak van de lidstaten in het kader van de IOPC-regeling of door aanvulling van het internationale systeem met een fonds van de EU, eventueel bij wijze van voorlopige maatregel, zolang de huidige IOPC-regeling niet is aangepast;
- een EU-agentschap voor de veiligheid van de scheepvaart op te richten om de lidstaten en de Commissie de veiligheid van het zeeverkeer verder te helpen verhogen, en zo ja, voor welke taken het agentschap verantwoordelijk zou worden en welke omvang en structuur het in het licht van die taken zou moeten krijgen.

De Raad erkende dat inspanningen moeten worden geleverd om de veiligheid op zee te verbeteren, teneinde het leven van mensen op zee te behoeden en het mariene milieu te beschermen.

De Raad verzocht het Comité van permanente vertegenwoordigers de werkzaamheden over dit pakket voort te zetten en te streven naar bespreking op het breedst mogelijke niveau, zonder oplossingen op regionaal niveau uit te sluiten. Dit houdt de omschrijving in van gemeenschappelijke benaderingen over de vraagstukken die moeten worden besproken op het niveau van de IMO en de versterking van de coördinatie van de EU in dit kaderwerk. De Raad nam er ook akte van dat er een ruime steun is voor de oprichting van een Europees veiligheidsagentschap en dat de taken en de organisatie daarvan verder moeten worden onderzocht.

De Raad zal dit dossier in zijn volgende zitting op 27/28 juni opnieuw bespreken in het licht van het voorbereidende werk van het Comité van permanente vertegenwoordigers.

HORIZONTALE VERVOERSVRAAGSTUKKEN

* STRATEGIE VOOR DE INTEGRATIE VAN MILIEU EN DUURZAME ONTWIKKELING

IN HET VERVOERSBELEID - Resolutie van de Raad

"Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 2 en 6,

DE RAAD


1. HERINNERT AAN de belangrijke stap die is gezet met de ontwikkeling van een strategie voor de integratie van milieu en duurzame ontwikkeling in het vervoersbeleid, waartoe de Raad op 6 oktober 1999 ingevolge het verzoek van de Europese Raad van Cardiff en Wenen heeft besloten.

2. BEVESTIGT de verbintenis om op basis van de strategie verdere vorderingen op de weg naar een duurzaam vervoer te maken.
3. HERBEVESTIGT de noodzaak dat de lidstaten in verschillende sectoren van de economische en sociale bedrijvigheid geïntegreerde strategieën ter bevordering van een duurzaam vervoer uitwerken en toepassen.

4. HERINNERT AAN de belangrijke initiatieven waardoor de strategie in concreto reeds wordt omgezet in vervoersbeleidsmaatregelen van de EU, zoals aangegeven in het werkdocument van de Commissiediensten ( 1).

5. ERKENT dat er verdere maatregelen nodig zijn om te komen tot een duurzaam vervoerssysteem dat


·
op veilige wijze, en zonder afbreuk te doen aan de gezondheid van mens en milieu, voldoet aan de essentiële toegangs- en ontwikkelingsbehoeften van individuen, bedrijven en gemeenschappen, en de gelijkgerechtigdheid binnen en tussen de opeenvolgende generaties bevordert;

·
betaalbaar is, eerlijk en efficiënt werkt, een keuze biedt aan vervoerswijzen en een concurrerende economie, alsook een evenwichtige regionale ontwikkeling stimuleert;
·
emissies en afvalstoffen beperkt tot een niveau dat de planeet kan verwerken, hernieuwbare energiebronnen gebruikt in een tempo dat ten hoogste gelijk is aan dat van hun productie, en niet-hernieuwbare bronnen gebruikt in een tempo dat ten hoogste gelijk is aan dat van de ontwikkeling van hernieuwbare substituten, terwijl het effect op het grondgebruik en de geluidsoverlast tot een minimum wordt beperkt.


6. HERHAALT zijn verzoek aan de lidstaten en de Commissie om de bovengenoemde doelstellingen zoveel mogelijk te bevorderen, met name in het kader van de relevante fora en internationale organisaties die zich met vervoer bezighouden.


7. BEKLEMTOONT dat de integratie van milieuaspecten en de voortgang op de weg naar een duurzaam vervoerssysteem nieuwe kansen voor het bedrijfsleven kunnen inhouden sociale vooruitgang kunnen brengen, de economische groei kunnen stimuleren en nieuwe banen kunnen creëren, zonder dat dit noodzakelijkerwijze gepaard gaat met een toename van het verkeer en de negatieve gevolgen daarvan.


8. SCHAART ZICH ACHTER de doelstellingen die beogen de verkeerscongestie te beperken en het gebruik van de onderscheiden vervoerswijzen te optimaliseren teneinde de huidige niet-houdbare algemene trend in de opsplitsing tussen de vervoerswijzen zo om te buigen dat de huidige opsplitsingsverhouding zich binnen tien jaar ten minste stabiliseert, ook al neemt het verkeer nog toe. Deze doelstellingen vormen een platform van waaraf kan worden aangestuurd op een groter aandeel van de meer milieuvriendelijke vervoerssystemen, zodat de wijzen van vervoer die de burgers ten dienste staan veiliger, minder aan verstopping onderhevig en betaalbaarder worden.


9. KOMT OVEREEN voorrang te geven aan die vormen van beleid en maatregelen waarmee evenwichtig wordt ingespeeld op de behoefte aan mobiliteit, efficiency en milieubescherming, meer bepaald verlaging van de uitstoot van broeikasgassen om te voldoen aan de verbintenissen van Kyoto, vermindering van de emissiedeeltjes en andere schadelijke stoffen, en terugdringing van de geluidsoverlast.


10. ACHT het noodzakelijk een pakket van maatregelen en beleidsinstrumenten uit te werken met het oog op een versneld en breed aanbod van schone, stillere en energie-efficiënte technologieën en van alternatieve brandstoffen uit hernieuwbare bronnen, op het stimuleren van het openbaar vervoer, op een eerlijke en doeltreffende tariefregeling waarin de milieukosten worden doorberekend, op een efficiënt gebruik van het volledige vervoerssysteem, inclusief een intensiever gebruik van minder milieubelastende vervoerswijzen en op een consequente aanpassing van de vervoersinfrastructuur.


11. ERKENT dat de situatie in de diverse regio's van de Gemeenschap verschilt, zodat er behoefte is aan gedifferentieerde maatregelen die zijn toegesneden op de specifieke regio's. Terzelfder tijd is de Raad zich bewust van de noodzaak van gecoördineerde actie teneinde het vrij verkeer van personen en goederen en de resultaten van de interne markt te vrijwaren.


12. HERHAALT zijn verzoek aan de kandidaat-lidstaten om zich bij het uitstippelen van nationale en lokale strategieën tijdens de pretoetredingsperiode te laten leiden door het integratiebeginsel zoals dit in de Gemeenschap wordt ontwikkeld. De kandidaatlanden worden aangespoord om middelen vrij te maken voor de instandhouding en ontwikkeling van hun minst milieuschadelijke vervoerstakken, zoals het vervoer per spoor, over de binnenwateren en over zee, en het openbaar vervoer. Tijdens de pretoetredingsperiode zouden de aan de kandidaatlanden toe te kennen middelen waar mogelijk aan de ontwikkeling van deze vervoerstakken kunnen worden gekoppeld.


13. VERZOEKT DE COMMISSIE vóór de volgende evaluatie werk te maken van de onderstaande taken:

·
zich beraden over het mogelijke gebruik op EU-niveau van indicatieve milieudoelstellingen op middellange en lange termijn voor de vervoerssector, rekening houdend met de interactie met andere sectoren;

·
nader onderzoeken hoe de strategie kan worden uitgevoerd, teneinde te komen tot een duurzaam vervoerssysteem waarbij een hoge milieukwaliteit hand in hand gaat met een geactiveerde economische groei, sociale duurzaamheid, nieuwe kansen voor het bedrijfsleven en nieuwe werkgelegenheid. Het onderzoek dient rekening te houden met de ontwikkeling en het effect van wijzigingen op vervoersgebied in de context van de uitbreiding van de EU;
·
zich beraden over een eventuele Europese strategie, ook op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, voor een versnelde invoering van alternatieve brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen en schone, stillere en energie-efficiënte concepten en technologieën voor het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren, gericht op aanzienlijke marktsegmenten;

·
bevorderen en vergemakkelijken van het gebruik van marktmechanismen en ontwikkelen van moderne technische instrumenten voor het innen van de kosten die worden aangerekend uit hoofde van een eerlijke en doeltreffende tariefregeling waarin de milieukosten worden doorberekend.


14. NEEMT NOTA van het voornemen van de Commissie om een verordening voor te stellen, teneinde de ononderbroken werking van het mechanisme voor rapportage over vervoer en milieu (TERM) te garanderen.


15. KOMT OVEREEN de strategie geregeld te zullen toetsen op basis van Commissieverslagen. De volgende toetsing vindt onder het Deense voorzitterschap.


16. ERKENT het werk van de gemeenschappelijke groep deskundigen inzake vervoer en milieu, en moedigt haar verdere ondersteunende werkzaamheden aan.


17. VERZOEKT DE EUROPESE RAAD

·
deze resolutie over vervoer en milieu te erkennen als een belangrijke bijdrage tot de strategie inzake duurzame ontwikkeling;

·
andere Raadsformaties te verzoeken bij te dragen tot de ontwikkeling van een duurzaam vervoerssysteem."


* GALILEO - Resolutie van de Raad

* De Raad nam deze resolutie aan na een debat over de aanbestedingsprocedure en het werk dat het voorzitterschap over dit belangrijk technologisch programma van de Europese Unie heeft verricht:

"De Raad van de Europese Unie,

in aanmerking nemende de mededeling van de Commissie van 22 november 2000 ( 2) en de tot nog toe gepubliceerde resultaten van de ontwerpfase die met de resolutie van de Raad van 19 juli 1999 ( 3) is gestart,

overwegende dat een van de strategische voordelen van GALILEO erin bestaat een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een sterkere Europese samenhang,


- verwijst naar de conclusies van de Europese Raad van Keulen, Feira, Nice en Stockholm,


- memoreert zijn resolutie van 16 november 2000 over de Europese ruimtevaartstrategie, alsmede de ESA-resolutie inzake de bijdrage van de ESA aan GALILEO, die op 20 december 2000 is aangenomen,
- wijst erop dat GALILEO een civiel programma onder civiele controle is,


- acht het belangrijk dat Europa op dit gebied onafhankelijk is, rekening houdend met:

o de aanzienlijke vooruitzichten voor het gebruik van deze technologie;

o de risico's die gepaard zouden gaan met de afhankelijkheid van talrijke publieke en particuliere activiteiten van systemen waarop Europa geen enkele controle kan uitoefenen; o de voordelen die dit systeem zal moeten opleveren in termen van redundantie, interoperabiliteit, complementariteit en gegarandeerde dienstverlening,


- benadrukt dat het project op basis van een gedegen kosten-batenanalyse moet worden ontwikkeld,


- komt in principe overeen te streven naar een uiterlijk in 2008 volledig operationeel systeem.

De Raad stemt in met de onderstaande regels, die de noodzakelijke elementen bevatten voor het starten van de ontwikkelingsfase van het GALILEO-project als volgende stap:


1. De Raad komt, onder de voorwaarden en op basis van de mededeling van de Commissie van november 2000, overeen dat de financiering ongeveer in gelijke mate zal berusten op communautaire kredieten en kredieten van het ESA. Een bedrag van maximaal 100 miljoen euro voor het jaar 2001 zal onmiddellijk na deze resolutie worden vrijgemaakt overeenkomstig de mechanismen van het financieel reglement van het TEN. Een besluit over de vrijmaking van de resterende TEN-kredieten (te weten 450 miljoen euro) zal worden genomen door de Raad in december 2001 samen met een besluit om een voor het beheer van het project verantwoordelijke entiteit op te richten.

2. Een daadwerkelijke politieke controle van GALILEO en EGNOS door de Gemeenschap en de lidstaten dient op passende rechtsgrondslagen te berusten. De Commissie moet in nauwe samenwerking met het ESA de eenheid van bestuur en financieel beheer van het project waarborgen. Bij de ontwikkeling van het project dienen gebruikersorganisaties, derde landen en privé-partners te worden betrokken. Praktische regelingen moeten een evenwichtige deelname van alle lidstaten in alle fasen van het programma waarborgen, zodat het een programma met een ware Europese dimensie wordt. Tenslotte moet de bovenbedoelde voor het project verantwoordelijke entiteit worden opgericht voor het beheer, de administratie en de financiële controle van het project. De voor- en nadelen van de volgende opties dienen door de Raad te worden onderzocht, of het nu gaat om een gemeenschappelijke onderneming in de zin van artikel 171 van het EG-Verdrag, een agentschap of een andere passende formule, zulks in het licht van het voorstel dat de Commissie voornemens is in te dienen. In nauwe samenwerking met het ESA zal de Commissie de Raad zo spoedig mogelijk voorstellen doen toekomen over de statuten en, met name, de organisatie, het beheer, het personeel en de financiering van de entiteit; de Raad moet hierover in december 2001 een besluit nemen. De Commissie zal zo spoedig mogelijk, in nauwe samenwerking met het ESA, een tussentijdse beheerstructuur opzetten die zal functioneren tot de voor het project verantwoordelijke entiteit wordt opgericht. Deze tijdelijke structuur zal bestaan uit vertegenwoordigers van de Commissie, die de algemene coördinatie van het programma zullen waarborgen, en vertegenwoordigers van het Europees Ruimte-Agentschap, die de technische uitvoering ervan zullen waarborgen. Zij zal via de Stuurgroep luchtvaart van het ESA en de GALILEO-stuurgroep van de Commissie nauw samenwerken met de lidstaten.

3. Alle fasen van de ontwikkeling van het programma zullen gebaseerd worden op transparant en deugdelijk financieel beheer. De Europese Raad heeft in opeenvolgende bijeenkomsten de doelstelling van een in hoge mate private financiering bevestigd, laatstelijk in zijn conclusies van Stockholm, waarin de particuliere sector wordt gevraagd om door middel van een bindende toezegging voor de stationeringsfase de uitdaging aan te gaan met betrekking tot deelname aan en financiering van het project. Aangezien particuliere deelname via een partnerschap overheid-particuliere sector een fundamenteel onderdeel is voor het welslagen van GALILEO, moet de particuliere sector ook betrokken worden bij de uitvoering en het functioneren van het project, teneinde te komen tot een zo groot mogelijke doelmatigheid in het beheer en tot optimale kansen voor het bedrijfsleven, alsook tot inschakeling van particuliere gelden via billijke risicoverdeling.
Daartoe verzoekt de Raad de Commissie:


- voor juni 2001, in nauwe samenwerking met het ESA, een gedetailleerd ontwerpinitiatief en een duidelijke beschrijving van taken en eisen op te stellen, zoals prestaties die ten minste die van het bestaande wereldwijde satellietnavigatiesysteem GNSS evenaren, optimale interoperabiliteit en redundantie met andere systemen, geen gemeenschappelijke storingscondities, integriteit op alle breedtegraden, compatibiliteit met bestaande navigatiesystemen, continuïteit van de dienstverlening in crisissituaties, verenigbaarheid met het mechanisme van
intellectuele-eigendomsrechten;

- de projectdoelstellingen in nauwe samenwerking met het ESA duidelijk te omschrijven en deze met de kosten-batenanalyse, die momenteel op onafhankelijke wijze wordt geconsolideerd, samen te voegen in een verslag aan de Raad voor juni 2001;
- zo spoedig mogelijk een aanbestedingsprocedure te beginnen, waarbij een vooruitblik op alle projectfasen wordt gegeven, zodat de particuliere sector geleidelijk over de langere termijn bij het project betrokken kan worden, en zodoende de door GALILEO te verstrekken commerciële en openbare diensten in kaart kunnen worden gebracht, en daarbij te vermelden welke inkomsten ze zouden kunnen genereren en welke begeleidende maatregelen daarvoor nodig zouden zijn. Dat zal ook bevorderlijk zijn voor een verduidelijking van de voorwaarden voor de betrokkenheid over de langere termijn van de particuliere sector. Het resultaat van de beoordeling van de offertes zal begin november beschikbaar zijn als basis voor een besluit van de Raad vóór eind 2001. Bij dat besluit zal tevens het maximumbedrag aan overheidskredieten worden bepaald dat beschikbaar zal zijn voor de stationeringsfase en de exploitatiefase. ( 4) Onverminderd dat besluit treft de voor het beheer van het GALILEO-project verantwoordelijke entiteit de vereiste transparante en niet-discriminerende maatregelen om de particuliere sector in staat te stellen een vaste financiële verbintenis aan te gaan waardoor deze vóór eind 2003 aan de stationeringsfase kan deelnemen. Het besluit van de Raad om de stationeringsfase te starten vereist, zoals door de achtereenvolgende Europese Raden werd overeengekomen, grotendeels financiering door middel van particuliere investeringen; in dit verband neemt de Raad akte van het advies van de Commissie dat tijdens de exploitatiefase geen bijdragen uit de fondsen van de Gemeenschap vereist zullen zijn.


4. De voorafgaande omschrijving van de diensten moet in juni 2001 door de Raad bekrachtigd worden als een belangrijk onderdeel van de aanvangsfase van de aanbestedingsprocedure. Deze omschrijving moet tevens de ontwikkeling van het partnerschap overheid - particuliere sector mogelijk maken. De consolidering en de definitieve selectie van de diensten zullen na overleg met de betrokken gebruikersorganisaties worden uitgevoerd om de behoeften, de werkingssfeer, de kenmerken, de kosten en de financieringswijze te bepalen. De Raad zal uiterlijk eind 2003 een besluit nemen over de dienstenopties en over het starten van de uitvoeringsfase, rekening houdend met het resultaat van de Wereldradiocommunicatieconferentie (WRC).


5. De beveiliging van GALILEO is een belangrijk onderdeel van het programma. Zij moet waarborgen bieden voor de noodzakelijke continuïteit van de dienstverlening op bepaalde toepassingsgebieden, zoals die welke betrekking hebben op de veiligheid van het menselijk leven, maar ook die welke verband houden met beperking of zelfs ontzegging van toegang waartoe de civiele autoriteiten in noodsituaties kunnen besluiten. De vraagstukken inzake juridische aansprakelijkheid die daarmee samenhangen, dienen duidelijk te worden gespecificeerd. Een voorafgaande omschrijving van het vereiste beveiligingsniveau van het systeem en een overzicht van de kosten daarvan moeten aan de Raad worden voorgelegd en uiterlijk eind 2001 moet de Raad hierover een besluit nemen, na advies van de GALILEO-stuurgroep (GSC) en de GALILEO-systeemveiligheidsraad (GSSB).


6. De wijze waarop de persoonlijke levenssfeer en vrijheden zullen worden beschermd tegen misbruik dat verband houdt met het gebruik van lokalisatiegegevens van het systeem, dient te worden gepreciseerd en in de gedetailleerde ontwikkeling van het project te worden geïntegreerd.


7. Het GALILEO-systeem zal zodanig worden opgezet, dat een homogene levering van diensten op het gehele grondgebied van de lidstaten van de Unie, met inbegrip van de uiterste noorderbreedten, gewaarborgd is, dankzij satellieten in middelhoge omloopbaan. De optimale integratie van EGNOS ( 5) in het GALILEO-programma dient in nauwe samenwerking met de EOIG ( 6) te geschieden, volgens een overgangsprogramma dat omstreeks 2015 teneinde moet lopen. Te dien einde dienen de betrokken partners zo spoedig mogelijk een gedetailleerd voorstel te doen inzake de technische, de exploitatie-, de financiële en de institutionele aspecten van deze integratie. Zolang dat nodig is, dienen afzonderlijke financieringsregelingen van GALILEO en EGNOS te worden gehanteerd.


8. De verenigbaarheid en interoperabiliteit tussen GALILEO en de andere systemen voor radionavigatie per satelliet (GPS en GLONASS) moet op gebruikersniveau worden gewaarborgd, teneinde met behulp van redundantie te zorgen voor een betere en meer solide dienstverlening aan alle gebruikers in de wereld. In dit verband moeten de besprekingen met de Verenigde Staten en Rusland worden geïntensiveerd om zo spoedig mogelijk een bevredigend akkoord te bereiken.


9. De Raad moedigt de voortzetting aan, onder zijn politieke leiding, van de contacten met niet-lidstaten die aan de ontwikkeling van GALILEO willen bijdragen.


10. De WRC 2003 moet actief worden voorbereid om de resultaten van de WRC 2000 te consolideren door een passende gemeenschappelijke aanpak van het GALILEO-spectrum.


11. De Commissie zal jaarlijks aan de Raad verslag uitbrengen over de vorderingen van het programma. Een eerste verslag zal in december 2001 aan de Raad worden voorgelegd."

LUCHTVERVOER

* MILIEUKWESTIES IN DE INTERNATIONALE BURGERLUCHTVAARTORGANISATIE

(ICAO) - Conclusies van de Raad

"De RAAD,


1. Gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2000 ( 7), waarin de Commissie haar standpunt uiteenzet over de doelstellingen van de Gemeenschap voor de 33e vergadering van de ICAO en de hiermee verband houdende ICAO-Raad op het gebied van milieubescherming in de luchtvaart.

2. Gelet op het resultaat van de op 8-17 januari 2001 gehouden vijfde vergadering van het ICAO-Comité Milieubescherming en Luchtvaart (CAEP/5).

3. Eraan herinnerend dat het CAEP de ICAO-Raad nieuwe milieuregels en -normen aanbeveelt, en dat de formele goedkeuring van technische normen onder de bevoegdheid van de ICAO-Raad valt.
4. Gezien het feit dat het ICAO-colloquium over milieuaspecten van de luchtvaart, dat op 9-11 april 2001 zal worden gehouden om de niet-CAEP-leden te informeren over relevante ontwikkelingen binnen het CAEP, in aansluiting op het CAEP/5 nog een belangrijke stap zal zijn in de voorbereiding van de algemene vergadering van de ICAO.

5. Erkennende dat de ICAO het meest geschikte internationale forum is om passende oplossingen te vinden, en dat een essentiële doelstelling van de Gemeenschap erin zal bestaan te voorkomen dat het ICAO-beleid inzake geluidsoverlast en gasvormige emissies de milieueisen en -verplichtingen van de lidstaten en de Gemeenschap doorkruist.

6. VERWELKOMT de aanbeveling van het CAEP voor een nieuwe geluidscertificatienorm en voor procedures voor recertificatie van bestaande vliegtuigen als een belangrijke eerste stap.
7. ERKENT dat de studies van het CAEP aangetoond hebben dat er aanzienlijke regionale verschillen zijn in de door vliegtuigen veroorzaakte geluidsoverlast en stelt vast dat de nieuwe geluidscertificatienorm op zichzelf niet toereikend is om die problemen in regio's als Europa op te lossen.
8. NEEMT ER NOTA VAN dat het CAEP operationele procedures voor geluidsoverlastbestrijding en akoestische planning aangemerkt heeft als twee belangrijke elementen van een evenwichtige aanpak om geluidsoverlast te verminderen, maar erkent dat de voordelen van deze factoren in de Gemeenschap reeds verwezenlijkt zijn, aangezien zij op ruime schaal toegepast worden op communautaire luchthavens met de grootste geluidsoverlast.
9. ONDERSTREEPT de bereidheid om in het kader van de ICAO tot een akkoord te komen dat de staten of regio's met dringende milieubehoeften in staat stelt maatregelen te nemen om de effecten van het omgevingslawaai te verzachten en de exploitatie van vliegtuigen die amper aan de normen van hoofdstuk 3 voldoen, te beperken,


- om er zo voor te zorgen dat luchtverkeersactiviteit mogelijk blijft op de luchthavens met de grootste geluidsoverlast, erkennende dat de beschikbare luchthavencapaciteit beter moet worden benut, en
- om te vergemakkelijken dat het geschil tussen de Verenigde Staten en de lidstaten van de Gemeenschap uit hoofde van artikel 84 van het Verdrag van Chicago via een door onderhandeling tot stand gekomen regeling wordt beslecht, zoals is voorzien in het besluit van de ICAO-Raad van 16 november 2000.


10. BEVESTIGT bereid te zijn om rekening te houden met de specifieke situatie van operatoren uit ontwikkelingslanden bij het streven naar de beste oplossing. De Raad verzoekt de Commissie de gevolgen van implementatie van regionale flexibiliteit voor de economie, het milieu en de mededinging in verschillende scenario's te analyseren en hem verslag uit te brengen.


11. IS HET EROVER EENS dat het, om te zorgen voor voldoende geluidsoverlastvermindering op middellange en lange termijn, ook van fundamenteel belang is dat de ICAO een akkoord bereikt over een norm voor nieuwe ontwerpen voor de lange termijn, gebaseerd op herziene certificatieprocedures met een nauwkeuriger evaluatie van de prestaties van moderne vliegtuigen.


12. IS VERHEUGD over de aanbevelingen van het CAEP/5 voor marktgerichte maatregelen ter beperking of vermindering van de gasvormige emissies in de luchtvaart. BEKLEMTOONT dat binnen de ICAO marktgerichte maatregelen moeten worden nagestreefd en dat er in de 33e algemene vergadering zo snel mogelijk overeenstemming zou moeten worden bereikt over de noodzaak van beleidsmaatregelen en de verdere ontwikkeling van praktische richtsnoeren voor de toepassing van mechanismen op basis van vrijwilligheid en heffingen op gasvormige emissies, alsook over de handel in emissierechten binnen een open stelsel als doelstelling voor de langere termijn. Onderhandelingen moeten ertoe leiden dat de algemene vergadering van de ICAO een resolutie aanneemt die het voor de verdragsluitende staten gemakkelijker maakt maatregelen te nemen om hun verbintenissen uit hoofde van het Protocol van Kyoto na te komen.


13. BEKLEMTOONT dat de ICAO haar werk moet voortzetten om voor alle vluchtfases emissieparameters vast te stellen, en verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te ijveren dat de ICAO vóór 2004 met betrekking tot alle vluchtfases strengere normen voor andere dan CO2-emissies aanneemt. Voorts verzoekt de Raad de Commissie verslag uit te brengen over de mogelijke milieuvoordelen en economische kosten van het binnen de EU bevorderen van motoren die aan de meest recente ICAO-norm voor NOx voldoen, aangezien de meeste recente vliegtuigmotoren al aan de hoogste ICAO-norm voor NOx voldoen.


14. BEKLEMTOONT de noodzaak van een gemeenschappelijke, gecoördineerde aanpak voor en tijdens de 33e algemene vergadering van de ICAO, waaraan de Europese Gemeenschap als waarnemer, samen met de lidstaten, zal deelnemen teneinde de Europese desiderata zo doeltreffend mogelijk naar voren te brengen."

* EUROPEES AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE LUCHTVAART (EASA)


* Ingevolge de conclusies van de Raad van 20 december 2000 hield de Raad een politiek debat over sommige aspecten met betrekking tot de oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA).

Het voorzitterschap, dat er nota van nam dat de besprekingen over de verschillende vraagstukken moeten worden voortgezet, bracht drie vragen onder de aandacht van de Raad, met het oog op politieke richtsnoeren, met betrekking tot


- de werkingssfeer van de verordening, namelijk of alle in de lidstaten geregistreerde luchtvaartuigen onder de verordening moeten vallen, ongeacht waar en door wie deze worden gebruikt, tenzij er een overeenkomst inzake de overdracht van toezichtverantwoordelijkheid bestaat, dan wel of in derde landen geregistreerde luchtvaartuigen die het luchtruim van de Gemeenschap gebruiken, eveneens onder de verordening dienen te vallen, en ook wanneer zij door exploitanten uit derde landen worden geëxploiteerd, en zo ja, hoe;

- de benoemingsbevoegdheid, d.w.z. moeten de uitvoerend directeur en de leden van de kamers van beroep worden benoemd door de raad van bestuur van het agentschap, als voorgesteld door de Commissie, dan wel door de Raad;

- de doelstellingen en algemene regels van het onderzoek van de lidstaten, teneinde de doeleinden van de verordening te halen, en de relevante overeenkomstige juridische bescherming die in de verordening moet worden opgenomen.
Het voorzitterschap vatte het debat als volgt samen:
- de veiligheid van de luchtvaart is een kwestie van levensbelang,
- er bestaat algemene overeenstemming over dat de werkingssfeer van de verordening het volgende moet omvatten:

= in de lidstaten geregistreerde luchtvaartuigen, ongeacht waar en door wie die worden geëxploiteerd, tenzij er een specifieke overeenkomst inzake de overdracht van
toezichtsverantwoordelijkheid bestaat;
= luchtvaartuigen die door communautaire exploitanten worden geëxploiteerd in het luchtruim van de lidstaten, ook wanneer zij in derde landen zijn geregistreerd, waarbij meer bepaald de regelgeving met betrekking tot tijdelijke leasing wordt gedekt.

Deskundigen zullen de werkzaamheden dienen voort te zetten om meer duidelijkheid te verschaffen over de situatie met betrekking tot de aanvaarding in de Gemeenschap van luchtvaartuigen uit derde landen, welke materie onder het Verdrag van Chicago valt.


- De benoeming van de uitvoerend directeur door de raad van bestuur van het agentschap, zoals door de Commissie was voorgesteld, werd in ruime mate gesteund; ten aanzien van de benoeming van de leden van de kamers van beroep, vond een aantal delegaties het te vroeg om de benoemingsprocedure nu reeds vast te leggen aangezien, daarover verdere besprekingen nodig zijn.


- Wat de inspectie betreft bleek uit het debat dat het nodig is om in de verordening inspecties van de autoriteiten van de lidstaten en onderzoek van ondernemingen op te nemen, om te zorgen voor een hoog en uniform niveau van de veiligheidseisen. De deskundigen zullen de desbetreffende bepalingen op een passende wijze dienen te formuleren, teneinde een zo goed mogelijk evenwicht te vinden tussen inspectiebevoegdheid en de noodzakelijke bescherming voor de organen die zullen worden geïnspecteerd.

* VERDRAG VAN MONTREAL BETREFFENDE DE AANSPRAKELIJKHEID VAN

LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJEN

* De Raad nam het besluit aan houdende sluiting van het Verdrag van Montreal door de Gemeenschap en hechtte zijn goedkeuring aan de conclusies van de Raad over de bekrachtiging van het Verdrag. Hij nam ook akte van het voortgangsverslag met betrekking tot de uitvoeringsverordening.

Conclusies van de Raad:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

(1) HERINNERT AAN het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 28 mei 1999 te Montreal is gesloten (Verdrag van Montreal) en dat bedoeld is als vervanging van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer en de bijbehorende wijzigende en aanvullende instrumenten (regeling van Warschau),
(2) WAARDEERT het Verdrag van Montreal, en de geleidelijke intrekking van het Verdrag van Warschau als belangrijke en dringend noodzakelijke stappen voor de internationale luchtvaart in het algemeen en voor de bevordering van de rechten van de vliegtuigpassagiers in het bijzonder,
(3) VERLANGT de snelle inwerkingtreding en brede internationale toepassing van het Verdrag van Montreal en juicht derhalve alle stappen van de ICAO-lidstaten toe die tot bekrachtiging leiden, (4) IS ZICH ERVAN BEWUST dat het Verdrag van Montreal in werking zal treden na nederlegging van de dertigste bekrachtiging, (5) HOUDT ER REKENING MEE dat de Gemeenschap en de meeste lidstaten het Verdrag van Montreal hebben ondertekend, (6) CONSTATEERT dat de Commissie reeds voorstellen heeft ingediend voor een besluit van de Raad inzake de goedkeuring door de Europese Gemeenschappen van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (Verdrag van Montreal) en voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2027/97 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders bij ongevallen,
(7) ACHT de bekrachtiging door de Gemeenschap en de lidstaten van belang voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Montreal, (8) BEVESTIGT zijn standpunt dat de nederlegging van de akten van bekrachtiging door de lidstaten en de Gemeenschap gelijktijdig op een gezamenlijk te bepalen datum dient te geschieden, (9) WENST - wat het tijdsaspect betreft - dat het Verdrag van Montreal, nadat het in werking is getreden, in de gehele Gemeenschap gelijktijdig van toepassing wordt, (10) BEVEELT de lidstaten AAN het Verdrag van Montreal te bekrachtigen zodra hun constitutionele bepalingen dit mogelijk maken, opdat de akten van bekrachtiging uiterlijk op 31 december 2002 op gecoördineerde wijze kunnen worden nedergelegd,
(11) SPOORT de lidstaten AAN om op vervoer dat noch onder Verordening nr. 2027/97, noch onder het Verdrag van Montreal of het Verdrag van Warschau valt, op zijn minst hetzelfde niveau van passagiersbescherming toe te passen als krachtens het Verdrag van Montreal,
(12) VERZOEKT de lidstaten verslag uit te brengen over de voortgang van het bekrachtigingsproces.".

INLANDTRANSPORT

* OPENBAREDIENSTEISEN OP HET GEBIED VAN HET PERSONENVERVOER

De Raad hield een politiek debat over sommige kernaspecten van het voorstel voor een verordening betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van openbarediensteisen en de gunning van openbaredienstcontracten op het gebied van het personenvervoer ter spoor, over de weg en over de binnenwateren.

Er zij gememoreerd dat de Raad Vervoer in december 2000 op basis van een aantal sleutelvragen een eerste oriënterend debat over dit voorstel heeft gehouden. Deze vragen betroffen het verband tussen de voorgestelde verordening en het "Spoorwegpakket", de behandeling van geïntegreerde diensten in de nieuwe regeling, de rol van de bevoegde instanties in de gunning van contracten en de sociale aspecten van de voorgestelde maatregelen. Aan het eind van dit debat heeft de Raad de permanente vertegenwoordigers verzocht de besprekingen voort te zetten en daarbij rekening te houden met de door de delegaties gemaakte opmerkingen.

De ministers werd verzocht zich te buigen over


- kwaliteitseisen: de verantwoordelijkheid van openbare instanties,

- mededingingsmechanismen: een "lichtere" aanbestedingsprocedure,

- mededingingsregels: algemene regels en financiële compensatie,

- aanbestedingsregels, en


- bescherming van werknemers.

De delegaties waren het in het algemeen eens dat de bevoegde instanties moeten zorgen voor geschikte
openbaarpersonenvervoersdiensten. Voor sommige van deze delegaties moet het overeenkomstige kaderwerk ten minste in zekere mate door de lidstaten zelf worden vastgesteld. Sommige delegaties waren ervoor om de bevoegde instanties te verplichten te zorgen voor geschikte diensten. Voorts waren de delegaties het eens dat het belangrijk is om kwaliteitscriteria te handhaven bij de beoordeling van de geschiktheid van een openbaarvervoersbeleid. Sommige van deze delegaties wensten dat het voldoen aan dergelijke kwaliteitscriteria verplicht wordt gesteld.

Alle delegaties waren het erover eens dat de bescherming van de grondrechten van werknemers in het kader van de verordening bijzondere aandacht verdient. Er werd echter op gewezen dat er een juist evenwicht moet worden gevonden tussen de bescherming van de rechten van werknemers en de vrijheid van de vervoersexploitant om zijn bedrijf zo doeltreffend en efficiënt mogelijk te beheren. Verscheidene delegaties voelden wel voor het gebruik van een "lichte aanbestedingsprocedure", met dien verstande dat een dergelijke procedure op een transparante en niet-discriminerende basis wordt gevolgd. De zienswijzen liepen evenwel uiteen wat betreft de reikwijdte van een dergelijke procedure.

De delegaties waren het erover eens dat de maximumduur van openbaredienstcontracten voor personenvervoer van vijf jaar, zoals door de Commissie wordt voorgesteld, in talrijke gevallen te kort zal blijken te zijn. Voor vele van deze delegaties moet rekening worden gehouden met parameters zoals investeringen wanneer de duur van contracten wordt vastgesteld. Er was geen eenparigheid over de vraag of onderhandelingen na de aanbesteding moeten worden toegestaan. Verder waren de meningen verdeeld over de vraag of een onderneming die een bod doet voor een aanbesteding reeds in het bezit moet zijn van een geldige vervoersexploitatievergunning.

Wat de financiële compensatie wegens de naleving van de algemene regels van de autoriteiten betreft, waren de meeste delegaties van oordeel dat de grens voor compensatie ofwel hoger moet zijn dan de voorgestelde 20% van de waarde van de vervoersdiensten van de exploitant, ofwel geschrapt moet worden. Met betrekking tot de tariefbeperkingen voor reizigers was een meerderheid van oordeel dat het scala van categorieën reizigers die eventueel daarvoor in aanmerking komen, zo ruim mogelijk dient te zijn.
* VERORDENING MET BETREKKING TOT EEN UNIFORM BESTUURDERSATTEST

(BESTUURDERS UIT DERDE LANDEN)

* De Raad kwam tot een gemeenschappelijk richtsnoer over het voorstel voor een verordening betreffende bepaalde voorschriften met betrekking tot de controle van bestuurders die door in de Europese Unie gevestigde wegvervoerders in dienst zijn genomen voor vervoer binnen de Gemeenschap met communautaire voertuigen (bestuurders uit derde landen). Dit gemeenschappelijk richtsnoer moet gezien worden als een eerste akkoord door de Raad, bij gebreke van het advies van het Europees Parlement, dat als basis zal dienen voor informele contacten met het Parlement in het kader van de medebeslissingsprocedure.

Doel van de ontwerp-verordening is sociale dumping te voorkomen wanneer bestuurders uit derde landen in de Gemeenschap worden tewerkgesteld. Dit gebeurt door de afgifte van een bestuurdersattest van de Gemeenschap waarmee wordt bevestigd dat de bestuurder wettelijk tewerkgesteld is overeenkomstig de vigerende bepalingen in de gast-lidstaat.

* RICHTLIJN BETREFFENDE HET VERPLICHTE GEBRUIK VAN

VEILIGHEIDSGORDELS

* De Raad hield een beleidsdebat over een voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton. De Raad, die er nota van nam dat dit technisch ingewikkelde en gevoelige voorstel verdere grondige besprekingen vergt, droeg het Comité van permanente vertegenwoordigers op, het werk over dit dossier voort te zetten zodat de Raad, in afwachting van het advies van het Europees Parlement, dit dossier in zijn volgende zitting op 27/28 juni opnieuw kan bespreken met het oog op de goedkeuring van een gemeenschappelijk richtsnoer.

Dit voorstel voorziet meer bepaald in:


- het verplichte gebruik van veiligheidsgordels door de bestuurder en de mede-inzittenden van alle motorvoertuigen die daarmee zijn uitgerust;

- het verplichte gebruik van kinderbeveiligingssystemen voor kleine kinderen.
Tevens verbiedt het voorstel dat kinderen met behulp van een naar achteren gericht kinderzitje in de voorste passagierszitplaats van een voertuig met een frontale airbag mag worden vervoerd, tenzij de airbag is uitgeschakeld.


* WETTELIJK TOEGESTANE ALCOHOLPROMILLAGE VOOR BESTUURDERS VAN,

MOTORVOERTUIGEN - Conclusies van de Raad

* "DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,


1. INDACHTIG de resolutie van de Raad van 26 juni 2000 betreffende de vergroting van de verkeersveiligheid ( 8), waarin hij heeft gememoreerd dat de vaststelling van maatregelen die de veiligheid van het vervoer kunnen verbeteren, een uitdrukkelijk in het Verdrag vastgelegde doelstelling van het gemeenschappelijk vervoersbeleid is en waarin hij:


- benadrukt heeft dat het van essentieel belang is een aantal maatregelen voor te stellen op het gebied van de verkeersveiligheid;

- in verband met autorijden en alcohol is overeengekomen dat er een aanbeveling moet worden aangenomen betreffende het rijden onder invloed, met een oproep aan de lidstaten in het bijzonder de aanneming te overwegen van 0,5 mg alcohol per ml bloed als maximumlimiet voor het alcoholpromillage van bestuurders, onverminderd de vaststelling van lagere limieten voor bepaalde categorieën bestuurders.


2. NEEMT NOTA van de aanbeveling van de Commissie van 17 januari 2001 betreffende het wettelijk toegestane alcoholpromillage voor bestuurders van motorvoertuigen.


3. ERKENT dat deze aanbeveling een nuttige bijdrage vormt tot de lopende discussie in de lidstaten en de bestudering van maatregelen die de lidstaten kunnen treffen.


4. NEEMT NOTA van de opvatting van de Commissie dat met de invoering in de Gemeenschap van een meer uniforme limiet voor de alcoholconcentratie in het bloed, aan de bestuurders van voertuigen een duidelijker en consequenter signaal zou worden afgegeven dat het besturen van een motorvoertuig na drankgebruik gevaarlijk is en dat een meer uniforme limiet ook een betere referentie zou zijn voor controles op nationaal vlak.


5. CONSTATEERT dat een aantal lidstaten van mening is dat het subsidiariteitsbeginsel geldt voor kwesties betreffende de toegestane maximumlimiet voor het alcoholpromillage en dat die derhalve op nationaal niveau dienen te worden geregeld.


6. NEEMT ER NOTA VAN dat het Europees Parlement in zijn resolutie van
18 januari 2001 over prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid in de EU opnieuw uitdrukking geeft aan zijn steun voor het voorstel voor een maximale gemeenschappelijke limiet van 0,5 promille, de lidstaten verzoekt strenger toe te zien op de naleving van de alcohollimiet, nogmaals de behoefte onderstreept aan standaardisering van de apparatuur voor het testen van de alcoholconcentratie in het bloed, en zijn steun uit voor de ontwikkeling van op alcohol reagerende vergrendelingsapparatuur.


7. VERKLAART dat alle wetenschappelijke en statistische gegevens die op communautair niveau en daarbuiten beschikbaar zijn, duidelijk aantonen dat het effect van alcohol op bestuurders van motorvoertuigen een belangrijke factor is in de frequentie van ongevallen, in het bijzonder die met dodelijke afloop. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt ook duidelijk dat zelfs een promillage van minder dan 0,5 het rijgedrag van de bestuurder nadelig kan beïnvloeden.


8. BEAAMT dat niet mag worden vergeten dat in 25% van alle dodelijke ongevallen in de Gemeenschap de bestuurder een verboden alcoholconcentratie in het bloed heeft. In de EU laten jaarlijks 6500 bestuurders die gedronken hebben, het leven in het verkeer. Daarnaast komen bij dergelijke ongevallen nog eens 3500 nuchtere bestuurders en andere weggebruikers, zoals voetgangers en fietsers, om. Op basis van deze cijfers kan worden gesteld dat de EU jaarlijks 10 000 verkeersslachtoffers telt bij ongevallen waarbij sprake is van een verboden alcoholconcentratie.


9. MERKT OP dat een aantal lidstaten er via hun respectieve verkeersveiligheidsprogramma's in geslaagd is op dit gebied significante resultaten te boeken door middel van een maatregelenpakket dat wetshandhaving, beboeting, rehabilitatie, rijvaardigheidsopleiding en publiciteitscampagnes omvat.


10. ERKENT dat stringentere voorschriften betreffende alcoholconsumptie in combinatie met het besturen van een motorvoertuig slechts doeltreffend kunnen zijn en een meetbaar en blijvend effect kunnen sorteren, indien zij door een meerderheid van de bevolking in een lidstaat worden aanvaard en gesteund.


11. DEELT de opvatting van de Commissie dat het rijgedrag ook negatief kan worden beïnvloed door een aantal andere factoren dan alcoholgebruik, zoals vermoeidheid, legaal of illegaal gebruik van geneesmiddelen en drugs, dat deze factoren elkaar onderling niet uitsluiten en dat het risico op een ongeval ten gevolge van een combinatie van deze factoren veel groter kan zijn dan ten gevolge van alcoholgebruik alleen. Voorts is de Raad van mening dat het aantal bestuurders onder invloed van drugs en/of geneesmiddelen steeds zorgwekkender proporties aanneemt. Derhalve moet het onderzoek dat op dit gebied nodig is, voortgezet worden.


12. IS ZICH ERVAN BEWUST dat in bepaalde gevallen achter de combinatie van alcoholgebruik en het besturen van een motorvoertuig een volksgezondheidsprobleem schuilgaat en wijst in dit verband op de maatregelen die kunnen worden getroffen in het kader van het toekomstige communautaire actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2001-2006) ( 9),

HEEFT DE VOLGENDE CONCLUSIES AANGENOMEN:

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

BEGROET MET INSTEMMING dat de diverse maatregelen die worden vermeld in de aanbeveling van de Commissie de lidstaten ter bestudering worden voorgelegd;

SPOORT de lidstaten ERTOE AAN al deze maatregelen zorgvuldig te bestuderen en met name de doeltreffendheid van de wetshandhaving te verbeteren, teneinde bestuurders te weerhouden van alcoholgebruik alvorens zij gaan rijden en voorts alle gegevens inzake met alcohol verband houdende verkeersongevallen en de resultaten van andere tests ter opsporing van een verboden alcoholconcentratie in het bloed van bestuurders, ter beschikking te stellen en te coördineren;

VERZOEKT de Commissie


- haar werkzaamheden inzake het probleem van autorijden en alcohol voort te zetten en te bespoedigen;

- gedurende een periode van drie jaar van dichtbij na te gaan en te evalueren welke effecten haar aanbeveling sorteert, daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de in de aanbeveling opgenomen voorstellen inzake het wettelijk toegestane alcoholpromillage;
- voort te werken aan de evaluatie van het verkeersveiligheidsprobleem dat ontstaat door een toegenomen drugs- en geneesmiddelengebruik, en daarbij in het bijzonder aandacht te besteden aan het verband tussen het consumptieniveau en het risico op ongevallen en te blijven bezien welke de beste praktijken zijn om een verminderde rijvaardigheid ten gevolge van het gebruik van legale en illegale geneesmiddelen en drugs op te sporen;

- voort te gaan met de werkzaamheden ter harmonisering van de vereiste precisie bij meting van de hoeveelheid alcohol in de adem;

- het onderzoek inzake de ontwikkeling en de evaluatie van meetinstrumenten voor het opsporen van drugs en geneesmiddelen bij wegcontroles voort te zetten."


* RICHTLIJN OVER MAXIMUMLENGTE VAN BUSSEN


* De Raad bereikte politieke overeenstemming, waarbij de Deense delegatie zich voornam tegen te stemmen, over zijn gemeenschappelijk standpunt met betrekking tot een wijziging van Richtlijn 96/53/EG houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten. Na bijwerking van de tekst door het Comité van permanente vertegenwoordigers zal het gemeenschappelijk standpunt formeel worden vastgesteld en worden toegezonden aan het Europees Parlement voor een tweede lezing, overeenkomstig de medebeslissingsprocedure.

Doel van de ontwerp-richtlijn is de maximaal toegestane lengte van bussen te harmoniseren, teneinde met name het daadwerkelijke vrije verkeer ervan in de Gemeenschap mogelijk te maken en te zorgen voor een goede werking van de cabotagemarkten op het gebied van het personenvervoer. Zij voorziet in een maximaal toegestane lengte van
13,50 m voor bussen met twee assen, van 15 m voor bussen met meer dan twee assen en van 18,75 m voor bussen met een aanhangwagen.
* TRANSITOGOEDERENVERVOER OVER DE WEG DOOR OOSTENRIJK/ ECOPUNTEN


* Vice-voorzitter DE PALACIO presenteerde de Raad een verslag over het ecopuntensysteem voor vrachtwagens bij het transitovervoer door Oostenrijk, tezamen met een desbetreffend voorstel.

Het verslag bevat een wetenschappelijke studie waaruit blijkt dat de doelstelling om de verontreiniging tegen eind 2000 met 66% te verminderen, niet volledig is bereikt. De Commissie


- concludeert derhalve dat het ecopuntensysteem tijdens de laatste 3 jaar van de overgangsperiode moet worden voortgezet (d.w.z. tot 31.12.2003). Deze voortzetting vindt ipso facto plaats in het licht van de relevante bepaling van Protocol nr. 9;
- dient een wetgevingsvoorstel in waarbij de vrijwaringsclausule van 108% wordt geschrapt, die volgens haar vervoersondernemingen straft die zich grote inspanningen hebben getroost om de verontreiniging te verminderen.
De Raad nam akte van dit verslag en van de uiteenzettingen van de delegaties.

TIJDENS DE LUNCH BESPROKEN PUNTEN

* LUCHTVAART

Tijdens de lunch nam de Raad akte van de informatie van vice-voorzitter DE PALACIO over

- de gesprekken met de Verenigde Staten over de transatlantische luchtvaartruimte,


- de situatie in de luchtvaartindustrie en overeenkomsten tussen luchtvaartmaatschappijen, en

- de contacten met de voorzitter van de ICAO-Raad, de heer KOTAITE.


* RIJVERBOD IN HET WEEKEINDE

De Raad hield een algemene gedachtewisseling over het voorstel voor een richtlijn over het rijverbod in het weekeinde (een transparant stelsel van geharmoniseerde voorschriften voor rijbeperkingen op voor internationaal vervoer op aangewezen wegen gebruikte zware vrachtauto's), waarover de delegaties diverse meningen hadden.

Momenteel passen zes van de vijftien lidstaten (Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Luxemburg en Spanje) rijbeperkingen op hun grondgebied toe op een deel van de dagen van het weekeinde en op officiële vrije dagen, maar het begin en de duur van het rijverbod in het weekeinde, de vakantieperioden, de afwijkingen, de omschrijving van concept "zware vrachtauto" in het internationaal vervoer, enz. verschillen van de ene lidstaat tot de andere.

DIVERSEN

* Opleiding van beroepschauffeurs voor goederen- en personenvervoer over de weg

De Raad nam nota van de informatie van de Commissie over het voorstel dat erop gericht is de basisopleiding en de bijscholing voor chauffeurs verplicht te maken. De Raad droeg het Comité van permanente vertegenwoordigers op de besprekingen hierover voort te zetten zodat hij tijdens zijn zitting op 27/28 juni concrete resultaten kan boeken.


* Plechtige ingebruikneming van de nieuwe luchthaven van Athene
De Griekse delegatie bracht de Raad op de hoogte van de plechtige ingebruikneming van de nieuwe luchthaven van Athene. Na deze informatie volgde een audiovisuele presentatie van de luchthaven.

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

(Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen is verkrijgbaar bij de Persdienst.)

LANDTRANSPORT

Controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

De Raad nam de richtlijn aan tot wijziging van Richtlijn 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg.

Doel van het voorstel is:


- rekening te houden met de jongste aanpassing van Richtlijn 94/55/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang,

- dezelfde procedure in te voeren als in Richtlijn 94/55/EG, zodat het comité voor het vervoer van gevaarlijke goederen de twee richtlijnen tegelijkertijd kan aanpassen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

EXTERNE BETREKKINGEN

Malta/Cyprus

De Raad hechtte zijn goedkeuring aan de aanbeveling voor een besluit van de Raad tot machtiging van de Commissie om onderhandelingen te openen voor bilaterale handelsconcessies voor vis en visserijproducten in het kader van de bestaande associatieovereenkomsten.

Chili

De Raad nam het besluit van de Raad aan houdende sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Chili over een aanvullend protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken bij de kaderovereenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds.

Hongarije, Tsjechische Republiek

De Raad keurde de besluiten goed betreffende de sluiting van aanvullende protocollen inzake overeenstemmingsbeoordeling en de aanvaarding van industrieproducten bij de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije evenals de Tsjechische Republiek, anderzijds.

Deze protocollen voorzien in:


·
wederzijdse aanvaarding van de industrieproducten die voldoen aan de voorwaarden om in een van de partijen legaal in de handel te worden gebracht;

·
wederzijdse erkenning van de resultaten van overeenstemmingsbeoordelingsprocedures voor industrieproducten die zijn onderworpen aan de communautaire wetgeving en de overeenkomstige Hongaarse en Tsjechische nationale wetgeving.

Er zij gememoreerd dat de Commissie over deze protocollen onderhandelingen heeft gevoerd op basis van door de Raad op 21 september 1992 vastgestelde onderhandelingsrichtsnoeren en van het besluit van de Raad van juni 1997 waarbij de Commissie instructies werden gegeven voor onderhandelingen over Europaovereenkomsten inzake overeenstemmingsbeoordeling met landen van Midden- en Oost-Europa.

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

De Raad keurde een besluit goed betreffende de ondertekening namens de Europese Gemeenschap van de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds.

Het ontwerp van de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië werd door de betrokken partijen op 24 november 2000 tijdens de Top in Zagreb geparafeerd en dient op 9 april 2001 in Luxemburg te worden ondertekend.

Japan

De Raad nam een besluit aan betreffende de ondertekening van een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Japan (zie Mededeling aan de Pers, doc. 7588/01
- Presse 132).

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Actieplan inzake drugs Europese Unie/Centraal Azië

De Raad bekrachtigde een actieplan inzake drugs tussen de EU en de vier Centraal-Aziatische Republieken Kazachstan, Kirgizstan, Tadzjikistan en Oezbekistan. In het actieplan wordt de behoefte aan een alomvattend EU-initiatief op het gebied van drugs erkend, als bepaald door de Europese Raden van Dublin en Wenen, door een kader te creëren voor de Europese Unie en de bovengenoemde Centraal-Aziatische landen om het drugsprobleem doeltreffender aan te pakken.

De samenwerking zal gebaseerd zijn op:


- de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten tussen de Europese Unie en de landen van Centraal-Azië;

- naleving van het internationaal recht en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;
- een geïntegreerde en evenwichtige aanpak, gebaseerd op partnerschap;

- de door de speciale zitting van de Algemene Vergadering van de VN in juni 1998 over drugs aangenomen beginselen, inclusief gedeelde verantwoordelijkheid;

- Europese steun om de landen in Centraal-Azië bij te staan bij het nakomen van hun toezeggingen in verband met drugsbestrijding;
- de in de EU-drugsstrategie voor de periode 2000-2004 vervatte richtsnoeren, en het daarop aansluitende actieplan.

Tot de specifieke activiteiten uit hoofde van dit plan kunnen behoren:


- ondersteuning van acties die vermindering van de vraag ten doel hebben, en op bevolkingsgroepen met een hoog risico zijn afgestemd;

- ondersteuning van de activiteiten die op deze gebieden worden ondernomen door civiele organisaties die van toewijding getuigen en een professionele aanpak hebben, welke eigenschappen worden beoordeeld aan de hand van nationaal en internationaal erkende criteria; en bevordering van nauwere betrekkingen tussen Europese en Centraal-Aziatische NGO's en andere organisaties die actief zijn op het gebied van preventie, behandeling en rehabilitatie;
- informatie-uitwisseling over indicatoren van drugsgebruik en drugsverslaving en van hun invloed op de volksgezondheid en de samenleving.

Turkije - controle op precursoren van verdovende middelen

De Raad nam een besluit aan betreffende onderhandelingen over een overeenkomst met Turkije inzake de controle op precursoren van verdovende middelen.

VISSERIJBELEID

Technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen

De Raad nam de verordening aan houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen. Deze verordening, waarmee wordt beoogd Verordening (EG) nr. 850/98 te verduidelijken en te verbeteren, bevat dertien wijzigingen.

Overeenkomst met Rusland

De Raad nam het besluit aan houdende machtiging van de Commissie tot onderhandelingen met de Russische Federatie over een samenwerkingsovereenkomst op visserijgebied.

Visserijovereenkomst met Ivoorkust

De Raad nam de verordening aan betreffende de sluiting van het protocol tot vaststelling, voor de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2003, van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Ivoorkust inzake de visserij voor de kust van Ivoorkust.

Visserijovereenkomst met Equatoriaal-Guinea

De Raad nam de verordening aan betreffende de sluiting van het protocol tot vaststelling van de voor de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001 geldende vangstmogelijkheden en financiële compensatie, bedoeld in de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de regering van de Republiek Equatoriaal-Guinea inzake de visserij voor de kust van Equatoriaal-Guinea.

MILIEU

Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand - Protocol inzake zware metalen *

De Raad nam een besluit aan waarbij het op 24 juni 1998 te Aarhus ondertekende protocol inzake zware metalen bij het Verdrag van 1978 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand namens de Europese Gemeenschap wordt goedgekeurd. De tekst van het protocol is aan het besluit gehecht.

Doel van het protocol is het beheersen van door antropogene activiteiten veroorzaakte emissies van zware metalen die voor grensoverschrijdend atmosferisch transport over lange afstand vatbaar zijn en die belangrijke schadelijke gevolgen voor de gezondheid of het milieu kunnen hebben. Het protocol voorziet in vermindering van de totale jaarlijkse emissies in de atmosfeer van cadmium, lood en kwik, alsook in de toepassing van maatregelen voor productbeheersing.

BENOEMINGEN

Comité van de Regio's

De Raad nam het besluit aan houdende benoeming van de heer Hans NIESSL, lid van het Comité van de Regio's, ter vervanging van de heer Karl STIX, voor de verdere duur van diens ambtstermijn, d.w.z. tot en met 25 januari 2002.


Footnotes:

( 1) Doc. 7511/01 TRANS 53 ENER 41 ENV 154 ("Integrating Environment and Sustainable Development into Energy and Transport policies: Review Report 2001 and Implementation of the Strategies").

( 2) Doc. 14304/00 AVIATION 48.

( 3) PB C 221 van 3.8.1999, blz. 1.

( 4) Geen enkele lidstaat is tot financiering verplicht via aanvullende nationale fondsen.

( 5) EGNOS: European Geostationary Navigation Overlay System.

( 6) EOIG: EGNOS Operators and Infrastructure Group.

( 7) Doc. 14701/00 AVIATION 63.

( 8) PB C 218 van 31.7.2000, blz. 1.

( 9) Doc. 8756/00 SAN 47 CODEC 469 .


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie