Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

LHV dringt bij premier aan op behoud huisartsenzorg

Datum nieuwsfeit: 05-04-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

LHV dringt bij premier aan op behoud huisartsenzorg

5 april 2001

"De Nederlandse huisartsen luiden de noodklok. Er moeten investeringen in de huisartsenzorg worden gepleegd. Deze noodzaak is ingegeven vanuit het feit dat huisartsen steeds minder mogelijkheden ervaren om volgens professionele en huidige maatschappelijke eisen hun praktijk te kunnen voeren. Dit is door middel van onderzoeken onderbouwd."

Met deze duidelijke boodschap drong de Landelijke Huisartsen Vereniging op 4 april per brief gericht aan premier Kok aan op behoud van huisartsenzorg in Nederland. Het tijdstip van de brief is belangrijk, omdat het kabinet op dit moment de voorjaarsnota voorbereidt. LHV-voorzitter mevrouw Slagter-Roukema schrijft: "Het animo voor het huisartsenvak onder de gevestigde huisartsen, maar zeker ook onder potentiële huisartsen, neemt sterk af. Dit heeft directe gevolgen voor de deelname aan de huisartsenopleiding. Huisartsen die de opleiding wel hebben doorlopen, blijven langer actief in waarneming of worden geen huisarts. Dit is een direct gevolg van de huidige werkomstandigheden en honorering. Aankomende huisartsen kunnen het zich eenvoudigweg niet veroorloven te investeren. Dit betekent dat steeds minder Nederlanders bij een (eigen) huisarts kunnen worden ingeschreven. Deze situatie levert grote gevaren op voor de continuïteit en kwaliteit van de huisartsenzorg. De gevolgen voor patiënten worden in toenemende mate zichtbaar."

De LHV vraagt nogmaals dringend om oplossingen te bieden in het kader van de voorjaarsnota. "Gezien de positie van de huisarts als poortwachter binnen de gezondheidszorg, veroorzaakt de huidige discontinuïteit risico's voor de gehele zorgketen", aldus de LHV. De brief aan de minister-president geeft nog eens duidelijk aan waar het de huisartsen om te doen is: "Het gaat hier om de claims met betrekking tot de actualisatie van het norminkomen voor de huisarts en om de vergoeding van de zogenaamde praktijkkosten. Dit zijn de noodzakelijke randvoorwaarden voor de dagelijkse praktijkvoering." De stand van zaken wordt op een rijtje gezet:

Praktijkkostenvergoeding
Over de praktijkkosten heeft de LHV in oktober 2000 een voorstel tot overleg voor aanpassing bij Zorgverzekeraars Nederland (ZN) ingediend. Deze kosten zijn vanaf 1987 (gebaseerd op gegevens van 1983) tot op heden nooit aangepast. Het LHV-voorstel is gebaseerd op een door het accountantsbureau Deloitte & Touche verricht onderzoek. ZN heeft tot januari 2001 geen gehoor gegeven aan het verzoek om te overleggen. Hierdoor werd de LHV gedwongen om een eenzijdig verzoek tot aanpassing bij het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG) in te dienen. Daar komt nog bij dat ZN zonder overleg een niet adequate claim voor de praktijkvoering aan minister Borst kenbaar heeft gemaakt, een claim van 70 miljoen gulden, waarbij in de onderbouwing gebruik is gemaakt van gegevens van de VVAA. Dit is een verzekeringsmaatschappij en tevens accountantsbureau waarvan de hoofddirectie de LHV inmiddels heeft laten weten dat deze gegevens niet als norm mogen worden beschouwd. (De VVAA-brief staat integraal opgenomen in deze rubriek van Artsennet.)
In het LHV-voorstel is onderbouwd aangegeven welke aanpassingen in ieder geval per januari 2001 nodig zijn om huisartsen in staat te stellen de vereiste basiskwaliteit in praktijkvoering te kunnen leveren. Dit gaat om een bedrag van 60.000 gulden per huisartspraktijk. De macrokosten hiervan zijn geraamd op circa 450 miljoen gulden. Voor de goede orde is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de dagelijkse praktijkvoering en de organisatie van de diensten buiten kantooruren. De genoemde 450 miljoen heeft betrekking op de dagelijkse praktijkvoering. Voor de organisatie van de diensten is een afzonderlijke claim van 150 miljoen gulden ingediend en reeds toegezegd door minister Borst.
Naast deze eerste investering acht de LHV het noodzakelijk vervolgstappen in het verbeteren van de condities van huisartspraktijken te maken met name in het mogelijk maken van meer ondersteuning en samenwerking in de huisartspraktijk. In dit kader benadrukt de LHV dat de genoemde investeringen zowel noodzakelijk zijn voor solopraktijken als bij samenwerkingsverbanden. Inmiddels is aangetoond dat een samenwerkingsverband niet goedkoper is dan een solopraktijk.

Norminkomen
Het norminkomen van de huisarts is door de overheid vastgesteld in 1983 op basis van functievergelijkingen. Een herijking is noodzakelijk om vast te stellen welk inkomensniveau past bij de actuele verantwoordelijkheden, bevoegdheden en werklast van de huisartsen. Ten aanzien van het onderdeel werklast is het van belang dat deze wordt uitgedrukt in werkuren van gemiddeld 54 uren per week, los van de uren in de avond-, nacht- en weekenddiensten. De LHV stelt principieel de huidige techniek van tariefvaststelling ter discussie voor de avond-, nacht- en weekenddiensten. Dit geldt tevens voor de waarneming in geval van afwezigheid door vakantie, studie of ziekte. Een ander acuut probleem, dat in het kader van het norminkomen speelt, betreft de gestegen premies voor arbeidsongeschiktheidsverzekering. De exorbitante stijgingen geven aanleiding zo spoedig mogelijk tot een adequate aanpassing van de zogenaamde aankleding als onderdeel van het norminkomen te komen.
De minister heeft inmiddels het CTG opdracht gegeven om de inkomens voor de vrije beroepsbeoefenaren ten algemene te herijken. De LHV laat thans op eigen kosten een functiewaarderingsonderzoek plegen door het toonaangevende bureau Hay. De gegevens van het Hay-onderzoek zullen uiteraard aan het CTG ter beschikking worden gesteld. De LHV gaat er vanuit dat de minister de consequenties van de herijking, die in de zomer 2001 worden verwacht, zal accepteren alsook de hieruit voortvloeiende tariefconsequenties. In de LHV-correspondentie met de minister is ten aanzien van het norminkomen een eerste globale indicatie gegeven van de mogelijke macro-financiële gevolgen. De verwachting is dat tenminste een bedrag van circa 500 miljoen gulden noodzakelijk zal zijn.
Ten aanzien van de gestegen premie voor
arbeidsongeschiktheidsverzekering over de jaren 1999 en 2000 is de LHV blij met de uitspraak van de minister dat zij per 1 januari 2001 de vrije beroepsgroepen tegemoet wenst te treden. Zij heeft toegezegd dit te doen op het materiële niveau van de door het CTG aan haar voorgelegde beleidsregel. Deze goedkeuring zou uiterlijk 1 april 2001 plaatsvinden en met terugwerkende kracht per 1 januari 2001 worden geëffectueerd.

De LHV laat premier Kok weten, dat zij er vanuit gaat dat hij vanuit zowel huisartsen- als patiënten- en maatschappelijk belang tegemoet zal komen aan de wens tot noodzakelijke investeringen. Gezien alle toezeggingen van minister Borst rekent de LHV op een positieve uitkomst van de kabinetsbeslissing. Tot slot klinkt de waarschuwing in de brief: "Indien onvoldoende aan de wensen tegemoet wordt gekomen, zal de Nederlandse huisarts zijn werkzaamheden in evenwicht brengen met zijn honorarium en overige vergoedingen. Dit zal zijn weerslag krijgen in de contractering tussen huisartsen en zorgverzekeraars."

Ga naar : Actie Nieuws
Volgend artikel : LHV vraagt minister woord te houden

© copyright LHV 2001 home . index . email/adres . Artsennet

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie