Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Notitie MKZ en risico's verspreiding door wilde dieren

Datum nieuwsfeit: 28-04-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Dierenbescherming

Mond- en klauwzeer (MKZ) en de risico's van verspreiding door in het wild levende dieren
Dierenbescherming, april 2001

1. Uitgangspunten Dierenbescherming
Alle in het wild levende dieren zijn niet-gehouden dieren. Zij staan niet onder de beschikking en de zorg van de mensen, zij hebben de optie om in alle vrijheid te leven.
Intrinsieke waarde
De Dierenbescherming erkent voor alle dieren de intrinsieke waarde, wat betekent dat dieren zelfstandige wezens zijn, waard om als doel op zichzelf behandeld te worden en niet als middel voor anderen. Voor de in het wild levende dieren behoort ook de eigenwaarde zonder restrictie erkend te worden. De Dierenbescherming is er voorstander van om in het wild levende dieren met rust te laten, ze in hun natuurlijke en zelfstandige geaardheid te laten leven, hun habitat en hun leefmilieu in stand te houden en in algemene zin de natuur haar werk te laten doen.

Zorgplicht
Er zijn uitzonderingen op die regel denkbaar, waarbij ingrijpen van de mens noodzakelijk is. Dat kan zijn vanwege zelfbehoud c.q. zelfbescherming van de mens. Maar het kan ook zijn ter behoud van de dieren zelf, bijvoorbeeld in noodgevallen zoals natuurrampen of andere rampzalige omstandigheden, waarvoor dieren niet meer in hun natuurlijke behoefte kunnen voorzien. De Dierenbescherming ziet dit als de zorgplicht van mensen. Deze zorg kan veelzijdig zijn; het bieden van onderdak in opvangcentra, maar ook het bieden van veterinaire hulp tot aan euthanasie toe als dieren niet meer 'te redden' zijn. Naast het uit het lijden verlossen van individuele dieren is ingrijpen is alleen gerechtvaardigd als de zaak extreem verstoord is.

2. Verspreiding MKZ via in het wild levende dieren Overdracht MKZ-virus
Mond- en klauwzeer kan door middel van rechtstreeks contact tussen evenhoevige dieren worden overgedragen, maar ook via zogenaamde vectoren (overbrengers). In het wild levende dieren kunnen als vector dienen en MKZ overbrengen, evenals bijvoorbeeld mensen, gereedschappen en transportmiddelen. Bijvoorbeeld fazanten, eenden, konijnen, egels, vogels en insecten lopen en vliegen rondom bedrijven en komen mogelijk in contact met besmettingshaarden. Met name trekvogels en grote hoefdieren worden als mogelijk risico voor de verspreiding van MKZ gezien.

Besmetting via trekvogels
Van de Nederlandse broedvogels trekken ruim honderd soorten, afhankelijk van het jaargetijde, in zuidelijke dan wel noordelijke richting. Een aantal trekvogelsoorten komen van plaatsen waar MKZ heerst naar Nederland en zouden mogelijk MKZ kunnen verspreiden. Zo trekken bijvoorbeeld grote aantallen spreeuwen in het najaar naar Zuid-Engeland. Een kleiner deel van de spreeuwen overwintert in België en Noord-Frankrijk, of blijft in Nederland. Volwassen kieviten zouden ook een risico kunnen vormen. Zij overwinteren vooral in Engeland, West-Frankrijk, Spanje en Portugal. Een andere risicogroep zouden de ganzen zijn. Dit ligt echter minder voor de hand, omdat deze dieren in het najaar vanuit meer noordelijk en noord-oostelijk gelegen streken naar Nederland zijn gekomen. Zij kunnen derhalve het virus onmogelijk meegebracht hebben. Het is onmogelijk om een bepaalde vogelsoort met de verspreiding van MKZ in verband te brengen, omdat de uitbraak van MKZ in Nederland tijdens de trekperiode van miljoenen vogels heeft plaatsgevonden.
Hoewel trekvogels vanuit met MKZ besmette gebieden naar Nederland kunnen vliegen, zijn de risico's op verspreiding van het virus beperkt. Dit komt voornamelijk omdat trekvogels enorm veel tijd aan het onderhouden en schoonmaken van hun verenpak besteden, onder meer door het nemen van baden, voor ze aan de lange vlucht beginnen.

Besmetting van wilde hoefdieren
Er leven veel grote hoefdieren in het wild, zoals edelherten, reeën, wilde zwijnen en damherten. Het leefgebied van edelherten, damherten en wilde zwijnen is voornamelijk beperkt tot de Veluwe, reeën leven verspreid door heel Nederland. De besmettingsrisico's via deze hoefdieren zijn anders dan de risico's van besmetting door bijvoorbeeld vogels, omdat deze evenhoevige dieren zelf ook MKZ kunnen krijgen en verspreiden. De aanwezigheid van wilde hoefdieren, brengt een risico met zich mee voor de (intensieve) veehouderij, maar -en dit moeten we ons goed realiseren- vooral ook andersom.
Besmetting van wilde hoefdieren vindt meestal plaats doordat ze eten op plaatsen waar besmet vee heeft gegraasd. Onderzoek heeft uitgewezen dat wilde hoefdieren zeer resistent zijn tegen MKZ-infectie (Forman et al., 1974a; Gibbs et al., 1975). Edelherten en damherten zijn nauwelijks vatbaar voor MKZ en vertonen minder ernstige symptomen als bijvoorbeeld runderen, schapen en varkens. Voor reeën en wilde zwijnen zijn de infecties iets ernstiger, maar de meeste dieren herstellen volledig van de ziekte (Forman et al., 1974a; MAFF-website, 2001; ). De onderzoekers concludeerden dat onder normale omstandigheden hertachtigen geen factor van belang zijn in het verspreiden van MKZ bij een eventuele epidemie onder vee. Herten zijn terughoudend in het gebruik van dezelfde habitat als gedomesticeerde dieren. Omdat zieke dieren sterk plaatsgebonden gedrag vertonen, spelen ze bij de verdere uitbreiding en verplaatsing van de ziekte geen verdere rol (Gibbs et al., 1975; Forman et al., 1974b; schriftelijke mededeling Gibbs, 2001).

Grote en kleine grazers ingezet in natuurgebieden
In Nederland worden vele grote en kleine grazers ingezet voor begrazing van natuurgebieden, voornamelijk om runderen, paarden en schapen. Vaak worden hiervoor zogenaamde oerrassen of zeldzame huisdierrassen gebruikt. De Dierenbescherming meent dat deze dieren niet als in het wild levende dieren, maar als gehouden dieren te beschouwen zijn. Ze dienen dan ook als zodanig behandeld te worden. Voor deze dieren gelden derhalve dezelfde overwegingen als voor andere landbouwhuisdieren; de Dierenbescherming is van mening dat deze dieren preventief gevaccineerd moeten worden tegen MKZ, zonder de voorwaarde dat de dieren daarna gedood moeten worden.

3. Maatregelen mogelijk bij een uitbraak van MKZ
Beperken migratie van wilde dieren
Om de risico's van verspreiding van MKZ door in het wild levende dieren te beperken, is het van belang dat de dieren zich zo weinig mogelijk verplaatsen door het veld. Immers, zoals we hebben ervaren bij de uitbraak van MKZ onder vee, zijn transportbewegingen een grote verspreidingsfactor. Bij een uitbraak is het vooral van belang migratie/bewegingen van grote hoefdieren zoveel mogelijk te beperken. Dit kan worden bereikt door de ingerasterde terreinen volledig af te sluiten (alle uitgangen en wildwissels), zodat er tijdelijk geen uitwisseling van dieren kan plaatsvinden. Daarnaast dienen de dieren, zowel in de ingerasterde terreinen als ook in de vrije wildbaan, met rust gelaten te worden. Verstoring leidt tot vluchtreacties en dus tot verplaatsing van dieren. Verstoring kan plaats vinden door bijvoorbeeld wandelaars, houtkap en autoverkeer maar vooral ook door jacht (Lardinois & van der Veen, 1991; Hoogeveen, 1991). Deze activiteiten dienen derhalve te worden gestaakt.
Inmiddels zijn er al verschillende maatregelen genomen om verplaatsing van dieren te beperken. Zo zijn op de Veluwe de verschillende ingerasterde terreinen, wildviaducten en wildtunnels afgesloten. In heel Nederland zijn verschillende bos- en natuurgebieden afgesloten voor publiek. Met deze maatregel wordt menselijke insleep van het virus beperkt en worden extra wildbewegingen door verontrusting voorkomen. Daarnaast heeft het Ministerie van LNV een totaal jachtverbod ingesteld in Nederland. Dit geldt ook voor lopende vergunningen voor het doden van dieren om schade te voorkomen.

Vaccineren van wilde dieren
Bij de vraag of we moeten ingrijpen in de wilde populatie hoefdieren spelen twee principes een belangrijke rol, de erkenning van de intrinsieke waarde en de zorgplicht die wij hebben voor dieren (zie onder punt 1).
Vaccinatie is vanuit de erkenning van de intrinsieke waarde uitgesloten. Hoewel er een mogelijk besmettingsgevaar dreigt voor de hoefdieren, is de Dierenbescherming van mening dat in het wild levende dieren met rust dienen te worden gelaten. Er is geen zwaarwegende reden om van dit principe af te wijken, zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Er is hierdoor dus sprake een andere situatie dan bijvoorbeeld bij het inenten van vossen tegen hondsdolheid in de grensstreek, waarbij de volksgezondheid een rol speelt.
De zorgplicht is bij besmetting met MKZ niet aan de orde. Hoewel de wilde hoefdieren tengevolge van menselijk handelen in een situatie gekomen zijn waar ze niet om hebben gevraagd, zullen de dieren naar verwachting niet ernstig ziek worden en ook niet uitzichtloos lijden. Vanwege de sterke resistentie die wilde hoefdieren hebben tegen de ziekte (zie onder punt 2) wordt verwacht dat zij goed van MKZ zullen herstellen, als ze al ziek worden. Volgens Groot Bruinderink gaat bij een uitbraak van MKZ onder wilde hoefdieren de voorkeur uit naar het laten uitwoeden van de ziekte (Groot Bruinderink et al., 2000). Er kleven bovendien risico's aan het vaccineren. Het is, gezien het leefgebied van de dieren, uitgesloten dat alle dieren gevaccineerd kunnen worden. Voor het vaccineren moeten de dieren 'gevangen' worden; ze kunnen in een kraal worden gelokt of in een 'fuik' worden gedreven. Ook is het mogelijk ze met een vaccinatie-pistool te schieten. Op welke manier het vaccineren ook plaats zal vinden, de dieren zullen veel stress ondervinden, waardoor ze opgejaagd worden en vluchtpogingen ondernemen. Dergelijk bewegingen van dieren zijn in deze situatie niet wenselijk. Bovendien sluit vaccinatie eventuele besmetting niet uit. Als de dieren al besmet zijn, dan kunnen ze ook na vaccinatie nog een poosje andere dieren besmetten. Tenslotte geeft vaccinatie op zichzelf een kans, zij het een kleine, op een uitbraak.

Doden van wilde dieren
Het doden van dieren die als vector zouden kunnen dienen, zoals bijvoorbeeld vogels, knaagdieren en vossen, is zinloos. Het is onmogelijk alle mogelijke contacten tussen dieren en besmettingshaarden uit te sluiten, door enkele willekeurige dieren te doden. Het bij een besmetting uitroeien van volledige populaties hoefdieren is eveneens onmogelijk en leidt tot een verspreiding van dieren over een groter gebied en werkt derhalve contra-productief. Bij afschot van territoriaal levende reeën, wordt bovendien migratie van reeën naar het opengevallen territorium in de hand gewerkt. Het bejagen van dieren moet daarom uitgesloten worden. Bovenstaande geldt niet alleen voor pogingen om hele populaties uit te roeien, maar ook voor afschot van enkele dieren om te onderzoeken of de dieren besmet zijn met MKZ. Door verstoring wordt ongewenste verplaatsing van dieren in de hand gewerkt. Ook levert jacht een toename van menselijke activiteiten in het buitengebied en extra transporten op, waardoor besmettingsrisico vergroot wordt.

4. Samenvattend standpunt van de dierenbescherming De Dierenbescherming erkent de intrinsieke waarde van dieren. In het wild levende dieren dienen met rust gelaten te worden. Ze moeten in hun natuurlijke en zelfstandige geaardheid kunnen leven, hun habitat en hun leefmilieu dient in stand te worden gehouden en in algemene zin moet de natuur haar werk kunnen doen. De Dierenbescherming keurt het vaccineren van in het wild levende hoefdieren af. Het veroorzaakt veel stress bij de dieren en brengt extra risico's van besmetting met zich mee. Het doden van enkele dieren om te onderzoeken of de dieren met MKZ besmet zijn en zeker het systematisch uitroeien van wilde populaties hoefdieren, is voor de Dierenbescherming onacceptabel. Transmissierisico's kunnen alleen beperkt worden door migratiemogelijkheden van de dieren tijdelijk te minimaliseren en de dieren volledige rust te gunnen.

5. Literatuur
Forman, A.J. & E.P.J. Gibbs (1974a). Studies with foot-and-mouth disease virus in British deer (red, fallow and roe); Clinical disease. J. Comp. Path. Vol. 84: 215-220.
Forman, A.J., Gibbs, E.P.J., Baber, D.J. , Herniman, K.A.J. & I.T. Barnett (1974b). Studies with foot-and-mouth disease virus in British deer (red, fallow and roe); Recovery of virus and serological response. J. Comp. Path. Vol. 84: 221-229.

Gibbs, E.P.J., Herniman, K.A.J., Lawman, M.J.P. & R.F. Sellers (1975). Foot-and-mouth disease in British deer: transmission of virus to cattle, sheep and deer. Vet. Record, 96: 558-563.

Hoogeveen, Y.R. (1991). Herten op het hazepad. Schuwheid en de beïnvloeding daarvan. Zoogdier, 2 (4): 17-21.

Groot Bruinderink, G.W.T.A., Lammertsma, D.R. & R. Pouwels (2000). De geschiktheid van natuurgebieden in Noord-Brabant en Limburg als leefgebied voor edelhert en wild zwijn. Alterra-rapport no. 86. Alterra, Wageningen.

Lardinois, R. & H.E. Van de Veen (1991). De Veluwe natuurlijk! Een herkansing en eerherstel voor onze natuur. Schuyt & Co B.V., Haarlem. MAFF-website (2001).
www.MAFF.gov.uk/animalh/diseases/fmd/risk.htm

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie