Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad - Energie/industrie 14-05-2001

Datum nieuwsfeit: 14-05-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
European Union

2347. Raad - ENERGIE/INDUSTRIE Press Release: Brussels (14-05-2001) - Press: 181 - Nr: 8538/01


8538/01 (Presse 181)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2347e zitting van de Raad


- ENERGIE/INDUSTRIE -

Brussel, 14-15 mei 2001

Voorzitter:

de heer Lars REKKE

Staatssecretaris bij het Ministerie van Industrie, Werkgelegenheid en Verkeer van het Koninkrijk Zweden

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

ENERGIE-AANGELEGENHEDEN

GROENBOEK - "OP WEG NAAR EEN EUROPESE STRATEGIE VOOR EEN CONTINUE

ENERGIEVOORZIENING" - CONCLUSIES VAN DE RAAD

*

INTERNE MARKT VOOR GAS EN ELEKTRICITEIT - VOLTOOIING VAN DE INTERNE

ENERGIEMARKT

*

STRATEGIE BETREFFENDE DE INTEGRATIE VAN MILIEUASPECTEN EN DUURZAME

ONTWIKKELING IN HET ENERGIEBELEID - RESOLUTIE VAN DE RAAD


*

ENERGIE-EFFICIËNTIE VAN GEBOUWEN

*

REGIONALE SAMENWERKING

*


-
EUROPEES-MEDITERRANE SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN VERVOER EN

ENERGIE *

-
NOORDELIJKE DIMENSIE: ENERGIESECTOR *

ENERGIEHANDVESTVERDRAG

*

DIVERSEN

*


-
MINISTERIËLE VERGADERING VAN HET INTERNATIONALE ENERGIEAGENTSCHAP


*

-
ENERGIEDIALOOG EU-RUSLAND *

INDUSTRIE-KWESTIES

MEDEDINGING

*


-
UITVOERING VAN DE MEDEDINGINGSREGELS VAN DE ARTIKELEN 81 EN 82 VAN

HET EG-VERDRAG *

-
XXXe VERSLAG OVER HET MEDEDINGINGSBELEID 2000 *

SITUATIE VAN DE SCHEEPSBOUW IN DE WERELD - RAADSCONCLUSIES


*

EBVB

*


-
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE GETITELD "BEËINDIGING VAN HET

EGKS-VERDRAG: FINANCIËLE ACTIVITEITEN NA 2002" *


-
TOEZICHT INZAKE GEVALLEN VAN STEUNVERLENING AAN DE IJZER- EN

STAALINDUSTRIE EX ARTIKEL 95 VAN HET EGKS-VERDRAG - VIJFTIENDE

VERSLAG (MEI 2001) *

CONCURRENTIEVERMOGEN EN ONDERNEMINGENBELEID IN DE EUROPESE UNIE


-VERVOLG VAN HET PROCES VAN LISSABON EN DE EUROPESE RAAD VAN STOCKHOLM


- RAADSCONCLUSIES

*

INTEGRATIE VAN DUURZAME ONTWIKKELING IN HET ONDERNEMINGENBELEID VAN DE

EUROPESE UNIE - CONCLUSIES VAN DE RAAD

*

WITBOEK VAN DE COMMISSIE - STRATEGIE VOOR EEN TOEKOMSTIG BELEID VOOR

CHEMISCHE STOFFEN

*

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

ENERGIE

*


-
Energy Star-overeenkomst *

VISSERIJ

*


-
Technische maatregelen voor de instandhouding van de tonijn- en zwaardvisbestanden * *

-
Financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitvoering van bepaalde beheersmaatregelen met betrekking tot over grote afstanden trekkende visbestanden * *

VOLKSGEZONDHEID

*


-
Richtlijn betreffende de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten * *

INTERNE MARKT

*


-
Besluit betreffende de reminrichting van personenwagens *

EG/EVA

*


-
Gemengde Commissie "Gemeenschappelijk douanevervoer" *

MILIEU

*


-
POP-verdrag - ondertekening *

WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID

*

CULTUUR

*


-
Uitvoer van cultuurgoederen - voorbereiding op de euro *
-
Teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht - voorbereiding op de euro *



Voor meer informatie: tel. 02/285.60.83, 02/285.81.11

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België
:

de heer Steve STEVAERT

de heer Serge KUBLA

de heer Olivier DELEUZE

Minister Vice-President van de Vlaamse regering

Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie

Vice-president en Minister van Economie, KMO's, Onderzoek en Nieuwe Technologieën (Waalse Gewest)

Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, toegevoegd aan de Minister van Mobiliteit en Vervoer

Denemarken
:

de heer Ole STAVAD

de heer Leo LARSEN

Minister van Handel en Industrie

Staatssecretaris, Ministerie van Milieubeheer en Energie

Duitsland:

de heer Werner MÜLLER

de heer Axel GERLACH

Minister van Economische Zaken

Staatssecretaris, Ministerie van Economische Zaken en Technologie

Griekenland
:

de heer Nikos CHRISTODOULAKIS

de heer Dimitris KALOUDIOTIS

Minister van Ontwikkeling

Staatssecretaris van Energie

Spanje
:

mevrouw Ana María BIRULÉS Y BERTRÁN

de heer José FOLGADO BLANCO

Minister van Wetenschap en Technologie

Staatssecretaris van Economische Zaken, Energie en het

Midden- en Kleinbedrijf

Frankrijk
:

de heer Christian PIERRET

Staatssecretaris van Industrie

Ierland
:

de heer Joe JACOB

Onderminister van Overheidsbedrijven, belast met energie

Italië
:

de heer Fabrio FABBRI

Plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger

Luxemburg
:

de heer Henri GRETHEN

Minister van Economische Zaken, Minister van Vervoer

Nederland
:

mevrouw Annemarie JORRITSMA-LEBBINK

Vice-Minister-President en Minister van Economische Zaken

Oostenrijk
:

mevrouw Mares ROSSMANN

Staatssecretaris van Economische Zaken en Arbeid

Portugal
:

de heer Marío Cristina de SOUSA

de heer Vítor SILVA SANTOS

Minister van Economische Zaken

Staatssecretaris, toegevoegd aan de Minister van Economische Zaken

Finland
:

mevrouw Sinikka MÖNKÄRE

Minister van Handel en Industrie

Zweden
:

de heer Lars REKKE

Staatssecretaris bij het Ministerie van Industrie, Werkgelegenheid en Verkeer

Verenigd Koninkrijk
:

de heer Bill STOW

Plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger


* * *

Commissie
:

mevrouw Loyola DE PALACIO DEL VALLE LERSUNDI

de heer Pascal LAMY

de heer Erkki LIIKANEN

de heer Mario MONTI

Vice-voorzitter

Lid

Lid

Lid

ENERGIE-AANGELEGENHEDEN

GROENBOEK - "OP WEG NAAR EEN EUROPESE STRATEGIE VOOR EEN CONTINUE

ENERGIEVOORZIENING" - CONCLUSIES VAN DE RAAD

De Raad heeft van gedachten gewisseld over continue energievoorziening. De bespreking was gebaseerd op het Groenboek van de Commissie over een Europese strategie voor een continue energievoorziening. dat in december 2000 aan de Raad Industrie/Energie is voorgelegd (zie doc. 14000/00 Presse 466).

Om het debat vorm te geven, had het voorzitterschap de ministers verzocht zich te buigen over kwesties in verband met


- het terrein waarop geïntensiveerde coördinatie tussen de lidstaten betrekking heeft en de nadere uitwerking ervan, rekening houdend met de instelling van een open en geïntegreerde interne energiemarkt en nieuwe ontwikkelingen, zoals de uitbreiding en milieu-uitdagingen;

- maatregelen die op het niveau van de Gemeenschap prioritair op energiegebied kunnen worden overwogen om de duidelijk toenemende afhankelijkheid van de Unie van externe energiebronnen te verminderen;

- de bijdrage die kan worden verwacht van andere beleidsmaatregelen, zoals die gericht op de vraagkant en nieuwe technologieën, om de langetermijncontinuïteit van de energievoorziening te verbeteren;

- de maatregelen die kunnen worden genomen om de dialoog met alle leverancierslanden en -regio's te versterken en doeltreffender te maken, zowel op het niveau van de lidstaten als dat van de Gemeenschap, met het oog op een grotere diversificatie van de voorzieningsbronnen en om te zorgen voor een grotere transparantie van de markten (sterk fluctuerende prijzen).

Het voorzitterschap vatte de gedachtewisseling als volgt samen:


- het probleem van de continue voorziening moet worden gezien als een integrerend deel van andere uitdagingen zoals klimaatverandering en een geïntegreerde markt. Men is het erover eens dat in de Gemeenschap een meer gecoördineerde, op alle uitdagingen gerichte actie nodig lijkt, hoewel de meningen over de omvang daarvan uiteenlopen;

- het optreden en de maatregelen van de Gemeenschap betreffende continue voorziening moeten
sB recht doen aan het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel,

sB rekening houden met de regionale, geografische, structurele en klimaatverschillen in de lidstaten,

sB consistent zijn met andere beleidsvormen,

sB de kosten weerspiegelen en doorzichtig zijn;


- wat de afhankelijkheid van import betreft, moeten de te nemen maatregelen bijvoorbeeld versterking van de dialoog met de leverancierslanden, OPEC en Rusland omvatten. Het belang van een stabiel kader in leverancierslanden, dat bevorderlijk is voor zowel particuliere als publieke investeringen, werd benadrukt;


- er kwam weinig steun voor voorraadbeheer en het aanleggen van voorraden om speculatie tegen te gaan, niet voor olie, en evenmin voor kolen of gas;


- doorvoer en transportfaciliteiten en daarmee verband houdende instrumenten, zoals de TEN-programma's moeten worden versterkt. In dit verband werd benadrukt dat Rusland moet worden aangespoord om spoedig het Energiehandvestverdrag te ratificeren;


- de lidstaten erkennen het belang van vraagbeheersing. De bijdrage van vernieuwbare energie en energie-efficiëntie aan continue voorziening wordt in ruime mate erkend, onder andere met betrekking tot de diversificatie van energiebronnen. Het belang van acties in de bouw- en transportsector wordt erkend;


- alle energiebronnen moeten op hun specifieke merites worden beoordeeld, rekening houdend met de eisen van duurzame groei, waarbij de nationale kenmerken en nationale voorkeuren wat betreft de juiste energiemix naar behoren in acht worden genomen. Voor O & O is ook een belangrijke rol weggelegd, vooral in het kader van de ontwikkeling en bevordering van vernieuwbare energiebronnen en schone, efficiënte technologie.

Het aanstaande Belgische voorzitterschap is verzocht met de bespreking van dit overlegdocument te beginnen, rekening houdend met bijdragen van alle betrokken Raadsformaties, waaronder de Raden Vervoer, ECOFIN, Milieu en Onderzoek.

Na de bespreking, heeft de Raad de volgende conclusies aangenomen:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,


1. HERINNERT ERAAN dat continuïteit van de energievoorziening, concurrentievermogen en bescherming van het milieu de prioritaire doelstellingen zijn van de energiesector van de Europese Unie, waarbij rekening gehouden wordt met het subsidiariteitsbeginsel zoals dat is vastgelegd in de resolutie van de Raad van 8 juli 1996 betreffende het Witboek "Een energiebeleid voor de Europese Unie". ( 1)

2. IS INGENOMEN met het Groenboek van de Commissie, getiteld "Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening" ( 2), en STEUNT het initiatief van de Commissie om in 2001 een uitvoerig debat over de continuïteit van de energievoorziening te houden.


3. HERINNERT aan de conclusies van de Europese Raad van Stockholm.

4. STELT VAST dat de Europese Unie volgens de laatste ramingen in toenemende mate afhankelijk zal worden van externe energiebronnen; dat niet wordt verwacht dat de uitbreiding enige verandering in deze situatie zal brengen; en ERKENT dat de lidstaten en de EU, in haar huidige en toekomstige samenstelling, te maken hebben en te maken zullen krijgen met het vraagstuk van de continuïteit van de energievoorziening, waarbij hij zich ervan bewust is dat de maatregelen die momenteel worden genomen, zoals de maatregelen op het gebied van verdere openstelling en integratie van de markten voor energie, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, bijdragen tot verlichting van dit probleem.
5. ERKENT dat rekening gehouden moet worden met de opvattingen van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's en dat met alle betrokken partijen een diepgaande discussie moet worden gevoerd.

6. MEENT dat er overeenstemming moet worden bereikt over de wijze waarop de beoogde continuïteit van de energievoorziening moet worden verwezenlijkt en ONDERSTREEPT dat er op nationaal en op communautair niveau behoefte is aan een langetermijnstrategie ter verbetering van de continuïteit van de energievoorziening in de EU.

7. MEENT dat in een gemeenschappelijke strategie rekening gehouden moet worden met de geografische, economische, regionale, klimatologische en structurele verschillen tussen de lidstaten, en dat die strategie de verdere openstelling van de markten in de EU dient te bevorderen, verenigbaar dient te zijn met zowel de duurzame ontwikkeling als de verbintenissen van de energiesector ten aanzien van de klimaatverandering, en voorts een toegevoegde waarde moet opleveren voor maatregelen van afzonderlijke lidstaten.

8. GELOOFT dat, met het oog op de vaststelling van mogelijke gezamenlijke prioriteiten, de discussie over een langetermijnstrategie gericht moet zijn op de middelen om de stijging van de vraag en de voorzieningsafhankelijkheid onder controle te krijgen door de problemen zowel binnen de Gemeenschap, waaronder de mogelijke bijdrage van inheemse energiebronnen overeenkomstig de prioritaire doelstellingen van de energiesector als vermeld in punt 1, met de leverancierslanden aan de orde te stellen. Hiertoe moet in de discussie worden nagegaan welk effect de reeds bestaande of in voorbereiding zijnde beleidslijnen en maatregelen hebben op de continuïteit van de energievoorziening, alsmede of het wenselijk is dit voorzieningsaspect in deze beleidslijnen te integreren.

9. IS VAN MENING dat een grondiger analyse van de risico's op het gebied van de continuïteit van de energievoorziening en een verbetering van het toezicht op, de evaluatie van en de informatie over vraag en aanbod op energiegebied, dienstig zullen zijn voor eventuele toekomstige langetermijnstrategieën.
10. VERZOEKT de betrokken Raadsformaties nadere richtsnoeren te verstrekken voor, onder andere, de volgende prioriteitsterreinen:


- de bevordering van onderzoek en ontwikkeling van energie-efficiënte technologieën

- de ontwikkeling van alternatieve vervoerswijzen, -faciliteiten en brandstoffen

- het gebruik van fiscale instrumenten.

11. VERZOEKT de Commissie om medio 2001 aan de Raad een voortgangsverslag over het raadplegingsproces voor te leggen en IS VOORNEMENS om tijdens zijn zitting in december verder bij te dragen aan de formulering van een langetermijnstrategie voor een continue energievoorziening, opdat de Commissie aan het eind van dit jaar een volledig inzicht heeft in de resultaten van de raadpleging."

INTERNE MARKT VOOR GAS EN ELEKTRICITEIT - VOLTOOIING VAN DE INTERNE

ENERGIEMARKT

De Raad heeft een bespreking gehouden over de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit en gas.

Dit debat was gebaseerd op de mededeling van de Commissie: "Voltooiing van de interne energiemarkt", die een voorstel tot wijziging van de Elektriciteitsrichtlijn (96/92/EG) en de Gasrichtlijn (98/30/EG) bevat alsmede een voorstel voor een verordening betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit. Met die mededeling wordt gevolg gegeven aan het verzoek van de Europese Raad van Lissabon om de liberalisering van de elektriciteits- en de gassector te bespoedigen, ten einde daadwerkelijk een interne energiemarkt tot stand te brengen. De voorstellen tot wijziging van de gas- en elektriciteitsrichtlijnen bevatten kwantitatieve bepalingen met betrekking tot de volledige openstelling van de markten voor alle consumenten vóór 1 januari 2005, en kwalitatieve bepalingen met betrekking tot de ontvlechting van de transmissie en distributie, de toegang van derden, regelgevende taken, openbaredienstverplichtingen en handel met derde landen.

Het voorstel voor een verordening betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit bevat bepalingen betreffende de vaststelling van eerlijke, de kosten weerspiegelende, transparante en rechtstreeks toepasbare tariefvoorschriften en de toewijzing van beschikbare interconnectiecapaciteiten.

Om de besprekingen in de Raadsinstanties over deze kwestie te sturen, en gelet op de conclusies van de Europese Raad van Stockholm, had het voorzitterschap de ministers verzocht zich buigen over een reeks vragen betreffende:


- kwalitatieve aspecten die besproken moeten worden om een evenwichtige openstelling van de elektriciteits- en gasmarkt mogelijk te maken, en het evenwicht dat moet worden gewaarborgd tussen de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten in het onderhandelingsproces;

- de voorgestelde bepalingen inzake ontvlechting en toegang van derden, om te zorgen voor gelijke mededingingsvoorwaarden en daadwerkelijke mededinging; gemeenschappelijke minimumnormen en criteria die nodig zijn voor het uitvoeren van regelgevende taken;
- aanvullende maatregelen op nationaal en communautair niveau om te zorgen voor hoge normen voor openbaredienstverlening en continuïteit van de voorziening;

- de behoefte aan afdwingbare voorschriften op nationaal en/of Europees niveau om grensoverschrijdende handel in elektriciteit en gas te vergemakkelijken; en in verband hiermee,

§
de wijze waarop de processen van Florence en Madrid verder kunnen bijdragen aan de uitwerking van oplossingen voor vraagstukken in verband met de elektriciteits-, respectievelijk de gasmarkt, en de rol die de Raad hierin moet spelen;
§
de juiste balans die moet worden gevonden tussen maatregelen om de toewijzing van capaciteit te regelen en mechanismen om investeringen te stimuleren; en
§
de rol die moet worden toegekend aan de Trans-Europese Netwerken (TEN), teneinde een passend niveau van grensoverschrijdende interconnecties te bereiken;


- het sluiten van bilaterale overeenkomsten tussen de EU en derde landen is voor handel in elektriciteit een adequate oplossing; en


- het realistische tijdpad om substantiële vooruitgang te boeken bij de verschillende maatregelen die vereist zijn om de interne energiemarkt te voltooien, en de wijze waarop de Raad Energie kan bijdragen aan de voorbereiding met het oog op de bijeenkomst van de Europese Raad in het voorjaar 2002.

Het voorzitterschap sloot de besprekingen af met de volgende opmerkingen:


- men is het er in ruime mate over eens dat de openstelling van de gas- en elektriciteitsmarkt actief moet worden nagestreefd en bespoedigd. Daartoe zal het Zweedse voorzitterschap in overleg met de aanstaande Belgische en Spaanse voorzitterschappen het initiatief nemen om binnen het bestaande Raadskader wegen te vinden om dit proces te bespoedigen en passende ideeën aandragen die aan de Raad kunnen worden voorgelegd;

- kwantitatieve maatregelen in verband met het openstellen van de markt (drempels) en kwalitatieve aspecten (ontvlechting, toegang derden en regelgevingsinstanties, mogelijke sociaal-economische effecten) zijn nauw met elkaar verbonden;

- wanneer wordt beslist over op Gemeenschapsniveau te nemen maatregelen moet zoals steeds de kostprijs van de verschillende keuzemogelijkheden worden bestudeerd;

- over het principe van ontvlechting bestaat algemene overeenstemming, maar de concrete toepassing ervan moet nog worden verduidelijkt; bij de ontvlechting van de gassector zal niet per se hetzelfde model of dezelfde benadering worden gevolgd als voor de elektriciteitssector;

- niet-discriminerende toegang voor derden tot het netwerk zonder transparante en openbare tarieven is onhaalbaar; bij het vaststellen van de nadere regels voor de tariefstelsels moet rekening worden gehouden met openbaredienstverplichtingen;
- om te zorgen voor een betere continue voorziening via verdere integratie op Gemeenschapsniveau, moeten de infrastructuurvereisten zorgvuldig worden nagegaan, met bijzondere aandacht voor het herziene TEN-programma;

- benchmarking en monitoring zijn nuttige instrumenten voor een degelijke beoordeling van de vorderingen en de follow-up, met name wat betreft openbaredienstverplichtingen, continue voorziening en congestiebeheer. Die beoordeling kan worden vergemakkelijkt door meer transparantie over de beschikbare interconnectiecapaciteit;
- een optimaal functionerende geïntegreerde interne markt voor gas en elektriciteit kan niet tot stand worden gebracht zonder efficiënte grensoverschrijdende handel. Regels daartoe moeten op het geschikte niveau worden ingevoerd en gebaseerd zijn op eenvoud, non-discriminatie, transparantie en een daadwerkelijke weerspiegeling van de kosten, zodat er passende signalen met betrekking tot de toewijzing gegeven kunnen worden en er voldoende wederkerigheid is;

- wanneer wordt beslist over de meest geschikte manier om de handel (in elektriciteit) met derde landen aan te pakken, moet passende aandacht worden besteed aan milieuaspecten, wederkerigheid en rechtsgevolgen;

- hoewel een juridisch bindend regelgevingskader is vereist om tal van kwesties die door de voltooiing van de interne markt aan de orde zijn gekomen, te kunnen aanpakken, hebben de processen van Florence en Madrid hun nut bewezen en wij verwachten dat zulks ook in de toekomst het geval zal zijn.

STRATEGIE BETREFFENDE DE INTEGRATIE VAN MILIEUASPECTEN EN DUURZAME

ONTWIKKELING IN HET ENERGIEBELEID - RESOLUTIE VAN DE RAAD

De Raad heeft de volgende resolutie aangenomen die zal worden voorgelegd aan de Europese Raad in Göteborg op 15-16 juni 2001:

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE:

1. HERINNERT AAN de strategie voor de integratie van milieuaspecten en duurzame ontwikkeling in het energiebeleid, die de Raad op 2 december 1999 heeft aangenomen en die tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad op 10 en 11 december 1999 te Helsinki is goedgekeurd ( 3).

2. BEVESTIGT zich ertoe verbonden te hebben de Europese Raad in juni 2001 een alomvattende strategie voor de integratie van milieuaspecten en duurzame ontwikkeling voor te leggen.
3. VERHEUGT ZICH OVER het initiatief van de Commissie om het groenboek "Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening" ( 4) ook te presenteren als een waardevolle bijdrage in de context van de integratie van milieuaspecten en duurzame ontwikkeling in de energiesector.

4. BENADRUKT dat voortvarendheid geboden is bij de besprekingen over het zesde milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (
5) en het Europees programma inzake klimaatverandering ( 6), met inbegrip van het groenboek over de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie ( 7). NEEMT in dat verband NOTA van het onlangs door de Commissie ingediende "Overlegdocument ter voorbereiding van een duurzame ontwikkelingsstrategie van de Europese Unie" ( 8), en vooral het onderwerp "klimaatverandering en schone energie". 5. HERINNERT ERAAN dat het concept "duurzame ontwikkeling" een evenwichtige benadering van economische, ecologische en sociale aspecten veronderstelt en dat duurzame ontwikkeling rechtstreeks samenhangt met de doelstellingen van het energiebeleid, te weten:
- continuïteit van de voorziening;

- concurrentievermogen;

- milieubescherming,
zoals vastgesteld in de strategie voor de integratie van milieuaspecten en duurzame ontwikkeling in het energiebeleid.
6. IS INGENOMEN MET het eerste evaluatieverslag (2001) van de Commissie over de strategie voor de integratie van milieuaspecten en duurzame ontwikkeling in het energiebeleid, waarin de vorderingen worden ONDERSTREEPT die sinds 1999 op prioritaire gebieden zijn gemaakt, met name door:


- de uitvoering van de elektriciteitsrichtlijn en de gasrichtlijn;

- de bevordering van elektriciteitsopwekking uit duurzame bronnen, en

- de bevordering van energie-efficiëntie.


7. ONDERSTREEPT het belang van maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie en ERKENT in dit verband de bijdrage die aan deze strategie wordt geleverd door het Actieplan van de Commissie voor energie-efficiëntie in de Europese Gemeenschap ( 9).
8. ERKENT de door de lidstaten bereikte resultaten met betrekking tot het verminderen van broeikasgasemissies; NEEMT evenwel met bezorgdheid NOTA van het contrast tussen de huidige emissietendensen en de door de Gemeenschap en de lidstaten aangegane verbintenis om de tendens van antropogene emissies op de langere termijn om te buigen, conform de doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en in het bijzonder de verplichtingen uit hoofde van het Protocol van Kyoto.

9. BENADRUKT dat zonder gedegen implementatie van bestaande instrumenten en aanvullende beleidsinitiatieven en maatregelen in de lidstaten en op Gemeenschapsniveau de in het eerste evaluatieverslag geschetste positieve ontwikkeling naar duurzaamheid niet zal doorzetten, vooral omdat het verbruik van fossiele energie alsook de met energie verband houdende emissie van broeikasgassen naar verwachting zullen toenemen.
10. BEKLEMTOONT dat een bijdrage moet worden geleverd om de samenhang tussen economische groei en belasting van het milieu te doorbreken.

11. ERKENT de noodzaak om de strategie te versterken, en daarbij in het bijzonder prioriteit te geven aan acties van de lidstaten en aan gemeenschappelijke en gecoördineerde maatregelen die op specifieke nationale kenmerken zijn afgestemd, kosteneffectief zijn en bijdragen tot een duurzaam energiesysteem, door middel van:


- de bevordering van een efficiënt energiegebruik;
- de ontwikkeling van een naar behoren functionerende interne energiemarkt;

- de vergroting van het concurrentievermogen en het gebruik van duurzame energiebronnen en alternatieve brandstoffen;
- de doorberekening van externe kosten/milieuvoordelen;
- de bestrijding van klimaatverandering en andere milieuproblemen, ook door middel van flexibele mechanismen, met inbegrip van het opdoen van ervaring via nationale en regionale proefnemingen op dit terrein;

- het toekennen van voldoende prioriteit aan onderzoek en ontwikkeling op het gebied van energie in het nieuwe kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie in Europa (2002-2006), dat momenteel besproken wordt.


12. ONDERSTREEPT dat de uitbreiding een politieke prioriteit is en NODIGT de kandidaat-lidstaten derhalve UIT om de door de Gemeenschap ontwikkelde integratiebeginselen in acht te nemen wanneer zij in de pretoetredingsfase nationale en lokale strategieën uitstippelen. Hij ERKENT dat de spoedige toepassing door de kandidaat-lidstaten van het communautaire acquis en van beleidsmaatregelen die in overeenstemming zijn met deze strategie, moet worden vergemakkelijkt.


13. HERINNERT aan de conclusies van de Europese Raad van Stockholm ( 10).


14. ONDERSTREEPT dat de op korte termijn te treffen maatregelen de openstelling van de markt en de totstandkoming van een volledig functionerende interne energiemarkt moeten bespoedigen, maar ook tegelijkertijd het gebruik van hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt, alsmede activiteiten ter bevordering van energie-efficiëntie, met inbegrip van warmtekrachtkoppeling, moeten blijven stimuleren.


15. HERINNERT AAN het voornemen van de Raad om zich meer in te zetten om ( 11) overeenstemming te bereiken over een geschikt kader voor een energieheffing op Europees niveau.


16. VERZOEKT de Commissie om voorstellen in te dienen, onder meer op de volgende specifieke gebieden en om voor de volgende evaluatie daarover verslag uit te brengen aan de Raad:
meer gemeenschappelijke en/of gecoördineerde maatregelen inzake energie-efficiëntievoorstellen, zoals in de Raadsconclusies over het actieplan voor energie-efficiëntie in de Europese Gemeenschap ( 12) wordt beoogd;
nieuwe maatregelen overwegen ter bevordering van de efficiënte productie van warmtekrachtkoppeling (WKK), met inbegrip van de ontwikkeling van beste praktijken;
de bijdrage aan de totale energievoorziening stimuleren van duurzame energiebronnen, in het bijzonder van bronnen met een hoog en ontginbaar potentieel zoals biomassa, op gebieden als kosteneffectieve biobrandstoffen, bosbouw met een grote rotatiesnelheid en afval;
een geschikte follow-up overwegen voor de kaderprogramma's voor energie die eind 2002 verstrijken;
de resultaten voorleggen van studies betreffende de haalbaarheid en de milieu-efficiëntie van een systeem voor het verhandelen van broeikasgasemissies in CO2 en doorgaan met het tot stand brengen van een dergelijk systeem binnen de Gemeenschap teneinde zo spoedig mogelijk en bij voorkeur vóór 2005 een communautair kader tot stand te brengen; de mogelijkheden onderzoeken om de kandidaat-lidstaten bij dit stelsel te betrekken en zo spoedig mogelijk de praktische implicaties van een mogelijke regeling voor de handel in emissierechten in de context van de interne energiemarkt analyseren;
de bestaande regelingen ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen in de EU op hun waarde testen en met name de haalbaarheid onderzoeken van proefprojecten op Europees niveau met betrekking tot de internationale handel in groenverklaringen voor elektriciteit uit duurzame energiebronnen;
ervoor zorgen dat de handel in elektriciteit met derde landen, wat de openstelling van de markt en de milieunormen betreft, gebaseerd is op het wederkerigheidsbeginsel.


17. SPOORT de Commissie aan om de werkzaamheden voort te zetten en met initiatieven te komen op de hieronder genoemde gebieden en om, vóór de volgende evaluatie of zo spoedig mogelijk daarna, verslag uit te brengen aan de Raad:
nagaan of de relevante wetgeving op energiegebied verenigbaar is en strookt met duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, ook wat betreft klimaatverandering, teneinde tegenstrijdigheden die het verwezenlijken van deze doelstellingen zouden kunnen belemmeren, op te heffen;
het toezicht op de energiemarkten verbeteren aan de hand van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, die de doelstellingen van het energiebeleid weerspiegelen, gebaseerd zijn op energie- en emissiestatistieken en uitgaan van specifieke kenmerken, zowel op communautair niveau als op het niveau van de lidstaten; de toepassing van de Kyotomechanismen betreffende gezamenlijke uitvoering en schone ontwikkeling vergemakkelijken; in een vroegtijdig stadium informatie aan de kandidaat-lidstaten verstrekken over alle initiatieven die met deze strategie verband houden;
de energiesubsidies in de lidstaten evalueren, voor wat betreft de verenigbaarheid ervan met een passend evenwicht tussen continuïteit van de voorziening, concurrentievermogen en milieubescherming.


18. KOMT OVEREEN DAT de horizontale criteria in de Raadsconclusies van 5 december 2000 over het Actieplan voor energie-efficiënte in de Europese Gemeenschap ( 13) moeten worden toegepast bij de keuze van maatregelen op het gebied van energiebeleid.


19. KOMT OVEREEN de strategie, met inbegrip van de indicatoren, regelmatig op basis van verslagen van de Commissie te evalueren en te bezien of sectoren wat betreft energiebeleidsdoelstellingen en bestaande streefcijfers op het goede spoor zijn. De eerstvolgende evaluatie moet worden opgesteld met het doel dat zij uiterlijk in december 2002 door de Raad kan worden aangenomen.

De Commissie nam nota van de vele verzoeken van de Raad en zal ze aandachtig bestuderen. Zij benadrukt echter dat ze zich het recht voorbehoudt te antwoorden overeenkomstig de in het EU-Verdrag neergelegde regels betreffende haar recht van initiatief, en rekening houdend met de budgettaire en personele middelen waarover zij beschikt.

ENERGIE-EFFICIËNTIE VAN GEBOUWEN

De Raad heeft nota genomen van een mondelinge toelichting door vice-voorzitter DE PALACIO van een Commissievoorstel voor een richtlijn ter verbetering van de energie-efficiëntie in gebouwen.

Dat voorstel moet worden gezien in het kader van de algemene inspanning tot nakoming van de verbintenissen van Kyoto en vult de maatregelen inzake energie-efficiëntie aan. Het voorziet in een kader om de inspanningen van de lidstaten tot beperking van de toename van het energiegebruik in de bouwsector beter te coördineren. De voornaamste punten, waarvan de praktische toepassing tot de bevoegdheid van de lidstaten zal blijven behoren, zijn:


- een gemeenschappelijke methodiek voor de ontwikkeling van geïntegreerde minimale energieprestaties voor elk type gebouwen;
- toepassing en actualisering van op deze methodiek gebaseerde minimumnormen op nieuwe gebouwen en op bestaande gebouwen van meer dan 1000 m3 wanneer deze renovatie ondergaan;
- systemen van certificaten voor nieuwe en bestaande gebouwen, die op een zichtbare plaats moeten worden aangebracht in openbare gebouwen en andere gebouwen die open zijn voor het algemene publiek;

- specifieke keuring en beoordeling van verwarmings-/koelingsinstallaties door gekwalificeerd personeel;

REGIONALE SAMENWERKING

De Raad heeft nota genomen van de informatie over de volgende twee samenwerkingsgebieden


- EUROPEES-MEDITERRANE SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN VERVOER EN

ENERGIE
De Commissie heeft de mededeling "Versterking van de Europees-mediterrane samenwerking op het gebied van vervoer en energie" uitgebracht, die tot doel heeft de grote lijnen van de Europees-mediterrane samenwerking voor 2000-2006 vast te leggen en de bestaande dynamiek van het partnerschap te stimuleren. De mededeling moet ook gezien worden in de context van de algehele herziening die door de Commissie uitgevoerd wordt in het kader van het groenboek over de continuïteit van de energievoorziening in de EU.


- NOORDELIJKE DIMENSIE: ENERGIESECTOR
De Commissie heeft haar inventaris van de lopende en voorgenomen uitvoeringsacties op dit gebied gepresenteerd. Er zij opgemerkt dat vijf werkgroepen in de Raad ook een inventaris hebben gemaakt van reeds uitgevoerde en te overwegen maatregelen, zulks ter voorbereiding van de ministeriële conferentie van de noordelijke dimensie van 9 april in Luxemburg.

ENERGIEHANDVESTVERDRAG

De Raad heeft nota genomen van een voortgangsrapport over dit dossier en is overeengekomen in het tweede halfjaar van 2001 de situatie opnieuw te bezien, met name wat betreft de onderhandelingen over een doorvoerprotocol en de ratificatie van het Energiehandvestverdrag. Op 11 mei maakte de Conferentie over het Handvest de balans op van de laatste onderhandelingsronde over het doorvoerprotocol die plaatsvond in de Groep doorvoer van 7-9 mei.

DIVERSEN


- MINISTERIËLE VERGADERING VAN HET INTERNATIONALE ENERGIEAGENTSCHAP

De Raad heeft nota genomen van de informatie van het voorzitterschap over de komende ministeriële vergadering van het IEA op 15-16 mei, die vooral zal gaan over de kernkwesties continuïteit van de energievoorziening, ontwikkelingen op de energiemarkten en aangaan van de uitdaging van duurzame ontwikkeling.

- ENERGIEDIALOOG EU-RUSLAND
De Raad heeft nota genomen van de informatie van vice-voorzitter DE PALACIO over de voorbereiding van de top EU-Rusland in Moskou op 17 mei, waar onder andere de balans zal worden opgemaakt van de lopende werkzaamheden in het kader van de energiedialoog. De Commissie zal binnenkort een mededeling over deze dialoog aannemen.

INDUSTRIE-KWESTIES

MEDEDINGING


- UITVOERING VAN DE MEDEDINGINGSREGELS VAN DE ARTIKELEN 81 EN 82 VAN

HET EG-VERDRAG
De Raad heeft een oriënterend debat gehouden over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1017/68, Verordening (EEG) nr. 2988/74 en Verordening (EEG) nr. 3975/87, met betrekking tot beperkende overeenkomsten en misbruik van machtspositie. Met dit voorstel, dat de Commissie in oktober vorig jaar aan de Raad heeft toegezonden, wordt de huidige regeling voor toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag ingrijpend gewijzigd. Het strekt ertoe de bescherming van de mededinging in de Gemeenschap te versterken door decentralisering van de toepassing van de regels inzake beperkende overeenkomsten en praktijken en misbruik van machtspositie. Het stelt een systeem voor waarbinnen de nationale mededingingsautoriteiten en de nationale rechters artikel 81 in zijn geheel kunnen toepassen, zoals dit voor artikel 82 reeds het geval is. De nationale mededingingsautoriteiten en de Commissie zullen derhalve samen binnen een netwerk optreden om ervoor te zorgen dat de communautaire mededingingsregels effectief worden toegepast. De huidige regeling is gebaseerd op een systeem waarbij de Commissie van tevoren in kennis moet worden gesteld van overeenkomsten tussen ondernemingen die tot mededingings-problemen (uit hoofde van artikel 81) zouden kunnen leiden. De Commissie is als enige bevoegd dergelijke overeenkomsten toe te staan. De Commissie constateerde dat dit systeem van kennisgeving geen nut heeft vanuit het oogpunt van de bescherming van de mededinging: als het zou worden afgeschaft en vervangen door een nieuw systeem zou de Commissie zich in haar optreden kunnen concentreren op de bestrijding van de ernstigste beperkingen en misbruiken. Tevens wordt voorgesteld de middelen tot optreden waarover de Commissie beschikt om kartels en andere overtredingen op het spoor te komen en te bestraffen, te versterken.
De kern van het voorstel wordt gevormd door de nauwere betrokkenheid van de mededingingsautoriteiten en de nationale rechters. Decentralisatie mag evenwel niet leiden tot een renationalisatie van het mededingingsbeleid, want alle marktdeelnemers moeten op het gehele grondgebied van de Gemeenschap gelijk worden behandeld. Daarom behoudt de Commissie in het voorstel autonome beslissingsbevoegdheid, en worden voorlichtings- en samenwerkingsregelingen ingesteld die de samenhang in de toepassing van de regels in de gehele Gemeenschap moeten waarborgen.
In het nieuwe systeem wordt decentralisatie gecompenseerd door het feit dat alle economische actoren homogene mededingingsvoorwaarden (level playing field) in de gehele Gemeenschap moeten worden gegarandeerd. Door de afschaffing van het stelsel van kennisgeving komen er bovendien minder administratieve verplichtingen dan in het huidige stelsel en een sterke daling van de kosten voor de uitvoering van hun overeenkomsten.
Om sturing te geven aan het debat, had het voorzitterschap de ministers verzocht zich te buigen over:


- de hoge prioriteit die de Raad aan dit voorstel verleent;

- de bevoegdheid voor de Commissie die de verordening zou moeten bevatten om maatregelen van structurele aard op te leggen waar deze nodig zijn om daadwerkelijk een eind te maken aan inbreuken;
- de vraag of er een systeem moet komen waarbij via beschikkingen toezeggingen worden geaccepteerd en een wettelijk bindend karakter krijgen, en waar de Commissie en het bedrijfsleven wel bij zullen varen qua administratieve vereenvoudiging en flexibiliteit; en
- de ontwikkeling van de bepalingen voor het functioneren van het netwerk vanuit een geest van horizontale samenwerking tussen de mededingingsautoriteiten, inclusief de Commissie, met respect voor de verantwoordelijkheid van de Commissie voor het toezicht op een consequente toepassing van de communautaire mededingingswetgeving.

Ter afsluiting van het debat concludeerde de voorzitter dat:

De Raad
§
het decentraliseringsbeginsel van het Commissievoorstel ondersteunt;
§
erkent dat technische besprekingen moeten worden voortgezet om tot een evenwichtig en werkbaar systeem te komen dat op een consequente manier wordt toegepast en de handhaving verbetert via een daadwerkelijke betrokkenheid van de nationale mededingingsinstanties en nationale rechters, met inachtneming van hun onafhankelijkheid;
§
er nota van neemt dat behoedzaamheid geboden is in verband met structurele oplossingen en dat als de Commissie het uitdrukkelijk recht zou krijgen om in buitengewone gevallen dergelijke maatregelen te nemen, rekening moet worden gehouden met het proportionaliteitsbeginsel;
§
er nota van neemt dat nog meer inspanningen nodig zijn omtrent de eventuele invoering van een systeem van bindende toezeggingen; §
erkent dat het nodig is dat de Commissie gebruik maakt van de in artikel 10 van het voorstel bedoelde soort beschikkingen om voor samenhang te zorgen, en dat een efficiënt netwerk van nationale mededingingsinstanties moet worden opgericht, rekening houdend met hun respectieve bevoegdheden,
§
nota neemt van het advies van het Economisch en Sociaal Comité en verklaart dat hij uitziet naar het advies van het Europees Parlement in het kader van de raadplegingsprocedure; §
besluit de verdere behandeling van het Commissievoorstel prioriteit te geven.


-
XXXe VERSLAG OVER HET MEDEDINGINGSBELEID 2000

De Raad heeft nota genomen van de presentatie door de Commissie van haar verslag, dat elk jaar samen met het jaarlijkse Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Unie wordt gepubliceerd. Sinds 1995, wordt het in twee delen gepubliceerd:


- een algemeen overzicht van de algemene ontwikkelingen in de verschillende gebieden van het mededingingsbeleid van de Europese Gemeenschap in het afgelopen jaar, nl. de antitrustwetgeving, staatsmonopolies en monopolierechten, fusiecontrole, staatssteun, internationale activiteiten, en

- een referentiedocument over de toepassing van de mededingingsregels in de EU dat belangrijke individuele gevallen, verwijzingen naar nieuwe wetgeving en notities, naar Commissiebesluiten en persmededelingen, naar beslissingen van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg bevat.

SITUATIE VAN DE SCHEEPSBOUW IN DE WERELD - RAADSCONCLUSIES

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

HERINNEREND AAN


- de conclusies van de Raad van 9 november 1999, 18 mei 2000 en 5 december 2000 over de situatie in de mondiale scheepsbouwsector en de oneerlijke mededinging door Korea;

- de drie voorgaande verslagen van de Commissie over de situatie in de mondiale scheepsbouwsector ( 14);

- Verordening nr. 1540/98 van de Raad van 29 juni 1998 ( 15);
IS INGENOMEN met het vierde verslag van de Commissie over de situatie in de mondiale scheepsbouwsector ( 16) en BEVESTIGT ernstig bezorgd te zijn over het feit dat de kritieke situatie in de scheepsbouw, die gekenmerkt wordt door zeer lage prijzen en een aanzienlijke overcapaciteit, hetgeen voornamelijk te wijten is aan Koreaanse scheepswerven, onveranderd blijft;

NEEMT NOTA van het verslag van de Commissie aan het comité van de verordening inzake handelsbelemmeringen, de conclusies daarvan en het daarin voorgestelde actieplan;

VERZOEKT


- de Commissie om de marktsituatie nauwgezet te blijven volgen;

- de Commissie om, in het kader van de verordening inzake handelsbelemmeringen, haar onderzoek voort te zetten, teneinde aanvullende informatie te verzamelen, met name met betrekking tot exportsubsidies;

- de Commissie en de lidstaten om nauw samen te werken met de industrie op het gebied van het concurrentievermogen;
- de scheepsbouwindustrie van de EU om haar concurrentievermogen te blijven verbeteren;

BETREURT TEN ZEERSTE dat er geen vooruitgang is geboekt via bilaterale onderhandelingen met Korea, ondanks de verbintenissen die zijn aangegaan in het overeengekomen proces-verbaal van april 2000 en,

nota nemend van het voornemen van de Commissie, zoals is uiteengezet in haar besluit van 8 mei 2001, om een passend tijdelijk steunmechanisme voor te stellen, ONDERSTEUNT KRACHTIG het voornemen van de Commissie, zoals in genoemd besluit is uiteengezet, om een WTO-procedure in te leiden, indien uiterlijk op 30 juni 2001 nog geen oplossing met Korea tot stand is gekomen."

EBVB


- MEDEDELING VAN DE COMMISSIE GETITELD "BEËINDIGING VAN HET

EGKS-VERDRAG: FINANCIËLE ACTIVITEITEN NA 2002"

De Raad


- heeft de openstaande kwesties betreffende de financiële activiteiten na de beëindiging van het EGKS-Verdrag besproken;
- heeft het Comité van permanente vertegenwoordigers verzocht over dit dossier te rapporteren zodra het aan het verdrag van Nice gehechte "protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-verdrag en het beheer van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal" is geratificeerd en het advies van het Europees Parlement beschikbaar is.

Op 8 maart 2001 heeft de Commissie aan de Raad de mededeling "Beëindiging van het EGKS-Verdrag: financiële activiteiten na 2002" voorgelegd, waarin de onderstaande gewijzigde voorstellen zijn vervat, die zijn gebaseerd op het protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, dat aan het Verdrag van Nice is gehecht. De voorstellen kunnen daarom pas worden aangenomen wanneer het protocol bij het Verdrag van Nice, na bekrachtiging door alle lidstaten, in werking is getreden en het advies van het Europees Parlement bekend is:

- gewijzigd voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de bepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van het aan het Verdrag van Nice gehechte protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal;
- gewijzigd voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de financiële meerjarenrichtsnoeren voor het beheer van de activa van de EGKS in liquidatie en, wanneer de liquidatie is afgesloten, van de activa van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal;

- gewijzigd voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de technische meerjarenrichtsnoeren betreffende het onderzoekprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal.


- TOEZICHT INZAKE GEVALLEN VAN STEUNVERLENING AAN DE IJZER- EN

STAALINDUSTRIE EX ARTIKEL 95 VAN HET EGKS-VERDRAG - VIJFTIENDE VERSLAG

(MEI 2001)

De Raad heeft een presentatie door de Commissie gehoord van haar Vijftiende verslag over het toezicht inzake gevallen van steunverlening aan de ijzer- en staalindustrie ex artikel 95 van het EGKS-Verdrag .

CONCURRENTIEVERMOGEN EN ONDERNEMINGENBELEID IN DE EUROPESE UNIE


-VERVOLG VAN HET PROCES VAN LISSABON EN DE EUROPESE RAAD VAN STOCKHOLM


- RAADSCONCLUSIES

Het voorzitterschap is teruggekomen op de besprekingen die de ministers op maandag 14 mei tijdens het diner hebben gevoerd op basis van een nota van het voorzitterschap (ontwikkeling in de EU van een cultuur die de essentiële rol van ondernemerschap en ondernemers erkent). Daarna heeft de Raad nota genomen van de toelichting van commissaris LIIKANEN bij de follow-up van de conclusies van de Europese Raad van Lissabon en Stockholm op dit gebied.

Vervolgens heeft de Raad de volgende conclusies aangenomen:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

HERINNEREND AAN

de conclusies van de Europese Raad van Lissabon en van Stockholm inzake verdere actie op prioritaire gebieden teneinde van de EU de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken;

het actieplan e-Europa 2002 dat door de Europese Raad van Feira is onderschreven;

het meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) (2001-2005);

het Europees Handvest voor kleine ondernemingen;

ERKENT dat ondernemerschap, ICT en elektronische handel kernaspecten zijn van de nieuwe economie, die de productiviteit verhogen, nieuwe handelsmogelijkheden scheppen en een concurrentievoordeel bieden voor de Europese ondernemingen en ondernemers;

ERKENT het belang van het MKB als belangrijke bron voor de economische groei en de schepping van werkgelegenheid in de Europese Unie;

HERINNERT aan de speciale behoeften en problemen van het MKB waar het gaat om het gebruik maken van de gelegenheden die geboden worden door de ICT en de elektronische handel, en BENADRUKT de noodzaak voor het MKB zich volledig in te zetten voor dit proces;

ERKENT het belang van een gunstig regelgevend, financieel en technisch kader, met inbegrip van netwerkbeveiliging, interoperabiliteit van elektronische handel en optimaal gebruik van het systeem van intellectuele eigendom, en van een effectieve verspreiding van de resultaten van onderzoek en technologische ontwikkeling;

ERKENT het belang van een voldoende niveau van vaardigheid op het gebied van ICT en elektronische handel;

ERKENT de noodzaak voor het MKB effectief te kunnen profiteren van nationale programma's en van introductiemaatregelen in het kader van het jaarlijkse ICT-werkprogramma en de innovatieve acties van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling;

BESCHOUWT de mededeling van de Commissie "Het MKB helpen om digitaal te gaan werken" als een belangrijke bijdrage om het MKB te helpen zijn intrede te maken in de kenniseconomie of zijn deelname daaraan te verbeteren en JUICHT de in dat kader ontwikkelde initiatieven TOE;

VERZOEKT DE LIDSTATEN:


- de door de Commissie gelanceerde benchmarking van strategieën in verband met ICT en elektronische handel te ondersteunen als aanpak om beste praktijken vast te stellen en de veranderingen op nationaal, regionaal en lokaal niveau te bespoedigen;
- passende opleiding in voor ICT en elektronische handel noodzakelijke vaardigheden, alsmede het organiseren van conferenties en evenementen gericht op de bewustwording met betrekking tot de kansen die de elektronische handel biedt, waar passend in samenwerking met het bedrijfsleven, te bevorderen, teneinde het MKB te helpen om digitaal te gaan werken;
- aanbevelingen in te dienen voor nieuwe gebieden die kunnen worden opgenomen in het initiatief ter bevordering van het digitaal gaan werken;
VERZOEKT DE COMMISSIE:

- te meten in hoeverre de kansen van elektronische handel door de Europese ondernemingen, in het bijzonder het MKB, worden opgepakt, de economische en beleidsconsequenties voor wat betreft de impact op de economische structuren en markten te evalueren, en de resultaten daarvan te integreren in het ondernemingsbeleid en de scoreborden voor innovatie, rekening houdend met de werkzaamheden in het kader van het actieplan e-Europa 2002;
- bij het evalueren van alle communautaire beleidsmaatregelen, met inbegrip van de mededingingsregels, rekening te houden met de speciale behoeften en problemen van het MKB bij het benutten van de door ICT en elektronische handel geboden kansen, om in het bijzonder te zorgen voor netwerkbeveiliging, interoperabiliteit en een voor ieder gelijk mededingingsklimaat;

- de uitvoering van de acties om het MKB te helpen om digitaal te gaan werken, in nauwe samenwerking met de Groep ondernemingenbeleid te volgen;


- aan de Raad op gezette tijden verslag uit te brengen over de resultaten van deze initiatieven en de mate waarin de elektronische handel door Europese ondernemingen, in het bijzonder het MKB wordt opgepakt, alsmede over nieuwe actieterreinen in het kader van het initiatief "het MKB helpen om digitaal te gaan werken".

INTEGRATIE VAN DUURZAME ONTWIKKELING IN HET ONDERNEMINGENBELEID VAN DE

EUROPESE UNIE - CONCLUSIES VAN DE RAAD

De Raad heeft zijn conclusies aangenomen over een strategie voor de integratie van duurzame ontwikkeling in het ondernemingenbeleid, die aan de Europese Raad in Göteborg op 15-16 juni 2001 zullen worden voorgelegd:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

INDACHTIG


- het EG-Verdrag en inzonderheid de artikelen 2, 6 en 157;
- de conclusies van de Europese Raden van Cardiff, Wenen, Keulen en Helsinki betreffende de integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in alle beleidsterreinen van de Gemeenschap;
- de conclusies van de Europese Raden van Lissabon en Stockholm betreffende aanvullende maatregelen op prioritaire gebieden, teneinde van de EU de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang;

- de resolutie van de Raad over het voorzorgsbeginsel, die werd bekrachtigd door de Europese Raad van Nice;
- de conclusies van de Raad van 29 april 1999 ( 17) en het door de Raad op 9 november 1999 aangenomen verslag over integratie van duurzame ontwikkeling in het industriebeleid van de Europese Unie ( 18);

- de conclusies van de Raad van 29 juni 2000 ( 19) over de bevordering van duurzame ontwikkeling in de niet-energetische winningsindustrie van de Europese Unie;

- het meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) (2001-2005) ( 20);
- het Europees handvest voor kleine bedrijven ( 21);
BEVESTIGT zijn toezegging om, via een strategie die doelstellingen, een tijdschema voor aanvullende maatregelen en een reeks indicatoren omvat, duurzame ontwikkeling in het ondernemingenbeleid te integreren, en hierbij rekening te houden met de evaluatie van de vorderingen die de Europese Raad tijdens zijn voorjaarsbijeenkomst in 2002 zal verrichten;

BESCHOUWT de integratie van duurzame ontwikkeling als een uitdaging, maar BENADRUKT tegelijkertijd de mogelijkheden om innovaties te stimuleren en om nieuwe kansen en een concurrentievoordeel voor het Europese bedrijfsleven tot stand te brengen, met inachtneming van het feit dat het MKB daarbij moet worden betrokken;

ACHT het dringend noodzakelijk om de economische, sociale en milieuaspecten op evenwichtige wijze verder in het ondernemingenbeleid te integreren en om, wanneer beleidsmaatregelen ten aanzien van één bepaald aspect worden overwogen, te zorgen voor een doeltreffende coördinatie op communautair en nationaal niveau, teneinde de gevolgen daarvan voor de andere twee aspecten te evalueren en te verdisconteren;

BENADRUKT dat een duurzaam ondernemingenbeleid - op grond van de eerste doelstelling daarvan, namelijk het bevorderen van het concurrentievermogen van de Europese industrie in het kader van een kenniseconomie - gelet op het belang van stimulerende maatregelen voor OTO, innovatie en het oprichten van ondernemingen, waarbij de bijzondere behoeften en moeilijkheden van het MKB niet over het hoofd mogen worden gezien, ook aandacht moet besteden aan kwesties van bijzonder belang zoals:


- binnen de economische beleidsdimensie: het zorgen voor een goed functionerende interne markt en een solide, eenvoudig en voorspelbaar bestuursrechtelijk kader, met name om onderzoek, innovatie en ondernemerschap te bevorderen;
- binnen de sociale beleidsdimensie: het bevorderen van volledige werkgelegenheid, kwaliteitsonderwijs en -opleiding, levenslang leren, gelijke kansen op het werk en kwaliteit van het werk;
- binnen de milieubeleidsdimensie: het zesde milieuactieprogramma , klimaatverandering, afvalbeheer, duurzaam beleid ten aanzien van chemische stoffen, biologische diversiteit, efficiënt gebruik van natuurlijke rijkdommen, inzet van de beste beschikbare technologieën (BBT) en geïntegreerd productbeleid (GPB);

IS VAN OORDEEL


- dat een strategie ter integratie van duurzame ontwikkeling in het ondernemingenbeleid, waarin verschillende beleidsinstrumenten evenwichtig zijn verdeeld en rekening gehouden wordt met het feit dat zo'n strategie niet hoofdzakelijk op regelgeving kan stoelen, bij voorrang moet stoelen op markteconomische en vrijwillige benaderingen;

- dat bij de keuze van de maatregelen de volgende leidende beginselen moeten worden gehanteerd: kosteneffectiviteit, daadwerkelijk overleg met de betrokkenen en besluiten die zijn gebaseerd op het beste beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal en op nieuwe en verbeterde wetenschappelijke kennis;

- dat de beleidsmakers op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau derhalve moeten fungeren als katalysator in het kader van een dialoog met het bedrijfsleven en andere betrokkenen; VERZOEKT DE LIDSTATEN EN DE COMMISSIE, EN VERBINDT ZICH ERTOE


- bij het ontwerpen van beleidsmaatregelen op evenwichtige wijze rekening te houden met de drie aspecten van duurzame ontwikkeling; dit moet geschieden door een betere dialoog en hechtere samenwerking tussen degenen die het beleid op economisch, milieu- en sociaal gebied uitstippelen, alsmede door een geïntegreerde aanpak die aansluit bij de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en mededinging van de EU-industrie, en waarbij voorrang wordt gegeven aan markteconomische en vrijwillige benaderingen;

- bij het uitwerken van beleid en beleidsmaatregelen, de bijzondere behoeften en moeilijkheden van het MKB in aanmerking te nemen en te ondervangen;

VERZOEKT DE LIDSTATEN nog meer als katalysator te fungeren via een intensivering van de dialoog met het bedrijfsleven en andere betrokkenen over het gebruik, de ontwikkeling en verbetering van passende markteconomische en vrijwillige benaderingen en door de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken op nationaal niveau te bevorderen en te coördineren;

VERZOEKT DE COMMISSIE


- als katalysator te fungeren, met name door de kennis over en de bekwaamheid inzake duurzame oplossingen te verhogen, en de verspreiding van ervaring en beste praktijken onder de lidstaten te coördineren;

- in het bijzonder in het kader van de doelstellingen van het meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) (2001-2005), de integratie van duurzame ontwikkeling in het ondernemingenbeleid te bevorderen met gebruikmaking van de BEST-procedure en - als onderdeel van de rapportage in het kader van het meerjarenprogramma - om de twee jaar verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang; het eerste verslag wordt vóór eind 2002 verwacht;
- zoveel mogelijk gebruik te maken van markteconomische en vrijwillige benaderingen bij het ontwikkelen van beleidsmaatregelen die bijdragen tot de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling;

- met het oog op het toezicht op de integratie van duurzame ontwikkeling, indicatoren uit te werken die in een passend stadium zullen worden opgenomen in het scorebord van het ondernemingenbeleid;

- het punt integratie van duurzame ontwikkeling in het ondernemingenbeleid regelmatig op de agenda van de Groep ondernemingenbeleid te plaatsen, zulks gelet op de belangstelling van deze groep om de ontwikkeling en uitvoering van een strategie mee te coördineren en te bewaken;

VERBINDT ZICH ERTOE om, als regelmatig terugkerend punt op zijn agenda, de vorderingen die bij de integratie van duurzame ontwikkeling in het ondernemingenbeleid zijn geboekt, en met name de resultaten van de werkzaamheden in het kader van de BEST-procedure, te evalueren, en op die basis beleidsaanbevelingen op te stellen en de ontwikkeling van een strategie voort te zetten."

WITBOEK VAN DE COMMISSIE - STRATEGIE VOOR EEN TOEKOMSTIG BELEID VOOR

CHEMISCHE STOFFEN

Commissielid LIIKANEN heeft aan de Raad het Witboek van de Commissie - "Strategie voor een toekomstig beleid voor chemische stoffen" gepresenteerd, dat op 8 maart 2001 reeds werd gepresenteerd aan de Raad Milieu en op 12 maart 2001 aan de Raad Interne Markt/Consumentenzaken/Toerisme.

Vervolgens heeft de Raad van gedachten gewisseld over de met het bedrijfsleven en het concurrentievermogen verband houdende aspecten van deze strategie.

De voorzitter vatte deze gedachtewisseling als volgt samen:


- hoewel een groot aantal lidstaten dit Witboek verwelkomt, is verzocht bij de uitvoering van deze strategie met belangrijke aspecten rekening te houden. Het is meer bepaald van het grootste belang dat het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven ten opzichte van niet-EU-industrieën gevrijwaard wordt;
- andere belangrijke aspecten die in aanmerking moeten worden genomen zijn:

= kosteneffectiviteit en flexibiliteit wat de registratie en goedkeuring van chemische stoffen betreft,
= de noodzaak van een evenwichtige verdeling van de lasten over de chemische nijverheid stroomopwaarts en stroomafwaarts, = de noodzaak van inaanmerkingneming van de belangen van het midden- en kleinbedrijf,
= een vlotte inpassing van de strategie in de interne markt en de internationale handel,
= de totstandbrenging van een eenvoudig, duidelijk en transparant wetgevingskader, en
= volledige inaanmerkingneming van belangrijke stimulansen voor vernieuwing.

De voorzitter zal deze conclusies van het debat toezenden aan de voorzitter van de Raad Milieu.

De Commissie stelt in het Witboek voor, nieuwe en bestaande chemische stoffen te reguleren via een enkel geharmoniseerd systeem, genaamd REACH. De bestaande stoffen (d.w.z. stoffen die in september 1981 in de EU in gebruik waren), worden vóór 2012 geleidelijk in het systeem opgenomen. Alle stoffen waarvan meer dan 1 ton wordt geproduceerd of ingevoerd, worden in dit systeem verplicht geregistreerd. Stoffen waarvan meer dan 100 ton wordt geproduceerd of ingevoerd, worden automatisch onderworpen aan een evaluatie. Voor stoffen die aanleiding tot zeer veel zorg geven (die kankerverwekkend zijn, zich in het lichaam ophopen of het voortplantingsvermogen aantasten), komt er een stringentere regeling van voorafgaande vergunningen.

De Commissie stelt voor, de verantwoordelijkheid voor het testen en beoordelen van chemische stoffen in de toekomst bij de producenten en importeurs te leggen. De nationale autoriteiten beoordelen vervolgens de door de industrie verstrekte informatie.

Wat het beheer en de middelen betreft, stelt de Commissie een uitgebreid Europees Bureau voor chemische stoffen voor om het REACH-systeem te beheren. De besluitvorming wordt verdeeld over de lidstaten (risicoanalyse, bepaalde vergunningen) en de Gemeenschap (bepaalde vergunningen, risicobeheersstructuur). De kosten van het testen moeten worden gedragen door het bedrijfsleven, terwijl de beheerskosten voor het systeem zullen worden verhaald via een stelsel op basis van vergoedingen. De lidstaten zullen middelen moeten uittrekken voor de beoordeling van bestaande stoffen.

Het huidige systeem is tweesporig, en maakt onderscheid tussen bestaande stoffen die sedert september 1981 op de markt zijn, en nieuwe stoffen die na die datum op de markt zijn gebracht. Bestaande stoffen zijn niet onderworpen aan dezelfde test- en risicoanalyse-eisen als nieuwe stoffen. Daardoor is er een algemeen gebrek aan kennis omtrent eigenschappen en gebruik van bestaande stoffen. Bestaande stoffen maken meer dan 99% van de totale hoeveelheid van de op de markt zijnde stoffen uit; het huidige aantal bestaande stoffen die in hoeveelheden van meer dan 1 ton worden verhandeld, wordt geschat op 30.000, tegen zo'n 2.700 nieuwe stoffen.

De verdere grondige analyse van het Witboek zal voornamelijk door de Groep milieu worden verricht. Het is de bedoeling van het voorzitterschap dat de Raad Milieu in zijn zitting in juni conclusies over dit onderwerp aanneemt.

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

(Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen is verkrijgbaar bij de Persdienst.)

ENERGIE

Energy Star-overeenkomst

De Raad heeft het besluit aangenomen betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van de overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur ("Energy Star").

VISSERIJ

Technische maatregelen voor de instandhouding van de tonijn- en zwaardvisbestanden *

De Raad heeft de verordening aangenomen tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden (tonijn en zwaardvis).

Het voorstel heeft tot doel alle technische maatregelen die gelden voor over grote afstanden trekkende visbestanden in één regelgevende tekst samen te brengen om de inhoud van de maatregelen voor de betrokken operatoren toegankelijker en doorzichtiger te maken.

Veel van die technische maatregelen zijn het resultaat van de aanbevelingen van de regionale visserijorganisaties (RVO's) die bevoegd zijn voor de regelgeving voor de tonijnvangst en bepaalde aanverwante soorten zoals zwaardvis. De drie RVO's voor tonijn die het meest van belang zijn voor de vaartuigen uit de Gemeenschap zijn


- de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijn in de Atlantische Oceaan (ICCAT),


- de Commissie voor tonijn in de Indische Oceaan (IOTC),

- de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC).
De Gemeenschap is als overeenkomstsluitende partij bij de ICCAT en de IOTC verplicht de aanbevelingen van die organisaties in Gemeenschapsrecht om te zetten. Hoewel de Gemeenschap nog geen partij is bij de IATTC, voert zij de aanbevelingen van die organisatie reeds uit op grond van de algemene verplichting tot samenwerking krachtens het Verdrag inzake het recht van de zee.

Financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitvoering van bepaalde beheersmaatregelen met betrekking tot over grote afstanden trekkende visbestanden *

De Raad heeft de beschikking aangenomen betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in sommige uitgaven voor de uitvoering van bepaalde beheersmaatregelen met betrekking tot over grote afstanden trekkende visbestanden.

Deze beschikking vormt een aanvulling op de verordening tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van de tonijn- en zwaardvisbestanden. Om te garanderen dat de instandhoudingsmaatregelen in acht worden genomen, moeten waarnemers aan boord van de communautaire vaartuigen worden ingezet. Deze beschikking bepaalt dat de Gemeenschap voor maximaal 50% kan bijdragen in de financiering van de uitgaven van de lidstaten die aan het inzetten van deze waarnemers verbonden zijn

VOLKSGEZONDHEID

Richtlijn betreffende de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten *

Nadat het Europees Parlement en de Raad op 27 februari ll. in het Bemiddelingscomité overeenstemming hadden bereikt, heeft de Raad de richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten aangenomen, waarbij de Oostenrijkse, de Duitse en de Luxemburgse delegatie zich van stemming onthielden (zie Mededeling aan de Pers van 28 februari 2001, doc. 6515/01 (Presse 70 - G).

INTERNE MARKT

Besluit betreffende de reminrichting van personenwagens

De Raad heeft het besluit aangenomen inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot Reglement nr. 13-H van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (ECE) betreffende de goedkeuring van personenwagens voor wat betreft de reminrichting.

Dit reglement heeft tot doel de technische handelsbelemmeringen voor motorvoertuigen voor wat betreft de reminrichting tussen de partijen bij de herziene overeenkomst van 1958 van de ECE weg te nemen en terzelfder tijd een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming te garanderen.

EG/EVA

Gemengde Commissie "Gemeenschappelijk douanevervoer"

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt aangenomen met het oog op de aanneming van Besluit nr. 1/2001 van de Gemengde Commissie EG/EVA "Gemeenschappelijk douanevervoer" tot wijziging van de Overeenkomst van 20 mei 1987 betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer.

Dit ontwerp-besluit maakt deel uit van de inspanningen om het wettelijk kader voor het geautomatiseerde systeem voor douanevervoer bij te werken en verder te ontwikkelen, teneinde ervoor te zorgen dat een volledig geautomatiseerd systeem tot stand wordt gebracht waarvan de werking betrouwbaar en homogeen is.

MILIEU


- POP-verdrag - ondertekening

De Raad heeft een besluit aangenomen inzake de ondertekening namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP). Het Verdrag zal worden ondertekend tijdens de conferentie van gevolmachtigden in Stockholm op 21-23 mei 2001. De tekst van het verdrag is aan het besluit gehecht.

De onderhandelingen over een internationaal juridisch bindend instrument om het probleem van persistente organische verontreinigende stoffen aan te pakken, werden gevoerd onder de auspiciën van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP). Uiteindelijk werd op 10 december 2000 in Johannesburg overeenstemming bereikt. In Stockholm zal het verdrag formeel worden aangenomen en ter ondertekening worden opengesteld.

Het POP-verdrag biedt een kader, dat gebaseerd is op het voorzorgsbeginsel, om ervoor te zorgen dat de eerste 12 persistente organische verontreinigende stoffen met prioriteit veilig worden geëlimineerd en voortdurend tot een minimum worden beperkt. Het gaat onder meer om gevaarlijke stoffen zoals PBC's, DDT, dioxinen en furanen. Het verdrag zal de partijen in de toekomst in staat stellen aan de hand van erkende criteria andere stoffen voor internationale maatregelen aan te wijzen.

Persistente organische verontreinigende stoffen zijn chemische stoffen of bijproducten die een schadelijk effect hebben op de gezondheid van de mens en op het milieu omdat zij zich in het menselijk lichaam en in de voedselketen opstapelen. Zij worden gebruikt als bestrijdingsmiddelen en in de industrie, maar ontstaan bij verbranding en andere industriële processen ook onbedoeld als bijproducten.

WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID

Wijziging van Verordening nr. 1408/71 - toepassing van de socialezekerheidsregelingen op migrerende werknemers

De Raad heeft in Verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, wijzigingen aangebracht voor de jaren 1999 en 2000. Doel is de communautaire verordening bij te werken teneinde rekening te houden met de wijzigingen die de lidstaten in hun socialezekerheidswetgeving hebben aangebracht.

De Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid had in zijn zitting van 6 maart 2001 reeds overeenstemming bereikt en verklaard dat hij alle door het Europees Parlement in eerste lezing aangenomen amendementen kon aanvaarden.

CULTUUR

Uitvoer van cultuurgoederen - voorbereiding op de euro

De Raad heeft de verordening betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (Verordening (EEG) nr. 3911/92) gewijzigd. De in de bijlage aangebrachte wijzigingen hebben betrekking op de waarden van de geldende drempels, die tot dusver in ecu's uitgedrukt waren, en beogen de verordening bij te werken wat het gebruik van de juiste omrekeningskoersen betreft met het oog op de voorbereiding van de overgang naar de euro.

Teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht - voorbereiding op de euro

De Raad heeft de richtlijn betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (Richtlijn 93/7/EEG), gewijzigd. De in de bijlage aangebrachte wijzigingen hebben betrekking op de waarden van de geldende drempels, die tot dusver in ecu's uitgedrukt waren, en beogen de verordening bij te werken wat het gebruik van de juiste omrekeningskoersen betreft met het oog op de voorbereiding van de overgang naar de euro.



Footnotes:

( 1)
PB C 224 van 1.8.1996.

( 2) Doc. 5619/01 ENER 4 ATO 4 ENV 38 IND 2 RELEX 11.

( 3) doc. 13773/99 ENER 140 ENV 426.

( 4) doc. 5619/01 ENER 4 ATO 4 ENV 38 IND 2 RELEX 111.

( 5) doc. 5771/01 ENV 47 SAN 12 ENT 13 ENER 5 TRANS 7 AGRI 14 PECOS 32 FIN 22 SOC 38.

( 6) doc. 6914/00 ENV 64 ENER 13.

( 7) doc. 6915/00 ENV 65 ENER 14.

( 8) SEC(2001) 517.

( 9) doc. 8136/00 ENER 23 ENV 146 TRANS 62 IND 28.

( 10) Zie doc. SN 100/01, in het bijzonder punt 50.

( 11) Zie het verslag van de Raad (Ecofin) aan de Europese Raad in Nice over milieu en duurzame ontwikkeling (doc. 13054/1/00).

( 12) Documenten 8835/00 (Presse 186) en 14000/00 (Presse 466).

( 13) doc. 13878/00 ENER 106 ENV 433 TRANS 192 IND 52. ( 14) doc. 11919/99 - COM(1999) 474 def.

doc. 8304/00 - COM(2000) 263 def.

doc. 13549/00 - COM(2000) 730 def.

( 15) PB L 202 van 18.7.1998, blz. 1.

( 16) doc. 8500/01 - COM(2001) 219 def.

( 17) Doc. 7792/99.

( 18) Doc. 12651/1/99 REV 1.

( 19) Doc. 9548/00.

( 20) PB L 333 van 29.12.2000, blz. 84.

( 21) Doc. 9274/00.


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie