Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad Justitie Binnenlandse zaken 28-05-01

Datum nieuwsfeit: 28-05-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: European Union
Zoek soortgelijke berichten
European Union

2350. Raad - JUSTITIE BINNENLANDSE ZAKEN CIVIELE BESCHERMING Press Release: Brussels (28-05-2001) - Press: 203 - Nr: 9118/01


Photo EU - Council
Mrs Maj-Inger KLINGVALL Minister for Development Cooperation Migration and Asylum Policy of Sweden (l); Mr Thomas BODSTRÖM Minister for Justice of Sweden
Photo EU - Council
Mrs Maj-Inger KLINGVALL and Mr Thomas BODSTRÖM in the margins of the Council meeting

9118/01 (Presse 203)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2350e zitting van de Raad


- JUSTITIE, BINNENLANDSE ZAKEN EN CIVIELE BESCHERMING -

Brussel, 28 en 29 mei 2001

Voorzitter:

de heer Thomas BODSTRÖM

minister van Justitie

mevrouw Maj-Inger KLINGVALL

minister van Ontwikkelingssamenwerking,

Migratie en Asielbeleid

van het Koninkrijk Zweden

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

PROTOCOL BIJ DE OVEREENKOMST VAN 2000 BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE

RECHTSHULP IN STRAFZAKEN TUSSEN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE


*

KADERBESLUIT VAN DE RAAD INZAKE DE BESTRIJDING VAN MENSENHANDEL


*

SAMENWERKING TUSSEN DE GERECHTEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE

OP HET GEBIED VAN BEWIJSVERKRIJGING IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN


*

START VAN DE ONDERHANDELINGEN, IN HET KADER VAN DE HAAGSE CONFERENTIE,

OVER EEN WERELDWIJD VERDRAG INZAKE DE BEVOEGDHEID EN DE ERKENNING EN

TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN


*

TIJDELIJKE BESCHERMING IN GEVAL VAN MASSALE TOESTROOM VAN ONTHEEMDEN

DIE INTERNATIONALE BESCHERMING BEHOEVEN

*

RECHT OP GEZINSHERENIGING

*

BESCHERMING VAN DE EURO

*


-
BESCHERMING VAN DE EURO TEGEN VALSEMUNTERIJ *


-
ROL VAN EUROPOL OP HET GEBIED VAN DE BESCHERMING VAN DE EURO -

CONCLUSIES *

BEGINSELEN VOOR DE FINANCIERING VAN SIS II - CONCLUSIES


*

DIVERSEN

*


-
INITIATIEF VAN GRIEKENLAND - EUROPEES WAARNEMINGSCENTRUM VOOR

MIGRATIE *

-
EUROPOL-OVEREENKOMSTEN MET NOORWEGEN, IJSLAND EN INTERPOL *


-
VERDWIJNING EN SEKSUELE UITBUITING VAN KINDEREN *

TIJDENS DE LUNCH BESPROKEN PUNTEN

*


-
BESCHERMING VAN DE FINANCIËLE BELANGEN VAN DE GEMEENSCHAP *


-
BIJWERKING VAN HET JBZ-SCOREBORD *

-
UITBREIDING *

GEMENGD COMITÉ

PROTOCOL BIJ DE OVEREENKOMST VAN 2000 BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE

RECHTSHULP IN STRAFZAKEN TUSSEN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE


*

HULP BIJ ILLEGALE BINNENKOMST, ILLEGAAL VERKEER EN ILLEGAAL VERBLIJF

EN VERSTERKING VAN HET STRAFRECHTELIJK KADER VOOR DE BESTRIJDING VAN

DE HULP BIJ ILLEGALE BINNENKOMST EN ILLEGAAL VERBLIJF


*

AANSPRAKELIJKHEID VAN VERVOERDERS - RICHTLIJN VAN DE RAAD TOT

AANVULLING VAN HET BEPAALDE IN ARTIKEL 26 VAN DE OVEREENKOMST TER

UITVOERING VAN HET AKKOORD VAN SCHENGEN VAN 14 JUNI 1985


*

ILLEGALE IMMIGRATIE VIA DE WESTELIJKE BALKAN

*

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

*

* Illegale migratiestromen door de Westelijke Balkan - Conclusies *
* Plaatselijke consulaire samenwerking *

* Onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen * *

* Controle van minderjarigen aan de buitengrenzen van de lidstaten - Conclusies *

* Visa *

* - Vrij verkeer met een visum voor verblijf van langere duur * *
* - Gemeenschappelijke Visuminstructie - visa voor verblijf van langere duur die tevens gelden als visa voor kort verblijf *
* Asiel en migratie - Voortgangsverslag over de activiteiten tijdens het Zweedse voorzitterschap *

* Asiel en migratie - conclusies betreffende gemeenschappelijke analyse en statistieken *

* Wederzijdse rechtshulp in strafzaken *

* DNA - Resolutie *

* Fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten *

* Europol *

* - Begroting voor 2002 *

* - Jaarverslag *

* Internationale high-tech- en computercriminaliteit - Aanbeveling *
* Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie *
* Drugs *

* - Toezending van monsters van stoffen die onder toezicht staan *
* - Synthetische verdovende middelen *

* Schengen - voortzetting van de evaluatie- en toepassingswerkzaamheden *

* Europees Justitieel Netwerk in burgerlijke en handelszaken *
* Civiele bescherming *

HANDELSVRAAGSTUKKEN

*

* WTO-EU-Argentinië *

LANDBOUW

*

* Verlenging van de Internationale Suikerovereenkomst (1992) *
* Internationale Graanraad *



Voor meer informatie: tel. 02 285 84 15 - 02 285 81 11

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België:

de heer Marc VERWILGHEN

minister van Justitie

de heer Antoine DUQUESNE

minister van Binnenlandse Zaken

Denemarken
:

de heer Frank JENSEN

minister van Justitie

mevrouw Karen JESPERSEN

minister van Binnenlandse Zaken

Duitsland
:

mevrouw Herta DÄUBLER-GMELIN

minister van Justitie

de heer Otto SCHILY

minister van Binnenlandse Zaken

Griekenland
:

de heer Michalis STATHOPOULOS

minister van Justitie

de heer Michalis CHRISOCHOÏDIS

minister van Openbare Orde

Spanje
:

de heer Mariano RAJOY BREY

eerste vice-minister-president en minister van Binnenlandse Zaken

Frankrijk
:

de heer Daniel VAILLANT

minister van Binnenlandse Zaken

de heer Christian PAUL

staatssecretaris van Overzeese Gebiedsdelen

Ierland
:

Mevrouw Mary WALLACE

onderminister van Justitie, Rechtsgelijkheid en Hervorming van het Recht (belast met Rechtsgelijkheid en Gehandicaptenzorg)

Italië
:

de heer Enzo BIANCO

minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de coördinatie van de civiele bescherming

Luxemburg
:

de heer Luc FRIEDEN

minister van Justitie

Nederland
:

de heer Benk KORTHALS

minister van Justitie

Mevrouw Ella KALSBEEK

staatssecretaris van Justitie

Oostenrijk
:

de heer Dieter BÖHMDORFER

minister van Justitie

Portugal
:

de heer António COSTA

minister van Justitie

de heer Nuno TEIXEIRA

minister van Binnenlandse Zaken

Finland
:

de heer Johannes KOSKINEN

minister van Justitie

de heer Vile ITÄLÄ

minister van Binnenlandse Zaken

Zweden
:

de heer Thomas BODSTRÖM

minister van Justitie

mevrouw Maj-Inger KLINGVALL

minister van Ontwikkelingssamenwerking, Migratie en Asielbeleid

Verenigd Koninkrijk:

de heer Jack STRAW

minister van Binnenlandse Zaken

mevrouw Barbara ROCHE

onderminister van Binnenlandse Zaken


* * *

Commissie
:

de heer António VITORINO

lid

mevrouw Michaele SCHREYER

lid


* * *

Namen ook deel in het Gemengd Comité

IJsland
:

de heer Gunnar Snorri GUNNARSSON

buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur, hoofd van de Missie

Noorwegen
:

de heer Oystein MOLAND

staatssecretaris van Justitie

PROTOCOL BIJ DE OVEREENKOMST VAN 2000 BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE

RECHTSHULP IN STRAFZAKEN TUSSEN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE

Na een grondige bespreking van de nog onopgeloste problemen in verband met het protocol bij de Overeenkomst van 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, heeft de Raad over deze tekst een politiek akkoord bereikt op basis van een compromisvoorstel dat door het voorzitterschap ter zitting aan de Raad is voorgelegd.

Het protocol verplicht de lidstaten de maatregelen te nemen die nodig zijn om naar aanleiding van een door een andere lidstaat gedaan verzoek vast te kunnen stellen of een natuurlijke of rechtspersoon tegen wie een strafrechtelijke procedure is ingesteld, één of meer rekeningen bezit of controleert bij een bank op zijn grondgebied en om, indien zulks het geval is, alle nadere gegevens over de betrokken rekeningen te kunnen verstrekken.

Deze verplichting geldt alleen wanneer het onderzoek een delict betreft dat in de verzoekende staat strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste vier jaar, en in de aangezochte staat met een gevangenisstraf van ten minste twee jaar, of wanneer het gaat om een delict dat valt onder de Europol-overeenkomst en de bijlage ervan, of onder de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 1995 en de bijbehorende protocollen van 1996 en 1997.

De verzoeken moeten nadere specificaties bevatten ten aanzien van het bijzondere belang van de gevraagde informatie, het vermoeden van het bestaan van de rekening en de mogelijkerwijs betrokken bank, alsmede de informatie die de uitvoering van het verzoek kan vergemakkelijken.

De aangezochte lidstaat verstrekt desgevraagd ook informatie over in een bepaald tijdvak op één of meer rekeningen uitgevoerde bankverrichtingen of plaatst de rekening of rekeningen via welke een bankverrichting is uitgevoerd, onder toezicht en deelt zijn bevindingen mee aan de verzoekende lidstaat. De beslissing om een bankrekening onder toezicht te plaatsen, wordt door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat genomen overeenkomstig het nationale recht van deze lidstaat.

Iedere lidstaat doet het nodige om de vertrouwelijkheid van de toezichtoperaties ten aanzien van derden te waarborgen. De lidstaten mogen zich niet beroepen op het bankgeheim om een rechtshulpverzoek te weigeren.

Rechtshulp kan evenmin worden geweigerd louter omdat het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat door de aangezochte lidstaat als een fiscaal delict wordt beschouwd. In het kader van de wederzijdse rechtshulp tussen lidstaten kan een verzoek om rechtshulp niet worden geweigerd louter omdat het strafbaar feit een politiek misdrijf, een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven is. De lidstaten kunnen evenwel beslissen deze bepaling alleen te laten gelden voor een aantal in het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977 genoemde delicten.

Indien een verzoek wordt afgewezen op grond van bepaalde in het protocol genoemde bepalingen - en de verzoekende lidstaat bij zijn verzoek blijft - wordt een met redenen omklede afwijzingsbeslissing ter kennisneming toegezonden aan de Raad, zodat het functioneren van de justitiële samenwerking binnen de lidstaten eventueel kan worden geëvalueerd. Als weigeringsgronden gelden in de eerste plaats de in artikel 2, onder b), van het Europees Rechtshulpverdrag opgesomde weigeringsgronden (soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen) en in de tweede plaats de in artikel 5 van dat Verdrag, in artikel 51 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en in artikel 5, lid 5, van het ontwerp-protocol opgesomde weigeringsgronden (dubbele strafbaarheid en verenigbaarheid met de nationale wetgeving betreffende opsporing en inbeslagneming). In dit verband dient te worden opgemerkt dat een bepaling die tot doel had het vereiste van dubbele strafbaarheid te schrappen, voor opsporing en inbeslagneming is komen te vervallen. De Raad kwam overeen dat hij de gevallen van weigering van rechtshulpverzoeken twee jaar na de inwerkingtreding van het protocol zal onderzoeken, en dat hij zich daarbij met name zal buigen over het vereiste van dubbele strafbaarheid voor verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming.

Voorts kunnen na de oprichting van Eurojust alle problemen die zich bij de uitvoering van een verzoek voordoen, aan Eurojust worden voorgelegd met het oog op een mogelijke praktische oplossing.

KADERBESLUIT VAN DE RAAD INZAKE DE BESTRIJDING VAN MENSENHANDEL

De Raad bereikte een politiek akkoord over de voornaamste elementen van een ontwerp-kaderbesluit inzake de bestrijding van mensenhandel; met uitzondering van de zwaarte van de penale sancties voor deze delicten.

In het licht van de besprekingen verzocht de Raad het Comité van permanente vertegenwoordigers de vraag hoe zwaar de penale sancties voor delicten in verband met mensenhandel moeten zijn verder te bespreken om daarover zo spoedig mogelijk tot overeenstemming te komen.

Tegen de achtergrond van de besprekingen over de penale sancties waarin het ontwerp-kaderbesluit zou moeten voorzien hield de Raad een algemene gedachtewisseling over twee horizontale problemen, namelijk de vraag in hoeverre onderlinge aanpassing van het nationaal strafrecht überhaupt vereist is en de vraag welke methode zou moeten worden gevolgd. Doel van de bespreking was overeenstemming te bereiken over de algemene richtsnoeren voor de toepassing van artikel 31, onder e), van het VEU en de uitvoering van conclusie nr. 48 van de Europese Raad van Tampere.

Uit de besprekingen van de ministers kwam naar voren dat de onderlinge aanpassing van het strafrecht van de lidstaten voor bepaalde soorten delicten wellicht noodzakelijk is, maar dat daarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de nationale stelsels. Geconcludeerd werd dat deze algemene bespreking niet mag leiden tot vertraging bij de behandeling van het ontwerp-kaderbesluit inzake de bestrijding van mensenhandel of andere voorstellen die de Europese Raad als prioritair heeft aangemerkt.

De Raad verzocht het Comité van permanente vertegenwoordigers en de betrokken groepen deze kwestie verder te bestuderen.

SAMENWERKING TUSSEN DE GERECHTEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE

OP HET GEBIED VAN BEWIJSVERKRIJGING IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN

De Raad nam een verordening aan betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken. Deze verordening zal een belangrijke rol spelen bij het verbeteren en vergemakkelijken van de grensoverschrijdende geschillenbeslechting.

De verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken waarin een gerecht van een lidstaat, overeenkomstig zijn nationale wet, het bevoegde gerecht van een andere lidstaat verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten of een dergelijke handeling rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten.

De verordening bevat bepalingen met een gedetailleerde beschrijving van de procedure voor het doorgeven en uitvoeren van verzoeken; de tekst bevat voorschriften ten aanzien van onder andere vorm en inhoud van het verzoek, taal, verzending van verzoeken en van overige kennisgevingen, algemene bepalingen betreffende de uitvoering van het verzoek (binnen 90 dagen), dwangmaatregelen, weigering van uitvoering, kennisgeving van vertraging, rechtstreekse bewijsverkrijging door het verzoekende gerecht en kosten.

De verordening voorziet met name in een nieuw mechanisme waarmee een verzoekende lidstaat de handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks kan verrichten overeenkomstig de eigen wetgeving. De aangezochte lidstaat dient evenwel te laten weten of dit aanvaardbaar is en eventueel onder welke voorwaarden de bewijsverkrijging dient te verlopen. De bevoegde autoriteit kan rechtstreekse bewijsverkrijging weigeren indien deze in strijd is met de fundamentele rechtsbeginselen van haar land.

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland deelden mee dat zij aan de aanneming en toepassing van deze verordening deelnemen overeenkomstig het relevante, aan het VEU gehechte protocol. Overeenkomstig het aan het VEG en het VEU gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken neemt Denemarken niet aan de aanneming van deze verordening deel, zodat deze niet bindend is voor, of van toepassing in Denemarken.

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2001. Zij wordt van kracht op 1 januari 2004, met uitzondering van de artikelen 19, 21 en 22, die op 1 juli 2001 van kracht worden.

START VAN DE ONDERHANDELINGEN, IN HET KADER VAN DE HAAGSE CONFERENTIE,

OVER EEN WERELDWIJD VERDRAG INZAKE DE BEVOEGDHEID EN DE ERKENNING EN

TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN

De Raad bevestigde het akkoord dat door zijn voorbereidende instanties is bereikt en nam een beschikking aan betreffende de start van de onderhandelingen, in het kader van de Haagse Conferentie, over een wereldwijd verdrag inzake de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Deze beschikking biedt de Europese Gemeenschap de mogelijkheid een gemeenschappelijk onderhandelingsstandpunt voor te leggen tijdens het eerste deel van de diplomatieke zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht (Commissie II), van 6 tot 20 juni 2001 in Den Haag. Doel is te komen tot een evenwichtige, nuttige en voor de partijen en de rechterlijke instanties werkbare tekst.

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland herinnerden eraan dat zij aan de uitvoering van deze beschikking zullen deelnemen, terwijl Denemarken, overeenkomstig de bepalingen van het protocol over de positie van Denemarken met betrekking tot justitie en binnenlandse zaken, niet deelneemt aan de uitvoering van deze beschikking.

In dit verband nam de Raad nota van een door het Comité van permanente vertegenwoordigers overeengekomen verklaring over de betrekkingen met de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht in verband met de nieuwe bevoegdheden van de Gemeenschap op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken, die voor de Gemeenschap aanleiding is om haar status binnen de Conferentie opnieuw te bezien en de mogelijkheid van deelneming als volledig gerechtigde partner te overwegen. Het ligt in de bedoeling dat deze verklaring wordt afgelegd op de 19e zitting van de Commissie II, op 21 en 22 juni 2001.

TIJDELIJKE BESCHERMING IN GEVAL VAN MASSALE TOESTROOM VAN ONTHEEMDEN

DIE INTERNATIONALE BESCHERMING BEHOEVEN

De Raad bereikte een politiek akkoord over een ontwerp-richtlijn betreffende tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden die internationale bescherming behoeven. De ontwerp-tekst zal, na bijwerking, vóór eind juni aan de Raad worden voorgelegd om formeel te worden aangenomen.

Deze richtlijn voorziet in:

* minimumnormen met het oog op een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten voor het opvangen van vluchtelingen en ontheemden;

* een maximumduur van de tijdelijke beschermingsregelingen;
De tekst voorziet in een duur van één jaar, met de mogelijkheid van twee automatische verlengingen met zes maanden. Indien tijdelijke bescherming nodig blijft, kan de Raad besluiten tot een verdere verlenging met maximaal één jaar;


* onmiddellijke bescherming zodra de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen heeft bepaald dat er sprake is van een massale toestroom; ook een besluit tot verlenging van de duur van de tijdelijke bescherming moet met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden genomen;

* de verplichtingen van de lidstaten inzake
= de rechten die aan de ontvangers van tijdelijke bescherming moeten worden verleend, met name recht op werk, huisvesting, dringende medische hulp, onderwijs en gezinshereniging; = mechanismen voor de toegang tot de asielprocedure; = maatregelen voor de terugkeer na afloop van de tijdelijke bescherming;


* een solidariteitsmechanisme op basis van het beginsel van dubbele vrijwilligheid (instemming van zowel de personen die tijdelijke bescherming genieten als van de lidstaat die hen opvangt). In dit verband moeten de lidstaten, wanneer tijdelijke bescherming wordt geboden, hun opvangcapaciteit aangeven met het oog op overbrenging naar een lidstaat of van de ene naar de andere lidstaat.

Voorts nam de Raad een verklaring aan waarin de klemtoon wordt gelegd op solidariteit tussen de lidstaten bij het verlenen van tijdelijke bescherming. Wanneer een lidstaat uit hoofde van artikel 25 van de ontwerp-richtlijn zijn opvangcapaciteit aangeeft, deelt hij tevens mee dat hij bereid en in staat is om dienovereenkomstig te handelen. Hij mag bij de opgave van de opvangcapaciteit rekening houden met het aantal onderdanen van derde landen dat reeds internationale bescherming heeft gezocht of anderszins kort geleden op zijn grondgebied is aangekomen.

Gememoreerd wordt dat de Raadsinstanties, uit hoofde van titel VI van het Verdrag van Maastricht, de tekst van een ontwerp-gemeenschappelijk optreden op dit gebied uitvoerig hebben besproken, maar geen consensus hebben kunnen bereiken, voornamelijk omdat volgens een aantal delegaties een en ander niet los kan worden gezien van het vraagstuk van de lastenverdeling. Het politiek akkoord over de ontwerp-richtlijn is de bekroning van zes jaar werk.

RECHT OP GEZINSHERENIGING

De Raad wijdde een algemene bespreking aan de beginselen betreffende een ontwerp-richtlijn inzake gezinshereniging, en ging daarbij met name in op problemen in verband met de werkingssfeer van de voorgestelde definitie van onder de richtlijn vallende gezinsleden - en bepaalde termijnen voor de rechten en verplichtingen van personen die het recht op gezinshereniging genieten en hun gezinsherenigers.

De Raad nam er nota van dat er nog enkele onopgeloste vraagstukken overblijven die verder moeten worden besproken om tot algehele overeenstemming over de tekst te kunnen komen.

BESCHERMING VAN DE EURO

* BESCHERMING VAN DE EURO TEGEN VALSEMUNTERIJ

De Raad bereikte overeenstemming over de inhoud van een ontwerp-besluit inzake de bescherming van de euro tegen valsemunterij en bevestigde de instemming van het Comite van permanente vertegenwoordigers met de hernieuwde raadpleging van het Europees Parlement. In dat verband nam de Raad ook conclusies aan betreffende de rol van Europol bij de bescherming van de euro. Voorts was de Raad het erover eens dat de inhoud van artikel 5 van het huidige ontwerp-besluit, dat betrekking heeft op de recidive, uit het ontwerp-besluit moet worden gelicht, zodat het zo spoedig mogelijk in de vorm van een kaderbesluit kan worden aangenomen. Een dergelijk instrument wordt beter geschikt geacht voor de behandeling van kwesties in verband met penale sancties. Derhalve kondigde het voorzitterschap aan dat het binnenkort een ontwerp-kaderbesluit zal presenteren dat inhoudelijk overeenkomt met artikel 5.
Het ontwerp-besluit bevat bepalingen over de analyse van bankbiljetten en muntstukken en over de uitwisseling van informatie over de resultaten van deze analyse, alsmede informatie over onderzoeken naar strafbare feiten in verband met eurovalsemunterij. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de informatie over deze onderzoeken overeenkomstig de Europol-Overeenkomst aan Europol wordt toegezonden. Het ontwerp-besluit bepaalt ook dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in voorkomend geval gebruik moeten maken van de faciliteiten van het voorlopig justitieel samenwerkingsteam en vervolgens van de samenwerkingsfaciliteiten van Eurojust, wanneer dat is ingesteld.
Zoals bekend houdt het ontwerp-besluit verband met de ontwerp-verordening van de Raad tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij en met de ontwerp-verordening van de Raad houdende uitbreiding van de werking van deze verordening. In zijn zitting van 12 februari 2001 heeft de Raad (ECOFIN) overeenstemming bereikt over een standpunt ten aanzien van de beide ontwerp-verordeningen. Het Europees Parlement heeft op 3 mei 2001 zijn advies gegeven over beide teksten.
Tevens wordt eraan herinnerd dat de Raad op 29 mei 2000 een kaderbesluit heeft aangenomen tot versterking, door middel van strafrechtelijke en andere sancties, van de bescherming tegen valsemunterij in verband met het in omloop brengen van de euro.


* ROL VAN EUROPOL OP HET GEBIED VAN DE BESCHERMING VAN DE EURO -

CONCLUSIES

Om de rechtsbescherming van eurobankbiljetten en munten te vergroten, komt de Raad overeen dat de uitwisseling van zowel technische als strategische en operationele gegevens over eurovalsemunterij in de hand moet worden gewerkt.
Te dien einde zou Europol in het kader van het op 29 april 1999 verleende mandaat op het gebied van de bestrijding van valsemunterij en vervalsing van betaalmiddelen en conform de bepalingen van de Europol-Overeenkomst:

zijn faciliteiten ter beschikking moeten stellen om doeltreffende en permanente uitwisselingen te garanderen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, en vooral de nationale centrale bureaus, bij de uitoefening van hun opdrachten inzake preventie en bestrijding van eurovalsemunterij, alsmede om die autoriteiten zo snel mogelijk te kunnen waarschuwen;
de lidstaten de op basis van zijn toezicht op eurovalsemunterij verzamelde informatie, en de Europese Centrale Bank en de Commissie (OLAF) strategische verslagen en informatie moeten toezenden, overeenkomstig de tussen Europol en de Europese Centrale Bank en tussen Europol en de Commissie te sluiten overeenkomsten. Die informatie dient met name voor elk type valsemunterij de geografische locatie en de gebruikte werkwijze te vermelden;
de lidstaten op verzoek of op eigen initiatief de nodige bijstand moeten verlenen bij de uitoefening van hun opdrachten inzake preventie en bestrijding van eurovalsemunterij; moeten samenwerken met de Europese Centrale Bank en met de Commissie (OLAF), in het kader van hun respectieve bevoegdheden op het gebied van de bestrijding van eurovalsemunterij.

De Raad is verheugd dat er een begin is gemaakt met de onderhandelingen over overeenkomsten tussen Europol en de Commissie (OLAF), en tussen Europol en de Europese Centrale Bank, alsmede over een samenwerkingsovereenkomst met Interpol, om de uitwisseling van gegevens en samenwerking en coördinatie tot stand te brengen.

De Raad verzoekt Europol derhalve de nodige maatregelen te nemen om bovengenoemde taken uit te voeren en tijdig de bedoelde overeenkomsten te sluiten.

De Raad verzoekt Europol hem regelmatig te informeren over de activiteiten van Europol op het gebied van de bestrijding van eurovalsemunterij.

BEGINSELEN VOOR DE FINANCIERING VAN SIS II - CONCLUSIES

De Raad nam er nota van dat moet worden voortgegaan met de ontwikkeling van de tweede generatie van SIS ("SIS II"), vooral met het oog op de voorbereiding van de integratie van de toekomstige lidstaten in het systeem; hij beklemtoonde dat deze ontwikkeling de allerhoogste prioriteit moet krijgen, zodat SIS II zo spoedig mogelijk gereed is.

De Raad erkende dat er een besluit dient te worden genomen over de financiering van de ontwikkeling van SIS II en constateerde dat de leden van de Raad niet unaniem bereid zijn om SIS II met intergouvernementele middelen te financieren en dat de uitgaven voor SIS II derhalve vanaf 2002 voor rekening van de begroting van de Europese Gemeenschappen zullen komen. De Raad verzocht de bevoegde instanties derhalve werk te maken van de nodige krediettoewijzingen in de ontwerp-begroting voor 2002, en tevens de nodige rechtsinstrumenten voor te bereiden om de uitgaven voor de ontwikkeling van SIS II vanaf 2002 te kunnen effectueren.

De Raad droeg het Comité van permanente vertegenwoordigers op de noodzakelijke coördinatie binnen de Raad inzake de verschillende aspecten van de ontwikkeling van SIS II te verzorgen en in het bijzonder te garanderen dat de nationale autoriteiten bij het proces betrokken worden, dat de nodige deskundigheid en de middelen voor een tijdige ontwikkeling van SIS II voorhanden zijn en dat de werking van SIS niet onderbroken wordt.

DIVERSEN

* INITIATIEF VAN GRIEKENLAND - EUROPEES WAARNEMINGSCENTRUM VOOR

MIGRATIE

De Raad nam nota van de mededeling van de Griekse minister dat zijn land voornemens is een voorstel in te dienen voor een verordening houdende oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor migratie, dat informatie over migratiestromen zou moeten verzamelen om deze aan de betrokken lidstaten en communautaire instellingen voor te leggen; dit centrum zou moeten samenwerken met andere organisaties die zich bezighouden met het verzamelen van gegevens (zoals CIREFI, EUROPOL en EUROSTAT).


* EUROPOL-OVEREENKOMSTEN MET NOORWEGEN, IJSLAND EN INTERPOL

De Raad bevestigde dat er een politiek akkoord is bereikt over de ondertekening van drie overeenkomsten tussen Europol, enerzijds, en Noorwegen, IJsland en Interpol, anderzijds. Nu de Franse delegatie haar voorbehoud voor parlementaire behandeling heeft ingetrokken, zullen deze punten zo spoedig mogelijk als A-punt aan de Raad worden voorgelegd om formeel te worden aangenomen. Derhalve verzoekt de Raad Europol en zijn organen en instanties - zoals de raad van bestuur, de directeur, de hoofden van de nationale eenheden en het gemeenschappelijk controleorgaan - passende maatregelen te treffen voor een nauwe samenwerking met Noorwegen, IJsland en Interpol, waar dit van belang is voor de toepassing van de samenwerkingsovereenkomsten en voor het waarborgen van een hoog niveau van gegevensbescherming. Het gaat daarbij onder meer om het instellen van passende mechanismen voor overleg en gegevensuitwisseling op verschillende niveaus.


* VERDWIJNING EN SEKSUELE UITBUITING VAN KINDEREN

De Raad luisterde naar een presentatie, door de Belgische minister, van een voorstel voor een resolutie inzake de oprichting van nationale centra en organisaties ter bestrijding van de verdwijning en de seksuele uitbuiting van kinderen.


*


* *

TIJDENS DE LUNCH BESPROKEN PUNTEN

* BESCHERMING VAN DE FINANCIËLE BELANGEN VAN DE GEMEENSCHAP

De Raad luisterde naar een presentatie, door het Commissielid SCHREYER, van een op 23 mei door de Commissie aangenomen voorstel voor een verordening betreffende de strafrechtelijke bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap. Het voorstel heeft tot doel bepaalde aspecten van de Overeenkomst van 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap en de twee bijbehorende protocollen van 1996 en 1997 binnen het communautaire kader te brengen.


* BIJWERKING VAN HET JBZ-SCOREBORD

De Raad nam nota van een presentatie door het Commissielid VITORINO van de meest recente versie van het JBZ-scorebord.


* UITBREIDING

De ministers hielden een informele gedachtewisseling over de JBZ-aspecten van de toetredingsonderhandelingen.


*


* *

GEMENGD COMITÉ

PROTOCOL BIJ DE OVEREENKOMST VAN 2000 BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE

RECHTSHULP IN STRAFZAKEN TUSSEN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE

Het Gemengd Comité stemde in met de aspecten die een ontwikkeling vormen van het Schengenacquis in een Protocol bij de Overeenkomst van 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Het betreft artikel 7 betreffende fiscale delicten, waarover de Raad al eerder een politiek akkoord had bereikt (zie blz. 7).

HULP BIJ ILLEGALE BINNENKOMST, ILLEGAAL VERKEER EN ILLEGAAL VERBLIJF

EN VERSTERKING VAN HET STRAFRECHTELIJK KADER VOOR DE BESTRIJDING VAN

DE HULP BIJ ILLEGALE BINNENKOMST EN ILLEGAAL VERBLIJF

Het Gemengd Comité bereikte politieke overeenstemming over:


- een ontwerp-richtlijn waarin hulp bij illegale binnenkomst, illegaal verkeer en illegaal verblijf worden gedefinieerd. Wanneer dit instrument van kracht wordt, vervangt het artikel 27 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.

- een ontwerp-kaderbesluit tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van de hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.

Beide voorstellen zijn Franse initiatieven.

De ontwerp-richtlijn heeft tot doel een omschrijving te geven van hulp bij illegale immigratie teneinde aldus een doeltreffender uitvoering van het Kaderbesluit tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van de hulp bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf mogelijk te maken, met het oog op het voorkomen van dit strafbare feit.

De ontwerp-richtlijn bevat bepalingen waarin de algemene schending, deelneming en uitlokking, alsmede de uitvoering worden omschreven.

Wat betreft de algemene schending, bepaalt de ontwerp-richtlijn dat de lidstaten passende sancties zullen aannemen

* tegen eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, helpt of tracht te helpen om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of zich daarover te verplaatsen op een wijze die een inbreuk op de wetgeving van die staat met betrekking tot de binnenkomst of doorreis van vreemdelingen inhoudt;
* tegen eenieder die uit winstbejag een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, opzettelijk helpt of tracht te helpen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven op een wijze die een inbreuk op de wetgeving van die staat met betrekking tot het verblijf van vreemdelingen inhoudt.

Iedere lidstaat kan besluiten om, op grond van zijn nationale wetgeving en praktijken geen sancties op te leggen voor de hiervoor omschreven gedragingen wanneer het doel van de gedraging is, humanitaire bijstand aan de betrokkene te verlenen.

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hiervoor bedoelde sancties ook van toepassing zijn op eenieder die medeplichtig aan of uitlokker van één van de bovengenoemde gedragingen is.

Het ontwerp-kaderbesluit bevat bepalingen aangaande sancties, aansprakelijkheid van rechtspersonen, sancties tegen rechtspersonen, bevoegdheid, uitlevering en vervolging, de toepassing van het internationaal vluchtelingenrecht en de uitwisseling van informatie tussen lidstaten.

Aangezien het om zware staffen gaat, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de richtlijn omschreven algemene schending kan worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties die uitlevering kunnen omvatten. Indien het strafbaar feit is gepleegd uit winstbejag, als activiteit van een criminele organisatie of met gevaar voor het leven van de personen die het slachtoffer zijn van het delict, dienen op de strafbare feiten vrijheidsstraffen te staan, waarbij de maximumstraf ten minste 8 jaar bedraagt.

Om de coherentie van de nationale strafrechtelijke regelingen te waarborgen, kunnen sommige lidstaten het in de hiervoor beschreven omstandigheden gepleegde strafbare feit bestraffen met vrijheidsstraffen van ten minste 6 jaar, mits deze in die lidstaten tot de strengste maximumstraffen voor strafbare feiten van een vergelijkbare ernst behoren.

Bij het bereikte akkoord maken sommige delegaties in dit stadium nog voorbehouden voor parlementaire behandeling.

AANSPRAKELIJKHEID VAN VERVOERDERS - RICHTLIJN VAN DE RAAD TOT

AANVULLING VAN HET BEPAALDE IN ARTIKEL 26 VAN DE OVEREENKOMST TER

UITVOERING VAN HET AKKOORD VAN SCHENGEN VAN 14 JUNI 1985

Het Gemengd Comité heeft politieke overeenstemming bereikt over een ontwerp-richtlijn tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985; de tekst beoogt de harmonisatie van de geldboetes die aan vervoerders worden opgelegd voor het vervoeren naar de lidstaten van onderdanen van derde landen die niet beschikken over de vereiste documenten om daarin te worden toegelaten.

De ontwerp-richtlijn zal, zodra de tekst is bijgewerkt, als A-punt ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Raad.

De ontwerp-richtlijn bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de geldboetes die krachtens artikel 26, leden 2 en 3, van de Schengenovereenkomst aan vervoerders worden opgelegd, afschrikkend, doeltreffend en evenredig zijn, en dat, om de thans in de lidstaten bestaande praktijken met elkaar in overeenstemming te brengen, de volgende geldelijke sancties zullen worden opgelegd:

* het maximumbedrag van de toepasselijke geldboetes per vervoerde persoon is niet lager dan 5000 euro of een gelijk bedrag in de nationale munteenheid tegen de wisselkoers die op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn in het Publicatieblad is bekendgemaakt,

* het minimumbedrag van die boetes per vervoerde persoon bedraagt ten minste 3000 euro of een gelijk bedrag in de nationale munteenheid tegen de wisselkoers die op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn in het Publicatieblad is bekendgemaakt,

* het maximumbedrag van de forfaitaire geldboete per overtreding, ongeacht het aantal vervoerde personen, is niet lager dan 500.000 euro of een gelijk bedrag in de nationale munteenheid tegen de wisselkoers die op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn in het Publicatieblad is bekendgemaakt.

Deze sancties laten de verplichtingen van de lidstaten in gevallen waarin onderdanen van derde landen om internationale bescherming verzoeken onverlet.

ILLEGALE IMMIGRATIE VIA DE WESTELIJKE BALKAN

Het Gemengd Comité nam nota van het door het voorzitterschap opgestelde voortgangsverslag over de activiteiten in de Westelijke Balkan op het gebied van asiel en migratie gedurende het Zweedse voorzitterschap, alsmede van de vorderingen die door het Verenigd Koninkrijk zijn geboekt in het kader van zijn initiatief om in de Westelijke Balkan immigratiedeskundigen te detacheren.

ZONDER DEBAT GOEDGEKEURDE PUNTEN

(Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen is verkrijgbaar bij de Persdienst.)

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Illegale migratiestromen door de Westelijke Balkan - Conclusies

De Raad nam conclusies aan betreffende de oprichting van een netwerk van nationale immigratieverbindingsfunctionarissen die de illegale migratiestromen door de Westelijke Balkan moeten helpen controleren.

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,


1. ervan nota nemend dat de lidstaten met steeds grotere problemen kampen op het gebied van smokkel en illegaal verkeer van migranten via de Westelijke Balkan, waarbij nagenoeg altijd georganiseerde criminele bendes betrokken zijn;


2. erover verheugd dat veel lidstaten reeds nationale verbindingsfunctionarissen in de regio en in het omliggende gebied gestationeerd hebben of dat van plan zijn;


3. wijzend op het belang van het waarborgen van effectieve operationele coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten en hun verbindingsfunctionarissen vóór en tijdens hun stationering;

herinnerend aan het Gemeenschappelijk Optreden van 14 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijk beleidskader voor de initiatieven van de lidstaten betreffende de verbindingsofficieren;

nota nemend van het waardevolle werk dat onder het Portugese en het Franse voorzitterschap reeds verricht is, met name de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 30 november en 1 december 2000 betreffende verbeterde samenwerking tussen de verbindingsfunctionarissen die in hetzelfde land van herkomst of in hetzelfde gedeelte van de wereld gestationeerd zijn, en de conclusies die aangenomen zijn tijdens een seminar over
immigratieverbindingsfunctionarissen van 9 tot en met 11 november 2000 in Funchal;

verzoekt de lidstaten om, als een eerste stap naar de verwezenlijking van de conclusies van de Raad en van het gemeenschappelijk optreden, overeenkomstig de aan deze conclusies gehechte richtsnoeren vóór 30 juni 2001 een netwerk van bestaande en geplande nationale verbindingsfunctionarissen in de Westelijke Balkan op te richten.

de besprekingen over de uitvoering van het netwerk en de verdere ontwikkeling ervan zullen worden gevoerd in het CIBGGI, dat de andere betrokken Raadsorganen op de hoogte zal houden.


BIJLAGE

RICHTSNOEREN VOOR DE OPRICHTING VAN EEN NETWERK VAN

EU-IMMIGRATIEVERBINDINGSFUNCTIONARISSEN VOOR DE WESTELIJKE BALKAN


1.
De lidstaten richten, als een eerste stap, een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen op om te zorgen voor een gecoördineerde reactie op het probleem van de illegale migratiestromen via de Westelijke Balkan, met name die welke door criminele bendes georganiseerd zijn, en om samen te werken met en bijstand te verlenen aan de landen in de regio.


2. Het netwerk omvat ten minste alle bevoegde immigratieverbindingsfunctionarissen van de lidstaten in

Albanië

Bosnië en Herzegovina

Kroatië

Slovenië

Federale Republiek Joegoslavië, met inbegrip van Montenegro

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

Griekenland

Italië

Oostenrijk

Hongarije

Turkije

Roemenië

Bulgarije

Tsjechische Republiek

Slovakije

Moldavië


3. De lidstaten houden, via het secretariaat van de Raad, een actuele lijst bij van de verbindingsfunctionarissen die in de onder punt 2 genoemde landen gestationeerd zijn. Zij verstrekken de volgende gegevens:

a. volledige naam

b. positie - detacherende dienst en rang, voor zover nodig

c. functie - aard

d. stationeringsduur - begin- en einddatum

e. telefoon- en faxnummer en e-mailadres.


4. De lidstaten blijven bevoegd om overeenkomstig de nationale praktijk te besluiten wat voor soort verbindingsfunctionaris er gestationeerd wordt en voor hoelang, maar zij dienen informatie uit te wisselen over voorgenomen nieuwe stationeringen en de mogelijkheden te verkennen voor samenwerking, gezamenlijk optreden of gezamenlijke vertegenwoordiging.


5. De lidstaten overwegen de opneming van de volgende nationale verbindingsfunctionarissen in het netwerk:

Middellange- en langetermijnmissies:


- immigratieverbindingsfunctionarissen


- luchtvaartverbindingsfunctionarissen


- andere verbindingsfunctionarissen die zich bezighouden met immigratievraagstukken.

Kortetermijnmissies:


- documentadviseurs met opleidingstaken


- bijstand in een eerder stadium aan vervoerders in landen van herkomst en doorreis.

De lidstaten overwegen tevens om waar nodig andere relevante verbindingsfunctionarissen in te schakelen (bijv. militaire en douaneverbindingsfunctionarissen) voor zover dit verenigbaar is met de hoofdtaak van die functionarissen. Alle verbindingsfunctionarissen worden ten minste aangemoedigd om inlichtingen in verband met immigratie via het netwerk uit te wisselen.


6. De lidstaten nemen contact op met de diplomatieke vertegenwoordigingen en de lokale autoriteiten van een gastland alvorens op een bepaalde plaats verbindingsfunctionarissen te detacheren.


7. De netwerkfunctionarissen worden normaliter bij de diplomatieke missies van de lidstaten geaccrediteerd. Indien er bij kortetermijnmissies geen diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst van de verbindingsfunctionaris is, stellen de andere lidstaten alles in het werk om hun diplomatieke vertegenwoordigingen in het gastland passende steun te laten verlenen.


8. Waar mogelijk kunnen de lidstaten overwegen om hun verbindingsfunctionarissen toe te staan bepaalde administratieve taken met betrekking tot het verzamelen, opslaan en verspreiden van inlichtingen gezamenlijk uit te voeren, zulks in overeenstemming met het nationaal recht. Zo mogelijk kunnen de lidstaten ook overwegen om hun functionarissen in dezelfde kantoren onder te brengen.


9. Iedere lidstaat draagt zijn eigen personele en administratieve kosten. De kosten in verband met de aanschaf van gemeenschappelijke uitrusting, huisvesting enz. worden gedeeld door de deelnemende landen.


10. In iedere plaats waar meer dan één verbindingsfunctionaris gestationeerd is, komen de functionarissen zo vaak als nodig is en ten minste één keer per maand bijeen om hun werk te coördineren, doublures te vermijden en op gezette tijden een schriftelijk situatieverslag op te stellen. Alles wordt in het werk gesteld om belemmeringen voor de samenwerking zoveel mogelijk te reduceren, waarbij een vrije informatiestroom verzekerd wordt overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten.


11. De lidstaten bezien of hun ILO's alle volgende taken moeten verrichten dan wel sommige daarvan:

a. nauwe contacten met en tussen relevante handhavingsfunctionarissen in het gastland tot stand brengen, onderhouden en ontwikkelen op het gebied van de georganiseerde immigratiecriminaliteit; b. proactief zowel strategische als tactische informatie verzamelen over illegale immigratiestromen en die doorgeven aan de nationale contactpunten en via deze zo nodig aan Europol; c. bevorderen van en assistentie verlenen bij de operationele activiteit van de gastlanden tegen de criminele bendes die de immigratiestromen organiseren;

d. de contacten tussen de nationale handhavingsorganen en die van het gastland vergemakkelijken;

e. er waar mogelijk voor zorgen dat relevante informatie aan de handhavingsorganen van het gastland wordt doorgegeven; f. eventueel advies en bijstand verlenen aan het gastland, in het bijzonder bij controles in de lucht- en zeehavens en aan de landsgrenzen;
g. aan de diplomatieke vertegenwoordigingen van de andere lidstaten advies geven over kwesties betreffende georganiseerde immigratiecriminaliteit.


12. De verbindingsfunctionarissen onderhouden regelmatige contacten met de verbindingsfunctionarissen op andere plaatsen. De lidstaten zorgen ervoor dat relevante strategische informatie via het aangewezen systeem (bijv. het systeem voor vroegtijdige waarschuwing van het CIBGGI, Europol of Interpol) uitgewisseld wordt met inachtneming van de regels van die systemen. In het algemeen communiceren de lidstaten met de verbindingsfunctionarissen van andere lidstaten via elkaars nationale contactpunten.


13. De lidstaten organiseren op gezette tijden regionale coördinatievergaderingen, waarbij in voorkomend geval andere partijen betrokken worden.


14. De verbindingsfunctionarissen zetten nauwe werkverbanden op met andere organisaties in de regio, zoals strijdkrachten van de lidstaten, de Verenigde Naties en waar passend derde landen, waaronder Noorwegen, IJsland en de kandidaat-lidstaten.

Plaatselijke consulaire samenwerking

De Raad keurde een onder het Franse voorzitterschap opgesteld rapport over de plaatselijke consulaire samenwerking goed, dat een aantal gebieden belicht waarop de Overeenkomst van Schengen en de gemeenschappelijke visuminstructie (GVI) door de consulaire vertegenwoordigingen van de lidstaten verschillend worden geïnterpreteerd of toegepast.

In het rapport staat dat de lidstaten alles in het werk moeten stellen voor een uniforme toepassing van de gemeenschappelijke visuminstructie. Indien de vertegenwoordigingen van de lidstaten in uitzonderlijke gevallen aan de gemeenschappelijke visuminstructie een interpretatie geven die specifiek is voor de plaatselijke omstandigheden, dient eerst in het kader van de plaatselijke consulaire samenwerking een uniforme toepassing op plaatselijk niveau te worden overeengekomen.

In het rapport worden vijf gebieden genoemd waarop volgens het voorzitterschap, in het kader van de plaatselijke samenwerking, uniforme toepassing mogelijk is teneinde meer duidelijkheid te scheppen ten behoeve van visumaanvragers en om "visumshopping" te vermijden: deelneming aan de plaatselijke samenwerking, stempels van het type dat wordt voorgeschreven in de gemeenschappelijke visuminstructie, samenwerking met reisagentschappen, visa met beperkte territoriale geldigheid en erkenning van reisdocumenten en behandeling van de aanvragen van aanvragers die niet ter plaatse verblijven of op doorreis zijn.

De Raad hechtte zijn goedkeuring aan de aanbevelingen en maatregelen in dit document, dat als leidraad zal fungeren voor de lopende en toekomstige besprekingen van deze kwestie.

Onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen *

De Raad nam een richtlijn aan betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen.

Onverminderd de toepassing van een aantal bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst heeft deze richtlijn ten doel het mogelijk te maken dat een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat genomen verwijderingsbesluit op het grondgebied van een andere lidstaat wordt erkend. Ieder besluit wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de wetgeving die van toepassing is in de uitvoerende lidstaat. Het besluit is niet van toepassing op gezinsleden van burgers van de Unie die hun recht op vrij verkeer van personen hebben uitgeoefend.

Het verwijderingsbesluit wordt erkend in de volgende gevallen
* ten aanzien van de onderdaan van een derde land is, op grond van een ernstige en daadwerkelijke bedreiging van de openbare orde of van de nationale of binnenlandse veiligheid in een van de volgende gevallen, een verwijderingsbesluit genomen:

= de onderdaan van het derde land is door de uitvaardigende lidstaat veroordeeld wegens een strafbaar feit dat bestraft kan worden met een vrijheidsstraf van ten minste één jaar; = er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat de onderdaan van een derde land ernstige strafbare feiten heeft gepleegd of concrete aanwijzingen dat hij overweegt dergelijke feiten te plegen op het grondgebied van een lidstaat.

Indien de betrokkene houder is van een door de uitvoerende lidstaat of door een andere lidstaat verstrekte verblijfstitel, raadpleegt de uitvoerende lidstaat de uitvaardigende lidstaat en de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven, zulks onverminderd artikel 25, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Het bestaan van een in dit kader genomen verwijderingsbesluit maakt de intrekking van de verblijfstitel mogelijk, indien de nationale wetgeving van de lidstaat die de titel heeft afgegeven zulks toelaat;

* ten aanzien van een onderdaan van een derde land is een verwijderingsbesluit genomen op grond van de niet-naleving van de nationale wetgeving inzake de toegang of het verblijf van vreemdelingen.

In de twee bedoelde gevallen mag het verwijderingsbesluit niet door de uitvaardigende lidstaat zijn herroepen, of opgeschort.

Controle van minderjarigen aan de buitengrenzen van de lidstaten - Conclusies

De Raad nam conclusies aan betreffende de controle van minderjarigen aan de buitengrenzen van de lidstaten.

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Overwegende hetgeen volgt:

In de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 wordt aanbevolen de nodige maatregelen te treffen om bij mensenhandel betrokken netwerken te ontmantelen, waarbij bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan de problemen van vrouwen en kinderen.

De lidstaten kennen geen uniforme controlepraktijken en door dit gebrek aan harmonisatie boeten de afzonderlijk door de lidstaten genomen maatregelen aan doeltreffendheid in.

Het jeugdtoerisme groeit sterk en het aantal minderjarigen dat zonder begeleiding reist neemt jaarlijks toe.

Er moet rekening gehouden worden met de bijzondere situatie van niet-begeleide minderjarige asielzoekers, onder voorbehoud van de internationale overeenkomsten betreffende de bescherming van vluchtelingen, alsook van de Resolutie van de Raad van 26 juni 1997 inzake niet-begeleide minderjarige onderdanen van derde landen, inzonderheid artikel 2.

Er moeten maatregelen worden getroffen om het verdwijnen van minderjarigen te voorkomen.

Alle lidstaten van de EU hebben het vaste voornemen al het nodige te doen opdat geen enkel kind tegen de wil van zijn ouders van hen wordt gescheiden, tenzij de bevoegde autoriteiten daartoe besluiten, en dat alle passende maatregelen worden genomen om de ontvoering en verkoop van en de handel in kinderen te voorkomen.

Alle lidstaten van de EU hebben het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 ondertekend en bekrachtigd,

HECHT ZIJN GOEDKEURING AAN DE VOLGENDE CONCLUSIES:

De Raad


1 - Komt overeen om binnen de Europese Gemeenschap werkzaamheden te entameren met het oog op de bespreking van passende controlemaatregelen ten aanzien van minderjarige reizigers die door de grensbewakingsautoriteiten van de lidstaten op uniforme wijze moeten worden gevolgd.


2 - Acht het noodzakelijk dat de uitwisseling van informatie tussen de verschillende autoriteiten van de lidstaten, met inachtneming van de bestaande voorschriften op het gebied van gegevensbescherming, wordt vergemakkelijkt zodat twijfels omtrent de omstandigheden waarin een minderjarige reist, kunnen worden weggenomen.


3 - Benadrukt de noodzaak om de vervoersmaatschappijen en de reisorganisatoren bewust te maken van de risico's die voortvloeien uit het vervoer van alleenreizende minderjarigen en de noodzaak van correcte en volledige informatie omtrent de reisdocumenten en vergunningen die voor reizende minderjarigen vereist zijn.


4 - Wenst dat de lidstaten onderzoeken hoe de nodige maatregelen kunnen worden genomen om reisdocumenten af te geven op grond waarvan de identiteit van de houder alsmede zijn afstamming en de perso(o)n(en) bij wie de ouderlijke macht berust, kunnen worden vastgesteld.


5 - Spoort de lidstaten voorts aan te bestuderen of het dienstig is om op langere termijn als beginsel te hanteren dat elke burger over een reisdocument dient te beschikken."

Visa


- Vrij verkeer met een visum voor verblijf van langere duur *
De Raad nam een verordening aan inzake vrij verkeer met een visum voor verblijf van langere duur.
Deze verordening vervangt artikel 18 van de
Schengenuitvoeringsovereenkomst door een nieuwe tekst, die houders van visa voor verblijf van langere duur de mogelijkheid biedt zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven voor een periode van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de oorspronkelijke geldigheidsdatum van hun visa, in afwachting van de afgifte van hun verblijfstitels.


- Gemeenschappelijke Visuminstructie - visa voor verblijf van langere duur die tevens gelden als visa voor kort verblijf

De Raad nam een beschikking aan inzake de aanpassing van de delen V en VI en van bijlage 13 van de Gemeenschappelijke Visuminstructie, alsmede van bijlage 6 a) van het Gemeenschappelijk Handboek, voor visa voor verblijf van langere duur die tevens gelden als visa voor kort verblijf.

Deze beschikking bevat de aanpassingen van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en het Gemeenschappelijk Handboek die nodig zijn voor een gemakkelijker toepassing van de (in het vorige punt genoemde) verordening van de Raad inzake het vrije verkeer met een visum voor verblijf van langere duur dat tevens geldt als visum voor kort verblijf.

Asiel en migratie - Voortgangsverslag over de activiteiten tijdens het Zweedse voorzitterschap

De Raad nam nota van een voortgangsverslag over de activiteiten van de Groep op hoog niveau asiel- en migratievraagstukken tijdens het Zweedse voorzitterschap; in het verslag wordt nader ingegaan op de dialoog met de landen van oorsprong en doorreis, de dialoog met belangstellende derde landen en met internationale organisaties en NGO's, alsmede op thematische kwesties.

Asiel en migratie - conclusies betreffende gemeenschappelijke analyse en statistieken

De Raad nam conclusies aan betreffende de gemeenschappelijke analyse en de verbeterde uitwisseling van statistieken over asiel en migratie.

"De Raad van de Europese Unie,

MEMOREERT dat verbetering van de uitwisseling van statistieken en informatie over asiel en migratie een doel is dat op het scorebord wordt genoemd;

NEEMT ER NOTA VAN dat de in het Actieplan van 1998 neergelegde doelstellingen inzake statistieken, namelijk de invoering van de verzameling van maandelijkse statistieken door de Commissie (Eurostat) en, in een tweede stadium, de uitbreiding ervan tot de kandidaat-lidstaten, Noorwegen en IJsland, uitgevoerd zijn;

IS VAN OORDEEL dat de verbetering van de uitwisseling en van de analyse van de communautaire statistieken op asiel- en migratiegebied bijdraagt tot een versterking van de samenwerking tussen de lidstaten en tot de ontwikkeling van een gemeenschappelijk asiel- en migratiebeleid;

BENADRUKT dat de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 gesteld heeft dat de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid gebaseerd moet zijn op het transparantiebeginsel;

IS INGENOMEN met het feit dat er tijdens de bijzondere deskundigenvergadering van 4 april 2001, die onder meer door deskundigen van de lidstaten en de Commissie bijgewoond werd, beginselen en doelstellingen voor de verbetering van de statistieken over asiel en migratie ontwikkeld werden;

IS VAN OORDEEL dat de definities die thans gehanteerd worden voor het verzamelen van de communautaire statistieken in het kader van het CIBGA en het CIBGGI, gebruikt moeten worden totdat communautaire wetgeving het in overeenstemming met de conclusies van Tampere mogelijk maakt om die definities geleidelijk aan de communautaire normen aan te passen;

IS VAN MENING dat er behoefte bestaat aan een alomvattend en samenhangend kader voor toekomstige maatregelen ter verbetering van de statistieken;

VERZOEKT de Commissie hiertoe zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen en daarbij rekening te houden met de beginselen en de doelstellingen die in de bijlage staan.

Beginselen en doelstellingen voor toekomstige werkzaamheden inzake de verbetering van de communautaire statistieken op asiel- en migratiegebied

Principes


1. Het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (Eurostat) is de belangrijkste bron van communautaire statistieken op dit gebied. Met het oog op de communautarisering van het asiel- en migratiebeleid is het in eerste instantie aan de Commissie om verdere stappen ter verbetering van de gemeenschappelijke statistieken en de informatie-uitwisseling voor te stellen.
2. De benadering van de statistieken op dit gebied moet worden afgestemd op de regels en de procedures die ter zake van de statistieken op andere communautaire beleidsterreinen vastgesteld zijn. De communautaire statistieken zijn voor het publiek toegankelijk. Wat de statistieken over asiel en migratie betreft, moet transparantie dan ook het belangrijkste beginsel worden. Zoals op andere gebieden van de communautaire statistieken, moeten er uitzonderingen op dit beginsel komen om de vertrouwelijkheid van het individu te beschermen.


3. Daarbij moet naar behoren rekening gehouden worden met aantoonbare twijfels inzake de gevoeligheid.

Doelstellingen


1. Om het politieke debat over de aard van asiel en migratie en over de gevolgen voor het beleid en de wetgeving van de Gemeenschap aan te zwengelen, moet er zo spoedig mogelijk een op statistieken gebaseerd openbaar jaarverslag voor de ontwikkeling van het beleid komen. Dat verslag moet gegevens bevatten van het CIBGA en het CIBGGI, alsook de jaarlijkse verzameling van migratiegegevens, waaronder gegevens van de kandidaat-lidstaten en andere landen; voorts moet het een statistische analyse van trends en indicatoren bevatten. Ook moet het de bedoeling zijn om de statistische gegevens van beroepsinstanties op het gebied van asiel in het verslag op te nemen.

2. De huidige publicatiebeperkingen moeten worden vervangen door regels en methoden die gebaseerd zijn op de noodzaak om te voorkomen dat vertrouwelijke informatie over identificeerbare individuen openbaar gemaakt wordt.

3. Er moet worden overgestapt naar de elektronische verspreiding van maandelijkse statistieken, zodat de bevoegde autoriteiten die gegevens verstrekken en de Commissie snel informatie kunnen uitwisselen.

4. Er moet worden nagegaan hoe de regelmatige raadpleging en uitwisseling van statistische gegevens tussen die autoriteiten en de Commissie kan worden vergemakkelijkt.

5. Om doublures te vermijden en de doeltreffendheid en de vergelijkbaarheid van de statistieken te vergroten, moet de coördinatie en de samenwerking tussen deze autoriteiten, de Commissie en andere relevante actoren, met inbegrip van internationale organisaties, verder worden ontwikkeld, onder meer via een netwerk van statistische deskundigen.

Werkmethoden

1. Er worden jaarlijks vergaderingen van statistische deskundigen van de lidstaten en de Commissie gehouden om de samenwerking ter zake van de communautaire statistieken te ontwikkelen en te evalueren.


2. De werkzaamheden worden gebaseerd op een nieuw actieplan inzake statistieken, dat door de Raad moet worden goedgekeurd. Het bevat een opsomming van alle maatregelen die nodig zijn om bovenstaande beginselen en doelstellingen uit te voeren en biedt dus een operationeel kader voor de maatregelen die de komende jaren moeten worden genomen, met inbegrip van een tijdschema.
3. De Commissie wordt verzocht zich te gelegener tijd te beraden op de opstelling van Gemeenschapswetgeving om de behoefte van de Gemeenschap aan statistieken op dit gebied te omschrijven en aan te geven hoe in die behoefte kan worden voorzien."

Wederzijdse rechtshulp in strafzaken

De Raad nam nota van het eindverslag over de eerste evaluatieronde betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken; dit onderzoek is verricht op basis van het mechanisme voor evaluatie van de uitvoering en toepassing op nationaal niveau van de internationale verbintenissen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Met het verslag wordt beoogd conclusies te trekken uit deze evaluatieronde opdat de Raad passende besluiten kan nemen.

De Raad nam tevens nota van een verslag over het derde evaluatiejaar, eerste evaluatieronde, betreffende wederzijdse rechtshulp en dringende verzoeken in verband met opsporing van en beslag op goederen; hij kwam overeen dit verslag ter informatie toe te zenden aan het Europees Parlement.

Dit verslag is opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Gemeenschappelijk Optreden van 5 december 1997 tot instelling van een mechanisme voor evaluatie van de uitvoering en toepassing op nationaal niveau van de internationale verbintenissen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Het thema voor de eerste evaluatieronde is in december 1997 bepaald door de Multidisciplinaire Groep.

DNA - Resolutie

De Raad nam een resolutie aan inzake de uitwisseling van DNA-analyseresultaten.

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Herinnerend aan de doelstellingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

Indachtig de bescherming van persoonsgegevens zoals geregeld in Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Straatsburg, 28 januari 1981), Aanbeveling (87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied en, in voorkomend geval, Aanbeveling (92) 1 van 10 februari 1992 van het Comité van ministers van de Raad van Europa inzake het gebruik van strafvorderlijk DNA-onderzoek;

Herinnerend aan de Resolutie van de Raad van 9 juni 1997 inzake de uitwisseling van DNA-analyseresultaten ;

Rekening houdend met de in het kader van het STOP-programma van de Europese Unie gefinancierde werkzaamheden van de Groep DNA van het Europees netwerk van gerechtelijke laboratoria (ENFSI) betreffende de harmonisering van DNA-merkers en DNA-technologie;

Overwegende dat de technische aspecten die inherent zijn aan onderzoek waarbij DNA-technieken worden gebruikt, in aanmerking moeten worden genomen bij de ontwikkeling van de samenwerkingsactiviteiten;

Overwegende dat DNA-analyses van aanzienlijke waarde blijken te zijn bij strafrechtelijk onderzoek en dat een efficiënte uitwisseling van DNA-analyseresultaten kan worden verbeterd door dezelfde DNA-merkers te gebruiken;

Ervan overtuigd dat deze uitwisseling essentieel is voor een gerichte, doeltreffende en systematische bestrijding van criminaliteit;

Voor ogen houdend dat het daarom passend is om een eerste minimumlijst op te stellen van in de lidstaten bij forensische DNA-analyses gebruikte DNA-merkers, die in het kader van een dergelijke uitwisseling kan worden gebruikt;

Benadrukkend dat DNA-analyseresultaten alleen mogen worden uitgewisseld wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat dit relevante informatie voor strafrechtelijk onderzoek zal opleveren,

HEEFT DE VOLGENDE RESOLUTIE AANGENOMEN:

I. DEFINITIES


1. "DNA-merker": de locus in een DNA-molecule die tussen individuen discriminerende informatie bevat;


2. "DNA-analyseresultaat": een voor de rapportage gebruikte letter- of cijfercode op basis van de analyse van een of meer DNA-loci. Het DNA-analyseresultaat D3S1358 14-15, D21S11 28-30 bijvoorbeeld betekent dat het gaat om een individu van het type 14-15 wat DNA-merker D3S1358 betreft en om type 28-30 wat DNA-merker D21S11 betreft;


3. "Europese standaardset (ESS)": de set van DNA-merkers in de lijst van bijlage 1;


4. "ESS-merker": een DNA-merker die tot de Europese standaardset (ESS) behoort; en


5. "ESS-analyseresultaat": een DNA-analyseresultaat dat tot stand is gekomen door gebruik te maken van de bovengenoemde DNA-merkers die tot de ESS behoren.

II. FORENSISCHE DNA-TECHNIEKEN


1. Bij forensische DNA-analyse wordt de lidstaten verzocht tenminste gebruik te maken van de in bijlage 1 genoemde DNA-merkers die de Europese standaardset (ESS) vormen, teneinde de uitwisseling van DNA-analyseresultaten te vergemakkelijken.


2. De lidstaten wordt verzocht ESS-analyseresultaten tot stand te brengen volgens wetenschappelijk geteste en goedgekeurde DNA-technieken die gebaseerd zijn op studies die zijn verricht in het kader van de Groep DNA van het Europees netwerk van gerechtelijke laboratoria (ENFSI). De lidstaten moeten desgevraagd kunnen specificeren welke kwaliteitsvereisten en geschiktheidstests worden gehanteerd.

III. UITWISSELING VAN DNA-ANALYSERESULTATEN


1 Er wordt bij de lidstaten op aangedrongen om zich bij de uitwisseling van DNA-analyseresultaten te beperken tot chromosoomgebieden die geen genetische informatie bevatten, dat wil zeggen waarvan niet bekend is dat zij informatie bevatten over specifieke erfelijke eigenschappen.


2. Van de DNA-merkers in bijlage 1 is niet bekend dat zij informatie bevatten over specifieke erfelijke eigenschappen. Mocht de wetenschap zich op een zodanige wijze ontwikkelen dat kan worden vastgesteld dat één van de in deze resolutie aanbevolen DNA-merkers informatie bevat over specifieke erfelijke eigenschappen, dan wordt de lidstaten aanbevolen deze merker niet langer te gebruiken bij de uitwisseling van DNA-analyseresultaten. Ook wordt de lidstaten aanbevolen klaar te staan om ontvangen DNA-analyseresultaten te verwijderen, mocht blijken dat die resultaten informatie over specifieke erfelijke eigenschappen bevatten.


3. De lidstaten worden aangemoedigd om voor de uitwisseling van door middel van de ESS verkregen resultaten, gebruik te maken van het formulier in bijlage 2, dat gebaseerd is op de reeds in andere internationale organisaties, zoals Interpol, gehanteerde norm. De lidstaten worden aangespoord hiertoe één enkel contactpunt aan te wijzen.


4. Om de uitwisseling van DNA-analyseresultaten tussen de lidstaten te vergemakkelijken, dient de mogelijkheid van elektronische transmissie te worden overwogen.


5. Het bepaalde onder III, 1 en 2, doet geen afbreuk aan bilaterale regelingen tussen de lidstaten inzake het gebruik van specifieke DNA-merkers die overeenkomstig hun nationale wetgeving zijn vastgesteld.



BIJLAGE I

De Europese standaardset (ESS) omvat de volgende DNA-merkers:

D3S1358

VWA

D8S1179

D21S11

D18S51

HUMTH01

FGA

Fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten

Na in de zitting van 29 mei 2000 principiële overeenstemming te hebben bereikt, nam de Raad het Kaderbesluit betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten aan; het Europees Parlement heeft dit voorstel inmiddels - op 5 juli 2000 - goedgekeurd.

Europol


- Begroting voor 2002

De Raad stelde formeel de begroting van Europol voor het jaar 2002 vast zoals deze op 18 en 19 april 2001 door de raad van bestuur van Europol unaniem was overeengekomen; de begroting voorziet in een totaal van 48.504.000 euro aan uitgaven (35.391.300 euro in 2001).


- Jaarverslag

De Raad nam nota van het Europol-jaarverslag 2000 en hechtte er zijn goedkeuring aan.

Internationale high-tech- en computercriminaliteit - Aanbeveling

De Raad nam een Aanbeveling aan waarin de lidstaten die zich nog niet hebben aangesloten bij het 24-uurs/7dagen per week operationeel informatienetwerk van de G8 ter bestrijding van hightech-criminaliteit, verzocht worden dit alsnog te doen.

Voorts wordt de lidstaten aanbevolen ervoor te zorgen dat de eenheid die als meldpunt wordt aangewezen, 7 dagen per week, 24 uur per dag bereikbaar is en dat het een echt gespecialiseerd team is dat bij het onderzoek van IT-criminaliteit bewezen goede praktijken volgt. Het meldpunt moet voorts in staat zijn operationele maatregelen te treffen.

Zoals bekend zijn de beginselen van het G8-netwerk van nationale meldpunten voor de bestrijding van hightech-criminaliteit goedgekeurd tijdens de G8-bijeenkomst van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken op 9 en 10 december 1997 in Washington DC. Naast de beginselen is ook een actieplan aangenomen voor de instelling van het netwerk, alsmede een lijst van verbintenissen die de afzonderlijke landen moeten aangaan wanneer zij zich bij het netwerk aansluiten. In het actieplan nodigt de G8 ook landen die geen lid zijn van de G8 uit om tot het netwerk toe te treden.

De Raad heeft op 19 maart 1998 een standpunt ingenomen over dit initiatief, waarbij hij de lidstaten verzocht toe te treden tot het
24-uurs/7 dagen per week operationeel netwerk van meldpunten van de G8 ter bestrijding van hightech-criminaliteit en zijn goedkeuring hechtte aan de beginselen van het netwerk.

Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie

Na tijdens de Raadszitting van 15 en 16 maart een politiek akkoord te hebben bereikt, stelde de Raad formeel een besluit vast tot oprichting van een Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie (zie persmededeling, doc. 6757/01, Presse 98).

Drugs


- Toezending van monsters van stoffen die onder toezicht staan
De Raad nam een besluit aan tot vaststelling van een stelsel voor verzending tussen de lidstaten van monsters van stoffen die onder toezicht staan; het besluit beoogt het opsporen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten en de forensische analyse van monsters te vergemakkelijken, en zo de doeltreffendheid van de strijd tegen de illegale drugsproductie en -handel te vergroten.

Toezending van monsters van stoffen die onder toezicht staan, wordt in alle lidstaten beschouwd als een legale vorm van vervoer wanneer zij geschiedt overeenkomstig dit besluit, dat de nodige definities bevat en de passende mechanismen instelt.

Iedere lidstaat wijst met name een nationaal contactpunt aan dat bevoegd is voor de taken die het krachtens dit besluit krijgt toegewezen (de betreffende informatie wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad). Deze nationale contactpunten zijn, in voorkomend geval in vereniging met andere relevante nationale instanties, als enige bevoegd toestemming te verlenen voor de toezending van monsters uit hoofde van dit besluit. Het besluit bevat nadere regelingen betreffende de toestemming voor het verzenden van monsters, het bewijs van ontvangst, de wijzen van vervoer, de omvang van het monster en het gebruik ervan.

Dit besluit wordt ten vroegste twee jaar en uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding ervan in de Raad geëvalueerd.


- Synthetische verdovende middelen

Naar aanleiding van een initiatief van het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad tot instelling van een stelsel van forensische profielanalyse van synthetische drugs beklemtoonde de Raad dat het van belang is dat dit systeem spoedig wordt ontwikkeld, en wel op basis van de volgende principes:


- Het stelsel moet primair gebaseerd zijn op de uitwisseling van forensische gegevens uit forensische profielresultaten. Daartoe dienen gemeenschappelijke protocollen voor het analyseren van monsters te worden opgesteld.

- De eventuele gevolgen voor de Gemeenschapsbegroting moet worden bezien in het licht van de beoordeling van de concrete voorstellen die aan de Raad zullen worden voorgelegd.

- Het stelsel moet alle synthetische drugs omvatten waarvoor geschikte gemeenschappelijke protocollen kunnen worden ontwikkeld en laboratoria kunnen worden gevonden, waarbij voor elke drug de prevalentie in aanmerking wordt genomen.

Schengen - voortzetting van de evaluatie- en toepassingswerkzaamheden

De Raad keurde een document goed waarin de doelstellingen van de evaluaties waarin het Schengenacquis voorziet, staan omschreven; het document bevat een mechanisme voor de evaluatie van staten voordat zij het Schengenacquis toepassen, alsmede voor het toezicht op de toepassing ervan in de landen waar het al wordt toegepast. In het document wordt ook een evaluatieprogramma voor de komende jaren vastgesteld.

Europees Justitieel Netwerk in burgerlijke en handelszaken

De Raad nam een beschikking aan tot oprichting van een Europees Justitieel Netwerk in burgerlijke en handelszaken, teneinde de justitiële samenwerking tussen lidstaten te verbeteren en informatie te verstrekken aan het grote publiek om aldus het gerecht beter toegankelijk te maken in grensoverschrijdende rechtszaken.

Het netwerk bestaat uit:

* contactpunten die door de lidstaten worden aangewezen;
* centrale organen en centrale autoriteiten waarin is voorzien door communautaire besluiten, internationale rechtsinstrumenten waarbij de lidstaten partij zijn en nationale rechtsregels op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken;
* de verbindingsmagistraten op wie Gemeenschappelijk Optreden (96/277/JBZ) van 22 april 1996 inzake een kader voor de uitwisseling van verbindingsmagistraten ter verbetering van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie van toepassing is, voorzover zij verantwoordelijkheden hebben op het gebied van de samenwerking in burgerlijke en handelszaken;
* iedere andere geschikte justitiële of bestuurlijke autoriteit met verantwoordelijkheden op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken waarvan de medewerking aan het netwerk dienstig wordt geacht door de lidstaat waartoe de autoriteit behoort.

Iedere lidstaat wijst een contactpunt aan. Iedere lidstaat kan evenwel daarnaast een beperkt aantal andere contactpunten aanwijzen, als hij dat nodig acht in verband met het naast elkaar bestaan van verschillende rechtsstelsels, de interne verdeling van de bevoegdheden, de taken die aan de contactpunten worden toegewezen, of om gerechtelijke organen die veelvuldig geschillen met grensoverschrijdende aspecten behandelen, rechtstreeks te betrekken bij de werkzaamheden van de contactpunten.

Het netwerk heeft tot taak:

* het vergemakkelijken van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten in burgerlijke en handelszaken, onder andere door het ontwerpen, geleidelijk opzetten en actualiseren van een informatiesysteem voor de leden van het netwerk;
* het ontwerpen, geleidelijk opzetten en actualiseren van een informatiesysteem dat voor het publiek toegankelijk is.

Onverminderd andere communautaire besluiten of internationale instrumenten inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken, zijn de werkzaamheden van het netwerk met name gericht op:

* een soepel verloop van procedures met grensoverschrijdende aspecten en het vergemakkelijken van de afhandeling van verzoeken om justitiële samenwerking tussen de lidstaten, in het bijzonder wanneer er geen communautaire besluiten of internationale instrumenten van toepassing zijn;

* de effectieve en praktische toepassing van communautaire besluiten of van overeenkomsten die tussen twee of meer lidstaten van kracht zijn;

* het opzetten en bijhouden van een informatiesysteem ten behoeve van het publiek over justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Europese Unie, de toepasselijke communautaire besluiten en internationale instrumenten en het interne recht van de lidstaten, met name inzake de toegang tot de rechter.

Het netwerk gaat bij het vervullen van zijn taken in het bijzonder als volgt te werk:

* het vergemakkelijkt het leggen van adequate contacten tussen de bovengenoemde autoriteiten van de lidstaten ten behoeve van de werkzaamheden van het netwerk;

* het organiseert periodieke vergaderingen van de contactpunten en van de leden van het netwerk;

* het zorgt voor de redactie en het actueel houden van de informatie over justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken en over de rechtsstelsels van de lidstaten.

Civiele bescherming

De Raad bevestigde dat er een gemeenschappelijke aanpak bestaat betreffende een beschikking van de Raad tot vaststelling van een communautair mechanisme voor de coördinatie van interventies op het gebied van civiele bescherming in noodsituaties; wel moeten de Duitse, de Franse en de Britse delegatie hun voorbehoud nog intrekken en moet het advies van het Europees Parlement, dat volgende week verwacht wordt, nog worden besproken.

De beschikking, die gebaseerd is op artikel 308 van het VEG, betreft de verbetering en coördinatie van de reacties van de lidstaten bij ernstige noodsituaties, te weten bij natuurrampen en technische rampen alsmede bij stralings- of milieuongevallen, door middel van een gemeenschappelijk communicatiesysteem voor noodsituaties en een mechanisme voor voorafgaande inventarisatie, gezamenlijke opleiding en snelle mobilisering van evaluatie/coördinatieteams en interventieteams.

Andere middelen voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de beschikking zijn de oprichting en het beheer van een waarnemings- en informatiecentrum, nationale contactpunten, het poolen van gegevens over serums en vaccins, het stimuleren van nieuwe technologieën, het vergemakkelijken van het vervoer van hulpmiddelen en regelingen inzake interventies in derde landen.

De beschikking vormt een aanvulling op de Resolutie van 8 juli 1991 betreffende de verbetering van de onderlinge hulp tussen de lidstaten bij natuurrampen en technische rampen. Zij bouwt ook voort op eerdere communautaire maatregelen inzake civiele bescherming en met name op de achtereenvolgende communautaire actieprogramma's op het gebied van civiele bescherming, die gericht zijn op verbetering van de opleiding, de interventietechnieken en de voorlichtingsacties van diensten voor civiele bescherming in de lidstaten.

De beschikking bepaalt voorts dat de beginselen inzake bijstandsverlening in het kader van civiele bescherming zullen worden vastgesteld op basis van de resolutie van 1991.

HANDELSVRAAGSTUKKEN

WTO-EU-Argentinië

De Raad hechtte zijn goedkeuring aan een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Argentinië in het kader van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT) van 1994, met het oog op de wijziging, wat knoflook betreft, van de concessies die zijn opgenomen in lijst CXL, gehecht aan de GATT-overeenkomst.

LANDBOUW

Verlenging van de Internationale Suikerovereenkomst (1992)

De Raad verleende de Commissie machtiging om tijdens de 19e zitting van de Internationale Suikerorganisatie, die van 28 tot en met
30 mei 2001 plaasvindt in New Delhi, te verklaren dat de Gemeenschap voorstander is van een verlenging met twee jaar van de lopende Internationale Suikerovereenkomst, die op 31 december 2001 verstrijkt.

Internationale Graanraad

De Raad hechtte zijn goedkeuring aan een besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Gemeenschap moet worden ingenomen tijdens de 13e zitting van de Internationale Graanraad (IGC), die op 12 en 13 juni 2001 plaatsvindt in Londen.



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie