Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoorden kamervragen van CDA over MKZ

Datum nieuwsfeit: 18-06-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
VVM 01.2137
datum
18-06-2001

onderwerp
Kamervragen MKZ
doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de kamervragen, gesteld van de leden Atsma (CDA) en Stelllingwerf (ChristenUnie) ter voorbereiding op het Algemeen Overleg inzake mond- en klauwzeer.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst

up

datum
18-06-2001

kenmerk
VVM 01.2137

bijlage

Vraag 1

In uw brief van 28 mei 2001 schrijft u dat u op korte termijn van de betrokken marktpartijen (LTO,MKB, VNO/NCW) een definitief standpunt verwacht inzake het wel of niet bijdragen aan het fonds. Welke stappen heeft u ondernomen om met de genoemde partijen van gedachten te wisselen. Kunt U ingaan op de huidige stand van zaken op dit punt?

Antwoord

In de tweede helft van mei heeft het bedrijfsleven mij een brief over dit onderwerp geschreven met een afschrift aan de minister-president en minister Jorritsma, waarin wordt aangegeven wat de knelpunten zijn om te participeren in het fonds en waarin het verzoek wordt gedaan tot nader overleg. Er zijn daarna, op individuele basis, een aantal contacten geweest met betrokkenen uit het bedrijfsleven. Deze informele gesprekken duiden er op dat het bijdragen aan het fonds door het bedrijfsleven nog steeds erg moeilijk ligt. Ik heb in mijn reactie aan de voorzitter van het Raad van de Centrale
Ondernemingsorganisaties (RCO) aangegeven dat ik gaarne met het bedrijfsleven wil overleggen, doch alleen indien het bereid is bij te dragen aan het fonds. Ik verwacht een dezer dagen een antwoord.

Vraag 2

U heeft toegezegd binnen 6 tot 8 weken na ruiming de getroffenen de 2e tranche taxatiegeld uit te betalen. Ons bereiken signalen dat die termijn niet gehaald wordt. Kunt u ingaan op de stand van zaken en op de oorzaken van het overschrijden van de 6 tot 8 weken? Welke systematiek hanteert u als het gaat om de uitbetalingen? Is het waar dat hobbyboeren eerder worden uitbetaald dan anderen?

Antwoord

Ik heb toegezegd me ervoor in te spannen dat, als regel, 6 à 8 weken na ruiming de definitieve betaling zal plaatsvinden. Daaraan wordt nu met man en macht gewerkt en tot op heden zijn circa 300 dossiers definitief afgewerkt. De definitieve betaling is echter van een groot aantal factoren rondom de dossiervorming afhankelijk, waardoor het mogelijk is dat niet in alle gevallen de streefdatum wordt gehaald. In een aantal gevallen zal sprake zijn van een hertaxatie. Voorts zal, in geval van toe te passen kortingen, deze kortingbepaling aan de hand van zorgvuldig op te stellen rapportages moeten geschieden. Zodra een dossier betaalwaardig is, zal binnen enkele dagen de feitelijke uitbetaling plaatsvinden. Er is geen sprake van het met voorrang uitbetalen van hobbyboeren.

Vraag 3

Hoe wordt omgegaan met bezwaren die ingediend zijn inzake de hoogte van taxaties? Hoe en wanneer worden betrokkenen over de stand van zaken geïnformeerd?

Antwoord

Indien gedupeerde niet instemt met de waardevaststelling bij taxatie, kan deze , op grond van artikel 88 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) een hertaxatie aanvragen. De RVV verzoekt daarop de kantonrechter drie beëdigde taxateurs te benoemen die tot hertaxatie overgaan. De veehouder wordt door de taxateurs van termijnen op de hoogte gesteld.

Vraag 4

Waarom is de Provincie Flevoland onder een ander compartiment gebracht? Op welke manier heeft u de inwoners van Flevoland in kennis gesteld van deze wijzigingen? Welke consequenties heeft de compartimenterings verandering van de genoemde provincie?

Antwoord

De provincie Flevoland was nationaalrechtelijk ingedeeld in compartiment N2. De Europese Commissie heeft echter per 29 mei 2001 Beschikking 2001/223/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 maart 2001 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met mond- en klauwzeer in Nederland (PbEG L 82) aangepast in die zin dat de provincie Flevoland van bijlage II van de beschikking werd verwijderd. Gevolg hiervan was dat voor de Provincie Flevoland een ander, lichter, regime zou gaan gelden dan voor het overige deel van compartiment N2. Provincie Flevoland is daarop toegevoegd aan een compartiment, Noord 3, waar hetzelfde regime van kracht was. Dit om te zorgen voor een optimale handhaving van de regelgeving.

Consequentie van de indeling bij compartiment Noord 3 was dat de export van levende runderen en varkens vanuit deze provincies direct naar een in het buitenland gelegen slachthuis werd toegestaan. Een andere consequentie was dat vervoer vanuit Flevoland naar Friesland, Groningen en Drenthe voor schapen en geiten weer mogelijk was vanaf 29 mei.

Wijzigingen in de regelgeving, en dus ook bovengenoemde wijziging, worden via de geëigende weg gecommuniceerd. Het betrokken bedrijfsleven wordt via regulier overleg op de hoogte gesteld. Daarnaast wordt een persbericht uitgedaan, en wordt de betreffende regeling uiteraard op internet gepubliceerd.

Vraag 5

De provincie Friesland heeft geld uitgetrokken om het toerisme in het Friese MKZ-gebied te promoten. Is dit initiatief voor u reden om nationaal ook middelen ter beschikking te stellen ten einde de toeristische sector bij te staan?

Antwoord

Het kabinet wil een bijdrage geven aan het fonds MKZ zoals U bekend is. Dit fonds zal bijdragen kunnen geven aan bedrijven die door de MKZ-crisis in continuïteitsproblemen komen. Dat zullen ook toeristische bedrijven kunnen zijn. Het kabinet wil evenwel geen middelen aan het MKZ-fonds ter beschikking stellen ter promotie van toeristische activiteiten.
Dit neemt niet weg dat de promotie van toeristische activiteiten wel een thema zou kunnen zijn dat in het kader van het steunfonds MKZ een plaats zou kunnen krijgen. De financiering daarvan zou dan evenwel van het bedrijfsleven dienen te komen.

Vraag 6

Bent u met ons van mening dat er nu overleg met de sector plaats moet vinden om te komen tot een versoepeling van de Minas-normen voor het jaar 2001.

Antwoord

Op dit moment inventariseer ik welke knelpunten in MINAS kunnen optreden. Ik ben voornemens op korte termijn hierover overleg met het bedrijfsleven te voeren. Zo nodig zal ik versoepelingen doorvoeren. Ik vind het echter nu nog te vroeg om daar concrete toezeggingen over te doen.

Vraag 7

Bent u van mening dat bedrijven, en dan met name pachtbedrijven, die een Bbz-uitkering ontvangen in de vorm van een renteloze geldlening, op achterstand worden gezet, omdat ze in het uitkeringsjaar wel meer financiële ruimte krijgen maar door de aflossing extra verplichtingen krijgen?

Antwoord

Ik ben deze mening geenszins toegedaan. Door een renteloze lening in het kader van het Bbz zijn deze bedrijven juist in staat om voort te bestaan. Indien ze deze lening niet hadden gekregen zouden ze mogelijk hebben moeten stoppen.

Vraag 8

Bent u van mening dat nu het LEI berekend heeft dat de inkomensschade in de veehouderij niet 164 miljoen bedraagt maar 197 miljoen de voorzieningen in het Fonds groter moeten worden dan de huidige gedane toezeggingen.

Antwoord

Er is geen directe relatie tussen de bijdrage van de overheid aan het fonds en het voornoemde bedrag. De bijdrage van de overheid beoogt ook voor bedrijven buiten de landbouw die getroffen zijn door MKZ een faciliteit te bieden. Voorts is de bijdrage van de overheid alleen bedoeld voor bedrijven die in continuïteitsproblemen komen. De bijdrage beoogt dus niet compensatie van de geleden schade.

Vraag 9

In uw brief met betrekking tot de ontwerpstatuten van het steunfonds MKZ (7 juni 2001) schrijft U onder meer dat geschat wordt dat een beperkt deel van de bedrijven die schade door MKZ hebben geleden, een continuïteitsprobleem heeft of krijgt. Waarop zijn deze schattingen gebaseerd.

Antwoord

In mijn brief spreek ik over 'continuïteitsprobleem als gevolg van MKZ' dus niet over continuïteitsprobleem in zijn algemeenheid. Het LEI heeft op mijn verzoek een verfijnde berekening gemaakt van de aantallen bedrijven naar omvang van de schade als gevolg van MKZ. Dit gevoegd bij de informatie uit de bedrijfseconomische publicaties van het LEI leert dat het eigen vermogen van de bedrijven doorgaans voldoende buffer zal vormen om deze calamiteit op te vangen. Er zijn evenwel bedrijven die op zich levensvatbaar zijn doch een moeilijke financiële positie hebben. Ik denk hier dan bijvoorbeeld aan bedrijven die pas door een jongere zijn overgenomen, bedrijven die juist flink hebben geïnvesteerd en nu een forse schade lijden, of bedrijven die nu schade lijden en ook al door andere oorzaken getroffen zijn (bijvoorbeeld door de varkenspest).

Vraag 10

Hoe gaat U om met bedrijven die zich nu, vanwege MKZ genoodzaakt voelen om te reorganiseren en daarbij arbeidskrachten ontslaan (b.v. CR Delta). Bent U van mening dat er in het genoemde voorbeeld sprake is van een continuïteitsprobleem? Met ondersteuning zou het voor het genoemde voorbeeld wellicht niet nodig zijn om zoveel arbeidskrachten te ontslaan.

Antwoord

Bedrijven met personeel kunnen gebruik maken van de faciliteit die door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is getroffen (uitkeringen uit de fondsen bij arbeidstijdverkorting). Overigens moet niet uit het oog worden verloren dat niet in alle gevallen de ontslagen geheel en al op de MKZ-crisis zijn terug te voeren.

Vraag 11

Bent u met ons van mening dat een bedrijf met continuïteitsproblemen onvoldoende adequaat geholpen wordt als er in het kader van het MKZ noodfonds een rentesubsidie op een lening wordt verstrekt? Is het niet mogelijk om een breder instrumentarium te definiëren? Immers de financieringslast zal bij het verstrekken van leningen toenemen waardoor het continuïteitsprobleem niet voldoende opgelost kan worden.

Antwoord

Ik acht in zijn algemeenheid een rentesubsidie op een lening een adequaat instrument om een bedrijf met continuïteitsmoeilijkheden te helpen. Op deze manier komt immers liquiditeit beschikbaar zonder dat de kosten voor het getroffen bedrijf op dat moment hoger worden. Voorts is de uitvoering voor het fonds relatief eenvoudig omdat de beoordeling of de betrokkene in aanmerking komt voor de lening en dus perspectief heeft op continuïteit in eerste instantie ligt bij de verstrekker van de lening en niet bij het fonds.

Vraag 12

Kunt u aangeven hoe de zinsnede 'met uitzondering van de voorziening getroffen in het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen' (brief 7 juni, artikel 2, lid 1) uitgelegd moet worden? Betekent dit dat getroffenen die gebruik maken van de Bbz-regeling niet gebruik kunnen maken van een rentesubsidie op een lening. Een zo ja, waarom is dat dan zo?

Antwoord

Het Bbz is een sociaal vangnet. Een toekenning uit het fonds MKZ vormt voor het Bbz een 'voorliggende' voorziening. Men kan pas gebruik maken van het Bbz indien er geen andere 'voorliggende' voorzieningen zijn. Indien in het kader van het Bbz een uitkering is ontvangen is dit een voorlopige voorziening. Bij de definitieve vaststelling wordt deze gecorrigeerd voor andere voorzieningen waar men voor in aanmerking komt.

Vraag 13

In uw brief van 7 juni, artikel 6 lid 6 schrijft u dat het bestuur haar bevoegdheden uitoefent met inachtneming van de door de Minister gestelde of te stellen regels. Betekent dit dat er gedurende de looptijd van het fonds nog nieuwe regels vastgesteld kunnen worden inzake voorwaarden en criteria? Zo ja, waarom is dat?

Antwoord

Inderdaad kunnen er gedurende de looptijd van het fonds nog nieuwe regels worden vastgesteld. Dit is om flexibel te kunnen werken. Op deze wijze kan worden voorzien in eventuele situaties waarin aanpassing van de voorwaarden noodzakelijk is.

Vraag 14

Het verzamelen van weidevee op veemarkten wordt verboden, aldus uw brief van 7 juni 2001. Zal dat er volgens u niet toe leiden dat veehandelaren- meer dan tot op heden weidevee uit het buitenland zullen importeren wat wellicht meer veterinaire risico's met zich mee zal brengen dan het verhandelen van weidevee op veemarkten?

Antwoord

Het is niet zo dat specifiek het verzamelen van weidevee op veemarkten wordt verboden. Het verzamelen van runderen voor het leven wordt, enige uitzonderingen daargelaten, verboden. Het is niet uit te sluiten dat door deze maatregel de import van in het buitenland verzameld weidevee zal toenemen. Overigens gelden op basis van de Europese handelsrichtlijn ook in de rest van het EU eisen t.a.v. verzamelplaatsen, deze zijn echter in mijn optiek niet strikt genoeg. Voor mij is dit een reden temeer op korte termijn het verzamelen en verhandelen van dieren in Europees verband aan de orde stellen. Nationaal geldt daarnaast dat het ontvangende bedrijf 30 dagen op slot gaat alvorens afvoer voor het leven is toegestaan. Hierdoor worden de veterinaire risico's voor een groot deel weggenomen. Zoals ik ook in het AO van 14 juni jl. heb aangegeven zal ik de kamer op korte termijn een risico-analyse van het voor het leven verzamelen van runderen doen toekomen.

Vraag 15

In uw brief van 7 juni 2001 kondigt u aan dat bij de verzameling van vee in Nederland meer inrichtings- en administratieve eisen zullen worden gesteld. Wat bedoelt u precies? Wie zal de regelgeving uitvoeren, bekostigen en op de handhaving toezien?

Antwoord

De gestelde inrichtings- en administratieve eisen aan de verzamelcentra voor runderen zijn nagenoeg gelijk aan de eisen die thans reeds gelden voor verzamelcentra voor varkens en voor exportstallen van rundvee. De belangrijkste punten zijn het treffen van voorzieningen zodat onder alle klimatologische omstandigheden de veewagens en het verzamelcentrum kunnen worden gereinigd en ontsmet. Daarnaast moet de administratie van het verzamelcentrum zodanig worden ingericht dat op overzichtelijke wijze inzicht wordt gegeven over de herkomst en eindbestemming van de verhandelde dieren. De uitvoering van de regeling ligt bij de RVV. Deze dienst verleent de erkenning en ziet toe op de naleving van de voorschriften. De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke aanpassingen komen ten laste van het bedrijfsleven. De kosten van het toezicht door de RVV/AID komen voor rekening van LNV.

Vraag 16

Welke stappen gaat u ondernemen om de schapensector te stimuleren een sluitend I&R systeem te organiseren? In hoeverre bent u op de hoogte van het feit dat bijvoorbeeld stamboekschapen al beschikken over een sluitend I&R systeem en kan dat betekenen dat voor deze categorie schapen andere regels kunnen gelden?

Antwoord

Pas wanneer in de schapensector een sluitend I&R systeem is geïntroduceerd zal het verzamelen van schapen voor de slacht worden toegestaan. Dit zal de sector stimuleren mee te werken aan de ontwikkeling van een dergelijk systeem dat echter onder verantwoordelijkheid van mijn ministerie zal worden ontwikkeld. Ik ben op de hoogte van het bestaan van het vrijwillige I&R systeem, het zgn. individuele dier registratie systeem (IDR) van het stamboek. Dit vrijwillige systeem heeft echter betrekking op fokschapen en omvat dus slechts een klein deel van de schapenstapel. Als zodanig is het dus mogelijk wel een basis voor een tijdelijk systeem, het kan echter niet als vervanging van het voorgestelde systeem (vergelijkbaar met het I&R systeem voor runderen) dienen. Overigens zal ik ook aandacht besteden aan de mogelijkheden die een privaat systeem, tijdelijk, zouden kunnen bieden.

Vraag 17

Hoe wordt omgegaan met reeds gedane toezeggingen en gecreëerde verwachtingen zoals bijvoorbeeld bij een bedrijf in Sprang Capelle ? Het bedrijf heeft een Export Verzamel Plaats (EVP) gerealiseerd en daarvoor flink geïnvesteerd. De realisatie is in overleg met RVV gedaan en de RVV heeft verzekerd dat de EVP voldeed aan de eisen. Op 8 juni 2001 kondigt u echter een ander eisenpakket aan (onder meer de eis dat er een overdekte R&O plaats moet komen en een afstand van 100 meter tussen stallen moet zijn terwijl daar in het bestemmingsplan geen mogelijkheid voor is). Hoe gaat u met een dergelijke situatie om ?

Antwoord

De eisen die in de nieuwe regeling aan EVP's worden gesteld zijn slechts op een beperkt aantal plaatsen anders dan de eisen die op basis van de eerdere regeling aan EVP's werden gesteld. Zo is in de nieuwe Regeling betreffende het verzamelen van runderen als extra eis gesteld dat vrachtwagens onder alle klimatologische omstandigheden moeten kunnen worden gereinigd en ontsmet waarvoor een overkapping van de wasplaats noodzakelijk is. Aan deze eis zal moeten worden voldaan. Voor wat betreft de afstand van 100 meter ten opzichte van een ander veehouderijbedrijf zal worden bezien of hiervoor een ontheffing kan worden verleend, tenslotte zal ook het gebruik van de zogenaamde epidemiologische eenheden nader bezien worden.

Vraag 18

Hoe gaat u om met ondernemers uit Toezichtsgebieden die biggen en/of varkens aangemeld hebben voor de opkoopregeling en later bericht hebben ontvangen dat ze niet meer onder de regeling zouden kunnen vallen (omdat zo vermeld de brief van laser ze niet meer in een toezichtsgebied zouden vallen, wat niet zo was) terwijl ze toch graag deelnemen aan de opkoopregeling omdat de mogelijkheden om de dieren op andere manieren af te zetten gering zijn?

Antwoord

Gedurende de crisisperiode hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan in de status van gebieden. Ook vanuit de EU zijn hiervoor continu wijzigingen doorgevoerd. Het kan derhalve zo zijn geweest dat een bedrijf zich heeft aangemeld voor de opkoopregeling, maar dat in de tussentijd (dus tussen het tijdstip van aanmelding en daadwerkelijke uitvoering) de status van het gebied is veranderd. Dit heeft tot gevolg dat de opkoopregeling voor deze bedrijven niet meer van toepassing kan worden gesteld. De gebieden hebben namelijk een minder stringent regime gekregen waardoor er weer sprake kon zijn van marktwerking. Dat op dat moment de markt enigszins timide was kan verklaren dat de bedrijven een geringere afzet voor hun producten hadden.

Vraag 19

Heeft u al overleg gevoerd met uw Europese collega's teneinde draagvlak te creëren voor uw plannen om het intracommunautaire handelsverkeer in Europees verband op de agenda te zetten ? Zo ja, wat zijn de resultaten van uw overleg ? Zo nee, hoe gaat u het benodigde draagvlak creëren ?

Antwoord

Tijdens de Landbouwraad van 19 juni aanstaande wordt op verzoek van Nederland gesproken over verschillende aandachtspunten m.b.t. de MKZ-crisis, met name veeverzamelplaatsen. De aspecten die daarbij voor het voetlicht komen zijn: de risico's op dierziekten verspreiding en dierenwelzijn.
Tevens ligt het in de bedoeling dat tijdens de Raad een resolutie wordt aangenomen gericht op een betere bescherming van dieren tijdens vervoer. Het is voor mij evident dat dit een grote invloed heeft op de transport van dieren. De afgelopen twee Landbouwraden, heb ik aangegeven dat ik een fundamenteel debat over het vervoer van dieren noodzakelijk acht.
Gezien de ontwikkelingen in de ander lidstaten (met name het Verenigd Koninkrijk en Duitsland) lijkt hiervoor een brede basis te bestaan.

ChristenUnie

Vraag 1

Welke activiteiten ontwikkelt u in aanloop naar de Euro-conferentie waar het non-vaccinatiebeleid ter discussie zal staan? In hoeverre tracht u de opinie in andere landen actief te beïnvloeden, dan wel draagvlak te organiseren om het non-vaccinatiebeleid op de helling te krijgen?

Antwoord

De voorbereidingen voor de Europese Conferentie over de ervaringen van MKZ in het Verenigd Koninkrijk en Nederland zijn inmiddels ter hand genomen. Belangrijk element zal natuurlijk het non-vaccinatiebeleid zijn. Vanzelfsprekend zal in de aanloop van deze conferentie daarover met verschillende Europese collega's in bilaterale contacten van gedachte gewisseld worden. De Commissie heeft inmiddels aangegeven dat de aanbevelingen van de conferentie die ik in het najaar samen met mijn Engelse collega organiseer, mede zullen dienen als bouwstenen voor de discussie die dan zal plaats vinden met de Europese Commissie over het non-vaccinatiebeleid.

Vraag 2

Tijdens het vorige overleg heeft u positief gereageerd op de vraag van de CristenUniefractie om door BSE getroffen bedrijven op een gelijke wijze te behandelen als door MKZ getroffen bedrijven. Hierbij denkt de Christenunie-fractie onder andere aan de 40-centsregeling, de 70-centsregeling (tot 1 april) en de mogelijk aanspraken op het noodfonds. Kunt u aangeven hoe dat vorm wordt gegeven, en wanneer daar duidelijkheid over ontstaat?

Antwoord

De 40-centsregeling is een regeling die op een initiatief van het zuivelbedrijfsleven berust en ook door het bedrijfsleven wordt uitgevoerd. Het staat het bedrijfsleven op zich vrij ook melkveehouders die door BSE zijn getroffen en hun quotum niet kunnen volmelken van de regeling gebruik te laten maken. De opmerkingen vanuit de Tweede Kamer dienaangaande zijn aan het bedrijfsleven doorgegeven. Ik kan e.e.a. echter niet afdwingen. Overigens wil ik er wel op wijzen dat de door BSE getroffen melkveehouders in het algemeen hun bedrijf veel sneller kunnen herbevolken dan hun collega's waarvan de bedrijven in het kader van MKZ zijn geruimd. Met betrekking tot de 70-centsregeling die op het melkprijsjaar 2000/2001 zal worden toegepast merk ik op dat het hier om een tegemoetkoming gaat voor vernietigde melk. Anders dan bij bedrijven die verdacht zijn verklaard in het kader van MKZ gaat het bij door BSE getroffen bedrijven om een beperkte hoeveelheid melk.



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie