Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief minister Korthals inzake Vaatstra

Datum nieuwsfeit: 25-06-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Justitie
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Justitie


www.justitie.nl

MIN JUST: Brief minister Korthals inzake Vaatstra

Postadres Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG Bezoekadres
Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag
Telefoon (070) 3 70 79 11
Fax (070) 3 70 79 00
Telex 34554 mvj nl

Onderdeel Bureau JBA
Contactpersoon Mw. mr. D.J.M.W. Paridaens
Doorkiesnummer(s) 070 370.7157
Datum 25 June 2001
Ons kenmerk 5105806/501/DP
Onderwerp Uitlatingen over de zaak Vaatstra

In het algemeen stel ik mij terughoudend op in het verstrekken van informatie over lopende individuele strafzaken. Gezien echter de commotie die de uitspraken van officier van justitie mr. R. G. de Graaf in de documentaire van Omroep Friesland over de zaak Vaatstra hebben veroorzaakt, acht ik het wenselijk u nader te informeren over de aanhouding van verdachte H.

Inleiding
Op 1 mei 1999 werd in een weiland nabij Veenklooster in Friesland het stoffelijk overschot aangetroffen van naar later bleek Marianne Vaatstra. Uit onderzoek bleek dat deze vrouw door geweld om het leven was gebracht. Voorts bleek dat zij was verkracht. Gelet op onder meer de lokatie waar het slachtoffer is gevonden, alsmede sporen op het plaats delict, heeft de dader zich vermoedelijk verplaatst per fiets.

Opsporingsonderzoek
In het kader van het door het recherche bijstandsteam (RBT) ingestelde onderzoek zijn verklaringen afgelegd door twee beveiligingsbeambten van het asielzoekerscentrum in Kollum. Deze beveiligingsbeambten hebben onder meer verklaard dat zij tijdens hun nachtdienst van 30 april op 1 mei 1999 hebben gezien dat op 30 april tussen 23.30 en 24.00 uur, een groep van ongeveer 7 bewoners het terrein verliet. Van deze groep was H. als enige op een fiets. Toen de groep tussen 03.30 en 04.00 uur die nacht terugkwam, was H. niet aanwezig en ook de volgende dag is hij niet meer gezien door de
beveiligingsfunctionarissen. Verder hebben zij verklaard dat H. sinds die nacht niet meer langskwam om fitness apparatuur te lenen en dat de post van H. kort na de verdwijning door een andere persoon werd opgehaald.
Uit het onderzoek van het RBT bleek voorts dat H. na 30 april 1999 niet meer heeft voldaan aan de wekelijkse meldingsplicht bij de vreemdelingendienst en een andere (onbekende persoon) de groene stempelkaart van H. ter stempeling heeft aangeboden.

Aanmerken als verdachte
Op grond van de verklaringen van deze beveiligingsbeambten en op grond van een aantal bijkomende omstandigheden, waarop ik nu niet behoef in te gaan, werd H. als verdachte in de zaak Vaatstra aangemerkt.

Naar aanleiding van het vorenstaande is door de officier van justitie op 9 juli 1999 bij de rechter-commisaris (RC) een vordering ingediend tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, hetgeen door de RC is toegewezen.
Na 9 juli 1999 is, met machtiging van de RC, een groot aantal telefoonlijnen afgeluisterd, teneinde de verblijfplaats van H. te achterhalen. H. werd voorts nationaal en internationaal gesignaleerd.

Voortgang opsporingsonderzoek
Van de spoorwegpolitie kwam bericht dat H. op 29 april 1999 zou zijn bekeurd voor zwart rijden op het baanvak Den Helder-Haarlem. Naar aanleiding van TV-uitzendingen waarbij het signalement van de verdachte was getoond spraken op 10 september 1999 leden van het RBT met getuige I. Deze verklaarde dat hij contact had gehad met getuige II die tegen hem had verklaard dat de 'Turkmeense'man van wie de foto op de televisie was getoond, bij hem in huis was geweest. Vanaf medio september 1999 werd nader onderzoek ingesteld naar de bewoners van dat huis. Dit heeft niet geleid tot vaststelling van de verblijfplaats van H..
Op 6 en 8 oktober 1999 werd door het RBT gesproken met twee andere bewoners, getuigen III en IV. Uit de verklaring van getuige III bleek onder meer, dat H. bij hen in huis was geweest en op 29 april 1999 was gearriveerd, dat hij H. en een huisgenoot op Koninginnedag was tegengekomen op de rommelmarkt in Haarlem en dat H. op zondag 2 mei of maandag 3 mei weer was vertrokken. Getuige III kon niet met zekerheid vertellen waar H. al die dagen had geslapen.
Persoon IV verklaarde onder meer, dat H. op de dag voor Koninginnedag in huis was en .s nachts in de gemeenschappelijke ruimte sliep en op de daarop volgende zondag of maandag weer was vertrokken.

Over de verblijfplaats van H. gedurende de bewuste nacht van 30 april op 1 mei 1999 hebben deze getuigen niets verklaard. Deze verklaringen gaven H. geen sluitend alibi. De aanvankelijke verdenking bleef derhalve bestaan.

Aanhouding en heenzending
Op 8 oktober 1999 kon met hulp van één van voornoemde bewoners de verblijfplaats van H. worden achterhaald. Op zaterdagmiddag 9 oktober 1999 is hij op verzoek van de officier van justitie aangehouden. Op 12 oktober 1999 heeft H. vrijwillig wangslijmvlies afgestaan. Op 15 oktober 1999 bleek uit DNA-onderzoek dat H. niet de dader was van de moord. Nog dezelfde dag zijn de Turkse autoriteiten per fax hierover geinformeerd waarna hij is heen gezonden.

De documentaire.
Eind 2000 is besloten het onderzoek naar de moord op Marianna Vaatstra tot mei 2001 en later tot juli 2001 te verlengen met tijdelijke uitbreiding van het team. Deze beslissingen zijn door het Openbaar Ministerie ook aan de pers ter kennis gebracht. Een en ander leidde tot het verzoek van Omrop Fryslan, om een documentaire te mogen maken, waarin een beeld zou worden gegeven over de ervaring en beleving van ruim twee jaar onderzoek door de degenen die het onderzoek verrichtten: de rechercheurs en de zaaksofficier. Gegeven de vele publiciteit die over dit onderzoek heeft plaatsgevonden zonder dat politie en OM daarin aan het woord kwamen, werd besloten op dit verzoek in te gaan. De documentaire is op 24 juni jl. uitgezonden. Een fragment van het deel van de documentaire waarin de gewraakte uitspraken van mr. de Graaf voorkomen, is in de week voordien zonder vooroverleg eerst in de nieuwsrubriek van Omrop Fryslan, Hjoed (Fries voor: Vandaag), en vervolgens in diverse journaals en actualiteitenrubrieken uitgezonden.

De feitelijke gang van zaken rond de aanhouding en de juridische beoordeling daarvan.

Met de Hoofdoffcier van Justitie en het College van procureurs-generaal deel ik de conclusie dat de in juli 1999 bekende feiten en omstandigheden het aanmerken van H. als verdachte rechtvaardigden.
De in oktober 1999 door de getuigen I tot en met IV afgelegde verklaringen, verschaften geen sluitend alibi voor de moordnacht voor verdachte H. en hebben mr. de Graaf destijds geen aanleiding gegeven H. niet meer als verdachte aan te merken of de (internationale) signalering in te trekken.
Zou hij dat wel hebben overwogen en aan de parketleiding voorgelegd, dan zou op grond van de hierna te noemen argumenten de parketleiding daarmee niet hebben ingestemd.

Tegenover de verklaringen van met name de beveiligingsbeambten stonden weliswaar in oktober 1999 de verklaringen van getuigen III en IV, maar die laatste gaven geen uitsluitsel over de verblijfplaats van H. in de nacht van de moord. En ook als daarvan wel sprake zou zijn geweest, was nog steeds sprake van tegenstrijdige getuigenverklaringen. Het totaal van feiten en omstandigheden stond derhalve in de weg aan de conclusie dat alleen op basis van de verklaringen van getuigen IIIen IV reeds vast zou zijn komen te staan dat H. niet de dader kon zijn geweest. Hij bleef derhalve verdachte en zijn aanhouding had daarmee een voldoende juridische basis. Gegeven de tegenstrijdige getuigenverklaringen was wel des te meer van belang om definitief uitsluitsel te verkrijgen over de vraag of deze verdachte ook de dader was. De aanhouding, het aansluitende verhoor en DNA-vergelijking zouden hierover opheldering kunnen geven.

De uitspraken van de officier van justitie mr. de Graaf over de aanhouding.

De officier van justitie heeft, naar mij is medegedeeld, met zijn uitspraken beoogd zijn beleving en ervaring van een onderzoek, dat onder grote maatschappelijke onrust en beroering plaatsvond en de daarmee verbonden druk, onder woorden te brengen. Bij het verwoorden daarvan in de documentaire zijn echter, naar hij zelf ook erkent, door hem deels onvolledige en onjuiste uitspraken gedaan, bijvoorbeeld over het feit dat H. niet in Friesland was, en dat hij dacht dat het in een normaal onderzoek mogelijk was geweest te zeggen dat H. niet meer interessant was, maar hij het in dit onderzoek niet kon maken om zelf die conclusie te trekken vanwege de publieke opinie. Mr de Graaf heeft dan medegedeeld deze uitlatingen te betreuren.
Ik onderschrijf de mening van de Hoofdofficier van Justitie en het College van procureurs-generaal dat de in de documentaire gedane uitspraken door mr. De Graaf voldoende grond missen. Ten onrechte heeft hij de indruk gewekt dat onder druk van de publieke opinie H., voormalig bewoner van het asielzoekerscentrum, is aangehouden. Naar aanleiding van de uitspraken van mr. de Graaf heeft de hoofdofficier van Justitie indringend met hem gesproken. Gegeven dit gesprek, het feit dat hij zijn uitlatingen betreurt en de impact van de gebeurtenissen op betrokkene zie ik geen aanleiding tot verdere maatregelen tegen betrokkene.

De Minister van Justitie,

25 jun 01 19:10

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie