Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord op kamervragen eerste suppletore begroting BuZa

Datum nieuwsfeit: 27-06-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

www.minbuza.nl/content.asp?Key=417323



Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 Den Haag Directie Financieel-Economische Zaken Afdeling Begrotingszaken Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag

Datum 27 juni 2000 Auteur Gera Sneller

Kenmerk FEZ/BZ-208/00 Telefoon +31 70 348 5319

Blad /1 Fax +31 70 348 6128

Bijlage(n) 1 E-mail (gaa.sneller@minbuza.nl)

Betreft Vragen naar aanleiding van de eerste suppletore begroting 2001 van Buitenlandse Zaken

Zeer geachte Voorzitter

Hierbij hebben wij de eer u de antwoorden aan te bieden op de vragen gesteld door de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de eerste suppletore begroting 2001 van Buitenlandse Zaken (wijzigingen samenhangende met de Voorjaarsnota; 2000-2001, 27 758, nr.1).

De Minister van Buitenlandse Zaken

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Antwoorden op de vragen gesteld door de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de Eerste Suppletore Begroting 2001 van Buitenlandse Zaken (wijzigingen samenhangende met de Voorjaarsnota)

Kamerstuknummer : 27758

Vragen aan : Regering

Commissie : Buitenlandse Zaken

Nr Vraag Blz van tot


1 Realiseert de regering zich dat ook de suppletore begroting volgens de VBTB (van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording)-systematiek moet worden opgezet en wanneer gaat dat gebeuren? De begroting 2001 van Buitenlandse Zaken is opgesteld volgens de 'oude' systematiek. Om die reden worden in 2001 de suppletore begrotingen nog opgesteld volgens de oude systematiek. De begroting 2002 en de suppletore begrotingen 2002 zullen worden opgezet volgens de VBTB-systematiek. 1


2 Kan de regering een overzicht geven van de stand van zaken met betrekking tot de landen met OS-schulden die in aanmerking komen voor schuldverlichting in HIPC-kader, wat betreft het al dan nog niet bereiken van het HIPC-decision point? Om welke omvang van te saneren schulden gaat het bij deze landen en welke bijdrage kan Nederland leveren aan de volledige kwijtschelding? De volgende HIPC-landen hebben nog OS-schulden aan Nederland. Onder OS-schulden zijn begrepen schulden uit hoofde van concessionele leningen in de vorm van door Nederland gegarandeerde NIO-kapitaalmarktleningen met rentesubsidie en ten laste van voorgaande OS-begrotingen gefinancierde concessionele begrotingsleningen. Daarbij gaat het om de volgende uitstaande bedragen (exclusief achterstalligheden) per ultimo december 2000: Angola NLG 136 mln Ghana NLG 92 mln Honduras NLG 17 mln Ivoorkust NLG 9 mln Kameroen. NLG 97 mln Kenya NLG 121 mln Myanmar NLG 19 mln Nicaragua NLG 83 mln Vietnam NLG 16 mln HIPC-landen die het beslispunt hebben bereikt komen in aanmerking voor kwijtschelding van hun OS-schulden. Het HIPC-beslispunt werd inmiddels bereikt door: Honduras op 13-07-2000 Kameroen op 10-10-2000 Nicaragua op 21-12-2000 Deze drie landen komen dit jaar in aanmerking voor kwijtschelding van alle nog openstaande OS-vorderingen. Hiermee zal dit jaar in totaal plm. NLG 198 mln gemoeid zijn. Uitgangspunt is dat de kwijtschelding zal worden geëffectueerd met terugwerkende kracht vanaf het HIPC-beslispunt. Het kwijt te schelden bedrag van NLG 198 mln bestaat uit door Nederland gegarandeerde NIO-kapitaalmarktleningen (NLG 136 mln) en ten laste van voorgaande begrotingen gefinancierde begrotingsleningen (NLG 62 mln). De kwijtschelding van kapitaalmarktleningen kwalificeert per saldo niet als ODA. Om de Nederlandse ODA-doelstelling (0,8% BNP) te garanderen is besloten NLG 136 mln toe te voegen aan ODA ten laste van het generale beeld. Ghana zal naar verwachting in de loop van dit jaar het beslispunt bereiken. De andere genoemde HIPC-landen komen om uiteenlopende redenen vooralsnog niet in aanmerking voor HIPC-behandeling. De omvang van de te saneren schulden van een HIPC-land kan pas worden aangegeven wanneer een land het zogenaamde decision point bereikt. Daarbij wordt namelijk een geactualiseerde schulden-houdbaarheidsanalyse uitgevoerd en wordt in beginsel de hoogte van de benodigde schuldkwijtschelding vastgesteld. De netto contante waarde van de na HIPC-kwijtschelding resterende externe schulden bedraagt volgens gegevens van de Wereldbank in: Honduras USD 2,6 mrd (was USD 3,2 mrd) Kameroen USD 4,7 mrd (was USD 6,6 mrd) Nicaragua USD 1,3 mrd (was USD 5,5 mrd) In deze kwijtschelding is inbegrepen de schuldenreductie door multilaterale financiële instellingen en van de door de overheid gegarandeerde commerciële schulden, die betrokken zijn in de HIPC-behandeling in het kader van de Club van Parijs. Nederland zal na het bereiken van het HIPC-eindpunt 100% van de in het kader van de Club van Parijs geconsolideerde commerciële schuld kwijtschelden. Kwijtschelding van OS-vorderingen zal deze landen additioneel ten goede komen. Bijgevoegd is een overzicht per 31-12-2000 van de totale uitstaande Nederlandse door de overheid gegarandeerde commerciële vorderingen op landen, die tot dusverre het HIPC-beslispunt hebben bereikt. 4


3 Kan de regering een overzicht geven van de ontwikkelingen binnen ODA en non-ODA binnen de HGIS en tevens inzicht verschaffen in de wijze waarop mee- en tegenvallers worden gecompenseerd? Een volledig overzicht van de ontwikkelingen in de HGIS zal worden verstrekt in de HGIS-nota 2002, die op Prinsjesdag aan het Parlement zal worden aangeboden. Gedurende 2001 is sprake van een aantal budgettaire tegenvallers binnen de HGIS. Voor non-ODA zijn dit de deelname aan UNMEE, een stijging van de contributies aan de Verenigde Naties voor vredesoperaties, forse loon-, prijs- en koerseffecten (o.a. in verband met de hoge dollarkoers) die de voorziening hiervoor overstijgen en een stijging van de EU-toerekening aan de HGIS. Deze tegenvallers worden deels gecompenseerd uit de groei van de HGIS (als gevolg van de BNP-indexatie), deels door een bezuiniging op de uitgaven van de begrotingen van Buitenlandse Zaken en een kasschuif op de begroting van Economische Zaken. Voor details zij verwezen naar de suppletore begrotingen van betrokken departementen. Voor ODA is eveneens sprake van een tegenvaller op de EU-toerekening. Deze wordt gecompenseerd uit de groei van de HGIS als gevolg van de BNP-indexatie. 4


4 Waarom wordt de tegenvaller voor de uitgaven UNMEE voor f 51,8 miljoen ten laste van de HGIS gebracht? Waarom is dit niet ten laste van de suppletore begroting van het ministerie van Defensie gebracht, temeer daar het bedrag voor vredesoperaties de afgelopen jaren fors is opgehoogd? Kan dit bedrag nader worden gespecificeerd? Bij oprichting van de HGIS is overeengekomen dat de additionele uitgaven in het kader van vredesoperaties worden gefinancierd ten laste van artikel 08.02 op de Defensie-begroting. Dit artikel maakt deel uit van de HGIS (non-ODA). Voor de HGIS gelden de reguliere regels van de budget-discipline. Dat wil zeggen dat tegenvallers allereerst worden gecompenseerd uit meevallers op de HGIS-artikelen op de begroting van het betrokken departement. Indien de ruimte tekort schiet vindt compensatie elders binnen de HGIS plaats. De ruimte op de HGIS-artikelen van het ministerie van Defensie schiet tekort om de kosten van de Nederlandse deelname aan UNMEE te financieren. Derhalve vindt compensatie ten laste van andere HGIS-artikelen plaats (waaronder de groei van de HGIS als gevolg van de BNP-indexatie). Deze ophoging van artikel 08.02 is door Defensie inderdaad meegenomen in de suppletore begroting. Hierin wordt eveneens een uitsplitsing gegeven van de kosten per operatie. Voor een specificatie van de kosten van vredesoperaties verwijs ik derhalve naar de eerste suppletore begroting van Defensie. 4


5 Hoeveel middelen worden binnen artikel 06.01 (personeel en materieel) gereserveerd voor de instelling van de watersupport-unit? Leveren andere departementen, zoals het ministerie van Verkeer en Waterstaat, ook een bijdrage aan deze unit en zo ja, hoeveel? Binnen artikel 06.01 wordt NLG 655.000 per jaar gereserveerd voor de Water Support Unit. De Water Support Unit is een coordinatie-eenheid voor geïntegreerd waterbeleid binnen het ministerie en wordt derhalve volledig door het ministerie van Buitenlandse Zaken betaald. Het betreft een tijdelijke unit die, in samenwerking met betrokken themadirecties en de posten, uitvoering geeft aan de aanbevelingen van het tweede Wereld Water Forum in Den Haag, maart 2000. 5


6 Waarom worden de kosten voor kinderopvang van het ministerie van Buitenlandse Zaken vergoed door het ministerie van Binnenlandse Zaken en voor welk deel gebeurt dit? In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst 2000 is de afspraak gemaakt om een impuls te geven aan kinderopvang, teneinde knelpunten op het gebied van kinderopvang bij de werkgevers binnen de sector Rijk te voorkomen of op te lossen. Hiervoor is rijksbreed structureel NLG 5 mln extra beschikbaar vanaf 2001. De uitgaven aan kinderopvang bedragen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in 2001 NLG 1,2 mln. Op grond van de door het ministerie van BZK gehanteerde verdeelsleutel (loonsomevenredig) heeft Buitenlandse Zaken NLG 172.000 ontvangen uit de Rijksbrede reservering. 5


7 Welke noodzaak ligt ten grondslag aan het alsnog opnieuw opnemen van een bedrag onder artikel 06.05 (geheime uitgaven)? Het is op dit moment noodzakelijk incidenteel voor 2001 een bedrag voor geheime uitgaven op te nemen. Over de aanwending van deze middelen zal conform de bestaande procedures verantwoording worden afgelegd. 6


8 Kan mutatie 2 van artikel 06.06 (subsidies en bijdragen) alsnog uitgesplitst en gespecificeerd worden? Om welke gedetineerdenzorg, verzorgd door wie, gaat het hier? Zie het antwoord op vraag 9. 6


9 Welk deel van de mutatie 2 van artikel 06.06 is bestemd voor gedetineerdenzorg? Hoe wordt dit bedrag besteed? Antwoord op vraag 8 en 9 De 19e zitting van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht is van 2000 naar 2001 doorgeschoven. Hiervoor is in 2001 een extra bedrag van NLG 120.000 gereserveerd. Het restant van de mutatie, te weten NLG 447.000, kan worden toegeschreven aan uitgaven voor gedetineerdenzorg. Het betreft enerzijds een toegekende subsidie aan Reclassering Nederland (RCN). Anderzijds gaat het om een te houden rondetafelconferentie over gedetineerdenbegeleiding waartoe werd besloten naar aanleiding van het onderzoek naar gedetineerdenzorg dat de Algemene Rekenkamer in 2000 verrichtte. 6


10 Waarom is gekozen voor versterking van de culturele functie van de ambassades in Londen, Ottawa, Parijs en Rome? Bestaat er bij andere ambassades eveneens behoefte aan versterking van de culturele functies en zo ja waarom is geen gehoor gegeven aan deze behoeften? Er zijn 13 posten geïdentificeerd die in het kader van het Nederlands cultuurbeleid een versterkte culturele functie behoeven. Op deze posten is een inventarisatie gedaan, die als doel had de grootste knelpunten bij de uitvoering van het Internationaal Cultuurbeleid in kaart te brengen. Van die posten waar behoefte aan versterking werd gesignaleerd, is ten behoeve van het wegnemen van de grootste knelpunten ( Londen, Ottawa, Parijs en Rome) personele versterking toegekend. Bij de overige posten werd dit vooralsnog niet noodzakelijk geacht. 7


11 Waarom en op welke manier wordt de omvang en de invulling van de personele bezetting van diverse ambassades in ontwikkelingslanden aangepast en welke kosten zijn hiermee gemoeid? Zie het antwoord op vraag 12. 7


12 Kan de regering mutatie 5 van artikel 07.01 (personeel en materieel) alsnog uitsplitsten en specificeren? Waarom wordt er een OS-detacheringsfonds ingesteld, wat zijn de bedoelingen en wat zijn de kosten hiervan? Bij welke gelegenheid is de Kamer over deze instelling geïnformeerd? In november 1999 is in de brief aan de Tweede Kamer over het nieuwe landenbeleid OS (17+3 structurele OS-landen en een aantal themalanden) aangegeven dat dit beleid gevolgen had voor de personele bezetting op de ambassades. Het merendeel van de personele intensivering in de 17+3 landen en themalanden is gefinancierd via herschikking van formatieplaatsten (van ambassades waar de OS-relatie wordt afgebouwd naar de 17+3 landen). Voor de afronding van dit proces (eind 2000 begin 2001) en de financiering daarvan zijn extra middelen ad NLG 3,6 mln toegevoegd aan artikel 07.01 (personeel en materieel). Daarnaast is met ingang van 2001 een voorziening van structureel NLG 3,5 mln getroffen op de BZ-begroting voor detacheringen van OS-medewerkers bij onder meer internationale organisaties. Deze interne allocatie van middelen heeft de naam 'OS-detacheringsfonds' gekregen. Er is geen sprake van de oprichting van een gespecialiseerde organisatie. Uw Kamer wordt in de thans voorliggende suppletore begroting op de hoogte gebracht van de intentie deze voorziening te creëren. Uitgangspunten van de voorziening zijn: extra steun aan een door Nederland onderschreven strategische agenda of onderwerp; investering in kennis en ervaring van medewerkers die van belang is voor beleidsvorming of uitvoering op departement of posten en verbetering van contacten met en kennis over de betrokken organisaties. Tot slot kan een deel van de uitgaven voor de in 2000 en 2001 geopende posten worden toegerekend aan het ODA-plafond; dit betreft een bedrag van NLG 3,8 mln. 7


13 Is de incidentele toevoeging onder mutatie 6 van artikel 07.01 voldoende om tegemoet te komen aan de stelling van de Algemene Rekenkamer dat het huidige begrotingssysteem noodgedwongen tot 2002 operationeel moet blijven, omdat onder andere door vertraging bij de invoering van het informatiesysteem "de kans op slechter functioneren toeneemt"? Zie het antwoord op vraag 14. 8


14 Kan de regering alle uitgavenstijgingen onder mutatie 6 alsnog specificeren? Antwoord op vragen 13 en 14 De uitgavenstijgingen onder mutatie zes bestaan uit de volgende elementen: Geïntegreerde Management Informatie Systeem: NLG 12,5 mln; Bedrijfsvoeringbudgetten posten: NLG 5 mln; Opleidingskosten Nieuwe Generatie Reisdocumenten: NLG 2,9 mln; Voorlichtingscampagne Rijkswet op het Nederlanderschap: NLG 0,5 mln; Inzet vertrouwensadvocaten NLG 0,8 mln; Flankerend beleid: NLG 4 mln; Voorbereiding jaarmarkt 2002: NLG 0,2 mln. De mutatie ten behoeve van het Geïntegreerde Management Informatie Systeem biedt voldoende ruimte om tegemoet te komen aan de stelling van de Rekenkamer en de huidige systemen operationeel te houden tot op het moment dat het nieuwe informatiesysteem operationeel wordt. Dit moment is reeds doorgegeven aan de Algemene Rekenkamer waarbij ook is aangegeven dat de huidige systemen op adequate wijze worden beheerd en onderhouden zodat geenszins sprake is van ''verslapping' van onze aandacht voor het functioneren van deze systemen. In dit verband is het goed te noemen dat de huidige systemen inmiddels ook EURO-proof gemaakt zijn. 8


15 Hoeveel extra vertrouwensadvocaten worden er ingezet en hoe wordt de betrouwbaarheid van deze vertrouwensadvocaten gewaarborgd? Verwezen zij naar mijn brief van 19 februari 2001, kenmerk DPC/AM-070/01 (geen Kamerstuknummer), waarmee ik aan de voorzitter van de Tweede Kamer een afschrift deed toekomen van een brief aan de nationale Ombudsman met als onderwerp een zelfevaluatie van individuele ambtsberichten. Zoals in de zelfevaluatie is verwoord, is sinds 1998 het aantal vertrouwenspersonen verdubbeld. De doelstelling, conform de aanbeveling van de nationale Ombudsman, om op iedere voor asielonderzoek relevante post meerdere vertrouwenspersonen aan te stellen is echter nog niet geheel gerealiseerd. Om die reden is in de suppletore begroting opgenomen dat de inzet van vertrouwenspersonen zal worden verhoogd. In de Bundel Consulaire Voorschriften (BCV) en de richtlijn voor vertrouwenspersonen uit 1999 worden eisen aan de vertrouwenspersoon en het te verrichten asielonderzoek gesteld, die de betrouwbaarheid en zorgvuldigheid moeten waarborgen. Ten aanzien van de vertrouwenspersoon wordt in de BCV o.a. gesteld dat hij betrouwbaar en integer dient te zijn, dient te beschikken over verifieerbare referenties en zich neutraal moet opstellen. Zijn politieke en maatschappelijke functie en achtergrond dient verenigbaar te zijn met het uit te voeren onderzoek. Rapportages van de vertrouwenspersoon dienen te voldoen aan de eisen neergelegd in de richtlijn uit 1999 en de werkinstructie asielonderzoek posten (beide de Kamer toegegaan met brief DPC/AM-070/01 d.d. 19 februari 2001); de ambassade en de afdeling asiel en migratie zien toe op de het naleven van deze vereisten. De ambassade controleert steekproefsgewijs de werkwijze van de vertrouwenspersoon of laat deze controleren door een andere vertrouwenspersoon. 8


16 In hoeverre werken de autoriteiten van vreemde staten mee aan de identiteitsvaststelling van alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA's) die naar Nederland komen en kan de regering een overzicht geven van de medewerking van de autoriteiten uit landen waar de meeste AMA's vandaan komen? Op basis van de persoonsgegevens die de AMA verstrekt kan het ministerie van Buitenlandse Zaken door de IND worden verzocht onderzoek te doen naar de identiteit van betrokkene in het land van herkomst. Daar tot nu toe nog veelal de beoordeling van de vraag of de AMA in aanmerking komt voor een asielstatus verweven is met de vraag of de AMA in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, kan geen beroep worden gedaan op de autoriteiten in het land van herkomst bij de identiteitsvaststelling. De zorgvuldigheid gebiedt immers dat pas na afloop van de asielprocedure de autoriteiten eventueel mogen worden betrokken in een identiteitsonderzoek. Dit betekent dat in landen van herkomst op andere wijze de identiteit moet worden vastgesteld. Blijkens de AMA-beleidsnota van de staatssecretaris van Justitie van 1 mei 2001 zal de staatssecretaris voor een aantal landen van herkomst overgaan tot een scheiding van de asielprocedure en de vraag of de AMA in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. In dat geval zal in de toekomst een beroep kunnen worden gedaan op de autoriteiten van de betrokken landen bij de identiteitsvaststelling. 8


17 Wat zijn de oorzaken van de tegenvaller op de verkopen (artikel 07.02, mutatie 3)? Welk deel van de hier genoemde f 8 miljoen is bestemd voor de nieuwe ambtswoning in Londen? De tegenvaller op de verkopen wordt veroorzaakt door het niet doorgaan van de verwachte verkoop van de huidige ambassade in Ankara ad NLG 5 mln. De verkoop zal niet, zoals geraamd, in 2001 worden gerealiseerd, omdat de nieuwe ambassade pas in 2002 zal worden opgeleverd. Hier tegenover staat de verkoop begin 2001 van de (oude) ambtswoning in Bonn voor een bedrag van NLG 2 mln. Per saldo is in 2001 derhalve sprake van een tegenvaller op de verkopen van NLG 3 mln. De bij artikel 07.02, mutatie 3 bedoelde ophoging van NLG 8 mln is volledig bestemd voor de verbouwing en inrichting van de nieuwe ambtswoning in Londen. 9


18 Wat zijn de incidentele en structurele meerjaren-effecten van de aanzienlijk lager uitkomende BNP-afdrachten voor dit jaar (artikel 08.01)? Zie het antwoord op vraag 25 10


19 Kan de regering de verlaging van f 184 miljoen nader uitsplitsten, uitgaande van de oorspronkelijke BNP-afdrachten 2001, de verlaagde BNP-afdrachten 2001, het overschot 2000 en de uiteindelijk in 2001 te betalen BNP-afdrachten? Zie het antwoord op vraag 25 10


20 Waarom wordt voor de verlaging van de BNP-afdrachten in 2001 gerekend met een bedrag van f 184 miljoen terwijl de Staatscourant van 31 mei 2001 meldt dat Nederland over 2000 een bedrag van ruim f 348 miljoen terugkrijgt? Zie het antwoord op vraag 25 10


21 De EU-meevaller bedraagt dit jaar f 183,7 miljoen. Er is een uiteindelijke onderbesteding van zo'n f 40 miljoen. Is het juist dat EU-geld onder een andere noemer dan HGIS/ODA valt en zo ja, hoe is deze 'EU-meevaller' besteed? Mag het geld dat beschikbaar is gekomen door deze meevaller wel besteed worden voor HGIS/ODA-uitgaven? De afdrachten aan de Europese Unie, waaronder het Vierde Eigen Middel op de begroting van Buitenlandse Zaken, behoren niet tot de HGIS en zijn geen ODA. De genoemde EU-meevaller heeft derhalve geen invloed op de hoogte van de ODA-middelen, doch komt ten goede aan het generale beeld. 10


22 Met welk bedrag wordt het Nederlandse aandeel in de uitgaven van de Europese Unie voor het buitenlands beleid verhoogd en waarom wordt het Nederlandse aandeel verhoogd? Kan de regering aangeven of het hier nieuwe uitgaven betreft? Een deel van de uitgaven van de EU voor het buitenlands beleid (onderafdeling B-7 van de EU-begroting) wordt toegerekend aan HGIS: volgens een bepaalde toerekeningssystematiek wordt het Nederlands aandeel in de uitgaven van de EU voor het buitenlands beleid bepaald. Ten opzichte van de Miljoenennota 2001 is het Nederlandse aandeel toegenomen met ruim 70 miljoen gulden. De toename is hoofdzakelijk te verklaren doordat Nederland volgens de definitieve begroting van de EU in 2001 een iets groter deel van de totale EU-uitgaven financiert dan bij Miljoenennota 2001 werd verondersteld. 10


23 Wat zijn de totale uitgaven van de Europese Unie voor het buitenlands beleid? De uitgaven voor het Extern Beleid van de Europese Unie zijn ondergebracht in Categorie 4 van de Financiële Perspectieven. Voor 2001 is een bedrag van 4,9 miljard Euro beschikbaar. In dit bedrag is ook opgenomen een allocatie voor extern optreden in het kader van het GBVB. Hiervoor is 36 mln Euro gereserveerd. Buiten de begroting van de Unie is er sprake van een aparte verdragsrechtelijk vastgelegde bijdrage van de Unie in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). In 2001 is hiervoor een bedrag van 1,4 miljard Euro beschikbaar. 10


24 Met welk bedrag worden de Nederlandse uitgaven voor het buitenlands beleid neerwaarts bijgesteld en waar is deze verschuiving terug te vinden in de suppletore begroting? De belangrijkste uitgaven met betrekking tot het buitenlands beleid van verschillende departementen zijn samengebracht in de HGIS. Wijzigingen in deze uitgaven in het kader van de Voorjaarsnota zijn te vinden in de suppletore begrotingen van de betrokken departementen. Een volledig overzicht van de ontwikkelingen in de HGIS in 2001 en latere jaren wordt verstrekt in de HGIS-nota 2002, die op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. 10


25 Kan de regering een overzicht geven van de oorspronkelijke bijdrage 2001, de verlaagde bijdrage 2001, het te ontvangen overschot 2000 en de in 2001 te betalen afdrachten? Antwoord op vragen 19, 20 en 25 Voor de financiering van de uitgaven van de EU ontvangt de Unie bijdragen van de lidstaten. Alle lidstaten zijn gehouden deze afdrachten aan Brussel over te maken. Dit zijn de Eigen Middelen (EM) waar de Europese Unie over kan beschikken. In totaal zijn er vier afdrachten: landbouwheffingen, invoerrechten, btw-middelen en BNP-middelen. De Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie worden nationaal verantwoord op de begrotingshoofdstukken van drie ministeries: Financiën, Buitenlandse Zaken en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De Europese Unie had in 2000 een begrotingsoverschot van NLG 25,56 miljard (EUR 11,6 mrd). Een bedrag van NLG 348 miljoen zal aan Nederland worden teruggegeven. Dit leidt tot een verlaging van de totale afdrachten voor 2001. Het Vierde Eigen Middel was oorspronkelijk geraamd op een bedrag van NLG 4,6 miljard. Ten tijde van het opstellen van de Voorjaarsnota 2001 was de informatie waarop het bericht in de staatscourant is gebaseerd, nog niet beschikbaar. Het betreft het Voorontwerp voor de Gewijzigde en Aanvullende Begroting 2001 nr. 4 van de Europese Commissie, die niet alleen informatie bevat over de afrekening over het jaar 2000, maar ook een herberekening van het Nederlandse aandeel in de VK-compensatie en nieuwe ramingen voor de douanerechten, BTW- en BNP-grondslagen. Dit leidde voor het Vierde Eigen Middel tot een verlaging van NLG 184 miljoen. De gevolgen van de nieuwe inzichten van de Europese Commissie voor de totale Nederlandse afdrachten zullen, tezamen met nieuwe inzichten in macro-economische variabelen, worden gepresenteerd in de Miljoenennota 2002 (Vermoedelijke Uitkomsten 2001). 10


26 Waarom zijn de EU-uitgaven in 2001 lager uitgevallen dan bij de Miljoenennota is geraamd? In de Voorjaarsnota zijn onder meer de inzichten van de Commissie van eind 2000 verwerkt over de uitvoering van de EU-begroting 2000. De meevaller in de EU-begroting 2000 is vooral ontstaan aan de uitgavenzijde van de EU-begroting , met name bij het structuurbeleid. 10


27 Zijn de kosten die verbonden zijn aan de vestiging van het Strafhof niet erg conservatief c.q. laag begroot? De door de regering gehanteerde schattingen van de bedragen gemoeid met de interim - en definitieve huisvesting van het Internationaal Strafhof zijn gebaseerd op de ten tijde van het Nederlandse bod voor de vestiging van het Hof in Den Haag geldende aannames. In 1997 werd een bedrag gereserveerd van NLG 140 miljoen voor de huisvesting van het Hof. Dit bedrag werd als volgt opgebouwd: NLG 10 miljoen per jaar gedurende 10 jaar ten behoeve van de structurele kosten (huurvrijstelling) en een bedrag van NLG 40 voor de incidentele kosten. De aanvaarding van het Statuut van Rome en overige ontwikkelingen zouden kunnen leiden tot aanpassing van het financiële kader. Een onderbouwing van de kosten van het Strafhof wordt verwerkt in de ontwerpbegroting 2002. 10


28 Kan de regering de mutatie op artikel 09.03 (mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur) alsnog specificeren naar de beide artikelonderdelen? De verlaging van de uitgaven voor artikel 09.03 met NLG 10,1 mln betreft voor NLG 2,4 mln mensenrechten en voor NLG 7,8 mln vredesopbouw en goed bestuur. 11


29 Wat zijn de oorzaken van de verlaging c.q. verhoging van de budgetten voor mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur? De budgetten van enkele ambassades zijn verhoogd om goede voorstellen van de posten te honoreren. Het centrale, niet gedelegeerde budget is verlaagd ten opzichte van de begroting tot het niveau van de uitgaven in 2000. Deze verschuiving doet recht aan de uitgangspunten van het delegatiemodel, waarbij de verantwoordelijkheid voor programma's zoveel mogelijk in het veld ligt, bij de ambassades. 11


30 Met welk bedrag is het centrale door het departement beheerde deel verlaagd en zijn de gedelegeerde budgetten op de ambassades verhoogd? Het centrale door het departement beheerde deel is verlaagd met NLG 19,9 mln en de gedelegeerde budgetten zijn verhoogd met NLG 9,8 mln per saldo resulterend in een verlaging met NLG 10,1 mln. 11


31 Heeft het ongedaan maken van de budgettaire gevolgen van het amendement Apostolou / Van Ardenne-van der Hoeven (Kamerstuknummer 27 400 V, nr. 17) consequenties voor de wens van de Kamer om de Nederlandse bijdrage aan humanitaire ontmijning en aan het inzamelen en vernietigen van kleine wapens expliciet zichtbaar te maken in de begroting? Zie het antwoord op vraag 32 11


32 Bestaat het ontmijningsfonds nog (artikel 09.07)? Antwoord op vragen 31 en 32 Aan de wens van de Kamer om de Nederlandse bijdrage aan humanitaire ontmijning en aan inzameling en vernietiging van kleine wapens expliciet zichtbaar te maken in de begroting wordt niet getornd. Het aparte artikel 09.07 blijft bestaan en het gereserveerde bedrag van NLG 35 miljoen blijft gehandhaafd. De weergegeven mutatie betreft een verhoging van het budget voor Noodhulp. 11


33 Waarom wordt bij artikel 12.01 opnieuw, evenals bij artikel 9.03, het centrale budget verlaagd? Wat zullen hiervan de specifieke gevolgen zijn?
Zijn er met artikel 09.03 overeenkomstige oorzaken waarom een centraal budget moeilijker tot besteding komt? Het centrale budget wordt verlaagd omdat zoveel mogelijk wordt ingezet op aan ambassades gedelegeerde activiteiten in de milieusectoren in zowel de 17+3 landen als de milieulanden. Het gedelegeerde deel van de bilaterale milieu-uitgaven zal dus stijgen en op het departement zullen hoofdzakelijk alleen nog wereldwijde activiteiten op milieuterrein worden gefinancierd. Hierdoor komt eveneens meer capaciteit vrij voor beleidsontwikkeling en ondersteuning van posten. De reden voor de verlaging is niet dat een centraal budget moeilijker tot besteding zou komen, want daarvan is geen sprake. 12


34 Zijn er problemen bij het uitvoeren van activiteiten voor GEF en zo ja wat zijn hiervan de oorzaken (artikel 12.01)? Er zijn geen problemen bij de uitvoering van activiteiten via de GEF. 12


35 Kan de regering nader uitleggen op welke wijze de allochtone gemeenschap meer belangstelling aan de dag legt voor kleine plaatselijke activiteiten en kan zij aangeven vanuit welke allochtone gemeenschappen deze belangstelling wordt getoond (artikel 13.07)? Het kleine plaatselijk activiteiten programma (KPA) wordt uitgevoerd door de NCDO. Het programma voorziet in medefinanciering van lokale en regionale organisaties die voorlichting over de situatie van mensen in ontwikkelingslanden combineren met de inzameling van financiële middelen voor de uitvoering van een ontwikkelingsproject. Een KPA-subsidie is een aanvulling van 50% op het financiële resultaat van de geldinzameling. Sinds 1 januari 1999 zijn 33 projecten van allochtone organisaties in uitvoering genomen voor een bedrag van1,3 miljoen gulden, bijna 10% van het beschikbare budget. Voorts bevinden zich op dit moment nog een tiental projecten in de pijplijn. Het gaat hier om organisaties die geheel allochtoon zijn. Daarnaast hebben ook veel organisaties met een gemengd karakter beroep gedaan op de KPA-regeling. Het aantal aanvragen van allochtone organisaties neemt gestaag toe, waarbij opvalt dat het Turkse aandeel veel groter is dan het Marokkaanse. Daarnaast is de spreiding groot: o.a. Somalië, Kaap Verdische eilanden, Ghana, Guinee, Eritrea. De NCDO heeft samen met de NOVIB een cursus ontwikkeld die tot doel heeft migranten- en vluchtelingenorganisaties voorlichting te geven over ontwikkelingssamenwerking in zijn algemeenheid en het KPA in het bijzonder. De cursus gaat in september van start. 13


36 Kan de regering de mutatie bij artikel 13.08 (landenprogramma's met betrekking tot sociale ontwikkeling) specificeren, zodat inzichtelijk wordt welke bedragen respectievelijk aan aids-bestrijding en familyplanning worden besteed en via welke kanalen dit gebeurt? Het betreft hier met name een verhoging van de bijdrage voor 2001 aan de International Planned Parenthood Federation (IPPF) van NLG 7,5 miljoen naar NLG 15 miljoen, een bijdrage aan Stop Aids Now! van NLG 5 miljoen en een bijdrage van NLG 10 miljoen aan het regionaal Aids programma voor Zuidelijk Afrika dat in 2001 van start is gegaan. 14


37 Waaruit bestaan de extra activiteiten op het gebied van aids-bestrijding en gezinsplanning en op welke landen concentreren deze activiteiten zich? In 2001 is het regionaal Aids programma voor Zuidelijk Afrika gestart, waaraan in 2001 NLG 10 miljoen wordt bijgedragen. Dit programma, met een looptijd van 5 jaar en een totale begroting van NLG 58 miljoen, zal hoofdzakelijk worden uitgevoerd door maatschappelijke organisaties. De activiteiten concentreren zich op Mozambique, Zuid Afrika, Zambia, Zimbabwe, Botswana, Lesotho, Malawi, Namibië en Swaziland. Eind 2001 werd de stichting Stop Aids Now! Gelanceerd, waarin het Aids Fonds, Cordaid, Hivos, Icco en Novib hun krachten bundelen t.a.v. Aids bestrijding in ontwikkelingslanden. Hieraan is in 2001 een bijdrage van NLG 5 miljoen gegeven. 14


38 Welke activiteiten in het kader van familyplanning krijgen extra ondersteuning? Dit betreft voornamelijk een verhoging van de bijdrage voor 2001 aan de International Planned Parenthood Federation (IPPF) van NLG 7,5 miljoen naar NLG 15 miljoen. Deze verhoging is enerzijds ingegeven door de, voor IPPF uiterst ongunstige, dollarkoers, anderzijds als compensatie voor de afgenomen bijdrage van de Verenigde Staten als gevolg van de Mexico City Policy, waardoor organisaties die zich niet expliciet tegen abortus verklaren geen Amerikaanse steun meer kunnen krijgen. De maatregel van President Bush om geen bijdrage meer te geven aan organisaties die zich niet expliciet uitspreken tegen abortus, kon vanzelfsprekend in 2000 niet voorzien worden. Het regionaal Aids programma voor Zuidelijk Afrika is in februari 2001 goedgekeurd. 14


39 Met welk bedrag worden de budgetten van de ambassades verhoogd en waaraan worden deze middelen besteed? De budgetten van de ambassades voor sociale ontwikkeling worden met NLG 52,9 miljoen verhoogd. Dit betreft voor NLG 15,2 miljoen budget dat ambassades in het kader van de eindejaarsmarge hebben doorgeschoven uit 2000. De overige 37,7 miljoen betreft een optelsom van een aantal grote verhogingen en vele kleinere. De grotere verhogingen hebben betrekking op intensivering van de hulp in de gezondheidszorg in de 17+3 landen Burkina Faso (+ NLG 4 mln), Jemen (+ NLG 8 mln) en Zambia (+ NLG 8 mln). Daarnaast leidt - als gevolg van eerdere vertraging in de exitstrategie - een verlenging van een ziekenhuisrehabilitatieproject in Guinee Bisau (dat thans alleen op de lijst voor Goed Bestuur, Mensenrechten en Vredesopbouw staat) tot NLG 5 mln hogere uitgaven dan verwacht. 14


40 Waarom was al niet bij de opstelling van de begroting 2001 duidelijk dat extra uitgaven noodzakelijk zijn voor de landenprogramma's met betrekking tot sociale ontwikkeling? De begroting was gebaseerd op de verwachtingen ten aanzien van de sociale sectoren van medio 2000. Met de ontvangende landen wordt echter doorlopend een dialoog gevoerd over het programma. Dit heeft in enkele gevallen geleid tot extra voorstellen in de jaarplannen van ambassades van medio januari 2001. Voorzover deze voorstellen zijn goedgekeurd heeft dat tot hogere toekenningen geleid. Daarnaast was bij de opstelling van de begroting niet bekend of en zo ja voor welk bedrag ambassades gebruik zouden maken van de mogelijkheid om door middel van de eindejaarsmarge budget door te schuiven dat in 2000 door de vertragingen in betalingsafroepen van projecten en programma's onbesteed was gebleven. 14


41 Wat wordt bij artikel 13.09 (bijdragen met betrekking tot sociale ontwikkeling) precies bedoeld met de zin "de stijging tot f 39 miljoen in 2001 is echter nog wel f 10 miljoen lager dan de raming voor de bijdrage aan UNAIDS in de begroting 2001"? Zie het antwoord op vraag 42 14


42 Waarom is de uitgave ten behoeve van UNAIDS f 10 miljoen, ondanks de positieve waardering, lager dan de raming voor de bijdrage aan UNAIDS in de begroting 2001? De afgelopen jaren bedroeg de vaste jaarlijkse bijdrage aan UNAIDS NLG 12 miljoen. In lijn met de positieve waardering van UNAIDS in de notitie over de kwaliteit van het VN-kanaal uit 2000 (Kamerstuk 26 714, nr.
1) is deze jaarlijkse bijdrage verhoogd tot NLG 39 miljoen. In de begroting 2001 is evenwel abusievelijk een dubbeltelling geslopen die heeft geleid tot een bedrag van NLG 49 miljoen. Deze vergissing wordt in de eerste suppletore begroting 2001 van Buitenlandse Zaken gecorrigeerd. 14


43 Kan de regering extra geld vrijmaken voor reeds bestaande onderwijsprogramma's die geen betrekking hebben op basisonderwijs maar wel een belangrijke rol spelen in de (weder)opbouw van het betreffende land? Uitgangspunt van het Nederlands beleid ten aanzien van onderwijs in ontwikkelingslanden is ownership. Het ontvangende land kiest zelf de sector van samenwerking en de prioriteiten daarbinnen. In de kernlanden, die onderwijs als een sector gekozen hebben, stellen wij in beginsel fondsen ter beschikking voor basic education, hetgeen breder is dan hetgeen in Nederland verstaan wordt onder basisonderwijs. Zoals bekend zullen daarnaast ten laste van artikel 14.07 (Hoger onderwijs) vanaf 2002 drie nieuwe programma's voor internationaal onderwijs geleidelijk van start gaan. De financiële middelen zullen beschikbaar komen uit de eveneens geleidelijke afbouw van de huidige programma's. Het lijkt in deze beginfase niet zinvol om extra geld voor internationaal onderwijs vrij te maken. 15 17


44 Was het oorspronkelijk geraamde bedrag voor basisonderwijs ontoereikend? Zo ja, waardoor wordt dit veroorzaakt en waarom kon dit niet reeds in de begroting 2001 worden gemeld? Zo nee, waarom is deze aanzienlijke intensivering noodzakelijk? Het oorspronkelijk geraamde bedrag voor basic education was inderdaad aan de krappe kant. De verzoeken om steun voor basic education van de nationale overheden waren hoger dan verwacht. Daarnaast heb ik naar aanleiding van de discussie in de Kamer bij de behandeling van de OS begroting 2001 en de daaruit voortgekomen Motie Hessing (november 2000), de Ambassades verzocht hun inspanningen voor basic education te intensiveren. Dit heeft zich vertaald in een hogere allocatie voor basic education. 16


45 Waaraan worden de extra middelen voor basisonderwijs in ontwikkelingslanden precies besteed en met welk beoogd resultaat? Van de extra middelen zoals aangegeven in de tabel betreffende artikel 14.08 op pagina 16 van de eerste suppletore begroting (27 758, nr. 2) komt ruim NLG 50 mln ten goede aan basic education. De extra middelen voor basic education worden ingezet ter ondersteuning van de uitvoering van het sectorale onderwijs programma in het betreffende land, zoals bijvoorbeeld in Bolivia, Indonesië en Oeganda. De beoogde resultaten betreffen onder meer het verschaffen van voldoende schoolboeken, het inrichten van leslokalen en het trainen en bijscholen van leerkrachten met als uiteindelijk doel goed en voor iedereen toegankelijk onderwijs. Daarnaast kan circa NLG 10 miljoen van de extra middelen toegerekend worden aan activiteiten op het gebied van hoger dan wel middelbaar onderwijs en cultuur. 16


46 Welk deel van deze extra middelen zal lopen via de gedelegeerde budgetten van de ambassades en welk deel via andere kanalen en welke kanalen zijn dat? De extra middelen voor basic education worden geheel ingezet via de gedelegeerde budgetten van de ambassades. 16


47 Leidt Nederland slechts Kaukasische en Centraalaziatische diplomaten op of ook diplomaten uit andere landen en regio's (artikel 15.04)? Naast Kaukasisische en Centraalaziatische diplomaten worden ook diplomaten uit Midden- en Oost-Europa (de Matra-regio, inclusief Turkije) en Zuid-Oost Europa (de Balkan-regio) opgeleid. Hoewel financiering uit diverse faciliteiten plaatsvindt is met ingang van 2001 voor al deze uit non-ODA gefinancierde diplomatenopleidingen de Matra-procedure van toepassing. Daarnaast wordt uit ODA-middelen jaarlijks een groep Mozambiquaanse diplomaten in staat gesteld deel te nemen aan "The Clingendael course on International relations and Diplomatic practice". 18


48 Waartoe dient de (verhoogde) bijdrage aan de EBRD ten behoeve van het Mongolië Trustfund à f 3,6 miljoen (artikel 16.05)? Eind 2000 is Mongolië dankzij hulp uit Nederland als 61ste aandeelhouder tot de EBRD toegetreden. Tevens is Mongolië toegetreden tot de Nederlandse kiesgroep bij de EBRD. Nederland ondersteunt de wens van Mongolië om het aandeelhouderschap zin te geven door het land zo spoedig mogelijk 'operatieland' van de Bank te maken. Zodra deze doelstelling verwezenlijkt wordt kan de EBRD met eigen middelen actief worden in Mongolië om leningen en investeringen te verstrekken. Het is onduidelijk hoeveel tijd de verwezenlijking van deze doelstelling in beslag zal nemen. Teneinde Mongolië nu al te laten profiteren van de specifieke expertise van de Bank is april jl. een Trustfund voor Mongolië opgericht waaraan ook door Nederland is bijgedragen. 19


49 Kan van de mutatie onder artikel 16.07 (Wereldbank Partnership Programma) worden aangegeven welk deel bestemd is voor versterking van evaluatie- en monitoringscapaciteiten en welk deel voor daadwerkelijke ontwikkelingsprogramma's en -projecten? De activiteiten die binnen het programma worden gefinancierd kunnen in een drietal groepen worden onderverdeeld. In de eerste plaats gaat het om activiteiten die beogen de kennis van de Bank te verbreden en het beleid van de Bank in door Nederland gewenste zin te versterken. Daarbij gaat het met name om armoedebeleid, gender, handel, milieu en goed bestuur. Ten tweede zijn er activiteiten waaraan Nederland prioriteit verleent maar die niet in eigen beheer kunnen worden uitgevoerd. Tenslotte worden via het Partnership Programma bijdragen gefinancierd aan multilaterale activiteiten waarvoor de Wereldbank penningmeester is maar die door een bredere coalitie van organisaties worden uitgevoerd. Er is geen afzonderlijke categorie voor activiteiten op het terrein van evaluatie en monitoring. Wel heeft de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) in 2000 een overeenkomst gesloten met de Operations Evaluation Department van de Wereldbank om in de periode 2001-2003 gezamenlijk de evaluatiecapaciteit in ontwikkelingslanden te versterken. Het betreft het programma Monitoring and Evaluation Capacity Development ten bedrage van USD 1,5 mln. Deze activiteit is ondergebracht bij het partnership programma en maakt deel uit van de verhoging voor 2001. 20


50 Waarom is niet eerder voorzien dat de financiële ruimte voor het Wereldbank Partnership Programma in beslag genomen zou worden door meerjarige verplichtingen uit eerdere jaren? Activiteiten die onder het Partnership Programma worden gefinancierd hebben doorgaans een meerjarig karakter. De bedoeling is dat nieuwe activiteiten gefinancierd worden binnen de ruimte die ontstaat door het beëindigen van oude activiteiten. In de eerste jaren van Programma was van het beëindigen van oude activiteiten nog niet c.q. niet in voldoende mate sprake, waardoor financiering van additionele activiteiten gepaard diende te gaan met verhoging van de financiële ruimte. Tevens diende financiële ruimte gecreëerd te worden voor het Waterprogramma en Stedelijke ontwikkeling (in het kader van de motie-Dijksma; TK 26800, nr. 61, 1999-2000), alsmede voor capaciteitsopbouw waarbij het World Bank Institute een voortrekkersrol vervult. 20


51 Kan precies worden aangegeven waarom inzake het budget Wereldbank Partnership Programma een verhoging met maar liefst f 48 miljoen noodzakelijk is en waaraan deze gelden zullen worden besteed en met welk beoogd resultaat? De verhoging van het Partnership Programma met NLG 48 mln is het totaal van de volgende activiteiten: 1. Evaluatie programma (zie ook antwoord 49) USD 1,5 mln Beoogd resultaat: versterking evaluatiecapaciteit in ontwikkelingslanden. 2. Armoedebeleid USD 0,8 mln Beoogd resultaat: verder uitdragen van de bevindingen van het World Development Report 2000/2001 Attacking Poverty. 3. Water Sector Program USD 4,9 mln Beoogd resultaat: stimulering en introductie van innovatieve benaderingen in waterbeheer en het verspreiden van kennis en ervaring inzake verbeterd waterbeheer. 4. Gezondheid USD 1,1 mln Beoogd resultaat: analytisch werk en toepassing van opgedane ervaringen inzake "gezondheid en armoede" en voeding. 5. Milieu USD 2,8 mln (Amazonian Regional Agenda en Mesoamerican Biological Corridor) Beoogd resultaat: institutionele versterking gericht op het behoud van biodiversiteit in genoemde regio's 6. Asia Alternative Energy Program USD 1,3 mln Beoogd resultaat: verbreiding van het gebruik van alternatieve energiebronnen in ruraal Azië 7. Optopping bestaande programma's voor goed bestuur/anti-corruptie USD 0,2 mln Beoogd resultaat: versterking van centrale en regionale overheden op het terrein van corruptie-bestrijding, versterking van de justitiële sector en decentralisatie-studies 8. Goed bestuur (Governance Knowledge-Sharing Program) USD 2,0 mln Beoogd resultaat: verbreden en verdiepen van kennis in ontwikkelingslanden over institutionele ontwikkeling onder meer door het opzetten van websites met desbetreffende relevante informatie. 9. World Bank Institute/capaciteitsopbouw USD 5,0 mln Beoogd resultaat: versterking van institutionele capaciteit in Afrika en Azië onder meer door het organiseren van cursussen, seminars, trainen van trainers e.d. 20


52 Welke andere landen dragen bij aan het Wereldbank Partnership Programma en hoeveel dragen zij bij? Het Partnership Programma is een uitsluitend door Nederland gefinancierd programma, waaraan geen andere donoren bijdragen. Wel is het zo dat vele donoren soortgelijke Trust Funds bij de Wereldbank financieren. 20


53 Waarom is het budget van het Wereldbank Partnership Programma niet direct bij de raming hoger vastgesteld? Zie het antwoord op vraag 50. 20


54 In hoeverre is er bij de onder artikel 17.07 (programma kleine projecten) voorgestane 'public diplomacy' sprake van nieuw beleid? Zo niet, wanneer is de Kamer hierover geïnformeerd? Op welk publiek is public diplomacy precies gericht? Public diplomacy is het verwerven, versterken en onderhouden van een realistisch, liefst positief, beeld van Nederland in het buitenland. Doelgroepen zijn allereerst de intermediaire opinieleiders en besluitvormers, in tweede instantie het grote publiek. Is het beeld (imago) bij de buitenlander overwegend positief, dan zal er een breed draagvlak zijn voor Nederlandse initiatieven en ideeën en is de bereidheid van derden om op tal van vlakken samen te werken groot. Dit betreft staand beleid dat het Ministerie reeds jaren voert in het kader van de Voorlichting Buitenland. 21


55 Aan welke activiteiten wordt precies gedacht bij het "genereren van bekendheid, goodwill en publiciteit"? Zijn hierbij ODA-uitgaven in het geding en zo ja, voor welk deel? Het gaat om een breed scala van op het buitenland gerichte voorlichtingsactiviteiten zoals video, films resp. filmfestivals, bezoekersprogramma's, tentoonstellingen, muziekvoorstellingen, het blad Holland Horizon, brochures, websites etc. Deze activiteiten zijn over het algemeen geen ODA. 21


56 Welk deel van artikel 17.07 is bestemd voor public diplomacy? Het gaat om de genoemde overheveling van NLG 1,5 miljoen vanuit het niet delegeerbare artikel 14.09 (artikelonderdeel Internationale Manifestaties) naar het gedelegeerde artikel 17.07 (Programma Kleine Projecten). Deze overheveling was noodzakelijk omdat deze middelen voor public diplomacy in het kader van de delegatie van taken en verantwoordelijkheden naar de posten niet langer centraal worden besteed maar via de budgetten voor kleine beleidsondersteunende activiteiten van de posten. 21


57 Welk deel van de verlaging van artikel 18.01 (landenprogramma's economie en werkgelegenheid in ontwikkelingslanden) komt ook daadwerkelijk ten goede aan de accentverschuiving van ondersteuning van economische sectoren naar ondersteuning van basisgezondheidszorg en basisonderwijs? Kan de regering dit onderbouwen met de in deze suppletore begroting voorgestelde wijzigingen? Zoals blijkt uit deze suppletore begroting zijn de begrotingsartikelen 13.08 Landenprogramma's Sociale Ontwikkeling en 14.08 Landenprogramma's Onderwijs en Cultuur verhoogd met respectievelijk NLG 81,7 mln voornamelijk voor (basis) gezondheidszorg en NLG 61,8 mln voornamelijk voor basisonderwijs, artikel 18.01 (economische ontwikkeling en werkgelegenheid) is verlaagd met NLG 56,2 mln (zie ook vraag 58). Uit de constatering dat deze verschuiving optreedt mag overigens niet onmiddellijk worden afgeleid dat de groei in de sociale sectoren ten koste gaat van de economische sectoren. Deze groei wordt namelijk grotendeels gefinancierd uit de groei van het ODA-budget. 21 22


58 Kan de regering precies aangeven waarom de uitgaven voor artikel 18.01 met zo'n fors bedrag worden verlaagd? In een aantal landen wordt de steun aan de economische sectoren afgebouwd, omdat deze sectoren niet zijn gekozen of omdat het exit-landen betreft. Daardoor vallen middelen vrij die kunnen worden gebruikt voor de opbouw van programma's in landen waar deze sectoren wél zijn gekozen. Deze opbouw verloopt in de economische sectoren echter in sommige gevallen langzamer dan in andere sectoren. Dit heeft er ten eerste mee te maken dat veel ontvangende landen - met ons - kritischer kijken naar welke elementen in de economische sectoren privaat gefinancierd zouden moeten worden. Ten tweede is de institutionele setting in de economische sectoren veelal complex: meerdere ministeries én lagere overheden én private partijen spelen een belangrijke rol, dit in tegenstelling tot veel andere sectoren. 21 22


59 Was de verlaging voor artikel 18.01 niet eerder voorzien en is dit geen zorgelijke ontwikkeling? De begroting was gebaseerd op de verwachtingen ten aanzien van de sectoren economische en regionale ontwikkeling van medio 2000. Met de ontvangende landen wordt echter doorlopend een dialoog gevoerd over het programma. De verantwoorde opbouw van een door alle partijen gedragen programma verhoudt zich slecht tot het ten koste van alles uitgeven van budgetten. Dit is als zodanig niet zorgelijk, temeer omdat niet gezegd is dat de ontvangende landen niet uit andere financieringsbronnen (andere donoren, multilaterale banken of privaat) de ontwikkeling van de economische sectoren bevorderen. Daar komt bij dat steun aan andere sectoren zoals het bevorderen van goed onderwijs, goede gezondheid of goed bestuur op termijn ook bijdraagt aan economische ontwikkeling, evenals de inspanningen van de regering in internationaal verband voor het verbeteren van de internationale markttoegang van ontwikkelingslanden. 21 22


60 Kan de regering nader toelichten waarom de verplichting betreffende de Nederlandse bijdrage aan de jongste middelenaanvulling van het IFAD drie jaar naar voren is gehaald? Volgens het aanvankelijk beoogde betaalschema voor de vijfde middelenaanvulling van IFAD was het de bedoeling dat de eerste betalingen in 2004 zouden plaatsvinden. In dat geval zou ook de formele verplichting in 2004 zijn aangegaan. Omdat het streefbedrag voor IFAD V niet kon worden gerealiseerd, is overeengekomen dat de daadwerkelijke betalingen aan IFAD zouden worden vervroegd, zodat, door deze bedragen door IFAD in de periode 2001-2004 te laten beleggen, het streefbedrag alsnog kan worden gehaald. De eerste betalingen door Nederland zullen daarom in 2001 plaatsvinden, wat impliceert dat ook dit jaar de verplichting nog zal moeten worden aangegaan. 22


61 Impliceert het feit dat bij deze suppletore begroting voor de eerste maal het budget voor het bedrijfslevenprogramma niet fors wordt verkleind, dat de problemen bij het aanvragen en toekennen van schenkingen in het kader van dit programma in korte tijd en volledig zijn opgelost? Bij het bedrijfslevenprogramma is geen sprake van problemen bij de behandeling van aanvragen of toekenning van schenkingen, maar van een achterblijvende vraag naar financiering, die tot chronische onderbesteding leidt. In de begroting 2001 werd derhalve reeds op voorhand het budget voor het bedrijfslevenprogramma met NLG 30 mln verlaagd ten opzichte van de meerjarencijfers. De verwachting is dat desondanks ook dit jaar het budget niet geheel zal worden besteed. 22


62 Mag uit de toelichting bij de mutatie op artikel 18.12 (allochtoon ondernemerschap) geconcludeerd worden dat het programma allochtoon ondernemerschap niet alleen ondoordacht is gestart maar ook ondoordacht is beëindigd? Het programma is noch ondoordacht gestart noch ondoordacht beëindigd. Het programma wordt dit najaar geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zal een nadere beslissing over het voortbestaan van het programma worden genomen. 23 24

Kenmerk
FEZ/BZ-208/00
Blad /1

===

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie