Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Reactie NAM Informatie- en consultatiedocument Gaswet

Datum nieuwsfeit: 20-07-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Dienst uitvoering en toezicht Electriciteitswet
Zoek soortgelijke berichten
Dienst uitvoering en toezicht Electriciteitswet

Projectnummer: 100488

20 juli 2001




Reactie NAM op Informatie- en consultatiedocument Richtlijnen Gaswet, juni 2001. Project nummer: 100488

Inleiding
In het Informatie- en consultatie document Richtlijnen Gaswet van de Dienst uitvoering en toezicht Energie (DTe} van juni 2001 (hierna Consultatiedocument} wordt marktpartijen verzocht hun zienswijze naar voren te brengen alsook de daarin gestelde vragen te beantwoorden. De Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM} wil hierbij gebruik maken van de geboden mogelijkheid. Conform het verzoek van DTe is dit per randnummer gebeurd.

Hoofdstuk 1
Randnummer 3
NAM betreurt het dat DTe in het Consultatiedocument niet, zoals voorgesteld door NAM, ook de inzichten van NAM, Gasunie (en BP) heeft gepresenteerd zodat het publiek een vollediger inzicht kan krijgen in de onderhavige problematiek.

Randnummer 10
DTe stelt dat er toenemende convergentie tussen de elektriciteits- en gasmarkt is. De verschillen tussen deze twee markten zijn echter zo fundamenteel dat dit een wezenlijke verschillende aanpak rechtvaardigt en noodzaakt. Dit is ook erkend door de wetgever welke voor beide markten een verschillende aanpak voorstaat. De Gaswet heeft juist tot doelliberalisatie te realiseren op basis van onderhandelingen en dus een minimum aan regulering. Het mandaat van DTe uit hoofde van de Gaswet kan derhalve geen ruimte bieden aan regulering in de mate die DTe in het Consultatiedocument voorstaat.

Hoofdstuk 2

Randnummer 27
Op grond van Artikel 18 van de Gaswet heeft NAM een machtspositie, voor zover het de toepassing van Artikel 18, lid 1, van de Gaswet betreft, als zij een gasopslagbedrijf is in de zin van de Gaswet. NAM is evenwel van mening dat zij geen gasopslagbedrijf is in de zin van de Gaswet. Ter onderbouwing van deze stelling heeft NAM, tezamen met Gasunie, een Position Paper geschreven welke DTe op 24 april 2001 is toegestuurd. Voor de goede orde heeft NAM dit Position Paper (zonder bijlagen) nogmaals bijgevoegd.

Vraag 2: Uiteraard dienen de richtlijnen rekening te houden met de bredere ontwikkeling in Europa. Ongeveer 50% van de Nederlandse productie wordt in het buitenland afgezet. Het zou derhalve onverstandig zijn voor Nederland om zich daarvoor af te sluiten en geen rekening te houden met de ontwikkelingen in andere Europese landen. Dit vooral in het licht dat de Gaswet een rechtstreeks uitvloeisel is van de Europese richtlijn 981301EG. Ten aanzien van gasopslag kan Nederland zich niet geïsoleerd opstellen terwijl er vlak over de grens gasopslagen in bedrijf zijn welke in verbinding staan met het Nederlands transport netwerk en waarvan aanbieders van gas op de Nederlandse markt gebruik kunnen maken. Tijdens de consultatie workshops bleek al dat marktpartijen overleg voeren met beheerders van ondergrondse opslagen in Duitsland. Het liberalisatieproces dient in de verschillende Europese landen gelijk op te lopen zodat er een Europees level playing field is.

Hoofdstuk 4
Randnummer 73 e)
DTe stelt dat slechts in bijzondere situaties afwijkingen mogelijk zijn van de indicatieve tarieven en voorwaarden. NAM vraagt zich af hoe dit zich verhoudt tot de eerdere stelling van DTe dat de Nederlandse wetgever in beginsel heeft gekozen voor het systeem van onderhandelde toegang (randnummer 23).
Zoals het door DTe beschreven wordt, valt er niet veel meer te onderhandelen maar wordt de toegang gereguleerd hetgeen in strijd is met de uitgangspunten van de Gaswet.

Pagina 2 van 9 pagina's




Reactie NAM op Informatie- en consultatiedocument Richtlijnen Gaswet, juni 2001. Project nummer: 100488

Vraag 3: Gasopslaginstallaties bestemd voor handelsdoeleinden zouden naast informatie omtrent het allocatiemechanisme, de beschikbare injectiecapaciteit, beschikbare productiecapaciteit en opslagvolume ook de tarieven en de technische beperkingen {zoals kwaliteit gas etc.) moeten publiceren. Daarnaast zou de procedure voor de afhandeling van aanvragen gepubliceerd dienen te worden. Tevens zouden deze bedrijven de toepasselijke algemene voorwaarden moeten publiceren. Vraag 4: NAM is van mening dat de voorwaarde, dat informatie goed toegankelijk gepubliceerd moet worden, voldoende is. NAM ziet geen toegevoegde waarde in een verdere bemoeienis van DTe dienaangaande. Internet zou op het ogenblik het meest voor de hand liggende medium zijn maar het is heel wel denkbaar dat er op korte termijn ook andere middelen beschikbaar komen.

Ten aanzien van paragraaf 4.4. is NAM van mening dat de Gaswet zich beperkt tot de fysieke opslag en dat het niet aan DTe is om een secundaire markt in te richten en richtlijnen vast te stellen welke deze ontwikkeling nastreven. De vragen gesteld in paragraaf 4.4 zijn derhalve irrelevant voor het vaststellen van de richtlijnen maar op zich wel interessant om een inzicht in de markt te krijgen. In dat licht heeft NAM de navolgende vragen beantwoord. Vraag 6: NAM meent dat dit niet door DTe bepaald kan worden. NAM stelt voor dat DTe zich onthoudt van het stellen van dergelijke randvoorwaarden. Bij liberalisatie dient de markt het werk te doen. Het past daarbij niet regelingen te ontwerpen die de marktwerking kunnen hinderen.
Vraag 8: Indien er gasopslaginstallaties voor handelsdoeleinden zouden bestaan dan zouden de verkochte diensten doorverkocht kunnen worden maar onder de voorwaarde dat de oorspronkelijke koper immer volledig aansprakelijk blijft voor de nakoming van de overeenkomst. De exploitant van gasopslagen voor handelsdoeleinden dient op geen enkele wijze risico te lopen verband houdend met secundaire handel.

Randnummer 99
Voor gasopslaginstallaties voor handelsdoeleinden zouden de genoemde basisdiensten als bundels moeten worden aangeboden. Dit omdat er altijd een relatie moet zijn tussen injectie, opslag en productie om de installatie te kunnen bedienen. Vraag 19: Bundels dienen samengesteld te worden in relatie tot de fysieke capaciteit van de opslag. De beheerder zal de bundels samenstellen op een voor de beheerder technisch / economisch optimum.
Vraag 20: Aangezien de diensten gebundeld worden aangeboden, is het niet mogelijk afschakelbare contracten aan te bieden. Het zou aan de secundaire markt overgelaten moeten worden om deze diensten aan te bieden.
Vraag 21: Er dienen geen nadere voorwaarden gesteld te worden. Hier dient de markt zijn werk te doen.
Vraag 22 Nee dit kan niet zonder meer gesteld worden. Dit zalook afhankelijk zijn van de technische capaciteiten van de installaties die aan de diensten ten grondslag liggen. Indien deze aan elkaar gekoppeld worden komt dit de flexibiliteit van de markt niet ten goede. Vraag 23 tlm 25:
NAM wil hier verwijzen naar haar algemene opmerking over de bevoegdheden van DTe als ook haar positie zoals verwoord onder randnummer 27; het bevorderen en verplichten van korte termijncontracten behoort niet tot de bevoegdheden van DTe. Dit dient aan de markt overgelaten te worden. DTe kan toezien op basis van de Mededingingswet. Vraag 26: NAM is van mening dat er geen maximum en minimum (behalve omwille van fysieke beperkingen) moet worden opgenomen in de Richtlijnen. Daar DTe geen inzicht heeft in de marktvraag is het onverstandig om een percentage van het aanbod te reserveren voor een vraag die niet bevestigd is. Ook ten aanzien van kortlopende contracten dient de markt zijn werk te doen.

DTe richt zich hierbij volledig op het ontwikkelen van een secundaire markt hetgeen, zoals al eerder gesteld, niet binnen de bevoegdheden ligt van DTe, en verliest daarbij ook nog eens de belangen van potentiële aanbieders van gasopslag voor handelsdoeleinden volledig uit het oog.

Pagina 3 van 9 pagina's




Reactie NAM op Informatie- en consultatiedocument Richtlijnen Gaswet, juni 2001 Project nummer: 100488

Hoofdstuk 5
Vraag 33: DTe dient in de richtlijnen geen tariefdragers en overeenkomstige tijdseenheden aan te geven. Dit beperkt de mogelijkheden voor marktpartijen om zelf een markt voor opslagdiensten te ontwikkelen. Onder de Mededingingswet kunnen gedragingen van dominante marktpartijen gevolgd en getoest worden.

Hoofdstuk 7
Randoummer165
Bij de technische voorwaarden die DTe noemt wordt ook de loadfactor genoemd. Dit wordt niet genoemd in tabel 2. Het zou hier moeten gaan om de loadfactor welke voor wat betreft de periode (zie definitie loadfactor pagina 69 Consultatiedocument} is afgestemd op het balanceringsregime waarvoor gekozen wordt (uur, dag of dagdelen}.
Vraag 43/44:Hoewel DTe stelt dat het begrip "noodzakelijkerwijs met het transport verbonden diensten" niet te eng moet worden geïnterpreteerd dient het aan de andere kant ook niet te ruim te worden geïnterpreteerd. Het criterium zou moeten zijn: wat kan redelijkerwijs van een ontbundeld transportbedrijf in dit opzicht verwacht worden zonder dat dit bedrijf deze diensten zelf zou moeten inkopen. Het moet derhalve gerelateerd zijn aan de technische mogelijkheden van het transportbedrijf.

Hoofdstuk 9
De positie van NAM ten aanzien van de bergingen Norg, Grijpskerk en Alkmaar is verwoord in het eerder besproken en bijgevoegd Position Paper (zie commentaar bij randnummer 27). Voor de duidelijkheid heeft NAM ook nog per randnummer commentaar gegeven.

Randnummer 218
De verplichting tot het bieden van toegang en onderhandelen kan pas volgen als is vastgesteld dat de ondergrondse bergingen niet uitsluitend gebruikt worden voor productiedoeleinden en dus gasopslaginstallaties in de zin van de Gaswet zijn. Immers, volgens de Gaswet is een gasopslaginstallatie een installatie voor de opslag van gas met uitsluiting van het gedeelte dat wordt gebruikt voor productieactiviteiten. De ondergrondse bergingen Grijpskerk, Norg en Alkmaar worden geheel gebruikt voor productieactiviteiten en zijn derhalve geen gasopslaginstallaties in de zin van de Gaswet. NAM is dan ook van oordeel dat de conclusies van DTe in dit randnummer onjuist zijn.

Randnummer 220
NAM is het niet eens met de juridische interpretatie van DTe van het begrip productieactiviteit. Het is de mening van NAM dat maatregelen ter compensatie van de afnemende druk van het Groningen veld productieactiviteiten zijn.
De minister, de wetgever, heeft op 23 mei 2001 in de Nota naar aanleiding van het nader verslag van de Mijnbouwwet het volgende gesteld:
" In Nederland zijn momenteel drie ondergrondse opslagfaciliteiten: Alkmaar, Norg en Grijpskerk. Deze zijn ontstaan toen eind jaren tachtig, begin jaren negentig het besef groeide dat door de afnemende druk de capaciteit van het Groningen veld minder werd. De ondergrondse gasopslagen worden beschouwd als een verlengstuk van het Groningen veld en gebruikt als een middel om leveringszekerheid te waarborgen, bijvoorbeeld in strenge winters en om kleine velden te kunnen inpassen (in de zomer). Door de bijzondere functie en de interactie van deze opslagfaciliteiten met het Groningen veld zijn deze opslagen zodanig gestructureerd dat in financieelopzicht geen sprake is van op zichzelf staande commerciële activiteiten. (. ..) Naar verwachting zullen nieuwe opslagfaciliteiten, anders dan de drie bestaande opslagactiviteiten, op een meer commerciële wijze vorm krijgen als zelfstandige industriële handelsactiviteiten."
Ook hieruit blijkt dat de huidige bergingen alleen voor productiedoeleinden zijn.

Pagina 4 van 9 pagina's




Reactie NAM op Informatie- en consultatiedocument Richtlijnen Gaswet, juni 2001 Project nummer: 100488

Randnummer 221
NAM heeft in het Position Paper aangegeven dat de UGS'en gebouwd zijn als onderdeel van het Groningen veld. Productie van het Groningen veld is een productieactiviteit in de zin van de Gaswet. In dit verband wijst NAM op het bijzondere karakter van het Groningen veld en dan met name de aan het Groningen veld toegekende functie om als balans veld te fungeren. Kort samengevat komt dit erop neer dat Gasunie eerst kleine-veldengas en geïmporteerd gas inzet om aan haar verplichtingen te voldoen. De resterende marktvraag van Gasunie dient door NAM met Groningen geleverd te worden. Groningen moet derhalve alle pieken in de marktvraag kunnen opvangen. Gasunie geeft NAM jaarlijks aan hoeveel productiecapaciteit op Groningen aanwezig dient te zijn zodat Gasunie aan haar verplichtingen kan voldoen. Hierop gebaseerd heeft NAM het Groningen veld geleidelijk en continu ontwikkeld. Eind jaren 80 werd het duidelijk dat door de dalende druk in het reservoir nieuwe maatregelen moesten worden genomen om aan de gevraagde productiecapaciteit te kunnen voldoen. In overleg met Gasunie is gekeken naar hoeveel productiecapaciteit er gedurende hetjaar beschikbaar zou moeten zijn. Er is toen besloten om twee bestaande gasvelden in te richten als ondergrondse bergingen met een hoge productiecapaciteit. Deze oplossing had als voordeel dat de bergingen ook zouden kunnen worden gebruikt voor inpassing van kleine-veldengas (zie commentaar bij randnummer 242). De investeringen in deze ondergrondse bergingen zijn gedaan in plaats van investeringen op het Groningen veld zelf (bijvoorbeeld compressie of extra putten). Deze bergingen zijn dus onderdeel van het Groningen systeem en zijn speciaalontworpen voor productiedoeleinden.

Randnummer 222
DTe stelt dat er geen verband valt te leggen, gebaseerd op de wetsgeschiedenis, tussen de verplichtingen uit hoofde van het kleine-veldenbeleid en de invulling van het begrip productieactiviteiten in het kader van toegang tot de opslagfaciliteiten. In het antwoord van NAM op randnummer 220 wordt de wetgever geciteerd die wel degelijk dit verband legt. Gasunie heeft de bergingen nodig om aan haar contractuele en publieke taken te voldoen. Eén van deze publieke taken is het uitvoeren van het kleine-veldenbeleid. Dit laatste betekent dat Gasunie gas, dat een producent haar aanbiedt, moet innemen tegen betaling van een op marktconforme grondslag bepaalde vergoeding en op een gedurende het jaar redelijk constant en hoog productieniveau (lage swing). Om deze taak uit te kunnen oefenen heeft Gasunie toegang tot de bergingen nodig. Daarvoor zijn ze ook gebouwd. Het gaat hierbij om zomer overschotten op te slaan (injectie) en deze aan het eind van de winter te produceren (productie). Het gaat hierbij dus om een combinatie van productie en injectie. In het commentaar onder randnummer 242 wordt hier nader op ingegaan.

Randnummer 223
NAM is van mening dat er geen enkele tegenstelling is. De wetgever heeft wel degelijk bedoeld een reservering te maken voor de uitvoering van het kleine-veldenbeleid door dit te verankeren in de Gaswet. Elders in Europa zijn gasopslaginstallaties geen substituut voor gasvelden maar juist bedoeld als buffercapaciteit in een transport systeem. In de Nederlandse situatie is het zo dat de ondergrondse bergingen een substituut van reguliere gasvelden zijn. De ontwikkeling van reguliere gasvelden wordt als productieactiviteit gezien en derhalve de ontwikkeling van de substituten ook. De bergingen van NAM zijn specifiek en exclusief gebouwd voor productieactiviteiten. De "Commissie van Drie", waaraan DTe refereert, onderbouwt hier de stelling van NAM volledig.

Randnummer 224
DTe stelt dat NAM en Gasunie een groot aantal technische en juridische argumenten aanhalen om aan te geven dat de opslaginstallaties voor 100% noodzakelijk zijn voor productiedoeleinden. DTe stelt dat de wetgever toegang tot gasopslagfaciliteiten voor derden mogelijk heeft willen maken. In dit verband acht NAM het van belang op te merken, dat het hier volgens de wetgever gaat om installaties voor de opslag van gas met uitsluiting van het gedeelte dat wordt gebruikt voor productieactiviteiten. De wetgever heeft uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt: productieactiviteiten hebben voorrang boven handelsdoeleinden. De wetgever heeft bovendien niet gesteld, dat het ondenkbaar zou zijn, dat een installatie voor de opslag van gas uitsluitend zou worden gebruikt voor productieactiviteiten. In dit licht bezien acht NAM de door Gasunie en NAM ter zake ingenomen positie alleszins redelijk.

Pagina 5 van 9 pagina's




Reactie NAM op Informatie- en consultatiedocument Richtlijnen Gaswet, juni 2001. Project nummer: 100488

NAM en Gasunie hebben hun Position Paper op 24 april 2001 aan DTe gestuurd zodat DTe de argumentatie van NAM en Gasunie bij de beleidsvorming kon betrekken. Het is voor NAM dan ook teleurstellend dat DTe volledig voorbij gaat aan de argumenten van NAM/Gasunie. DTe stelt alleen dat NAM niet redelijk zou zijn. Gezien het voorgaande zou NAM DTe willen voorstellen deze onredelijkheid te onderbouwen.

Randnummer 227
Zoals in het commentaar onder randnummer 221 uitgelegd vormen de bergingen onderdeel van de productiecapaciteit van het Groningen veld. De productiecapaciteit van dit veld en van de ondergrondse bergingen is door NAM uitgecontracteerd aan Gasunie. Dienovereenkomstig kan NAM de aan Gasunie ter beschikking gestelde productiecapaciteit niet ter beschikking stellen aan derden.

Randnummer 228
De studies naar additionele productiecapaciteit voor het Groningen veld zijn begonnen in 1987 waarna de investeringsbeslissingen voor de bouw van de bergingen in 1992 genomen zijn. De bergingen zijn in 1996/1997 in gebruik genomen. Het moge duidelijk zijn dat afspraken ten aanzien van de contractuele structuur ten grondslag hebben gelegen aan de investeringsbeslissingen. Het is niet reëel om van partijen te verwachten met de contractstructuur rekening te houden met wetten die in de toekomst misschien wel of niet tot stand zullen komen. In dit verband zij aangetekend, dat alle relevante overeenkomsten inzake de ondergrondse bergingen door de Minister van Economische Zaken in 1996 zijn goedgekeurd. Als er één organisatie op de hoogte geweest zou kunnen zijn van de mogelijke gevolgen van liberalisering, dan zou dat het Ministerie van Economische Zaken hebben moeten zijn.

NAM heeft bindende contracten met Gasunie. DTe stelt dat de Gaswet voorrang geniet boven de bestaande contracten. Ten tijde van het ontstaan van de Gaswet was het bestaan van de contracten volledig bekend bij de wetgever. De wetgever heeft in de Gaswet niet bepaald dat de bestaande contracten in strijd zouden zijn met de Gaswet of geen voorrang hebben. Er is op dit moment geen enkele reden om aan te nemen dat de bestaande contracten strijdig zijn met de Gaswet.

Randnummer 229/230
DTe gaat er hierbij vanuit dat de wetgever heeft bedoeld dat ruimte gemaakt moet worden voor derden. Dit blijkt in zijn geheel niet uit de wet. De wetgever heeft bedoeld dat alleen wanneer de bergingen niet voor productieactiviteiten nodig zijn derden toegang kunnen krijgen. Het is niet aan DTe om te bepalen wanneer dit gebeurt.

Randnummer 231
NAM is het niet eens met de zienswijze van DTe. Oe snelheid waarmee opslagdiensten aangeboden dienen te worden is niet afhankelijk van de marktvraag maar afhankelijk van wanneer deze aangeboden kunnen worden (zie commentaar NAM op randnummer 229/230). De wijze waarop dit dan eventueel zal kunnen gebeuren zal afhankelijk zijn van de marktvraag en de technische beperkingen van de installaties.

Randnummer 232/233
NAM is het niet eens met de constatering van DTe. Zoals al eerder gesteld is NAM het niet eens met de definitie van DTe ten aanzien van productieactiviteiten. NAM stelt dat alle activiteiten ter compensatie van de drukdaling van het Groningen veld als productieactiviteiten dienen te worden aangemerkt.
Norg, Grijpskerk (en Alkmaar) zijn onderdeel van het Groningen systeem. Alle geïnstalleerde productiecapaciteit van het Groningen systeem is gecontracteerd aan Gasunie via contracten die mededingingsrechtelijk correct zijn en derhalve is er geen verplichting voor NAM om opslag aan derden beschikbaar te stellen.

Pagina 6 van 9 pagina's




Reactie NAM op Informatie- en consultatiedocument Richtlijnen Gaswet, juni 2001. Project nummer: 100488

Randnummer 234
De opmerking dat DTe op verzoek van NAM en Gasunie Jacobs Gomprimo heeft ingehuurd om contra expertise te verschaffen is niet juist. DTe heeft NAM gevraagd om namen van internationale adviesbureaus met expertise op het gebied van gasopslag voor de uitvoering van de studie. NAM heeft hierop geantwoord dat in eerste instantie haar gedachten uitgingen naar de ontwerpers en bouwers van de ondergrondse opslagen. DTe heeft daarna Jacobs ingehuurd als additionele adviseur van DTe. Hier is NAM van op de hoogte gesteld via de terms of reference van de contactgroep. De onafhankelijkheid van het onderzoeksbureau BET is gaande de studie door NAM steeds meer in twijfel getrokken. Deze twijfellijkt bevestigd door het feit dat DTe heeft aangegeven dat DTe bepaalt welke opmerkingen van de industrie door BET verwerkt dienden te worden.

Randnummer 238
Uit het Position Paper en bovenstaande commentaren blijkt dat de bergingen volledig nodig zijn voor de productieactiviteiten van NAM. Echter voor de volledigheid wenst NAM hieronder een aantal van de genoemde gegevens ten aanzien van de bergingen te corrigeren. De berging Norg ligt in de provincie Drenthe en niet in de provincie Groningen. In tabel 14 en 15 staat aangegeven dat de maximale gebruikstijd in geval van onafgebroken maximale productiecapaciteit 80 dagen is voor Norg en 32 dagen voor Grijpskerk. Dit is onjuist. De installatie Grijpskerk kan 350 uur (14,5 dag) op de maximale productiecapaciteit produceren en Norg 700 uur (29 dagen).
Het ontmoedigt NAM dat ondanks regelmatige uitleg en uitgebreide informatievoorziening deze basisgegevens foutief worden gepresenteerd door DTe. Tevens dient opgemerkt te worden dat de bestaande bergingen nog verdere beperkingen kennen welke DTe hier niet heeft vermeld maar waarvan DTe wel op de hoogte is gebracht.

Randnummer 242
DTe stelt hier dat zijn conclusie volgt op een aantal constateringen. Ofwel DTe suggereert dat er meerdere argumenten zouden zijn. Dit is onjuist. Alle constateringen gedaan in randnummers 243-249 zijn gebaseerd op een onjuiste definitie van accommodatie. Accommodatie is een situatie waarbij Gasunie het overschot aan gasproductie in de ondergrondse bergingen opslaat. Gasunie is contractueel verplicht een jaarvolume van de producenten af te nemen met een gedurende het jaar redelijk constant en hoog productieniveau (lage swing). Wanneer, om aan deze verplichting te voldoen, Gasunie in de zomer meer moet afnemen dan de markt vraagt (zelfs als Groningen naar het minimum is teruggeregeld) moet Gasunie het overschot opslaan in de ondergrondse bergingen. In de winter kan Gasunie dit gas produceren wanneer de markt vraag veel groter is. Dit is dus niet het "minimum flow" probleem zoals omschreven in het Consultatiedocument. Het is NAM volstrekt onduidelijk waarom DTe een minimum flow probleem heeft aangevoerd. DTe doet het voorkomen alsof installaties die kleine-veldengas produceren niet afgeschakeld mogen of kunnen worden. Dit is onjuist. Deze installaties kunnen teruggeregeld worden naar hun minimum maar ook afgeschakeld worden. Maar indien Gasunie dit zou doen dan kan zij niet aan haar jaarlijkse contractuele inkoopverplichting voldoen. NAM verwijst hierbij ook naar het commentaar van NOGEPA waar wij geheel achter staan.
Dit is meerdere malen aan DTe uitgelegd tijdens de technische studie. NAM betreurt het dat DTe dit niet heeft beschreven in het Consultatiedocument zodat andere marktpartijen ook inzicht kunnen krijgen in de uitvoering van het kleine-veldenbeleid. De wetgever heeft het gebruik van ondergrondse opslagen voor inpassing, als gevolg van het kleine- veldenbeleid, welonderkend (zie commentaar NAM op randnummer 220).

Randnummer 244
Er is in principe alleen sprake van accommodatie als Groningen terug is geregeld naar haar minimum. Linepack is geen alternatief voor accommodatie. Linepack kan alleen kortstondige fluctuaties opvangen terwijl accommodatie een seizoensgebonden probleem is.

Randnummer 248
Wederom worden hier conclusies gebaseerd op een verkeerde definitie van accommodatie. Berekeningen van Gasunie en NAM tonen juist aan dat er grote hoeveelheden kleine-veldengas zullen moeten worden geaccommodeerd in de nabije toekomst.

Pagina 7 van 9 pagina's




Reactie NAM op Informatie- en consultatiedocument Richtlijnen Gaswet, juni 2001. Project nummer: 100488

Randnummer 2A9
NAM bevestigt, dat er tot op heden nog geen volledige cyclus van seizoenopslag is voltooid. Zoals uitgelegd aan DTe. is dit het gevolg van het feit dat in de afgelopen jaren de bergingen nog gevuld moesten worden om ze op druk te brengen. Er was daardoor nog voldoende ruimte in de bergingen om gas te accommoderen. Er was dus geen noodzaak om de bergingen in de winter leeg te produceren om ruimte te maken zodat gas in de volgende zomer ingepast kon worden. Daarnaast waren de afgelopen 4 winters mild en heeft Gasunie de bergingen niet hoeven in te zetten om aan de gasvraag te voldoen. Op dit moment zijn de bergingen echter vol en moet er in de winter met de productie van gas uit de ondergrondse bergingen begonnen worden om ruimte te creëren voor gas dat geaccommodeerd moet worden in de volgende zomer terwijl de productiecapaciteit nodig voor leveringszekerheid gegarandeerd blijft.
Daar NAM heeft uitgelegd waarom er geen volledige cyclus is uitgevoerd vindt NAM het tendentieus dat DTe deze opmerking maakt zonder de uitleg daarbij te geven.

Conclusie
Vanwege de verkeerde definitie van het begrip accommodatie is de conclusie van DTe dat geen reservering noodzakelijk zou zijn voor het kleine-veldenbeleid niet valide.

Randnummer 250
De Gaswet bepaalt dat Gasunie uitvoering moet geven aan het kleine-veldenbeleid. Naar het oordeel van NAM betekent dit, dat aan deze taak prioriteit heeft moet worden gegeven boven het openstellen van de ondergrondse bergingen voor de opslag van gas van derden. Indien dit niet het geval zou zijn en Gasunie het gas uit nieuwe kleine velden niet langer in beginsel gegarandeerd zou kunnen innemen, zal dit onherroepelijk tot gevolg hebben dat de exploratie inspanningen van producenten zullen worden gestaakt, dan wel aanzienlijk zullen worden teruggebracht, hetgeen haaks staat op het kleine-veldenbeleid.
Ook de minister heeft aangegeven dat de bergingen noodzakelijk en gebruikt zijn (zie commentaar NAM randnummer 220) voor inpassing van kleine-veldengas.

Vraag 59: NAM is het niet eens met de analyse van DTe. De installatie Alkmaar is ook gebouwd ter compensatie van de teruglopende productiecapaciteit het Groningen veld. Een secundaire optimalisatie was de keuze van de locatie welke het mogelijk heeft gemaakt om additionele investeringen in transportleidingen te voorkomen.

Randnummer 262
De piekvraag zoals hier omschreven is gebaseerd op een gemiddelde dagwaarde en niet op een uur piekwaarde. Derhalve kunnen er geen conclusies uit getrokken worden.

Vraag 60: NAM deelt de mening van DTe niet. NAM is van oordeel, dat DTe niet kan bepalen hoe Gasunie de haar ter beschikking staande middelen, waartoe ook de aan haar gecontracteerde ondergrondse bergingen behoren, inzet. NAM is voorts van oordeel, dat DTe niet de bevoegdheid heeft dwingend voor te schrijven, dat de ondergrondse bergingen, die Gasunie gecontracteerd heeft, voor de opslag van gas van derden beschikbaar moeten worden gesteld. Dit geldt naar het oordeel van NAM te meer daar Gasunie alle haar ter beschikking staande middelen nodig heeft om te voldoen aan haar wettelijke en contractuele verplichtingen.

Pagina 8 van 9 pagina's




Reactie NAM op Informatie- en consultatiedocument Richtlijnen Gaswet, juni 200f Project nummer: 100488

Vraag 61: NAM deelt de conclusies niet zoals boven beschreven: Op hoofdlijnen is het commentaar:
.NAM is het niet eens met de door DTe geformuleerde definitie van productieactiviteit. De ondergrondse bergingen zijn door NAM gebouwd ter ondersteuning van de teruglopende productiecapaciteit van het Groningen veld. .Anders dan DTe stelt, is accommodatie niet hetzelfde als het "minimum flow" probleem. Accommodatie is de noodzaak om kleine-veldengas in de zomer te injecteren in de bergingen zodat Gasunie aan haar jaarlijks inkoopverplichting kan voldoen. Als gevolg van deze inkoopverplichting moet Gasunie gedurende de zomer meer kleine-veldengas inkopen dan zij kan afzetten in de markt (terwijl het Groningen veld naar haar minimum is teruggeregeld). Dit overschot moet in de bergingen worden geïnjecteerd. Dit is een onderdeel van de publieke taak van Gasunie om uitvoering te geven aan het kleine-veldenbeleid. .Het is niet aan DTe om te bepalen hoe Gasunie de haar ter beschikking staande instrumenten, waaronder de ondergrondse bergingen van NAM, inzet om aan al haar contractuele en wettelijke verplichtingen te voldoen. .Alkmaar is primair gebouwd ter compensatie van de teruglopende productiecapaciteit van het Groningen veld. Derhalve is de analyse dat Alkmaar alleen voor transportzekerheid noodzakelijk is onjuist.

Randnummer 267
NAM begrijpt niet dat DTe eerst vaststelt dat Gasunie niet de beheerder is van de ondergrondse bergingen en vervolgens doet voorkomen alsof de door Gasunie gepubliceerde indicaties van indicatieve tarieven bepalend zouden zijn voor de door de beheerder vast te stellen en te publiceren indicatieve tarieven en voorwaarden, daarbij voorts aannemend dat de ondergrondse bergingen Alkmaar, Grijpskerk en Norg gasopslaginstallaties in de zin van de Gaswet zouden zijn.

RandIl-umrn er 270-275
NAM is het eens met het uitgangspunt dat tarieven voor gasopslag voor handelsdoeleinden op een marktconforme manier tot stand dienen te komen. Zou DTe zich uitspreken voor een kostenoriëntatie dan lijkt het niet waarschijnlijk, dat zich in de naaste toekomst een "natuurlijke markt" zalontwikkelen en zullen er ook geen gasopslaginstallaties voor handelsdoeleinden ontwikkeld worden. NAM is er van overtuigd, dat er welhaast geen bedrijf zal zijn, dat op die basis wenst te investeren in opslag.

NAM is echter van mening dat het niet aan DTe is om te bepalen, of de ondergrondse bergingen ongeacht hun gebruik voor productieactiviteiten voor de opslag van gas van derden aangeboden dienen te worden. De Gaswet bepaalt in artikel 18, aan welke verplichtingen de gasopslagbedrijven dienen te voldoen. NAM is voorts van mening dat het evenmin aan DTe is om, anders dan door het publiceren van richtlijnen ten aanzien van het vaststellen van de indicatieve tarieven en voorwaarden, te bepalen hoe gasopslagbedrijven hun gasopslaginstallaties zouden moeten openstellen voor de opslag van gas van derden .

Vraag 62: Dit kan alleen als marktpartijen onderling overleg voeren en onderhandelen over de benodigde opslagdiensten en de daarbijbehorende prijzen. Vraag 63: De voorschriften dienen een marktconform systeem voor te staan daar er anders geen investeringsklimaat kan ontstaan welke uitbreiding van opslagcapaciteit stimuleert- Vraag 64: Dit is al beschreven in de Gaswet: De aanbieder van gasopslag dient tarieven en voorwaarden bekend te maken na overleg met representatieve organisaties. Een andere methode is, gezien het Europese speelveld waarin ondergrondse opslag bedrijven opereren, dat tarieven van de verschillende ondergrondse opslagen onderling worden vergeleken, zogenaamde benchmarking. Vraag 65: DTe zou de tarieven van de verschillende landen kunnen benchmarken. Dit kan inzicht geven of de markontwikkelingen binnen Nederland gelijke tred houden met het buitenland,

Bijlage Position Paper ondergrondse bergingen, NAM en Gasunie, april 2001 z.b

Pagina 9 van 9 pagina's




reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie