Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Beoordeling asielverzoeken dienstplichtigen uit Turkije

Datum nieuwsfeit: 23-08-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken





1 Inleiding

2 Basisgegevens dienstplicht
2.1 Basisgegevens strijdkrachten
2.2 Relevante wetgeving
2.3 Plaats van strijdkrachten en dienstplicht in de samenleving
3 Registratie en keuring
3.1 Registratie (ilk yoklama )
3.2 Keuring (son yoklama)

4 Opkomst en plaatsing
4.1 Opkomst (sevk)
4.2 Basisopleiding
4.3 Vervolgplaatsing
4.4 Deelname aan gevechtsacties

5 Uitstel, vrijstelling en vervangende dienstplicht 5.1 Uitstel
5.2 Vrijstelling
5.2.1 Vrijstelling voor bipatriden
5.2.2 Vrijstelling door afkoop
5.2.3 Vrijstelling door broederdienst
5.2.4 Vervangende dienstplicht bij overbemanning

6 Onttrekking aan de dienstplicht (asker kaçakçiligi) 6.1 Onttrekking aan de registratie/keuring (sakli/yoklama kaçakçiligi) 6.2 Onttrekking aan de opkomst (bakaya)
6.3 Desertie (firar)
6.4 Opsporing, berechting en tenuitvoerlegging bij strafvervolging 6.5 Verlies staatsburgerschap

7 Principiële dienstweigering op grond van gewetensbewaren (vicdani ret) 7.1 Internationale context
7.2 Erkenning van gewetensbezwaren in Turkije
7.3 Strafvervolging

8 Mensenrechten
8.1 Mensenrechtenschendingen binnen de strijdkrachten 8.1.1 Mishandeling
8.1.2 Discriminatie
8.1.3 Sterfgevallen
8.2 Mensenrechtenschendingen door de strijdkrachten
9 Beleid UNHCR en andere westerse landen
9.1 UNHCR
9.2 Andere westerse landen

10 Samenvatting
Literatuurlijst
Turkije/dienstplicht


1 Inleiding


Dit algemene ambtsbericht, dat dient ter actualisering van het algemene ambtsbericht Turkije/dienstplicht van 15 juni 2000, bevat informatie die relevant is voor de beoordeling van asielverzoeken van dienstplichtigen uit Turkije.

Het ambtsbericht is gebaseerd op gesprekken en bevindingen ter plaatse en op rapportages van de Nederlandse ambassade te Ankara en het Nederlands consulaat-generaal te Istanbul, die daartoe een netwerk van contacten onderhouden. Ook vakliteratuur en andere bronnen liggen aan dit ambtsbericht ten grondslag. Op plaatsen waar geen (expliciete) bronvermelding is opgenomen, is in veel gevallen gebruik gemaakt van vertrouwelijke bronnen. Daar waar wel een bronvermelding aanwezig is, is naast deze openbare bron in vele gevallen óók gebruik gemaakt van informatie die op vertrouwelijke basis is verkregen.

In hoofdstuk 2 komen de basisgegevens met betrekking tot de dienstplicht aan de orde. Aandacht wordt besteed aan de samenstelling en grootte van de krijgsmacht, de op dienstplichtigen van toepassing zijnde wetgeving en de plaats van het leger in de Turkse samenleving. In de hoofdstukken 3 tot en met 5 komen de formaliteiten met betrekking tot registratie, keuring, opkomst en vervolgplaatsing aan de orde. Hierbij wordt in paragraaf 4.4. aandacht besteed aan de kans dat dienstplichtigen worden ingezet in gevechtsacties.

In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de juridische aspecten van onttrekking aan de dienstplicht. Hoofdstuk 7 besteedt aandacht aan de principiële dienstweigering op grond van gewetensbezwaren, waarnaar zowel vanuit internationaal als vanuit Turks perspectief wordt gekeken. In hoofstuk 8 komen achtereenvolgens de mensenrechtensituatie binnen de strijdkrachten en mensenrechtenschendingen die worden gepleegd door de strijdkrachten aan de orde. Na behandeling van het beleid van de UNHCR en andere westerse landen met betrekking tot asielaanvragen van uit Turkije afkomstige asielzoekers die zich beroepen op dienstweigering, wordt in hoofdstuk 10 afgesloten met een samenvatting van het geheel.


2 Basisgegevens dienstplicht


2.1 Basisgegevens strijdkrachten

De totale omvang van de Turkse strijdkrachten bedraagt - exclusief burgerpersoneel en jandarma - 609.700 . Het overgrote deel van de personele bezetting van de strijdkrachten bestaat uit dienstplichtigen. Het totale aantal dienstplichtigen - exclusief dienstplichtigen in de jandarma - bedraagt 528.000. Binnen de legertop wordt reeds langere tijd gesproken over professionalisering van de strijdkrachten, waarbij het aantal dienstplichtigen sterk zou worden gereduceerd en een leger van voornamelijk beroepskrachten zou worden gevormd . In juni 2001 heeft het parlement een wetsvoorstel aangenomen, dat voorziet in het te werk stellen van beroepsofficieren op basis van een tijdelijk contract van drie tot negen jaar .

Landmacht

Het grootste krijgsmachtonderdeel is de landmacht, die bestaat uit 495.000 manschappen, waarvan 462.000 dienstplichtigen . De landmacht bestaat uit vier legers (ordu), te weten het Eerste Leger, gelegerd in Istanbul, het Tweede Leger, gelegerd in het zuidoosten met als hoofdkwartier Malatya, het Derde Leger gelegerd in het noordoosten met als hoofdkwartier Erzincan en het Vierde Leger (ook wel bekend onder de naam Egeïsche Leger), gelegerd aan de westkust met als hoofdkwartier Izmir .

Commando's

Onder de manschappen van de landmacht bevinden zich circa 50.000 commando's. Hieronder bevinden zich ook dienstplichtigen, die hiervoor op basis van vrijwilligheid zijn geselecteerd op grond van goede fysieke eigenschappen en eventuele vaardigheden. De commando's zijn ondergebracht in een viertal brigades. De Eerste Commandobrigade, die beschikt over twee eenheden met parachutisten, is gelegerd in Kayseri, de Tweede in Bolu, de Derde in Midyat (provincie Mardin) en de Vierde - of Bergcommandobrigade in Hakkari .

Marine

De marine, die uit 54.600 manschappen bestaat, beschikt over 34.500 dienstplichtigen.

Luchtmacht

De luchtmacht is 60.100 man sterk, waarvan 31.500 dienstplichtigen.

Kustwacht

Een klein aantal (1.400) dienstplichtigen is gelegerd bij de 2.200 man sterke kustwacht.

Jandarma

Een bijzondere positie wordt ingenomen door de 218.000 man sterke jandarma , die haar orders uit meer dan één bron ontvangt. Zo valt de jandarma onder de Generale Staf op het gebied van opleiding en militaire taken, onder de Landmacht op het gebied van wapens en uitrusting en onder het ministerie van Binnenlandse Zaken op alle overige terreinen . Meer dan 90 procent van manschappen van de jandarma bestaat uit dienstplichtigen.

Omdat het competentiegebied van de politie beperkt is tot de steden, valt het gebied buiten de steden onder competentie van de jandarma. De jandarma onderhoudt een netwerk van politieposten in geheel Turkije. De politietaak bestaat zowel uit handhaving van de openbare orde als uit opsporing in geval van delicten. Hiermee is de jandarma verantwoordelijk voor de politietaken op 93,5 % van het grondgebied van Turkije .

Behalve politietaken heeft de jandarma ook de taak van optreden tegen smokkelaars, bewaken van de buitenzijde van gevangenissen en het opsporen van voortvluchtige dienstplichtigen.

Ook de jandarma kent op provinciaal niveau commando-eenheden, die in de daaraan verbonden districten en plaatsen worden ingezet 'bij gebeurtenissen die de capaciteit van de locale eenheden te boven gaan' . Deze commando-eenheden, waarin ook dienstplichtigen plaatshebben, dienen te worden onderscheiden van de hieronder genoemde speciale eenheden.

Speciale eenheden

In de strijd met de PKK die jarenlang heeft gewoed in Zuidoost-Turkije, zijn naast speciaal getrainde legereenheden ook speciale teams van de politie en jandarma, aangeduid als Özel Harekat Timi (meervoud Özel Harekat Timleri) of Özel Tim (meervoud Özel Timler), ingezet. Het geheel van deze eenheden, circa 15.000 à 20.000 in getal, wordt aangeduid als het 'Commando Speciale Troepen' (Özel Kuvvetler Komutanligi), dat algemeen bekend staat als 'Speciale Oorlogvoering' (Özel Harp) en rechtstreeks verbonden is aan de Generale Staf van de Strijdkrachten . In de volksmond worden alle deelnemende eenheden, ongeacht of deze nu behoren tot leger, politie of jandarma, meestal aangeduid met Özel Tim.

In deze eenheden bevinden zich geen dienstplichtigen maar uitsluitend beroepsmilitairen. Deze beroepsmilitairen hebben na de vervulling van hun militaire dienstplicht een strenge selectie ondergaan. Vervolgens ontvangen ze een zware training in anti-guerrillagevechten, die kan oplopen tot 3,5 jaar. Het aantal aanmeldingen van vrijwilligers voor deelname in dergelijke teams is groot, omdat de functie een hoge maatschappelijke status heeft en de salariëring relatief hoog is.

2.2 Relevante wetgeving


De juridische grondslag voor regeling van de dienstplicht wordt hoofdzakelijk gevormd door de onderstaande wetten.

De Turkse Grondwet stelt in artikel 72 'De dienst aan het vaderland is het recht en de plicht van iedere Turk. De wijze waarop deze plicht binnen de Strijdkrachten of in de publieke sector vervuld dient te worden en op welke wijze deze als vervuld zal worden beschouwd, wordt geregeld bij wet'. De Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111, vult in artikel 1 de in de grondwet genoemde plicht voor mannelijke onderdanen in als 'Ieder mannelijk onderdaan van de Republiek Turkije is krachtens deze wet gehouden de militaire dienstplicht te vervullen'.

De vervulling van de dienstplicht als reserveofficier door universitair geschoolden is geregeld in de Wet inzake Reserveofficieren en Reservisten onder nummer 1076.

Het strafrecht dat van toepassing is op militairen, is vastgelegd in het Wetboek van Militair Strafrecht onder nummer 1632 van 22 mei 1930, laatstelijk gewijzigd met de wet onder nummer 3970 op 19 mei 1994.

Zoals boven reeds vermeld, is ieder mannelijk onderdaan van de Republiek Turkije gehouden de militaire dienstplicht te vervullen, waarbij vervangende dienstplicht buiten het leger niet tot de mogelijkheden behoort . De militaire dienstplicht geldt voor iedere man met de Turkse nationaliteit, ongeacht diens achtergrond of woonplaats.

De dienstplichtige leeftijd loopt krachtens artikel 2 van de Wet op de Militaire Dienstplicht 'beginnend vanaf 1 januari van het jaar waarop men het twintigste levensjaar betreedt tot 1 januari van het jaar waarop men het 41e levensjaar betreedt'. Over het exacte begin van de dienstplichtige leeftijd bestaat in niet-Turkse publicaties soms verwarring. In het Turkse spraakgebruik worden levensjaren namelijk anders geteld . Derhalve is de betekenis van de wettelijke formulering, dat de dienstplichtige leeftijd aanvangt op 1 januari van het jaar dat men 19 jaar oud wordt en eindigt op 1 januari van het jaar dat men 40 jaar oud wordt. Personen die hun dienstplicht hebben vervuld, blijven tot aan deze leeftijd reservist.

Turkse mannen die legaal in het buitenland verblijven, dienen hun dienstplicht te vervullen tussen 1 januari van het jaar waarin zij 19 jaar oud worden en het eind van het jaar waarin zij 38 jaar oud worden. Zij kunnen hun opkomstdatum dus tot de leeftijd van 38 jaar uitstellen.

De diensttijd voor soldaten is thans krachtens artikel 5 van de Wet op de Militaire Dienstplicht achttien maanden. Het wetsartikel geeft de ministerraad de bevoegdheid om deze te verlagen tot 12 of 15 maanden, overeenkomstig de behoefte van de strijdkrachten. De Secretaris-Generaal van de Generale Staf heeft in april 2001 nog laten weten dat voorlopig geen sprake kan zijn van een verkorting van de diensttijd .

Voor universitair geschoolden geldt een alternatieve regeling, die is vastgelegd in de bovengenoemde Wet inzake Reserveofficieren en Reservisten onder nummer 1076. Uit deze groep worden reserveofficieren gerekruteerd. Indien het aantal universitair geschoolden de vraag van de Generale Staf naar reserveofficieren overstijgt, heeft iedere afgestudeerde de keuze om al dan niet reserveofficier te worden. In geval de vraag groter of gelijk is aan het aanbod, is men verplicht als reserveofficier te dienen. De diensttijd voor reserveofficieren is zestien maanden, waarvan vier maanden opleiding en twaalf maanden dienst in een eenheid .

Afgestudeerden die er in voorkomende gevallen toch voor kiezen om geen reserveofficier te worden, kunnen hun diensttijd als soldaat of onderofficier in verkorte vorm vervullen. De duur van deze verkorte dienstplicht (kisa hizmet) is acht maanden .

2.3 Plaats van strijdkrachten en dienstplicht in de samenleving


Het leger vervult een belangrijke rol in binnen de Turkse samenleving. Sinds het begin van de republiek hebben de strijdkrachten, die zich zien als de beschermer van de principes van Atatürk, zowel op binnenlands- als op buitenlandspolitiek terrein beleidslijnen uitgezet. Zij hebben bovendien enkele malen ingegrepen in de landelijke politiek door middel van een staatsgreep . De inbreng van de krijgsmacht loopt doorgaans via de Nationale Veiligheidsraad (MGK) , waarvan de adviezen in de praktijk door de regering worden opgevolgd.

Ook in de economie is het leger een niet weg te denken factor. Het pensioenfonds van het leger, in het Turks altijd met de afkorting OYAK aangeduid, beschikt over een enorm vermogen, waarmee het een reusachtig conglomeraat van ondernemingen in Turkije vormt. Zo is bijvoorbeeld de licentie voor de productie van auto's van het merk Renault in Turkije in handen van de OYAK. De OYAK geniet een groot aantal belastingvoordelen. Oud-generaals zijn na hun pensionering zeer gewild als directieleden of commissarissen bij grote bedrijven.

Het leger vormt een afgeschermde wereld binnen de samenleving. De opleiding van beroepsmilitairen begint vaak al op een militair lyceum, waar men intern verblijft, en gaat vervolgens verder op de militaire academie. Beroepsmilitairen hebben eigen, van de buitenwereld afgeschermde woonblokken, waarvan de huurprijzen zeer laag zijn, met winkels, officiersclubs en ziekenhuizen die alleen voor militairen toegankelijk zijn. Deze privileges zijn echter uitsluitend voorbehouden aan beroepsmilitairen .

Het leger en de militaire dienstplicht staan bij een groot deel van de bevolking in hoog aanzien. In een enquete uit maart 2001, waarin de bevolking werd gevraagd cijfers te geven aan de diverse organen binnen het staatsbestel, kreeg het leger een 7, daar waar de president een 7,9 (een instituut dat sinds het aantreden van Sezer enorm in aanzien is gestegen) en de regering en politieke partijen respectievelijk een 1,9 en een 1,8 kregen . De populariteit van het leger komt voor een deel voort uit het feit dat de publieke opinie ervan overtuigd is, dat het leger min of meer is uitgezonderd van de in Turkije wijd verbreide corruptie. Respect voor het leger wordt vanaf de laagste klassen van het basisonderwijs aan de leerlingen bijgebracht .

Onder een groot deel van de bevolking wordt de vervulling van militaire dienst gezien als het moment van 'man worden' . Er zijn ouders die hun dochter geen toestemming verlenen om te trouwen met iemand die zijn militaire dienstplicht nog niet heeft vervuld en ook bedrijven zullen vaak geneigd zijn iemand aan te nemen die aan zijn militaire verplichtingen heeft voldaan.


3 Registratie en keuring


3.1 Registratie (ilk yoklama23)

In iedere Turkse stad is een militair registratiekantoor (askerlik subesi) gevestigd, dat valt onder één van de twintig overkoepelende militaire registratiekantoren (askerlik dairesi) en dat nauw samenwerkt met het Directoraat Bevolkings- en Staatsburgerschapszaken van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het is de wettelijk plicht van iedere Turkse staatsburger om geregistreerd te staan in het bevolkingsregister. Dit kan het bevolkingsregister van de huidige woonplaats zijn, maar is in de praktijk vaak het bevolkingsregister van de plaats van geboorte of herkomst. Omdat de militaire dienst in Turkije een zaak is die zeer serieus wordt genomen, is de administratie van dienstplichtigen een van de meest efficiënte registraties in Turkije.

3.2Keuring (son yoklama)

De keuring vindt plaats in de periode van 1 juli tot 31 oktober van hetzelfde jaar als de registratie . Bij de keuring worden gezondheidstoestand, opleidingsniveau, speciale vaardigheden zoals talenkennis en beroep van de dienstplichtige geïnventariseerd.

De schriftelijke oproep tot de keuring volgt minstens vijftien dagen vóór de keuringsdatum. Bij deze oproep voor de keuring ontvangt de dienstplichtige een schriftelijke instructie om zich op een bepaalde datum te melden bij een militair registratiekantoor. Deze oproep wordt door tussenkomst van de muhtar verstuurd. Deze dient het militair registratiekantoor schriftelijk te berichten dat hij de oproepen heeft ontvangen .

Het is wettelijk mogelijk dat de muhtar niet de dienstplichtige zelf maar een familielid informeert . Dit gebeurt in de regel alleen als de dienstplichtige zelf niet in staat is de oproep in ontvangst te nemen. Het kan niet worden uitgesloten dat als de muhtars versturing van de keuringsoproepen niet kunnen uitvoeren, politie of jandarma bepaalde taken van de muhtarsovernemen. Dienstplichtigen uit eenzelfde wijk of dorp worden allen voor dezelfde dag ter keuring opgeroepen. De muhtar is wettelijk gehouden samen met de opgeroepen dienstplichtigen uit zijn wijk op het militair registratiekantoor te verschijnen .

Formeel is medische keuring verplicht. Door een gebrek aan artsen wordt in de praktijk vaak oppervlakkig gekeurd. Slechts als de dienstplichtige daarom vraagt of indien bij de keuringsinstantie twijfel bestaat over de lichamelijke en/of geestelijke conditie van betrokkene, is de keuring grondiger. In dat geval zal de betrokkene veelal naar een ziekenhuis worden doorverwezen voor een grondiger controle . De mogelijkheid bestaat om iemand voorlopig af te keuren en hem het daarop volgende jaar nogmaals ter keuring op te roepen. Iemand kan echter ook meteen definitief ongeschikt worden verklaard . Er is geen informatie bekend over percentages afkeuringen en de daaraan ten grondslag liggende redenen.

Iedere dienstplichtige krijgt na de keuring een willekeurig nummer toegewezen. Dit nummer is gebaseerd op het dienstonderdeel (landmacht, luchtmacht, marine of jandarma) waarvoor de dienstplichtige door de keuringsautoriteiten op basis van zijn kennis, eigenschappen en vaardigheden het meest geschikt wordt geacht. Hierna stuurt het militaire registratiekantoor lijsten met de namen en toegewezen nummers van de dienstplichtigen naar het Directoraat voor de Opname van Dienstplichtigen, die op basis van onder andere deze nummers met de computer een plaatsing voor de opkomst bepaalt .

Alvorens op de keuring te verschijnen dienen dienstplichtigen op een bij de provinciale afdelingen van het ministerie van Financiën (defterdarlik of mal müdürlügü) aangeschaft leeg militair boekje (askerlik cüzdani) de persoonsgegevens te laten invullen bij het bevolkingsregister. Het militair boekje dient naar de keuring te worden meegebracht .


4 Opkomst en plaatsing



4.1 Opkomst (sevk)

Wanneer iemand na keuring voor de militaire dienst geschikt wordt bevonden, ontvangt hij van het registratiekantoor een schriftelijke kennisgeving, dat hij de documenten betreffende zijn opkomst uiterlijk op een bepaalde datum op het registratiekantoor dient op te halen. In de documenten (sevk evraki) wordt vermeld aan welke eenheid de persoon is toegewezen en wanneer en bij welk opkomstcentrum hij zich dient te melden voor de militaire basisopleiding. Hij heeft de plicht zich na een vastgestelde maximale reistijd bij zijn onderdeel te melden.

De schriftelijke kennisgeving dat de documenten klaarliggen bij het militaire registratiekantoor wordt in het algemeen rechtstreeks aan de dienstplichtige verstuurd. Deze kan net als de oproep voor de keuring door (naaste) verwanten in ontvangst worden genomen. Normaal gesproken worden ook lijsten aan de muhtars toegezonden, met de opdracht de betrokken personen te informeren.

Aangezien niet alle dienstplichtigen op hetzelfde moment worden opgeroepen, varieert de tijd tussen de uitslag van de keuring en het tijdstip van de opkomst. In het algemeen volgt de opkomst hoogstens een aantal maanden na de keuring, zeker niet een aantal jaren daarna. Iedere jaargang bestaat uit vier lichtingen voor de opkomst. De eerste lichting dient zich te melden in februari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de keuring plaatsvindt, de tweede lichting in mei, de derde in augustus en de vierde in november. De opkomstdata zijn de 21e tot en met de 27e dag van deze maanden. De termijnen voor oproep en plaatsing van dienstplichtigen worden jaarlijks vastgelegd in door het ministerie van Defensie uitgegeven overzichten.

4.2 Basisopleiding


De rekrutenopleidingen beginnen aldus vier maal per jaar. De eerste militaire vorming duurt doorgaans drie maanden. De basistraining wordt gegeven in speciale opleidingseenheden. Elk van de vier Turkse krijgsmachtonderdelen (landmacht, luchtmacht, marine en jandarma) heeft zijn eigen eenheden waar de basistraining voor de diverse wapenen (artillerie, infanterie, etc.) plaatsvindt. Nog altijd bestaat in het kader van de basisopleiding de taal- en alfabetiseringscursus voor ongeletterden en personen die geen Turks spreken. In de periode van 8 februari 2000 tot 1 april 2001 namen volgens het perscentrum van de Generale Staf 9.450 dienstplichtigen aan deze cursus deel .

De plaats waar dienstplichtigen hun basisopleiding krijgen, wordt aan de hand van het tijdens de keuring op basis van kennis, eigenschappen en vaardigheden verkregen nummer door de computer bepaald. In deze fase bestaat volgens militaire bronnen - in tegenstelling tot bij de vervolgplaatsing - een voorkeur om de dienstplichtige in een opleidingseenheid niet al te ver van huis te plaatsen om zo de vervoerskosten te beperken.

In de regel worden dienstplichtigen tijdens hun basisopleiding niet ingezet bij gevechtshandelingen.

4.3 Vervolgplaatsing


Ongeveer een week voor de voltooiing van de basisopleiding worden de dienstplichtigen schriftelijk op de hoogte gesteld van de eenheid waarin zij zijn geplaatst voor hun vervolgopleiding. Na de basisopleiding keren dienstplichtigen enkele dagen terug naar huis voor het zogenaamde 'indelingsverlof' (dagitim izni). Hierna dient iedere dienstplichtige zich naar de eenheid te begeven, waar hij de rest van zijn diensttijd zal doorbrengen. Dit is in de regel een andere eenheid dan de eenheid waarin de basisopleiding is doorlopen.

De eenheid voor de vervolgplaatsing van iedere dienstplichtige wordt vastgesteld door het Directoraat voor de Opname van Dienstplichtigen van het Ministerie van Defensie met behulp van de computer. In de navolgende paragrafen worden enkele gegevens genoemd, die in het computersysteem worden ingevoerd om de vervolgplaatsing vast te stellen.

In de basisopleiding genoten specialisatie

Voor de vervolgplaatsing is onder andere de in de basisopleiding genoten specialisatie van belang. Dienstplichtigen die tijdens hun basisopleiding bijvoorbeeld zijn opgeleid tot infanteristen zullen in de regel een vervolgplaatsing in een infanterie-eenheid krijgen. Zij die een commando-opleiding hebben genoten zullen ook bij hun vervolgplaatsing in een commando-eenheid terechtkomen.

Rol van de woonplaats bij de bepaling van de vervolgplaatsing

Een ander gegeven dat wordt gebruikt bij de door de computer bepaalde vervolgplaatsing, is de sinds jaar en dag door de Turkse autoriteiten gehanteerde vuistregel dat dienstplichtigen worden geplaatst in eenheden buiten de regio (in sommige gevallen slechts buiten de provincie) waar zij zijn geregistreerd in het bevolkingsregister.

Aan deze vuistregel liggen twee beweegredenen ten grondslag. Ten eerste wordt aldus het risico verkleind, dat dienstplichtigen zonder toestemming hun eenheid verlaten om naar huis te gaan. Ten tweede bestaat sinds de stichting van de republiek de gedachte dat dienstplichtigen op deze wijze de mogelijkheid krijgen andere delen van hun eigen land te leren kennen, hetgeen als nuttig wordt beschouwd voor de natievorming.

De laatstgenoemde beweegreden is in de afgelopen jaren geleidelijk minder valide geworden, omdat door de grote interne migratiestromen vele personen zijn vertrokken uit hun oorspronkelijke gebieden van herkomst en zich elders in het land hebben gevestigd. Een aanzienlijk deel van de migranten verzuimt hun registratie te laten overschrijven naar de nieuwe woonplaats, zodat zij vaak nog in hun oude woonplaats staan ingeschreven. Een tweede verschijnsel dat lijkt bij te dragen aan de geleidelijke erosie van het gebruik van de dienstplicht ten behoeve van de natievorming, is de opkomst van de thans tot in de verste uithoeken van het land beschikbare media - met name televisie - die zich hebben ontwikkeld tot een zeer effectief middel om burgers kennis te laten maken met andere delen van hun land.

In de periode tot aan het neerleggen van de wapens eind 1999, tijdens welke de strijd tussen de PKK en de Turkse strijdkrachten in volle gang was, werd er - in aanvulling op de vuistregel van plaatsing buiten de eigen regio (soms provincie) - over het algemeen nog extra op toegezien dat dienstplichtigen die afkomstig waren uit de provincies in het zuidoosten van Turkije, niet werden geplaatst bij eenheden in dat gebied, omdat er bij de Turkse strijdkrachten een vrij algemene twijfel bestond over de loyaliteit van deze dienstplichtigen. De staking van de gewapende strijd eind 1999 heeft er echter voor gezorgd, dat deze praktijk gericht op het vermijden van de plaatsing van dienstplichtigen die geregistreerd staan in het zuidoosten in eenheden in dat gebied geleidelijk aan is losgelaten.

Antecedenten

Turkije kent een gecentraliseerd informatiesysteem, het zogenaamde Genel Bilgi Toplama Sistemi (Algemeen Informatieverzamelsysteem), meestal afgekort tot GBTS. In dit systeem zijn diverse gegevens met betrekking tot personen verzameld. Zo bevat het systeem informatie over uitstaande bevelen tot bewaring (in de volksmond vaak arrestatiebevelen genoemd), aanhoudingen in het verleden, beperkingen met betrekking tot het uitreizen naar het buitenland, eventuele ontduiking of weigering van de dienstplicht en uitstaande belastingschulden. Veroordelingen waarvan de staf is uitgezeten, worden in principe uit dit systeem verwijderd en ingevoerd in de eveneens landelijk toegankelijke Justitiële Registers (Adli Sicil).

De uit het GBTS en de justitiële registers afkomstige gegevens worden ingebracht in het computersysteem dat de vervolgplaatsingen bepaalt. Iemand die ooit is veroordeeld wegens diefstal zal derhalve niet snel worden geplaatst in een eenheid die verantwoordelijk is voor het beheer van een wapendepot. Het wordt door onder andere zegslieden van de Turkse mensenrechtenorganisatie IHD en diverse militaire bronnen onaannemelijk geacht, dat criminele antecedenten, ongeacht of deze al dan niet politiek van aard zijn, aanleiding geven tot een extra zware plaatsing in de hoedanigheid van additionele straf.

Volgens enkele ex-officieren worden gedrag of sympathieën die dienstplichtigen tijdens hun aan de vervolgplaatsing voorafgaande basistraining ten toon spreiden door de desbetreffende eenheden niet gerapporteerd aan het directoraat van het ministerie van Defensie dat de vervolgplaatsing bepaalt. Ook woordvoerders van de IHD achten het niet aannemelijk dat screening op basis van etnische afkomst dan wel religieuze of politieke overtuigingen van dienstplichtigen ten behoeve van de vervolgplaatsing plaatsvindt. De werking van antecedenten die een rol spelen bij de vervolgplaatsing, zou zich derhalve beperken tot de in de justitiële registers of het GBTS opgenomen strafbare feiten waarvoor veroordelingen of bevelen tot bewaring aanwezig zijn.

Overig

Dienstplichtige broers van dienstplichtigen die zijn gesneuveld in de strijd kunnen - indien ze geen gebruik maken van de hun geboden mogelijkheid tot vrijstelling - kiezen voor een vervolgplaatsing dicht bij huis.

De juiste connecties binnen het militaire apparaat kunnen een dienstplichtige een vervolgplaatsing in een 'gemakkelijke' eenheid in een relatief aangenaam oord opleveren.

4.4 Deelname aan gevechtsacties


Het merendeel van de dienstplichtigen wordt opgeleid tot soldaten die op directe of indirecte wijze aan gevechtsacties kunnen deelnemen. Circa een kwart van de dienstplichtigen wordt ingezet in administratieve en logistieke functies, in een onderhoudsfunctie als schilder of tuinman, als bewaker van een openbaar gebouw, of als hofmeester in één van de officiers- of onderofficiersonderkomens. Bij de jandarma wordt circa veertig procent van de totale troepensterkte ingezet in administratieve - en juridische taken.

Gevechtsacties in Zuidoost-Turkije

Tot eind 1999 vonden met grote regelmaat confrontaties tussen eenheden van de strijdkrachten en PKK-strijders plaats. Het Tweede en - in beperkte mate
- het Derde Leger, die in het zuid- en noordoosten van Turkije zijn gelegerd, kregen bij de bestrijding van de PKK steun van commandotroepen en speciale eenheden . Het waren met name deze laatste twee, die de daadwerkelijke confrontaties met PKK-strijders aangingen.

Volgens de Turkse militaire autoriteiten en internationale waarnemers zijn de speciale eenheden sinds 2000 vrijwel volledig uit het zuidoosten teruggetrokken. Een woordvoerder van de Turkse mensenrechtenorganisatie IHD heeft aangegeven dat geen sprake is van algehele terugtrekking.

Momenteel wordt getracht de leden van deze speciale eenheden hun plaats in de burgermaatschappij te doen hervinden. Dit proces zou echter zeer moeizaam verlopen, onder andere omdat het niet altijd gemakkelijk blijkt om ander werk te vinden. In een aantal gevallen zou de mogelijkheid zijn geboden om een functie als ambtenaar te krijgen, zonder dat daarvoor het normaal gesproken verplichte examen behoefde te worden afgelegd . Ook is een aantal voormalig Özel Tim- leden te werk gesteld bij de reguliere politie.

Van tijd tot tijd werden ook eenheden uit het Eerste of Egeïsche leger tijdelijk gestationeerd in het gebied waar de strijd met de PKK zich afspeelde. Naast versterking van de troepenmacht van het Tweede en Derde Leger had deze detachering uit andere legers volgens de Turkse strijdkrachten mede tot doel gevechtservaring op te doen. De detachering van eenheden uit andere legers naar het Zuidoosten is volgens militaire waarnemers sinds het staken van de gewapende strijd vrijwel stil komen te liggen. Alleen detachering op individuele basis zou af en toe nog plaatsvinden.

Op 3 augustus 1999 riep Abdullah Öcalan de PKK strijders op hun gewapende strijd te staken en zich terug te trekken tot buiten de grenzen van Turkije per 1 september van dat jaar. Op deze datum verklaarde zijn broer Osman, lid van de commandoraad van de PKK, dat de PKK inderdaad met onmiddellijke ingang de wapens zou neerleggen en zich uit Turkije zou terugtrekken.

De mate waarin aan Öcalans oproep gehoor is gegeven door PKK-strijders, blijkt uit cijfers in een rapport van mei 2000 van het opperbevel van het Turkse leger waarin werd gemeld dat van de 5.500 PKK-strijders er zich nog slechts 500 in Turkije bevonden. Hetzelfde rapport meldt, dat in de eerste vijf maanden van het jaar 2000 het aantal confrontaties tussen het leger en guerrilla's was gedaald tot 18, waar dit aantal op het hoogtepunt in 1994 nog lag op 3.300 en in 1999 op 488 over het gehele jaar .

Een voormalig generaal van de jandarma meldde in het Turkse tijdschrift Ulusal Strateji (Nationale Strategie), dat het totale aantal confrontaties voor 2000 lag op 40 . Het U.S. Department of State vermeldt in haar rapport over het jaar 2000 een van het Turkse leger afkomstig cijfer van totaal 45 gewapende confrontaties voor het jaar 2000 . In haar jaarrapport over 2001 bevestigt ook Amnesty International 'The armed conflict between government forces and the Kurdistan Workers' Party (PKK) effectively came to an end in 1999 and only a few clashes between the Turkish Army and dissident PKK groups were reported.' .

Voor het jaar 2001 zijn tot eind juni uit de media totaal acht gewapende confrontaties tussen de strijdkrachten en PKK-strijders bekend. In januari en maart 2001 zouden twee gewapende confrontaties in Sirnak hebben plaatsgevonden . Op 15 april van dat jaar vond in Bingöl een gewapend conflict plaats, waarbij negen PKK-strijders en vijf militairen om het leven kwamen . Ook in Hakkari en Sirnak hebben in april 2001 enkele confrontaties plaatsgevonden. Op 26 april vonden hierbij vier PKK-strijders de dood . Bij drie dagen durende gevechten tussen het leger en de PKK eind mei 2001 in de provincie Bingöl kwamen totaal twintig PKK-strijders en een militair om het leven . Op 7 juni 2001 vond een confrontatie plaats in Hakkari, waarbij vijf PKK-strijders de dood vonden . In een confrontatie in de provincie Diyarbakir op 27 juni vonden drie PKK-strijders de dood . De minister van Binnenlandse Zaken meldde op 29 juni, dat er in de eerste vijf maanden van 2001 totaal 66 incidenten (waaronder ook begrepen incidenten met o.a. 'reguliere criminelen', Hezbollah en links-radikale groeperingen zoals TIKKO) hebben plaatsgevonden waarbij de veiligheidskrachten (politie, jandarma en leger) betrokken zijn geweest . Waarnemers in Zuidoost-Turkije melden verder dat de militaire aanwezigheid in de steden in het gebied veel minder prominent is dan voorheen.

In een op 28 juni 2001 door de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa aangenomen resolutie wordt in dit verband gesteld '...Above all, the Assembly welcomes the return of peace in south-east Turkey, the cease-fire announced by the PKK and the reduction of action by the Turkish armed forces to some occasional security operations...' .

Doordat de gewapende strijd vrijwel is beëindigd, is de kans dat een dienstplichtige betrokken wordt bij gevechtshandelingen in Zuidoost-Turkije uiterst gering geworden. De boven omschreven incidentele operaties worden uitgevoerd door eenheden die voor een groot deel uit beroepsmilitairen en voor het overige deel uit - al dan niet beroeps- commando's bestaan.

Gevechtsacties in Noord-Irak

Het Turkse leger is in het verleden meerdere malen Noord-Irak binnengevallen om ook daar de PKK te bestrijden . In april en mei 2000 zijn enkele duizenden militairen met luchtsteun wederom Noord-Irak binnengetrokken. Bij de terugtrekking op 10 mei 2000 deelde de militaire staf mee dat bij de acties 53 PKK-strijders waren gedood .

In januari 2001 zijn de Turkse strijdkrachten opnieuw de grens met Irak overgestoken. Hoewel diverse krantenberichten op 6 januari 2001 melding maakten van een troepenmacht van 10.000 man die Noord-Irak zou zijn binnengetrokken , betrof het volgens de Noord-Iraakse partijen in werkelijkheid slechts 700 à 800 militairen. Dit werd bevestigd door internationale waarnemers. Het ging volgens deze bronnen om enkele artillerie-eenheden die de PUK enige tijd bij haar strijd tegen de PKK ten noorden van Qala Diza hebben gesteund.

Het in de afgelopen jaren steeds terugkerende voorjaarsoffensief van het Turkse leger in Noord-Irak is in 2001 vrijwel volledig achterwege gebleven. De KDP zou zich tegen de gebruikelijke voorjaarsacties van het leger tegen de PKK hebben gekeerd, omdat deze slechts een cosmetisch karakter zouden dragen. Bovendien was de KDP verbolgen over een incident in de zomer van 2000, waarbij Turkse gevechtsvliegtuigen abusievelijk onschuldige burgers hadden aangevallen, waarbij 38 doden waren gevallen . Het Turkse leger heeft zich in maart 2001 voor het grootste deel uit Noord-Irak teruggetrokken, met uitzondering van de vaste kantoren en observatieposten en één eenheid die nog in KDP-gebied gestationeerd zou zijn. De Turkse militaire aanwezigheid in Noord-Irak is derhalve in het voorjaar van 2001 aanzienlijk afgenomen. Per half juni 2001 zijn geen recente berichten bekend over een nieuwe aanwezigheid van Turkse troepen in Noord-Irak.

Mede gezien het feit dat de invallen in Noord-Irak volgens internationale waarnemers en enkele Koerdische partijen voor het overgrote deel door beroepsmilitairen en voor een klein deel door commando's worden uitgevoerd, is de kans voor een dienstplichtige om in Noord-Irak te worden ingezet bij gevechts-handelingen uiterst gering.


5 Uitstel, vrijstelling en vervangende dienstplicht



5.1 Uitstel

Bij de registratie of keuring is het mogelijk uitstel van vervulling van de militaire dienstplicht te vragen. Een dergelijke aanvraag dient te worden ondersteund door documenten van bijvoorbeeld de werkgever of de universiteit. Uitstel wordt telkens verleend voor de periode van één jaar, waarna men op vertoon van de vereiste documenten het uitstel voor een jaar kan verlengen. Dienstplichtvervulling kan in sommige gevallen voor personen die een opleiding volgen, worden uitgesteld tot het eind van het jaar waarin men 29 jaar oud wordt . In geval van bijvoorbeeld een post-doctorale opleiding kan verder uitstel worden verleend, tot maximaal 36 jaar .

Turken die met een geldige verblijfs- en werkvergunning in het buitenland wonen, kunnen de militaire dienst tot maximaal het achtendertigste levensjaar uitstellen . De aanvraag voor een dergelijk uitstel van militaire dienst moet iedere twee jaar bij een Turkse vertegenwoordiging in het land van verblijf worden ingediend.

Personen die uitstel van opkomst voor de militaire dienst hebben gekregen, ontvangen van het militair registratiekantoor een schriftelijke verklaring waarin dit feit is vermeld. In voorkomende gevallen kan dit document worden getoond.

5.2 Vrijstelling


Degenen die in het buitenland woonachtig zijn en die naast de Turkse nationaliteit ook de nationaliteit van het land waar zij verblijven bezitten, komen in aanmerking voor vrijstelling van de Turkse dienstplicht, indien zij een schriftelijk bewijs overleggen dat zij reeds de dienstplicht van dat land hebben vervuld. Een dergelijke vrijstelling is van toepassing indien de dienstplichtperiode min of meer overeenkomt met de duur van de dienstplicht in Turkije. Dit is het geval met de landen Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, Finland, Frankrijk, Israël, Zweden, Zwitserland, Italië en Noorwegen . Een bijkomende voorwaarde om gebruik te kunnen maken van deze regeling, is dat men reeds voor het achttiende levensjaar in het desbetreffende land woonde . Voor personen woonachtig in één van de landen die niet in deze opsomming voorkomen - zoals Nederland -, bestaat deze mogelijkheid dus niet.

De Turkse Wet op de Militaire Dienstplicht biedt Turkse staatsburgers die langer dan drie jaar met een geldige verblijfs- en arbeidsvergunning in het buitenland woonachtig zijn, de mogelijkheid een deel van hun dienstplicht af te kopen. Aan deze periode zou zeer nauwgezet de hand worden gehouden. Genoemde personen kunnen hun dienstplicht verkorten tot een basisopleiding van één maand tegen betaling van (het equivalent van) DM 10.000 . De opleiding wordt gegeven in Burdur, gelegen in Zuid-Turkije, circa 70 kilometer ten noorden van Antalya. Na deze basistraining zijn in het buitenland woonachtige Turken vrijgesteld van een vervolgplaatsing.

Tijdelijke regeling in 1999

Op 2 november 1999 heeft het Turkse parlement een tijdelijke wet aangenomen die, in aanvulling de boven vermelde afkoopregeling, inhield dat bepaalde dienstplichtigen, ook als zij niet in het buitenland woonachtig waren, hun dienstplicht konden afkopen .

Op grond van deze eenmalige regeling, die alleen geldig was voor dienstplichtigen die zijn geboren voor 1 januari 1973, konden dienstplichtigen zich binnen zes maanden na inwerkingtreding van de tijdelijke wet aanmelden voor vrijstelling door betaling van een bedrag van (het equivalent van) DM 15.000. De middelen die de Turkse staat uit deze tijdelijke regeling ontvangt, zijn bestemd voor de wederopbouw van het gebied dat is getroffen door de aardbeving van 17 augustus 1999.

Zij die gebruik maken van de regeling dienen wel een basistraining van een maand te doorlopen. Dienstplichtigen die op 31 december 1999 veertig jaar of ouder waren, konden door betaling van DM 20.000 worden vrijgesteld van zowel basistraining als verdere vervulling van de dienstplicht. Betrokken dienstplichtigen hebben zich tot 4 mei 2000 kunnen aanmelden. Alleen degenen die hun dienstplichtvervulling nog niet hadden aangevangen, konden van de regeling gebruik maken.

Ruim 70.000 gegadigden meldden zich voor de afkoopregeling. Hieronder bevond zich ook een aantal Koerdische activisten, die aangaven gebruikmaking van de afkoopregeling in hun geval als een pragmatische oplossing te zien om hun activiteiten voor de Koerdische zaak te kunnen blijven voortzetten, zonder zich met perikelen rond dienstplichtontduiking bezig te hoeven houden.

De betaling van het verschuldigde bedrag kon plaatsvinden in termijnen. De eerste termijn van DM 5000 diende tegelijkertijd met de aanvraag plaats te vinden, de tweede termijn diende voor 4 juni 2000 betaald te zijn en de derde termijn voor 4 september van dat jaar . Voor de betaling van de tweede en derde termijn is tweemaal bij Ministerraadsbesluit respijt verleend. De allerlaatste termijn, waarvan de Generale Staf heeft aangegeven dat een nieuwe verlenging niet zal plaatsvinden, liep af op 7 mei 2001 . Zij die na deze datum niet betaald hebben, worden beschouwd als deserteurs, omdat ze door volbrenging van hun basistraining de status hebben van personen die reeds zijn aangetreden voor vervulling van de dienstplicht .

Ook in de periode voor 1999 zijn enkele malen dergelijke tijdelijke regelingen van kracht geweest. Zo bestond in 1992 een regeling die vijf maanden lang geldig was .

De eerstvolgende dienstplichtige broer van dienstplichtigen die zijn gesneuveld in de strijd worden op verzoek vrijgesteld van militaire dienst.

In gevallen dat het aantal dienstplichtigen de behoefte van de strijdkrachten overstijgt, bestaat er voor bepaalde universitair geschoolde beroepsgroepen zoals artsen en leraren de mogelijkheid hun dienstplicht door uitoefening van hun beroep in dienst van een overheidsinstelling te vervullen. Men dient wel eerst een basistraining van een maand en tien dagen te doorlopen .


6 Onttrekking aan de dienstplicht (asker kaçakçiligi)



Naast uitstel of vrijstelling komt het voor dat dienstplichtigen op illegale wijze trachten te ontkomen aan vervulling van de dienstplicht. Bij dergelijke onttrekking aan de dienstplicht wordt wetstechnisch onderscheid gemaakt in onttrekking aan de registratie/keuring (sakli/yoklama kaçakçiligi), ontrekking aan de opkomst (bakaya) en desertie (firar) .

Over het aantal personen dat zich tot op heden op enigerlei wijze heeft onttrokken aan de dienstplicht, bestaan geen exacte cijfers. Een veel gehoorde schatting is een aantal van circa 350.000 . Omtrent de verdeling over de gebieden van herkomst van personen die zich onttrekken aan de dienstplicht en de redenen van hun onttrekking aan de dienstplicht zijn geen harde gegevens bekend. Er zijn echter aanwijzingen dat met name angst voor het harde regime binnen de strijdkrachten en angst om in gewapende conflicten betrokken te raken, maar ook gewetensbezwaren redenen zijn voor onttrekking aan de dienstplicht. Dienstweigering op grond van gewetensbezwaren (vicdani ret) kan wetstechnisch gezien onder elk van de drie bovengenoemde categorieën kan vallen.

Van enkele Koerdische organisaties werd vernomen dat sinds het staken van de gewapende strijd tussen de strijdkrachten en de PKK eind 1999 een aantal dienstplichtigen (waaronder ook personen van Koerdische afkomst) dat zich tot dan toe aan de dienstplicht had onttrokken, zich alsnog heeft gemeld om aan te treden voor de militaire dienst. De reden zou volgens zegslieden van deze organisaties zijn, dat het nu wegens de verbeterde veiligheidssituatie veiliger was om te dienen.

6.1 Onttrekking aan de registratie/keuring (sakli/yoklama kaçakçiligi)


Voor hen die worden aangehouden

Een eventueel verblijf in het buitenland van de pleger van het delict speelt geen enkele rol in de strafmaat.

In de praktijk is onttrekking aan de registratie vooral een hypothetische kwestie, omdat het vrijwel niet voorkomt dat personen niet zijn ingeschreven in het bevolkingsregister. Het gaat hier dus om personen die tot op dat moment voor de Turkse staat niet 'bestaan'.

Onttrekking aan de keuring

Dienstplichtigen die aan hun registratieverplichtingen hebben voldaan, maar die niet tijdig op de keuring verschijnen, worden gerekend tot degenen die zich onttrekken aan de keuring (yoklama kaçagi) . Dienstplichtigen die niet ter keuring verschijnen, krijgen in de regel na circa drie maanden een herinneringsbrief van het militair registratiekantoor. Indien zij zich alsnog melden of aangehouden worden voor de opkomstdatum van hen die in hetzelfde jaar zijn gekeurd, wordt overeenkomstig artikel 84 en 85 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111 een administratieve sanctie in de vorm van een geldboete opgelegd. In dat geval wordt betrokkene alsnog gekeurd en is daarmee de zaak afgedaan.

Degenen die zich melden of worden aangehouden na deze datum, worden onmiddellijk naar een militaire eenheid gestuurd en berecht op grond van artikel 63 van het Wetboek van Militair Strafrecht. Met name indien er aanwijzingen voor psychische of fysieke gebreken zijn, kan in de militaire eenheid alsnog keuring plaatsvinden.

De hoogte van de straf die in diverse situaties wordt opgelegd is identiek aan de boven omschreven straf die geldt voor personen die zich onttrekken aan de registratie. Een eventueel verblijf in het buitenland van de pleger van het delict speelt ook hier geen enkele rol in de strafmaat.

6.2 Onttrekking aan de opkomst (bakaya)


Onttrekking aan de opkomst (bakaya) is aan de orde indien een dienstplichtige, die wel is aangetreden voor de keuring, zich niet tijdig bij het militaire registratiekantoor meldt om geïnformeerd te worden omtrent zijn plaatsing of nadat hij is geïnformeerd over de plaats van opkomst alsnog verzuimt om aan te treden voor de opkomst . Het is niet mogelijk dat iemand die de voorafgaande keuring niet heeft doorlopen, wordt aangemerkt als iemand die zich onttrekt aan de opkomst (bakaya). Een dergelijke persoon zal tot het moment van aanhouding of vrijwillige melding altijd de status houden van iemand die zich onttrekt aan de keuring (yoklama kaçagi).

Dienstplichtigen die zich schuldig maken aan onttrekking aan de opkomst, worden wanneer ze zichzelf melden of worden aangehouden onmiddellijk overgedragen aan de militaire justitiële autoriteiten . Ze worden net als personen die zich onttrekken aan de registratie of keuring veroordeeld op grond van artikel 63 van het Wetboek van Militair Strafrecht, waarbij de strafmaten gelijk zijn aan die in geval van onttrekking aan de registratie/keuring. Een eventueel verblijf in het buitenland van de pleger van het delict speelt ook hier geen enkele rol in de strafmaat.

Frauduleuze onttrekking aan de militaire dienst

Dienstplichtigen die op frauduleuze wijze proberen aan de dienstplicht te ontkomen, kunnen worden gestraft op grond van de artikelen 79-81 van het Wetboek van Militair Strafrecht. Onder deze artikelen vallen strafbare feiten als zelfverminking, naamswijzigingen, iemand anders naar de medische keuring sturen, een ander in militaire dienst sturen, de identiteitskaart van een andere persoon gebruiken, valse getuigenissen afleggen en andere vormen van misleiding met de bedoeling de militaire dienst niet te hoeven vervullen.

Voor zelfverminking bedraagt de strafmaat één tot vijf jaar gevangenisstraf. Deze kan tot zeven jaar worden verhoogd in geval men door de zelf aangebrachte verminking daadwerkelijk ongeschikt is geworden voor de militaire dienst. Bij bedrog is de maximumstraf tien jaar zware gevangenisstraf, bij minder zware gevallen van bedrog kan de straf tot een reguliere gevangenisstraf van maximaal vijf jaar worden beperkt.

6.3 Desertie (firar)


De term desertie (firar) wordt gebruikt voor het zonder toestemming weglopen en langer dan zes dagen wegblijven uit de militaire eenheid nadat men reeds aangetreden is voor de opkomst . Dienstplichtigen die zich hieraan schuldig maken, worden wanneer ze zichzelf melden of worden aangehouden onmiddellijk overgedragen aan de militaire justitiële autoriteiten .

Bestraffing vindt plaats op grond van de artikelen 66-68 van het Wetboek van Militair Strafrecht. Militairen die langer dan zes dagen zonder toestemming wegblijven uit hun eenheid, of zij die na het verlof (ook bij verlof op medische gronden) langer dan zes dagen wegblijven zonder geldige reden, kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar.

Voor personen die bij hun desertie zonder toestemming wapens, munitie, transportmiddelen, dieren of militair materiaal verwijderen, personen die recidiveren of in tijden van mobilisatie wordt de termijn waarin men zich ongestraft kan melden met de helft bekort tot drie dagen.

Voor naar het buitenland gevluchte deserteurs geldt een andere strafmaat. Militairen die zonder toestemming de grenzen van het vaderland overschrijden en zich niet binnen drie dagen weer bij hun eenheid melden, kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van drie tot vijf jaar. Bij mobilisatie wordt de periode binnen welke een naar het buitenland gevluchte deserteur zich weer bij zijn eenheid moet melden bekort tot één dag.

Wanneer iemand bij zijn desertie en vlucht naar het buitenland zonder toestemming wapens, munitie, transportmiddelen, dieren of militair materiaal heeft meegenomen, wanneer iemand recidiveert of in tijden van mobilisatie wordt een gevangenisstraf tussen de vijf en tien jaar opgelegd.

Wanneer een officier of een militair met een vast dienstverband bovengenoemde strafbare feiten heeft begaan, wordt de maximale straf gegeven.

Deserteurs die vóór afloop van de hierboven genoemde maximum termijnen worden gearresteerd, worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Zij die zichzelf aangeven, krijgen een kortere gevangenisstraf. Van personen die zich na hun desertie binnen zes weken (of in tijd van mobilisatie binnen een week) zelf melden, wordt de strafmaat met de helft verminderd .

6.4 Opsporing, berechting en tenuitvoerlegging bij strafvervolging


Opsporing

Personen die zich onttrekken aan de militaire dienst, staan geregistreerd bij de militaire staf en in het landelijk informatiesysteem GBTS . Aldus kan bij routinecontroles, controles bij grensovergangen of bij arrestaties vanuit elke locatie in het land worden nagegaan of iemand wordt gezocht wegens onttrekking aan de dienstplicht. Ook op lokaal niveau bestaan lijsten van personen die zich hebben onttrokken aan de dienstplicht. Deze lijsten worden van tijd tot tijd door het Directoraat voor de Opname van Dienstplichtigen van het ministerie van Defensie aan de locale militaire registratiekantoren toegezonden. De toezending geschiedt in de regel met enige vertraging, om zo de dienstplichtige de mogelijkheid te geven zichzelf alsnog te melden.

De daadwerkelijke actieve opsporing van personen die zich hebben onttrokken aan de dienstplicht gebeurt vervolgens op het niveau van het locale militaire registratiekantoor waar betrokkene geregistreerd staat. Bij aanwijzingen dat betrokkene zich in een bepaald ander district bevindt, wordt het onderzoek ook tot dat district uitgebreid. De districtsgouverneur van het district waarin het desbetreffende militaire registratiekantoor valt, ontvangt in de regel een schrijven van het militair registratiekantoor met het verzoek de dienstplichtige aan te houden en af te leveren bij het militair registratiekantoor.

Opsporing van personen die zich onttrekken aan de dienstplicht behoort tot het taakgebied van de jandarma, die hiertoe opdracht krijgt van de districtsgouverneur. In de praktijk bestaat de actieve opsporing van voortvluchtige dienstplichtigen hieruit, dat jandarmafunctionarissen bij de muhtar en naaste familieleden of bekenden komen informeren naar waar betrokkene zich bevindt. Volgens onder andere muhtars van vele dorpen wordt wanneer is aangegeven dat betrokkene is vertrokken, in de regel niet op een later moment nogmaals navraag gedaan.

Berechting

Uit bronnen binnen de militaire rechtspraak werd vernomen, dat van alle rechtszaken die aanhangig worden gemaakt bij militaire rechtbanken het in circa 45% van de gevallen om onttrekking aan de dienstplicht in enigerlei vorm gaat. Dit soort zaken werd vroeger behandeld door de meervoudige kamer van de militaire rechtbank, maar wordt sinds enkele jaren wegens het grote aantal gevallen behandeld door de enkelvoudige kamer.

Berechting van personen die zich onttrekken aan de dienstplicht, vindt - met uitzondering van de in paragraaf 6.1 genoemde gevallen waar de zaak wordt afgehandeld met een administratieve sanctie - plaats in militaire rechtbanken.

Het moment van berechting is voor 'reguliere' dienstplichtigen en voor dienstplichtigen die dienen als reserveofficier verschillend. Voor dienstplichtigen die dienst doen als reserveofficier volgt eerst berechting en vervolgens overdracht aan de eenheid.

'Reguliere' dienstplichtigen gaan wanneer zij zijn aangehouden of zichzelf hebben gemeld eerst naar hun militaire eenheid en worden aldaar op een later moment berecht. Zij worden bij aanhouding binnen maximaal 48 uur door de instantie die de aanhouding heeft verricht aan hun militaire eenheid overgedragen . Indien de betrokkene niet wordt vervolgd wegens andere (politieke) delicten dan onttrekking aan de registratie/keuring of opkomst dan wel desertie, is het risico van belediging, bedreiging, mishandeling of foltering van betrokkene tijdens het verhoor of de maximaal 48 uur detentie zeer gering. Bij personen die zich hebben onttrokken aan de registratie/keuring of opkomst komt het regelmatig voor dat deze in een dergelijke situatie na het verhoor door de instantie die ze heeft aangehouden op vrije voeten worden gesteld en worden gesommeerd zich binnen enkele dagen te melden bij hun militair registratiekantoor.

In gevallen van onttrekking aan de registratie/keuring of onttrekking aan de opkomst, maar ook in geval van desertie oriënteren militaire rechters zich over het algemeen genomen op de laagste strafmaten en leggen aldus de minimumstraffen op. Zoals boven reeds omschreven, zijn de strafmaten voor desertie hoger dan die voor onttrekking aan de registratie/keuring of onttrekking aan de opkomst.

In het algemeen geldt dat reguliere gevangenisstraffen van korter dan een jaar kunnen worden omgezet in een geldboete . In een individuele zaak beslist de rechter in zijn vonnis in de desbetreffende zaak of de gevangenissstraf al dan niet wordt omgezet in een geldboete.

Gevangenisstraffen voor onttrekking aan de registratie/keuring of opkomst dan wel voor desertie worden in het algemeen omgezet in een geldboete, die dient te worden betaald na de beëindiging van de dienstplicht . Zware gevangenisstraf, die wordt gegeven in geval van een onttrekking langer dan drie maanden zonder dat men zichzelf aangeeft , kan echter niet worden omgezet in een geldboete . Voor onttrekking aan de registratie/keuring of opkomst dan wel voor desertie kunnen wettelijk gezien geen voorwaardelijke straffen worden opgelegd .

Een eventuele veroordeling houdt niet in dat men van verdere dienstplicht is vrijgesteld. Hierdoor kan het voorkomen dat recidivisten wederom worden veroordeeld wegens het zich opnieuw onttrekken aan de dienstplicht. Bij recidive zal minder snel een geldboete worden opgelegd.

Etnische afkomst speelt bij de strafbepaling van dienstplichtonttrekking geen rol.

Tenuitvoerlegging

De tenuitvoerlegging van onherroepelijk geworden vonnissen in zaken aangaande onttrekking aan de dienstplicht (inclusief desertie) gebeurt in militaire gevangenissen indien de straf zes maanden of minder is, en in reguliere gevangenissen als de straf hoger is dan zes maanden. In de regel wordt eerst de straf ten uitvoer gelegd en vervult de dienstplichtige daarna (het resterende deel van) zijn dienstplicht . In geval van desertie (firar) kan de tenuitvoerlegging van de straf op voorstel van de officieren van het betreffende militaire onderdeel worden uitgesteld tot na de vervulling van de dienstplicht .

Amnestiewet

In december 2000 werd een algemene amnestiewet aangenomen . Naast vele andere delicten vallen ook de delicten 'onttrekking aan de registratie', 'onttrekking aan de keuring', 'frauduleuze onttrekking aan de militaire dienst' en 'desertie' (artikelen 63 tot en met 68 en 70 tot en met 75 van het Wetboek van Militair Strafrecht onder nummer 1632) onder deze wet, mits de delicten zijn gepleegd voor 23 april 1999. Voor personen tegen wie een strafzaak loopt en die voortvluchtig zijn, gold tevens de eis dat ze zich voor 22 januari 2001 dienden te melden. Er is thans nog geen jurisprudentie bekend van zaken, waarin tot dan toe voortvluchtige personen zich na deze datum hebben aangemeld.

Er zijn tot op heden geen gevallen bekend van personen die worden gezocht wegens onttrekking aan de dienstplicht, die hebben verzocht tot toepassing van de amnestiewet. Het is daarom niet duidelijk wat de praktische uitwerking van de amnestiewet in dergelijke gevallen is. Alleen de jurisprudentie zou uitsluitsel kunnen geven over het feit of als datum voor het delict - die voor gebruikmaking van deze wet voor 23 april 1999 moet liggen - zal worden gekeken naar de aanvang van de onttrekking aan de dienstplicht of dat hierbij de datum van melding bij de autoriteiten van doorslaggevend belang is. In het laatste geval zal de wet voor onttrekking aan de dienstplicht geen enkele praktische uitwerking hebben.

6.5 Verlies staatsburgerschap


Afgezien van de eerder in dit hoofstuk genoemde (vrijheids-)straffen kunnen dienstplichtigen die zich door verblijf in het buitenland aan de dienstplicht onttrekken, hun Turkse nationaliteit verliezen indien zij geen geldige reden voor onttrekking kunnen aanvoeren. Dit is mogelijk bij besluit van de ministerraad op basis van de Turkse nationaliteitswetgeving. Artikel 25 van de Wet op het Turkse Staatsburgerschap onder nummer 403 luidt 'De Ministerraad kan besluiten tot ontneming van het Turkse staatsburgerschap van de volgende personen: ... Zij die in het buitenland verblijf houden en binnen drie maanden niet welwillend reageren op de voorkomende oproep door de bevoegde autoriteiten ter vervulling van hun dienstplicht ...'. Hetzelfde artikel bepaalt dat een dergelijk besluit van de Ministerraad alleen genomen kan worden op aanbeveling van het ministerie van Defensie.

Indien iemand zijn militaire dienst niet heeft vervuld en het vermoeden bestaat dat hij zich in het buitenland bevindt, wordt eerst navraag gedaan op zijn laatst bekende adres en aan familieleden. Hierna krijgt - indien de verblijfplaats van betrokkene bekend is - de Turkse vertegenwoordiging van het land waar de persoon zich bevindt bericht van het militair registratiekantoor. De Turkse vertegenwoordiging deelt betrokkene mee, dat deze binnen drie maanden moet terugkeren naar Turkije en zich moet melden bij de militaire autoriteiten, en dat hij anders zijn staatsburgerschap zal verliezen.

Indien de persoon zich vervolgens nog niet meldt, wordt zijn naam gepubliceerd in een lijst van dienstplichtontduikers in de Resmi Gazete (Staatscourant). Daarna volgt een laatste herinnering. Vervolgens wordt een definitieve lijst van kandidaten voor ontneming van het staatsburgerschap vastgesteld, die door het ministerie van Defensie naar het ministerie van Binnenlandse Zaken wordt gestuurd. Bij het Directoraat-Generaal Staatsburgerschaps- en Bevolkingszaken wordt een lijst gemaakt, die naar de minister-president wordt gestuurd. Deze brengt de lijst in de ministerraad, die de uiteindelijke beslissing neemt. Deze beslissing is slechts een formaliteit. Tegen de beslissing kan binnen zestig dagen in beroep worden gegaan bij de hoogste bestuursrechter (Danistay).

De procedure voor ontneming van het staatsburgerschap neemt vaak drie tot vier jaar in beslag. Ook wordt door het ministerie van Defensie vaak gewacht met het in gang zetten van de procedure. De motivering hiervan is volgens militaire bronnen in Turkije, dat men eerst een tijdlang wil aanzien of betrokkene zich niet alsnog zelf meldt.

De namen van personen die de Turkse nationaliteit hebben verloren worden gepubliceerd in de officiële Turkse staatscourant, de Resmi Gazete. Op basis van in het verleden in deze staatscourant gepubliceerde gegevens kan worden geconcludeerd, dat duizenden Turken in de loop der jaren hun Turkse nationaliteit hebben verloren. In geval van verlies van staatsburgerschap vindt geen strafrechtelijke vervolging meer plaats vanwege de onttrekking aan de dienstplicht. Omdat de betrokkene niet langer Turks staatsburger meer is, wordt deze gezien als buitenlander en bestaat de dienstplicht voor hem niet meer.

De Turkse nationaliteit kan wettelijk gezien worden herkregen, ook wanneer de betrokkene op dat moment niet in Turkije woonachtig is . Indien men een aanvraag tot herkrijging van de Turkse nationaliteit indient, kan de aanvraag worden ingewilligd indien men de militaire dienstplicht alsnog vervult. In dit geval dient alsnog strafvervolging wegens onttrekking aan de dienstplicht te worden ingesteld. Herkrijging van de nationaliteit zou in de praktijk echter nauwelijks mogelijk zijn. Volgens enkele Turkse advocaten die zich regelmatig met deze materie bezighouden, zijn hen geen gevallen bekend waarbij personen hierin zijn geslaagd.


7 Principiële dienstweigering op grond van gewetensbewaren (vicdani ret)



Aan onttrekking aan de dienstplicht - ongeacht of deze zich manifesteert in onttrekking aan de registratie/keuring, onttrekking aan de opkomst dan wel desertie - liggen in bepaalde gevallen principiële gewetensbezwaren ten grondslag. In deze gevallen onttrekt men zich niet alleen aan de dienstplicht, maar weigert deze uitdrukkelijk.

Dienstplichtigen in Turkije bij wie dergelijke principiële bezwaren leven en die om deze redenen militaire dienst weigeren, wensen over het algemeen niet geassocieerd te worden met de grote groep van naar schatting circa 350.000 dienstplichtontduikers die in Turkije bestaat. Zo wordt in een door Turkse gewetensbezwaarden uitgegeven publicatie het volgende gesteld: 'Een dienstweigeraar op grond van gewetensbezwaren (vicdani retçi) is geen dienstplichtontduiker (asker kaçagi). Eén van de belangrijkste verschillen, waarin dienstweigering op grond van gewetensbezwaren zich onderscheidt van onttrekking aan de dienstplicht - die in ons land zeer wijd verbreid is en die ook kan worden gezien als een indicatie van een innerlijke reactie die wordt gevoeld tegen het leger en de dienstplicht - is, dat een dienstweigeraar op grond van gewetensbezwaren zijn weigering openlijk verklaart ten overstaan van het publiek. Een dergelijke verklaring noemen we een 'verklaring van dienstweigering op grond van gewetensbezwaren' ' .

Volgens een zegsman van het Istanbul Antimilitarist Inisiyatifi (Antimilitaristisch Initiatief in Istanbul, afgekort tot IAMI) bestaan er thans enkele tientallen personen die een dergelijke verklaring hebben afgelegd.

Het begrip 'dienstweigering op grond van gewetensbezwaren' heeft zijn intrede in Turkije circa tien jaar geleden gedaan. Sinds 1995 bestaan er georganiseerde verbanden van dienstweigeraars. De twee belangrijkste zijn de Izmir Savas Karsitlari Dernegi (Vereniging van Oorlogstegenstanders in Izmir, afgekort ISKD) en het boven reeds genoemde IAMI. De verenigingen kennen enkele tientallen leden. De voorzitter van de ISKD is Turkije's meest bekende dienstweigeraar Osman Murat Ülke .

Er zijn geen gegevens bekend over het aantal dienstweigeraars op grond van gewetensbezwaren dat zich niet bij één van de verenigingen heeft aangesloten. Volgens woordvoerders van Koerdische organisaties betreft het een aanzienlijk aantal personen.

Omtrent de verdeling over de gebieden van herkomst van principiële dienstweigeraars bestaan geen exacte gegevens. Zoals blijkt uit de gevallen die in Turkije in de openbaarheid zijn gekomen, betreft het zowel personen van Turkse als van Koerdische afkomst.

Hoewel ook over de motieven van principiële dienstweigering geen statistische gegevens bekend zijn, bestaan er wel enige aanwijzingen op dit punt. Zo blijkt uit de afgelegde persverklaringen van personen die hun dienst in Turkije openlijk hebben geweigerd , dat zij een afkeer hebben van doden, oorlog en het militaire apparaat in het algemeen. Met name onder principiële dienstweigeraars van Koerdische afkomst schijnt een gebrek aan affiniteit met de Turkse staat een reden te zijn om geen dienstplicht te willen vervullen in het Turkse leger. Dit kan zijn versterkt door ervaringen van nabij met betrekking tot de mensenrechtenschendingen die door de strijdkrachten zijn begaan in de strijd tegen de PKK .

7.1 Internationale context


In 1987 heeft de Ministerraad van de Raad van Europa een aanbeveling gedaan aan alle lidstaten om het recht van dienstweigering op grond van gewetensbezwaren te erkennen. Turkije heeft tezamen met enkele andere landen een voorbehoud gemaakt bij deze aanbevelingen. In aanbeveling 1518 (2001), die op de voorjaarsbijeenkomst van de Parlementaire Assemblée van de Raad van Europa op 21-23 mei 2001 in Istanbul is aangenomen, wordt het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren gekenmerkt als een onderdeel van het recht op vrijheid van meningsuiting, worden de lidstaten opgeroepen gewetensbezwaren te erkennen en het recht op vervangende dienstplicht op grond van gewetensbezwaren op te nemen in hun wetgeving en wordt de aanbeveling gedaan het recht op te nemen in het Europese Verdrag tot de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

7.2 Erkenning van gewetensbezwaren in Turkije


Turkije - lid van de VN, OVSE, RvE en kandidaat voor lidmaatschap van de EU
- erkent principiële dienstweigering op grond van gewetensbezwaren en het daarmee verbonden recht op vervangende dienstplicht niet. De strijdkrachten hebben dit standpunt nogmaals verwoord in een door hen in april 1999 uitgegeven brochure over mensenrechten en democratie.

In deze brochure staat onder het kopje 'Gewetensbezwaren in de militaire dienstplicht' 'In onze wetten is niet voorzien in vrijstelling van de dienstplicht op grond van redenen als 'gewetensbezwaren'. Dit komt voort uit de dwingende behoefte aan veiligheid, die wordt veroorzaakt door enerzijds de strategische ligging van ons land en de omstandigheden waarin wij ons bevinden. Zolang de bewuste factoren die deze op Turkije gerichte interne en externe bedreigingen veroorzaken niet veranderen, wordt het onmogelijk geacht dat het begrip 'gewetensbezwaren' in onze regelgeving wordt opgenomen' . Een zegsman van de Turkse mensenrechtenorganisatie IHD verwoordde het zo: 'In de Turkse samenleving wordt dienstweigering op grond van gewetensbezwaren gezien als een 'luxeartikel' '.

Ook bij de verdeling van militairen over de diverse legeronderdelen spelen gewetensbezwaren geen enkele rol. Men kan er bijvoorbeeld niet voor opteren om tijdens de dienst geen wapens op te nemen en in bijvoorbeeld een administratieve functie te worden geplaatst. Een uitzondering hierop zou worden gevormd door Jehova's getuigen .

7.3 Strafvervolging


Aangezien principiële dienstweigering op grond van gewetensbezwaren in Turkije niet als zodanig erkend is, wordt de gewetensbezwaarde dienstweigeraar voor het militaire strafrecht gezien als een regulier geval van onttrekking aan de dienstplicht. De betrokkene wordt dan ook, net als alle anderen die zich aan de dienstplicht onttrekken, op de boven omschreven wijze veroordeeld krachtens artikel 63 van het Wetboek van Militair Strafrecht. De motieven van de individuele dienstplichtige voor zijn onttrekking aan de dienstplicht spelen bij de bestraffing geen enkele rol, zodat principiële weigering voor het militair strafrecht noch tot strafverhoging, noch tot strafverlaging leidt.

In sommige gevallen vindt naast de bovengenoemde veroordeling wegens onttrekking aan de dienstplicht veroordeling van gewetensbezwaarde dienstweigeraars plaats op grond van artikel 155 van het Turkse Wetboek van Strafrecht '...publicaties uitbrengen, mondelinge verklaringen afleggen dan wel in een openbare vergadering of op een plaats waar het volk is vergaderd een toespraak houden om het volk van de dienstplicht te distantiëren...'. Artikel 155 voorziet in een straf van minimaal twee maanden en maximaal twee jaar gevangenisstraf plus een geldstraf. In drie gevallen waarvan de gerechtelijke uitspraak bekend is, zijn onvoorwaardelijke straffen van twee respectievelijk zes maanden gevangenisstraf plus een geldboete opgelegd en is eenmaal een onvoorwaardelijke straf van drie maanden gevangenisstraf opgelegd die is omgezet in een geldboete . Voor personen met een militaire status - waaronder ook dienstplichtigen - wordt de wettelijke definitie van dit delict nog uitgebreid met het in artikel 58 van het Wetboek van Militair Strafrecht omschreven 'verbreken van de nationale weerstand'. Dit heeft overigens geen invloed heeft op de strafmaat, omdat dit artikel bestraffing op grond van het bovengenoemde artikel 155 voorschrijft.

Dit artikel wordt niet alleen toegepast op dienstplichtigen, maar ook op burgers die oproepen tot het weigeren van militaire dienst. Berechting van zowel dienstplichtigen als burgers in verband met dit wetsartikel vindt sinds 1993 vrijwel altijd plaats in militaire rechtbanken. Uit het jaar 1999 is één geval bekend, waarbij een zaak bij een reguliere strafrechtbank aanhangig werd gemaakt . Volgens bronnen binnen de militaire rechtspraak zou het gaan om minder dan tien rechtszaken per jaar.

In alle tot op heden bekende veroordelingen op grond van dit artikel betreft het personen die of onder grote media-aandacht openlijk verklaren dienst te weigeren dan wel anderen oproepen om dit te doen, of schrijvers en uitgevers van publicaties waarin dienstweigering wordt gepropageerd. De personen die in de tot op heden bekende rechtszaken op grond van artikel 155 van de strafwet veroordeeld zijn, zijn in het overgrote deel van de gevallen personen die heel bewust hebben aangestuurd op een confrontatie met de autoriteiten, om op deze wijze de kwestie van de principiële dienstweigering op grond van gewetensbezwaren of de vrijheid van meningsuiting onder de aandacht te brengen en strafvervolging uit te lokken.

In 2000 vond een rechtszaak op grond van artikel 155 strafwet plaats, waarin ondanks een openbare oproep tot dienstweigering onder media-aandacht toch geen veroordeling volgde. Op 5 december 2000 sprak de militaire rechtbank de drie verdachten in deze zaak vrij. De verdachten hadden op 15 mei 1999 in het kantoor te Istanbul van de mensenrechtenorganisatie IHD een persverklaring voorgelezen en ondertekend, waarin ze opriepen om de militaire dienst te weigeren. De reden voor de vrijspraak was, dat de gedragingen niet het in het bewuste artikel genoemde delict vormden . Tegen drie personen die op 15 mei 2000 tegenover de pers verklaarden dat ze militaire dienst weigerden, is geen strafvervolging ingesteld. Een zegsman van de ISKD geeft als mogelijke reden hiervoor aan dat de autoriteiten publieke aandacht voor de kwestie van dienstweigering op grond van gewetensbezwaren zo veel mogelijk willen voorkomen.

In één van de thans aanhangige vier rechtszaken rond het boek Düsünceye Özgürlük - 2000 (Vrijheid van Meningsuiting - 2000) , wordt een aantal van de uitgevers van dit boek bij de militaire rechtbank berecht op grond van overtreding van artikel 155 van het Wetboek van Strafrecht wegens het in dit boek opnemen van de inhoud van enkele publicaties die reeds eerder waren aangemerkt als overtreding van dit artikel . Onder de zestien uitgevers van het boek die in deze zaak terechtstaan bevinden zich bekende namen uit de Turkse samenleving zoals de zanger Sanar Yurdatapan, initiatiefnemer tot het boek, en de voorzitters van de mensenrechtenorganisaties IHD, TIHV en Mazlum-Der. De zaak is op 23 mei 2001 verdaagd naar 29 juni. Op deze datum is de zaak verdaagd tot 7 september 2001.


8 Mensenrechten



De strijdkrachten zijn zeer gesloten voor wat interne aangelegenheden betreft, waaronder ook de situatie van de mensenrechten in het leger. Zo deelde de Parlementaire Onderzoekscommissie voor de Mensenrechten in mei 2001 mee, dat ze in haar onderzoek naar de inval in de gevangenissen in december 2000 geen medewerking van de jandarma had ontvangen . Het beeld van geslotenheid wordt bevestigd door interviews met militairen en voormalig militairen, die zijn opgenomen in een publicatie uit 2001 over dit onderwerp .

Om bovengenoemde reden is over deze thematiek slecht op zeer beperkte schaal informatie beschikbaar. Geraadpleegde bronnen wensen vaak uitsluitend op basis van volledige vertrouwelijkheid informatie te verschaffen. Veel van de onderstaande gegevens zijn dan ook verzameld op vertrouwelijke basis.

In de afgelopen jaren heeft er een strafzaak gespeeld rond een boek, waarin onder andere de mensenrechtensituatie in de strijdkrachten ter sprake kwam. Het betreft hier Mehmedin Kitabi (Het boek van Jan Soldaat) van de schrijfster en journaliste Nadire Mater . Ze is strafrechtelijk vervolgd op grond van artikel 159 van het wetboek van strafrecht, dat onder andere ziet op belediging van de strijdkrachten. In de zaak volgde op 2 oktober 2000 vrijspraak, die in mei 2001 door de negende kamer van het Hof van Beroep (Yargitay) is bekrachtigd . Het boek is sinds de vrijspraak weer vrijelijk verkrijgbaar en zal naar verluidt in de loop van 2001 in Duitse vertaling worden uitgebracht.

8.1 Mensenrechtenschendingen binnen de strijdkrachten


Volgens oud-officieren begint in de afgelopen jaren het besef van het belang van de mensenrechten, die Turkije steeds prominenter in het middelpunt van de publieke belangstelling komen te staan en die steeds meer aandacht krijgen in de media, ook in de strijdkrachten langzaam door te dringen. De strijdkrachten zouden volgens hen het gevoel hebben dat ook zij verplicht zijn hun steentje bij te dragen aan de verbetering van de mensenrechten. De strijdkrachten hebben voor hun personeel diverse cursussen over mensenrechten georganiseerd.

Het Turkse leger kent een hard regime. Met name onderofficieren en luitenants bedienen zich van tijd tot tijd van slaag ter disciplinering van dienstplichtigen. Beledigingen - van wederom met name onderofficieren en luitenants - aan het adres van dienstplichtigen komen met enige regelmaat voor . Vooral in geval van ongedisciplineerdheid, zoals bij het niet opvolgen van orders, roken tijdens het wachtlopen etc. zouden dergelijke vormen van disciplinering worden toegepast.

Militaire bronnen in Turkije bevestigen dat deze vormen van disciplinering veelal door de vingers wordt gezien of dat slechts een informele mondelinge terechtwijzing van de dader volgt. Vele dienstplichtigen zouden slaag verkiezen boven een formele disciplinaire bestraffing . Voor elke dag dat een dienstplichtige krachtens een bestraffing vastzit, wordt zijn diensttijd namelijk met een dag verlengd.

Ergere vergrijpen door commandanten, die volgens de IHD in incidentele gevallen niet uitgesloten kunnen worden, leveren echter wel disciplinaire - of strafrechtelijke maatregelen voor de plegers op en kunnen bovendien het carrièreperspectief van een beroepsmilitair negatief beïnvloeden. Er zijn ook enkele gevallen bekend van dienstplichtigen die na hun diensttijd rechtszaken aanhangig hebben gemaakt wegens mishandeling. De uitkomst van deze zaken is thans niet bekend.

De 'reguliere' criminaliteit is ook in het leger aanwezig. Van tijd tot tijd is ook sprake van conflicten tussen dienstplichtige en commandant of dienstplichtigen onderling. Dienstplichtigen hebben soms gokschulden bij elkaar. Bij deze conflicten wordt af en toe geweld gebruikt.

Pesterijen en discriminatie door medesoldaten of onderofficieren komen voor en zijn met name afhankelijk van de individuele commandant. Er kan echter voor geen enkele categorie gesproken worden van systematische discriminatie. De meeste problemen doen zich volgens Turkse mensenrechtenorganisaties en oud-officieren voor als gevolg van onderlinge conflicten.

Koerden

Van een systematische achterstelling van Koerdische dienstplichtigen is geen sprake . Op het niveau van de eenheden waar dienstplichtigen zich bevinden is zeer veel afhankelijk van de individuele commandant van deze eenheid. Men is ook binnen de strijdkrachten niet zozeer gefocust op het feit of een bepaalde persoon Turk of Koerd is, maar veel meer op de vraag of eventuele separatistische sympathieën bij een persoon aanwezig zijn.

Links-politieke activisten

Sinds de val van de Sovjet-Unie is de houding van het leger ten opzichte van links- politieke activisten milder geworden. De legertop definieert in haar nationale plan voor de defensiestrategie het communisme sinds 1997 niet langer als een immanent binnenlands gevaar. De binnenlandse bedreigingen worden nu verwacht uit de hoek van het fundamentalisme, het separatisme en de georganiseerde misdaad .

Er is dan ook geen systematische achterstelling van dienstplichtigen die als links- politieke activisten bekend staan. Wederom is veel afhankelijk van de commandant van de desbetreffende eenheid. De commandant van een eenheid 'in het veld' is niet altijd op de hoogte van het feit dat zich onder zijn manschappen linkse activisten bevinden. Indien de dienstplichtige ooit een strafrechtelijke veroordeling of een voorarrest in verband met een delict op dit gebied heeft gehad, zullen in veel gevallen alleen hogere officieren hiervan op de hoogte zijn. Indien geen veroordeling of voorarrest heeft plaatsgevonden, zijn dergelijke sympathieën slechts af te leiden uit het gedrag van de individuele dienstplichtige in zijn eenheid.

Militaire bronnen in Turkije hebben overigens bevestigd dat er zich ook onder de officieren personen met linkse denkbeelden bevinden. Het aantal ontslagen van beroepsmilitairen wegens verdenking van linkse sympathiën is zeer laag.

Personen die zich hebben onttrokken aan de dienstplicht

Het kan in individuele gevallen voorkomen dat personen die zich eerder hebben onttrokken aan de dienstplicht te maken krijgen met pesterijen en discriminatoir handelen. Ook hier is geen sprake van een systematische achterstelling en is veel afhankelijk van de individuele commandant van de eenheid.

Het bovenstaande geldt op gelijke wijze ook voor personen die zich tijdens hun onttrekking aan de dienstplicht hebben opgehouden in het buitenland, inclusief uitgeprocedeerde en teruggekeerde asielzoekers. Deze laatsten worden bij de inreis in Turkije gecontroleerd op antecedenten. Wanneer wordt vastgesteld dat iemand zich heeft onttrokken aan de registratie/keuring of opkomst of dat hij deserteur is, wordt deze aan een verhoor onderworpen en binnen maximaal 48 uur overgedragen aan de militaire autoriteiten. Bij onttrekking aan de registratie/keuring of opkomst komt het regelmatig voor dat de persoon na het verhoor op vrije voeten wordt gesteld en wordt gesommeerd zich binnen enkele dagen te melden bij zijn militair registratiekantoor.

Een eerdere onttrekking aan de dienstplicht is niet in alle gevallen bekend bij de directe superieuren van de betrokken dienstplichtige. Dergelijke feiten zijn wel bekend bij de hoogste officieren binnen de eenheid. Deserteurs worden in veel gevallen niet teruggeplaatst in de eenheid waaruit ze zijn gevlucht, maar krijgen een plaatsing bij een andere eenheid binnen hetzelfde leger.

Christenen

Iedere christen in de dienstplichtige leeftijd dient net als alle onderdanen van islamitische afkomt zijn militaire dienstplicht te vervullen. In tegenstelling tot wat soms wordt beweerd, is door diverse dienstplichtigen van christelijke afkomst bevestigd dat ook christenen in het Turkse leger wapens dragen. Het is voor christelijke dienstplichtigen mogelijk onderofficier te worden . Behalve incidentele pesterijen, geheel afhankelijk van de medesoldaten en de commandant, ontmoeten dienstplichtigen van christelijke afkomst in het leger geen discriminatie. Dwangbesnijdenissen van christenen komen sinds enkele jaren niet meer voor.

De internationale christelijke organisatie Open Doors en het christelijke persbureau Compass Direct melden dat in 1997 een beroepsmilitair uit het leger is ontslagen, omdat hij zich een jaar daarvoor had bekeerd tot het christendom. Hij heeft beroep aangetekend bij het Europese Hof .

Jehova's getuigen

In tegenstelling tot het verleden worden Jehova's getuigen tijdens de militaire dienstplicht nauwelijks met problemen geconfronteerd. Over het algemeen wordt volgens een woordvoerder van de Jehova's getuigen de laatste jaren geaccepteerd dat Jehova's getuigen krachtens hun geloofsovertuiging geen wapens mogen opnemen. Zij krijgen veelal administratief werk of corveewerkzaamheden. In individuele gevallen komt het echter toch tot pesterijen of discriminatoir handelen.

Devote moslims

Met name na de ondertekening van een memorandum van de Nationale Veiligheidsraad door toenmalig Refah-premier Necmettin Erbakan is er binnen de strijdkrachten een reeks van ontslagen of vervroegde pensioneringen van beroepsmilitairen die werden verdacht van islamitisch-fundamentalistische sympathieën doorgevoerd, om zo de islamitische invloed in de strijdkrachten te beperken . De aantallen zijn volgens woordvoerders van de Turkse mensenrechtenorganisatie AS-DER, die zich onder andere inzet voor ontslagen militairen, voor het jaar 1997 306 personen, voor 1998 186 personen, voor 1999 91 personen en voor 2000 62 personen, hetgeen resulteert in een totaal van 635 personen in deze vier jaar.

Enkele van de ontslagen officieren hebben inmiddels een rechtszaak aanhangig gemaakt bij het Europese Hof in Straatsburg, omdat er in Turkije geen instantie bestaat waar de ontslagen kunnen worden aangevochten. Tegen besluiten van de Askeri Sura (Militaire Raad), die gaat over benoemingen en bevorderingen van beroepsmilitairen staan namelijk geen rechtsmiddelen open.

Dienstplichtigen die devoot moslim zijn, worden door de legerleiding veel minder als een gevaar gezien dan streng religieuze beroepsmilitairen. De reden hiervoor is volgens enkele streng-islamitische officieren, dat men graag ziet dat de 'onderlaag' godsdienstig is, omdat dit in veel gevallen een bovengemiddelde gezagsgetrouwheid met zich meebrengt. Zo zouden volgens deze zegslieden dienstplichtigen die een Imam Hatip Lisesi (Lyceum voor Gebedsleiders en Predikers) opleiding hebben genoten relatief vaak worden ingezet op boekhoudkundige functies wegens hun betrouwbaarheid.

Voor dienstplichtigen geldt dat de mogelijkheid tot het verrichten van hun rituele gebed geheel afhankelijk is van de commandant van de eenheid. In sommige gevallen wordt het verboden, in andere gevallen wordt zelfs een ruimte toegewezen. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid tot vasten in de maand ramadan. Vast staat in elk geval dat de religieuze verplichtingen nooit een adequate vervulling van de werkzaamheden mogen doorkruisen.

Homoseksuelen

Homoseksuele dienstplichtigen die aangeven passieve seksuele handelingen te verrichten, worden afgekeurd voor militaire dienst. Hiertoe wordt een psychologisch onderzoek verricht en soms komt het tot een anaal onderzoek of wordt een foto van een passieve seksuele handeling verlangd. Vervolgens wordt de persoon gehoord door een militaire raad, die de uiteindelijke beslissing over afkeuring neemt . Homoseksuelen die alleen actieve seksuele handelingen verrichten, worden niet afgekeurd.

Er zijn ook gevallen bekend van homoseksuelen met passieve seksuele contacten, die hun geaardheid verborgen houden en zo toch hun militaire dienst vervullen. Wanneer de geaardheid toch aan het licht komt, kan in incidentele gevallen afhankelijk van de commandant discriminatie plaatsvinden.

In augustus 1999 heeft Amnesty International aangegeven, dat er sprake was van een toenemend aantal berichten omtrent jonge mannen die tijdens hun militaire dienstplicht in het Turkse leger onder verdachte omstandigheden om het leven waren gekomen. Tevens meldt Amnesty in hetzelfde document, dat het in de meeste van deze gevallen personen van Koerdische afkomst betreft .

Van 1996 tot en met 2000 zijn in de krant Özgür Gündem en de opvolgers van deze krant, Özgür Bakis en Yeni Gündem, en in de in Duitsland uitgegeven krant Özgür Politika - alle vier aan de PKK gelieerde kranten - berichten verschenen inzake sterfgevallen in het Turkse leger. Volgens de berichtgeving van deze kranten zouden de militaire autoriteiten in de meeste gevallen als doodsoorzaak 'zelfmoord' en in enkele gevallen 'een ongeval' hebben opgegeven. In veel gevallen zou sprake zijn van twijfel bij de doodsoorzaak. Ook wordt bericht over dienstplichtigen die tijdens hun verlof of na hun afzwaaien zelfmoord plegen. Van 1996 tot en met 2000 is in deze kranten bericht over enkele tientallen van dergelijke sterfgevallen in en rond het leger.

Op 21 juni 2000 heeft de IHD een document gepubliceerd waarin wordt gesteld 'in de laatste jaren hebben zich veel mensen tot onze vereniging gewend, wier kind tijdens de militaire dienst op twijfelachtige wijze om het leven is gekomen. Hoewel veel van deze sterfgevallen worden gemeld als "zelfmoord", betreft het volgens onze vereniging twijfelachtige sterfgevallen'. Vervolgens worden 13 gevallen opgesomd .

Een analyse van de in de bovengenoemde media en door de IHD genoemde sterfgevallen leert, dat iets meer dan de helft afkomstig is uit provincies met overwegend Koerdische bevolking. Van bijna een kwart wordt de plaats van herkomst niet vermeld, en van de resterende dienstplichtigen is vermeld dat zij afkomstig zijn uit plaatsen buiten de regio met overwegend Koerdische bevolking.

Enkele voormalige officieren hebben aangegeven dat het in het leger van tijd tot tijd voorkomt dat mensen zichzelf van het leven beroven. Er zijn volgens een woordvoerder van de IHD ook aanwijzingen dat conflicten tussen dienstplichtigen onderling soms met een dienstwapen worden beslecht.

Woordvoerders van de Turkse mensenrechtenorganisatie IHD verklaarden in 2001 dat hen in dat jaar geen nieuwe sterfgevallen in het leger bekend waren geworden. In het jaar 2001 is in de media voorzover bekend één bericht inzake een sterfgeval in het leger verschenen. Het betrof hier Baris Özçiftçi, woonachtig in Istanbul, die volgens de militaire autoriteiten zou zijn gedood door een verdwaalde kogel .

Süleyman Aksoy en Savas Çiçek

8.2 Mensenrechtenschendingen door de strijdkrachten


Dienstplichtigen kunnen, zonder dat zij daarbij zelf noodzakelijkelijkerwijs een actieve rol spelen, in een aantal gevallen deel uitmaken van eenheden die zich schuldig maken aan schendingen van mensenrechten. Dit is tot in het recente verleden met name het geval geweest in de strijd in Zuidoost-Turkije. Overigens is dit conflict door de internationale gemeenschap niet veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag ofwel in strijd geacht met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.

Jandarma

In de gebieden waar de jandarma bevoegd is voor de opsporing van strafbare feiten, maakt de jandarma zich nog altijd schuldig aan mishandeling en foltering, met name tijdens de eerste dagen van het voorarrest . Tijdens de bestorming van de gevangenissen in december 2000 en de daarop volgende overplaatsing van gevangenen naar de F-type gevangenissen , maakte jandarma zich schuldig aan mishandeling, foltering en excessief geweld. Bij de bestorming zijn ook dienstplichtigen ingezet.

Dienstplichtigen worden door hun meerderen niet gedwongen tot gebruik van excessief geweld of mishandeling. Van één van de dienstplichtigen die heeft deelgenomen aan de invallen in de gevangenissen in december 2000 is vernomen dat die dienstplichtigen in zijn eenheid die geen excessief geweld hadden gebruikt, hiervoor na afloop door hun commandant werden geprezen.

Het aantal huiszoekingen door de jandarma in het gebied waar de uitzonderingstoestand van kracht is , waarbij het meermaals is gekomen tot excessief gebruik van geweld, is sinds de terugtrekking van de PKK-strijders uit Turkije aanzienlijk afgenomen.

Ook is de jandarma in haar hoedanigheid van handhaver van de openbare orde in het gebied waarin zij bevoegd is van tijd tot tijd verantwoordelijk voor beperkingen van de vrijheid van vereniging en vergadering.

De verdwijning van twee HADEP-functionarissen in januari 2001 wordt door de HADEP toegeschreven aan de jandarma, aangezien de twee voor het laatst zijn gezien op het moment dat ze een jandarmapost betraden. De partij vermoedt betrokkenheid van de JITEM, de inlichtingendienst van de jandarma. Hierin hebben voor zover bekend geen dienstplichtigen plaats.

Landmacht en speciale eenheden

Nadat de gewapende strijd met de PPK eind 1999 is gestaakt, is de betrokkenheid van eenheden van het reguliere leger - en daarmee ook de betrokkenheid van dienstplichtigen binnen de Turkse landmacht - bij mensenrechtenschendingen sterk afgenomen. Ditzelfde geldt voor de speciale eenheden (Özel Tim), die zich vrijwel volledig uit het zuidoosten hebben teruggetrokken . Betrokkenheid van de landmacht bij mishandeling, foltering en andere vormen van excessief geweld in het kader van opsporing en ordehandhaving komt vrijwel niet voor, omdat deze laatste taken in principe door de jandarma worden uitgevoerd.

Zowel het leger als de jandarma zijn in het verleden betrokken geweest bij ontruiming van dorpen in Zuidoost-Turkije, waarvan er bij de ontruiming vele zijn platgebrand . Sinds begin 2000 hebben geen nieuwe ontruimingen van dorpen meer plaatsgevonden .

Volgens waarnemers in Zuidoost-Turkije, waaronder ook enkele functionarissen van Koerdische organisaties, zijn de houding en het gedrag van militairen en jandarmafunctionarissen jegens de bevolking sinds het staken van de gewapende strijd eind 1999 beduidend milder en vriendelijker geworden. In een interne publicatie van de Generale Staf getiteld Iç güvenlikte halkla iliskiler ve halkin kazanilmasi. Davranis ilkeleri rehberi (Relaties met de bevolking en het winnen van de bevolking in de binnenlandse veiligheidshandhaving. Gids met gedragsprincipes.), waarop een journalist de hand heeft weten te leggen en waarvan de inhoud gedeeltelijk door hem is gepubliceerd in een boek over het leger, roept de Generale Staf militairen op om contacten te leggen met de bevolking, zich voorbeeldig te gedragen en vriendelijk te zijn . Naast deze publicatie zijn er ook andere aanwijzingen die wijzen in de richting van een charmeoffensief door de strijdkrachten.


9 Beleid UNHCR en andere westerse landen



9.1 UNHCR

In antwoord op een vraag naar de positie van dienstweigeraars op grond van gewetensbezwaren in Turkije, stelde de UNHCR 'UNHCR...is of the opinion that there may be room for granting refugee status on grounds of conscientious objection for some Turkish asylum seekers' . Hierbij verwijst de UNHCR naar de paragrafen over gewetensbezwaren in het UNHCR handboek (paragrafen 167-174).

De UNHCR voegt hier aan toe 'It is UNHCR's position that, even if the military action in which the asylum seeker is required to participate is generally conducted within the limits prescribed by the laws of war, s/he may be regarded as a conscientious objector and, hence, qualify as a refugee, if s/he can establish that his/her moral, religious or political objections to participating in such action are so genuine, serious and profound, that it would be morally wrong to require him/her to participate in such action. One case that may fall under this description is that of a member of an ethnic minority who, in a situation of internal conflict, may be required to participate in military action against his/her own ethnic community'.

Ten slotte wordt opgemerkt 'The genuineness of a person's political, religious or moral convictions or of his/her reasons of conscience for objecting to performing military service, will of course need to be established by a thorough investigation of his/her personality and background'.

Met betrekking tot haar positie inzake de terugkeer van afgewezen dienstplichtigen werd van de UNHCR geen informatie verkregen. Eind 2001 wordt een nieuw background paper van de UNHCR over Turkije verwacht.

9.2 Andere westerse landen


Onderstaand volgt het beleid van de vijf Europese landen die naast Nederland in het jaar 2000 de hoogste instroom van asielzoekers uit Turkije hadden.

België

In België wordt sinds eind april 2001, na formulering van een nieuw beleid terzake, weer beslist op asielaanvragen waarbij dienstweigering een rol speelt. Asielzoekers uit Turkije met dit asielmotief kunnen worden erkend als vluchteling indien de gewetensbezwaren geloofwaardig en van doorslaggevend belang zijn en tevens dwingend tot vertrek hebben geleid. Sinds april 2001 worden afgewezen asielzoekers die militaire dienst hebben geweigerd verwijderd naar Turkije.

Duitsland

In de rechtspraak in Duitsland wordt dreigende bestraffing wegens onttrekking aan de dienstplicht naar de algemene overtuiging van de rechtbanken ook bij Koerden niet gezien als politieke vervolging. Verwijdering van afgewezen asielzoekers - ook wanneer aan de asielaanvraag dienstweigering ten grondslag ligt - vindt plaats.

Frankrijk

Frankrijk voert geen speciaal beleid met betrekking tot asielzoekers die zich beroepen op dienstweigeraars. Indien deze zijn uitgeprocedeerd en afgewezen, gaat Frankrijk over tot verwijdering.

Verenigd Koninkrijk

In het Verenigd Koninkrijk bestaat de mogelijkheid tot erkenning als vluchteling, indien de betrokkene in het leger is gefolterd/mishandeld of als sprake is van een 'genuine conscientious objector'. Er vindt verwijdering plaats van afgewezen asielzoekers die militaire dienst hebben geweigerd.

Zwitserland

In Zwitserland bestaat geen specifiek beleid gericht op dienstweigeraars uit Turkije. Enkel en alleen het feit dat men weigert de dienstplicht te vervullen is in het Zwitserse beleid onvoldoende voor erkenning als vluchteling. Zwitserland verwijdert uitgeprocedeerde dienstplichtigen naar Turkije.


10 Samenvatting



De Turkse strijdkrachten beschikken (exclusief jandarma) over 609.700 manschappen, waarvan totaal 528.000 dienstplichtigen. Van de 218.000 manschappen van de jandarma bestaat circa 90 procent uit dienstplichtigen. Dienstplichtigen maken deel uit van de legeronderdelen landmacht, luchtmacht, marine en van de jandarma, die naast militaire ook politionele taken heeft. Ook onder de commando's bevinden zich dienstplichtigen. De speciale eenheden (Özel Tim) bestaan volledig uit beroepskrachten.

Iedere mannelijke staatsburger dient 18 maanden militaire dienst te vervullen. Universitair geschoolden vervullen hun dienstplicht als reserveofficier gedurende 16 maanden of als gewoon dienstplichtige gedurende acht maanden.

De strijdkrachten nemen een belangrijke plaats in binnen de Turkse samenleving en staan evenals de dienstplicht bij een groot deel van de bevolking in hoog aanzien. De dienstplicht wordt in de Turkse context ook gezien als een onderdeel van het proces van 'man worden'.

Met betrekking tot de dienstplicht kunnen enkele formaliteiten worden onderscheiden, te weten de registratie/keuring, opkomst/basisopleiding en de vervolgplaatsing. De registratie behelst de verificatie van de persoonsgegevens zoals die bij de autoriteiten bekend zijn. Dienstplichtigen van wie de gegevens correct zijn geregistreerd behoeven niets te doen. De keuring betreft het nagaan van opleiding, vaardigheden, fysieke eigenschappen en eventuele medische gebreken. Hiertoe dient de dienstplichtige persoonlijk te verschijnen na een oproep van het militair registratiekantoor hiertoe via de muhtar. De plaats van opkomst voor de basisopleiding is vermeld in de zogenaamde opkomst-documenten, die de dienstplichtige zelf moet ophalen bij het militaire registratiekantoor. Op basis van onder andere zijn kennis en vaardigheden wordt de dienstplichtige in een opleidingseenheid geplaatst voor de duur van drie maanden. In deze periode neemt de dienstplichtige in de regel geen deel aan gevechtsacties. Na de basistraining volgt een periode van enkele vrije dagen en vervolgens komt men op voor de vervolgplaatsing, die in de regel op een andere plaats is dan de basisopleiding.

De locatie van vervolgplaatsing wordt bepaald door de doorlopen basisopleiding, plaats van registratie en eventuele criminele antecedenten. In de regel wordt men geplaatst in een eenheid die dezelfde specialisatie heeft als waarvoor men is opgeleid. Volgens een sinds jaar en dag gehanteerde vuistregel wordt men bij voorkeur geplaatst in een eenheid buiten de regio (soms slechts buiten de provincie) waar men geregistreerd staat, hetgeen door onder andere de interne migratie de laatste jaren geleidelijk aan betekenis heeft ingeboet. In de periode tot aan het neerleggen van de wapens eind 1999, tijdens welke de strijd tussen de PKK en de Turkse strijdkrachten in volle gang was, werd er in aanvulling op bovengenoemde vuistregel nog extra op toegezien dat dienstplichtigen die afkomstig waren uit de provincies in Zuidoost-Turkije, niet werden geplaatst bij eenheden in dat gebied, omdat er bij de Turkse strijdkrachten een vrij algemene twijfel bestond over de loyaliteit van deze dienstplichtigen. De staking van de gewapende strijd eind 1999 heeft er echter voor gezorgd, dat deze praktijk gericht op het vermijden van de plaatsing van personen uit het zuidoosten in eenheden in dat gebied geleidelijk aan is losgelaten.

Criminele antecedenten spelen in die zin een rol in de locatie van vervolgplaatsing, dat iemand die over zulke antecedenten beschikt in de regel niet op gevoelige posten zal worden ingezet.

Doordat sinds eind 1999 in Zuidoost-Turkije nauwelijks meer gewapende confrontaties plaatsvinden, is de kans om daar als dienstplichtige te worden ingezet in gevechtsacties uiterst gering, te meer daar de nog sporadisch plaatsvindende gevechtsacties met name worden uitgevoerd door beroepsmilitairen. Doordat sinds begin 2001 ook in Noord-Irak geen gevechtsacties door Turkse eenheden meer hebben plaatsgevonden, is ook de kans om als dienstplichtige aldaar ingezet te worden uiterst gering. Ook in Noord-Irak worden met name beroepsmilitairen ingezet.

Personen die hoger onderwijs volgen, kunnen op vertoon van documenten van de onderwijsinstelling uitstel van opkomst voor de militaire dienst krijgen. Dit uitstel wordt telkens voor een jaar verleend. Dienstplichtige Turken die legaal in het buitenland verblijven kunnen hun opkomst met telkens twee jaar uitstellen op de Turkse vertegenwoordiging in het desbetreffende land. Personen met zowel de Turkse als een andere nationaliteit die hun militaire dienst in een ander land hebben vervuld, kunnen in veel gevallen worden vrijgesteld van militaire dienst in Turkije. Personen die legaal in het buitenland verblijven, kunnen door betaling van DM 10.000 hun dienstplicht afkopen. Ze dienen dan wel een basistraining van een maand te doorlopen. Na de aardbeving van augustus 1999 is een tijdelijke regeling van vrijwel gelijke strekking van kracht geweest voor alle dienstplichtigen in Turkije met een geboortejaar voor 1973.

Onttrekking aan de militaire dienstplicht wordt in Turkije wetstechnisch onderscheiden naar onttrekking aan de registratie/keuring, onttrekking aan de opkomst en desertie. Op de eerste twee delicten staan gevangenisstraffen tot maximaal drie jaar, die vaak worden omgezet in een geldboete. De maximumstraf voor desertie is zwaarder, maar ook daar worden vaak geldboetes opgelegd. Personen die zich aan de dienstplicht onttrekken en zich in het buitenland bevinden, kunnen hun nationaliteit verliezen. De procedures hiertoe bestrijken in de regel enkele jaren. Na ontneming van het staatsburgerschap vindt geen strafvervolging op grond van onttrekking aan de dienstplicht meer plaats. Na alsnog vervulling van de dienstplicht kan het staatsburgerschap wettelijk gezien worden herkregen. Herkrijging blijkt in de praktijk echter nauwelijks mogelijk.

Het recht op dienstweigering of vervangende dienstplicht op grond van gewetensbezwaren bestaat in Turkije niet, ondanks Turks lidmaatschap van diverse internationale gremia die dit recht expliciet erkennen. Personen die militaire dienst weigeren op grond van gewetensbezwaren worden dan ook gezien als reguliere gevallen van onttrekking aan de dienstplicht en dienovereenkomstig bestraft. Een dienstweigeraar op grond van gewetensbezwaren kan wetstechnisch in elk van de categorieën van onttrekking aan de dienstplicht voorkomen. Extra bestraffing van gewetensbezwaarde dienstweigeraars komt voor op grond van 'vervreemding van het volk van de strijdkrachten', indien men onder media-aandacht of in publicaties oproept tot dienstweigering. Tot op heden zijn naast enkele veroordelingen van zowel burgers als militairen ook gevallen van niet-vervolging of vrijspraak bekend.

De strijdkrachten zijn zeer gesloten omtrent interne aangelegenheden, waaronder de mensenrechtensituatie. Informatie kan daarom vaak slechts worden verkregen op vertrouwelijke basis. Het leger kent een hard regime. Van tijd tot tijd worden ter disciplinering slaag of beledigingen gebruikt, hetgeen in veel gevallen wordt getolereerd. Discriminatie van dienstplichtigen komt van tijd tot tijd voor en is geheel afhankelijk van de individuele commandant van de eenheid. Voor geen enkele groep kan worden gesproken van systematische discriminatie door de legerleiding. Een groot deel van de problemen is het gevolg van onderlinge conflicten tussen dienstplichtigen.

In de afgelopen jaren heeft met name de pro-PKK pers melding gemaakt van een aantal sterfgevallen in het leger. De IHD heeft in 2000 aangegeven dit soort sterfgevallen, die door de militaire autoriteiten worden bestempeld als zelfmoord, te zien als twijfelachtige sterfgevallen. In het jaar 2001 is in de pers voor zover bekend één artikel verschenen met een sterfgeval in het leger. De IHD heeft in het jaar 2001 geen meldingen van nieuwe gevallen ontvangen.

In incidentele gevallen kunnen dienstplichtigen - met name in de jandarma - direct of indirect betrokken zijn bij schendingen van de mensenrechten. Door de staking van de gewapende strijd in Zuidoost-Turkije eind 1999 is deze kans voor dienstplichtigen bij de landmacht tot vrijwel nihil gedaald. In de houding van de militairen ten opzichte van de lokale bevolking is in de afgelopen twee jaar een positieve ontwikkeling waar te nemen, als gevolg van een door het leger ingezet charmeoffensief.

Literatuurlijst



Voor dit ambtsbericht is gebruik gemaakt van de volgende openbare bronnen:

Amnesty International, Amnesty International Annual Report 2001. Turkey (mei 2001)

Amnesty International, Out of the margins. The right to conscientious objection to military service in Europe (15 april 1997)

Amnesty International, Public Statement. Turkey. Evidence of persecution of conscripts on the increase (27 augustus 1999)

Anatolia, Turks persagentschap

Askerlik Çagina Girenlerin Ilk Yoklama Islemleri Hakkinda Yönetmelik (Richtlijn inzake de procedures voor tot de registratie van hen die de dienstplichtige leeftijd bereiken) d.d. 8 januari 1997

Associated Press

BBC World Service

Birand, Mehmet Ali, Shirts of Steel. An Anatomy of the Turkish Armed Forces (1991)

Committee on Legal Affairs and Human Rights. Council of Europe, Exercise of the Right of conscientious objection to military service in Council of Europe member states. Report (doc 8809 revised) (4 mei 2001)

Erdem, Rahmi, Mahzun Madalya (De verdrietige medaille) (1998)

Gerçege Dogru (Op naar de Waarheid),4e jaargang, nummer 16 (mei-juni 2001). Turks christelijk tijdschrift.

Human Rights Watch, Weapons transfers and violations of the laws of war in Turkey (november 1995)

Insan Haklari Dernegi, Askerde ölümler ve vicdani red hakki (Sterfgevallen in het leger en het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren)(21 juni 2000)

Izmir Savas Karsitlari Dernegi, Request for information on the situation of draft evaders (and deserters) in Turkey (1999)

Izmir Savas Karsitlari Dernegi, Türk Silahli Kuvvetleri içinde gerçeklesen intiharlar ya da süpheli ölümler (In de Turkse strijdkrachten voorgevallen zelfmoorden of twijfelachtige sterfgevallen) (mei 2001)

Izmirli Savas Karsitlari, Vicdani Ret Dosyasi (Dossier dienstweigering op grond van gewetensbezwaren), (18-02-1998), zoals weergegeven op de internetsite www.savaskarsitlari.org, stand 25 mei 2001

Jane's Information Group Inc., Jane's Sentinel Security Assessment. Eastern Mediterranean. February - July 2001 (2001)

Jenkins, Gareth, Context and Circumstance: The Turkish Military and Politics (IISS 2001)

Jongerden, Joost e.a., Het verwoeste land. Berichten van de oorlog in Turks-Koerdistan (1997)

Mater,Nadire, Mehmedin Kitabi (Het boek van Jan Soldaat) (vierde druk 1999),

Milliyet, Turks dagblad

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Noord-Irak (11 april 2001)

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije (4 mei 2001)

Ministerraadsbesluit inzake de Toepassing van Tijdelijk Artikel 37 van de Wet op de Militaire Dienstplicht Onder Nummer 99/13584 RG d.d. 14 november 1999

Ministry of National Defence, White Book Defence. 2000 (2000)

NTV, Turkse nieuwszender

Open Doors nr, 372 (december 2000), maanblad van gelijknamige christelijke mensenrechtenorganisatie

Polatcan, Ismet, Notlu - Açiklamali - Içtihatli Türk Silahli Kuvvetleri Iç Hizmet Kanunu ve Yönetmeligi, Askeri Ceza Kanunu, Disiplin Mahkemeleri Kanunu (Wet en Regulering op het Huishoudelijk Regelement van de Turkse Strijdkrachten, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet op de Disciplinerechtbanken met noten, verklaringen en jurisprudentie (Istanbul 1989)

Radikal, Turks dagblad

Reuters

Rundbrief KDV im Krieg, januari 2001

Sabah, Turks dagblad

Sinclair-Webbs, Emma, ''Our Bulent is now a commando': Military Service and Manhood in Turkey' in Mai Ghoussoub and Emma Sinclair-Webbs (eds.), Imagined Masculinities: Male Identity and Culture in the Modern Middle East (2000), blz. 65-92.

Studiecentrum Turkije en solidariteitsfonds X minY, Dienstweigeren in Turkije (mei 2000)

Studiecentrum Turkije, Türkiye'de Ordu ve Insan Haklari Ihlalleri. TSK ve uygulamalarina iliskin 1998 yili panoramasi (Het leger en mensenrechtenschendingen in Turkije. Een overzicht van de Turkse strijdkrachten en hun praktijken in het jaar 1998) (Amsterdam, juli 1999)

The International Institute for Strategic Studies, The Military Balance 2000-2001 (oktober 2000)

Turkish Daily News, Engelstalig Turks dagblad

UNHCR Genève, brief d.d. 15 juni 2001.

U.S. Department of State, Country Reports on Human Rights Practices 2000. Turkey (26 februari 2001)

Washington Post

Website Lambda (Turkse organisatie van homoseksuelen) op www.lambdaistanbul.org, stand 15 maart 2001

Website van het Directoraat voor de Opname van Dienstplichtigen (Askeri Alma Daire Baskanligi) van het Ministerie van Defensie
(www.asal.msb.gov.tr/weberislem3.htm), stand 28 maart 2001

Wet op de Instelling en Procesregels van de Militaire Rechtbanken onder nummer 353

Wet inzake de toevoeging van een tijdelijk artikel aan de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 4459

Wet inzake Reserveofficieren en Reservisten onder nummer 1076

Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111

Wet op de Tenuitvoerlegging van Straffen onder nummer 647

Wet op het Turkse Staatsburgerschap onder nummer 403

Wetboek van Militair Strafrecht onder nummer 1632

Yeni Gündem, pro-Koerdisch Turkstalig dagblad

Yurdatapan, Sanar e.a. (ed), Düsünceye Özgürlük - 2000 (Vrijheid van Meningsuiting - 2000) (2000)

Omtrent de aantallen manschappen in de diverse onderdelen van het Turkse leger bestaan verschillende cijfers. Tenzij expliciet vermeld zijn de hier vermelde cijfers afkomstig uit The Military Balance 2000-2001, The International Institute for Strategic Studies (oktober 2000) blz. 77-79. Andere gegevens zijn onder andere te vinden in Jane's Sentinel Security Assessment. Eastern Mediterranean. February - July 2001, Jane's Information Group Inc (2001) en White Book Defence.2000, Ministry of National Defence (2000).

Turks dagblad Sabah, 22 oktober 2000.

Turkse persagentschap Anatolia, 13 juni 2001.

Militaire bronnen in Turkije vermelden voor de landmacht cijfers van 404.000 manschappen, waarvan 334.000 dienstplichtigen.

Jane's Sentinel Security Assessment. Eastern Mediterranean. February - July 2001, Jane's Information Group Inc (2001) blz 561 en 563.

Jane's Sentinel Security Assessment. Eastern Mediterranean. February - July 2001, Jane's Information Group Inc (2001) blz 561.

Ook wel gendarme of gendarmerie genoemd.

White Book Defence.2000, Ministry of National Defence (2000), blz 63.

Website van de Turkse strijdkrachten,
www.tsk.mil.tr/jandarma/gorev.html, stand 4 april 2001.

Website van de Turkse strijdkrachten,
www.tsk.mil.tr/jandarma/gorev.html, stand 4 april 2001.

Dagblad Milliyet en dagblad Zaman, 17 mei 2001. Zie ook Weapons transfers and violations of the laws of war in Turkey, Human Rights Watch (november 1995).

Met uitzondering van het geval van overbemanning, zie paragraaf 5.2.4.

Iemand die zijn eerste verjaardag viert, is naar Nederlands spraakgebruik één jaar oud geworden, maar naar Turks spraakgebruik op deze dag het tweede levensjaar binnengetreden.

Turkse Nieuwszender NTV via internet ( www.ntvmsnbc.com) , 19 april 2001 en dagblad Zaman, 20 april 2001.

White Book Defence.2000, Ministry of National Defence (2000),blz.84 en 89.

White Book Defence.2000, Ministry of National Defence (2000) blz. 84 en 89.

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz. 6.

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, paragraaf 2.2.4.

De levensloop van een beroepsmilitair is zeer uitgebreid beschreven in Mehmet Ali Birand, Shirts of Steel. An Anatomy of the Turkish Armed Forces (1991), dat nog nauwelijks aan actualiteit heeft ingeboekt.

Turkish Daily News, 5 maart 2001.

Gareth Jenkins, Context and Circumstance: The Turkish Military and Politics (IISS 2001), blz. 1-20.

Emma Sinclair-Webbs, ''Our Bulent is now a commando': Military Service and Manhood in Turkey' in Mai Ghoussoub and Emma Sinclair-Webbs (eds.), Imagined Masculinities: Male Identity and Culture in the Modern Middle East (2000) blz 65-92.

De Turkse term ilk yoklama, hier gebruikt voor 'registratie' betekent letterlijk 'eerste inspectie/appèl'. In dit geval gaat het om de inspectie van de persoons- en adresgegevens van de betrokkene, terwijl het bij de keuring (son yoklama), dat letterlijk 'laatste inspectie/appèl' betekent, gaat om de inspectie van de kennis, vaardigheden en gezondheidstoestand van betrokkene.

Artikel 17 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 4 van de Askerlik Çagina Girenlerin Ilk Yoklama Islemleri Hakkinda Yönetmelik (Richtlijn inzake de procedures voor tot de registratie van hen die de dienstplichtige leeftijd bereiken) d.d. 8 januari 1997.

Artikel 3 van de Askerlik Çagina Girenlerin Ilk Yoklama Islemleri Hakkinda Yönetmelik (Richtlijn inzake de procedures voor tot de registratie van hen die de dienstplichtige leeftijd bereiken) d.d. 8 januari 1997.

Dit systeem is op 20 maart 1999 door de Turkse strijdkrachten aan de pers gepresenteerd. Zie Turkish Daily News, 21 maart 1999.

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz 11-12.

Website van het Directoraat voor de Opname van Dienstplichtigen (Askeri Alma Daire Baskanligi) van het Ministerie van Defensie (www.asal.msb.gov.tr/weberislem3.htm), stand 28 maart 2001.

Artikel 24 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 25 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 25 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 28 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 84 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 29-32 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Aldus vermeld in de aan iedere dienstplichtige betekende oproep om op de keuring te verschijnen.

Vermeld in Turkish Daily News, 16 mei 2001.

Zie paragraaf 5.2.3.

Zie hierover paragraaf 2.1.

Dagblad Milliyet, 1 februari 2001.

Turks persagentschap Anatolia, 25en 26 mei 2000.

Aangehaald in dagblad Zaman, 14 februari 2001.

Country Reports on Human Rights Practices 2000. Turkey, U.S. Department of State (26 februari 2001).

Amnesty International Annual Report 2001. Turkey, Amnesty International (mei 2001).

Reuters, 11 januari 2001 en Dagblad Milliyet, 16 maart 2001.

BBC World Service, 15 april 2001 en Turkish Daily News, 16 april 2001.

Turkish Daily News, 27 april 2001.

Reuters en Turkse dagblad Zaman, 24 mei 2001.

Turkse persagentschap Anatolia, 7 juni 2001 en Turkish Daily News, 8 juni 2001.

Dagblad Cumhuriyet, 28 juni 2001.

Turkse persagentschap Anatolia, 29 juni 2001.

Resolutie Honouring of obligations and commitments by Turkey, Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa d.d. 28 juni 2001.

Zie algemeen ambtsbericht Noord-Irak d.d. 11 april 2001.

Turks persagentschap Anatolia, 1 april 2000, Associated Press, 3 april 2000 en Reuters, 10 mei 2000.

Associated Press, dagbladen Washington Post en Hürriyet, 6 januari 2001.

Zie algemeen ambtsbericht Noord-Irak d.d. 11 april 2001.

Artikel 35c van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 35e, f en g van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 35e, f en g van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Website van het Directoraat voor de Opname van Dienstplichtigen (Askeri Alma Daire Baskanligi) van het Ministerie van Defensie (www.asal.msb.gov.tr/webersikcasorulan.htm), stand 28 maart 2001.

Website van het Directoraat voor de Opname van Dienstplichtigen (Askeri Alma Daire Baskanligi) van het Ministerie van Defensie (www.asal.msb.gov.tr/webersikcasorulan.htm), stand 28 maart 2001.

Zie White Book Defence.2000, Ministry of National Defence (2000), blz. 90. Andere bronnen noemen ook wel een periode van zes maanden.

Toegevoegd artikel 1 van De Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Wet inzake de toevoeging van een tijdelijk artikel aan de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 4459 d.d. 12 november 1999.

Artikel 7 van het Ministerraadsbesluit inzake de Toepassing van Tijdelijk Artikel 37 van de Wet op de Militaire Dienstplicht Onder Nummer 99/13584 RG d.d. 14 november 1999.

Turkse persagentschap Anatolia, 18 oktober 2000 en dagblad Milliyet, 7 februari 2001.

Zie voor een beschrijving van de term 'deserteur' paragraaf 6.3.

Tijdelijk artikel 32 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

White Book Defence.2000, Ministry of National Defence (2000), blz. 101.

Overeenkomstig de definities in artikel 12 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

In het algemeen ambtbericht Turkije/dienstplicht van juni 2000 werd deze driedeling weergegeven met de termen dienstplichtontduiking, dienstweigering en desertie.

Ook te vinden in het dagblad Radikal, 18 mei 2000.

Zie paragraaf 4.4.

Zie hiervoor paragraaf 3.1.

In de regel februari van het jaar na het jaar waarin de registratie behoort te geschieden.

Zware gevangenisstraf kent op een aantal punten een strenger regime dan reguliere gevangenisstraf. Zo dient ten minste een tiende deel van de straf overdags in isolatie te worden doorgebracht (Artikel 8 van het Turkse Wetboek van Strafrecht).

Artikel 12 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 12 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 89 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 12 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 97 van de Wet op de Militaire Dienstplicht onder nummer 1111.

Artikel 73 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

Turkish Daily News, 21 maart 1999.

Zie hierover paragraaf 3.3.

Voor gevallen van desertie is deze maximumtermijn vastgelegd in het nog altijd van kracht zijnde Bevel van de Generale Staf d.d.21 augustus 1984 onder nummer PER. 4085-1-84/Pl.S (2), zoals gepubliceerd in Ismet Polatcan, Notlu - Açiklamali - Içtihatli Türk Silahli Kuvvetleri Iç Hizmet Kanunu ve Yönetmeligi, Askeri Ceza Kanunu, Disiplin Mahkemeleri Kanunu (Wet en Regulering op het Huishoudelijk Regelement van de Turkse Strijdkrachten, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet op de Disciplinerechtbanken met noten, verklaringen en jurisprudentie (Istanbul 1989) blz. 401-402.

Artikel 4 van de Wet op de Tenuitvoerlegging van Straffen onder nummer 647.

Request for information on the situation of draft evaders (and deserters) in Turkey. Izmir Savas Karsitlari Dernegi (1999).

Artikel 63 van het Wetboek van Militair Strafrecht. Zie ook paragraaf 6.1.

Artikel 4 van de Wet op de Tenuitvoerlegging van Straffen onder nummer 647.

Artikel 47 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

Artikel 39 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

Artikel 246 van de Wet op de Instelling en Procesregels van de Militaire Rechtbanken onder nummer 353.

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije van 4 mei 2001, blz. 86 e.v.

Artikel 8 van de Wet op het Turkse Staatsburgerschap.

Vicdani Ret Dosyasi (Dossier dienstweigering op grond van gewetensbezwaren), Izmirli Savas Karsitlari (18-02-1998) zoals weergegeven op de internetsite www.savaskarsitlari.org, stand 25 mei 2001.

Voor zijn lotgevallen zie het algemeen ambtsbericht Turkije/dienstplicht van 15 juni 2000. In zijn situatie is sindsdien geen verandering opgetreden.

Een aantal van deze verklaringen is te vinden op de website www.savaskarsitlari.org.

Dit laatste wordt bijvoorbeeld verwoord in een verklaring van dienstweigering die op 1 december 2001 door een aantal personen in Duitsland is aangeboden aan het Turkse consulaat in Hannover. Zie het tijdschrift Rundbrief KDV im Krieg, januari 2001.

Zie voor een uitgebreidere beschrijving Out of the margins. The right to conscientious objection to military service in Europe, Amnesty International (15 april 1997), Exercise of the Right of conscientious objection to military service in Council of Europe member states. Report (doc 8809 revised), Committee on Legal Affairs and Human Rights. Council of Europe (4 mei 2001) en Vicdani Ret Dosyasi (Dossier dienstweigering op grond van gewetensbezwaren), Izmirli Savas Karsitlari (18-02-1998) zoals weergegeven op de internetsite www.savaskarsitlari.org, stand 25 mei 2001.

Brochure aangehaald door het Turkse persagentschap Anatolia, 22 april 1999.

Zie paragraaf 8.1.2.

Sanar Yurdatapan e.a. (ed), Düsünceye Özgürlük - 2000 (Vrijheid van Meningsuiting - 2000) (2000), blz. 159 en 173 en Vicdani Ret Dosyasi (Dossier dienstweigering op grond van gewetensbezwaren), Izmirli Savas Karsitlari (18-02-1998) zoals weergegeven op de internetsite www.savaskarsitlari.org, stand 25 mei 2001.

Cijfer afkomstig van de website van het Turkse Centrale Justitiële Register (www.adli-sicil.gov.tr). Cijfers over later jaren zijn nog niet beschikbaar.

Dagblad Yeni Gündem, 7 december 2000.

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz. 52.

Voor de publicaties zie Sanar Yurdatapan e.a. (ed), Düsünceye Özgürlük - 2000 (Vrijheid van Meningsuiting - 2000) (2000), blz. 124, 159, 173, 227 en 239.

Dagblad Radikal, 25 mei 2001.

Gareth Jenkins, Context and Circumstance: The Turkish Military and Politics (IISS 2001), blz. 29-30.

Zie hierover ook het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz. 52.

Turkse dagblad Yeni Evrensel, 29 mei 2001.

Zie ook Gareth Jenkins, Context and Circumstance: The Turkish Military and Politics (IISS 2001), blz. 28 en Mehmet Ali Birand, Shirts of Steel. An Anatomy of the Turkish Armed Forces (1991), blz. 118-122.

Zie ook Ali Birand, Shirts of Steel. An Anatomy of the Turkish Armed Forces (1991), blz. 119.

Vergelijk de algemene beschouwing van het onderwerp Koerden in het algemeen amtsbericht Turkije van 4 mei 2001, paragraaf 3.4.1.

Gareth Jenkins, Context and Circumstance: The Turkish Military and Politics (IISS 2001), blz. 46 e.v.

Een voorbeeld hiervan is één van de in geïnterviewde dienstplichtigen in Nadire Mater, Mehmedin Kitabi (Het boek van Jan Soldaat) (vierde druk 1999), blz. 27 e.v.

Open Doors nr. 372 (december 2000) en een artikel van Compass Direct, in het Turks opgenomen in het christelijke Turkse tijdschrift Gerçege Dogru (Op naar de Waarheid),4e jaargang, nummer 16 (mei-juni 2001).

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije, blz. 7 en 8.

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz. 61 en 62. De thematiek wordt ook uitvoerig behandeld de aan dit onderwerp gewijde monografie Rahmi Erdem, Mahzun Madalya (De verdrietige medaille) (1998).

Website Lambda (Turkse organisatie van homoseksuelen) op www.lambdaistanbul.org, stand 15 maart 2001.

Public Statement. Turkey. Evidence of persecution of conscripts on the increase, Amnesty International (27 augustus 1999).

Askerde ölümler ve vicdani red hakki (Sterfgevallen in het leger en het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren), Insan Haklari Dernegi (21 juni 2000).

Verzameld in Türk Silahli Kuvvetleri içinde gerçeklesen intiharlar ya da süpheli ölümler (In de Turkse strijdkrachten voorgevallen zelfmoorden of twijfelachtige sterfgevallen), Izmir Savas Karsitlari Dernegi (mei 2001), Türkiye'de Ordu ve Insan Haklari Ihlalleri. TSK ve uygulamalarina iliskin 1998 yili panoramasi (Het leger en mensenrechtenschendingen in Turkije. Een overzicht van de Turkse strijdkrachten en hun praktijken in het jaar 1998)¸ Studiecentrum Turkije (Amsterdam, juli 1999) blz. 45-51, Askerde ölümler ve vicdani red hakki (Sterfgevallen in het leger en het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren), Insan Haklari Dernegi (21 juni 2000) , Dienstweigeren in Turkije, Studiecentrum Turkije en solidariteitsfonds X minY (mei 2000), blz. 36-41 en dagblad Yeni Gündem, 9 juli 2000.

Yeni Gündem, 9 februari 2001.

Zie hiervoor ook het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz. 87-93.

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz. 82-86.

Zie over de uitzonderingstoestand het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, paragraaf 2.4.5.

Zie hierover paragraaf 4.4.

Zie het algemeen ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz. 94.

Zie paragraaf 4.4.

Beschreven in o.a. Joost Jongerden e.a., Het verwoeste land. Berichten van de oorlog in Turks-Koerdistan (1997).

Wel is uit 2000 één geval bekend waarbij 'spontane terugkeerders' na enkele dagen weer uit hun dorp werden weggestuurd. Zie het algemene ambtsbericht Turkije d.d. 4 mei 2001, blz. 115.

Rahmi Erdem, Mahzun Madalya (De verdrietige medaille) (1998) blz. 243-246.

Brief UNHCR Genève d.d. 15 juni 2001.

===

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie