Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

BZ Ambtsbericht Federale Republiek Joegoslavie

Datum nieuwsfeit: 03-09-2001
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

www.minbuza.nl/content.asp?Key=419959




1 Inleiding



In dit ambtsbericht wordt informatie gegeven over de situatie in de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) - met uitzondering van Kosovo - die voor de beoordeling van asielverzoeken en voor de besluitvorming over de terugzending van afgewezen asielzoekers van belang kan zijn.

Dit ambtsbericht is een actualisering van het ambtsbericht van 31 augustus 2000 (kenmerk DPC/AM-689249) over hetzelfde onderwerp. Ook geeft dit ambtsbericht actuele informatie over de positie van dienstweigeraars en deserteurs in de FRJ, zoals laatstelijk beschreven in het ambtsbericht van 17 november 1999 (kenmerk DPC/AM-666922). Ten slotte bevat dit ambtsbericht actuele informatie over de federale amnestiewet, waar in het ambtsbericht van 9 maart 2001 (kenmerk DPC/AM-720853) voor het eerst over is bericht.

Voor een beschrijving van de situatie in Kosovo zij verwezen naar het meest recente ambtsbericht hierover, van 25 januari 2001 (kenmerk DPC/AM-703258).

In hoofdstuk twee van dit ambtsbericht wordt achtereenvolgens ingegaan op enkele basisgegevens, de staatsinrichting, de recente politieke ontwikkelingen, de veiligheidssituatie en de sociaal-economische situatie in de FRJ.

Hoofdstuk drie beschrijft de waarborgen voor de mensenrechten in de FRJ, alsmede de feitelijke naleving ervan. Hierbij wordt tevens ingegaan op de positie van enkele specifieke groepen, zoals etnische minderheden en dienstweigeraars en deserteurs.

In hoofdstuk vier ('vluchtelingen en ontheemden') wordt aandacht besteed aan de opvang in de FRJ van vluchtelingen uit Kroatië en Bosnië-Herzegovina en de ontheemden uit Kosovo. Ook wordt stilgestaan bij de achtergronden bij migratie vanuit de FRJ, het beleid van andere westerse landen ten aanzien van asielzoekers uit de FRJ alsmede het standpunt terzake van UNHCR.

Het ambtsbericht wordt afgesloten met een samenvatting in hoofdstuk vijf.

De informatie in dit ambtsbericht is in belangrijke mate ontleend aan eigen onderzoek ter plaatse. Daarnaast is gebruik gemaakt van vertrouwelijke bronnen, alsmede van openbare publicaties van onder andere UNHCHR, UNHCR, Human Rights Watch, het Helsinki-comité voor de mensenrechten in Servië en het Belgrade Centre for Human Rights. Voor een volledige lijst van geraadpleegde openbare bronnen zij verwezen naar bijlage 1.


2 Landeninformatie



2.1 Basisgegevens

In deze paragraaf wordt enige basisinformatie verschaft omtrent de bevolking en geschiedenis van de huidige FRJ. Tenzij anders aangegeven is deze informatie ontleend aan de Economist Intelligence Unit (EIU).

De FRJ is één van de vijf opvolgersstaten van de voormalige Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (SFRJ) en bestaat uit de deelrepublieken Servië en Montenegro. De FRJ heeft een oppervlakte van 102.173 vierkante kilometer (circa 2,5 keer Nederland) en telde medio 1998 circa 10,6 miljoen inwoners (ongeveer één zevende van hen woonachtig in de hoofdstad Belgrado).

Van de bevolkingen van de vijf opvolgersstaten van de voormalige SFRJ kent die van de FRJ de grootste etnische verscheidenheid. Naast Serviërs (63%) en Montenegrijnen (5%) bestond in 1991 volgens een officiële census de bevolking van wat nu de FRJ is uit etnische Albanezen (16%), personen die zichzelf bestempelen als 'Joegoslaven' (3,4%), etnische Hongaren (3,3%), Slavische Moslims (3,2%), Roma (1,4%), etnische Kroaten (1,1%), etnische Roemenen, Vlachen, etnische Bulgaren, etnische Tsjechen, etnische Slowaken en Ruthenen (etnisch verwant aan Oekraïners).

De deelrepubliek Servië, die zowel in oppervlakte als in inwoneraantal vele malen groter is dan Montenegro, kan worden onderverdeeld in drie delen: Centraal-Servië, de Vojvodina en Kosovo. Centraal-Servië is in oppervlakte en in inwonertal (circa 5,8 miljoen inwoners) aanzienlijk groter dan zowel de Vojvodina als Kosovo. In dit gebied zijn de hoofdstad Belgrado en enkele andere belangrijke steden zoals Nis, Kragujevac en Krusevac gelegen. Een belangrijke minderheid in Centraal-Servië vormen de Slavische Moslims, die met name woonachtig zijn in het Servische deel van een gebied dat bekend staat als de Sandjak. De noordelijke provincie Vojvodina (circa 2 miljoen inwoners, hoofdstad: Novi Sad) kent de grootste etnische heterogeniteit van Servië. De Vojvodina grenst aan Kroatië, Hongarije en Roemenië. Vrijwel alle etnische Hongaren, etnische Kroaten en etnische Roemenen van de FRJ zijn dan ook woonachtig in deze provincie. De zuidelijke provincie Kosovo (ruim 2 miljoen voornamelijk etnisch Albanese inwoners, hoofdstad: Pristina) valt thans onder VN-bestuur en daardoor buiten het bestek van dit ambtsbericht.

In de deelrepubliek Montenegro (circa 647.000 inwoners; hoofdstad Podgorica) wonen naast Montenegrijnen (62% van de bevolking) ook Serviërs, etnische Albanezen en Slavische Moslims. De Slavische Moslims van Montenegro wonen met name in het Montenegrijnse deel van de Sandjak.

Voor meer basisinformatie over de belangrijkste etnische minderheden in Servië en Montenegro zij verwezen naar paragraaf 3.4.

De Serviërs waren één van de Slavische volkeren die zich in de 6e en 7e eeuw in de Balkan vestigden. Rond 900 hadden zij een eigen identiteit ontwikkeld en gedurende de daaropvolgende 400 jaar wedijverden zij met de Bulgaren om heerschappij in de regio. Zij namen het orthodoxe christendom aan en vestigden hun eigen patriarchaat gelegen in Pec (Kosovo).

De Servische macht in de regio kende haar hoogtepunt in de eerste helft van de 14e eeuw. Na het bewind van koning Dusan (gekroond in 1346) verzwakte het Servische koninkrijk en zwichtte het voor de expansie van het Ottomaanse rijk in de tweede helft van die eeuw. De Ottomaanse troepen versloegen de Serviërs bij de Slag om het Merelveld op 28 juni 1389. Deze gebeurtenis zou later gemythologiseerd worden in de Servische heldendichten die een cruciale rol zouden spelen in het ontwaken van het Servische nationale zelfbesef aan het einde van de 18e eeuw en de strijd om onafhankelijkheid aan het begin van de 19e eeuw.

Na een serie opstanden verkregen de Serviërs autonomie van het Ottomaanse bewind in 1830. Volledige onafhankelijkheid werd in 1878 bereikt tijdens het Congres van Berlijn; Servië werd een koninkrijk onder Milan Obrenovic in 1882. Tijdens de Balkanoorlogen van 1912 en 1913 werd het territorium van Servië vergroot doordat het Ottomaanse rijk uiteenviel.

De moord op aartshertog Frans Ferdinand van Oostenrijk door een Bosnische Serviër op 28 juni 1914 in Sarajevo leidde mede tot de Oostenrijks-Hongaarse invasie van Servië. Hiermee werd een keten van gebeurtenissen in gang gezet die uiteindelijk zou leiden tot de Eerste Wereldoorlog. Na de Eerste Wereldoorlog (en het instorten van het Oostenrijks-Hongaarse rijk en het Ottomaanse rijk) ontstond op 24 november 1918 een Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen. In 1928 werd de naam van dit land veranderd in Koninkrijk Joegoslavië. Dit land kende een vrijwel permanente politieke instabiliteit, die gevoed werd door de economische depressie van de dertiger jaren en de onvrede onder de Kroaten over hun politieke onderworpenheid aan Belgrado.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Joegoslavië bezet door Duitsland. Eén van de belangrijkste verzetsbewegingen, de Partizanen, werd gevormd door leden van de Communistische Partij onder leiding van Josip Broz Tito. In 1945 stichtte Tito de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (SFRJ). De SFRJ bestond uit zes republieken: Servië, Montenegro, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Slovenië. Onder de SFRJ-grondwet van 1963 werden de Vojvodina en Kosovo door Tito verheven tot autonome provincies van Servië. Onder de SFRJ-grondwet van 1974 verbeterde de status van de Vojvodina en Kosovo nogmaals: hoewel grondwettelijk nog steeds deel uitmakend van Servië, kregen zij een status die vrijwel gelijk was aan die van de zes deelrepublieken.

De SFRJ werd formeel bestuurd door een Federale Uitvoerende Raad, bestaande uit vertegenwoordigers van de acht constituerende republieken en provincies. Terwijl deze acht delen een grote autonomie genoten in binnenlandse aangelegenheden bleven defensie, buitenlandse zaken en buitenlandse economische betrekkingen tot de verantwoordelijkheid van de Federatie behoren. De Federale Uitvoerende Raad koos uit zijn midden de President. De parlementen van de afzonderlijke deelrepublieken kozen hun eigen president.

Tito overleed in 1980. Halverwege de jaren tachtig begon de onvrede onder de verschillende deelrepublieken over de verhoudingen binnen de SFRJ te groeien. Een groep voor de Servische Academie der Wetenschappen werkzame intellectuelen publiceerde een document genaamd 'het Memorandum', waarin onder andere werd gesteld dat Servië verzwakt was door het verlenen van autonomie aan de Vojvodina en aan Kosovo.

De publicatie van het Memorandum vormde een achtergrond voor de opkomst van Slobodan Milosevic, die in 1986 de leider van de Servische Bond van Communisten werd. Milosevic wist zich populair te maken bij de bevolking door te stellen dat Servië zich te toegeeflijk opstelde ten opzichte van Kosovo, en dat de Serviërs in Kosovo beschermd dienden te worden. In mei 1989 werd Milosevic gekozen tot president van de deelrepubliek Servië. In het daaropvolgende decennium zou hij - meer dan welke politieke partij ook - de politiek in Servië en in de huidige FRJ bepalen, tot 1997 als president van Servië (aanvankelijk in de SFRJ-tijd) en van augustus 1997 tot oktober 2000 als president van de FRJ.

Onder Milosevic werd in 1990 een nieuwe Servische grondwet aangenomen die van Servië een republiek maakte in plaats van een socialistische republiek en die de autonomie van de provincies Kosovo en de Vojvodina feitelijk ophief. Hiermee verkreeg het centrale gezag in Servië de controle over drie van de acht stemmen in de Federale Uitvoerende Raad.

De Servische wens om de Federatie te versterken (en daarbinnen een dominante rol te blijven spelen) bleek onverenigbaar met de wens van de deelrepublieken Kroatië en Slovenië om Joegoslavië om te vormen tot een samenwerkingsverband van soevereine staten. In juni 1991 verklaarden Kroatië en Slovenië zich onafhankelijk, gevolgd door Bosnië-Herzegovina en Macedonië in oktober respectievelijk november van datzelfde jaar. In Bosnië-Herzegovina brak in 1992 een oorlog uit, die drieënhalf jaar zou duren. De Federale Republiek Joegoslavië, bestaande uit de deelrepublieken Servië en Montenegro, werd op 27 april 1992 uitgeroepen. In mei 1992 kondigden de Verenigde Naties een olie- en handelsembargo af over de FRJ, als sanctie voor de betrokkenheid van de FRJ in de oorlog in Bosnië-Herzegovina.

De etnisch Albanese bevolking van Kosovo reageerde in eerste instantie op de feitelijke opheffing van de autonomie van die provincie door een vreedzaam beleid van separatisme te voeren: zij namen een eigen, officieuze grondwet aan, hielden hun eigen parlements- en presidentsverkiezingen en ontwikkelden hun eigen onderwijs- en gezondheidszorgstelsel. Aldus ontstond in Kosovo een etnisch Albanese 'parallelle' maatschappij.

In de tweede helft van de jaren negentig groeide echter de onvrede onder de etnisch Albanese bevolking van Kosovo, en ontstonden groeperingen als het Kosovo Bevrijdingsleger (Ushtria Çlirimtare e Kosovës; UÇK) die de onafhankelijkheid van Kosovo langs gewelddadige weg wilden bereiken. Het excessief gewelddadige optreden van de Servische politie en het Joegoslavische leger tegen (vermeende) etnisch Albanese strijders, waarbij aan etnisch Albanese zijde burgerslachtoffers vielen, vormde in maart 1999 voor de NAVO aanleiding over te gaan tot het uitvoeren van luchtaanvallen op strategische doelen in de gehele FRJ (waaronder Kosovo). Tijdens deze NAVO-luchtacties hebben de Joegoslavische en Servische troepen op grote schaal gewelddadigheden begaan jegens de etnisch Albanese bevolking in Kosovo. Milosevic en enkele andere gezagsdragers in de FRJ zijn in verband daarmee in mei 1999 door het in Den Haag gevestigde Joegoslavië-tribunaal aangeklaagd.

De Kosovo-crisis kwam in juni 1999 ten einde met de aanvaarding van een Veiligheidsraadresolutie (1244), die de VN voor een interimperiode het bestuur over Kosovo geeft en tevens voorziet in de plaatsing van een internationale veiligheidspresentie in Kosovo.

De positie van Milosevic leek ook na de Kosovo-crisis onverminderd sterk, ofschoon hij door veel Serviërs verantwoordelijk werd gehouden voor het op gewelddadige wijze uiteenvallen van de SFRJ, de slechte economische situatie in de FRJ alsmede de grote materiële en immateriële schade die de FRJ tijdens de NAVO-luchtcampagne had opgelopen en het 'verlies' van Kosovo. In juli 2000 schreef Milosevic dan ook nieuwe Federale parlements- en presidentsverkiezingen uit, overigens niet voordat het Federale parlement de grondwet zodanig had geamendeerd dat de zittende FRJ-president twee volgende ambtstermijnen zou kunnen vervullen. De Servische oppositiepartijen, grotendeels verenigd in één gemeenschappelijke partij (de Democratische Oppositie van Servië; afgekort DOS), wonnen echter de verkiezingen (zie verder 2.3).

2.2 Staatsinrichting


Zowel de Federale Republiek Joegoslavië als de beide deelrepublieken Servië en Montenegro hebben een eigen grondwet, parlement, president, regering en rechterlijke macht. Zowel de grondwet van de FRJ als die van Servië en Montenegro onderschrijven het principe van de scheiding der machten. In deze paragraaf wordt de inrichting van de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) en haar deelrepublieken nader toegelicht.

Tegelijkertijd met het uitroepen van de Federale Republiek Joegoslavië op 27 april 1992 is de huidige grondwet van de FRJ aangenomen. Deze grondwet bepaalt dat de wetgevende macht in de FRJ gevormd wordt door de Assemblee ('Skupstina'). De Assemblee bestaat uit een rechtstreeks gekozen Tweede Kamer ('Kamer van Burgers'), die 138 zetels telt, en een Eerste Kamer ('Kamer van Republieken') die 40 zetels telt: 20 voor vertegenwoordigers uit Servië en 20 voor vertegenwoordigers uit Montenegro. Ook de vertegenwoordigers van de Eerste Kamer worden (sinds een grondwetswijziging in juli 2000) rechtstreeks gekozen.

De president van de FRJ wordt rechtstreeks gekozen. De huidige president is Vojislav Kostunica (beëdigd op 7 oktober 2000). De formele bevoegdheden van de president van de FRJ zijn, zoals vastgelegd in de grondwet, vrij beperkt. De macht van de voormalige president Milosevic was dan ook op andere wijze verkregen.

De regering van de FRJ bestaat uit de Raad van Ministers ('Vlada'), onder voorzitterschap van de premier. Onder de grondwet van 1992 benoemde de premier de overige ministers; sinds de grondwetswijziging van 6 juli 2000 worden de ministers gekozen door het federale parlement. De Federale regering is exclusief bevoegd op het terrein van buitenlandse zaken en defensie, maar is voor de uitoefening van regeringsmacht in Servië van minder betekenis dan de Servische regering. De huidige, in november 2000 gevormde federale regering is een coalitie van de Democratische Oppositie van Servië (DOS) en de Socialistische Volkspartij (SNP) uit Montenegro.

Het gerechtelijk apparaat in de FRJ bestaat op federaal niveau uit één federaal gerechtshof, één federaal constitutioneel gerechtshof alsmede militaire rechtbanken (in Belgrado, Podgorica en Nis). Rechters aan het federale gerechtshof en het federale constitutionele gerechtshof worden voor een periode van negen jaar door de Federale Assemblee benoemd. Rechters aan militaire rechtbanken worden door de president van de FRJ benoemd, op voordracht van de federale minister van defensie.

De Servische grondwet is opgesteld in 1989 en door een referendum aangenomen in 1990. Ofschoon Servië toen nog een onderdeel van de SFRJ vormde, is de Servische grondwet opgesteld als de grondwet van een onafhankelijke, soevereine staat. De enige verwijzing naar de toenmalige SFRJ staat in artikel 135, dat de toepassing in Servië van 'federale bepalingen die de gelijkheid van de Republiek Servië aantasten' uitsluit. Dit had destijds tot doel de invloed van Servië binnen de SFRJ te vergroten, en vormt thans de verklaring voor de slechte afbakening van bevoegdheden tussen de Servische en de huidige federale grondwet. De Servische grondwet is niet geformuleerd als ondergeschikt aan de grondwet van de FRJ. In geval van conflict kan dan ook door Servië worden aangevoerd dat voor het Servische grondgebied de Servische grondwet prevaleert.

De wetgevende macht in Servië wordt gevormd door een 250 zetels tellende, rechtstreeks gekozen Assemblee ('Skupstina'). De Democratische Oppositie van Servië (DOS) beschikt op basis van parlementsverkiezingen in december 2000 over een absolute meerderheid in dit parlement. De Servische regering (beëdigd in januari 2001) bestaat dan ook uitsluitend uit leden van DOS, ofschoon dient te worden opgemerkt dat de DOS op haar beurt een verbond van een achttiental Servische politieke partijen is.

De Servische president wordt rechtstreeks gekozen. De huidige president, Milan Milutinovic van de SPS, is in mei 1999 door het in Den Haag gevestigde Joegoslavië-tribunaal aangeklaagd in verband met de door Servische troepen begane gewelddadigheden in Kosovo. De volgende presidentsverkiezingen zijn voorzien voor najaar 2001.

Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Servië, in september 2000, heeft de DOS overwinningen behaald in bijna 100 van de 160 Servische gemeenten. Overigens was reeds onder het regime-Milosevic het bestuur van vele middelgrote en grote steden (waaronder de hoofdstad Belgrado) in handen van de oppositie tegen Milosevic.

De rechterlijke macht in Servië is opgebouwd uit verschillende gemeentelijke rechtbanken, een aantal districtsrechtbanken en één hooggerechtshof alsmede één constitutioneel gerechtshof. Deze rechtbanken hebben 'algemene jurisdictie', hetgeen inhoudt dat zij bevoegd zijn in strafzaken, civiele zaken en administratieve zaken. Daarnaast kent Servië economische rechtbanken en een Hoger Economisch Gerechtshof (voor economische en handelsaangelegenheden). Rechters aan Servische rechtbanken worden benoemd (in principe voor het leven) of van hun functie ontheven door het Servische parlement.

De Montenegrijnse grondwet dateert uit 1992. In deze grondwet is vastgelegd dat Montenegro een deel vormt van de FRJ.

De wetgevende macht in Montenegro bestaat uit een rechtstreeks gekozen Assemblee ('Skupstina') van 77 zetels. Bij recente parlementsverkiezingen van april 2001 wist de coalitie van president Milo Djukanovic de meeste stemmen te behalen, maar niet genoeg voor een meerderheid in het parlement. Deze partijen (DPS en SDS) vormen thans een minderheidsregering , die gesteund wordt door de pro-onafhankelijkheidspartij LSCG.

De Montenegrijnse president wordt rechtstreeks gekozen. Bij de verkiezingen van oktober 1997 werd de toenmalige president, Milosevic-vertrouweling Bulatovic, verrassend verslagen door zijn rivaal Djukanovic. Op 15 januari 1998 werd Djukanovic geïnstalleerd als nieuwe president.

De gemeenteraden in Montenegro worden, evenals in Servië, eens in de vier jaar rechtstreeks gekozen. In Montenegro worden thans de meeste (maar niet alle) gemeentebesturen gevormd door regeringsgezinde partijen.

De rechterlijke macht in Montenegro is opgebouwd uit verschillende gemeentelijke rechtbanken, een aantal districtsrechtbanken en één hooggerechtshof alsmede één constitutioneel gerechtshof. Rechters aan Montenegrijnse rechtbanken worden benoemd (in principe voor het leven) of van hun functie ontheven door het Montenegrijnse parlement. Rechters van het Montenegrijnse constitutionele gerechtshof worden voor bepaalde tijd benoemd.

2.3 Politieke ontwikkelingen


Op 24 september 2000 zijn in de FRJ verkiezingen gehouden voor de 138 zetels tellende Tweede Kamer ('Kamer van Burgers') van de Federale Assemblee, alsmede voor het presidentschap van de FRJ. Deze verkiezingen werden gewonnen door de Democratische Oppositie van Servië (DOS), maar het regime-Milosevic heeft getracht de verkiezingsuitslagen te manipuleren en aan te sturen op een tweede ronde. Dit leidde begin oktober 2000 tot een ware volksopstand, waarbij het parlement van de FRJ door aanhangers van de oppositie werd bestormd. Ten gevolge hiervan heeft Milosevic uiteindelijk zijn verkiezingsnederlaag geaccepteerd, en kon de presidentskandidaat van de oppositie, Vojislav Kostunica, op 7 oktober 2000 worden beëdigd als president.

De Montenegrijnse regeringspartijen hebben de Federale parlements- en presidentsverkiezingen geboycot, omdat ze een onder Milosevic in juli 2000 doorgevoerde wijziging van de federale grondwet (op basis waarvan Milosevic zichzelf herkiesbaar kon stellen voor het FRJ-presidentschap) als ongrondwettelijk bestempelden. De Montenegrijnse partij SNP - een politieke bondgenoot van het regime-Milosevic - heeft wél meegedaan aan de verkiezingen, hetgeen haar 30 zetels in de Tweede Kamer heeft opgeleverd.

In november 2000 werd een nieuwe regering gevormd, bestaande uit de DOS en de SNP. De SNP leverde daarbij de premier, Zoran Zizic. President Kostunica en de nieuwe federale regering hebben sinds hun aantreden geijverd om de banden tussen de FRJ en de internationale gemeenschap aan te halen. Dit heeft vrij snel geresulteerd in toetreding van de FRJ tot de OVSE en het Stabiliteitspact voor Zuid-Oost Europa, alsmede in het volwaardige lidmaatschap van de Verenigde Naties. Ook zijn onder Kostunica de relaties van de FRJ met haar buurlanden aanzienlijk verbeterd. Zo zijn de FRJ en Bosnië-Herzegovina op 15 december 2000 diplomatieke betrekkingen aangegaan. Voorts is de FRJ met Albanië overeengekomen de diplomatieke betrekkingen op korte termijn volledig te herstellen.

Verschillen van mening tussen de DOS en de SNP inzake samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal en uitlevering aan dat tribunaal van ex-president Milosevic hebben ertoe geleid dat de federale regering op dit terrein weinig voortgang heeft geboekt. De regering stelde zich op het standpunt dat, hoewel men het Joegoslavië-tribunaal erkende, uitlevering aan het tribunaal van verdachten met de Joegoslavische nationaliteit eerst mogelijk was na een aanpassing van de binnenlandse wetgeving op dit punt. Een wetsvoorstel dienaangaande sneuvelde echter in het Joegoslavische parlement, omdat de SNP-fractie tegen stemde. Hierop heeft de Joegoslavische regering een decreet van dezelfde strekking afgekondigd, maar dit decreet is door het federale constitutionele gerechtshof ongeldig verklaard.

Uiteindelijk heeft de Servische regering daarop het besluit genomen om Milosevic uit te leveren aan het Joegoslavië-tribunaal, hetgeen op 28 juni 2001 is geschied. De DOS-ministers van de federale regering steunden dit besluit openlijk. Voor de SNP-ministers (waaronder premier Zizic) was de uitlevering van Milosevic daarentegen aanleiding om uit de federale regering te stappen. In dit stadium is nog niet bekend of deze breuk binnen de federale regering 'gelijmd' zal worden, of dat nieuwe federale verkiezingen gehouden zullen worden.

De uitslag van de federale parlements- en presidentsverkiezingen leidde tot de onwerkbare situatie dat het 'regime-Milosevic' (de partijen SPS, SRS en JUL) op federaal niveau weliswaar uit de regering was verdwenen, maar op het niveau van de deelrepubliek Servië nog immer aan de macht was. Onder druk van de DOS en de publieke opinie gingen deze partijen echter medio oktober 2000 akkoord met het uitschrijven van vervroegde verkiezingen voor het Servische parlement, te houden op 23 december 2000. Tevens werd de Servische regering ontbonden en werd een interimregering samengesteld, waarin naast de SPS ook vertegenwoordigers van de oppositie (DOS en SPO) zitting hadden.

De DOS heeft bij de verkiezingen van 23 december 2000 met 176 van de 250 zetels een absolute meerderheid gehaald in het Servische parlement. De in januari 2001 gevormde Servische regering, geleid door Zoran Djindjic, bestaat dan ook uitsluitend uit vertegenwoordigers van de DOS. De oppositie bestaat uit de SPS van Milosevic (37 zetels), de SRS van Seselj (23 zetels), alsmede - verrassend -

de extreem-rechtse Partij van Servische Eenheid (SSJ; 14 zetels), die door de inmiddels overleden Servische oorlogsmisdadiger Arkan is opgericht. De SPO van Vuk Draskovic en de JUL van Mira Markovic zijn onder de kiesdrempel gebleven, en daarmee uit het Servische parlement verdwenen.

De inspanningen van de nieuwe Servische regering zijn tot dusverre vooral gericht geweest op het bezweren van de crisis in Zuid-Oost Servië (zie 2.4) en op het bestrijden van de economische crisis waarin de FRJ thans verkeert (zie 2.5).

Ook heeft de regering zich beijverd voor bestraffing van aan het regime-Milosevic gelieerde personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven. Dit heeft in eerste instantie op 1 april 2001 geresulteerd in de arrestatie en detentie van Milosevic zelf (op verdenking van machtsmisbruik en corruptie). Op 28 juni 2001 heeft de Servische regering vervolgens besloten om Milosevic uit te leveren aan het Joegoslavië-tribunaal, hetgeen nog diezelfde dag is geschied.

De deelrepubliek Montenegro is, sinds het aantreden (in januari 1998) van haar huidige president, Djukanovic, binnen de FRJ een steeds onafhankelijker koers gaan varen. De Montenegrijnse regering profileert zich in de praktijk als de regering van een soevereine staat (inclusief veelvuldige ontmoetingen met buitenlandse staatshoofden).

Tijdens het Kosovo-conflict heeft de Montenegrijnse regering openlijk afstand genomen van het door Milosevic gevoerde beleid inzake Kosovo. De Montenegrijnse regering heeft dan ook geweigerd de op 24 maart 1999 naar aanleiding van de NAVO-luchtacties door de FRJ afgekondigde staat van oorlog te erkennen, en vaardigde een decreet uit waarin mensen met een baan verplicht werden gewoon naar hun werk te gaan.

Na afloop van de NAVO-luchtacties boven de FRJ (inclusief Montenegro) heeft Montenegro zich verder van het regime-Milosevic gedistantieerd. In augustus 1999 heeft het aangekondigd een discussie aan te willen gaan over de toekomstige onderlinge verhoudingen binnen de Federatie. In november 1999 introduceerde de Montenegrijnse regering vervolgens de Duitse mark als enige wettige betaalmiddel. Voorts heeft de Montenegrijnse regering niet deelgenomen aan de federale presidents- en parlementsverkiezingen die op 24 september 2000 zijn gehouden.

De relatie tussen Montenegro en Servië verslechterde onder Milosevic zodanig, dat het gevaar van een confrontatie tussen het in Montenegro gelegerde Tweede Leger van de Joegoslavische strijdkrachten (grotendeels loyaal aan Milosevic) en de Montenegrijnse politie (loyaal aan Djukanovic) niet denkbeeldig was. Met het aantreden van de nieuwe federale en Servische regeringen is de verhouding tussen Podgorica en Belgrado echter aanzienlijk ontspannen.

Niettemin heeft het aantreden van de nieuwe regeringen in Belgrado het standpunt van de Montenegrijnse regering inzake de positie van Montenegro binnen de Federatie niet veranderd. Eind december 2000 zijn drie van de vier toenmalige coalitiepartners van de Montenegrijnse regering (DPS, SDS en UDSh) overeengekomen dat Montenegro zal streven naar een losse unie van twee internationaal erkende, soevereine staten: Servië en Montenegro. Eén coalitiepartner, de Volkspartij (NS), kon zich niet vinden in dit besluit en stapte prompt uit de regering. De overgebleven coalitiepartners besloten hierop nieuwe, vervroegde parlementsverkiezingen uit te schrijven, met de bedoeling het draagvlak voor het uitschrijven van een referendum over de onafhankelijkheid te vergroten.

Bovengenoemde verkiezingen, die op 22 april 2001 zijn gehouden, stonden in het teken van de onafhankelijkheidskwestie. De coalitie van president Djukanovic wist hierbij weliswaar de meeste stemmen te behalen (36 van de 77 zetels), maar niet genoeg voor een meerderheid in het parlement. De twee partijen in kwestie (DPS en SDS) vormen thans een minderheidsregering , die voor een periode van één jaar gesteund zal worden door een oppositiepartij die fervent voorstander is van volledige onafhankelijkheid, de Liberale Alliantie (LSCG).

De nieuwe Montenegrijnse regering zal binnen acht maanden na haar aantreden een referendum over de onafhankelijkheid organiseren, waarvan de modaliteiten op korte termijn in een referendumwet zullen worden vastgelegd. De uitkomst van een dergelijk referendum staat niet bij voorbaat vast: de recente parlementsverkiezingen, waarbij de partijen tegen onafhankelijkheid (SNP, NS en SNS) 33 zetels behaalden, hebben aangetoond dat de Montenegrijnse bevolking ongeveer gelijkelijk verdeeld is in voor- en tegenstanders van onafhankelijkheid.

2.4 Veiligheidssituatie


De veiligheidssituatie in de FRJ geeft thans niet langer reden tot zorgen.

In Montenegro is de veiligheidssituatie ten gevolge van het vertrek van het regime-Milosevic verder verbeterd, in die zin dat de vrees voor een confrontatie tussen het in Montenegro gelegerde Tweede Leger van de Joegoslavische strijdkrachten en de Montenegrijnse politie in de context van de huidige Servisch-Montenegrijnse verhoudingen niet langer reëel is.

In het aan Kosovo grenzende deel van Zuid-Servië (de zogenaamde 'Presevo-vallei'), waar veel etnische Albanezen woonachtig zijn, is van medio 1999 tot eind mei 2001 regelmatig sprake geweest van gewelddadige incidenten tussen enerzijds leden van de etnisch Albanese rebellenbeweging 'Bevrijdingsleger van Presevo, Medvedja en Bujanovac' (afgekort UÇPMB) en anderzijds de Servische politie. Bij deze incidenten zijn aan beide zijden doden en gewonden gevallen.

Het UÇPMB, dat streefde naar aansluiting van de Presevo-vallei bij Kosovo, was voornamelijk actief binnen een 5 kilometer brede, gedemilitariseerde zone aan de Servische zijde van de grens met Kosovo. Aanvankelijk genoot het binnen deze zone grote bewegingsvrijheid, omdat het de speciale troepen van het Servische Ministerie van Binnenlandse Zaken (MUP) alsmede de Joegoslavische strijkrachten op grond van een overeenkomst terzake tussen de NAVO en de FRJ uit juni 1999 niet was toegestaan zich binnen deze zone te begeven. Slechts de lokale Servische politie had toegang tot het gebied.

Het aantreden van nieuwe regeringen in de FRJ en Servië die bereid waren tot een dialoog met de etnisch Albanese rebellen, gekoppeld aan het feit dat de lokale Servische politie in het gebied in toenemende mate het doelwit werd van aanslagen (sommige met dodelijke afloop) door het UÇPMB, heeft de NAVO in maart 2001 doen besluiten om een deel van de gedemilitariseerde zone vrij te geven voor grenswachten van het Joegoslavische leger en voor de speciale Servische politietroepen.

In diezelfde maand zijn de Joegoslavische/Servische autoriteiten onder druk van de internationale gemeenschap besprekingen aangegaan met vertegenwoordigers van het UÇPMB, teneinde een vreedzame oplossing te vinden voor het conflict. Uitgangspunt voor de Joegoslavische/Servische autoriteiten vormde hierbij een plan van de Servische vice-premier Covic. Dit plan voorziet onder andere in een aantal maatregelen dat het vertrouwen van de etnisch Albanese bevolking van Servië in de staat moet doen toenemen, zoals een groter aantal etnisch Albanese politieagenten bij de Servische politie.

Op 11 mei 2001 ging het UÇPMB akkoord met demilitarisering van een tweetal dorpen, onder supervisie van EUMM (European Union Monitoring Mission, zie
3.2), alsmede met de start van gezamenlijke, etnisch gemengde politiepatrouilles in de gemeenten Presevo, Bujanovac en Medvedja ter voorbereiding op de volledige vrijgave door de NAVO van de gedemilitariseerde zone voor grenswachten van het Joegoslavische leger en voor de speciale Servische politietroepen. Op 21 mei 2001 heeft het UÇPMB ten slotte besloten tot volledige demobilisatie. Na toestemming van de NAVO hebben de Joegoslavische en Servische veiligheidstroepen op 24 mei 2001 het laatste deel van de gedemilitariseerde zone betreden.

Sinds eind mei 2001 hebben zich in het gebied geen ernstige incidenten meer voorgedaan.

Inmiddels is de Servische regering in samenwerking met de OVSE gestart met de vorming van multi-etnische politieteams, en worden voorbereidingen getroffen voor de instelling van een Centrum voor Multi-etnische Politietraining. De Servische regering heeft voorts toegezegd ook andere maatregelen te zullen nemen om de terugkeer van ontheemde etnische Albanezen naar de regio, alsmede de integratie van etnische Albanezen in politieke, economische en sociale structuren, te bevorderen.

De politie in Servië ressorteert onder het Servische Ministerie van Binnenlandse Zaken (MUP). Naast de gewone politie (Milicija) kent de MUP ook speciale politie-eenheden (PJP; Posebne Jedinice Policije) en speciale anti-terroristische eenheden (SAJ; Specijalne Anti teroristicke Jedinice).

Onder Milosevic is de Servische politie (met name de speciale eenheden) geleidelijk omgevormd tot een belangrijk instrument en steunpilaar van diens regime. De gewelddadigheden tegen de etnisch Albanese bevolking van Kosovo tijdens het Kosovo-conflict zijn voor een belangrijk deel begaan door MUP-eenheden. Ook trad de politie in het laatste jaar van Milosevic' regime soms hardhandig op tegen oppositionele demonstranten, en pakte het personen die door het regime als bedreigend werden ervaren regelmatig op voor een 'informatief gesprek' op het politiebureau.

Begin oktober 2000 weigerde de Servische politie echter in te grijpen toen aanhangers van de oppositie een ware volksopstand ontketenden nadat het regime-Milosevic had getracht de uitslagen van de verkiezingen van 24 september 2001 te manipuleren. De politie (inclusief speciale eenheden) is thans in grote mate loyaal aan de huidige Servische regering, hetgeen op 1 april 2001 werd bevestigd toen Milosevic door diezelfde politie werd gearresteerd.

De Montenegrijnse politie is onder president Djukanovic uitgegroeid tot een groot (circa 10.000 personen) en goed uitgerust apparaat. Vermoedelijk had deze politiemacht in noodgevallen weerstand moeten bieden aan het in Montenegro gelegerde Tweede Leger van de Joegoslavische strijdkrachten, dat loyaal was aan FRJ-president Milosevic. Volgens waarnemers is de Montenegrijnse politiemacht dan ook groter dan strikt genomen noodzakelijk om zuivere politietaken te vervullen.

Nu de vrees voor een confrontatie tussen het Tweede Leger van de Joegoslavische strijdkrachten en de Montenegrijnse politie in de context van de huidige Servisch-Montenegrijnse verhoudingen niet langer reëel is, ligt een reductie van de Montenegrijnse politiemacht voor de hand. Ook dienen individuele politiebeambten getraind te worden in zaken als klantvriendelijkheid en mensenrechten. Dat laatste geschiedt inmiddels, in samenwerking met internationale organisaties en lokale NGO's.

De Joegoslavische staatsveiligheidsdienst (SDB; Sluzba Drzavne Bezbednosti) is formeel georganiseerd op zowel federaal niveau als op het niveau van de deelrepublieken Servië en Montenegro. Haar taken en bevoegdheden zijn vastgelegd in de Wet op de Grondslagen van het Staatsveiligheidssysteem en bestaan uit 'het verzamelen van feiten en informatie met het doel de organisatie van krachten en individuen die zich bezig houden met het in gevaar brengen van de veiligheid van de FRJ en het ondermijnen van het grondwettelijke gezag met als doel het omver te werpen, te ontdekken, te monitoren en te voorkomen'.

In operationele zin bestaat er sinds het uiteenvallen van de SFRJ geen overkoepelende federale staatsveiligheidsdienst meer. De huidige Servische staatsveiligheidsdienst ressorteert als een departement onder het Servische Ministerie van Binnenlandse Zaken (MUP). Onder het regime-Milosevic is de Servische staatsveiligheidsdienst, evenals de Servische politie, geleidelijk omgevormd tot een belangrijk instrument en steunpilaar van dat regime. Eind 1998 werd het hoofd van de Servische staatsveiligheidsdienst, Jovica Stanisic, ontslagen en vervangen door Rade Markovic, een vertrouweling van Milosevic.

Speciale troepen van de veiligheidsdienst, bestaande uit 450 à 600 goed getrainde elitesoldaten, hebben in 1999 deelgenomen aan de gewelddadigheden tegen de etnisch Albanese bevolking van Kosovo. Thans wordt in brede kring geloofd dat de SDB tevens verantwoordelijk was voor ten minste enkele van de moorden en moordaanslagen op personen uit het Joegoslavische zakenleven, het criminele circuit en de politiek die zich in de laatste anderhalf jaar van het regime-Milosevic hebben voorgedaan. Eind februari 2001 is voormalig hoofd Markovic gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij een vermeende aanslag op SPO-leider Draskovic in oktober 1999.

Aangezien de Servische staatsveiligheidsdienst ressorteert onder het Servische Ministerie van Binnenlandse Zaken, kon met de 'zuivering' van deze dienst eerst een aanvang worden gemaakt na het aantreden van de nieuwe Servische regering. Nadat Rade Markovic op 25 januari 2001 zijn ontslag had genomen, heeft de nieuwe regering Goran Petrovic benoemd tot diens opvolger. Deze heeft inmiddels aangekondigd zijn dienst niet langer telefoongesprekken te laten afluisteren. De top van de staatsveiligheidsdienst is inmiddels gereorganiseerd.

De totale mankracht van de Joegoslavische strijdkrachten (VJ; Vojska Jugoslavije) bedraagt circa 108.700 man (85.000 bij de landmacht, 16.700 bij de luchtmacht en 7.000 bij de marine). Onder hen bevinden zich ongeveer 35.000 dienstplichtigen. Naast de actieve strijdkrachten hebben de Joegoslavische strijdkrachten de beschikking over ongeveer 400.000 reservisten.

De landmacht bestaat uit drie legers en zeven legerkorpsen. Het Eerste Leger is gelegerd in Midden-Servië en de Vojvodina (hoofdkwartier te Belgrado), het Tweede Leger in Montenegro en West-Servië (hoofdkwartier te Podgorica). Het Derde Leger (hoofdkwartier te Nis) was gelegerd in Zuidoost-Servië en Kosovo, maar heeft zich in juni 1999 uit Kosovo teruggetrokken. De vertrokken eenheden uit Kosovo zijn nu gelegerd in plaatsen vlak over de provinciale grens. De luchtmacht bestaat uit een korps met hoofdkwartier in Zemun. De relatief kleine marine heeft bases in de Montenegrijnse plaatsen Kumbor, Tivat en Bar.

Tijdens het regime-Milosevic konden de Joegoslavische strijdkrachten geruime tijd beschouwd worden als niet onvoorwaardelijk loyaal aan de president van de FRJ. Hierin kwam eind 1998 verandering, toen de chef-staf van de strijdkrachten (Perisic) evenals de bevelhebber van de luchtmacht (Velickovic) door Milosevic uit hun ambt werden ontheven en vervangen werden door vertrouwelingen van Milosevic.

De Joegoslavische strijdkrachten zijn vervolgens, naast de onder het Servische Ministerie van Binnenlandse Zaken (MUP) ressorterende politie- en veiligheidstroepen, betrokken geweest bij de gewelddadige acties tegen de etnisch Albanese bevolking in Kosovo die zich tijdens het Kosovo-conflict hebben voorgedaan. Hierbij zijn zowel beroepsmilitairen als dienstplichtigen ingezet. Dragoljub Ojdanic, de toenmalige chef-staf van de Joegoslavische strijdkrachten, is op 22 mei 1999 door het Joegoslavië-tribunaal aangeklaagd op grond van misdaden tegen de mensheid en schendingen van het oorlogsrecht gedurende het Kosovo-conflict.

Tijdens de volksopstand van oktober 2000 weigerde het leger in te grijpen. Mede hierdoor zag Milosevic zich uiteindelijk genoodzaakt de overwinning van DOS-kandidaat Kostunica te erkennen. De functie van chef-staf van de Joegoslavische strijdkrachten wordt vooralsnog door dezelfde persoon (generaal Pavkovic) bekleed als voorafgaand aan de val van het regime-Milosevic.

Het hoogste defensie-overlegorgaan van de FRJ, dat uit de presidenten van de FRJ, Servië en Montenegro bestaat en in de laatste jaren van het regime-Milosevic niet bijeen was gekomen, is na het aantreden van de nieuwe federale en Servische regeringen nieuw leven ingeblazen. In één van de eerste bijeenkomsten is op verzoek van de Montenegrijnse president Djukanovic besloten het zevende bataljon van de Joegoslavische strijdkrachten, dat in Montenegro gelegerd was en naar verluidt zeer nauw aan Milosevic gelieerd was, te ontbinden.

2.5 Sociaal-economische situatie


De sociaal-economische situatie in de FRJ is als gevolg van jaren van economisch wanbeleid en gewapende conflicten, in combinatie met door de internationale gemeenschap opgelegde sancties, slecht. In 1999 is het nationaal inkomen van de FRJ - mede ten gevolge van de NAVO-luchtaanvallen en de daarbij veroorzaakte schade aan infrastructuur en productiefaciliteiten - met ruim 23 procent gedaald. Gemeten naar inkomen per hoofd van de bevolking was de FRJ in dat jaar het op twee na armste land van Zuid-Oost Europa (na Moldavië en Albanië). Ofschoon de economische groei in 2000 alweer circa 6 procent bedroeg, kwam het in dat jaar behaalde bruto binnenlands product (BBP) van Servië en Montenegro overeen met slechts 40 respectievelijk 53 procent van het BBP van deze deelrepublieken in 1989 (vóór het uiteenvallen van de SFRJ).

De werkloosheid in de FRJ is in de afgelopen jaren dramatisch toegenomen; gemeten volgens internationale normen bedraagt deze thans circa 30 procent. Ongeveer 12 procent van de inwoners van Servië en Montenegro leeft in absolute armoede. Dit percentage is een verdubbeling ten opzichte van 1990. Nog eens 20 procent van de Joegoslavische bevolking leeft in omstandigheden die grenzen aan armoede. Onder werklozen, bejaarden, gehandicapten, families met veel kinderen en/of slechts één ouder, alsmede vluchtelingen en ontheemden komt armoede het meeste voor.

De nieuwe Joegoslavische en Servische regeringen hebben zich ten doel gesteld de financiële stabiliteit op korte termijn te herstellen en de huidige economie, die gekenmerkt wordt door een groot aantal verliesmakende staatsbedrijven, geleidelijk om te vormen tot een markteconomie. Het streven is de kwetsbare groepen in de maatschappij tegelijkertijd te beschermen tegen de nadelige sociaal-economische gevolgen die een dergelijk beleid op de korte termijn kan hebben. (Het stelsel van sociale zekerheid, dat in de tijd van de SFRJ goed ontwikkeld was, stond onder Milosevic op instorten). Voor het overbruggen van deze initiële crisis is de FRJ door de internationale financiële instellingen inmiddels hulp geboden.

De meeste sanctiemaatregelen van de internationale gemeenschap waaraan de FRJ onder Milosevic onderworpen was, zijn vrij snel na het aantreden van president Kostunica opgeheven. Slechts voor een beperkt aantal personen verbonden aan het voormalige regime-Milosevic zijn visumrestricties en bevriezingen van banktegoeden nog van kracht. Ook het VN-wapenembargo is nog niet opgeheven.

De sociaal-economische situatie in Montenegro verschilt niet wezenlijk van die in Servië.

2.6 Samenvatting


De Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) bestaat uit de deelrepublieken Servië en Montenegro. Servië is in inwonertal en oppervlakte aanzienlijk groter dan Montenegro. Zowel de FRJ als de afzonderlijke deelrepublieken Servië en Montenegro hebben een eigen grondwet, parlement, president en regering.

Na tien jaar de dienst te hebben uitgemaakt in Servië, waarvan de laatste jaren als president van de FRJ, heeft Slobodan Milosevic in oktober 2000 plaats moeten maken voor de oppositie. Dit gebeurde eerst na een ware volksopstand in Servië, nadat duidelijk was geworden dat het regime-Milosevic trachtte de uitslagen van in september 2000 gehouden federale parlements- en presidentsverkiezingen te manipuleren.

De verkiezingen werden gewonnen door de Democratische Oppositie van Servië (DOS), wier presidentskandidaat, Vojislav Kostunica, uiteindelijk op 7 oktober 2000 kon worden beëdigd als president. In december 2000 heeft de DOS vervolgens ook de Servische parlementsverkiezingen gewonnen. Hiermee bestaan thans zowel de federale regering (grotendeels) als de gehele Servische regering uit voormalige opposanten van het regime-Milosevic. Beide regeringen hebben zich gecommitteerd aan ambitieuze hervormingsprogramma's, en zijn thans doende deze uit te voeren.

Milosevic zelf is in april 2001 door de Joegoslavische/Servische autoriteiten gearresteerd (op verdenking van corruptie en machtsmisbruik) en is uiteindelijk op 28 juni 2001 door de Servische regering uitgeleverd aan het Joegoslavië-tribunaal, dat hem in mei 1999 heeft aangeklaagd. Dit laatste heeft op federaal niveau een regeringscrisis veroorzaakt.

De deelrepubliek Montenegro is, sinds het aantreden (in januari 1998) van haar huidige president, Djukanovic, binnen de FRJ een steeds onafhankelijker koers gaan varen. In de praktijk profileert de Montenegrijnse regering zich als de regering van een soevereine staat. De regering is voornemens binnen afzienbare tijd een referendum te organiseren over de onafhankelijkheid van Montenegro.

De veiligheidssituatie in de FRJ geeft thans niet langer reden tot zorgen. In het aan Kosovo grenzende deel van Zuid-Servië (de zogenaamde 'Presevo-vallei'), waar veel etnische Albanezen woonachtig zijn, is van medio 1999 tot eind mei 2001 weliswaar regelmatig sprake geweest van gewelddadige incidenten tussen enerzijds leden van de etnisch Albanese rebellenbeweging UÇPMB en anderzijds de Servische politie, doch sinds eind mei 2001 hebben zich in het gebied geen ernstige incidenten meer voorgedaan.

De sociaal-economische situatie in de FRJ is als gevolg van jaren van economisch wanbeleid en gewapende conflicten, in combinatie met door de internationale gemeenschap opgelegde sancties, slecht. De werkloosheid in de FRJ is in de afgelopen jaren dramatisch toegenomen. Ongeveer 12 procent van de inwoners van Servië en Montenegro leeft in absolute armoede. De nieuwe Joegoslavische en Servische regeringen hebben zich ten doel gesteld de financiële stabiliteit op korte termijn te herstellen en de huidige economie, die gekenmerkt wordt door een groot aantal verliesmakende staatsbedrijven, geleidelijk om te vormen tot een markteconomie.

3 Mensenrechten



3.1 Waarborgen

Zowel in de grondwet van de FRJ als in de grondwetten van de deelrepublieken Servië en Montenegro is een afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan mensenrechten en fundamentele vrijheden. De in deze hoofdstukken opgenomen bepalingen zijn over het algemeen in overeenstemming met de internationale normen terzake (inclusief de bepalingen inzake opschorting van bepaalde mensenrechten gedurende de staat van oorlog).

De grondwet van de FRJ voorziet niet alleen in de burger- en politieke rechten maar ook in economische, sociale en culturele rechten zoals het recht op arbeid, het recht op sociale zekerheid en gezondheidszorg en het recht op onderwijs. Artikel 10 van de FRJ-grondwet bepaalt dat de FRJ de in het internationale recht erkende rechten en vrijheden zal erkennen en garanderen.

Het feit dat de Servische grondwet niet is geformuleerd als zijnde ondergeschikt aan de grondwet van de FRJ (zie 2.2.2), biedt ook ten aanzien van de bepalingen over mensenrechten in geval van conflict geen uitsluitsel over welke grondwet prevaleert. Zo voorziet naast de Federale grondwet ook de Servische grondwet in de opschorting van mensenrechten gedurende de staat van oorlog. Dit is opmerkelijk, aangezien het afkondigen van de staat van oorlog, de staat van onmiddellijke oorlogsdreiging of de noodtoestand volgens de grondwet van de FRJ uitsluitend is voorbehouden aan de Federale Assemblee of de federale regering. Dergelijke afbakeningsproblemen doen zich overigens niet voor tussen de Federale grondwet en de Montenegrijnse grondwet. In de laatste is vastgelegd dat Montenegro een deel vormt van de FRJ (zie 2.2.3).

De rechten van minderheden zijn in de federale en Montenegrijnse grondwet expliciet vastgelegd in afzonderlijke artikelen; in de Servische grondwet komen deze rechten verspreid over de meer algemene mensenrechtenbepalingen aan bod. De grondwet van de FRJ spreekt over 'nationale minderheden' en geeft hen het recht op 'het behoud, de ontwikkeling en de uiting van hun etnische, culturele, taalkundige en andere afzonderlijke eigenschappen' alsmede het recht op 'het gebruik van hun nationale symbolen'. De Montenegrijnse grondwet, die over 'nationale minderheden' en 'etnische groepen' spreekt, kent een soortgelijke bepaling. De Servische grondwet noemt het bestaan van 'nationaliteiten'en garandeert de 'nationale (..) rechten van mensen en burgers'. Overigens is een nieuwe federale wet inzake minderheden thans in voorbereiding (zie 3.4.1).

Op het gebied van mensen- en minderhedenrechten verwijzen de grondwetten van de FRJ en van Servië en Montenegro relatief vaak naar gewone wetgeving voor de nadere invulling van de omschreven mensenrechten. Deze gewone wetgeving is met name in Servië doorgaans restrictiever, ofschoon sinds het aantreden van de nieuwe Joegoslavische en Servische regeringen enkele repressieve dan wel discriminatoire wetten inmiddels zijn afgeschaft.

De door de voormalige SFRJ geratificeerde internationale mensenrechtenverdragen zijn bindend voor de FRJ. Het betreft onder meer de volgende verdragen:


- het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (het zogenaamde BuPo-verdrag);


- het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten;


- het Internationale Verdrag inzake de Uitbanning van Alle Vormen van Rassendiscriminatie;


- het Verdrag inzake de Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen;


- het Verdrag inzake de Politieke Rechten van Vrouwen;

- het Verdrag inzake de Rechten van het Kind;


- het Verdrag inzake de Voorkoming en Bestraffing van Genocide;

- het Verdrag tegen Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing;


- het Verdrag inzake de Status van Staatlozen;

- het Verdrag inzake de Status van Vluchtelingen (inclusief het Protocol inzake de Status van Vluchtelingen).

Voorts heeft de FRJ op 19 december 2000 het Statuut van het Internationale Strafgerechtshof ondertekend.

De FRJ is vooralsnog geen lid van de Raad van Europa (zie 3.2), en dus ook geen partij bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM).

De nieuwe regering van de FRJ erkent het (door de Verenigde Naties ingestelde) Joegoslavië-tribunaal, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat uitlevering aan het tribunaal van verdachten met de Joegoslavische nationaliteit eerst mogelijk was na een aanpassing van de binnenlandse wetgeving terzake. Dit standpunt maakte daadwerkelijke uitlevering van Joegoslavische verdachten (waaronder Milosevic) aan het tribunaal lange tijd niet mogelijk. Uiteindelijk heeft de Servische regering daarop het besluit genomen om Milosevic uit te leveren aan het Joegoslavië-tribunaal, hetgeen op 28 juni 2001 is geschied.

3.2 Toezicht


De grondwetten van de FRJ, Servië en Montenegro voorzien niet in de instelling van een Ombudsman die toezicht dient te houden op naleving door de overheid van bepaalde aan de burgers toegekende rechten. Wel voorziet de Montenegrijnse grondwet (als enige) in een speciale Raad voor de Bescherming van de Rechten van Leden van Nationale en Etnische Groepen. Dit is overigens een politiek orgaan, voorgezeten door de president van Montenegro en met vertegenwoordigers van minderheidsgroeperingen als leden.

In de gehele FRJ zijn talrijke advocatenkantoren en niet-gouvernementele organisaties actief, die rechtshulp bieden aan personen wier mensenrechten zijn geschonden en/of regelmatig rapporteren en publiceren over (bepaalde aspecten van) de mensenrechtensituatie in de FRJ.

Het bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN, Mary Robinson, beschikt over een kantoor in Belgrado en twee bijkantoren in Podgorica (Montenegro) en Pristina (Kosovo). De speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in voormalig Joegoslavië, Jiri Dienstbier, onderneemt regelmatig missies naar de FRJ en brengt daarover verslag uit. Zowel de Servische als de Montenegrijnse autoriteiten verlenen aan dergelijke missies hun medewerking.

De FRJ is sinds 10 november 2000 (weer) lid van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). De Permanente Raad van de OVSE besloot vervolgens op 11 januari 2001 een vertegenwoordiging in de FRJ te openen, met hoofdkwartier in Belgrado. Dit kantoor is sinds maart 2001 operationeel. Het biedt bijstand en expertise op het gebied van mensenrechten en democratisering aan zowel de Joegoslavische autoriteiten (op alle niveaus) als belanghebbende individuen, groepen en organisaties. Naast het kantoor in Belgrado beschikt de OVSE reeds enige tijd over een kantoor in Montenegro en in Kosovo (op grond van
VN-veiligheidsraadsresolutie 1244).

De FRJ is vooralsnog geen lid van de Raad van Europa, maar is sinds 22 januari 2001 'speciale gast' van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa. Recentelijk (maart 2001) opende de Raad van Europa dan ook een kantoor in Belgrado. Naast dit kantoor beschikt de Raad van Europa reeds enige tijd over een kantoor in Montenegro (sinds juni 2000) en in Kosovo.

De Europese Unie beschikt over een monitoringsmissie in de westelijke Balkan, EUMM (European Union Monitoring Mission) geheten. Deze missie, die dagelijks aan de EU-hoofdsteden rapporteert, opereert sinds december 2000 in Servië. In Kosovo en Montenegro is EUMM al langere tijd aanwezig.

3.3 Naleving en schendingen


De vrijheid van meningsuiting wordt zowel in de grondwet van de FRJ (artikel 35) als in die van Servië (artikel 45) en Montenegro (artikel 34 lid 2) expliciet gewaarborgd. Daarnaast is ook de persvrijheid in deze grondwetten expliciet gewaarborgd. De situatie van de media in Servië en Montenegro wordt hieronder afzonderlijk toegelicht.

Onder het regime-Milosevic stond de persvrijheid in Servië onder grote druk. De onafhankelijke kranten, tijdschriften en televisie- en radiostations konden naar willekeur onderworpen worden aan een variëteit aan belemmeringen. De basis voor vele van deze belemmeringen vormde de Servische Wet op Publieke Informatie, die op 20 oktober 1998 door het Servische parlement was aangenomen.

De Wet op Publieke Informatie verbood (onder andere) de publicatie van informatie die opriep tot de omverwerping van de constitutionele orde, de territoriale integriteit van de Republiek Servië en de Federale Republiek Joegoslavië in gevaar bracht, dan wel aanzette tot nationale, raciale of godsdienstige intolerantie of haat. Ook verbood de wet de verspreiding van valse informatie met de bedoeling onrust te zaaien.

Ofschoon de meeste van bovengenoemde daden reeds als misdrijf zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, werden zij in de Wet op Publieke Informatie beschouwd als overtreding. Hierdoor konden aanklachten met betrekking tot de Wet op Publieke Informatie worden behandeld door kantongerechten. Bij deze instanties zijn geen echte rechters werkzaam, maar door de overheid voor een beperkte ambtsperiode benoemde ambtenaren.

De kantongerechten gingen onder de Wet op Publieke Informatie volgens een versnelde procedure te werk. Hierdoor kregen aangeklaagden nauwelijks tijd om hun verdediging voor te bereiden. De kantonrechters konden hoge boetes opleggen aan de media (of de verantwoordelijken/eigenaren ervan), oplopend tot het equivalent van circa 120.000 gulden, die binnen 24 uur betaald dienden te zijn - ook indien men in beroep ging. Indien niet binnen deze termijn werd voldaan aan de opgelegde boete, kon de rechtbank inbeslagname van de bedrijfsmiddelen eisen.

Bij de geschreven pers hebben de hoge geldboetes die op grond van de Wet op Publieke Informatie onder het regime-Milosevic zijn opgelegd, geleid tot definitieve sluiting van een aantal onafhankelijke kranten en tijdschriften. Daarnaast heeft de Wet op Publieke Informatie geleid tot een grote mate van zelfcensuur bij de geschreven pers.

Op 14 februari 2001 heeft het nieuwe Servische parlement wetgeving aangenomen die de repressieve elementen van de Wet op Publieke Informatie afschaft. Enkele meer neutrale onderdelen van de wet blijven voorlopig gehandhaafd, totdat een nieuwe Wet inzake Informatie van kracht is. Overigens werd de wet in de praktijk sinds de machtswisseling van 5 oktober 2000 al niet meer toegepast.

Ook is kort na het aantreden van de nieuwe FRJ-president Kostunica de Servische journalist Miroslav Filipovic vrijgelaten. Filipovic werd in mei 2000 gearresteerd, en in juli 2000 door de militaire rechtbank te Nis tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens spionage en het verspreiden van onjuiste informatie. Filipovic had artikelen op het internet geplaatst waarin gevoelige informatie over de Joegoslavische strijdkrachten werd gegeven. Op 10 oktober 2000 is het vonnis van de militaire rechtbank door het Federale Hooggerechtshof herzien en is Filipovic vrijgelaten.

Op grond van het bovenstaande kan gesteld worden dat de situatie van de Servische media aanmerkelijk is verbeterd. Van enige belemmering van staatswege van de journalistieke vrijheid is thans niet langer sprake. Wel zijn vrijwel alle media (inclusief de staatsmedia) nu pro-DOS en in die zin vaak weinig kritisch.

De Montenegrijnse kranten, tijdschriften, radio- en televisiezenders staan vrijwel alle onder invloed van een politieke partij. Dit is meestal een regeringspartij, maar sommige media staan onder de invloed van een oppositiepartij. De Montenegrijnse burger kan zich op de hoogte stellen van de uiteenlopende standpunten van de beide 'kampen' in de Montenegrijnse politiek. Van enige belemmering van de 'oppositionele' Montenegrijnse media van de zijde van de Montenegrijnse regering is geen sprake. Daarnaast kunnen Servische kranten en tijdschriften vrij gekocht worden in Montenegro, en zijn Servische radio- en televisiezenders in Montenegro te ontvangen.

Een interessante ontwikkeling in de aanloop naar de Montenegrijnse parlementsverkiezingen van 22 april 2001 was de gezamenlijke oprichting door alle Montenegrijnse politieke partijen van de televisiezender TV Parlement, die dagelijks permanent politiek nieuws uitzendt. De zender functioneert sinds 13 maart 2001, tot dusverre tot tevredenheid van alle betrokken partijen.

Onder Milosevic is de autonomie van de publieke universiteiten in Servië zo goed als afgeschaft, toen het Servische parlement op 26 mei 1998 een nieuwe Universiteitswet aannam die de universiteiten onder de directe controle van de Servische regering plaatste. Verschillende bestuurders van universiteiten en faculteiten, van wie er velen hadden deelgenomen aan de protestmarsen tegen Milosevic van 1996/97, werden vervolgens door de Servische regering ongeschikt bevonden en vervangen door personen die gelieerd waren aan het regime.

De wet bepaalde onder meer dat alle hoogleraren en ander onderwijzend personeel nieuwe arbeidscontracten dienden te tekenen binnen 60 dagen na het in werking treden van de wet. In totaal weigerden circa 150 hoogleraren en ander onderwijzend personeel dit te doen, mede omdat het openbreken van het lopende contract en het tekenen van een nieuw contract gezien kon worden als een legitimering van de nieuwe wet. Tientallen van hen werden daarop ontslagen of geschorst.

Vrijwel onmiddellijk na het aantreden van Kostunica als nieuwe president van de FRJ, in oktober 2000, is de situatie aan de Servische universiteiten drastisch gewijzigd. De Servische minister voor hoger onderwijs, alsmede een groot aantal door het regime-Milosevic benoemde rectoren en dekanen hebben in het licht van de drastisch gewijzigde politieke situatie in oktober 2000 hun ontslag ingediend. Voorts zijn vele leden van het onderwijzend en onderzoekend personeel die tijdens het regime-Milosevic waren ontslagen, uitgenodigd - al dan niet door nieuw benoemde rectoren en dekanen - om weer voor de universiteit te komen werken.

Op grond van het bovenstaande kan gesteld worden dat, ofschoon de repressieve Servische Universiteitswet nog immer van kracht is, de situatie aan de Servische universiteiten grotendeels is genormaliseerd. Een nieuwe wet inzake de Servische universiteiten wordt thans door de nieuwe Servische regering voorbereid.

De 'vrijheid van politieke, vakbonds- en andere vormen van vereniging en actie' is zowel in de grondwet van de FRJ als in die van Servië en Montenegro vastgelegd. De vrijheid van politieke vereniging in de huidige FRJ bestaat overigens slechts sinds 1990; in dat jaar stapte de toenmalige SFRJ over van een eenpartijstelsel op een meerpartijenstelsel.

In aparte wetgeving is de vrijheid van vereniging als volgt nader uitgewerkt:


- voor politieke partijen en vakbonden die op het gehele grondgebied van de FRJ opereren geldt de federale Wet inzake de Vereniging van Burgers in Verenigingen, Sociale Organisaties en Politieke Organisaties (een SFRJ-wet uit 1990);


- voor organisaties en verenigingen die slechts in Montenegro actief zijn geldt de Montenegrijnse Wet inzake de Vereniging van Burgers uit 1990;


- voor organisaties en verenigingen die slechts in Servië actief zijn geldt de Servische Wet inzake Sociale Organisaties en Burgerverenigingen uit 1982 en de Servische Wet inzake Politieke Organisaties uit 1990.

De FRJ-grondwet kent het recht op lidmaatschap van vakbonden of politieke partijen niet toe aan beroepsmilitairen van de Joegoslavische strijdkrachten en leden van de Joegoslavische politie. Men beroept zich hierbij op het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, dat staten machtigt om de vrijheid van vereniging voor deze groepen te beperken. Voorts mogen rechters van het federale constitutionele hof, rechters van de federale rechtbank en federale openbare aanklagers geen lid worden van politieke partijen.

Het recht op vereniging wordt in de praktijk nageleefd. Er zijn geen verboden politieke partijen in Servië of Montenegro, noch is dit tijdens het regime-Milosevic het geval geweest. Wel weigerde het federale Ministerie van Justitie onder Milosevic tot tweemaal toe (in mei respectievelijk juni 2000) om de vreedzame politieke protestbeweging Otpor ('Verzet'), die in oktober 1998 door studenten was opgericht en wier ledenaantal in de loop van 2000 explosief was gegroeid, door registratie als 'Vereniging van Burgers' te erkennen. Deze beslissingen zijn in december 2000 door het federale gerechtshof ongeldig verklaard.

Het recht op vrijheid van vreedzame vergadering is in de grondwetten van de FRJ en Servië en Montenegro vastgelegd. In aparte wetgeving wordt dit recht zowel in Servië (Servische Wet inzake Openbare Vergaderingen van Burgers) als in Montenegro (Wet inzake Openbare Bijeenkomsten) nader uitgewerkt. Voor demonstraties hoeft geen toestemming te worden gevraagd, maar deze dienen wel bij de autoriteiten te worden aangemeld.

De FRJ-grondwet en die van Montenegro voorzien beide in tijdelijke beperking van het recht op vreedzame vergadering, indien dit nodig wordt geacht om het algemene welzijn en de zeden, alsmede personen en eigendommen, te beschermen. Deze gronden zijn in overeenstemming met de internationale standaarden terzake. De Servische grondwet voorziet - afgezien van bovengenoemde beperkingen - tevens in een tijdelijke beperking van het recht op vreedzame vergadering op grond van 'het voorkomen van het verstoren van het openbare verkeer'. Deze laatste bepaling biedt de mogelijkheid voor misbruik van het recht op vreedzame vergadering.

Tijdens het regime-Milosevic verboden of verhinderden de Joegoslavische en Servische autoriteiten in de praktijk soms demonstraties waarvan zij vonden dat deze een gevaar vormden voor het regime. Zo konden bussen met demonstranten, voordat de plaats van bestemming was bereikt, worden tegengehouden om aan een 'technische inspectie' te worden onderworpen. Daarnaast trad met name de Servische oproerpolitie soms hardhandig op tegen demonstranten.

Sinds het aantreden van de nieuwe federale regering hebben zich in Servië geen schendingen van de vrijheid van vergadering voorgedaan. Demonstraties waarin steun wordt betuigd aan ex-president Milosevic, dan wel aan personen verbonden aan diens regime, zijn geoorloofd en vinden regelmatig plaats.

In de FRJ bestaan vele godsdiensten naast elkaar, waaronder het orthodoxe christendom (doorgaans beleden door Serviërs en Montenegrijnen), het katholicisme (etnische Kroaten, Slovenen en Hongaren), het protestantisme (etnische Hongaren) en de islam (etnische Albanezen en Slavische Moslims).

Zowel de grondwet van de FRJ als die van Servië en Montenegro voorzien in vrijheid van godsdienst. Het geloven, het uiting geven aan dat geloof en het uitvoeren van religieuze handelingen wordt in deze grondwetten gegarandeerd. Ook heeft niemand de verplichting om zijn of haar godsdienstige overtuiging bekend te maken. Voorts zijn religieuze gemeenschappen vrij om hun geloof uit te oefenen en hun zaken te beheren zoals zij dat willen. Zij kunnen religieuze scholen en charitatieve organisaties oprichten. De staat kan materiële hulp bieden aan religieuze gemeenschappen.

Het recht op vrijheid van godsdienst wordt nageleefd in de gehele FRJ.

Wel biedt de huidige wetgeving ten aanzien van de militaire dienstplicht in de FRJ volgens lokale mensenrechtenorganisaties (waaronder de in Belgrado gevestigde NGO Yugoslav Lawyers' Committee for Human Rights) onvoldoende mogelijkheden voor personen die - al dan niet op grond van hun geloofsovertuiging - gewetensbezwaren hebben en een alternatieve dienstplicht willen vervullen. De Wet inzake de Joegoslavische Strijdkrachten voorziet namelijk in het recht op het aanvragen van een alternatieve dienst op grond van gewetensbezwaren, maar beperkt dit recht tot oproepbaar dienstplichtigen die worden opgeroepen voor de rekrutering (dit gebeurt in het kalenderjaar waarin de leeftijd van 18 jaar wordt bereikt). Personen die in een later stadium gewetensbezwaren krijgen, kunnen derhalve geen alternatieve dienst aanvragen. Bovendien bedraagt de duur van de alternatieve eerste oefening 24 maanden, hetgeen twee keer zo lang is als de duur van de reguliere eerste oefening. Yugoslav Lawyers' Committee for Human Rights voert thans campagne om de bepalingen aangaande de alternatieve dienstplicht in de wet te veranderen.

De grondwetten van de FRJ, Servië en Montenegro garanderen alle de bewegingsvrijheid in termen die grote overeenkomst vertonen met de terzake relevante bepaling (artikel 12) van het BuPo-verdrag. In de praktijk kende de FRJ (met name Servië) echter tijdens het regime-Milosevic enkele restricties op de bewegingsvrijheid, zowel binnen het land zelf als vis-à-vis het buitenland. De huidige situatie wordt hieronder toegelicht.

De FRJ bestaat thans feitelijk uit drie gebieden met een andere gezagsstructuur: Servië, Montenegro en Kosovo. Mede in verband met de verschillende douaneregimes die in deze drie gebieden van kracht zijn, vinden aan de grenzen tussen deze gebieden controles plaats door KFOR (in Kosovo), de Montenegrijnse politie en de Servische politie. Hierbij kunnen documenten alsmede bezittingen worden onderzocht. Personen die hun identiteit kunnen aantonen en niets ongeoorloofds vervoeren mogen echter hun weg vervolgen. Ofschoon dit ook ten tijde van het regime-Milosevic over het algemeen het geval was, heeft de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in voormalig Joegoslavië geconstateerd dat de bewegingsvrijheid binnen Servië, alsmede die tussen Servië en Montenegro, na de democratische omwenteling in Servië is verbeterd.

Het recht om zich te vestigen waar men wil is in Servië enigszins ingeperkt door de Wet op de Bijzondere Voorwaarden voor Transacties in Onroerende Zaken uit 1989. Deze wet stelt dat goedkeuring van het Servische Ministerie van Financiën vereist is voor transacties in onroerende zaken op het grondgebied van Servië (exclusief het 'autonome gebied' Vojvodina). Goedkeuring zal slechts gegeven worden indien de transactie niet leidt tot een 'verandering in de nationale structuur van de bevolking' of tot 'vertrek van personen behorende tot een bepaalde bevolkingsgroep respectievelijk nationaliteit'. In het recente verleden was het de Servische minderheid in Kosovo op grond van deze wet verboden om onroerend goed aan etnische Albanezen te verkopen. In Kosovo is deze wet sinds medio november 1999 niet meer van toepassing vanwege het discriminerende karakter. Elders in Servië is deze wet nog steeds van kracht, maar zal zij vermoedelijk op korte termijn worden afgeschaft. In de praktijk wordt zij overigens sinds de machtswisseling van 5 oktober 2000 niet langer uitgevoerd.

Om de FRJ op legale wijze te kunnen verlaten dient men in het bezit te zijn van een geldig paspoort. Daarnaast was men tijdens het regime-Milosevic op grond van een regeringsbesluit uit 1993 een speciale uitreisbelasting verschuldigd. Deze werd zowel geheven op personen die staatsburger waren van de FRJ als op motorvoertuigen met een Joegoslavisch kenteken die de FRJ verlieten. Op 7 november 2000 is deze belasting echter door de nieuwe federale regering afgeschaft.

Op grond van een sanctiemaatregel van de Europese Unie komt een klein aantal
- doorgaans aan het voormalige regime-Milosevic verbonden - staatsburgers van de FRJ niet in aanmerking voor een visum voor een EU-land. De Verenigde Staten hanteren een soortgelijke lijst met circa 80 FRJ-staatsburgers aan wie geen visum mag worden afgegeven.

De Servische en Montenegrijnse grondwet voorzien in een autonome en onafhankelijke rechterlijke macht. Daarnaast onderschrijven beide grondwetten, alsmede de grondwet van de FRJ, het principe van de scheiding der machten. In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de rechtsgang in de praktijk in achtereenvolgens Servië en Montenegro.

In de praktijk is de rechtsprekende macht in Servië gedurende het regime-Milosevic geleidelijk ondergeschikt gemaakt aan de uitvoerende macht. Met name door rechtbankpresidenten te laten benoemen die loyaal waren aan zijn regime, wist Milosevic te bewerkstelligen dat rechtbanken in politiek gevoelige zaken hoogst zelden uitspraken deden die conflicteerden met de belangen van zijn regime. Aldus werd het recht op een eerlijk proces veelvuldig geschonden.

In zaken die gerelateerd waren aan de vrijheid van meningsuiting in het algemeen en de persvrijheid in het bijzonder verslechterde de rechtsgang in Servië in oktober 1998 met de invoering van de Wet op Publieke Informatie. Op grond van deze wet kregen kantongerechten de bevoegdheid om kranten, tijdschriften, radio- en televisiezenders voor Joegoslavische begrippen ongekend hoge boetes op te leggen. De kantongerechten gingen hierbij volgens een versnelde procedure te werk, waardoor aangeklaagden nauwelijks de gelegenheid kregen om zich te verdedigen. Bij kantongerechten in de FRJ zijn geen echte rechters werkzaam, maar door de overheid voor een beperkte ambtsperiode benoemde ambtenaren.

In rechtszaken met een evident politieke lading (bijvoorbeeld tegen etnisch Albanese 'terroristen') konden advocaten problemen ervaren bij het verkrijgen van toegang tot hun cliënten, alsmede bij het verkrijgen van gerechtelijke uitspraken en andere documenten (waaronder bewijsmateriaal) die betrekking hadden op arrestaties. Rechters verzuimden de politie te ondervragen omtrent de gebruikte methode voor het verkrijgen van bekentenissen (het kwam soms voor dat deze eerst na mishandeling waren verkregen; zie 3.3.8). Overdreven aanklachten waren ook gemeengoed.

Eén van de meest flagrante schendingen van het recht op een eerlijk proces was de collectieve veroordeling wegens terrorisme (bij gebrek aan bewijs voor de individuele schuld van betrokkenen), in mei 2000 door de rechtbank te Nis, van een groep van 145 etnische Albanezen (de zogenaamde 'Djakovica-groep') tot straffen variërend van 7 tot 13 jaar. In totaal zijn tijdens het regime-Milosevic honderden etnische Albanezen op dubieuze gronden veroordeeld.

Rechters die zich niet wensten neer te leggen bij de hierboven geschetste politisering van de rechterlijke macht liepen het risico door het Servische parlement te worden ontslagen. Eind 1999 werden drie rechters ontslagen wegens hun bestuursfunctie bij de Vereniging van Onafhankelijke Rechters, een vereniging waarbij circa 20 procent van de Servische rechters was aangesloten, maar die door de Servische autoriteiten niet werd erkend. In juli 2000 volgde het ontslag van een rechter (Todorovic) die sympathiseerde met de politieke beweging Otpor en daar publiekelijk voor uit kwam. Dertien andere rechters, die zich publiekelijk verzetten tegen het ontslag van Todorovic, werden op 12 juli 2000 eveneens ontslagen.

De nieuwe regering van Servië heeft reeds een aantal stappen gezet om politieke getinte vonnissen en andere beslissingen van het Milosevic-regime die een eerlijke rechtsgang hinderden, ongedaan te maken. Medio februari 2001 onthief het Servische parlement verscheidene aan het regime-Milosevic verbonden rechtbankpresidenten van hun functie. (Betrokkenen blijven overigens wel werkzaam als rechters). Ook werden enkele onder Milosevic ontslagen rechters door het parlement herbenoemd; sommigen van hen zelfs tot rechtbankpresident.

Ook heeft het nieuwe Servische parlement op 14 februari 2001 wetgeving aangenomen die de repressieve elementen van de Wet op Publieke Informatie afschaft (zie 3.3.1.1). Kantongerechten zijn thans niet langer bevoegd om de media boetes op te leggen naar aanleiding van de inhoud van een artikel of een uitzending. Overigens dateerde de laatste op grond van deze wet opgelegde boete van 11 augustus 2000.

Voorts zijn vrijwel alle personen die tijdens het regime-Milosevic op dubieuze gronden zijn veroordeeld, inmiddels door de nieuwe federale en Servische regeringen op vrije voeten gesteld. Naast een groot aantal etnische Albanezen betreft het hier ook de Servische journalist Filipovic (zie 3.3.1.1). Voor meer informatie over deze vrijlatingen zij verwezen naar 3.3.7 (arrestaties en detenties).

Ten slotte bereidt de Servische regering een nieuwe wet voor die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht dient te vergroten. Vermoedelijk zal dit wetsvoorstel voorzien in benoemingen van rechters door een onafhankelijke commissie, in plaats van door het Servische parlement. Wellicht dat ook de bevoegdheden van de rechtbankpresidenten zullen worden ingeperkt.

Bovengenoemde ontwikkelingen ten spijt zal het transformatieproces in Servië naar een goed functionerende en geheel onafhankelijke rechterlijke macht nog enige tijd in beslag nemen. Zo heeft het uiterst lage betalingsniveau van rechters en aanklagers in Servië door de jaren heen geleid tot wijdverbreide corruptie van de rechterlijke macht , hetgeen niet gemakkelijk ongedaan te maken is. Daarnaast bestaat bij veel rechters, aanklagers en advocaten een gebrek aan kennis over - met name - de mensenrechten. Dit gebrek kan slechts door deelname aan trainingen worden aangevuld.

Overigens verlenen de recentelijk geopende vertegenwoordigingen van de Raad van Europa en de OVSE in de FRJ de Joegoslavische en Servische autoriteiten assistentie op het gebied van verbetering van de rechtsgang.

De rechtspraak in Montenegro was tijdens het regime-Milosevic aanzienlijk onafhankelijker (en daardoor eerlijker) dan in Servië. Nu het regime-Milosevic echter is verdwenen, is de rechtsgang in Montenegro vergelijkbaar met de nieuwe situatie in Servië. Er was (en is) in Montenego over het algemeen geen sprake van inmenging door de uitvoerende dan wel wetgevende macht. Wel kent de Montenegrijnse rechterlijke macht een achterstand in uitspraken en een tekort aan (financiële) middelen. Ook doen zich gevallen van corruptie voor. De Montenegrijnse regering is echter doende de rechterlijke macht te hervormen. Een nieuwe wet inzake de rechtbanken is in voorbereiding.

Evenals in Servië bestaat bij veel Montenegrijnse rechters, aanklagers en advocaten een gebrek aan kennis over - met name - de mensenrechten. Trainingen op dit gebied worden in Montenegro echter - in tegenstelling tot Servië - reeds geruime tijd verzorgd. Ook de vertegenwoordigingen van de Raad van Europa en de OVSE in Montenegro, die de Montenegrijnse autoriteiten terzake assistentie verlenen, zijn reeds geruime tijd in Montenegro aanwezig.

De bepalingen in de grondwetten van de FRJ, Servië en Montenegro inzake het recht op persoonlijke vrijheid, het recht op persoonlijke veiligheid en de behandeling van personen in (voorwaardelijke) detentie vertonen grote overeenkomst met de terzake relevante bepalingen (artikels 9 en 10) van het BuPo-verdrag.

Kort voor het einde van het Kosovo-conflict, in juni 1999, zijn ruim 2.000 etnisch Albanese gedetineerden door de Servische autoriteiten vanuit Kosovo overgebracht naar gevangenissen in Servië. De meesten van hen waren gearresteerd op verdenking van lidmaatschap van - dan wel steun aan - het UÇK.

Circa tweederde van deze politieke gevangenen is tijdens het regime Milosevic vrijgelaten; hetzij omdat ze hun straffen hadden uitgediend, hetzij omdat ze bij gebrek aan bewijs zijn vrijgesproken. De nieuwe federale en Servische regeringen hebben zich na hun aantreden beijverd om ook de resterende etnisch Albanese politieke gevangenen op vrije voeten te stellen. Aan een beperkt aantal van hen, waaronder de prominente activiste Flora Brovina, is inmiddels door president Kostunica gratie verleend.

Een groter aantal (circa 175) etnische Albanezen is vrijgekomen op grond van een op 26 februari 2001 door het parlement van de FRJ aangenomen amnestiewet. Deze federale amnestiewet verleent onder andere amnestie aan personen die in de periode tussen 27 april 1992 en 7 oktober 2000 misdrijven hebben begaan - dan wel verdacht worden te hebben begaan - zoals omschreven in artikelen 118 (het hinderen van de bestrijding van vijandige troepen), 124 (gewapende opstand), 133 (het aansporen tot een gewelddadige omverwerping van de constitutionele orde), 136 (vereniging teneinde vijandige activiteiten uit te voeren) en 157 (schade berokkenen aan de reputatie van de FRJ) van het Wetboek van Strafrecht van de FRJ. De federale amnestiewet is van kracht sinds 3 maart 2001 en is daadwerkelijk ten uitvoer gelegd.

Voorts is een groep van 145 etnische Albanezen die in mei 2000 door de rechtbank te Nis collectief veroordeeld was tot straffen variërend van 7 tot 13 jaar (de zogenaamde 'Djakovica-groep'; zie 3.3.6.1) op 25 april 2001 vrijgelaten, nadat het Servische hooggerechtshof het vonnis in beroep ongeldig had verklaard.

Een resterende groep van circa 250 etnische Albanezen zit vast op verdenking van - dan wel na veroordeling wegens - misdrijven die niet onder de federale amnestiewet vallen. De meesten van hen kunnen worden aangemerkt als niet-politieke gevangenen. Daarnaast zit een klein aantal etnische Albanezen vast op verdenking van terrorisme. De federale en Servische regeringen staan onder grote druk van de internationale gemeenschap (onder andere de Europese Unie en de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in voormalig Joegoslavië) om deze kleine groep etnische Albanezen vrij te laten. Naar verwachting zullen de betrokken gedetineerden binnen afzienbare tijd grotendeels vrijkomen: hetzij op basis van gratieverlening door president Kostunica, hetzij (indien men nog niet in laatste instantie veroordeeld is) door vrijspraak in hoger beroep.

Ook andere personen die activiteiten ondernamen die door het regime-Milosevic als bedreigend werden ervaren, en ten gevolge daarvan werden opgepakt voor een 'informatief gesprek' op het politiebureau of (in een enkel geval) in een politiek proces werden veroordeeld, ondervinden thans geen problemen meer van de zijde van de huidige autoriteiten. De Servische journalist Miroslav Filipovic, die in juli 2000 door de militaire rechtbank te Nis tot zeven jaar gevangenisstraf werd veroordeeld wegens spionage en het verspreiden van onjuiste informatie, is in oktober 2000 vrijgelaten nadat het vonnis van de militaire rechtbank door het Federale Hooggerechtshof was herzien (zie 3.3.1.1).

Naast het federale parlement heeft ook het Servische parlement (op 12 februari 2001) een amnestiewet aangenomen. Deze Servische amnestiewet verleent geen algehele amnestie, maar biedt een strafvermindering van 25 procent aan personen die zijn veroordeeld voor delicten zoals omschreven in Servische wetgeving (met name het Servische wetboek van Strafrecht). Het betreft hier doorgaans geen delicten met een politiek karakter. Directe aanleiding voor de introductie van deze wet vormde een grootschalige gevangenisopstand in Servië in november 2000, waarin de gedetineerden zich verzetten tegen de slechte omstandigheden in de Servische gevangenissen. De opstand eindigde op 11 november 2000, nadat het Servische Ministerie van Justitie de gedetineerden op een aantal punten tegemoet was gekomen.

Het kwam onder Milosevic voor dat personen langer dan wettelijk toegestaan in voorarrest werden gehouden. Familieleden werden niet altijd ingelicht omtrent hun arrestatie of vrijlating. De speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in voormalig Joegoslavië heeft inmiddels echter geconstateerd dat schendingen van het recht op persoonlijke veiligheid, alsmede gevallen van illegale detentie en beschuldigingen van mishandeling tijdens detentie, sinds het aantreden van de nieuwe federale regering lijken te zijn afgenomen.

Het is gelet op de geringe tijd die sinds de machtswisseling verstreken is, niet uitgesloten dat sporadisch/incidenteel nog steeds mensenrechten geschonden worden (vooral in politiehechtenis en in de strafhechtenis het recht op onschendbaarheid van de persoon).

De nieuwe federale en Servische regeringen hebben zich beijverd voor bestraffing van aan het regime-Milosevic gelieerde personen die zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen en andere misdrijven. Dit heeft geresulteerd in de arrestatie van Milosevic zelf (inmiddels uitgeleverd aan het Joegoslavië-tribunaal) en het voormalige hoofd van de Servische staatsveiligheidsdienst, Rade Markovic (op verdenking van betrokkenheid bij een vermeende aanslag op SPO-leider Draskovic in oktober 1999). Andere aan het regime-Milosevic verbonden personen worden eveneens verdacht, maar genieten vooralsnog parlementaire onschendbaarheid.

De bepalingen in de grondwetten van de FRJ en Montenegro inzake het recht op persoonlijke vrijheid, het recht op persoonlijke veiligheid en de behandeling van personen in (voorwaardelijke) detentie worden in Montenegro gerespecteerd.

Zowel de grondwet van de FRJ als die van Servië en Montenegro verbieden foltering. Daarnaast is de FRJ gebonden aan het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (waarvan artikel 7 foltering verbiedt) en het Verdrag tegen Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing, die door de SFRJ zijn geratificeerd.

Tijdens het regime-Milosevic waren er in Servië incidenteel klachten over mishandeling tijdens detentie, vooral met betrekking tot politiehechtenis (die op grond van artikel 196 van het federale Wetboek van Strafvordering maximaal 3 dagen mag duren). Dergelijke mishandelingen werden gebruikt voor het verkrijgen van bekentenissen.

De speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in voormalig Joegoslavië heeft inmiddels geconstateerd dat beschuldigingen van mishandeling tijdens detentie sinds het aantreden van de nieuwe federale regering lijken te zijn afgenomen.

Het is gelet op de geringe tijd die sinds de machtswisseling verstreken is, niet uitgesloten dat sporadisch/incidenteel nog steeds mensenrechten geschonden worden (vooral in politiehechtenis en in de strafhechtenis het recht op onschendbaarheid van de persoon).

Uit het recente verleden zijn ook gevallen van foltering door de Servische politie bekend; deze vonden meestal plaats in Kosovo. Voorzover bekend hebben zich elders in Servië recentelijk geen gevallen van foltering door de politie voorgedaan.

Voorzover bekend hebben zich in Montenegro geen gevallen van mishandeling of foltering door de politie voorgedaan.

In Kosovo hebben zich tijdens het Kosovo-conflict veelvuldig buitengerechtelijke executies en moorden voorgedaan, vermoedelijk in opdracht van het regime. Tot dusverre is slechts een klein aantal politieagenten en soldaten vervolgd voor de in deze periode begane wreedheden in Kosovo. Het overgrote deel van de daders loopt naar alle waarschijnlijkheid thans vrij rond in Servië. Elders in de FRJ hebben dergelijke praktijken zich voorafgaand en tijdens het Kosovo-conflict niet of nauwelijks voorgedaan.

Wél is in het laatste jaar van het regime-Milosevic (najaar 1999 - najaar 2000) sprake geweest van een opmerkelijke toename van het aantal moorden en moordaanslagen op personen uit het Joegoslavische zakenleven, het criminele circuit en de politiek. Het merendeel van deze gewelddadige incidenten is tot dusverre onopgelost gebleven, ofschoon de huidige federale en Servische autoriteiten het regime-Milosevic (met name de Servische staatsveiligheidsdienst SDB) verdenken van verantwoordelijkheid voor ten minste enkele van deze moorden. De arrestatie van het voormalige hoofd van de SDB, Rade Markovic, houdt hiermee verband (zie 2.4.2 en 3.3.7.1).

De speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in voormalig Joegoslavië heeft geconstateerd dat het aantal 'politieke' moorden en onvrijwillige verdwijningen in Servië en Montenegro is afgenomen sinds Milosevic is afgetreden.

De grondwetten van de FRJ, Servië en Montenegro garanderen de onschendbaarheid van het menselijke leven. De grondwet van de FRJ verbiedt dan ook het opleggen van de doodstraf voor misdrijven die onder de federale jurisdictie vallen. Niettemin voorzien de grondwetten van de deelrepublieken Servië en Montenegro in het opleggen van de doodstraf voor 'de meest ernstige vormen van zware misdrijven' die onder de jurisdictie van deze deelrepublieken vallen. In zowel het Servische als het Montenegrijnse Wetboek van Strafrecht is dan ook vastgelegd dat de doodstraf kan worden opgelegd voor moord en voor ernstige gevallen van diefstal. Ook in het federale Wetboek van Strafrecht is vastgelegd dat de doodstraf kan worden toegepast 'wanneer wetgeving van de deelrepublieken daarin voorziet'.

In de praktijk wordt de doodstraf in de FRJ al jaren niet voltrokken; de laatste keer dat de doodstraf werd uitgevoerd was in Sombor (Servië) in februari 1992. Sindsdien is de doodstraf nog wel een aantal malen opgelegd in de FRJ. In de periode 1992-1997 zijn 16 personen ter dood veroordeeld wegens moord of ernstige vormen van diefstal. In 1999 zouden zes personen ter dood zijn veroordeeld, en in 2000 drie personen. In totaal zouden zich in de FRJ thans 30 ter dood veroordeelde personen bevinden. Tot op heden is echter geen van deze vonnissen voltrokken; de betrokkenen zijn in beroep gegaan, hebben gebruik gemaakt van andere hen ter beschikking staande rechtsmiddelen of hebben om gratie gevraagd.

De Servische regering heeft na haar aantreden op 24 januari 2001 aangekondigd, het Servische Wetboek van Strafrecht in overeenstemming te brengen met de Federale grondwet en de doodstraf af te schaffen.

3.4 Positie van etnische en andere minderheden


Bijna eenderde van de bevolking van de FRJ behoort tot een etnische minderheid. Alle drie de grondwetten bevatten bepalingen aangaande de rechten van minderheden. De Montenegrijnse grondwet voorziet in de meest vergaande bescherming van minderheden, gevolgd door de Federale grondwet, terwijl de Servische grondwet iets beperkter is dienaangaande.

Van systematische en gerichte onderdrukking van etnische - en andere -

minderheden is geen sprake in Servië noch Montenegro, noch is dit tijdens het regime-Milosevic het geval geweest. Het regime-Milosevic heeft echter weinig gedaan om de implementatie van de rechten van minderheden (waaronder de instandhouding van de eigen cultuur, de vrijheid zich te vestigen waar men wil, de toegang tot het onderwijs, de vrije beroepskeuze) actief te bevorderen. Politieke partijen van etnische minderheden waren tijdens het regime-Milosevic weliswaar vertegenwoordigd in de federale en Servische parlementen, maar konden als oppositiepartijen weinig betekenen op dit gebied.

De algemene situatie van de minderheden in Servië is sinds de machtswisseling in oktober 2000 verbeterd. De federale regering telt thans een minister voor minderheden en etnische gemeenschappen, Rasim Ljajic, die zelf tot een minderheid behoort (namelijk die van de Slavische Moslims). Voorts is de etnische Hongaar Joszef Kasza vice-premier in de nieuwe Servische regering.

De nieuwe federale en Servische regeringen hebben reeds enige concrete stappen gezet om de situatie van minderheden te verbeteren. Zo is een nieuwe federale wet inzake minderheden in voorbereiding, die vermoedelijk een bepaling inzake positieve discriminatie zal bevatten. Ook zijn de gewelddadige incidenten in de Presevo-vallei tussen leden van de etnisch Albanese rebellenbeweging UÇPMB en de Servische politie- en veiligheidstroepen op vreedzame wijze beëindigd, mede dankzij de toezegging van de Servische regering enkele maatregelen te treffen die het vertrouwen van de etnisch Albanese bevolking van Servië in de staat moeten doen toenemen (zoals een groter aantal etnisch Albanese politieagenten bij de Servische politie).

Voorts zal de discriminerende Servische Wet op de Bijzondere Voorwaarden voor Transacties in Onroerende Zaken (zie 3.3.5.1) vermoedelijk op korte termijn worden afgeschaft; deze wordt in de praktijk al niet langer uitgevoerd. Ten slotte kunnen in de Vojvodina sinds 21 december 2000 tweetalige uittreksels van de burgerlijke stand worden verkregen (dit geldt slechts voor de grootste minderheidstalen).

In Montenegro is reeds enkele jaren (sinds het aantreden van president Djukanovic in 1998) sprake van een actief beleid om de positie van etnische minderheden te verbeteren. Zo kent Montenegro sinds mei 1998 een Ministerie ter Bescherming van de Rechten van Nationale Minderheden. De huidige minister, Gezim Hajdinaga, is een etnische Albanees. Ook is een aantal zetels van het Montenegrijnse parlement gereserveerd voor enkele kiesdistricten waar veel etnische Albanezen woonachtig zijn, waardoor vertegenwoordiging van deze etnische minderheid in het parlement in de praktijk is gewaarborgd.

In de hiernavolgende paragrafen zal de situatie van de belangrijkste minderheden in Servië en Montenegro separaat worden weergegeven.

Bij de census van 1991 werden in de huidige FRJ 336.025 Slavische Moslims geregistreerd. De meeste Slavische Moslims wonen in de Sandjak, een gebied dat gedeeltelijk gesitueerd is in het noorden van Montenegro en gedeeltelijk in het zuidwesten van Servië. De Sandjak bestaat niet als territoriale of administratieve eenheid binnen de FRJ. Niettemin wordt de aanduiding 'Sandjak' veelvuldig gebruikt, met name door de Moslims die daarmee het eigen historische, godsdienstige, geografische en culturele karakter van de regio benadrukken (Slavische Moslims onderscheiden zich overigens niet qua taal).

In Servië omvat de Sandjak zes gemeenten (Novi Pazar, Nova Varos, Priboj, Prijepolje, Sjenica en Tutin) en in Montenegro vijf (Bijelo Polje, Berane, Plav, Pljevlja en Rozaje). Het in Servië gelegen Novi Pazar is de 'hoofdstad' (het culturele en economische centrum) van de Sandjak. Van de inwoners van de Sandjak is iets meer dan 50 procent Moslim. In Novi Pazar, Sjenica, Tutin, Rozaje en Plav vormen Moslims de meerderheid van de bevolking.

In het Servische deel van de Sandjak zijn - naast de landelijke politieke partijen - enkele lokaal georiënteerde partijen actief, waarvan de twee belangrijkste zijn:


· De Bosniak Nationale Raad van de Sandjak (BNVS), geleid door Sulejman Ugljanin. Deze partij benadrukt de Moslim-identiteit van de Sandjak en streeft binnen het raamwerk van de FRJ naar een aparte status voor de (gehele) Sandjak, teneinde het eigen historische, godsdienstige, geografische en culturele karakter van de regio te benadrukken.


· De Sandjak-Coalitie, geleid door Rasim Ljajic. Deze partij benadrukt het multiculturele karakter van de Sandjak en wenst meer autonomie voor de regio, waarbij de grens tussen de deelrepublieken Servië en Montenegro echter dient te worden gerespecteerd. De Sandjak-coalitie is aangesloten bij de Democratische Oppositie van Servië (DOS).

Bij de federale parlementsverkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen van september 2000 vormde de Sandjak-coalitie samen met de andere bij de DOS aangesloten partijen één gemeenschappelijke lijst. De BNVS van Ugljanin vormde aanvankelijk een aparte lijst, maar trok zich in de aanloop naar de verkiezingen terug en besloot openlijk steun uit te spreken voor de DOS. Uiteindelijk behaalde de DOS zowel op landelijk als op lokaal niveau de verkiezingszege. Bij de vorming van de nieuwe federale regering, in oktober 2000, werd de leider van de Sandjak-coalitie, Rasim Ljajic, tot minister voor etnische minderheden benoemd.

De in Montenegro woonachtige Sandjak-Moslims zijn al geruime tijd niet op basis van hun Moslim-identiteit vertegenwoordigd in lokale overheden en het Montenegrijnse parlement; de meesten van hen hebben in 1997 (presidentsverkiezingen) en 1998 (parlementsverkiezingen) gestemd op de Democratische Partij der Socialisten (DPS) van de huidige president Djukanovic. Ook bij de Montenegrijnse parlementsverkiezingen van april 2001 was dit het geval. Er bestaan politieke Moslim-partijen in Montenegro, doch deze hebben zowel bij de parlementsverkiezingen van 1998 als bij die van 2001 niet genoeg stemmen behaald voor een parlementszetel.

Er is in Servië (uitgezonderd Kosovo) en Montenegro geen sprake van ernstige, specifiek op Slavische Moslims betrekking hebbende mensenrechtenschendingen. Ernstige mensenrechtenschendingen als in 1992 en 1993 (tijdens de oorlog in Bosnië-Herzegovina) vinden al geruime tijd niet meer plaats in de Sandjak. Ook tijdens het Kosovo-conflict is het niet tot ernstige schendingen gekomen in de Sandjak, ondanks de delicate etnische balans in deze regio en de geografische nabijheid tot Kosovo.

Wel is tijdens het regime-Milosevic in het Servische deel van de Sandjak de situatie ontstaan dat Moslims ondervertegenwoordigd zijn in de overheid en de semi-overheid (schoolhoofd, ziekenhuisdirecteur, directeur van een staatsbedrijf). Dit wordt echter vooral veroorzaakt door het feit dat men in geheel Servië tijdens het regime-Milosevic doorgaans slechts in aanmerking kwam voor een dergelijke functie indien men lid was van één van de Servische regeringspartijen. Van de weinige Moslims in de Sandjak die destijds aangesloten waren bij SPS en JUL, bekleedden sommigen dan ook belangrijke posities binnen de overheid.

Voorzover de Moslim-gemeenschap in Servië klachten heeft die specifiek met de Moslim-identiteit in verband te brengen zijn, betreft het vooral de status van de Slavische Moslims in de FRJ en, belangrijker nog, in Servië. In de grondwet van 1974 van de voormalige SFRJ werden de Moslims als een apart 'volk' aangeduid. De grondwet van de huidige FRJ voorziet niet in een dergelijke aparte aanduiding voor de Moslims. In deze grondwet wordt slechts gesproken over 'nationale minderheden'. De Moslims worden door de regering van de FRJ echter niet als een nationale minderheid beschouwd. Ook de Servische grondwet, die de term 'nationaliteit' gebruikt, reserveert deze aanduiding niet voor Moslims. Zoals gesteld in de inleiding is thans een nieuwe federale wet inzake minderheden in voorbereiding, die ook op de Slavische Moslims van toepassing zal zijn.

In Montenegro hebben de Moslims geen noemenswaardige klachten die betrekking hebben met hun Moslim-identiteit. De grondwet van Montenegro spreekt over nationale minderheden en etnische groepen. In 1996 is de toenmalige Montenegrijnse regering reeds overgegaan tot erkenning van de Moslims als etnische groep. Het beleid van de huidige Montenegrijnse regering, die mede door Slavische Moslims is gekozen, is er op gericht de positie van de diverse etnische minderheden te verbeteren. Montenegro kent sinds 1998 een Ministerie ter Bescherming van de Rechten van Nationale Minderheden.

Etnisch Hongaarse staatsburgers van de FRJ zijn voornamelijk woonachtig in de Vojvodina (Noord-Servië), waar zij de grootste niet-Servische etnische groep vormen. Volgens de census van 1991 waren er 339.491 Hongaren woonachtig in de Vojvodina (circa 17% van de totale bevolking van de provincie). Sinds de census van 1991 hebben echter duizenden etnische Hongaren de FRJ verlaten (voornamelijk richting Hongarije), onder meer uit angst voor inzet in gewapende conflicten maar ook om economische redenen. Thans zouden ongeveer 300.000 etnische Hongaren in de FRJ woonachtig zijn. De meeste Hongaren wonen in de gemeenten Subotica, Kanjiza, Backa Topola, Becej, Senta, Novi Sad, Zrenjanin, Ada en Sombor. In zes Servische gemeenten (Ada, Backa Topola, Becej, Kanjiza, Mali Idjos en Senta) vormen etnische Hongaren een meerderheid van de bevolking.

De Vojvodina kent een aantal etnisch Hongaarse politieke partijen (zie bijlage II). Deze streven alle meer autonomie voor de Vojvodina na. Gemeenten waar relatief veel etnische Hongaren wonen, worden doorgaans bestuurd door één van deze partijen. Ook ten tijde van het regime-Milosevic was dit reeds het geval.

De belangrijkste etnisch Hongaarse partij is de Alliantie van Vojvodina-Hongaren (SVM). Bij de federale parlementsverkiezingen van september 2000 behaalde deze partij één zetel in de Tweede Kamer van het federale parlement. Na afloop van de Servische parlementsverkiezingen van december 2000 heeft de SVM zich vervolgens aangesloten bij de Democratische Oppositie van Servië (DOS). Op grond daarvan bekleedt SVM-leider Kasza thans de functie van vice-premier van Servië.

Er is in de FRJ geen sprake van ernstige, specifiek op etnische Hongaren betrekking hebbende mensenrechtenschendingen.

Wel heeft de etnisch Hongaarse gemeenschap in de Vojvodina klachten over de uitoefening in de praktijk van de rechten die de etnische Hongaren als officieel erkende 'nationaliteit' zijn toegekend. Het gaat met name om het gebruik van het Hongaars in het onderwijs, in de media en als officiële taal in administratieve en gerechtelijke procedures. Tijdens het regime-Milosevic is van uitoefening van deze rechten door de Hongaarse minderheid weinig terecht gekomen. Met het aantreden van de nieuwe federale regering is echter reeds enige verbetering opgetreden; zo kunnen in de Vojvodina sinds 21 december 2000 tweetalige uittreksels van de burgerlijke stand worden verkregen (dit geldt slechts voor de grootste minderheidstalen).

Uit het feit dat de SVM zich in januari 2001 bij de DOS-regeringscoalitie voor Servië heeft aangesloten, mag ten slotte worden afgeleid dat deze partij het thans mogelijk acht haar doelstellingen te verwezenlijken door in de Servische regering plaats te nemen.

In Servië (uitgezonderd Kosovo) wonen duizenden etnische Albanezen. Het merendeel van hen woont in een aan Kosovo grenzend gebied in Zuid-Servië, verdeeld over de gemeenten Presevo en Bujanovac (waar etnische Albanezen een absolute meerderheid van de bevolking vormen) alsmede Medvedja. Kleinere aantallen etnische Albanezen wonen elders in Servië, met name in Belgrado en in de Vojvodina.

In 1990-1991 bedroeg het aantal in Servië woonachtige etnische Albanezen circa 72.500 tot 100.000. Dit aantal is tijdens - en in de maanden na afloop van - de Kosovo-crisis sterk gedaald. Circa 25.000 etnische Albanezen hebben in de periode maart tot november 1999 Servië verruild voor Kosovo en - in mindere mate - Macedonië. Deze uittocht van etnische Albanezen uit Servië heeft zich sindsdien voortgezet, zij het in mindere mate. Gevoelens van onveiligheid alsmede economische motieven liggen hieraan ten grondslag.

Het aantal etnische Albanezen in Belgrado bedraagt thans naar schatting
4.000 (was in 1991 circa 10.000). In de gemeente Medvedja, waar etnische Albanezen voorafgaand aan de Kosovo-crisis met 35 procent van de bevolking een belangrijke minderheid vormden, bedraagt het huidige percentage etnische Albanezen naar schatting 3 procent. Evenals voor de gemeenten Presevo en Bujanovac geldt voor Medvedja dat met name etnische Albanezen zijn vertrokken die woonachtig waren in kleine dorpjes in of nabij de gedemilitariseerde zone (zie 2.4.1).

Anders dan de etnische Albanezen in Kosovo hebben de etnische Albanezen in Servië er begin jaren negentig niet voor gekozen zich te organiseren in parallelle etnisch Albanese structuren. Zowel op het terrein van politiek als - bijvoorbeeld - onderwijs bleef men opgenomen in het Servische systeem. Onderwijs in de Albanese taal is onder bepaalde voorwaarden toegestaan, en wordt in gemeenten als Presevo en Bujanovac dan ook gegeven op lager en middelbaar schoolniveau. Er is dan ook lange tijd geen sprake geweest van noemenswaardige conflicten met de Servische autoriteiten.

Sinds de invoering van het meerpartijenstelsel in Joegoslavië in 1990 zijn de etnische Albanezen in Servië vertegenwoordigd in de Servische politiek met twee lokale politieke partijen, de Partij voor Democratische Actie (PVD in het Albanees) en de Albanese Democratische Partij (PDSh in het Albanees). Bij de gemeenteraadsverkiezingen van zowel 1996 als 2000 heeft de PVD in Presevo de overwinning behaald. De burgemeester van Presevo, Riza Halimi, is dan ook van de PVD.

Van systematische, specifiek op in Servië (exclusief Kosovo) woonachtige etnische Albanezen betrekking hebbende, ernstige mensenrechtenschendingen is nimmer sprake geweest in Servië. Wel is tijdens het regime-Milosevic de situatie ontstaan dat etnische Albanezen ondervertegenwoordigd zijn in de overheid (politie, rechterlijke macht) en de semi-overheid (schoolhoofd, ziekenhuisdirecteur, directeur van een staatsbedrijf). Het feit dat het lokale bestuur van Presevo reeds enkele jaren in handen is van de PVD heeft dit niet kunnen voorkomen.

Voorts heeft het Kosovo-conflict, dat duurde van eind februari 1998 tot medio juni 1999, zijn weerslag gehad op de verhouding tussen de etnische Albanezen in Servië en de etnisch Servische bevolking respectievelijk het Servische regime. Tijdens dit conflict hebben zich in geheel Servië - maar vooral in Zuid-Servië - enkele geïsoleerde incidenten voorgedaan waarbij in totaal circa twintig etnische Albanezen zouden zijn verwond dan wel gedood.

Sinds het einde van het Kosovo-conflict hebben zich in de gemeenten Presevo, Bujanovac en Medvedja met regelmaat gewelddadige incidenten voorgedaan tussen enerzijds de Servische politie en anderzijds leden van de etnisch Albanese gewapende groepering UÇPMB (het 'Bevrijdingsleger van Presevo, Medvedja en Bujanovac'). Dit conflict is eind mei 2001 op vreedzame wijze beëindigd (zie 2.4.1), waarbij de Servische regering heeft beloofd de UÇPMB-strijders niet te vervolgen voor hun deelname aan deze gewapende groepering. Voorzover bekend wordt deze belofte in de praktijk nageleefd.

Voorts heeft de Servische regering toegezegd maatregelen te zullen nemen om de terugkeer van ontheemde etnische Albanezen naar de regio, alsmede de integratie van etnische Albanezen in politieke, economische en sociale structuren, te bevorderen. Inmiddels is de Servische regering in samenwerking met de OVSE gestart met de vorming van multi-etnische politieteams, en worden voorbereidingen getroffen voor de instelling van een Centrum voor Multi-etnische Politietraining.

In Montenegro zijn circa 40.000 etnische Albanezen woonachtig (circa 7 procent van de Montenegrijnse bevolking); voornamelijk in de gebieden die aan Kosovo en Albanië grenzen. In districten als Ulcinj, Tivat, Plav, Podgorica en Rozaje vormen etnische Albanezen een belangrijke minderheid. Montenegro kent zowel katholieke etnische Albanezen als etnische Albanezen die de islam aanhangen.

De etnische Albanezen in Montenegro leven in cultureel en sociaal opzicht niet in een van hun Slavische medeburgers gescheiden wereld. Zij hebben dan ook nooit afscheiding van de rest van Montenegro nagestreefd. De twee in 1990 opgerichte etnisch Albanese politieke partijen in Montenegro, de Democratische Bond in Montenegro (LDMZ) en de Democratische Unie van Albanezen (UDSh), hebben beide deelgenomen aan de eerste vrije verkiezingen in Montenegro in december 1990 en aan de gemeenteraadsverkiezingen van november 1996. Bij laatstgenoemde verkiezingen wonnen zij het merendeel van de zetels in de gemeente Ulcinj, won LDMZ zetels in Tivat en UDSh in Podgorica.

De Montenegrijnse kieswet reserveert vijf zetels in het Montenegrijnse parlement voor de kiesdistricten waar etnische Albanezen een meerderheid vormen. Op basis van deze bepaling hebben de LDMZ en de UDSh bij de parlementsverkiezingen van april 2001 ieder één zetel behaald. De partijen nemen met één gezamenlijk benoemde minister (voor minderheden) deel aan de nieuwe Montenegrijnse minderheidsregering die op basis van deze verkiezingen is gevormd.

Er is geen sprake van ernstige, specifiek op etnische Albanezen in Montenegro betrekking hebbende mensenrechtenschendingen. De etnische Albanezen zijn - mede dankzij een speciale bepaling terzake in de kieswet - politiek goed vertegenwoordigd, en hebben recht op onderwijs in de eigen taal in die gebieden waar zij in de meerderheid zijn (zoals de gemeenten Ulcinj en Bar).

Sinds mei 1998 kent Montenegro een Ministerie ter Bescherming van de Rechten van Nationale Minderheden. Dit minister in kwestie is een etnische Albanees (Gezim Hajdinaga van de UDSh).

Volgens de census van 1991 waren er 143.519 Roma woonachtig in Servië en Montenegro, waarvan de overgrote meerderheid (140.237) in Servië. In Centraal-Servië woonden volgens de census 70.126 Roma; de meesten in de regio's Zuid-Morava en Nis, waar zij 4,2% respectievelijk 1,4% van de totale bevolking vormden. In Kosovo waren 45.745 Roma woonachtig en in de Vojvodina 24.366. Het werkelijke aantal Roma in de FRJ ligt vermoedelijk echter veel hoger, doordat veel Roma bij registratie een andere dan de Roma-etniciteit hebben opgegeven. Schattingen gaan uit van circa 500.000 Roma in Servië en Montenegro.

De Roma in Servië (exclusief Kosovo) en Montenegro vormen geen homogene groep. Zij kunnen worden onderverdeeld in verschillende groepen, waaronder de Arli Roma (Turkse Roma die sinds de 14e eeuw in het huidige Servië wonen, religie: islam); de Tamarski Roma (voornamelijk woonachtig in de regio Kragujevac, religie: Servisch-orthodox); de Vlahski Roma (Roemeense Roma, Servisch-orthodox); de Barat Roma (Hongaarse Roma, woonachtig in de Vojvodina, katholiek); de Banjashi, de Bulgaarse Roma, de Kalderashi en de Karavlashi. Ten noorden van de stad Nis zijn de meeste Roma christen (katholiek dan wel orthodox); ten zuiden van Nis hangen de meeste Roma de islam aan. Veel - maar niet alle - Roma spreken afgezien van het Servisch ook hun eigen Roma-dialect (met name in huiselijke kring). De diverse Roma-groepen spreken elk hun eigen dialect.

De Roma hebben in de FRJ de status van een 'etnische groep', maar zijn niet erkend als nationale minderheid.

In sociaal-economisch opzicht vormen de Roma de meest achtergestelde etnische groep van de FRJ. Veel Roma zijn werkloos en analfabeet. Zij leven niet zelden op afgezonderde locaties aan de rand van de stad of het dorp. Bij de andere bevolkingsgroepen in de FRJ (waaronder etnische Albanezen) bestaat vaak grote aversie jegens Roma.

Roma-kinderen genieten soms geen lager onderwijs (omdat ze bijvoorbeeld te ver weg wonen en er geen vervoer beschikbaar is), of maken de lagere school niet af. Een onevenredig hoog aantal Roma-kinderen wordt geplaatst op scholen voor kinderen met een geestelijke achterstand, ten gevolge van een plaatsingssysteem dat geen rekening houdt met de sociaal-economische status, culturele normen en beperkte beheersing van het Servisch van Roma-kinderen. Tachtig procent van het leerlingenbestand van dergelijke bijzondere scholen bestaat uit Roma.

De Roma zijn politiek minder goed georganiseerd dan andere etnische minderheden in de FRJ. Na de introductie van het meerpartijenstelsel zijn in de FRJ verscheidene Roma-partijen opgericht, maar hun invloed is gering. Er zijn geen Roma-partijen vertegenwoordigd in het federale of Servische parlement. De meeste Roma stemmen traditiegetrouw op de regeringspartijen omdat ze geloven dat ze beter behandeld worden door de autoriteiten als ze zich als 'loyale burgers' opstellen.

Er is geen sprake van systematische, specifiek op Roma betrekking hebbende mensenrechtenschendingen van de zijde van de federale, Servische dan wel Montenegrijnse autoriteiten. De maatschappelijke aversie jegens Roma in de FRJ is echter groot. Deze aversie kan zich manifesteren in de vorm van intimidatie en maatschappelijke discriminatie (bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt) alsmede - incidenteel - in de vorm van fysiek geweld van de zijde van zowel medeburgers (doorgaans skinheads) als de politie.

Er zijn enkele gevallen bekend van skinhead-agressie jegens Roma, die door de politie onvoldoende zouden zijn onderzocht. Andere gevallen, waarbij aan Roma lichamelijk letsel is toegebracht, hebben echter na aangifte bij de politie geleid tot strafrechtelijke vervolging van de vermeende daders. In deze zaken is evenwel door de rechter nog geen uitspraak gedaan.

Tot recentelijk ondernamen de Servische overheid noch lokale overheden concrete pogingen om de positie van de Roma in de maatschappij te verbeteren. Sinds de machtswisseling van 5 oktober 2000 lijkt hierin enige verandering te zijn gekomen. De federale minister voor etnische minderheden, Ljajic, heeft een Rom als naaste adviseur.

Voorts zijn er in de FRJ (ook al ten tijde van het regime-Milosevic) 50 à 60 maatschappelijke organisaties op dit terrein (bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs) actief; niet zelden door Roma zelf geleid. Daarnaast zijn er diverse mensenrechtenorganisaties in de FRJ die regelmatig rapporteren en publiceren over de positie van de Roma en die bereid en in staat zijn om rechtshulp te bieden aan Roma wier rechten zijn geschonden.

3.5 Positie van andere specifieke groepen


Ten tijde van de Kosovo-crisis hebben duizenden mannelijke FRJ-staatsburgers geweigerd dienst te nemen in de Joegoslavische strijdkrachten, en zijn vele anderen uit de strijdkrachten gedeserteerd. In de laatste twee jaar van het regime-Milosevic is dan ook tegen naar schatting 28.000 mannen een strafrechtelijke procedure gestart wegens dienstweigering dan wel desertie.

De nieuwe federale regering heeft vrijwel onmiddellijk na haar aantreden voorbereidingen getroffen voor een amnestiewet, die uiteindelijk op 26 februari 2001 door beide Kamers van het federale parlement is aangenomen. Deze wet verleent onder andere amnestie aan personen die in de periode tot 7 oktober 2000 (de dag dat Kostunica werd beëdigd als president van de FRJ) misdrijven tegen de strijdkrachten hebben begaan - dan wel verdacht worden te hebben begaan - zoals omschreven in artikelen 202, 214, 215, 217, 218 en 219 van het Wetboek van Strafrecht van de FRJ.

De amnestiewet, die op 3 maart 2001 van kracht is geworden, is daadwerkelijk ten uitvoer gelegd. Overigens ontslaat deze wet de personen in kwestie niet van de verplichting de militaire dienst (alsnog) te vervullen.

De huidige wetgeving ten aanzien van de militaire dienstplicht in de FRJ biedt volgens lokale mensenrechtenorganisaties (waaronder de in Belgrado gevestigde NGO Yugoslav Lawyers' Committee for Human Rights) onvoldoende mogelijkheden voor personen die - al dan niet op grond van hun geloofsovertuiging - gewetensbezwaren hebben en een alternatieve dienstplicht willen vervullen. De Wet inzake de Joegoslavische strijdkrachten voorziet namelijk in het recht op het aanvragen van een alternatieve dienst op grond van gewetensbezwaren, maar beperkt dit recht tot oproepbaar dienstplichtigen die worden opgeroepen voor de rekrutering (dit gebeurt in het kalenderjaar waarin de leeftijd van 18 jaar wordt bereikt). Personen die in een later stadium gewetensbezwaren krijgen, kunnen derhalve geen alternatieve dienst aanvragen. Bovendien bedraagt de duur van de alternatieve dienst 24 maanden, hetgeen twee keer zo lang is als de duur van de reguliere eerste oefening. Yugoslav Lawyers' Committee for Human Rights voert thans campagne om de bepalingen aangaande de alternatieve dienstplicht in de wet te veranderen.

Voor meer informatie over de militaire dienstplicht in de FRJ zij verwezen naar het thematische ambtsbericht terzake van 17 november 1999. Van dit ambtsbericht zijn de hoofdstukken 2 en 3, alsmede paragraaf 5.1 nog immer actueel.

Van discriminerende wetgeving in de FRJ ten aanzien van homoseksuelen is geen sprake. Homoseksuele handelingen met minderjarigen zijn strafbaar, maar heteroseksuele handelingen met minderjarigen zijn dat ook. De strafmaat is dezelfde. Overige homoseksuele handelingen zijn in de FRJ niet strafbaar.

Ofschoon homoseksualiteit in de Joegoslavische maatschappij beslist niet algemeen is aanvaard, ondervinden (organisaties van) homoseksuelen geen problemen van de zijde van de overheid. De in 1990 opgerichte homo-organisatie 'Arkadija' is in 1994 officieel erkend door de Servische overheid.

Naast 'Arkadija' is er een organisatie van lesbiennes, 'Labris' geheten. Afgezien van deze twee organisaties zijn er weinig of geen homo-organisaties in de FRJ. Wel bestaat er in Belgrado sinds kort een cursus Gay & Lesbian Studies, verzorgd door een aan de Universiteit van Belgrado verbonden instituut.

3.6 Samenvatting


Met het verdwijnen van het regime-Milosevic is de mensenrechtensituatie in de FRJ verbeterd. Hieronder wordt de mensenrechtensituatie in Servië en Montenegro separaat samengevat.

Sinds het aantreden van de nieuwe federale en Servische regeringen in Belgrado zijn enkele aspecten van de mensenrechtensituatie in Servië, die tijdens het regime-Milosevic uiterst zorgwekkend waren, aanmerkelijk verbeterd.

Aanmerkelijke verbetering is opgetreden in de situatie van de Servische media. Het nieuwe Servische parlement heeft de repressieve elementen van de (onder Milosevic aangenomen) Wet op Publieke Informatie afgeschaft. Van enige belemmering van staatswege van de journalistieke vrijheid is thans niet langer sprake.

Ook de situatie aan de Servische universiteiten is grotendeels genormaliseerd. Een groot aantal door het regime-Milosevic benoemde rectoren en dekanen heeft zijn ontslag ingediend, en vele docenten en onderzoekers die tijdens het regime-Milosevic waren ontslagen zijn uitgenodigd om weer voor de universiteit te komen werken. Een nieuwe wet inzake de Servische universiteiten wordt thans door de nieuwe Servische regering voorbereid. Tot die tijd is de onder Milosevic ingevoerde, repressieve Universiteitswet formeel nog immer van kracht.

Op het gebied van de rechtsgang zijn eveneens positieve ontwikkelingen waarneembaar (ofschoon het transformatieproces in Servië naar een goed functionerende en geheel onafhankelijke rechterlijke macht nog enige tijd in beslag zal nemen). Zo zijn verscheidene aan het regime-Milosevic verbonden rechtbankpresidenten door het nieuwe Servische parlement van hun functie ontheven, terwijl enkele onder Milosevic ontslagen rechters door het parlement zijn herbenoemd. Voorts zijn vrijwel alle personen die tijdens het regime-Milosevic op dubieuze gronden zijn veroordeeld, waaronder een groot aantal etnische Albanezen uit Kosovo, inmiddels door de nieuwe federale en Servische regeringen op vrije voeten gesteld. Ook bereidt de Servische regering een nieuwe wet voor die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht dient te vergroten.

Personen die activiteiten ondernamen die door het regime-Milosevic als bedreigend werden ervaren, en ten gevolge daarvan werden opgepakt voor een 'informatief gesprek' op het politiebureau of (in een enkel geval) in een politiek proces werden veroordeeld, ondervinden thans geen problemen meer van de zijde van de huidige autoriteiten.

Een belangrijke ontwikkeling vormde de aanname door het federale parlement in februari 2001 van een wet die amnestie verleent aan alle personen die misdrijven hebben begaan - dan wel verdacht worden te hebben begaan - zoals omschreven in een elftal artikelen van het federale Wetboek van Strafrecht. Deze federale amnestiewet is daadwerkelijk ten uitvoer gelegd. Op basis van deze wet zijn onder meer circa 175 etnische Albanezen uit Kosovo, die in Servië gedetineerd waren, vrijgekomen. Daarnaast zijn duizenden dienstweigeraars en deserteurs op grond van deze wet vrijgelaten dan wel gevrijwaard van strafrechtelijke vervolging.

De speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in voormalig Joegoslavië heeft geconstateerd dat beschuldigingen van mishandeling tijdens detentie sinds het aantreden van de nieuwe federale regering lijken te zijn afgenomen, evenals het aantal 'politieke' moorden en onvrijwillige verdwijningen. Ook heeft hij geconstateerd dat de bewegingsvrijheid binnen Servië, alsmede die tussen Servië en Montenegro, na de democratische omwenteling in Servië is verbeterd.

Het recht op vrijheid van godsdienst wordt in Servië nageleefd. Ook het recht op vereniging wordt in de praktijk nageleefd. Er zijn geen verboden politieke partijen in Servië, noch is dit tijdens het regime-Milosevic het geval geweest. Sinds het aantreden van de nieuwe federale regering hebben zich in Servië geen schendingen van de vrijheid van vergadering voorgedaan. Demonstraties waarin steun wordt betuigd aan ex-president Milosevic, dan wel aan personen verbonden aan diens regime, zijn geoorloofd en vinden regelmatig plaats.

Van systematische en gerichte onderdrukking van etnische - en andere -

minderheden is geen sprake in Servië noch Montenegro, noch is dit tijdens het regime-Milosevic het geval geweest. Het regime-Milosevic heeft echter weinig gedaan om de implementatie van de rechten van minderheden actief te bevorderen. Jegens Roma bestaat in Servië bovendien een grote maatschappelijke aversie, die zich kan manifesteren in de vorm van intimidatie en maatschappelijke discriminatie alsmede - incidenteel - in de vorm van fysiek geweld van de zijde van zowel medeburgers (doorgaans skinheads) als de politie.

De nieuwe federale en Servische regeringen, die beiden een lid tellen dat een etnische minderheid vertegenwoordigt, hebben reeds enige concrete stappen gezet om de situatie van minderheden te verbeteren. Zo is een nieuwe federale wet inzake minderheden in voorbereiding, die vermoedelijk een bepaling inzake positieve discriminatie zal bevatten. Ook is eind mei 2001 via onderhandelingen een einde gekomen aan de reeks gewelddadige incidenten in de Presevo-vallei tussen leden van de etnisch Albanese rebellenbeweging UÇPMB en de Servische politie- en veiligheidstroepen. De nadruk ligt thans op vertrouwenwekkende maatregelen van de zijde van de Servische overheid om de terugkeer van ontheemde etnische Albanezen naar de regio, alsmede de integratie van etnische Albanezen in politieke, economische en sociale structuren, te bevorderen.

De mensenrechtensituatie in Montenegro was de afgelopen jaren over het algemeen bevredigend, en is dat nog steeds.

De Montenegrijnse burger kan zich op de hoogte stellen van de uiteenlopende standpunten van de beide 'kampen' in de Montenegrijnse politiek. Van enige belemmering van de 'oppositionele' Montenegrijnse media van de zijde van de Montenegrijnse regering is geen sprake.

Het recht op vereniging wordt nageleefd. Er zijn geen verboden politieke partijen in Montenegro. Ook het recht op vrijheid van godsdienst wordt nageleefd in Montenegro.

De rechtspraak in Montenegro is thans vergelijkbaar met de nieuwe situatie in Servië. Er was (en is) in Montenego over het algemeen geen sprake van inmenging in de rechtspraak door de uitvoerende dan wel wetgevende macht.

De bepalingen in de grondwetten van de FRJ en Montenegro inzake het recht op persoonlijke vrijheid, het recht op persoonlijke veiligheid en de behandeling van personen in (voorwaardelijke) detentie worden in Montenegro gerespecteerd. Voorzover bekend hebben zich in Montenegro geen gevallen van mishandeling of foltering door de politie voorgedaan.

In Montenegro is reeds enkele jaren sprake van een actief beleid om de positie van etnische minderheden te verbeteren. Zo kent Montenegro sinds mei 1998 een Ministerie ter Bescherming van de Rechten van Nationale Minderheden. Ook is een aantal zetels van het Montenegrijnse parlement gereserveerd voor enkele kiesdistricten waar veel etnische Albanezen woonachtig zijn, waardoor vertegenwoordiging van deze etnische minderheid in het parlement in de praktijk is gewaarborgd.

4 Vluchtelingen en ontheemden



4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk handelt over vluchtelingen en ontheemden, waarbij de FRJ (exclusief Kosovo) zowel als gebied van opvang als als gebied van herkomst zal worden beschouwd. Vanuit eerstgenoemd perspectief zal worden ingegaan op de situatie van de vele in de FRJ verblijvende vluchtelingen en ontheemden. Vanuit het laatstgenoemde perspectief zal achtereenvolgens worden ingegaan op de achtergronden bij migratie vanuit de FRJ, het beleid van een aantal westerse landen ten aanzien van asielzoekers uit de FRJ en het standpunt van UNHCR terzake.

4.2 De FRJ (exclusief Kosovo) als gebied van opvang
In de Federale Republiek Joegoslavië verblijft een groot aantal vluchtelingen (circa 375.000 in Servië en circa 15.000 in Montenegro) uit de andere landen die voorheen deelrepublieken waren van de SFRJ. De meesten zijn afkomstig uit Kroatië en Bosnië-Herzegovina; veel kleinere aantallen zijn afkomstig uit Slovenië en Macedonië. Het betreft doorgaans etnisch Servische personen, ofschoon in het kader van gemengde huwelijken ook personen van andere etnische afkomst als vluchteling in de FRJ verblijven.

Het beleid in de FRJ ten aanzien van vluchtelingen is in Servië gebaseerd op de Servische 'Wet inzake Vluchtelingen' uit 1992, en in Montenegro op het 'Besluit inzake Ontheemden' uit datzelfde jaar. Vluchtelingen hebben recht op gezondheidszorg, onderwijs en arbeid (met uitzondering van een klein aantal aanstellingen waarvoor het staatsburgerschap van de FRJ is vereist, zoals rechter). Daarnaast komt men in aanmerking voor voedselhulp en, indien men daar niet zelf voor kan zorgen, onderdak. Vluchtelingen hebben geen stemrecht en mogen formeel geen onroerend goed kopen. Ofschoon de Servische Wet inzake Vluchtelingen bepaalt dat vluchtelingen kunnen worden opgeroepen voor militaire dienst in het Joegoslavische leger, worden vluchtelingen daar in de praktijk niet voor opgeroepen.

Het Servische respectievelijk het Montenegrijnse commissariaat voor de vluchtelingen is verantwoordelijk voor de erkenning en registratie van de vluchtelingen in Servië respectievelijk Montenegro. Toen hiermee een begin werd gemaakt, in 1992, werd vrijwel iedereen die om erkenning als vluchteling verzocht als zodanig geregistreerd. In de loop van 1993 veranderde deze praktijk enigszins, in die zin dat met name mannen afkomstig uit door Serviërs gecontroleerde gebieden in Kroatië en Bosnië-Herzegovina doorgaans niet erkend werden als vluchtelingen. Medio 1995 (toen het Kroatische leger de door Serviërs gecontroleerde gebieden in Kroatië heroverde) is deze praktijk weer ongedaan gemaakt, en kwam wederom vrijwel iedereen in aanmerking voor erkenning en registratie, ditmaal echter als 'verdrevene'. Vluchtelingen en verdrevenen hebben overigens exact dezelfde rechten; in het vervolg van dit ambtsbericht zal dan ook waar mogelijk de verzamelterm 'vluchteling' gebruikt worden voor beide categorieën.

In sociaal-economisch opzicht behoren de vluchtelingen in de FRJ tot de meest kwetsbare groepen van de maatschappij. Mede gezien de slechte economische situatie waarin het land verkeert, vinden in de praktijk zeer weinig vluchtelingen een vaste baan, laat staan een baan die overeenkomt met hun kwalificaties. De meeste vluchtelingen kunnen slechts op basis van een tijdelijk contract werken. De meesten werken illegaal (dus zonder sociale zekerheid) en tegen een uiterst laag salaris, en wonen in goedkope privé-accommodatie of bij gastgezinnen. Een omvangrijke groep van circa 50.000 kwetsbare vluchtelingen is ondergebracht in collectieve centra verspreid over de gehele FRJ (inclusief Kosovo).

Personen die door de FRJ-autoriteiten erkend zijn als vluchteling dan wel verdrevene, zijn in het bezit gesteld van een
vluchtelingenidentiteitsbewijs. Dit bewijs geeft recht op (basis-)gezondheidszorg, onderwijs (voor de kinderen) alsmede een voedselpakket. Over het algemeen hebben de vluchtelingen in de FRJ toegang tot de basisvoorzieningen in de gezondheidszorg en het onderwijs. Ook de minimale verzorging met basislevensmiddelen is op dit moment zeker gesteld door internationale humanitaire hulp. Er zijn geen gevallen bekend van flagrante discriminatie in de toegang tot humanitaire hulp.

Erkende vluchtelingen komen in aanmerking voor het staatsburgerschap van de FRJ. Hiertoe dient een verzoek te worden ingediend bij het federale Ministerie van Binnenlandse Zaken, dat terzake een discretionaire bevoegdheid heeft. Tijdens het regime-Milosevic was de gehanteerde procedure tijdrovend. Tot augustus 2000 waren circa 190.000 aanvragen ingediend, en was op slechts 25.000 aanvragen (hetgeen overeenkomt met circa 40.000 personen) beslist - overigens overwegend positief. Sinds de machtswisseling van 5 oktober 2000 verloopt de procedure aanmerkelijk sneller. In december 2000 en januari 2001 hebben - volgens opgave van het federale ministerie van Binnenlandse Zaken - 25.127 vluchtelingen het FRJ-staatsburgerschap verkregen. Na ontvangst van een positieve beslissing van de federale autoriteiten dient men zich overigens nog in te schrijven bij de gemeente, alvorens de naturalisatieprocedure als voltooid kan worden beschouwd.

Sinds 1996 zijn tot dusverre circa 6.000 vluchtelingen met assistentie van UNHCR teruggekeerd naar hun land van herkomst (4.300 naar Kroatië en 1.300 naar Bosnië-Herzegovina); nog eens 38.000 vluchtelingen zijn op eigen gelegenheid teruggekeerd naar deze landen. Met het nieuwe regime in Kroatië lijken de kansen voor in de FRJ verblijvende vluchtelingen uit dat land om naar hun woonplaats terug te keren, toe te nemen. UNHCR en een aantal internationale NGO's leveren bijstand (onder andere op juridisch terrein) aan zowel vluchtelingen die terug willen keren naar Kroatië (en daar bepaalde bezittingen dan wel pensioenen willen opeisen) als aan vluchtelingen die in de FRJ willen blijven (en bijvoorbeeld het FRJ-staatsburgerschap wensen).

Gemengd gehuwde vluchtelingen die in vluchtelingencentra verblijven kunnun problemen ondervinden wegens een gebrek aan acceptatie (bij met name de overige vluchtelingen in het centrum) van hun gemengde huwelijk. In vluchtelingencentra verblijvende kinderen van gemengd gehuwden kunnen bloot staan aan pesterijen en dergelijke.

De situatie van vluchtelingen in Montenegro is nagenoeg identiek aan die van vluchtelingen in Servië.

In de Federale Republiek Joegoslavië verblijft een groot aantal ontheemden (circa 180.000 in Servië en circa 30.000 in Montenegro) uit Kosovo. Het betreft etnische Serviërs, Roma alsmede enkele andere niet etnisch Albanese bevolkingsgroepen, die sinds juni 1999 (na afloop van de Kosovo-crisis) hun woonplaats in Kosovo hebben verlaten uit angst voor wraakacties door de etnisch Albanese bevolking.

Ontheemden uit Kosovo kunnen zich als zodanig laten registreren bij het Servische dan wel Montenegrijnse commissariaat voor vluchtelingen. Men wordt dan in het bezit gesteld van een ontheemdenidentiteitsbewijs, waarin letterlijk vermeld staat dat men ontheemd is en afkomstig uit Kosovo.

Als staatsburgers van de FRJ hebben ontheemden alle bijbehorende rechten en plichten. Het ontheemdenidentiteitsbewijs is van nut voor alle handelingen die een FRJ-staatsburger normaliter in zijn eigen woonplaats moet verrichten: het aanspraak maken op gezondheidszorg, pensioenen en onderwijs, het aanvragen - dan wel verlengen - van een nieuw rijbewijs, het registreren van een auto, enzovoorts.

Ontheemden uit Kosovo kunnen zich wenden tot het Joegoslavische Rode Kruis voor humanitaire hulp; tot het Servische dan wel Montenegrijnse commissariaat voor de vluchtelingen (niet in iedere plaats vertegenwoordigd) voor huisvesting; en tot de plaatselijke politie voor alle andere voorzieningen (gezondheidszorg, onderwijs, pensioenen enzovoorts). Ook hebben ontheemden stemrecht.

In sociaal-economisch opzicht behoren de ontheemden in de FRJ samen met de vluchtelingen tot de meest kwetsbare groepen van de maatschappij. Ongeveer tien procent van de ontheemden uit Kosovo verblijft in collectieve centra. De meeste ontheemden hebben echter zelf huisvesting gevonden, bijvoorbeeld door bij familie, vrienden of bekenden in te trekken of door een weekendhuisje, appartement of kamer te huren. Een groot aantal Roma-ontheemden verblijft gezamenlijk in tentenkampen.

De voedselvoorziening voor ontheemden is, mede dankzij hulp van de internationale gemeenschap, afdoende. Plaatselijke afdelingen van het Joegoslavische Rode Kruis nemen de distributie van de door de internationale organisaties ter beschikking gestelde hulpmiddelen voor hun rekening. Er zijn geen gevallen bekend van flagrante discriminatie in de toegang tot deze hulpmiddelen.

4.3 De FRJ (exclusief Kosovo) als gebied van herkomst


Economische motieven hebben altijd in belangrijke mate ten grondslag gelegen aan migratie vanuit de huidige FRJ. Reeds in de zestiger, zeventiger en tachtiger jaren van de twintigste eeuw vormde de huidige FRJ voor tal van landen in West-Europa een belangrijk gebied van herkomst van arbeidsmigranten. Met de dramatische verslechtering van de economische situatie in de FRJ tijdens het regime-Milosevic (zie 2.5) is het gewicht van deze 'push-factor' sindsdien echter verder toegenomen. Volgens de UNDP heeft in de afgelopen tien jaar van één op elke negen Joegoslavische gezinnen ten minste één persoon het land om economische redenen verlaten. Dit betekent dat 260.000 à 300.000 personen in deze periode vanuit de Vojvodina en Centraal-Servië zijn geëmigreerd.

Ook de instabiele veiligheidssituatie en de (op een aantal punten) zorgwekkende mensenrechtensituatie hebben tijdens het regime-Milosevic voor veel inwoners van de FRJ (exclusief Kosovo) aanleiding gevormd om - al dan niet tijdelijk - naar het buitenland te vertrekken. Zo zijn duizenden mannelijke staatsburgers van de FRJ voorafgaand, tijdens en na het Kosovo-conflict naar het buitenland uitgeweken uit vrees om opgeroepen te worden voor het Joegoslavische leger en vervolgens ingezet te worden in het gewapende conflict, dan wel omdat zij daadwerkelijk dienst hadden geweigerd of waren gedeserteerd.

Uiteraard kan ook een combinatie van bovenstaande factoren voor individuen aanleiding hebben gevormd om te migreren.

Met het aantreden van de nieuwe federale en Servische regeringen zijn de push-factoren voor migratie vermoedelijk afgenomen, met name als gevolg van de stabiele veiligheidssituatie en de verbeterde mensenrechtensituatie. In economisch opzicht is thans sprake van gunstige langetermijnperspectieven, maar zullen de noodzakelijke hervormingen op de korte en middellange termijn wellicht gepaard gaan met verder banenverlies.

In 2000 hebben 11.274 staatsburgers uit de FRJ (inclusief Kosovo) asiel aangevraagd in Duitsland. Alle asielverzoeken van FRJ-staatsburgers worden in behandeling genomen, maar op asielverzoeken van enkele etnische minderheden uit Kosovo werd in mei 2001 nog immer niet beslist.

In 2000 is aan circa 150 personen uit de FRJ, die tussen herfst 1998 en het einde van de oorlogsituatie (26 juni 1999) dienst hadden geweigerd ofwel gedeserteerd waren, asiel verleend. Deze beslispraktijk zal wellicht binnenkort wijzigen in verband met de recente aanname in de FRJ van een amnestiewet terzake.

Voor het overige geldt dat ieder asielverzoek op zijn individuele merites wordt beoordeeld, en het behoren tot een bepaalde categorie er niet toe leidt dat de verzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus.

Duitsland verwijdert - om technische redenen - nog immer geen afgewezen asielzoekers naar de FRJ (met uitzondering van Kosovo). Sinds 1997 is een terug- en overnameovereenkomst met de FRJ van kracht, die overigens uitsluitend voorziet in vervoer in toestellen van de Joegoslavische luchtvaartmaatschappij JAT. De toepassing van deze overeenkomst is eind 1998 door het regime-Milosevic opgeschort, als reactie op het in werking treden van het EU-luchtvaartembargo jegens de FRJ. Recentelijk heeft de FRJ Duitsland echter laten weten in principe wederom bereid te zijn personen in het kader van de overeenkomst terug te nemen. Mogelijk zal dan ook op niet al te lange termijn (vermoedelijk eind 2001) met verwijderingen naar de FRJ kunnen worden begonnen.

Zwitserland telde in 2000 3.648 nieuwe asielzoekers uit de FRJ (inclusief inwoners van Kosovo).

Asielaanvragen van FRJ-staatsburgers worden, tenzij betrekking hebbend op bepaalde etnische minderheden (Gorani, Roma) uit Kosovo dan wel etnische Albanezen uit Zuid-Servië, normaal in behandeling genomen. Personen behorend tot genoemde uitzonderingscategorieën worden in het bezit gesteld van een tijdelijke verblijfsvergunning; op hun asielaanvraag wordt tijdelijk niet beslist.

Voor de asielzoekers uit de FRJ op wier aanvragen wél wordt beslist, geldt dat ieder asielverzoek op zijn individuele merites wordt beoordeeld, en het behoren tot een bepaalde categorie er niet toe leidt dat de verzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus. De recentelijk aangenomen amnestiewet voor (onder andere) deserteurs en dienstweigeraars maakt in de beoordeling geen verschil, daar deze omstandigheden in Zwitserland op zichzelf geen reden vormen of gevormd hebben voor het verlenen van de vluchtelingenstatus.

De Zwitserse autoriteiten achten terugkeer van afgewezen asielzoekers naar de FRJ (exclusief Kosovo) verantwoord. Zwitserland heeft dan ook sinds juli 1997 een terug- en overnameovereenkomst met de FRJ. In de praktijk wordt deze echter niet nageleefd door de Joegoslavische autoriteiten, zodat verwijderingen naar Servië en Montenegro niet mogelijk zijn. Wél repatrieert Zwitserland afgewezen Kosovaarse asielzoekers naar Kosovo.

In 2000 hebben 1.880 staatsburgers uit de FRJ (inclusief Kosovo) asiel aangevraagd in Zweden. Alle asielverzoeken van FRJ-staatsburgers worden op normale wijze in behandeling genomen, maar op asielaanvragen van dienstweigeraars en deserteurs werd tot recentelijk (aanname amnestiewet in de FRJ) niet beslist.

Er zijn geen categorieën asielzoekers uit de FRJ die onder het huidige Zweedse beleid in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus. Op asielaanvragen van dienstweigeraars en deserteurs wordt eerst sinds onlangs beslist; gelet op de recente aanname van een amnestiewet in de FRJ zal op dergelijke verzoeken in de regel negatief worden beslist.

De Zweedse autoriteiten achten terugkeer van afgewezen asielzoekers naar de FRJ (exclusief Kosovo) verantwoord. Een op 16 januari 1998 ondertekende terug- en overnameovereenkomst met de FRJ is echter nooit door de FRJ geratificeerd, waardoor verwijdering van afgewezen asielzoekers in de praktijk tot dusverre zeer moeizaam is verlopen. Desalniettemin zal Zweden naar verluidt geen verdere pogingen meer ondernemen de overeenkomst door de FRJ te laten ratificeren, omdat de samenwerking met het nieuwe regime in Belgrado dusdanig goed is dat hierote geen noodzaak meer bestaat.

Het Verenigd Koninkrijk telde in 2000 5.695 nieuwe asielaanvragen van personen afkomstig uit de FRJ (inclusief inwoners van Kosovo). Een asielaanvraag in het VK heeft betrekking op één of meerdere personen.

Alle asielverzoeken van FRJ-staatsburgers worden op normale wijze in behandeling genomen, maar op asielaanvragen van personen uit de Presevo-vallei wordt voorlopig niet beslist. Ofschoon elk asielverzoek op zijn individuele merites wordt beoordeeld, is het gelet op de recente ontwikkelingen in de FRJ waarschijnlijk dat op de meeste verzoeken negatief zal worden beslist. Dit geldt ook voor zaken die te maken hebben met dienstweigering of desertie.

Verwijdering van afgewezen asielzoekers naar andere delen van de FRJ dan Kosovo vindt niet plaats, aangezien het VK vooralsnog geen terug- en overnameovereenkomst heeft met de FRJ-autoriteiten. Het VK onderhandelt momenteel met de FRJ over een dergelijke overeenkomst.

Frankrijk telde over het jaar 2000 in totaal 1.976 nieuwe asielzoekers uit de FRJ. Hoeveel van hen afkomstig zijn uit Kosovo, is onbekend.

De meest aangevoerde gronden voor de asielverzoeken van inwoners van Servië (exclusief Kosovo) zijn politieke vervolging, desertie en dienstweigering (ook wegens gewetensbezwaren). Inwoners van Montenegro voeren dezelfde gronden aan, alsmede - in een enkel geval - vervolging wegens Moslim-identiteit. Roma uit zowel Servië als Montenegro voeren discriminatie en vervolging wegens hun etnische afkomst aan.

In de periode januari tot en met april 2000 is aan 92 FRJ-asielzoekers de vluchtelingenstatus verleend; 525 asielaanvragen zijn afgewezen.

De Franse autoriteiten achten uitzetting van uitgeprocedeerde (en dus illegaal in Frankrijk verblijvende) asielzoekers naar de FRJ verantwoord. In de eerste helft van 2000 zijn 33 personen naar de FRJ verwijderd; het betreft hier echter niet noodzakelijkerwijs afgewezen asielzoekers.

In 2000 hebben 4.921 staatsburgers uit de FRJ (inclusief Kosovo) asiel aangevraagd in België. Alle asielaanvragen worden in behandeling genomen, maar op asielaanvragen van etnische Albanezen uit Presevo werd recentelijk (mei 2001) in de gegrondheidsfase niet beslist. De Belgische autoriteiten achtten de situatie ter plaatse nog te onduidelijk, en wachtten op de uitkomst van de vredesonderhandelingen.

In de praktijk komen etnische minderheden eerder in aanmerking voor de vluchtelingenstatus. Asielverzoeken van deserteurs en dienstweigeraars worden, sinds de aanname in de FRJ van een amnestiewet terzake, in de regel afgewezen.

België acht terugkeer van afgewezen asielzoekers naar de FRJ verantwoord. Verwijdering van afgewezen asielzoekers naar de FRJ (uitgezonderd Kosovo) is echter niet mogelijk, mede omdat de autoriteiten van de FRJ niet zouden meewerken aan het verstrekken van reisdocumenten. Samen met de partners in de Benelux streeft België thans naar het afsluiten van een (gezamenlijke) terug- en overnameovereenkomst met de FRJ.

Publicaties van UNHCR met een standpunt over asielzoekers uit de Federale Republiek Joegoslavië hebben de afgelopen jaren hoofdzakelijk betrekking gehad op (categorieën) personen afkomstig uit Kosovo. De inhoud van die publicaties valt derhalve grotendeels buiten het bestek van dit ambtsbericht.

In het laatste 'Position Paper' van UNHCR waarvan de titel niet louter naar Kosovo verwijst , wordt voorop gesteld dat iedere asielzoeker uit de FRJ toegang moet hebben tot de asielprocedures, waarbij de aanvragen zorgvuldig en individueel beoordeeld moeten worden. Ook benadrukt UNHCR de noodzaak om, gelet op de zich snel wijzigende situatie in de FRJ, actuele informatie te gebruiken bij het behandelen van asielverzoeken.

De bezorgdheid van UNHCR gaat in bovengenoemd document uit naar de volgende groepen ('Groups of Concern'), de meeste overigens afkomstig uit Kosovo: etnische Serviërs uit Kosovo, etnisch Servische vluchtelingen uit Kroatië en Bosnië-Herzegovina, Slavische Moslims, Gorani, Roma en 'Egyptenaren', Turken en ten slotte etnische Albanezen uit Servië (exclusief Kosovo). Slechts deze laatste groep is relevant voor dit ambtsbericht, aangezien het personen betreft die niet uit Kosovo komen.

Ook in haar meest recente 'Position Paper' over personen uit Kosovo besteedt UNHCR kort aandacht aan etnische Albanezen uit Zuid-Servië. Het gaat daarbij om de vraag of deze groep zich in Kosovo kan vestigen, teneinde de gewelddadige incidenten tussen leden van het UÇPMB en de Servische politie te ontlopen. Volgens UNHCR stuit zulks bij UNMIK wellicht op bezwaren van verblijfsrechtelijke aard, en is een dergelijke optie bovendien niet verstandig gelet op de impact die zij zou hebben op de situatie van de etnische minderheden in Kosovo. Overigens is de situatie in de Presevo-vallei thans genormaliseerd (zie 2.4.1).

4.4 Samenvatting


In de Federale Republiek Joegoslavië verblijven circa 390.000 vluchtelingen, voornamelijk uit Kroatië en Bosnië-Herzegovina. In sociaal-economisch opzicht behoren de vluchtelingen in de FRJ tot de meest kwetsbare groepen van de maatschappij; zeer weinigen van hen hebben werk. De vluchtelingen in de FRJ hebben echter wel toegang tot de basisvoorzieningen in de gezondheidszorg en het onderwijs. Ook de minimale verzorging met basislevensmiddelen is op dit moment zeker gesteld door internationale humanitaire hulp. Er zijn geen gevallen bekend van flagrante discriminatie in de toegang tot humanitaire hulp.

Tevens kent de Federale Republiek Joegoslavië een groot aantal ontheemden (circa 210.000) uit Kosovo. Als staatsburgers van de FRJ hebben deze ontheemden alle bijbehorende rechten en plichten. In sociaal-economisch opzicht behoren de ontheemden echter samen met de vluchtelingen tot de meest kwetsbare groepen van de maatschappij; de werkloosheid is hoog. De ontheemden hebben echter wel toegang tot de basisvoorzieningen in de gezondheidszorg en het onderwijs. Ook de minimale verzorging met basislevensmiddelen is op dit moment zeker gesteld door internationale humanitaire hulp. Er zijn geen gevallen bekend van flagrante discriminatie in de toegang tot humanitaire hulp.

Economische motieven hebben altijd in belangrijke mate ten grondslag gelegen aan migratie vanuit de huidige FRJ. Met de dramatische verslechtering van de economische situatie in de FRJ tijdens het regime-Milosevic is het gewicht van deze 'push-factor' sindsdien echter verder toegenomen. In de afgelopen tien jaar zijn dan ook 260.000 à 300.000 personen vanuit de Vojvodina en Centraal-Servië geëmigreerd. Ook de instabiele veiligheidssituatie en de (op een aantal punten) zorgwekkende mensenrechtensituatie hebben tijdens het regime-Milosevic voor veel inwoners van de FRJ (exclusief Kosovo) aanleiding gevormd om - al dan niet tijdelijk - naar het buitenland te vertrekken.

Asielverzoeken van staatsburgers van de FRJ worden in de ons omringende landen gewoon in behandeling genomen. Op aanvragen van bepaalde categorieën asielzoekers uit de FRJ (veelal uit Kosovo, maar in sommige gevallen ook uit de rest van de FRJ) wordt echter tijdelijk niet beslist. Ofschoon de asielverzoeken uiteraard op hun individuele merites worden beoordeeld, kan voor de ons omringende landen gesteld worden dat specifieke gronden voor toewijzing van asielverzoeken van FRJ-staatsburgers thans ontbreken. Ofschoon alle landen terugkeer van afgewezen asielzoekers naar de FRJ verantwoord achten, vindt gedwongen terugkeer in de praktijk vooralsnog slechts incidenteel plaats. Het feit dat een terug- en overnameovereenkomst met de FRJ doorgaans ontbreekt, ligt hier mede aan ten grondslag.

Publicaties van UNHCR met een standpunt over asielzoekers uit de Federale Republiek Joegoslavië hebben de afgelopen jaren hoofdzakelijk betrekking gehad op (categorieën) personen afkomstig uit Kosovo. De inhoud van die publicaties valt derhalve grotendeels buiten het bestek van dit ambtsbericht. Een uitzondering vormen etnische Albanezen uit Zuid-Servië, die door UNHCR als aandachtsgroep worden genoemd.


5 Samenvatting



Na tien jaar de dienst te hebben uitgemaakt in Servië, waarvan de laatste jaren als president van de FRJ, heeft Slobodan Milosevic in oktober 2000 plaats moeten maken voor de oppositie. De Democratische Oppositie van Servië (DOS) won de in september 2000 gehouden federale parlements- en presidentsverkiezingen, en haar presidentskandidaat - Vojislav Kostunica - kon op 7 oktober 2000 worden beëdigd als president. In december 2000 heeft de DOS vervolgens ook de Servische parlementsverkiezingen gewonnen. Hiermee bestaan thans zowel de federale regering (grotendeels) als de gehele Servische regering uit voormalige opposanten van het regime-Milosevic. Beide regeringen hebben zich gecommitteerd aan ambitieuze hervormingsprogramma's, en zijn thans doende deze uit te voeren.

Milosevic zelf is in april 2001 door de Joegoslavische/Servische autoriteiten gearresteerd (op verdenking van corruptie en machtsmisbruik) en is uiteindelijk op 28 juni 2001 door de Servische regering uitgeleverd aan het Joegoslavië-tribunaal, dat hem in mei 1999 heeft aangeklaagd.

De deelrepubliek Montenegro is, sinds het aantreden (in januari 1998) van haar huidige president, Djukanovic, binnen de FRJ een steeds onafhankelijker koers gaan varen. In de praktijk profileert de Montenegrijnse regering zich als de regering van een soevereine staat. De regering is voornemens binnen afzienbare tijd een referendum te organiseren over de onafhankelijkheid van Montenegro.

De veiligheidssituatie in de FRJ geeft niet langer reden tot zorgen. Eind mei 2001 is via onderhandelingen een einde gekomen aan de reeks gewelddadige incidenten in de Presevo-vallei tussen leden van de etnisch Albanese rebellenbeweging UÇPMB en de Servische politie- en veiligheidstroepen.

De sociaal-economische situatie in de FRJ is nog steeds slecht.

Sinds het aantreden van de nieuwe federale en Servische regeringen in Belgrado zijn enkele aspecten van de mensenrechtensituatie in Servië, die tijdens het regime-Milosevic uiterst zorgwekkend waren, aanmerkelijk verbeterd. Het betreft met name de situatie van de Servische media, de situatie aan de Servische universiteiten, alsmede de positie van personen die activiteiten ondernamen die door het regime-Milosevic als bedreigend werden ervaren. Ook op het gebied van de rechtsgang zijn positieve ontwikkelingen waarneembaar, ofschoon het transformatieproces in Servië naar een goed functionerende en geheel onafhankelijke rechterlijke macht nog enige tijd in beslag zal nemen.

Een belangrijk feit vormde de aanname door het federale parlement in februari 2001 van een wet die amnestie verleent aan alle personen die misdrijven hebben begaan - dan wel verdacht worden te hebben begaan - zoals omschreven in een elftal artikelen van het federale Wetboek van Strafrecht. Deze federale amnestiewet is daadwerkelijk ten uitvoer gelegd. Mede op basis van deze amnestiewet zijn vrijwel alle Kosovo-Albanese politieke gevangenen in Servië vrijgelaten.

Van systematische en gerichte onderdrukking van etnische - en andere -

minderheden is geen sprake in Servië noch Montenegro, noch is dit tijdens het regime-Milosevic het geval geweest. Het regime-Milosevic heeft echter weinig gedaan om de implementatie van de rechten van minderheden actief te bevorderen.

De nieuwe federale en Servische regeringen, die beiden een lid tellen dat een etnische minderheid vertegenwoordigt, hebben reeds enige concrete stappen gezet om de situatie van minderheden te verbeteren. Zoals eerder gemeld is eind mei 2001 een einde gekomen aan de gewelddadige incidenten in de Presevo-vallei. De nadruk ligt thans op vertrouwenwekkende maatregelen van de zijde van de Servische overheid om de terugkeer van ontheemde etnische Albanezen naar de regio, alsmede de integratie van etnische Albanezen in politieke, economische en sociale structuren, te bevorderen.

De mensenrechtensituatie in Montenegro was de afgelopen jaren over het algemeen bevredigend, en is dat nog steeds.

De FRJ (exclusief Kosovo) is zowel een gebied opvang als een gebied van herkomst van migranten. Zo verblijft in de FRJ een groot aantal vluchtelingen (circa 390.000) uit - voornamelijk - Kroatië en Bosnië-Herzegovina. In sociaal-economisch opzicht behoren de vluchtelingen in de FRJ tot de meest kwetsbare groepen van de maatschappij. Tevens kent de FRJ een groot aantal ontheemden (circa 210.000) uit Kosovo. Als staatsburgers van de FRJ hebben deze ontheemden alle bijbehorende rechten en plichten. In sociaal-economisch opzicht behoren de ontheemden echter samen met de vluchtelingen tot de meest kwetsbare groepen van de maatschappij.

Economische motieven hebben altijd in belangrijke mate ten grondslag gelegen aan migratie vanuit de huidige FRJ (exclusief Kosovo). Met de dramatische verslechtering van de economische situatie in de FRJ tijdens het regime-Milosevic is het gewicht van deze 'push-factor' sindsdien echter verder toegenomen. Ook de instabiele veiligheidssituatie en de (op een aantal punten) zorgwekkende mensenrechtensituatie hebben tijdens het regime-Milosevic voor veel inwoners van de FRJ (exclusief Kosovo) aanleiding gevormd om - al dan niet tijdelijk - naar het buitenland te vertrekken.

Ofschoon de asielverzoeken van FRJ-staatsburgers in de ons omringende landen uiteraard op hun individuele merites worden beoordeeld, kan gesteld worden dat specifieke gronden voor toewijzing van asielverzoeken van FRJ-staatsburgers thans ontbreken. Ofschoon alle ons omringende landen terugkeer van afgewezen asielzoekers naar de FRJ verantwoord achten, vindt gedwongen terugkeer in de praktijk slechts incidenteel plaats.

Publicaties van UNHCR met een standpunt over asielzoekers uit de Federale Republiek Joegoslavië hebben de afgelopen jaren hoofdzakelijk betrekking gehad op (categorieën) personen afkomstig uit Kosovo. De inhoud van die publicaties valt derhalve grotendeels buiten het bestek van dit ambtsbericht. Een uitzondering vormen etnische Albanezen uit Zuid-Servië, die door UNHCR als aandachtsgroep worden genoemd.

Amnesty International, Federal Republic of Yugoslavia: Continuing Concerns, AI Index EUR 70/57/00, december 2000;

Belgrade Centre for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001;

Economist Intelligence Unit, Country Profile Yugoslavia (Serbia-Montenegro) 2000-2001, 25 oktober 2000;

Economist Intelligence Unit, Country Report Yugoslavia (Serbia-Montenegro), oktober 2000;

Economist Intelligence Unit, Country Report Yugoslavia (Serbia-Montenegro), januari 2001;

Economist Intelligence Unit, Country Report Yugoslavia (Serbia-Montenegro), februari 2001;

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Minorities in Serbia, Belgrado, 2000;

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Annual Report 2000, Belgrado, 2001;

UNHCR, Position Paper: Asylum-Seekers from the Federal Republic of Yugoslavia: Particular Groups, Genève, 1 oktober 1999;

UNHCR, Asylum Applications Submitted in Europe, 2000, Genève, 25 januari 2001;

UNHCR, UNHCR Position on the Continued Protection Needs of Individuals from Kosovo, maart 2001;

U.S. Department of State, Serbia-Montenegro Country Report on Human Rights Practices for 2000, februari 2001;

United Nations, Economic and Social Council, Commission on Human Rights, Report of Mr. Jiri Dienstbier, Special Rapporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in Bosnia and Herzegovina, the Republic of Croatia and the Federal Republic of Yugoslavia, VN-document E/CN.4/2001/47, 29 januari 2001;

United Nations, Economic and Social Council, Commission on Human Rights, Report of Mr. Jiri Dienstbier, Special Rapporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in Bosnia and Herzegovina, the Republic of Croatia and the Federal Republic of Yugoslavia - Addendum, VN-document E/CN.4/2001/47/Add.1, 22 maart 2001;

World Bank, Federal Republic of Yugoslavia - Breaking with the past: the path to stability and growth, Report No. 22267-YU, 12 juni 2001.

In de FRJ zijn circa 200 partijen geregistreerd.

Servië

De volgende 18 partijen vormen samen de Democratische Oppositie van Servië (DOS), die thans deelneemt in de federale regering (als grootste partij) en in de Servische regering (als enige partij):


- Beweging voor een Democratisch Servië (PDS). Leider: Momcilo Perisic;

- Coalitie Vojvodina. Leider: Dragan Veselinov;

- Burger Alliantie van Servië (GSS). Leider: Goran Svilanovic;

- Coalitie Sumadija. Leider: Branislav Kovacevic;

- Democratisch Alternatief (DA). Leider: Nebojsa Covic;

- Democratisch Centrum (DC). Leider: Dragoljub Micunovic;

- Democratische Partij (DS). Leider: Zoran Djindjic;

- Democratische Partij Servië (DSS). Leider: Vojislav Kostunica;

- Nieuwe Democratie (ND). Leider: Dusan Mihajlovic;

- Nieuw Servië. Leiders: Velimir Ilic en Mihajlo Markovic;

- Servische Christen-Democratische Partij (DHSS). Leider: Vladan Batic;

- Sociaal-Democraten. Leider: Vuk Obradovic;


- Sociaal Democratische Unie (SDU). Leider: Zarko Korac;

- Sandzak-Coalitie. Leider: Rasim Ljajic;


- Hervormingsgezinde Democratische Partij Vojvodina (RDSV). Leider: Miodrag Isakov;


- Sociaal-Democratische Bond Vojvodina (LSV). Leider: Nenad Canak.
Enkele andere in (een deel van) Servië opererende partijen zijn:


- Socialistische Partij Servië (SPS). Leider: Slobodan Milosevic. Oppositiepartij in het federale en Servische parlement;


- Servische Radicale Partij (SRS). Leider: Vojislav Seselj. Oppositiepartij in het federale en Servische parlement;


- Servische Vernieuwingspartij (SPO; Srpski Pokret Obnove). Leider: Vuk Draskovic. Heeft thans slechts één zetel in de Eerste Kamer van het federale parlement;


- Joegoslavisch Verenigd Links (JUL). Leider: Mirjana Markovic (echtgenote van Milosevic). Oppositiepartij in het federale parlement;


- Partij van Servische Eenheid (SSJ). Extreem-rechtse oppositiepartij in het Servische parlement;


- Bosniak Nationale Raad van de Sandjak (BNVS). Leider: Sulejman Ugljanin. Moslim-partij uit de Sandjak;


- Liberale Bosniak Organisatie van de Sandjak. Leider: Kasim Zoranic. Moslim-partij uit de Sandjak;


- Democratische Partij van Vojvodina-Hongaren (DSVM). Leider: Andras Agoston;


- Burgerbeweging van Vojvodina-Hongaren (GPVM; partij uit Senta). Leider: Joszef Boroez;


- Demochristelijke Beweging van Vojvodina-Hongaren (DPVM; partij uit Novi Sad). Leider: Ferenc Papp;


- Demochristelijk Blok (etnisch Hongaarse partij uit Senta). Leider: Gabor Toth Horti.

Democratische Bond van Kroaten in de Vojvodina (DSHV). Leider: Bela Tonkovic;

Montenegro


- Democratische Partij der Socialisten (DPS). Leider: Milo Djukanovic. Regeringspartij in Montenegro;


- Socialistische Volkspartij (SNP). Leider: Predrag Bulatovic. Oppositiepartij in Montenegro, maar regeringspartij in de FRJ;


- Volkspartij (NS). Leider: Dragan Soc. Oppositiepartij in Montenegro;

- Servische Volkspartij (SNS). Leider: Bozidar Bojovic. Oppositiepartij in Montenegro;


- Liberale Alliantie Montenegro (LSCG; Liberalni Savez Crna Gora). Leider: Miodrag Zivkovic. Oppositiepartij in Montenegro. Voornaamste doelstelling: onafhankelijkheid Montenegro. Heeft thans slechts zes zetels in Montenegrijns parlement;


- Democratische Unie van Albanezen (UDSh). Etnisch Albanese partij, opgericht in 1990. Oppositiepartij in Montenegro;


- Democratische Bond in Montenegro (LDMZ). Etnisch Albanese partij, opgericht in 1990. Oppositiepartij in Montenegro;


- Partij van Democratische Actie (SDA). Politieke Moslim-partij, heeft thans geen zetels in Montenegrijns parlement.

BBP Bruto Binnenlands Product

BNVS Bosniak Nationale Raad van de Sandjak (politieke partij)

BuPo-verdrag Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten

DA Democratisch Alternatief (politieke partij)

DOS Democratische Oppositie van Servië (politieke partij)

DS Democratische Partij (politieke partij)

DSS Democratische Partij Servië (politieke partij)

DPS Democratische Partij der Socialisten (politieke partij)

EIU Economist Intelligence Unit

EU Europese Unie

EUMM European Union Monitoring Mission

EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en

Fundamentele Vrijheden

FRJ Federale Republiek Joegoslavië

GSS Burger Alliantie van Servië (politieke partij)

JAT Jugoslavensko Aero Transport (Joegoslavische

staatsluchtvaartmaatschappij)

JUL Joegoslavisch Verenigd Links (politieke partij)

KFOR Kosovo Force (internationale troepenmacht in Kosovo)

LDMZ Democratische Bond in Montenegro (politieke partij)

LSCG Liberale Alliantie Montenegro (politieke partij)

MUP Ministarstvo Unutrasnjih Poslova (Servische Ministerie van

Binnenlandse Zaken)

NAVO Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

ND Nieuwe Democratie (politieke partij)

NGO Non-gouvernementele Organisatie

NS Volkspartij (politieke partij)

OVSE Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa

PDSH Albanese Democratische Partij (politieke partij)

PJP Posebne Jedinice Policije (speciale politie-eenheden

in Servië)

PVD Partij voor Democratische Actie (politieke partij)

SAJ Specijalne Anti teroristicke Jedinice (speciale anti-terroristische

eenheden in Servië)

SDA Partij van Democratische Actie (politieke partij)

SDB Sluzba Drzavne Bezbednosti (staatsveiligheidsdienst)

SDS Sociaal-Democratische Partij (politieke partij)

SFRJ Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië

SNP Socialistische Volkspartij (politieke partij)

SPO Servische Vernieuwingspartij (politieke partij)

SPS Socialistische Partij Servië (politieke partij)

SRS Servische Radicale Partij (politieke partij)

SSJ Partij van Servische Eenheid (politieke partij)

SVM Alliantie van Vojvodina-Hongaren (politieke partij)

UÇK Ushtria Çlirimtare e Kosovës (Kosovo Bevrijdingsleger)

UÇPMB Bevrijdingsleger van Presevo, Medvedja en Bujanovac

UDSh Democratische Unie van Albanezen (politieke partij)

UNDP United Nations Development Programme

UNHCHR United Nations High Commissioner for Human Rights

UNHCR United Nations High Commissioner for Refugees

UNMIK United Nations Interim Administration Mission in Kosovo

USD Amerikaanse dollar

VJ Vojska Jugoslavije (de Joegoslavische strijdkrachten)

VK Verenigd Koninkrijk

VN Verenigde Naties

WFP World Food Programme

Economist Intelligence Unit, Country Profile Yugoslavia (Serbia-Montenegro) 2000-2001, 25 oktober 2000.

De in 1991 in de SFRJ gehouden census vormt geen geheel betrouwbare afspiegeling van de werkelijke verhouding tussen de verschillende Joegoslavische bevolkingsgroepen in dat jaar. Met name etnisch Albanezen in Kosovo hebben de census destijds geboycot, waardoor het betreffende percentage op een schatting berust. Daarnaast hebben veel Roma vermoedelijk een andere dan de Roma-etniciteit opgegeven tijdens de census.

De functie van President van de Federale Uitvoerende Raad was een andere dan die van President van de SFRJ. Deze laatste functie werd vervuld door de President van de Joegoslavische Communistische Partij (tot 1980 Josip Broz Tito).

Binnen deze regering is eind juni 2001 een breuk ontstaan, nadat de SNP uit de regering stapte naar aanleiding van de uitlevering van ex-president Milosevic aan het Joegoslavië-tribunaal. Zie verder 2.3.1.

Zie bijlage II.

De etnisch Albanese partijen UDSh en LDMZ nemen eveneens deel aan deze regering, met één (gezamenlijk benoemde) minister.

In Servië hebben op die dag bovendien gemeenteraadsverkiezingen plaatsgevonden. De DOS heeft daarbij in bijna 100 van de 160 Servische gemeenten (inclusief alle grotere steden) de overwinning behaald (zie ook 2.2.2). Bron: EIU, Country Report Yugoslavia (Serbia-Montenegro), oktober 2000.

Free B92 News for Friday, January 12, 2001.

De etnisch Albanese partijen UDSh en LDMZ (ieder één zetel in het parlement) nemen eveneens deel aan deze regering, met één (gezamenlijk benoemde) minister.

De voormalige Servische Minister van Binnenlandse Zaken, Stojiljkovic, is dan ook (samen met president Milosevic van de FRJ, president Milutinovic van Servië, vice-premier Sainovic van de FRJ en de toenmalige Chef van de Generale Staf van de Joegoslavische strijdkrachten, Ojdanic) op 22 mei 1999 door het Joegoslavië-tribunaal aangeklaagd op grond van misdaden tegen de mensheid en schendingen van het oorlogsrecht gedurende het Kosovo-conflict.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Report on the state of human rights in Serbia in 1998, Belgrado, 1999.

B92 Daily News Bulletin for Sunday 25 February 2001.

B92 Daily News Bulletin for Thursday 25 January 2001.

Economist Intelligence Unit, Country Profile Yugoslavia (Serbia-Montenegro) 2000-2001, 25 oktober 2000.

Economist Intelligence Unit, Country Profile Yugoslavia (Serbia-Montenegro) 2000-2001, 25 oktober 2000.

Economist Intelligence Unit, Country Report Yugoslavia (Serbia-Montenegro), januari 2001.

World Bank, Federal Republic of Yugoslavia - Breaking with the past: the path to stability and growth, Report No. 22267-YU, 12 juni 2001.

Economist Intelligence Unit, Country Report Yugoslavia (Serbia-Montenegro), januari 2001.

Het betreft hoofdstuk 2 van de FRJ-grondwet, hoofdstuk 2 van de Servische grondwet en deel 2 van de Montenegrijnse grondwet.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001. De Montenegrijnse grondwet voorziet overigens niet in opschorting van mensenrechten.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001.

Ibidem.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001.

Het (eerste) Optionele Protocol bij dit Verdrag is destijds door de SFRJ ondertekend, maar nooit geratificeerd (ook niet nadien door de FRJ).

De FRJ erkent daarbij de competentie van het Comité tegen Foltering om individuele klachten in aanmerking te nemen.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001.

Zijn laatste rapport terzake is van 29 januari 2001, waaraan op 22 maart 2001 ten behoeve van de 57e sessie van de VN-mensenrechtencommissie een update is toegevoegd (VN-documenten E/CN.4/2001/47 respectievelijk E/CN.4/2001/47/Add.1).

De FRJ werd in juli 1992 (wegens de betrokkenheid van de aan Belgrado loyale Joegoslavische strijdkrachten bij de oorlog in Bosnië-Herzegovina) geschorst als lid van de OVSE. De FRJ en de OVSE zijn daarop overeengekomen dat de OVSE een 'langetermijnmissie' zou ontplooien in drie delen van de FRJ (Kosovo, Sandjak en de Vojvodina). Het akkoord gaan - en samenwerken - met deze missie was één van de voorwaarden voor herziening van de schorsing van het OVSE-lidmaatschap van de FRJ. De missie werd operationeel in september 1992, maar de FRJ heeft het mandaat van de missie in 1993 niet verlengd omdat de schorsing van de FRJ in de tussentijd niet ongedaan was gemaakt.

De Parlementaire Assemblee heeft op 22 januari 2001 besloten dat van toetreding van de FRJ tot de Raad van Europa eerst sprake kan zijn, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: volledige samenwerking met het Joegoslavië tribunaal (inclusief uitlevering van verdachten, waaronder ex-president Milosevic); afschaffing van de doodstraf in Servië en Montenegro; een vreedzame oplossing voor de gewelddadigheden in de Presevo-vallei; amnestie voor politieke gevangenen; voortzetting van de dialoog tussen Servië en Montenegro. Bron: Free B92 News for Tuesday, January 23, 2001.

B92 News, 14 februari 2001.

Free B92 News, 10 oktober 2001.

Voor een meer gedetailleerd verslag van de praktische consequenties van de Servische Universiteitswet zij verwezen naar Human Rights Watch, Deepening Authoritarianism in Serbia - The Purge of the Universities, januari 1999.

B92 News van dinsdag 10 oktober en maandag 16 oktober.

De Conferentie van Europese Rectoraten heeft op grond van diezelfde waarneming op 28 oktober 2000 een - in een eerder stadium naar aanleiding van de Servische Universiteitswet opgelegde - schorsing van Servische universiteiten opgeheven. De Conferentie vond het niet nodig daarmee te wachten totdat in Servië nieuwe wetgeving ten aanzien van de universiteiten zou zijn aangenomen. B92 News, maandag 30 oktober.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 128.

Ibidem, p. 135-138.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 258-259.

Ibidem, p. 122-123.

Ibidem, p. 124.

U.S. Department of State, Serbia-Montenegro Country Report on Human Rights Practices for 2000, februari 2001. Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 256-257.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 108.

United Nations, Economic and Social Council, Commission on Human Rights, Report of Mr. Jiri Dienstbier, Special Rapporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in Bosnia and Herzegovina, the Republic of Croatia and the Federal Republic of Yugoslavia, VN-document E/CN.4/2001/47, 29 januari 2001.

United Nations, Report of the Secretary-General on the United Nations Interim Administration in Kosovo, S/1999/1250, 23 december 1999, p. 12.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 286.

Economist Intelligence Unit, Country Report Yugoslavia (Serbia-Montenegro), januari 2001, p. 24.

Rechtbankpresidenten nemen in het Servische rechtsstelsel een sleutelrol in, aangezien zij kunnen bepalen welke rechtszaak door welke rechter gevoerd zal worden. Politiek gevoelige zaken kunnen op deze wijze worden toegewezen aan rechters die gemakkelijk te beïnvloeden zijn.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Annual Report 2000, Belgrado, 2001, hoofdstuk II (Independent Judiciary and judicial system).

Ibidem.

B92 News, 14 en 15 februari 2001.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 250.

B92 News, 11 februari 2001.

U.S. Department of State, Serbia-Montenegro Country Report on Human Rights Practices for 2000, februari 2001.

U.S. Department of State, Serbia-Montenegro Country Report on Human Rights Practices for 2000, februari 2001.

Ibidem.

Daarnaast zijn er aanwijzingen dat etnisch Albanese gedetineerden door hun familie in Kosovo zijn 'vrijgekocht' voor bedragen oplopend tot 50.000 Duitse mark. Bron: U.S. Department of State, Serbia-Montenegro Country Report on Human Rights Practices for 2000, februari 2001

Zie het ambtsbericht terzake van 9 maart 2001.

B92 News van woensdag 25 april 2001.

Naast onafhankelijke journalisten, actieve leden van oppositiepartijen en maatschappelijke activisten (op het gebied van bijvoorbeeld mensenrechten) werden in de laatste maanden van het regime-Milosevic met name leden van de verzetbeweging Otpor opgepakt voor een informatief gesprek (soms alleen al wegens het dragen van een Otpor T-shirt). Na een dergelijk verhoor, waarbij foto's en vingerafdrukken konden worden genomen, werd men doorgaans weer vrijgelaten.

Free B92 News, 10 oktober 2001.

Voor personen die zijn veroordeeld voor moord, ontvoering, aanranding, prostitutie, incest, diefstal, overval, afpersing en bendevorming, alsmede voor personen die driemaal voor een strafbaar feit zijn veroordeeld, geldt slechts een strafvermindering van 15 procent. Personen die veroordeeld zijn voor aanranding van weerlozen of van minderjarigen die nog geen 14 jaar oud zijn, alsmede personen die meer dan driemaal voor een strafbaar feit zijn veroordeeld, komen niet in aanmerking voor strafvermindering.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 226.

United Nations, Economic and Social Council, Commission on Human Rights, Report of Mr. Jiri Dienstbier, Special Rapporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in Bosnia and Herzegovina, the Republic of Croatia and the Federal Republic of Yugoslavia, VN-document E/CN.4/2001/47, 29 januari 2001.

B92 Daily News Bulletin for Monday, May 7, 2001.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Annual Report 2000, Belgrado, 2001, hoofdstuk II (Independent Judiciary and judicial system), paragraaf 6 (Police torture, harassment and misuses).

United Nations, Economic and Social Council, Commission on Human Rights, Report of Mr. Jiri Dienstbier, Special Rapporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in Bosnia and Herzegovina, the Republic of Croatia and the Federal Republic of Yugoslavia, VN-document E/CN.4/2001/47, 29 januari 2001.

Op 19 juli 2000 zijn twee politieagenten door de districtsrechtbank te Pozarevac veroordeeld tot gevangenisstraffen van vier jaar en negen maanden respectievelijk één jaar, wegens moord - respectievelijk medeplichtigheid daaraan - in mei 1999 op drie etnisch Albanese burgers uit Kosovo. Bron: Free B92 News, 19 juli 2000. Op 20 december 2000 veroordeelde de militaire rechtbank te Nis twee reservisten tot vierenhalf jaar gevangenisstraf elk wegens moord op een etnisch Albanees echtpaar uit Kosovo, op 28 maart 1999. De kapitein die de reservisten hiertoe opdracht had gegeven werd bij diezelfde gelegenheid tot vier jaar en tien maanden gevangenisstraf veroordeeld. Bron: Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 213.

United Nations, Economic and Social Council, Commission on Human Rights, Report of Mr. Jiri Dienstbier, Special Rapporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in Bosnia and Herzegovina, the Republic of Croatia and the Federal Republic of Yugoslavia, VN-document E/CN.4/2001/47, 29 januari 2001.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 57.

United Nations, International Covenant on Civil and Political Rights, Human Rights Committee, Consideration of reports submitted by states parties under article 40 of the covenant, Fourth periodic report submitted by the Government of Yugoslavia, VN-document CCPR/C/YUG/99/4, 28 juni 1999, p. 25.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, 20 maart 2000.

United Nations, International Covenant on Civil and Political Rights, Human Rights Committee, Consideration of reports submitted by states parties under article 40 of the covenant, Fourth periodic report submitted by the Government of Yugoslavia, VN-document CCPR/C/YUG/99/4, 28 juni 1999, p. 25.

Amnesty International, Federal Republic of Yugoslavia: Continuing Concerns, AI Index EUR 70/57/00, december 2000.

United Nations, International Covenant on Civil and Political Rights, Human Rights Committee, Consideration of reports submitted by states parties under article 40 of the covenant, Fourth periodic report submitted by the Government of Yugoslavia, VN-document CCPR/C/YUG/99/4, 28 juni 1999, p. 25.

Het huidige aantal Slavische Moslims in de FRJ is onbekend, aangezien duizenden Slavische Moslims de FRJ in de jaren negentig hebben verlaten (voornamelijk richting Bosnië-Herzegovina en landen in West-Europa), onder meer uit angst voor inzet in gewapende conflicten maar ook om economische redenen.

Freeb92, 28 augustus 2000.

Direct na het uitbreken van de oorlog in Bosnië-Herzegovina zijn in de aangrenzende Sandjak ernsitge mensenrechtenschendingen (moorden, ontvoeringen) begaan door paramilitaire eenheden, Bosnisch-Servische legereenheden en in mindere mate ook de Joegoslavische strijdkrachten. De slachtoffers waren voornamelijk Moslims. Medio 1993 kwam er een einde aan deze ernstige mensenrechtenschendingen nadat Milosevic, na langdurige druk van de internationale gemeenschap, afzag van militair ingrijpen in Bosnië-Herzegovina.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Minorities in Serbia, Belgrado, 2000, p. 98.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Minorities in Serbia, Belgrado, 2000, p. 18.

Onder de SFRJ-grondwet van 1974 kende de Vojvodina een zeer hoge graad van autonomie. De Vojvodina genoot toen bijna alle voorrechten van een deelrepubliek; zo functioneerde ze als één van de acht federale eenheden van de SFRJ. De zogenaamde anti-bureaucratische revolutie van 1989 maakte een einde aan deze autonomie. De nieuwe grondwetten van de FRJ en Servië hebben Vojvodina's autonomie feitelijk afgeschaft.

Free B92 News for Friday, January 19, 2001.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Minorities in Serbia, Belgrado, 2000, p. 118-138. De economische motieven zijn velerlei. Niet alleen zijn veel etnische Albanezen in Servië werkloos, ook is het voor een etnische Albanees uit Servië veel gemakkelijker geworden - sinds Kosovo door UNMIK wordt bestuurd - om zich in Kosovo te vestigen. Zo is de uit 1989 stammende Servische Wet op de Bijzondere Voorwaarden voor Transacties in Onroerende Zaken (zie 3.3.5.1) sinds november 1999 niet meer van toepassing in Kosovo, en wordt deze in Servië niet langer uitgevoerd.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Minorities in Serbia, Belgrado, 2000, p. 118-138.

Wel is er schaarste aan Albaneestalige leerboeken en bovenal aan etnisch Albanese leerkrachten. Men was gewoon hiervoor jonge mensen aan te trekken die in Pristina hadden gestudeerd. Thans blijven deze mensen liever in Kosovo, en werken ze daar al dan niet in het onderwijs.

Bron: Roma Information Centre Kragujevac. De genoemde opsomming is niet uitputtend. Sommige van de genoemde groepen kunnen overigens weer worden onderverdeeld in diverse subgroepen.

B92 Daily News Bulletin for Monday, February 26, 2001.

Deze opsomming van wetsartikelen is, voorzover het amnestie voor misdrijven tegen de strijdkrachten betreft, uitputtend. De amnestiewet is derhalve niet van toepassing op andere wetsartikelen met betrekking tot dienstweigering en desertie, zoals artikel 340 van de Wet inzake de Joegoslavische strijdkrachten en artikel 229 van het Wetboek van Strafrecht van de FRJ (zie het ambtsbericht over de dienstplicht in de FRJ d.d. 17 november 1999). In de praktijk zijn echter geen gevallen bekend van personen die tijdens en na de Kosovo-crisis op grond van deze andere wetsartikelen vervolgd c.q. veroordeeld zijn.

De Servische Wet inzake Vluchtelingen is op dit punt dan ook in strijd met de Federale Wet inzake de Joegoslavische Strijdkrachten, die bepaalt dat de militaire dienstplicht slechts van toepassing is op (mannelijke) staatsburgers van de FRJ.

Voorafgaand aan de Kosovo-crisis bevond een relatief groot aantal collectieve centra voor vluchtelingen zich in Kosovo (in het kader van het streven van het regime-Milosevic om het etnisch Servische gehalte van gebieden met veel etnische minderheden te verhogen). Na afloop van de Kosovo-crisis (in juni 1999) liepen de vluchtelingen die in deze centra waren ondergebracht het gevaar slachtoffer te worden van wraakacties door etnisch Albanezen. Hoewel zij officieel alleen met toestemming van het Servische vluchtelingencommissariaat hun verblijfplaats konden wijzigen, hebben de meeste vluchtelingen in de praktijk Kosovo toch verlaten en elders in Servië onderdak gevonden. Indien zij echter elders in Servië in een officieel vluchtelingencentrum huisvesting willen krijgen, dienen zij alsnog hun verblijfspositie met de autoriteiten te reguleren. In grote steden als Belgrado en Novi Sad kunnen vluchtelingen zich slechts bij hoge uitzondering vestigen.

Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, Report on the state of human rights in Serbia in 1999, www.helsinki.org.yu/god/egod99.htm, Belgrado, 2000.

In het algemeen ondervinden personen die een etnisch gemengd huwelijk zijn aangegaan en personen van gemengde etnische afkomst overigens geen noemenswaardige problemen in de FRJ.

Belgrade Center for Human Rights, Human Rights in Yugoslavia 2000, Belgrado, 2001, p. 290.

UNHCR, Asylum Applications Submitted in Europe, 2000, januari 2001.

Ibidem.

UNHCR, Asylum Applications Submitted in Europe, 2000, januari 2001.

UNHCR, Asylum Applications Submitted in Europe, 2000, januari 2001.

Ibidem.

UNHCR, Asylum Applications Submitted in Europe, 2000, januari 2001.

Het betreft het document 'Asylum Seekers from the Federal Republic of Yugoslavia: Particular Groups' van oktober 1999.

UNHCR, UNHCR Position on the Continued Protection Needs of Individuals from Kosovo, maart 2001.

===

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie