Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

BZ Ambtsbericht inzake situatie Afghanistan

Datum nieuwsfeit: 03-09-2001
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

charset="iso-8859-1"

www.minbuza.nl/content.asp?Key=419855




1 Inleiding


In dit ambtsbericht wordt de recente situatie in Afghanistan beschreven voorzover van belang voor de beoordeling van asielverzoeken en voor de besluitvorming over de terugzending van uitgeprocedeerde Afghaanse asielzoekers. Anders dan bij de voorgaande algemene ambtsberichten wordt geen aandacht besteed aan de situatie in Afghanistan ten tijde van het communistische bewind (1978-1992). Voor informatie over deze periode blijven de ambtsberichten van 16 september 1999 en 9 mei 2000 geldig. Voor het overige geldt de tekst van dit ambtsbericht als geactualiseerde informatie.

Het ambtsbericht telt zes hoofdstukken. In hoofdstuk twee worden, na een korte historische terugblik, de recente militaire en politieke ontwikkelingen geschetst. Tevens wordt aandacht besteed aan de veiligheidssituatie in Afghanistan en de sociaal-economische toestand waarin het land verkeert. Hoofdstuk drie beschrijft de mensenrechtensituatie in Afghanistan, waarbij onder meer wordt ingegaan op de situatie van de vrouw en de positie van etnische minderheden. Ook wordt ingegaan op de rechtsgang in het land. In hoofdstuk vier komen kort de landen van eerste opvang ter sprake, alsook het beleid van andere westerse landen en UNHCR met betrekking tot de terugkeer van afgewezen, uitgeprocedeerde Afghaanse asielzoekers. Hoofdstuk vijf bevat een samenvatting van de voorgaande hoofdstukken.

Nederland heeft geen ambassade in Afghanistan. Aan de totstandkoming van dit ambtsbericht ligt dan ook in eerste instantie informatie van de Nederlandse ambassade in Islamabad (Pakistan) ten grondslag. De Nederlandse ambassade aldaar onderhoudt een uitgebreid netwerk aan contacten, zowel in Afghanistan als onder de Afghaanse gemeenschap in Pakistan. Tevens is gebruik gemaakt van informatie van de Nederlandse ambassades in Teheran (Iran) en Almaty (Kazachstan).

Naast de informatie afkomstig van de bovenstaande Nederlandse ambassades, zijn bij het opstellen van dit ambtsbericht openbare rapportages van andere landen, VN-organisaties en Niet-Gouvernementele Organisaties (NGO's) geraadpleegd alsmede vertrouwelijke rapporten van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken en UNHCR. Ten slotte is gebruik gemaakt van vakliteratuur en berichtgeving in de media. Een overzicht van de openbare bronnen is opgenomen in hoofdstuk 6. Daar waar niet-vertrouwelijke bronnen zijn vermeld, is de tekst in veel gevallen ook gebaseerd op informatie die op vertrouwelijke basis is ingewonnen.

Binnenkort verschijnen separaat ambtsberichten over de situatie van Afghanen in Iran, Pakistan en de Centraal-Aziatische republieken (Kazachstan, Turkmenistan, Oezbekistan, Tadzjikistan). Vooralsnog wordt voor de beschrijving van de situatie van Afghanen in Pakistan verwezen naar hoofdstuk 4 van het ambtsbericht 'Asiel in derde landen' met kenmerk DPC/AM-663895 van 6 december 2000.

Wenk voor de lezer

De Afghaanse benamingen die in de tekst worden gebezigd zijn fonetische vertalingen in het Latijnse schrift van begrippen uit het Dari en Pashtu. Het is dan ook goed mogelijk dat in andere bronnen enigszins afwijkende schrijfwijzen worden gehanteerd.


2 Landeninformatie



2.1 Basisgegevens

In deze paragraaf wordt een korte schets gegeven van Afghanistan. Eerst wordt een kort overzicht gegeven van de topografie van het land en de volken die er leven. Daarna volgt een overzicht van de recente geschiedenis van het land vanaf de val van het communistisch bewind in 1992. De nadruk ligt daarbij op de wijze waarop de Taliban vanaf hun opkomst in 1994 een steeds groter gedeelte van Afghanistan onder hun controle kregen. Ten slotte wordt ingegaan op de bestuurlijke organisatie van Afghanistan. Daarbij komt eveneens de (bevolkings)administratie in het door de Taliban gecontroleerde deel van Afghanistan aan de orde.

Afghanistan is een land in Zuidwest-Azië dat volledig wordt ingesloten door andere landen. In het westen grenst Afghanistan aan Iran, in het noorden aan Turkmenistan, Oezbekistan en Tadzjikistan, in het noordoosten aan China en in het oosten en zuiden aan Pakistan.

Afghanistan heeft een oppervlakte van ongeveer 652.000 km . Het land is opgedeeld in 31 provincies. De vijf grootste steden van het land zijn Kabul (de hoofdstad), Kandahar, Herat, Mazar-i-Sharif en Jalalabad. Vanwege de burgeroorlog en de migratie is het moeilijk om de omvang van de bevolking te bepalen; schattingen duiden op bijna 23 miljoen inwoners. De belangrijkste etnische groepen in Afghanistan zijn de Pashtuns, de Tadzjieken, de Hazara's en de Oezbeken. Daarnaast zijn er nog vele kleinere etnische groepen, waaronder de Turkmenen en de Farsen of Farsiwan.

Van de vele talen die in Afghanistan worden gesproken, zijn Pashtu en Dari de belangrijkste. Pashtuns spreken gewoonlijk Pashtu, Tadzjieken en Hazara's voornamelijk Dari. Veel stedelijke Pashtuns, met name in Kabul, spreken ook Dari. Sinds 1936 zijn Pashtu en Dari de officiële talen van Afghanistan.

Na een jarenlange burgeroorlog tussen aanhangers van het communistische bewind en islamitische opstandelingen, de Mudjahedin, kwam in april 1992 een einde aan een tijdperk van veertien jaar communistisch bestuur. De diverse Mudjahedin-facties die tegen het communistische bewind hadden gevochten, doken in het machtsvacuüm en grepen daar waar zij konden de macht. Om het hoofd te kunnen bieden aan de chaos die hiervan het gevolg was, besloten de Mudjahedin-facties een interimregering te formeren. Na een korte regeerperiode van Sibghatullah Mujaddidi, koos een raadgevende vergadering vervolgens professor Burhanuddin Rabbani tot president van de nieuw uitgeroepen 'Islamitische Staat Afghanistan'.

Aangezien Rabbani's benoeming tot president niet door alle Mudjahedin-facties ten volle werd gesteund, ontstond al spoedig een nieuwe burgeroorlog. De hoofdstad Kabul kwam zwaar gehavend uit deze felle strijd tussen de voormalige anti-communistische facties. Pas na de komst van de Taliban werd in grote delen van Afghanistan de rust hersteld.

De opmars van de Taliban in Afghanistan begon in 1994. De Taliban-beweging werd in dat jaar opgericht door een groep Afghanen die had gestudeerd aan koranscholen, zogenaamde madrassas, in Afghanistan en Pakistan.

De Taliban zijn grotendeels Pashtuns afkomstig uit de zuidelijke provincies van Afghanistan. De beweging wordt geleid door mullah Mohammad Omar, oorspronkelijk een religieus dorpsleider die sinds de verovering van het zuiden van Afghanistan in Kandahar zetelt. De Taliban streven ernaar om van Afghanistan na de communistische periode weer een islamitische staat te maken. Dit streven dient de eenheid van het land te herstellen. Algehele invoering van een vorm van het islamitisch gewoonterecht, de sharia, vormt een wezenlijk onderdeel van hun strijd.

Onder de steden die in de beginfase in handen van de Taliban vielen, waren Kandahar (november 1994), Herat (5 september 1995), Jalalabad (11 september 1996) en de hoofdstad Kabul (27 september 1996). Het succes van de Taliban was mede te danken aan ernstige verdeeldheid onder de Mudjahedin-facties. Vandaar dat in oktober 1996 drie Mudjahedin-facties besloten hun geschillen bij te leggen en een coalitie aan te gaan, de zogenaamde Supreme Council for the Defence of Afghanistan. In oktober 1996 zetten troepen van de Supreme Council de tegenaanval in op Kabul. De strijd sleepte zich voort tot januari 1997, maar leidde niet tot herovering van de hoofdstad.

In januari 1997 lanceerden de Taliban een verrassingsoffensief ten noorden van Kabul. In korte tijd veroverden de Taliban een groot deel van de provincie Parwan, waaronder de provinciehoofdstad Charikar en de strategische (militaire) vliegbasis Baghram. In mei 1997 stelde een machtsstrijd tussen de veldheren Abdul Rashid Dostam en Abdul Malik (die de zijde van de Taliban koos), beiden van de Junbish-i-Melli wa Islami, de Taliban zelfs in staat om Mazar-i-Sharif in te nemen.

De Taliban wisten zich in Mazar-i-Sharif niet te handhaven. Reeds na drie dagen werden de Taliban uit de stad verdreven, toen hun nieuw verworven bondgenoot, Malik, zich plotseling tegen hen keerde. Vele duizenden Taliban-strijders vonden de dood, zowel bij gevechten in de stad als bij hun aftocht naar het zuiden.

De kansen leken nu te keren ten gunste van de anti-Taliban coalitie. In juni 1997 werd de anti-Taliban coalitie uitgebreid met nog twee Mudjahedin-facties. De naam van de coalitie werd gewijzigd in United Islamic Front for the Salvation of Afghanistan (UIFSA), kortweg ook wel 'United Front' of 'Noordelijke Alliantie' genoemd. De Taliban leden een aantal nederlagen op rij en waren gedwongen zowel Charikar als de vliegbasis Baghram opnieuw prijs te geven.

Eind juli 1997 bevonden troepen van het UIFSA zich opnieuw binnen schootsafstand van Kabul. In augustus van dat jaar benoemde het UIFSA een nieuwe regering. Rabbani bleef aan als president. Eind oktober 1997 besloten de Taliban eenzijdig de naam van het land te veranderen in 'Islamitisch Emiraat Afghanistan'.

In de zomer van 1998 kreeg de opmars van de Taliban opnieuw momentum en veroverden zij de provincies Badghis, Fariyab, Jowzjan, Takhar, Baghlan, Kunduz, Samangan en Balkh. Bij het offensief vielen belangrijke steden als Maimana (21 juli), Shiberghan (2 augustus), Mazar-i-Sharif (8 augustus), Taloqan (11 augustus) en Bamiyan (13 september) in handen van de Taliban. Alleen Taloqan moesten de Taliban op 17 oktober weer prijsgeven aan het UIFSA.

In 1999 deden de Taliban verwoede pogingen om de zegetocht voort te zetten. Ditmaal hadden zij evenwel minder succes. De eerste grote tegenslag voor de Taliban was de verovering van Bamiyan door strijders van Hezb-i-Wahdat op 21 april 1999. De verovering was echter van korte duur. Vanwege onenigheid binnen het UIFSA slaagden de Taliban erin de stad reeds op 9 mei 1999 opnieuw onder hun controle te brengen. Na de overwinning van de Taliban werd de bevolking van de stad Bamiyan en de districten Bamiyan, Shiber en Yakawlang in de provincie Bamiyan getroffen door een golf van geweld.

Op 28 juli 1999 ontketenden de Taliban grootscheepse offensieven ten noorden van Kabul en in het noorden van Afghanistan. Aanvankelijk boekten de Taliban grote terreinwinst. Grote delen van de vruchtbare Shomali-vallei in de provincie Parwan werden onder de voet gelopen, waaronder de provinciehoofdstad Charikar en de vliegbasis Baghram. In het noorden van Afghanistan slaagden de Taliban er onder meer in Sher Khan Bandar, een havenplaats aan de rivier de Amu Darya, te veroveren.

Op 5 augustus 1999 lanceerde het UIFSA een tegenoffensief, zowel in de Shomali-vallei als bij Sher Khan Bandar, waarbij veel van het verloren terrein werd herwonnen. Nadat de troepen van de Taliban zich hadden hergroepeerd, gingen zij op 11 augustus 1999 opnieuw in de aanval in de Shomali-vallei. De burgerbevolking, die door de Taliban mede schuldig werd geacht aan de succesvolle tegenaanval van het UIFSA, werd bij de opmars niet ontzien. De voornamelijk Tadzjiekse bevolking werd zowel om die reden als om etnische redenen verdreven door huizen plat te branden, boom- en wijngaarden te verwoesten en vee te doden. Eenheden van niet-Afghaanse strijders die aan de zijde van de Taliban streden zouden zich, tegen de wil van de Taliban, schuldig hebben gemaakt aan plundering en verkrachting.

Na een maand van bloedige gevechten hadden de Taliban uiteindelijk maar een geringe terreinwinst geboekt. Wel slaagden zij erin de vliegbasis Baghram te heroveren. Omdat het front tussen de strijdende partijen zich op een afstand van ongeveer vijftig kilometer van Kabul stabiliseerde, verbeterde de veiligheidssituatie in Kabul. Het vliegveld van deze stad, dat onder meer gebruikt wordt voor VN-vluchten, kwam buiten het bereik van de raketten van het UIFSA te liggen en is sindsdien geen doelwit van aanvallen meer geweest.

Het laatste grootscheepse offensief van de Taliban in 1999 begon op 25 september en vond plaats in de provincies Kunduz en Takhar. Eind oktober had het UIFSA de Taliban weer teruggedreven naar hun uitgangsposities. Voor de Taliban was de beslissende doorbraak op het slagveld ook in 1999 uitgebleven.

Zie voor een beschrijving van de recente militaire ontwikkelingen paragraaf 2.2 van dit ambtsbericht.

Deze sub-paragraaf is gewijd aan de bestuurlijke organisatie van Afghanistan onder de Taliban. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de (bevolkings)administratie. Het gedeelte over de bestuurlijke organisatie onder de Taliban wordt voorafgegaan door een korte beschrijving van de regering van de Taliban en die van het UIFSA.

Afghanistan kent twee regeringen: die van de Taliban en die van het UIFSA. Het overgrote deel van het land staat onder controle van de Taliban, een ultra-conservatieve islamitische beweging wier aanhang voornamelijk uit Pashtuns bestaat. Het land wordt door hen aangeduid als 'Islamitisch Emiraat Afghanistan'. Leider van de Taliban is mullah Omar, die als titel 'leider van alle gelovigen' (Amirul Momineen) draagt. Hij staat aan het hoofd van de zogenaamde binnen-Shura, die net als hijzelf in Kandahar zetelt. De ministeries in Kabul zijn eveneens in handen van de Taliban. In beide regeringen hebben alleen mannen zitting; vrouwen spelen geen rol.

De regering van de Taliban wordt slechts door drie landen erkend. Pakistan, de belangrijkste bondgenoot van de Taliban, was het eerste land dat deze stap zette. Dit gebeurde in mei 1997, na de val van de noordelijke stad Mazar-i-Sharif. Het voorbeeld van Pakistan werd spoedig gevolgd door de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi Arabië. Sindsdien is geen enkel ander land tot erkenning van de regering van de Taliban overgegaan.

Hoewel de regering van president Rabbani in september 1996 uit Kabul werd verdreven en sindsdien een steeds kleiner deel van Afghanistan onder haar controle heeft, wordt zij algemeen beschouwd als de rechtmatige regering van het land. Zo bekleedt een vertegenwoordiger van de 'Islamitische Staat Afghanistan' - tot groot ongenoegen van de Taliban - nog steeds de zetel van Afghanistan bij de Verenigde Naties. Ook vrijwel alle Afghaanse ambassades zijn in handen van de regering van Rabbani. Minister van Defensie Ahmad Shah Massoud speelt een sleutelrol binnen de regering. Als leider van de Shura-i-Nazar, de militaire vleugel van Rabbani's Jamiat-i-Islami, rust het voortbestaan van de Islamitische Staat Afghanistan voornamelijk op zijn schouders. De stad Faizabad in de provincie Badakhshan
- de enige stad in Afghanistan die nog onder controle staat van het UIFSA - is het (tijdelijke) regeringscentrum van de Islamitische Staat Afghanistan.

Voor een overzicht van de samenstelling van de regering van de Taliban (inclusief de namen van een aantal gouverneurs) en die van president Rabbani wordt verwezen naar bijlagen 1 en 2.

De bestuurlijke organisatie van Afghanistan onder de Taliban is zwak. Feitelijk bestaat alleen op centraal niveau een enigszins duidelijke structuur. Vanuit het centrum worden richtlijnen uitgevaardigd, waaraan de lagere bestuurlijke echelons zich in beginsel dienen te houden. De interpretatie van deze richtlijnen verschilt echter van plaats tot plaats, hetgeen aanzienlijke regionale verschillen in de uitvoering van de maatregelen tot gevolg heeft. Gehoorzaamheid dwingen de Taliban af door intimidatie, die zich onder meer kan uiten in willekeurige arrestaties en afpersing.

(Bevolkings)administratie

Gezien het zojuist beschreven gebrek aan bestuurlijke structuur in Afghanistan, wekt het nauwelijks verbazing dat van een doelmatige (bevolkings)administratie onder de Taliban evenmin sprake is. Als de Taliban op het gebied van bevolkingsadministratie al centrale richtlijnen zouden hebben uitgevaardigd, dan worden deze richtlijnen op uitvoeringsniveau lang niet altijd in de praktijk gebracht. Het zou echter onjuist zijn om dit manco volledig op het conto van de Taliban te schrijven.

De ontmanteling van de bevolkingsadministratie begon reeds in het midden van de jaren tachtig. Als gevolg van de burgeroorlog en de daarmee gepaard gaande verwoestingen en onrust, bleek het steeds moeilijker om de administratie op orde te houden. Het verval zette zich voort in de tweede helft van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig. Niet alleen bleef de burgeroorlog zijn tol eisen, ook werden in deze periode allerhande centrale en decentrale archieven op last van de algemene inlichtingendienst van de Sovjet-Unie (KGB) en de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) opgeschoond of vernietigd - dit om te voorkomen dat gevoelige informatie in handen van de vijand zou vallen.

Na de val van het communistische bewind in 1992 bestond feitelijk alleen nog in dorpen op het Afghaanse platteland een soort (bevolkings)administratie. Deze administratie werd gewoonlijk bijgehouden door een dorpsoudste, die vanwege de beperkte omvang van de gemeenschap goed op de hoogte was van de plaatselijke ontwikkelingen. Uit dien hoofde kon de dorpsoudste zich tevens beroepen op een zekere formele verwevenheid met de desbetreffende staatsorganen. Dit laatste overblijfsel van het oorspronkelijke administratiesysteem is inmiddels óók in onbruik geraakt. Met de komst van plaatselijke vertegenwoordigers van de Taliban werd de functie van de dorpsoudste uitgehold. Enerzijds kon geen sprake meer zijn van enigerlei vorm van verwevenheid met de staat. Anderzijds richtten de Taliban-vertegenwoordigers zich op de inkomstenbron van de dorpsoudste, temeer daar het centrale Taliban-gezag niet, althans in onvoldoende mate, voorziet in hun financiële bestaanszekerheid, noch fondsen vrijmaakt voor de instandhouding van een bevolkingsadministratie. Echter, wegens de ongeletterdheid of desinteresse van de plaatselijke vertegenwoordiger van de Taliban werd het bevolkingsadministratiesysteem veelal niet gecontinueerd.

2.2 Recente militaire ontwikkelingen en veiligheidssituatie


Op 20 januari 2000 ontketenden de Taliban een offensief in de provincie Jawzjan. Daarbij kregen de Taliban het Sang Charak district weer in handen, dat voornamelijk door etnische Oezbeken wordt bewoond en korte tijd daarvoor door het UIFSA was veroverd.

Op 1 maart 2000 gingen de Taliban in de aanval in de provincie Kunduz en in de Shomali-vallei. In Kunduz wisten de Taliban voor de derde maal in korte tijd Sher Khan Bandar, een havenplaats aan de rivier de Amu Darya, te veroveren. Net als de twee voorgaande keren (in juli-augustus en september-oktober 1999) werden de Taliban weinig later weer door het UIFSA uit de stad verdreven. Hetzelfde gold voor een aanval van de Taliban op posities van het UIFSA in het Burka district in het noorden van de provincie Baghlan.

Na een mislukte aanval medio februari 2000 op Dar-i-Suf in de provincie Samangan, voerden straaljagers van de Taliban op 26 juni 2000 bombardementen uit op stellingen van het UIFSA ter ondersteuning van hun grondtroepen. Wederom kon echter geen doorbraak worden geforceerd. Een dergelijk bombardement vond tegelijkertijd plaats in het Kaldaro district in de provincie Balkh.

Medio april 2000 heroverden strijdkrachten loyaal aan het UIFSA de districten Saghar en Shahrak in de provincie Ghor. Naar verluidt werden bij de gevechten huizen verbrand en mensen verdreven.

Na eerdere gevechten in maart 2000, die nauwelijks hadden geleid tot wijzigingen in de frontlinie, braken op 1 juli 2000 opnieuw zware gevechten uit in de Shomali-vallei in de provincie Parwan. De Taliban richtten hun aanvallen op de vliegbasis Baghram en op de provinciehoofdstad Charikar. Deze plaatsen liggen op respectievelijk 50 en 64 kilometer ten noorden van Kabul. De terreinwinst die de Taliban aanvankelijk boekten, werd spoedig door het UIFSA ongedaan gemaakt. Met name de landmijnen in het gebied zouden veel slachtoffers onder de Taliban-strijders hebben gemaakt. Net als in de zomer van 1999 maakten de Taliban gebruik van de tactiek van de verschroeide aarde - zij het op een minder grote schaal.

Tijdens de gevechten in de Shomali-vallei werden de grondtroepen van de Taliban ondersteund door straaljagers. Bij bombardementen op Charikar en Jabal-us Saraj vielen burgerslachtoffers. Opnieuw waren er berichten dat niet-Afghaanse strijders aan de zijde van de Taliban meevochten.

Eind juli verplaatste het belangrijkste strijdtoneel zich weer naar het noorden van Afghanistan, waar de troepen van de Taliban zich in de voorgaande maanden hadden versterkt. Hier hadden de offensieven van de Taliban aanmerkelijk meer succes dan in de Shomali-vallei. Na artilleriebeschietingen en luchtbombardementen veroverden de Taliban op 30 juli de stad Nahreen in de provincie Baghlan. Twee weken later bereikten troepen van de Taliban de buitenwijken van de hoofdstad van Takhar, Taloqan, een van de belangrijkste zenuwcentra van het UIFSA.

De Taliban brachten het UIFSA een zware slag toe toen zij er op 6 september 2000 in slaagden geheel Taloqan onder hun controle te brengen, waardoor de troepen van Ahmad Shah Massoud in de Panshir-vallei werden afgesneden van de belangrijke bevoorradingsroute vanuit Tadzjikistan. In de weken daarop werd de wijde omgeving van Taloqan alsmede de districten Khwajaghar, Dashti Archi en Imam Sahab in de provincie Takhar veroverd. Medio oktober 2000 lanceerde het UIFSA een tegenaanval, waarin een gedeelte van het verloren terrein werd herwonnen. Taloqan bleef echter in handen van de Taliban. De gevechten brachten een vluchtelingenstroom van vele tienduizenden mensen op gang, zowel binnen Afghanistan als naar Pakistan en richting Tadzjikistan.

In de winter verschoof het strijdtoneel opnieuw, nu naar de provincie Bamiyan in de Hazarajat in centraal-Afghanistan. Op 20 december 2000 slaagden strijders van Khalili's Hezb-i-Wahdat erin het Yakawlang district op de Taliban te veroveren. Reeds op 7 januari 2001 heroverden de Taliban het gebied. Vermoedelijk als vergelding voor de steun die Hezb-i-Wahdat onder de plaatselijke bevolking geniet, richtten de Taliban in de dagen daarop een bloedbad aan onder de burgerbevolking. Op 23 januari 2001 werden de Taliban opnieuw uit Yakawlang verdreven.

In februari 2001 concentreerden de gevechten zich rond de stad Bamiyan. Medio februari wisten strijders van Hezb-i-Wahdat Bamiyan op de Taliban te veroveren. Enkele dagen later, op 17 februari 2001, viel de stad echter opnieuw in handen van de Taliban. De gevechten en mensenrechtenschendingen leidden ook in de provincie Bamiyan tot een uittocht van mensen, die hun heil veelal zochten in naburige, minder getroffen districten.

Momenteel controleren de Taliban meer dan negentig procent van het grondgebied van Afghanistan, waaronder de belangrijkste toegangswegen. Het UIFSA is met de val van Taloqan een zware slag toegebracht, maar heeft begin 2001 de toegangsweg tot Tadzjikistan weer onder zijn controle gebracht. De machtsbasis van Rabbani's Jamiat-i-Islami beperkt zich grotendeels tot de noordoostelijke provincies van Afghanistan, met name Takhar, Parwan, Kapisa en Badakhshan - gebieden waar voornamelijk etnische Tadzjieken leven. Hezb-i Wahdat, dat eveneens deel uitmaakt van het UIFSA, blijft actief in centraal-Afghanistan. Khalili's Hezb-i-Wahdat wordt daarbij in sommige gebieden gesteund door de eveneens sjiietische Harakat-i-Islami.

Medio april 2001 is generaal Abdul Rashid Dostam, leider van de Junbish-i-Melli wa Islami, na twee jaar uit diens zelfverkozen ballingschap (Iran) naar het Afghaanse strijdtoneel teruggekeerd. Hij heeft het feitelijke commando over zijn troepen alsmede het militaire bondgenootschap met Massoud hernieuwd.

Begin mei 2001 leverden UIFSA-troepen strijd met Taliban-eenheden in de provincies Balkh (districten Zaare en Aqkobrok), Kunar (districten Dangan en Pashad, alsmede Taliban-bolwerken te Chenari Ghond en Babow), Takhar (een hernieuwde poging van Massoud om Taloqan te heroveren) en Kabul (controle over de Ghorband-pas, circa 70 km noordelijk van de stad Kabul, welke pas toegang verleent tot het door de UIFSA gecontroleerde achterland).

De mededelingen van de strijdende partijen omtrent hun veroveringen contrasteren zodanig dat vooralsnog geen conclusies kunnen worden verbonden over het verloop van de strijd.

Gezien hun verovering van Taloqan en de hernieuwde sancties van de Veiligheidsraad (zie paragraaf 2.3.2), is de verwachting dat de animo onder de Taliban groot is om te proberen de burgeroorlog op het slagveld te beslechten. Het UIFSA beschouwt de sancties als een steun in de rug en zal in het eenzijdige wapenembargo tegen de Taliban eveneens een aanmoediging zien om verder te vechten.

Militaire veiligheidssituatie


In de delen van Noord- en Centraal-Afghanistan waar gevochten wordt tussen de Taliban en het UIFSA, laat de militaire veiligheidsheidssituatie te wensen over. In die gebieden waar de Taliban al enkele jaren de scepter zwaait, is geen sprake van militair geweld.

Een probleem blijft de aanwezigheid van Osama bin Laden in Afghanistan. De Verenigde Staten behouden zich het recht voor om, net als in augustus 1998, met geweld tegen hem, zijn organisatie en zijn gastheren op te treden. Het onlangs op aandringen van onder meer de Verenigde Staten door de Veiligheidsraad aangenomen verscherpte sanctieregime tegen de Taliban lijkt er evenwel op te duiden dat gewapend ingrijpen vooralsnog niet ophanden lijkt.

Een ander probleem waarmee Afghanistan kampt zijn landmijnen, waarmee het land vergeven is. De schattingen over het aantal personen dat in de afgelopen tien jaar door landmijnen is gedood of verminkt lopen uiteen van 70.000 (UNHCR) tot 400.000 (USAID). Elke week komen hier nog honderd doden of gewonden bij.

2.3 Recente politieke ontwikkelingen

Het verlies van Taloqan in september 2000 was een zware slag voor het UIFSA. Uit angst dat het bondgenootschap uiteen zou vallen, begon het UIFSA in de maanden daarna te werken aan versterking van de coalitie. Dit leidde eind 2000 tot de vorming van een nieuwe militaire raad door Massoud, waarin onder meer generaal Abdul Rashid Dostam en Ismaël Khan zitting kregen.

In deze sub-paragraaf wordt aandacht besteed aan enkele recente interne ontwikkelingen in Afghanistan.

Na een reeks bomaanslagen in Kabul, in januari en februari 2000, werd de stad eind 2000 en begin 2001 opnieuw opgeschrikt door zware ontploffingen. Op 24 november ging een bom af buiten het Spinzar hotel, dat vlakbij het ministerie voor Informatie en Cultuur is gelegen. Een maand later, op 28 december, volgde een zware ontploffing bij het Khorasan hotel - een hotel dat gewoonlijk wordt gebruikt door buitenlanders en hun familie. Op 1 februari 2001 ontploften nog eens drie bommen vlakbij het ministerie van Buitenlandse Zaken, het ministerie van Onderwijs en het Kabul hotel. Op 15 maart 2001 vond vervolgens een bomexplosie plaats bij het Pakistaanse consulaat in Jalalabad. De voorlopig laatste bomexplosie vond plaats op 4 mei 2001 nabij een Moskee in Herat.

In februari 2001 bepaalde mullah Omar dat alle Boeddha-beelden in Afghanistan vernietigd moesten worden, omdat het afgodsbeelden zouden zijn. Mullah Omar herriep daarmee een eerder decreet, waarin hij had bepaald dat beelden die niet langer werden vereerd door de Taliban beschermd moesten worden. Ondanks luide protesten uit alle delen van de wereld, bleef mullah Omar onvermurwbaar. De meest tot de verbeelding sprekende 'slachtoffers' van het besluit zijn twee kolossale Boeddha-beelden in een rotswand bij Bamiyan. Zij zijn inmiddels met dynamiet opgeblazen. Overigens zijn er aanwijzingen dat de Taliban intern verdeeld waren over het besluit van mullah Omar.

Na eerder overleg in maart 2000, vond van 8 tot 10 mei 2000 in Djedda, Saudi-Arabië, de tweede ronde plaats van besprekingen tussen vertegenwoordigers van de Taliban en het UIFSA. De VN was als waarnemer bij deze besprekingen aanwezig.

De Taliban en het UIFSA kwamen in Djedda een omvangrijke uitwisseling van krijgsgevangenen overeen onder toezicht van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC). In voorbereiding op de uitwisseling inspecteerden beide partijen op 21 juni 2000 elkaars gevangenissen in Kabul, Kandahar en de Panjshir-vallei. De gevangenruil is overigens niet geëffectueerd wegens de voortzetting van oorlogshandelingen en het diepgewortelde wantrouwen tussen de partijen.

In februari 2000 werd Francesc Vendrell benoemd tot Persoonlijk Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en hoofd van de United Nations Special Mission to Afghanistan (UNSMA). Vendrell werd daarmee verantwoordelijk voor de vredesinspanningen van de VN in Afghanistan. In zijn hoedanigheid als vredestichter onderhield Vendrell in de loop van 2000 contacten met hoge vertegenwoordigers van de Taliban en het UIFSA. Op 5 september 2000 sprak Vendrell met mullah Omar. Voorts sprak hij met een aantal Taliban-ministers, onder wie de minister van Buitenlandse Zaken. Aan de zijde van het UIFSA waren zijn gesprekspartners onder meer president Rabbani en vice-president en minister van Defensie Ahmed Shah Massoud.

In november 2000 kreeg Vendrell van beide zijden de schriftelijke toezegging dat zij zouden deelnemen aan een dialoog tussen de strijdende partijen onder leiding van de Secretaris-Generaal (of zijn Persoonlijk Vertegenwoordiger) gericht op de spoedige beëindiging van het conflict in Afghanistan met politieke middelen. De partijen beloofden daarin de dialoog niet unilateraal te zullen staken. Vendrell pendelde daarna tussen vertegenwoordigers van beide partijen om een agenda voor de besprekingen op te stellen. Aan de voorzichtige hoop op een politieke doorbraak kwam met de aanvaarding van Veiligheidsraadresolutie 1333 van 19 december 2000, waarin werd besloten tot hernieuwde sancties (zie paragraaf 2.3.3), abrupt een einde door de weigering van de Taliban nog langer vredesbesprekingen onder auspiciën van de VN te willen voeren.

Naast gesprekken met vertegenwoordigers van de Taliban en het UIFSA, sprak Vendrell in 2000 ook tweemaal met de voormalige koning van Afghanistan, Zaher Shah, die met zijn medestanders vanuit Rome een Loya Jirgah in Afghanistan wil organiseren om een vreedzame oplossing voor het conflict te vinden. Op 20 november 2000 lieten de Taliban weten geen heil te zien in het plan. Er bestaat dan ook geen uitzicht op een spoedige verwezenlijking van dit idee.

Begin april 2001 legde de belangrijkste strateeg van het UIFSA, Ahmad Shah Massoud, tezamen met de minister van Buitenlandse Zaken van het UIFSA, Abdullah, een bezoek af aan Europa. Bij een van zijn gesprekken zegde Massoud zijn medewerking toe aan de vredesvoorwaarden zoals verwoord in de gezamenlijke positie van de Europese Unie ten aanzien van Afghanistan, te weten een onmiddellijk staakt-het-vuren, gevolgd door onderhandelingen uitmondend in de vorming van een regering van nationale eenheid.

Op 19 december 2000 stemde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vóór uitbreiding van de sancties tegen de Taliban. De implementatie ervan werd per 19 januari 2001 een feit. De eerdere sancties waren op 14 november 1999 van kracht geworden nadat de Taliban niet hadden voldaan aan een ultimatum van de Veiligheidsraad om Osama bin Laden uit te leveren.

Het nieuwe sanctieregime is strenger dan het voorgaande. Het meest gevoelige onderdeel vormt het unilaterale verbod op wapenleveranties aan de Taliban, dat zeker door de Taliban als een steunbetuiging aan het UIFSA wordt opgevat. Overigens is het zeer twijfelachtig dat het verbod in de praktijk effectief afgedwongen kan worden.

Uit angst voor een herhaling van de ongeregeldheden die uitbraken na de afkondiging van de sancties in 1999, werden buitenlandse werknemers van de VN en andere hulporganisaties in december 2000 uit Afghanistan teruggeroepen. Demonstraties bleven ditmaal echter uit en de werknemers konden na niet al te lange tijd terugkeren.

Begin 2001 begonnen de gevolgen van de sancties merkbaar te worden. Nadat de Afghaanse luchtvaartmaatschappij Ariana reeds in november 1999 haar internationale vluchten moest opschorten, zijn door de bevriezing van haar tegoeden binnenlandse vluchten inmiddels ook niet langer mogelijk. Bovendien is het leden van de Taliban niet meer toegestaan mee te vliegen op VN-vluchten.

De Taliban grijpen de opgelegde sancties aan om de VN de schuld te geven van de slechte sociaal-economische situatie in het land. Ook heeft het sanctieregime de positie van de VN als vredesmiddelaar in het conflict ernstig ondermijnd (zie paragraaf 2.3.2).

Medio februari 2001 gaven de Taliban opdracht het kantoor van UNSMA in Kabul te sluiten. De aanleiding voor dit besluit was de beslissing van de Amerikaanse autoriteiten om de informele vertegenwoordiging van de Taliban bij de VN, die in een pand in New York was ondergebracht, te sluiten. Na interventie van de Secretaris-Generaal van de VN hebben de Amerikaanse autoriteiten ermee ingestemd dat de Taliban een gedelegeerde in New York kunnen huisvesten, op voorwaarde dat hij geen 'officieel' kantooradres zal hebben. Hij zal optreden als informeel intermediair tussen het Taliban-regime en de Verenigde Naties. Dit compromis heeft de sluiting van het VN-kantoor te Kabul tot dusverre kunnen voorkomen. Wel zijn op 20 mei op last van de Taliban vier provinciale kantoren van de UNSMA in Kandahar, Jalalabad, Herat en Mazar-i-Sharif gesloten.

2.4 Sociaal-economische situatie


Afghanistan is een van de armste en meest onderontwikkelde landen ter wereld. Dit uit zich onder meer in een zeer hoge kindersterfte, een lage levensverwachting, een hoge werkloosheid, wijdverspreid analfabetisme en een slechte medische zorg. Het land kent een zeer groot aantal weduwen en wezen.

Meer dan twee decennia van burgeroorlog hebben de economie van Afghanistan volledig verwoest. Wat rest is een economie die grotendeels is gebaseerd op zelfvoorzienende landbouw, officieuze transit-handel, internationale hulp en de productie van opium. Voortdurende geldontwaarding tast de geringe koopkracht van de Afghanen nog verder aan. De ergste droogte in mensenheugenis, die geheel Afghanistan al meer dan een jaar in haar greep houdt, heeft de dramatische situatie waarin het land verkeert nog eens verergerd. Zeer vele runderen en schapen zijn door het watergebrek omgekomen en ook de oogst dit jaar dreigt te mislukken.

Ondanks de hulpinspanningen van westerse donoren blijven nog steeds zeer veel Afghanen verstoken van adequate medische hulp. Het is dan ook overduidelijk dat de gezondheidszorg in Afghanistan volstrekt niet is opgewassen tegen de enorme, aanhoudende vraag naar dokters, vroedvrouwen, medicijnen, vaccinaties, operaties en ziekenhuisopnames.

Een recent onderzoek van UNICEF-Afghanistan toont aan dat de toestand van het onderwijs in Afghanistan na meer dan twintig jaar burgeroorlog tot de slechtste ter wereld moet worden gerekend. Driekwart van de Afghanen is analfabeet. Toegang tot onderwijs is voor alle sociale klassen slecht - niet alleen voor meisjes, maar ook voor jongens. Niet meer dan drie procent van de meisjes en 39 procent van de jongens volgt een soort basisonderwijs. De kwaliteit van dit onderwijs laat echter vaak veel te wensen over.

Een positieve ontwikkeling is dat de bevolking in Afghanistan zich steeds meer begint te roeren om een verbetering van het onderwijs te bewerkstelligen. De eventuele resultaten van deze roep om actie zullen echter in het gunstigste geval pas op middellange termijn zichtbaar worden.

De productie en smokkel van opium en heroïne was lange tijd een van de belangrijkste bronnen van inkomsten voor vele Afghanen. Nog in 2000 produceerde Afghanistan naar schatting 3.200 ton opium en nam daarmee ongeveer driekwart van de wereldproductie voor zijn rekening. Naar verluidt profiteerden ook de Taliban door een speciale belastingheffing van deze teelt.

Niettemin sprak mullah Omar in juli 2000 een verbod uit over de verbouw van papaver. Bij die gelegenheid waarschuwde hij de Afghaanse jeugd bovendien voor de gevolgen van drugsverslaving.

Ondanks de economische gevolgen die het verbod moet hebben gehad, lijken de Taliban zich serieus in te spannen voor de handhaving ervan. Zo wees een survey van de United Nations Drug Control Programme uit dat de systematische papaverteelt in de provincies Helmand en Nangarhar, die tot voor kort het leeuwendeel van de opiumproductie voor hun rekening namen, inmiddels geheel is verdwenen. In plaats van papaver verbouwen de boeren in deze provincies nu voornamelijk tarwe. Dat het verbod wordt nageleefd blijkt ook uit de enorme stijging van de prijs van opium. Uiteraard bergt deze prijsstijging ook het risico in zich dat voormalige papaverboeren, gelokt door het vooruitzicht op hoge winsten, in hun oude métier zullen vervallen. Overigens zou ook sprake zijn van grote voorraden opium in Afghanistan.

2.5 Samenvatting


De grotendeels uit Pashtuns bestaande Taliban-beweging werd in 1994 opgericht door een groep Afghanen die hadden gestudeerd aan Koranscholen (madrassas) in Afghanistan en Pakistan. Onder leiding van mullah Mohammad Omar streven de Taliban naar de vorming van een islamitische staat, gebaseerd op een vorm van het islamitische recht, de Sharia.

De opmars van de Taliban verliep tussen 1994 en 1997 voorspoedig. Grote delen van het land, waaronder de hoofdstad Kabul werden snel veroverd. Nadat in 1997 de anti-Taliban coalitie van verschillende Mujaheddin-facties werd uitgebreid en de naam werd gewijzigd in United Islamic Front for the Salvation of Afghanistan (UIFSA), leek de Taliban tot staan te kunnen worden gebracht. In de zomer van 1998 kreeg de opmars van de Taliban echter weer momentum. Lange tijd bleef de strijd op en neer gaan, maar langzaam werd het UIFSA steeds verder terug gedrongen. Vredesinitiatieven van de VN liepen vooralsnog op niets uit.

Afghanistan kent momenteel twee regeringen: die van de Taliban en die van het UIFSA. Alhoewel het overgrote deel van het land momenteel in handen is van de Taliban, wordt de Taliban-regering slechts door drie landen erkend: Pakistan, de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi Arabië. De regering van Burhanuddin Rabbani wordt algemeen beschouwd als de rechtmatige regering van Afghanistan en bekleedt bijvoorbeeld -tot groot ongenoegen van de Taliban- nog steeds de zetel van Afghanistan bij de Verenigde Naties.

Op 19 december 2000 stemde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vóór uitbreiding van de sancties tegen de Taliban. De eerdere sancties waren op 14 november 1999 van kracht geworden nadat de Taliban niet hadden voldaan aan een ultimatum van de Veiligheidsraad om Osama bin Laden uit te leveren. Het nieuwe sanctieregime is strenger dan het voorgaande. Het meest gevoelige onderdeel vormt het unilaterale verbod op wapenleveranties aan de Taliban, dat zeker door de Taliban als een steunbetuiging aan het UIFSA wordt opgevat.

Afghanistan is een van de armste en meest onderontwikkelde landen ter wereld. Dit uit zich onder meer in zeer hoge kindersterfte, lage levensverwachting, hoge werkloosheid, wijdverspreid analfabetisme en slechte medische zorg. Meer dan twee decennia van burgeroorlog hebben de economie van Afghanistan volledig verwoest. Daarnaast heeft Afghanistan het afgelopen jaar te maken gehad met aanhoudende droogte, hetgeen de voedselsituatie in het land drastisch heeft verslechterd. Wat rest is een economie die grotendeels is gebaseerd op zelfvoorzienende landbouw, officieuze transit-handel, internationale hulp en de productie van opium.


3 Mensenrechten




3.1 Waarborgen

In november 1987 werd in Afghanistan een nieuwe grondwet aangenomen, die leidde tot tal van wijzigingen in het toenmalige staatsbestel. In mei 1990 werd de grondwet geamendeerd.

Na de val van president Najibullah in april 1992 benoemde de regering van Rabbani een commissie die een nieuwe grondwet moest opstellen. Reeds in september 1993 kwam deze commissie met een concept. Vanwege de burgeroorlog bleef het daar echter bij. Pas in mei 1996 werd een nieuwe, voorlopige grondwet van kracht, die de overgangstermijn naar later te houden algehele verkiezingen regelde. Inmiddels waren echter de Taliban aan hun opmars begonnen, waardoor de grondwet alleen voor het door de Noordelijke Alliantie bezette gebied van kracht werd.

In oktober 1996 verschenen de eerste berichten dat mullah Omar een nieuwe grondwet op wilde stellen. De Sharia zou daarbij als leidraad moeten gelden. Verscheidene ulema, islamitische schriftgeleerden, zouden zich kwijten van deze taak. Hun werkzaamheden hebben tot op heden evenwel nog niet tot een definitieve tekst geleid.

Afghanistan is partij bij een aantal belangrijke mensenrechtenverdragen. Het betreft het Genocideverdrag (sinds 1956), het VN Verdrag inzake de politieke rechten van vrouwen (sinds 1966), het VN internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (sinds 1983), het VN Internationaal verdrag inzake de economische, sociale en culturele rechten (sinds 1983), het VN Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (sinds 1983), het VN Verdrag tegen marteling en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (sinds 1987) en het VN Verdrag inzake de rechten van het kind (sinds 1994).

Ondanks deze verdragsverplichtingen erkennen de Taliban slechts de geldigheid van het islamitisch recht, de Sharia. Zij achten zich derhalve niet gebonden aan wetten van seculiere aard, inclusief de bovengenoemde internationale verdragen. Ook de vertegenwoordigers van het UIFSA houden zich niet aan de bepalingen van de internationale verdragen.

3.2 Toezicht


De Secretaris-Generaal van de VN heeft in november 1998 voorgesteld om binnen UNSMA een zogenaamde 'Civil Affairs Unit' (CAU) op te richten. Er is voorzien dat de CAU bestaat uit een tiental mensen die in de belangrijkste centra in Afghanistan zijn gestationeerd. De CAU moet fungeren als waarborg voor een minimaal respect van de plaatselijke en regionale autoriteiten voor humanitaire waarden.

Eind augustus 2000 zijn een aantal 'civil affairs officers' in Afghanistan geplaatst. Er waren CAU-teams, bestaande uit elk twee personen, gestationeerd in Kabul, Herat, Kandahar, Jalalabad en Mazar-i-Sharif. Momenteel is slechts het kantoor in Kabul nog geopend (zie ook paragraaf 2.3.3).

3.3 Naleving en schendingen

Burgers in Afghanistan ontberen wettelijke of constitutionele bescherming tegen discriminatie op grond van hun ras, geslacht, religie of etniciteit. In afwezigheid van een sterk centraal gezag verschilt de intensiteit waarmee en de wijze waarop maatregelen worden opgelegd van gebied tot gebied en van plaats tot plaats. De meerderheid van de Taliban is Pashtun. Andere etnische groepen worden door hen regelmatig gediscrimineerd. Dit geldt met name voor de sjiïetische Hazara's, die bij herhaling het slachtoffer zijn van het optreden van de Taliban.

Afghanistan kent geen vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Onder de Taliban geldt nog steeds een religieus gemotiveerd verbod op muziek, film en televisie. Om dit verbod kracht bij te zetten, is sinds augustus 1998 een verbod van kracht op het gebruik van televisie-apparaten, videorecorders, video- en audiocassettes en satellietschotels. Niettemin worden televisietoestellen nog steeds op vele plaatsen verkocht en vanuit Pakistan (Peshawar) via de grenssluikhandel ingevoerd. In de praktijk staan de Taliban het gebruik ervan oogluikend toe.

De Taliban kennen geen eigen televisie-, maar wél een eigen radiostation. Dit station, 'Shariat' geheten, zendt uit vanuit Kabul, Herat, Mazar-i-Sharif, Khost, Kandahar en Jalalabad. De programma's zijn gewijd aan de islam. Daarnaast wordt zendtijd vrijgemaakt voor mededelingen van de Taliban.

Er verschijnen onder toezicht van de Taliban vier dagbladen in Afghanistan. Het officiële dagblad van de Taliban zetelt in Kabul en heet 'Shariat'. In dezelfde stad bevinden zich de burelen van 'Anis' en de (Engelstalige) 'Kabul Times'. De naam van het vierde Afghaanse dagblad luidt 'Hewad'. Afghanistan kent overigens meer dagbladen dan deze vier. Deze dagbladen verschijnen naar verluidt echter zeer onregelmatig en slechts in beperkte oplage.

De Taliban belemmeren het werk van buitenlandse journalisten die over de situatie in Afghanistan rapporteren. Sinds augustus 2000 is een regeling van kracht die journalisten voorschrijft hoe zij zich dienen te gedragen. De regeling bevat een lijst van 21 punten die in acht dienen te worden genomen. Een daarvan is het verbod om 'de gevoelens van het volk te kwetsen' - een rekbaar begrip. Daarnaast is het ook nog steeds niet toegestaan mensen of dieren te filmen of te fotografen, of vrouwen te interviewen. Verder zijn buitenlandse journalisten verplicht de autoriteiten te informeren wanneer zij de hoofdstad verlaten, hebben zij geen toegang tot bepaalde gedeeltes van de hoofdstad, mogen zij slechts met goedgekeurde tolken en lokale assistenten werken, dienen zij hun werkvergunning jaarlijks te verlengen en moeten zij hun apparatuur laten registreren. Tevens wordt van de meeste journalisten geëist dat zij in het Intercontinental Hotel in Kabul overnachten. In de praktijk worden deze voorschriften door de Taliban vaak soepel geïnterpreteerd.

Ook in het door het UIFSA gecontroleerde deel van Afghanistan is geen sprake van vrijheid van meningsuiting of persvrijheid.

De overgrote meerderheid van de Afghanen (ca. 85%) is soennitisch moslim. De rest is grotendeels sjiiet. De Taliban zijn vrijwel uitsluitend soennieten. Onder de sjiieten bevinden zich vele Hazara's.

De Taliban hanteren een strikte interpretatie van de islam. Alle Afghanen die in door de Taliban gecontroleerde gebieden wonen, dienen zich aan strenge gedragsregels te houden. Zo zijn zij bijvoorbeeld verplicht vijfmaal daags te bidden, dienen mannen een baard te laten staan, moeten vrouwen buitenshuis een burqa dragen en mogen zij zich enkel in gezelschap van hun echtgenoot of een ander mannelijk familielid op straat begeven. Via Radio Shariat wordt de bevolking op de hoogte gesteld van nieuwe bepalingen.

In de praktijk wordt op de naleving van de regels aangaande uiterlijk, kleding en religie vooral in de steden, en dan met name in Kabul, scherp toegezien. Op het platteland worden de regels soepeler geïnterpreteerd. Bij de handhaving van de voorschriften speelt de religieuze politie van het ministerie ter Bevordering van de Deugd en ter Onderdrukking van de Ondeugd een belangrijke rol. Bij overtredingen pleegt deze politiemacht meteen op te treden. Anders dan in voorgaande jaren, waren er in 2000 geen berichten van afranselingen op grond van overtreding van de voorschriften op het gebied van kleding en haardracht. Kennelijk laat de religieuze politie het in voorkomende gevallen bij een waarschuwing.

Het kleine aantal niet-moslims in Afghanistan (zoals Hindoes, Sikhs) mag van de Taliban hun geloof belijden. Voorwaarde daarbij is wel dat zij zich niet inlaten met de actieve verbreiding van hun geloof. Bovendien wordt het hun niet toegestaan nieuwe gebedsruimtes in te richten. Atheïsme is verboden.

Sjiieten worden over het algemeen gewantrouwd door de strikt soennitische Taliban. De Taliban zijn bevreesd dat de sjiietische inwoners van Afghanistan zodra de gelegenheid zich voordoet de zijde van het UIFSA zullen kiezen. In de afgelopen jaren is het dan ook regelmatig voorgekomen dat sjiietische gelovigen op willekeurige wijze door de Taliban zijn gearresteerd en gedetineerd. Dit gebeurde met name in tijden waarin de Taliban zich bedreigd voelden en in gebieden waar zij strijd hebben geleverd met een (overwegend) sjiietische bevolking.

Vanaf de machtsovername in 1996 verboden de Taliban de sjiietische moslims hun geloof in het openbaar te belijden. Zo konden de sjiieten hun traditionele feestdagen -zoals het martelaarsfeest Mo'aram- sedertdien niet meer in het openbaar vieren, of het aan dit feest verbonden ritueel van zelfkastijding publiekelijk en massaal uitoefenen. Echter, in Afghanistan bestaan nog steeds sjiietische gebedshuizen, de zogenaamde Takya Khana's; de Taliban zijn nooit tot sluiting van deze gebedsruimtes in Kabul of andere steden overgegaan.

In april 2000 viel in Kabul een aanzienlijke versoepeling te bespeuren in de tot dan repressieve houding van de Taliban jegens de sjiietische religieuze rituelen en festiviteiten rond de Mo'aram-viering. Deze tendens heeft zich in 2001 voortgezet: gelijk vorig jaar hebben de met de Mo'aram-herdenking gepaard gaande sjiietische festiviteiten en rituelen in (de nabijheid van) de Takya Khana's ook in 2001 uitbundig plaatsgevonden, zonder enige beperkende bemoeienis van of verstoring door de Taliban.

De golf van arrestaties van sjiieten door de Taliban in het voorjaar van 1999 in Herat heeft zich sedertdien niet meer herhaald. Er zijn geen tekenen die wijzen op een nieuwe opleving van het sjiietische verzet. De Taliban staan de sjiieten van Herat ook weer enige geloofsvrijheid toe.

Hindoes en Sikhs vormen een zeer kleine minderheid, waarvan een deel al eeuwenlang in Afghanistan woont. Bij de gewelddadige deling van India en Pakistan in 1947 werd deze groep uitgebreid met geloofsgenoten uit Punjab en de North West Frontier Province (NWFP), die naar het islamitische Afghanistan uitweken, omdat dit land indertijd bekend stond om zijn tolerante religieuze klimaat.

Voor het uitbreken van de burgeroorlog in 1992 leefden naar schatting tien- à vijftienduizend Sikhs en twintigduizend Hindoes in Afghanistan. Zij werden ongemoeid gelaten door het communistische bewind. Doorgaans woonden zij in Kabul en andere grote steden en voorzagen zij in hun levensonderhoud door handel. Velen van hen ging het economisch voor de wind.

Na het uitbreken van de burgeroorlog werden Hindoes en Sikhs enige tijd het doelwit van Mudjahedin-strijders, die hen vanwege hun welvaart fysiek belaagden en hun zaken leegroofden. Vanwege het aanhoudende oorlogsgeweld, de persoonlijke bedreigingen en de slechte economische situatie, nam de meerderheid van de Afghaanse Hindoes en Sikhs de wijk naar India, waarmee velen reeds van oudsher banden onderhielden. Niet alle Hindoes en Sikhs verlieten Afghanistan. Naar schatting bleven enkele duizenden achter, onder meer in Kabul, Jalalabad, Kandahar, Ghazni, Ghost en Lashkargah.

De nog in Afghanistan woonachtige Hindoes en Sikhs ondervinden geen problemen van de zijde van de Taliban. De Taliban beschouwen hen niet als vreemdelingen, maar als volwaardige Afghanen. Hindoes en Sikhs mogen hun religie uitoefenen. Onder meer in Kabul, Jalalabad, Kandahar, Ghazni en Ghost bevinden zich tempels die met medeweten van de Taliban voor religieuze activiteiten worden gebruikt. Hindoes en Sikhs worden niet gedwongen zich tot de islam te bekeren. Recentelijk hebben de Taliban bepaald dat Hindoes worden verplicht een geel merkteken te dragen om zich te onderscheiden van de moslim bevolking. Dit voornemen is wereldwijd scherp veroordeeld. Voor Sikhs zou dit niet gelden, omdat zij al te onderscheiden zijn doordat zij een tulband dragen. Hindoe en Sikh-vrouwen worden verplicht om net als andere Afghaanse vrouwen in het openbaar hun gezicht te bedekken.Voor zover bekend is het besluit nog niet door Mullah Omar bekrachtigd.

Hoewel burgers in beginsel het recht hebben vrij te reizen binnen en buiten Afghanistan, worden de meeste reismogelijkheden in de praktijk beperkt door oorlog, banditisme, landmijnen, slechte of verwoeste infrastructuur en het geringe aantal binnenlandse vluchten. De beperkingen die de Taliban aan vrouwen opleggen bemoeilijken het reizen verder. Niettemin reizen vele Afghanen per bus betrekkelijk ongehinderd door het land. De busmaatschappijen onderhouden diensten in de meeste delen van het land.

In bepaalde delen van Afghanistan waar de Taliban geen macht uitoefenen, blijven plaatselijke commandanten 'tol' heffen of wegen blokkeren. De Taliban hebben in de door hen gecontroleerde gebieden een einde gemaakt aan deze alom gehate praktijken van de Mudjahedin. Toch steekt het verschijnsel 'road blocks' waar tol wordt geheven om de reis te kunnen voortzetten op het traject Kabul - Mazar-i-Sharif wederom de kop op. Het zijn met name de niet-Afghaanse Talibs (zoals onder meer Algerijnen en Egyptenaren) die zich van dit inkomstengenererende middel bedienen.

Anders dan in 1998 en in 1999 zijn er sindsdien geen berichten dat de Taliban personen op grond van hun etnische afkomst hebben gedwongen een gebied te verlaten dat door hen was veroverd.

De Taliban hangen de soennitische variant van de islam aan. Binnen het soennisme bestaan vier stromingen, die Hanafi, Shafai, Malahi en Hambeli worden genoemd. De Sharia vormt de basis van het recht. De Taliban baseren zich bij hun rechtspraak in Afghanistan op de Hanafi-variant van de Sharia.

De Sharia vormt een wezenlijk onderdeel van het gedachtegoed van de Taliban. In de gebieden van Afghanistan die zij successievelijk onder controle kregen, hebben zij hun interpretatie van de rechtspraak gebaseerd op de Sharia onmiddellijk ingevoerd. De interpretatie van de Sharia en de mate waarin de procesgang is geformaliseerd, verschillen wel van gebied tot gebied en van plaats tot plaats. De houding en zienswijze van de lokale autoriteiten zijn in dit opzicht doorslaggevend. Ook traditionele stamgebruiken spelen een rol.

Lijfstraffen vormen een wezenlijk onderdeel van de Sharia. Om de afschrikwekkende werking van de straf te vergroten, worden lijfstraffen door de Taliban in het openbaar voltrokken. In steden wordt veelal een deel van de bevolking opgedragen zich naar het plaatselijke stadion te begeven om getuige te zijn van de uitvoering van de straf.

Het islamitisch strafrecht benadert delicten niet naar de zwaarte (in westerse strafwetboeken zijn de strafbare feiten naar categorie onderverdeeld in overtredingen en misdrijven) of het soort strafbare feiten (bijvoorbeeld misdrijven tegen het leven gericht en misdrijven tegen de zeden), maar naar de mate van bestraffingmogelijkheden. Deze benadering leidt tot een driedeling in islamitische straffen:


1. Een onveranderlijke straf die, wanneer het ermee te bestraffen delict is komen vast te staan, moet worden voltrokken. Deze delicten staan expliciet in de Koran genoemd en zijn, volgens het islamitische gedachtegoed, door God zelf bepaald. De vervolging is dan ook een recht van God (hakh Allah).


2. De vergelding of betaling van bloedgeld, waarmee wordt beoogd om misdrijf en straf in evenwicht te brengen of het slachtoffer of diens erfgenamen te compenseren. De vervolging van hiermee te bestraffen delicten is een recht van de mens (hakh adami).


3. De discretionaire bestraffing (ta'zir) die door een rechter worden beoordeeld. Hieronder vallen alle delicten die niet worden afgedaan met de onder 1 en 2 genoemde bestraffingvormen en -normen. Het recht tot vervolging ligt bij de staat.

De misdrijven waarop een vaste straf als genoemd onder 1 dient te volgen zijn:


· onterechte (niet-bewijsbare) beschuldiging van ongeoorloofd seksueel contact;


· diefstal;


· gewapende straatroof, begaan buiten de bebouwde kom;

· alcoholgebruik;


· geloofsafval;


· rebellie, of het al dan niet gewapenderhand in opstand komen tegen het wettige gezag.

De plaatselijke Taliban-vertegenwoordiger is competent bij de berechting van geringe commune delicten, waaronder lichte vormen van onislamitisch gedrag. De sanctie die hij kan opleggen bestaat uit een wisselend aantal stokslagen met een maximum van tachtig. Hoewel de Sharia formeel niet voorziet in de mogelijkheid een dergelijke straf af te kopen of om te zetten in een geldboete, leert de praktijk dat dit op het platteland en in de randgebieden van steden steeds vaker voorkomt. Deze handelwijze wordt ingegeven door geldgebrek onder de plaatselijke vertegenwoordigers van de Taliban. Vooralsnog lijken met name veroordeelden die behoren tot de bevolkingsgroep van de Pashtuns van deze ontwikkeling te profiteren. Voor niet-Pashtuns, in het bijzonder Hazara's, is het moeilijker door betaling aan de stokslagen te ontkomen.

Bij de berechting van delicten als diefstal, inbraak, roof en overspel zijn de islamitische rechtbanken competent. Deze rechtbanken zijn door de Taliban ingesteld in die delen van Afghanistan die onder hun controle staan. In steden wordt de zaak voorgelegd aan de plaatselijke islamitische rechtbank, daarbuiten aan de provinciale. De processen kunnen uiterst kort zijn - soms duren zij maar enkele minuten. De verdachten worden niet bijgestaan door een advocaat en er bestaat vaak geen mogelijkheid tot beroep.

De straf die zowel voor mannen als vrouwen staat op diefstal, inbraak en roof, is amputatie van een hand. Bij recidive wordt ook de andere hand afgezet. Ingeval van (gewapende) roof van een grote som geld, bestaat de straf uit de amputatie van een hand en een voet. Hoewel exacte gegevens ontbreken, is het aannemelijk dat deze straffen onder de Taliban regelmatig worden opgelegd en voltrokken.

Iemand die veroordeeld is tot afzetting van een hand of voet, ondergaat deze amputatie onder plaatselijke verdoving. Aangezien degene die de straf uitvoert een kap draagt, kan niet met zekerheid worden vastgesteld wie de eigenlijke ingreep verricht. Om complicaties te voorkomen zouden de Taliban bij de uitvoering van de straf echter in toenemende mate artsen betrekken. Het is daarbij niet uitgesloten dat zij artsen in voorkomende gevallen zullen dwingen hun medewerking aan de ingreep te verlenen. In hun ogen is de amputatie immers een religieuze verplichting die voortvloeit uit de Sharia.

Op het plegen van ongeoorloofd seksueel contact zijn verschillende straffen gesteld, al naar gelang de pleger gehuwd is of niet. De gehuwde die overspel pleegt, wordt in beginsel veroordeeld tot de doodstraf door steniging; de ongehuwde die tot het overspel heeft bijgedragen met geseling van honderd stok- of zweepslagen.

Een man die met een andere man geslachtsgemeenschap heeft gehad, wordt in beginsel veroordeeld tot de doodstraf door steniging; bij bewezen geachte lesbische handelingen volgt een strenge discretionaire correctie.

Wanneer een meerderjarige ongeoorloofd seksueel contact heeft met een minderjarige, wordt alleen de meerderjarige gestraft met steniging.

Overspel wordt pas bewezen geacht indien de verdachte viermaal in verschillende zittingen vrijwillig een bekentenis van deze strekking aflegt óf indien vier meerderjarige getuigen afzonderlijk verklaren van overspel getuige te zijn geweest. Daar aan deze zware bewijslast veelal niet kan worden voldaan, wordt steniging in de huidige Afghaanse rechtspraktijk op grond van bewezen geacht overspel slechts sporadisch opgelegd. Als de straf toch wordt opgelegd, dan wordt de veroordeelde doorgaans voor een muur of stapel stenen gelegd, waarna een bulldozer of tank de muur of stapel stenen over de veroordeelde duwt. Deze straf wordt ook opgelegd bij personen die schuldig worden bevonden aan het plegen van homoseksuele handelingen. Overigens betekent deze bestraffing niet per definitie altijd de dood. Als de veroordeelde na een halfuur niet aan het gewicht van de stenenmassa is bezweken, dan wordt de straf geacht voltrokken te zijn.

Bij berechting van zeer zware strafbare feiten, zoals halsmisdrijven, is het provinciale Hooggerechtshof competent. In dergelijke gevallen wordt dikwijls de doodstraf gevorderd, opgelegd én voltrokken. Doorgaans vindt de executie plaats door middel van de kogel, gevolgd door een nekschot indien de veroordeelde niet bezweken blijkt te zijn. Ingeval van geloofsafval beslist de leider van de Taliban, mullah Omar, persoonlijk over het lot van de verdachte. Uit een decreet dat mullah Omar op 8 januari 2001 afkondigde blijkt dat Afghanen die zich bekeren tot het joden- of christendom, de doodstraf krijgen.

Bij het uitspreken van een doodvonnis worden familieleden van het slachtoffer in de gelegenheid gesteld in plaats van de dood van de dader een andere vorm van genoegdoening te ontvangen. Zij kunnen ook clementie verlenen. Als geen regeling wordt getroffen, dan mogen familieleden de doodstraf zelf (helpen) voltrekken. Van deze mogelijkheid wordt regelmatig gebruik gemaakt.

In het door het UIFSA gecontroleerde deel van Afghanistan is net zo min als in het gedeelte dat onder controle staat van de Taliban sprake van een rechtstaat. Rechtspraak is gebaseerd op de Sharia en traditionele gebruiken. Deze 'rechtsregels' worden evenwel arbitrair toegepast.

Het is niet geheel duidelijk of lijfstraffen ook binnen het door het UIFSA gecontroleerde gebied worden opgelegd. Er zijn geen berichten bekend van amputaties in door het UIFSA gecontroleerde gebied. Lijfstraffen worden in ieder geval niet in het openbaar voltrokken. De doodstraf komt ook in het door het UIFSA gecontroleerde gebied voor. Er zijn berichten dat ophangingen ook in het openbaar hebben plaatsgevonden.

Naar verluidt hebben de Taliban in oktober 2000 in Kabul veertig leden van de Nationale Islamitische Raad van het Afghaanse Volk voor Vrede gearresteerd. Deze nieuwe beweging zou vanuit Peshawar (Pakistan) opereren en worden gesteund door commandanten en stamoudsten uit Oost-Afghanistan.

In Kandahar, Herat, Kabul, Jalalabad, Mazar-i-Sharif, Pul-i-Chumri, Shiberghan, Qala-e-Zaini en Maimana bevinden zich gevangenissen van de Taliban. Het UIFSA heeft gevangenissen in de Pansjhir-vallei, en Faizabad. Naast deze gevangenissen beschikken beide partijen over kleinere detentiecentra.

De gevangenisomstandigheden zijn uitermate slecht. Verscheidene gevangenen worden samen in een cel opgesloten. Soms wordt de gevangenen geen eten verstrekt, omdat dit geacht wordt de verantwoordelijkheid van de familieleden van de gevangenen te zijn. Ook de medische verzorging van de gevangenen is veelal slecht. Gevangenen zonder familieleden zijn aangewezen op de clementie van het gevangenispersoneel of de goedheid van hun celgenoten.

De meeste politieke gevangenen van de Taliban zitten vast in de gevangenis in Kandahar, waar zij gedwongen zouden worden te werken aan de bouw van een nieuwe verdieping op het gebouw. Vrouwen zouden worden vastgehouden in vrouwengevangenissen in Kandahar, Kabul, Mazar-i-Sharif en mogelijk ook Jalalabad.

Zowel in het gebied dat onder controle staat van de Taliban als in dat van het UIFSA komt het voor dat gevangenen zich kunnen vrijkopen.

Zowel de Taliban als het UIFSA maken zich schuldig aan marteling van politieke tegenstanders en krijgsgevangenen. Er zou evenwel zowel in het door de Taliban gecontroleerde deel van Afghanistan als in dat van het UIFSA geen sprake zijn van systematische marteling van gevangenen.

In gebieden die onder controle staan van de Taliban is het aantal ontvoeringen en gijzelingen sinds hun komst aanzienlijk gedaald. In het gebied van het UIFSA komen deze praktijken nog steeds voor. Met name vrouwen lopen het risico door plaatselijke commandanten te worden gekidnapt.

Op 18 mei 2000 vonden herders op een plek genaamd Hazari Mazari bij de Robatak-pas, gelegen op de grens tussen de provincies Baghlan en Samangan langs de weg van Tashkurgan naar Pul-i-Chumri, een dertigtal lichamen. Achtentwintig daarvan konden later worden geïdentificeerd als de lichamen van ismaëlitische Hazara-mannen in de leeftijd van 27 tot 70 jaar uit Naikpai, een groep dorpen in het district Doshti in Baghlan. De mannen waren vier maanden eerder, in januari 2000, door Taliban-strijders gearresteerd, vermoedelijk om de lokale bevolking te waarschuwen geen contacten te onderhouden met het UIFSA. Drie lichamen zijn nog niet geïdentificeerd.

De golf van huiszoekingen en willekeurige arrestaties in Naikpai begon op 5 januari en duurde tot 14 januari 2000. Aanvankelijk werden de gearresteerde mannen vastgehouden op de vooruitgeschoven militaire basis van mullah Shahzad Kandahari, die indertijd commandant was van het Khinjan-front ten noorden van Kabul. De gevangenen kregen daar slaag en werden gedwongen in de vrieskou buiten te staan. Wel mochten zij brieven schrijven en bezoek van familieleden ontvangen.

Omstreeks 14 januari 2000, toen de actie ten einde was, werden alle gevangenen overgebracht naar Pul-i Chumri, waar Shahzad Kandahari een uitvalbasis had ingericht. De gevangen werden vastgehouden in de barakken bij de plaatselijke textielfabriek. Op of omstreeks 8 mei 2000 werden de gevangenen 's avonds op een truck geladen en weggevoerd. Vermoedelijk zijn zij nog diezelfde nacht bij Hazari Mazari geëxecuteerd. De mannen waren gekneveld en zijn in de rug geschoten. De lijken van twee mannen die kennelijk hebben proberen te ontsnappen, zijn op enige afstand van de plaats van executie gevonden. Eén man was aan een boom vastgebonden en daar doodgeschoten. Aan zijn armen waren touwen bevestigd waarmee zijn beulen hem als een marionet konden manipuleren.

Aangenomen moet worden dat de Taliban verantwoordelijk zijn voor de buitengerechtelijke executie bij Hazari Mazari. Wat de precieze aanleiding is voor de executie van deze burgers is onbekend. Human Rights Watch beschikt over informatie dat ook op andere plaatsen bij de Robatak-pas mensen zouden zijn geëxecuteerd.

Na een korte strijd trokken op 7 januari 2001 troepen van de Taliban Nayak binnen, de hoofdplaats van het district Yakawlang in het westen van de provincie Bamiyan. Dit district wordt bewoond door Hazara's.

Eenmaal in Nayak aangekomen, vormden de Taliban elf groepen. Deze groepen kregen elk een sector van centraal Yakawlang toegewezen en waren verantwoordelijk voor het bijeendrijven van de mannelijke bewoners in deze sectoren. In totaal werden door de verschillende groepen meer dan driehonderd mannen, vrouwen en kinderen opgepakt. De mannen werden vervolgens naar verzamelpunten gebracht in het centrum van het district, waar zij in het openbaar werden doodgeschoten. Het bloedbad duurde vier dagen.

Inmiddels zijn meer dan tweehonderd slachtoffers van dit bloedbad geïdentificeerd. Onder de slachtoffers bevinden zich mannen die werkzaam waren bij hulporganisaties, onder wie personeel van het Center for Cooperation on Afghanistan (CCA). Sommige families verloren al hun mannen. Ten minste één slachtoffer was minderjarig.

De troepen van de Taliban in Yakawlang stonden onder bevel van mullah Abdul Sattar, mullah Abdullah Sarhadi, mullah Abdur Razak Nawfiz en mullah Shahzada. Als mogelijke betrokkenen worden voorts de hierboven reeds genoemde commandant Shahzad Kandahari, commandant Qari Ahmadullah van Ghazni en mullah Abdul Salam 'Rocketi' genoemd. Het bloedbad was kennelijk bedoeld als vergelding voor de steun van de plaatselijke bevolking aan de strijders van Khalili's Hezb-i-Wahdat.

Reeds na twee weken werden de Taliban opnieuw uit Yakawlang verdreven. Op hun terugtocht werden zij bij Tala Burfak opgehouden door een aantal herders, die met hun vee de weg versperden. Uit frustratie zouden drie van deze Hazara-mannen ter plekke zijn doodgeschoten.

De doodstraf wordt in geheel Afghanistan opgelegd en regelmatig toegepast.

3.4 Positie van specifieke groepen


De Afghaanse samenleving heeft primair een tribaal karakter. Dit betekent dat de stam en clan waartoe iemand behoort een zekere mate van bescherming tegen vervolging kunnen bieden. Ook iemand wiens sympathieën, activiteiten en verleden aanleiding zouden kunnen zijn tot vervolging, kan dankzij zijn afkomst sancties ontlopen. Wat iemand in het verleden heeft gedaan of nagelaten speelt in Afghanistan dikwijls een minder belangrijke rol dan zijn stam- en clanverwantschap.

Een andere consequentie van het tribale karakter van de Afghaanse samenleving is dat niet zozeer iemands functie, maar veeleer zijn afkomst van belang is bij de beantwoording van de vraag hoeveel effectieve verantwoordelijkheid en macht hij heeft. Iemand kan weliswaar op papier over weinig bevoegdheden beschikken, maar vanwege zijn afkomst veel macht bezitten - en vice versa.

In het door de Taliban gecontroleerde deel van Afghanistan worden de rechten van vrouwen systematisch geschonden. Zo is de toegang van vrouwen en meisjes tot de gezondheidszorg en het onderwijs beperkt, zijn er nauwelijks mogelijkheden om buitenshuis te werken en is de bewegingsvrijheid van vrouwen sterk aan banden gelegd.

In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de situatie voor vrouwen op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en bewegingsvrijheid in het door de Taliban gecontroleerde gebied. Voor nadere informatie over de onderwijsinstellingen in Afghanistan wordt verwezen naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 2.6.1, blz. 20-4. Voor een beschrijving van de positie van vrouwen in oorlogsgebieden, ongehuwde en gescheiden vrouwen, weduwes en zelfstandig levende vrouwen wordt verwezen naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 3.4.1, blz. 37-9.

In 1997 werd door de Taliban een verbod afgekondigd op de behandeling van mannen en vrouwen in hetzelfde ziekenhuis. Vrouwelijk personeel in gemengde ziekenhuizen diende te worden ontslagen. Op naleving van het verbod werd met name in Kabul toegezien. Vrouwen uit deze stad moesten zich voor een medische behandeling voortaan vervoegen bij één bepaald ziekenhuis dat nog in aanbouw was. Uiteraard hield dit verbod voor vrouwen een ernstige belemmering in van hun toegang tot de gezondheidszorg.

Niet lang na afkondiging werd het verbod alweer enigszins verzacht en mochten vrouwen zich ook laten behandelen door vrouwelijk personeel (dat nog niet was ontslagen of mocht terugkeren) in vrouwenzalen van andere ziekenhuizen. Medio 1998 werd het vrouwen toegestaan zich ook door een mannelijke arts te laten onderzoeken, op voorwaarde dat zij vergezeld werden door een mannelijk familielid. Voorts moest de vrouw tijdens het onderzoek haar burqa aanhouden en mocht de arts haar niet aanraken.

De afgelopen twee jaar is de toegang van vrouwen tot de gezondheidszorg opnieuw enigszins verbeterd. De restricties worden in de praktijk vaak niet (meer) nageleefd en in Kabul behandelen alle ziekenhuizen, met uitzondering van het militaire hospitaal, weer vrouwelijke patiënten. Bovendien hebben de Taliban toestemming verleend aan een veertigtal vrouwelijke geneeskundestudenten van de Universiteit van Kabul om hun studie, die zij indertijd hebben moeten afbreken, te hervatten. Daarnaast gingen de Taliban er begin 2000 mee akkoord om in Kandahar een opleiding verpleegkunde voor mannen en vrouwen op te zetten en werd tegelijkertijd een vergelijkbare opleiding in Herat heropend.

Het aantal meisjes dat in Afghanistan onderwijs volgt is van oudsher laag. Als onderdeel van de hervorming van de Afghaanse maatschappij probeerde het communistische bewind hier verandering in aan te brengen. De inspanningen leidden met name voor de vrouwelijke bevolking van Kabul - en in mindere mate ook die van andere steden - tot een aanzienlijke verbetering van de onderwijsmogelijkheden. Na de machtsovername door de Mudjahedin verslechterde de situatie in het onderwijs - met name voor meisjes. Een dieptepunt werd bereikt na de komst van de Taliban, die aankondigden dat meisjes en vrouwen zolang het land in oorlog was niet naar school mochten gaan - een maatregel die gezien de slepende burgeroorlog feitelijk neerkwam op een verbod.

Het de facto verbod op onderwijs aan meisjes is - met name op het platteland
- nooit volledig nageleefd. In de loop der tijd zijn de Taliban op steeds meer plaatsen in Afghanistan onderwijs aan meisjes gaan gedogen. Dit verklaart waarom verscheidene Niet-Gouvernementele Organisaties al jarenlang in staat zijn gemeentelijke scholen op het platteland en 'scholen-aan-huis' in de stad te ondersteunen. Daarbij wordt zoveel mogelijk getracht naast jongens ook meisjes te bereiken. Het aantal scholen dat door deze NGO's wordt gesteund, groeit nog steeds.

Vanwege de aanhoudende vraag onder de bevolking naar onderwijs voor meisjes en de niet aflatende druk van de internationale gemeenschap, hebben de Taliban nu ook zelf een aantal scholen ingericht voor onderwijs aan meisjes in de leeftijd tussen zes en tien. Deze scholen staan onder toezicht van het ministerie van Religieuze Zaken en het is dan ook niet verwonderlijk dat studie van de Koran het belangrijkste onderdeel van het lesprogramma vormt. De Taliban blijven volharden in hun weigering om meisjes en vrouwen ook voortgezet en hoger onderwijs aan te bieden. Momenteel bestaat alleen een verpleegstersopleiding en voltooit een aantal vrouwelijke geneeskundestudenten hun studie (zie hierboven onder 'Gezondheidszorg').

Ondanks de inspanningen van de lokale bevolking en de hulp van NGO's is de toestand van het onderwijs in Afghanistan nog steeds erg slecht. Het onderwijs kampt niet alleen met het discriminatoire beleid van de Taliban, maar ook met een gebrek aan onderwijzers, een tekort aan financiële middelen, onwil bij de autoriteiten om scholen te herstellen en de afwezigheid van een nationaal onderwijsbeleid. De overgrote meerderheid van de kinderen in Afghanistan blijft daarom verstoken van basisonderwijs.

De Taliban hebben vrouwen verboden om buitenshuis te werken. In de steden die de Taliban successievelijk onder controle kregen, werden vrouwen met een betaalde baan gedwongen ontslag te nemen. Dit gold met name voor Kabul. Wel kregen vrouwen die ten tijde van het uitvaardigen van het verbod in overheidsdienst waren een deel van hun salaris doorbetaald. Begin 2000 is echter met deze betalingen gestopt.

Langzamerhand hebben de Taliban op het verbod om buitenshuis te werken uitzonderingen gemaakt. Zo is het vrouwen alweer enige tijd toegestaan betrekkingen te vervullen in de gezondheidszorg en bij sociale instellingen. Ook geldt een uitzondering voor behoeftige weduwes, die bij een strikte toepassing van de maatregel tot de bedelstaf veroordeeld zouden zijn.

Eén uitzondering is inmiddels weer ongedaan gemaakt. In april 1999 tekenden de Taliban een protocol dat het mogelijk maakte dat Afghaanse vrouwen bij buitenlandse hulporganisaties gingen werken. In juli 2000 werd deze beslissing grotendeels teruggedraaid. Toen vaardigden de Taliban een decreet uit waarin het vrouwen werd verboden nog langer voor NGO's of VN-organisaties te werken die niet in de gezondheidszorg werkzaam zijn. Het decreet wordt echter niet in alle door de Taliban veroverde gebieden gehandhaafd.

Voor de meeste vrouwen geldt dat zij alleen een bijdrage kunnen leveren aan het inkomen van hun gezin of familie als zij meehelpen bij het bewerken van het land of zich wijden aan een of andere vorm van handnijverheid, zoals tapijtknopen, naaien, borduren, bakken of het produceren van honing, zeep en kaarsen. Dit soort inkomensgenererende activiteiten, die dikwijls in de beslotenheid van een huis plaatsvinden en waar hooguit een paar vrouwen samenwerken, worden door verscheidene internationale organisaties en NGO's gesteund.

De Taliban hebben de bewegingsvrijheid van vrouwen danig aan banden gelegd. Vrouwen zijn aan huis gebonden. Zij mogen zich enkel in gezelschap van hun echtgenoot of een ander mannelijk familielid op straat begeven en zijn dan verplicht een burqa te dragen, een kledingstuk dat het gehele lichaam bedekt en alleen ter hoogte van de ogen een gaasje heeft. Zodra zij op straat zijn, dienen zij zich onverwijld naar hun bestemming te begeven. Zonder mannelijk familielid mogen vrouwen geen taxi nemen. Ook is het hen niet toegestaan naar hotels of andere openbare plaatsen te gaan om zich te verpozen. Het isolement waarin vrouwen worden gedreven die een veel grotere vrijheid gewend waren, leidt regelmatig tot geestelijke problemen.

Vrouwen die zich niet aan deze regels houden, lopen het risico door de religieuze politie te worden afgeranseld. In de praktijk wordt met name in Kabul scherp toegezien op de naleving van de regels. Op het platteland en in niet-Pashtun gebieden is de houding van de Taliban jegens vrouwen doorgaans aanmerkelijk soepeler. Daar worden vrouwen in het openbaar niet altijd door een man begeleid en dragen zij soms een hoofddoek in plaats van een burqa. De Koochis, het nomadenvolk van Afghanistan dat verwant is aan de Pashtuns, is vrijgesteld van de strenge kledingsvoorschriften.

Op 8 maart 2000 vond voor het eerst in de recente geschiedenis van Afghanistan een openbare viering plaats van Internationale Vrouwendag. Ongeveer zevenhonderd vrouwen waren aanwezig bij de manifestatie in Kabul. De vrouwen werden onder meer toegesproken door een vertegenwoordiger van mullah Omar. Radio Shariah deed verslag van de viering.

De strijdkrachten van de Taliban bestonden aanvankelijk alleen uit vrijwilligers. De voortdurende oorlogsinspanningen noopten de Taliban er echter toe ook soldaten te gaan rekruteren. Rekrutering geschiedt met name in de zuidelijke (onder meer Kandahar en Helmand) en oostelijke provincies (onder meer Wardak, Laghman, Ghazni, Kunar en Nangarhar) van Afghanistan.

De Taliban rekruteren hun reguliere soldaten vrijwel uitsluitend binnen de Pashtun gemeenschap in Afghanistan. Onder bijzondere omstandigheden komt het echter ook voor dat de Taliban mannen van andere etnische groeperingen (zoals Tadzjieken en Hazara's) dwingen in hun strijdkrachten te dienen. Zo zijn vele Pashtun mannen onder dwang in het leger van de Taliban ingelijfd toen in 1998 een gewapend conflict dreigde met Iran. Ook tijdens de opleving van de militaire gevechten in het noorden van Afghanistan, tegen het einde van 1998, is deze methode toegepast.

De Hazara's en Tadzjieken die tegen hun wil worden gerekruteerd, krijgen geen wapens uitgereikt, maar dienen bijvoorbeeld als menselijk schild tegen vijandelijke aanvallen of worden voor de reguliere troepen uitgestuurd om landmijnen te lokaliseren.

Strikt genomen hanteren de Taliban geen minimumleeftijd bij de rekrutering. Wel heeft mullah Omar medio 1998 een decreet uitgevaardigd waarin staat opgenomen dat het ten strengste verboden is om jongens die nog geen baardgroei hebben in het leger in te lijven. Bij overtreding van dit verbod wacht de verantwoordelijken een zware straf. Met uitzondering van deze bepaling is de dienstplichtige leeftijd niet nauwgezet bepaald.

Het bestaan van een rekruteringssysteem impliceert overigens niet dat de toevloed van vrijwilligers volledig is opgedroogd. Nog steeds melden Pashtun mannen zich vrijwillig aan bij de strijdkrachten van de Taliban. Ideële motieven zijn daarbij niet de enige drijfveer; belangrijk is ook dat de Taliban hun soldaten een soldij betalen die aanmerkelijk hoger is dan het gemiddelde Afghaanse maandloon.

De Taliban versturen geen individuele oproepen, maar verzoeken de stam- of dorpsoudsten een bepaald aantal mannen te leveren. De stam- of dorpsoudsten bepalen vervolgens na overleg met hun stam- dan wel dorpsgenoten welke mannen aan deze oproep gehoor dienen te geven. Families die rekruten dienen te leveren aan de Taliban, worden financieel gecompenseerd door families die dat niet hoeven te doen. Als de militaire omstandigheden het toelaten, kan de rekruut na twee maanden huiswaarts keren en wordt hij in beginsel opgevolgd door een dorps- of stamgenoot. Soms kan een dorp of stam zijn plicht tot het leveren van rekruten afkopen. Of deze regeling ook daadwerkelijk getroffen kan worden, is mede afhankelijk van de relatie die een bepaalde stam of een bepaald dorp met de Taliban onderhoudt.

Indien de stam- en/of dorpelingen weigeren 'vrijwilligers' te leveren, dan kan dit leiden tot gewapend optreden door de Taliban. De beslissing om al dan niet in te grijpen hangt af van de relatie die de Taliban met de desbetreffende stam- en of dorpsoudsten onderhouden (of wensen te onderhouden) en de omvang van de (gewapende) tegenstand waarop zij kunnen rekenen.

Het is onbekend op welke wijze de Taliban omgaan met personen die weigeren gehoor te geven aan een verzoek onder de wapenen te komen. Aangezien de Taliban slechts indirect bij de rekrutering van de individuele dorpelingen betrokken zijn, is het evenwel niet waarschijnlijk dat zij deze weigeraars zelf bestraffen. Wel is het aannemelijk dat de stam of het dorp waartoe de weigeraars behoren hen tot ongewenst persoon verklaren.

Naast het bovengenoemde systeem worden Pasthun landeigenaren soms ook gedwongen een aantal van hun mannelijke (Pashtun) werknemers aan de strijdkrachten van de Taliban af te staan. Indien een landeigenaar hiermee niet akkoord wenst te gaan, dan dient hij ter vergoeding een bepaald geldbedrag aan de Taliban te overhandigen. Mocht de landeigenaar wel instemmen met de eis van de Taliban, dan wijst hijzelf (bij afwezigheid van vrijwilligers) het vereiste aantal mannen aan.

De Taliban rekruteren ook in steden. Rekrutering vindt voornamelijk plaats in Jalalabad en Kandahar, die hoofdzakelijk door Pasthuns worden bevolkt. In Herat en Mazar-i-Sharif, waar vele Tadzjieken en andere etnische minderheden woonachtig zijn, rekruteren de Taliban slechts sporadisch.

Kort na de verovering van Kabul meldden vele inwoners van de stad zich vrijwillig aan bij de strijdkrachten van de nieuwe machthebbers. Het betrof voornamelijk Pashtuns. Gedwongen rekrutering heeft tot op heden in Kabul niet plaatsgevonden. Enerzijds beschikken de Taliban over voldoende aanwas van het platteland van Zuidoost-Afghanistan, Kandahar en de Afghaanse vluchtelingenkampen in Pakistan om hun strijdkrachten op peil te houden. Anderzijds blijven de Taliban wantrouwig staan tegenover de stedelijke bevolking van Kabul.

Net als op het platteland versturen de Taliban ook in de steden geen militaire oproepen. Zij doorzoeken daarentegen, op vrij willekeurige wijze en op vrij willekeurige tijdstippen, de huizen van Pashtun families waar mogelijk mannen wonen die de dienstplichtige leeftijd hebben. Indien de Taliban bij deze huiszoekingen weerbare mannen aantreffen, worden zij meegenomen en in het leger ingelijfd. Op straat vinden eveneens controles plaats waarbij de Taliban Pashtuns in de dienstplichtige leeftijd aanhouden. Vervolgens worden ook deze mannen, feitelijk onder dwang, in het leger ingelijfd.

Bekend is dat vele Afghaanse én Pakistaanse studenten van Pakistaanse madrassas zich vrijwillig bij de strijdkrachten van de Taliban hebben aangemeld. Hoewel het aantal aanmeldingen, dat een piek kende in de beginperiode van de Taliban (1994-1995), afneemt, bestaat dit verschijnsel nog steeds.

Ook vele Afghanen uit vluchtelingenkampen in Pakistan hebben zich in de afgelopen jaren vrijwillig bij het leger van de Taliban aangesloten. Met het oog op rekrutering van mannen uit deze groep hebben de Taliban in de kampen wervingsacties georganiseerd, die overigens geen gedwongen karakter hadden. Het is niet ongebruikelijk dat deze Afghanen, na enige tijd in het leger van de Taliban te hebben gediend, terugkeren naar het vluchtelingenkamp in Pakistan waar zij woonachtig zijn en dan door een familielid worden afgelost.

Naast de vrijwilligers uit de madrassas en de vluchtelingenkampen, hebben tevens aanhangers van verscheidene Pakistaanse partijen, groeperingen en sektes zich aangesloten bij de strijdkrachten van de Taliban. Het betreft Pathaanse moslims uit Pakistan, die de Taliban beschouwen als de ware vertegenwoordigers van de islam. Sommige van deze groepen staan bekend om hun onverzoenlijke houding. Dit geldt met name voor de sekte van de Deobandi, die onder meer wordt verdacht van de moord op de Iraanse diplomaten bij de verovering van Mazar-i-Sharif in 1998.

Naast duizenden Pakistanen strijden ook Arabieren en wellicht Tsjetsjenen aan de zijde van de Taliban. De fanatiek religieuze buitenlanders vormen dikwijls afzonderlijke eenheden, die niet onder het directe commando van de Taliban staan. Deze eenheden gaan dikwijls vooraan in de strijd en staan bekend om hun wreedheid.

De officiële strafmaat voor dienstweigering en desertie is onbekend. Volgens de algemene amnestie die de Taliban op 26 juni 1997 hebben afgekondigd, zouden dienstweigeraars en deserteurs die hun land hebben verlaten echter kunnen terugkeren zonder te worden vervolgd. Artikel 9 van de amnestieregeling stelt dat dienstweigeraars en deserteurs een jaar worden vrijgesteld van militaire dienst of enige andere vorm van gedwongen dienstverlening. Bovendien zouden verzoeken om uitsluiting van militaire dienst of enige andere vorm van gedwongen dienstverlening welwillend bekeken worden.

Het is niet geheel duidelijk hoe de amnestieregeling in de praktijk wordt toegepast, maar tot dusverre lijken de Taliban haar redelijk te respecteren. UNHCR is op de hoogte van een aantal individuele gevallen waarin dienstweigeraars en deserteurs na terugkeer in Afghanistan na bemiddeling met de Taliban en de dorpsoudsten/clanleiders hebben weten te bewerkstelligen dat zij niet werden gestraft of opnieuw werden opgeroepen. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijze dat de amnestieregeling in het gehele gebied dat onder het beheer van de Taliban valt wordt nageleefd. Elke regio heeft immers haar eigen commandant en haar eigen wijze van rechtsinterpretatie en -handhaving.

Volgens ruwe schattingen bestaat de bevolking van Afghanistan uit 38 procent Pashtuns, 25 procent Tadzjieken, 19 procent Hazara's, 6 procent Oezbeken en 12 procent overige etnische groepen.

Tijdens de periode waarin Afghanistan door de communisten werd bestuurd, waren de Mudjahedin verenigd in hun doel het bewind omver te werpen en speelden etnische conflicten alleen op de achtergrond een rol. Ook in de eerste jaren van het bewind van de Mudjahedin waren gelegenheidscoalities belangrijker dan etnische verschillen. Sinds 1995 lijken de spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in Afghanistan evenwel te zijn toegenomen. Met enige regelmaat komen na militaire veroveringen gewelddaden voor die althans gedeeltelijk lijken te zijn ingegeven door etnische motieven.

De Hazara's leven voornamelijk in Centraal- en West-Afghanistan, meer in het bijzonder in de provincies Bamiyan, Uruzgan, Ghazni, Ghor en het zuiden van de provincie Balkh. Deze traditionele leefgebieden van de Hazara's zijn vrijwel volledig in handen van de Taliban. Hazara's vormen ook een belangrijke minderheid in Kabul en Mazar-i-Sharif. Anders dan de meeste andere bevolkingsgroepen in Afghanistan hebben Hazara's Mongoolse gelaatstrekken. De meeste Hazara's zijn sjiiet.

Omdat de Taliban de Hazara's wantrouwen, wordt de orde in de traditionele leefgebieden van de Hazara's - en dan met name in de Hazarajat - op hardhandige wijze gehandhaafd. Hazara's zijn regelmatig het slachtoffer van afpersing, intimidatie en gedwongen rekrutering. Zo zouden de Taliban de bewoners van deze gebieden dwingen verscheidene malen per maand een som geld af te dragen. Deze afpersing geschiedt onder het mom van de inning van een religieuze belasting, de 'zakat'.

Indien de bewoners niet in staat zijn de door de Taliban verlangde bedragen af te staan, nemen de Taliban een deel van hun bezittingen in beslag, waaronder bijvoorbeeld vee. Ook komt het voor dat de Taliban bij het in gebreke blijven van de betaling van de zakat mannelijke gezinsleden dwingen dienst te nemen in hun leger. Aangezien de Hazara's doorgaans erg arm zijn, zou het regelmatig voorkomen dat de Taliban overgaan tot inbeslagname of gedwongen recrutering. De maatregelen worden in de praktijk dikwijls afgedwongen door Hazara's die deel uitmaken van de troepen onder leiding van ustad Mohammed Akbari; de Hezb-i-Wahdat-fractie onder leiding van Akbari heeft zich in november 1998 bij de Taliban aangesloten.

Tadzjieken

Tadzjieken worden door de Taliban veel minder gewantrouwd dan de Hazara's. Slechts in die gevallen waarin de Taliban vermoeden dat Tadzjieken samenspannen met het UIFSA, zullen zij tegen hen optreden.

Voormalige communisten

De val van het communistische bewind van president Najibullah vond plaats in 1992. De communistische staffunctionarissen die vervolging vreesden van de zijde van de Mudjahedin of de Taliban hebben Afghanistan dan ook reeds lang verlaten. De Taliban koesteren over het algemeen geen speciale belangstelling voor de communisten die zijn achtergebleven, ondanks hun vijandige houding jegens het communisme. Vele voormalige communisten wordt hun verleden vergeven, omdat zij de zijde van de Taliban hebben gekozen, zich volledig buiten de politiek houden of omdat zij een meerwaarde vormen voor het nieuwe bewind. Vervolging enkel en alleen op basis van een communistisch verleden is dan ook onwaarschijnlijk.

De Taliban laten evenwel niet alle voormalige communisten bij voorbaat ongemoeid. Dit geldt in het bijzonder voor diegenen onder hen die zich in het verleden zeer nadrukkelijk en op toonaangevende wijze als communist hebben geprofileerd, nauw met de Sovjets hebben samengewerkt, beleidsbepalende invloed hebben gehad op hoger politiek niveau, duidelijk stelling hebben genomen tegen de islam of van wie bekend is dat zij misdaden hebben gepleegd jegens het Afghaanse volk in het algemeen of bepaalde Afghanen in het bijzonder. Bij de beoordeling of voormalige communisten werkelijk vervolging te duchten hebben is van belang hoe zij onder de Afghaanse bevolking (en dus ook onder de Taliban) bekend staan.

Ondanks het ontbreken van gerichte acties van de Taliban tegen voormalige communisten en hun handlangers is het niet uit te sluiten dat zij bepaalde groepen communisten toch vervolgen. Met name de partijtop van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) loopt een verhoogd risico. Tot deze elite behoren onder meer de voormalige leden van het Centraal Comité en de Revolutionaire Raad, de ambtelijke top van de Ministeries van Defensie, Binnenlandse Zaken, Justitie en Staatsveiligheid, de top van het communistische militaire apparaat en de top van het communistische bestuur van steden, districten en provincies. De enige andere groep communisten die thans nog steeds het risico loopt door de Taliban te worden vervolgd, bestaat uit mensen die zich recentelijk in woord en/of daad hebben verzet tegen het huidige bewind.

Overigens hebben sommige leden van de partijtop van de DVPA onder de Taliban een nieuw bestaan opgebouwd. Zij hebben vervolging weten te ontlopen door zich ofwel verre van de politiek te houden ofwel zich aan de zijde van de Taliban te scharen. Dit laatste komt geregeld voor. Zo bestaat de inlichtingendienst van de Taliban voornamelijk uit voormalige functionarissen van de KhAD en bedient de luchtmacht zich grotendeels van in de Sovjet-Unie geschoolde piloten. Ook andere overheidsorganen hebben voormalige communisten in dienst.

Het is niet mogelijk om met stelligheid aan te geven welk risico familieleden lopen van Afghanen die door de Taliban worden gezocht lopen. In veel gevallen zullen de Taliban familieleden van een persoon die gezocht wordt vanwege zijn politieke verleden of vanwege zijn stellingname tegen het huidige bewind ongemoeid laten indien hij, om welke reden dan ook, niet langer in Afghanistan verblijft. Met het vertrek van deze persoon is immers ook de dreiging voor de Taliban verdwenen. Indien de Taliban vermoeden dat een gezochte persoon zich nog steeds in Afghanistan bevindt, dan lopen familieleden het risico vastgenomen te worden totdat hij zich bij de autoriteiten meldt.

3.5 Samenvatting


De mensenrechtensituatie in Afghanistan geeft aanleiding tot grote bezorgdheid. Burgers in Afghanistan ontberen wettelijke of constitutionele bescherming tegen discriminatie op grond van hun ras, geslacht, religie, handicap, taal of etniciteit. In afwezigheid van een sterk centraal gezag verschilt de intensiteit waarmee maatregelen worden opgelegd van gebied tot gebied en van plaats tot plaats.

De Taliban hanteren een strikte interpretatie van de islam. Alle Afghanen die in door de Taliban gecontroleerde gebieden wonen, dienen zich aan strenge gedragsregels te houden. Het kleine aantal niet-moslims in Afghanistan (zoals Hindoes, Sikhs) mag van de Taliban hun geloof belijden. Voorwaarde daarbij is wel dat zij zich niet inlaten met de actieve verbreiding van hun geloof. Recentelijk is bepaald dat Hindoes worden verplicht een geel merkteken te dragen om zich te onderscheiden van de moslim bevolking. Voor zover bekend is dit besluit nog niet door Mullah Omar bekrachtigd.

Afghanistan kent geen vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Onder de Taliban geldt nog steeds een religieus gemotiveerd verbod op muziek, film en televisie.

Hoewel burgers in beginsel het recht hebben vrij te reizen binnen en buiten Afghanistan, worden de reismogelijkheden in de praktijk beperkt door oorlog, banditisme, landmijnen, slechte of verwoeste infrastructuur en het geringe aantal binnenlandse vluchten. De beperkingen die de Taliban aan vrouwen opleggen bemoeilijken het reizen voor vrouwen nog meer.

De Sharia vormt een wezenlijk onderdeel van het gedachtegoed van de Taliban. In de gebieden van Afghanistan die zij successievelijk onder controle kregen, hebben zij deze vorm van rechtspraak onmiddellijk ingevoerd. De interpretatie van de Sharia en de mate waarin de procesgang is geformaliseerd, verschillen wel van gebied tot gebied en van plaats tot plaats. De houding en zienswijze van de lokale autoriteiten zijn in dit opzicht van doorslaggevend belang. Ook traditionele stamgebruiken spelen een rol. Lijfstraffen vormen een wezenlijk onderdeel van de Sharia. Om de afschrikwekkende werking van de straf te vergroten, worden lijfstraffen door de Taliban in het openbaar voltrokken.

Zowel de Taliban als het UIFSA maken zich schuldig aan marteling, buitengerechtelijke executies en moorden van politieke tegenstanders en krijgsgevangenen. De buitengerechtelijke executies bij de Robatak-pas en het bloedbad in Yakawlang zijn hier voorbeelden van.

In het door de Taliban gecontroleerde deel van Afghanistan worden de rechten van vrouwen systematisch geschonden. Zo is de toegang van vrouwen en meisjes tot de gezondheidszorg en het onderwijs beperkt, zijn er nauwelijks mogelijkheden om buitenshuis te werken en is de bewegingsvrijheid van vrouwen sterk aan banden gelegd.

De Taliban rekruteren vrijwel uitsluitend binnen de Pashtun gemeenschap in Afghanistan. Onder bijzondere omstandigheden komt het echter ook voor dat de Taliban mannen van andere etnische groeperingen (zoals Tadzjieken en Hazara's) dwingen in hun strijdkrachten te dienen. De Hazara's en Tadzjieken die tegen hun wil worden gerekruteerd, krijgen geen wapens uitgereikt, maar dienen als menselijk schild tegen vijandelijke aanvallen of worden voor de reguliere troepen uitgestuurd om landmijnen te lokaliseren.

Tijdens de periode waarin Afghanistan door de communisten werd bestuurd, waren de Mudjahedin verenigd in hun doel het bewind omver te werpen en speelden etnische conflicten alleen op de achtergrond een rol. Ook in de eerste jaren van het bewind van de Mudjahedin waren gelegenheidscoalities belangrijker dan etnische verschillen. Sinds 1995 lijken de spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in Afghanistan evenwel te zijn toegenomen, waarbij met name de Hazara-bevolking het moet ontgelden. Met enige regelmaat komen na militaire veroveringen gewelddaden voor die althans gedeeltelijk lijken te zijn ingegeven door etnische motieven.


4 Vluchtelingen en ontheemden




4.1 Inleiding

Afghanistan is zo goed als bankroet en behoort tot de armste en minst ontwikkelde landen ter wereld. De ergste droogte in mensenheugenis, die het land al bijna een jaar in haar greep heeft, maakt de situatie nog slechter. De bevolking kampt met uiterst gebrekkige voorzieningen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, drinkwater en sanitatie. Grote delen van het platteland zijn vergeven van landmijnen. In gedeelten van Afghanistan woedt nog steeds een bloedige burgeroorlog. Zowel in de gebieden die door de Taliban worden gecontroleerd, als in die welke onder controle staan van het UIFSA, vinden mensenrechtenschendingen plaats.

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat nog steeds vele Afghanen hun heil elders zoeken. Het betreft met name Afghanen die op de vlucht zijn geslagen voor de droogte en het oorlogsgeweld. Zij vestigen zich meestal voor kortere of langere tijd in andere delen van Afghanistan, maar het komt eveneens voor dat zij naar naburige landen afreizen, waar zij veelal worden opgenomen in de aldaar reeds bestaande Afghaanse gemeenschappen.

In Pakistan en Iran verblijven al jarenlang miljoenen Afghanen. Vanwege de verharding van de houding van de Pakistaanse en Iraanse autoriteiten jegens Afghanen die in hun land verblijven, wordt op Afghanen in deze landen de druk opgevoerd om te vertrekken. Diegenen onder hen die over voldoende middelen beschikken, zullen onder deze omstandigheden vermoedelijk nog meer dan voorheen geneigd zijn door te migreren naar een westers land, in plaats van terug te keren naar hun door droogte en oorlog geteisterde vaderland.

4.2 Mobiliteit binnen Afghanistan


De wijze waarop de Taliban hun macht uitoefenen is onderhevig aan sterke regionale verschillen. Vooral onder Afghaanse Pashtuns is verhuizing vanwege een onredelijk strenge plaatselijk leider een bekend verschijnsel; zij kunnen zich doorgaans zonder problemen elders in Afghanistan vestigen. Overigens zullen mogelijke problemen met de plaatselijke leiders van de Taliban vrijwel altijd van voorbijgaande aard zijn, omdat deze leiders zeer regelmatig worden overgeplaatst om de opbouw van een persoonlijke machtsbasis te voorkomen.

Tadzjieken die vervolging te vrezen hebben van de zijde van de Taliban zouden in theorie kunnen vluchten naar het gebied dat onder controle staat van het UIFSA, waar de meerderheid van de bevolking eveneens Tadzjiek is. In de praktijk is dit vestigingsalternatief evenwel weinig aantrekkelijk. Het gebied ontbeert een betrouwbaar rechtssysteem, kent geen grondwet en met name vrouwen lopen er een reëel risico te worden mishandeld en misbruikt door leden van gewapende bendes. Bovendien is de omvang van het gebied almaar geslonken. Deze nadelen gelden in versterkte mate voor leden van andere etnische groepen, die in het door het UIFSA gecontroleerde gebied een minderheid vormen.

4.3 Landen van eerste opvang

Vanwege de grote toevloed van Afghanen die in de loop van 2000 de wijk namen naar Pakistan, lieten de Pakistaanse autoriteiten op 9 november 2000 weten hun grenzen voortaan voor Afghanen te sluiten. Naar verluidt zouden zij ook de Taliban hebben verzocht te voorkomen dat Afghanen zonder geldige reisdocumenten de grens zouden bereiken.

De maatregel heeft nauwelijks effect gehad. De stroom Afghanen naar Pakistan hield aan en is sindsdien niet opgedroogd. De nieuw aangekomen Afghanen worden ondergebracht in het Shamshatoo en Akora kamp (ca. 70.000 inwoners) en Jalozai kamp (ca. 100.000 inwoners), allen gesitueerd rondom Peshawar. Het betreft zowel Afghanen die voor de eerste keer naar Pakistan zijn uitgeweken als Afghanen die eerder vanuit Pakistan zijn gerepatrieerd, maar vanwege de droogte en de gevechten naar Pakistan zijn teruggekeerd. De meeste van hen zijn etnische Tadzjieken uit de provincies Takhar en Parwan. Daarnaast bevinden zich onder de Afghanen ook etnische Oezbeken en Turkmenen uit Noord-Afghanistan, Pashtuns uit gebieden ten noorden van Kabul en Hazara's. De Afghanen in Shamshatoo en Jalozai leven onder erbarmelijke omstandigheden. Dagelijks sterven er kinderen en ouderen aan ziektes.

Binnenkort verschijnt separaat een ambtsbericht over de situatie van Afghanen in Pakistan.

Op 31 december 2000 liep het zogenaamde Joint Programme for the Voluntary Repatriation of Afghan Refugees from Iran af. Het programma was tweeledig. Enerzijds konden Afghanen zich aanmelden voor vrijwillige terugkeer naar Afghanistan. Als het gebied waarnaar de Afghaan in kwestie wilde terugkeren veilig was en er geen droogte heerste, dan verzorgde UNHCR in samenwerking met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) voor vervoer en beperkte financiële ondersteuning. Anderzijds konden Afghanen zich bij verscheidene screening centra in Iran vervoegen met een verzoek in Iran te mogen blijven. Een gecombineerd team van vertegenwoordigers van de Iraanse regering en de UNHCR bogen zich vervolgens over dit verzoek. Afghanen die in hun vaderland vervolging te vrezen hebben (en andere kwetsbare groepen) werd zo de mogelijkheid geboden hun verblijf in Iran voor enige tijd te legaliseren.

Momenteel stellen de Iraanse autoriteiten zich hard op tegen Afghanen die naar Iran willen uitwijken. Zij mogen Iran niet in. Zo werden op 5 december 2000 26.000 Afghanen die Iran illegaal waren ingereisd het land weer uitgezet. Ook oefenen de Iraanse autoriteiten druk uit op UNHCR om in 2001 meer dan honderdduizend Afghanen te repatriëren. Overigens slagen er desondanks duizenden Afghanen in om illegaal de 900 kilometer lange grens met Afghanistan te overschrijden, al dan niet door omkoping van Iraanse grenswachten.

Ondanks de sympathie van de Iraanse autoriteiten voor het UIFSA, zijn de bilaterale relaties tussen Iran en de Taliban de afgelopen tijd verbeterd. Zo bestaat weer de mogelijkheid om handel te drijven en is postverkeer tussen beide landen na acht jaar hervat. Echter, als gevolg van een door een Iraniër gepleegde bomaanslag op 4 mei 2001 op een moskee in Herat en de daaropvolgende onlusten, zijn de betrekkingen onder spanning komen te staan. Onduidelijk is hoe de situatie zich zal gaan ontwikkelen.

Binnenkort verschijnt separaat een ambtsbericht over de situatie van Afghanen in Iran.

Binnenkort verschijnt separaat een ambtsbericht over de situatie van (illegale) Afghanen in Kazachstan, Turkmenistan, Oezbekistan, Tadzjikistan en Kyrgyzstan.

4.4 Beleid van andere westerse landen


Geen enkele lidstaat van de EU stuurt afgewezen uitgeprocedeerde Afghanen terug naar Afghanistan.

In Duitsland heeft recentelijk een belangrijke beleidswijziging plaatsgevonden. In het internationaal vluchtelingenrecht wordt er vanuit gegaan dat een staat of een quasi-staat direct of indirect verantwoordelijk kan worden gehouden voor de te vrezen vervolging. Volgens een uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht (Administratieve Hof) op 4 november 1997 zou de vereiste effectieve en stabiele territoriale controle tijdens een burgeroorlog niet kunnen ontstaan zolang op elk moment en overal rekening gehouden moet worden met het uitbreken van gevechten die de territoriale controle onzeker maakt. Dit had tot gevolg dat Afghanen die in Duitsland asiel aanvroegen niet als vluchteling werden erkend. In een recente uitspraak van 8 augustus 2000 heeft het Bundesverfassungsgericht (Constitutionele Hof) bepaald dat deze maatstaf te streng is. Doorslaggevend is of de potentiële de facto-overheid minstens in een kerngebied effectief gezag met een zekere stabiliteit kan uitoefenen. Aanhoudende militaire bedreiging sluit zulk effectief gezag niet uit, met name niet als sprake is van een langdurige burgeroorlog waarin een bestaande machtsdeling voortduurt. Deze uitspraak van het Constitutionele Hof betekent dat vreemdelingen die landen ontvluchten die feitelijk verdeeld zijn in min of meer stabiele delen (zoals Afghanistan), niet meer van vluchtelingschap zijn uitgesloten. Door deze wijziging hanteert Duitsland geen wezenlijk ander beleid meer dan andere EU-lidstaten.

4.5 UNHCR-beleid

UNHCR adviseert de internationale gemeenschap afgewezen uitgeprocedeerde Afghaanse asielzoekers niet gedwongen naar Afghanistan terug te zenden.

In 2000 assisteerde UNHCR bij de vrijwillige terugkeer van 13.969 families (75.967 personen) vanuit Pakistan naar Afghanistan. Het terugkeerprogramma dat UNHCR vanuit de Pakistaanse provincie Baluchistan uitvoerde, werd in het voorjaar van 2000 enige tijd opgeschort vanwege de droogte in de aan de andere zijde van de grens gelegen Afghaanse provincies Kandahar, Helmand en Nimroz. Het gehele terugkeerprogramma stokte in november 2000 vanwege gebrek aan fondsen.

In het kader van het zogenaamde Joint Programme for the Voluntary Repatriation of Afghan Refugees from Iran assisteerde UNHCR tussen 9 april en 31 december 2000 bij de vrijwillige terugkeer van 133.612 Afghanen vanuit Iran. Vanwege de droogte in het zuiden van Afghanistan vond repatriëring alleen plaats via de Islam-Qala, een grensplaats op de route naar Herat. Naast de Afghanen die terugkeerden in het kader van het Joint Programme, registreerde UNHCR nog eens 1.865 families (9.346 personen) en 53.320 mannen zonder familieleden die op eigen gelegenheid naar Afghanistan terugkeerden. Onder deze laatste groep bevonden zich vele seizoensarbeiders, handelaren en Afghanen die Iran om economische redenen verlieten.

Zowel bij de vrijwillige terugkeer vanuit Pakistan als uit Iran ontmoedigde UNHCR de terugkeer naar gebieden die getroffen waren door de droogte of geteisterd werden door oorlogsgeweld. Afghanen uit dergelijke gebieden kwamen slechts bij hoge uitzondering in aanmerking voor assistentie.

Hoewel de programma's voor vrijwillige terugkeer vanuit Pakistan en Iran niet formeel zijn opgeschort, worden door UNHCR momenteel geen activiteiten op dit gebied ontplooit. In Iran spant UNHCR zich in voor een vervolg op het Joint Programme, dat op 31 december 2000 afliep.

Van 27 april tot 5 mei 2001 bracht de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, Ruud Lubbers, een bezoek aan Iran, Afghanistan en Pakistan om internationaal aandacht te vragen voor de slechte humanitaire en veiligheidssituatie in Afghanistan en het vraagstuk van de Afghaanse vluchtelingen. Lubbers sprak met vertegenwoordigers van de Taliban en de Pakistaanse en Iraanse regering om de standpunten te verkennen en een mogelijke oplossing te vinden voor het Afghaanse vluchtelingenprobleem.

4.6 Samenvatting


Armoede, onderontwikkeling en burgeroorlog, gecombineerd met een aanhoudende droogte vormen de belangrijkste vluchtmotieven voor vele Afghanen. Zij vestigen zich meestal voor kortere of langere tijd in andere delen van Afghanistan, maar het komt eveneens voor dat zij afreizen naar buurlanden.

De mobiliteit binnen Afghanistan wordt in het door de Taliban gecontroleerde gebied met name bepaald door de strengheid van de plaatselijke Taliban-leider. Het door het UIFSA beheerste gebied wordt gekenmerkt door afwezigheid van een betrouwbaar rechtssysteem, waardoor (tijdelijke) vestiging alhier een onaantrekkelijk alternatief vormt.

Geen enkele lidstaat van de EU stuurt afgewezen uitgeprocedeerde Afghanen terug naar Afghanistan.

De UNHCR adviseert afgewezen uitgeprocedeerde Afghanen niet gedwongen naar Afghanistan terug te zenden. De UNHCR assisteerde in 2000 bij de vrijwillige terugkeer van Afghaanse families uit Iran en Pakistan. Hoewel de programma's voor vrijwillige terugkeer vanuit Pakistan en Iran niet formeel zijn opgeschort, worden in beide landen vooralsnog geen nieuwe activiteiten door de UNHCR ontplooid.


5 Samenvatting



In 2000 en in het eerste kwartaal van 2001 vonden in verschillende delen van Centraal- en Noord-Afghanistan hevige gevechten plaats tussen de Taliban en het UIFSA. Alhoewel de Taliban momenteel meer dan 90 procent van Afghanistan controleren, lijkt vooralsnog geen einde te komen aan de burgeroorlog. Gelet op de recente militaire successen in het noorden en de hernieuwde sancties van de Veiligheidsraad, is de verwachting dat de animo onder de Taliban groot is om te proberen de burgeroorlog op het slagveld te beslechten. Het UIFSA beschouwt de sancties als een steun in de rug en zal in het eenzijdige wapenembargo tegen de Taliban eveneens een aanmoediging zien om verder te vechten.

Vanwege de aanhoudende droogte hebben sinds medio 2000 bijna een half miljoen Afghanen hun woonplaatsen moeten verlaten. Dit aantal groeit nog steeds. De meeste Afghanen komen terecht in provisorisch opgezette kampen. Ondervoeding en kou hebben veel slachtoffers gemaakt. Ook voor het komende jaar zijn de vooruitzichten slecht: de droogte houdt aan en als gevolg daarvan lijkt de oogst andermaal te mislukken.

Zowel de Taliban als het UIFSA maken zich schuldig aan de schending van de mensenrechten. In dit verband baren met name de kwaliteit van de rechtspraak en de positie van de vrouw zorgen. Ook de positie van de Hazara's geeft aanleiding tot zorg. Net als in 1998, werden burgers van deze bevolkingsgroep in 2000 en 2001 twee maal het slachtoffer van massale buitenrechtelijke executies door de Taliban, bij de Robatak-pas en in Yakawlang. Beide kampen maken zich schuldig aan martelpraktijken.

In Pakistan en Iran verblijven al jarenlang miljoenen Afghanen. Vanwege de verharding van de houding van de Pakistaanse en Iraanse autoriteiten jegens Afghanen die in hun land verblijven, wordt op Afghanen in deze landen de druk opgevoerd om te vertrekken. Diegenen onder hen die over voldoende middelen beschikken, zullen onder deze omstandigheden vermoedelijk nog meer dan voorheen geneigd zijn door te migreren naar een westers land, in plaats van terug te keren naar hun verwoeste vaderland.

Geen enkele lidstaat van de EU stuurt afgewezen uitgeprocedeerde Afghanen terug naar Afghanistan.

UNHCR adviseert afgewezen uitgeprocedeerde Afghanen niet gedwongen naar Afghanistan terug te zenden. UNHCR assisteerde in 2000 bij de vrijwillige terugkeer van Afghaanse families vanuit Pakistan en Iran naar Afghanistan. Hoewel de programma's voor vrijwillige terugkeer vanuit Pakistan en Iran niet formeel zijn opgeschort, worden momenteel door UNHCR geen nieuwe activiteiten ontplooid.


6 Literatuur



Amnesty International, Afghanistan. The Human Rights of Minorities, (ASA 11/14/99).

Amnesty International, Afghanistan. Executions in Panjshir, (ASA 11/004/2001, 15 februari 2001).

Amnesty International, Brief aan Staatssecretaris Kalsbeek inzake Afghanistan (17 april 2001).

Economist Intelligence Unit, Country Report. Pakistan, Afghanistan (februari 2001).

Fisher, W.B., Ahmed Mukarram en Kevin Rafferty, Afghanistan, The Far East and Australasia 2001 (London, 2000).

Human Rights Watch, Afghanistan. Massacres of Hazaras in Afghanistan (Vol. 12, No. 7 (C), februari 2001).

Immig, Olivier, & Jan van Heugten, Afghanistan. De Taliban aan de macht (Amsterdam, 2000).

Informationsverbund Asyl/ZDWF e.V., Afghanistan, in: Asylmagazin 3/2001,m blz. 15-20.

Maley, William (red.), Fundamentalism Reborn? Afghanistan and the Taliban (London, 1998).

Matinuddin, Kamal, The Taliban Phenomenon. Afghanistan 1994-1997 (Karachi 1999).

Rashid, Ahmed, Taliban. Islam, Oil and the New Great Game in Central Asia, (London, 2000).

UN, Question of the Violation of Human Rights and Fundamental Freedoms in Any Part of the World. Report on the situation of human rights in Afghanistan submitted by Mr. Kamal Hossain, Special Rapporteur, in accordance with Commission resolution 1999/9 (E/CN.4/2000/33, 10 januari 2000).

UN, Integration of the Human Rights of Women and the Gender Perspective. Violence Against Women. Report of the Special Rapporteur on violence against women, its causes and consequences, Ms. Radhika Coomarasqamy, submitted in accordance with Commission on Human Rights resolution 1997/44. Addendum. Mission to Pakistan and Afghanistan (1-13 September 1999) (E/CN.4/2000/68/Add.4, 13 maart 2000).

UN, The Situation in Afghanistan and its Implications for International Peace and Security. Report of the Secretary-General (A/54/918-S/2000/581, 16 juni 2000).

UN, The Implementation of Human Rights With Regard to Women. Report of the Secretary-General on the situation of women and girls in Afghanistan, submitted in accordance with Sub-Commission resolution 1999/14 (E/CN.4/Sub.2/2000/18, 21 juli 2000).

UN, Situation of Human Rights in Afghanistan. Interim report of the Special Rapporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in Afghanistan (A/55/346, 30 augustus 2000).

UN, Emergency International Assistance for Peace, Normalcy and Reconstruction of War-stricken Afghanistan. Report of the Secretary-General (A/55/348, 31 augustus 2000).

UN, Question of the Violation of Human Rights and Fundamental Freedoms in Any Part of the World. Report on the situation of human rights in Afghanistan submitted by Mr. Kamal Hossain, Special Rapporteur, in accordance with Commission resolution 2000/18 (E/CN.4/2001/43, februari 2001).

UNHCR, Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from Afghanistan, Centre for Documentation and Research (Genève, april 2001).

Bijlage 1

Het bestuur van het Islamitisch Emiraat Afghanistan (Taliban)

In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van belangrijke personen in het bestuur van het Islamitische Emiraat Afghanistan. De informatie is onder meer ontleend aan: Fisher et al., Afghanistan, The Far East and Australasia 2001 (London, 2000), blz. 86-92; Economist Intelligence Unit, Country Report. Pakistan, Afghanistan (februari 2001); en Immig & Van Heugten, Afghanistan. De Taliban aan de macht (Amsterdam, 2000). De bronnen vullen elkaar doorgaans aan. Waar de bronnen elkaar tegenspreken, is dit vermeld in een voetnoot.

Mullah Mohammad Rabbani? Voorzitter van de Bestuursraad, leider van de Raad van Ministers (Shura)

Mullah Mohammad Hassan Akhund Eerste plaatsvervangende voorzitter van de Raad van Ministers

Mawlawi Abdoel Kabir Tweede plaatsvervangende voorzitter van de Raad van Ministers

Mullah Abdol Razzaq Akhund Minister van Binnenlandse Zaken

Mullah Abdul Khaksar Eerste vice-minister van Binnenlandse Zaken

Mullah Mohammad Sharif Tweede vice-minister van Binnenlandse Zaken

Mola Abdol Wasay Aghajan Motasem Minister van Financiën

Mawlawi Wakil Ahmad Mutawakil Minister van Buitenlandse Zaken

Mullah Abdoel Jalil Vice-minister van Buitenlandse Zaken

Abdoel Rahman Zahed Vice-minister van Buitenlandse Zaken

Alhaj Mola Noruddin Torabi Minister van Justitie

Mullah Akthar Mohammad Mansur Minister van Civiele Luchtvaart en Toerisme

Mawlawi Ahmadollah Motee Minister van Telecommunicatie en Werkgelegenheid

Mullah Mohammad Jan Akhund Minister van Water en Elektriciteit

Mawlawi Mohammadullah Moti Minister van Publieke Werken

Mawlawi Hamdollah Zahed Minister van Lichte Industrie en Voedsel

Mawlawi Abdol Latif Mansur Minister van Landbouw en Veeteelt

Qari Ahmedulla Minister voor Staatsveiligheid

Mullah Ubaidullah Akhund Minister van Defensie

Mawlawi Akhtar Mohammad Vice-minister van Defensie

Mullah Nooruddin Turabi Minister voor Openbare Orde

Mullah Yar Mohammad Minister van Transport en Communicatie

Mawlawi Allahdad Tayeb Vice-minister van Transport en Communicatie

Mawlawi Mohammadullah Minister voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken

Mawlawi Rustam Nooristani Vice-minister voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken

Hafiz Mohibullah Minister voor Haj en Religieuze Zaken

Mawlawi Muslim Haqqani Vice-minister voor Haj en Religieuze Zaken

Mawlawi Abdol Raqib Minister voor Vluchtelingenzaken en Repatriëring

Mawlawi Mohammad Akhund Minister voor Waterbeheer en Stroomvoorziening

Mawlawi Faiz Mohammad Faizan Vice-minister van Handel en Industrie

Mullah Qudratullah Akhund Minister van Informatie en cultuur

Abdur Rahman Hotak Vice-minister van Informatie en cultuur

Rehmatullah Wahidyar Vice-minister voor Martelaren

Alhaj Mohammad Isa Akhund Minister voor Mijnbouw en Industrie

Mawlawi Mohammad Wali Minister ministerie ter Bevordering van de Deugd en ter Onderdrukking van de Ondeugd

Mawlawi Sediqollah Minister van Plattelandsontwikkeling

Mullah Saaduddin Saeed Minister van Planning

Qari Din Mohammad Hanif Minister voor Hoger Onderwijs

Mullah Mohammad Abbas Akhund Minister van Gezondheidszorg

Sjer Abbas Stanekzai Vice-minister van Gezondheidszorg

Mawlawi Ghiasoddin Minister zonder portefeuille

Mawlawi Abdul Hakim Monib Vice-minister van Grenskwesties en Stamzaken

Mawlawi Mohammedullah Mati Minister van Openbare Werken

Mawlawi Rostam Noeristani Vice-minister van Openbare Werken

Gouverneurs

Noor Mohammad Saqib Procureur-Generaal/President Opperste Gerechtshof

Mawlawi Sulayman Vice-president Opperste Gerechtshof

Mawlawi Abdol Satar Sediqi Vice-president Opperste Gerechtshof

Mawlawi Rafiollah Mo'azen Vice-president Opperste Gerechtshof

Mawlawi Shahaboddin Delawar Vice-president Opperste Gerechtshof

Abdoel Rahman Agha Leider Militair Gerechtshof

Leger

Mullah Mohammad Fazel Akhond Chef Defensiestaf

Mullah Rahmatollah Stafchef Centrale Landmacht

Mullah Abdol Slam Roketi Vice-stafchef Centrale Landmacht

Akhtar Mohammad Mansoor Bevelhebber Luchtstrijdkrachten

Mawlawi Mohammad Nabi Omari Commandant Grenstroepen

Mullah Rauf Akhundzada Corpscommandant Kabul

Mullah Abdul Salam Rocketi Corpscommandant Herat

Andere hoge functionarissen

Mawlawi Qalamuddin Secretaris-Generaal ministerie ter bevordering van de Deugd en ter voorkoming van de Ondeugd

Mawlawi Sultan Mohammad

Mobtaker Secretaris-Generaal van het ministerie van Staatsveiligheid Kabul

Mullah Mohammad Anwar Plv. Secretaris-Generaal van het ministerie van Staatsveiligheid Kabul

Mullah Haji Mohammad Ahmad

Ahmadi President Staatsbank

Mullah Hamdullah Nomani Burgemeester Kabul

Mawlawi Mohammad Qasim Naseri Plaatvervangend burgemeester Kabul

Mullah Haqqani ' Gemeentesecretaris' Kabul

Mullah Shahabuddin Delawar Vice-gouverneur Kabul

Mullah M. Yonus Hoofdcommissaris politie Kabul

Emir Khan Moetakki Voorzitter Uitvoerende Raad regering

Mawlawi Abdoel Hai Moetmaen Woordvoerder van de Taliban in Kandahar

Mullah Abdul Salam Zaeef Ambassadeur te Islamabad, Pakistan

Mawlawi Massiullah Ahmedi Consul Karachi, Pakistan

Mohammad Abdoelwahab Zaakgelastigde in Saoedi-Arabië

Abdoel Hakim Moedjahid Afgevaardigde bij de VN

Generaal Rehmatullah Safi Taliban vertegenwoordiger in Europa

Leila Helms Woordvoerder Taliban New-York

Mawlawi Pir Mohammed Rector Universiteit van Kabul

Mohammed Hussain Voorzitter Academie van Natuurwetenschappen

Qari Hamidullah Algemeen directeur Ariana Afghan Airlines

Professor Mohammad Eshaq Nezami Algemeen directeur radio Shariat

De regering van de Islamitische Staat Afghanistan (UIFSA)

In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de samenstelling van de regering Rabbani, president van de Islamitische Staat Afghanistan.De informatie is ontleend aan Fisher et al., Afghanistan, The Far East and Australasia 2001 (London, 2000), blz. 86-92.

Net als elders in dit ambtsbericht, zijn de Afghaanse namen vertaald vanuit het Dari en Pashtu naar het Latijnse schrift. Het is dan ook goed mogelijk dat in andere bronnen enigszins afwijkende schrijfwijzen worden gehanteerd.

Generaal Abdul Rashid Dostam Vice-president

Sayd Mansur Nadiri Vice-president

Interim Kabinet

Hojjat-ol Islam Sayd Mohammad Ali Jawid Premier and Minister van Planning

Ing. Qotboddin Helal Eerste Vice-premier

Abdol Manan Makhdum Vice-premier

Ahmad Shah Masoud Minister van Defensie

Mohammad Mohaqqeq Minister van Binnenlandse Zaken

Dr. Abdollah Minister van Buitenlandse Zaken

Majoor-Generaal Fahim Minister van Veiligheid

Ing. Al-Sayed Ahmad Musavi Minister van Water en Elektriciteit

Hedayatollah Hedayat Minister van Informatie en Cultuur

Ing. Gardizi Minister van Landbouw

Ing. Mohammad Ibrahim Adil Minister van Bouwzaken

Abdolwakil Abdolwahab Minister van Onderwijs

Ing. Wahidollah Saba'un Minister van Financiën

Generaal Helaloddin Minister van Civiele Luchtvaart

Mawlawi Samiollah Najebi Minister van Martelaren en Gehandicapten

Hojjat-ol Islam Sayd Hosayn Alemi Balkhi Minister van Handel

Ghulam Husayn Shahaq Minister van Werkgelegenheid en Sociale Zaken

Dr. Najibullah Lafrat Staatsminister voor Buitenlandse Zaken

Abdolhai Ilahi Minister zonder portefeuille en Coördinator van Internationale Hulp

Muhammad Awaz Fikrat Vice-minister van Handel

Mr. Ma'sumyar Vice-minister van Hoger Onderwijs

Sayed Abdulhadi Balkhi Regeringsadviseur

Cf. W.B. Fisher, Ahmed Mukarram en Kevin Rafferty, Afghanistan, The Far East and Australasia 2001 (London, 2000), blz. 81-2.

Aanvankelijk kende Afghanistan 29 provincies. In april 1988 en juli 1988 kwamen daar twee nieuwe provincies bij, te weten Sar-i-Pol en Nuristan. Sar-i-Pol bestaat uit delen van de provincies Jawzjan, Bamiyan en Faryab, Nuristan uit delen van Laghman en Kunar. Een derde nieuwe provincie die nog tijdens het communistisch bewind zou zijn gevormd is Ghost, voorheen onderdeel van de provincie Paktia. De Taliban hebben gouverneurs voor Ghost en Sar-i-Pol aangesteld en lijken derhalve deze nieuwe provincies de facto te erkennen. De status van de nieuwe provincie Nuristan is onduidelijk.

Voor een kaart met de (oude) provincie-indeling van Afghanistan, zie bijlage
1 van het algemeen ambtsbericht Afghanistan met kenmerk DPC/AM-680345 van 9 mei 2000.

Cf. UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 4. Zeker drie miljoen Afghanen verblijven buiten de landsgrenzen (cf. Question of the Violation of Human Rights and Fundamental Freedoms in Any Part of the World. Report on the situation of human rights in Afghanistan submitted by Mr. Kamal Hossain, Special Rapporteur, in accordance with Commission resolution 1999/9, (UN, E/CN.4/2000/33, 10 januari 2000), paragraaf 51). Inmiddels zijn ongeveer 350.000 Afghanen vluchteling binnen hun eigen land, zogenaamde IDP's (Internally Displaced Persons) (UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 17-8; cf. US State Report (februari 2001), introduction). Amnesty International schat het aantal inwoners van Afghanistan op 22,6 miljoen, exclusief de vele Afghanen die elders in de wereld hun heil hebben gezocht (Human Rights of Minorities, blz. 1). Onderzoek van de VN heeft vorig jaar uitgewezen dat Kabul 1,8 miljoen inwoners telt.

Er bestaan geen recente betrouwbare statistische gegevens over de grootte van de verschillende etnische groepen in Afghanistan. Zie voor een indruk van de samenstelling van de bevolking van Afghanistan in 1986 H. Emadi, State, Revolution and Superpowers in Afghanistan (Karachi 1997), blz. 12, 13. Zie ook paragraaf 3.4.3 Minderheden.

Voor een overzicht van de geschiedenis van het communistisch bewind in Afghanistan, zie het algemeen ambtsbericht 'Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan (1978-1992)' met kenmerk DPC/AM -663896 van 29 februari 2000, paragraaf 2.1, blz. 5-11 (samengevat in paragraaf 2.1.1. van het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000). Zie daarnaast voor een beschrijving van de partijstructuur van de communistische partij het algemeen ambtsbericht Afghanistan met kenmerk DPC/AM-633314 van 16 september 1999, paragraaf 2.2.1, blz. 6-12.

Zie Anthony Davis, How the Taliban became a military force, in William Maley (red.), Fundamentalism Reborn? Afghanistan and the Taliban (London, 1998), blz. 43-71; Olivier Immig en Jan van Heugten, Afghanistan. De Taliban aan de macht (Amsterdam, 2000), blz. 41-52; Kamal Matinuddin, The Taliban Phenomenon. Afghanistan 1994-1997 (Karachi 1999), blz. 60-109; Fisher et al., Afghanistan, blz. 68-73.

Voor een chronologisch overzicht van de opkomst van de Taliban tot 15 oktober 1999, zie Taliban. Islam, Oil and the New Great Game in Central Asia, Ahmed Rashid (London, 2000), appendix 3, blz. 226-35.

De Supreme Council for the Defence of Afghanistan was een alliantie van generaal Abdul Rashid Dostams Junbish-i-Melli wa Islami, commandant Ahmad Shah Massouds Shura-i-Nazar (de militaire vleugel van Rabbani's Jamiat-i-Islami), en generaal Abdul Karim Khalili's Hezb-i-Wahdat.

Het betrof een gedeelte van Gulbuddin Hekmatyars Hezb-i-Islami en Pir Sayed Ahmad Gailani's Mahaz-i-Melli-Islami-Afghanistan.

Vanaf de communistische omwenteling in 1978 heeft Afghanistan achtereenvolgens de volgende namen gekend: Democratische Republiek Afghanistan (1978-1987), Republiek Afghanistan (1987-1992), Islamitische Staat Afghanistan (1992 - nu) en Islamitische Emiraat Afghanistan (1997- nu) (cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.1.2, passim; W.B. Fisher et al., Afghanistan, blz. 59-94).

Hierbij werden huizen en bezittingen verbrand en burgers (onder wie vrouwen en kinderen) gedood, vastgezet, te werk gesteld of gedwongen te vertrekken. Zie voor een uitvoerige beschrijving van de strijd om Bamiyan en het daaropvolgende geweld tegen de plaatselijke bevolking tevens het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, §2.3, blz. 15, en het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, §2.2, blz. 14-5. In verband met de mensenrechtenschendingen die door de Taliban in Bamiyan zijn gepleegd, wordt onder meer de naam van commandant Abdul Wahid Ghorbandi genoemd (Report on the Situation of Human Rights, 10 januari 2000, paragraaf 37).

Amnesty International, Brief aan Staatssecretaris Kalsbeek inzake Afghanistan (17 april 2001).

Zie ook paragraaf 3.4.2. 'Rekruten' onder 'Recrutering elders'.

De door de Taliban gehanteerde tactiek van de verschroeide aarde bracht een enorme vluchtelingenstroom op gang. Ruim honderdduizend inwoners van de Shomali-vallei sloegen op de vlucht voor het geweld. De meesten van hen weken uit naar de door het UIFSA gecontroleerde Pansjhir-vallei. Anderen zochten hun toevlucht in Kabul. Sommigen onder hen werden van daar door de Taliban naar Jalalabad gebracht (cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.2, blz. 15-18; UN Report on Emergency Assistance (31 augustus 2000), paragrafen 3 en 7.

Cf. US State Report (februari 2001), introduction.

Cf. UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 24; US State Report (februari 2001), section 3.

Cf. Fisher et al., Afghanistan, blz. 70; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 6. Vanwege de gastvrijheid die de internationaal gezochte terrorist Osama bin Laden in Afghanistan geniet, zijn de betrekkingen tussen Saoedi Arabië en de Taliban al langere tijd bekoeld.

Als enig westers land heeft Frankrijk een zaakgelastigde voor Afghanistan. De zaakgelastigde is gestationeerd in Islamabad, maar houdt zeer regelmatig kantoor in Kabul. De Franse autoriteiten hebben aangegeven dat de zaakgelastigde er met name op moet toezien dat Franse staatsburgers die werkzaam zijn bij NGO's hun werk kunnen verrichten.

Opmerkelijk is verder dat de Taliban op 16 januari 2000 Tsjetsjenië hebben erkend als onafhankelijke republiek. De Tsjetsjeense regering werd bovendien uitgenodigd een diplomatieke vertegenwoordiging te openen in Kabul (UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 20).

Tijdens de zitting van de Algemene Vergadering van de VN in september 2000 werd andermaal besloten dat de zetel van Afghanistan bezet blijft door een vertegenwoordiger van de regering Rabbani (cf. US State Report (februari 2001), introduction; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 6).

De Taliban heeft alleen vertegenwoordigingen in de landen die het Taliban-regime hebben erkend: Pakistan, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten.

Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, blz. 28.

Er zijn berichten over slachtoffers van willekeurige arrestaties die na betaling van steekpenningen weer zijn vrijgelaten (cf. US State Report (februari 2001), section 1d).

Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.2, blz. 19 ('Recente ontwikkelingen in de strijd').

Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.2, blz. 19 ('Recente ontwikkelingen in de strijd').; The Situation in Afghanistan (juni 2000), §35.

Cf. The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragraaf 36.

The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragraaf 37.

Idem, paragraaf 38.

Zie noot 11.

Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragrafen 21-6.

Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), paragraaf 15. Het aantal Internally Displaced Persons (IDP's) werd begin januari 2001 door de VN geschat op een half miljoen. De meeste mensen die Taloqan zijn ontvlucht bevinden zich nu in de districten Dasht-i-Qala, Yang-i-Qala, Keshem, Rustag en Faizabad. Ongeveer tienduizend zijn gestrand bij de Afghaans-Tadzjiekse grens.

Voor een uitvoerige beschrijving van de omvang en richting van de recente vluchtelingenstromen binnen Afghanistan en de condities waaronder deze IDP's momenteel leven, zie idem, paragrafen 19-35.

Voor een uitvoerige beschrijving van het bloedbad in Yakawlang zie paragraaf 3.3.9.

Cf. Massacres of Hazaras in Afghanistan, part IV; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 12; Afghanistan. The crisis deepens, The Middle East (april 2001), blz. 14-5.

Cf. EIU Country Report (februari 2001), blz. 31; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 39.

Volgens lokale waarnemers zijn de volgende gebieden onveilig vanwege de voedselsituatie of oorlogshandelingen:

Frontlinies in de provincies Kabul (Istalif, Mirbacha Kot, Paghman, Qara Bagh), Parwan (Charikar, Bagram, Salang), Kapisa (Kohistan, Nijrab, Panjsher, Panjsher 1 en 2, Tagab), Baghlan (Andarab, Burka, Khinjan, Khost wa Firing, Nahrin, Baghlan city, Tala wa Barfak), Kunduz (Dashti Archi, Hazarati Imam, Khanabad), Takhar (hele provincie, maar met name Taloqan, Bangi, Ishkamish) en Badakhshan (Shari Burzug, Keshim)

Andere gebieden waar wordt gevochten: Bamiyan (Bamiyan stad, Sayghan, Yakawlang), Balkh (Keshende, Zaree), Samangan (Dar-i-Suf, Aibal, Royi-Du Ab) en in Saripul (Balkhab).

Berggebieden van waaruit guerrilla activiteiten worden gemeld: Badghis, Ghor, Faryab, Herat, Farah, Kunar en Laghman.

Gebieden met voedseltekorten, in ieder geval tot aan de herfst van 2001: Badakhshan (Ragh, Shari Burzug), Badghis (Qala-i-Naw,Ghormach, Jawand, Kushk-i-Kuna, Murghab and Qadis), Balkh (Mazar-i-Sharif, Char Boldak, Charkent, Chimtal, Keshende, Sholgara), Bamiyan (Bamiyan, Kharmard, Panjab, Shibar, Waras, Yakawlang), Farah (Farsi, Gulistan, Purchaman, Qala-i-Kah, Shindand), Faryab (Maimana, Almar, Belcherag, Kohistan, Qaysar, Shirin Tagab), Ghazni (Ab Band, Andar, Dhyak, Giro, Jaghatu, Jaghuri, Malistan, Nawa, Nawur, Qarabagh, Zana Khan), Ghor (hele provincie), Herat (Adraskan, Gulran Krukh, Kuhsan, Kushk), Kabul (Istalif, Kalakan, Khaki Jabar, Mirbacha Kot, Qara Bagh, Shakar Dara, Surobi), Kandahar (Argistan, Daman, Khakrez, Maruf, Maiwand, Nesh, Shorabak), Kapisa (Panjshir, Panjshir 1 en 2), Kunduz (Aliabad), Logar (Kushi), Nangahar (Chaparhar, Hisarak, Khogyani, Rodat, Sherzad, Shinwar, Surkh Rod), Nimroz (hele provincie), Paktika (Gomal, Nika, Wazakhwa), Paktia (Gurbuz, Zurmat), Samangan (hele provincie met uitzondering van twee districten), Sar-i-Pol (hele provincie met uitzondering van Sozman Qala), Takhar (Chah Ab, Khwaja Ghar, Rustaq, Yangi Qala), Urozgan (Arjistan, Daikundi, Sharistan), Wardak (Jagathu), Zabul (Atghar, Daichopan, Mirzan, Shamul Zayi, Shinkay).

Zie paragraaf 2.3.3.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 17.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 12.

Generaal Dostam is leider van de Junbish-i-Melli wa Islami. Ismaël Khan, bijgenaamd de 'Leeuw van Herat', was ten tijde van het Mudjahedin-bewind in Afghanistan gouverneur van de provincie Herat. Hij geniet in Afghanistan grote populariteit, omdat hij er in tegenstelling tot vele andere Mudjahedin-commandanten in slaagde na de val van het communistische bewind de veiligheid in de door hem gecontroleerde gebieden te bewaren. In mei 1997 werd Khan aan de Taliban uitgeleverd toen zijn bondgenoot Malik een kortstondig verbond sloot met de Taliban om controle te krijgen over de stad Mazar-i-Sharif. Tot zijn ontsnapping in maart 2000 sleet hij zijn dagen in een gevangenis van Kandahar (cf algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 3.3.4, blz. 34).

EIU Country Report (februari 2001), blz. 34-5; ; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 13.

Cf. Bust to Dust, India Today International (12 maart 2001), blz. 26-7; Afghanistan. Dangerous Twist, Middle East International (23 maart 2001), blz. 19-20; Les talibans incarnent la revanche des Pachtounes, Le Monde (3 april 2001).

Cf. The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragrafen16-7; Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragrafen 13-5.

Cf. The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragrafen 2-5; Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), paragrafen 9-10; ; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 13.

'Loya Jirgah' is de benaming voor de traditionele vergadering van de leiders van de Pasthun stammen en leiders van andere etnische groepen in Afghanistan, aan wie belangrijke politieke beslissingen konden worden voorgelegd.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 10; The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragraaf 9, paragraaf 32; Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 16; EIU Country Report (februari 2001), blz. 33; Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), paragrafen 11-2

Osama bin Laden, die van Saoedische afkomst is, wordt verdacht van betrokkenheid bij de bomaanslagen in 1998 op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania. Ook wordt de naam van Osama bin Laden genoemd in verband met de aanslag op het Amerikaanse marineschip USS Cole in de haven van Aden (Jemen) op 12 oktober 2000.

Op 3 januari 2001 begon in New York een proces tegen vier personen die ervan worden verdacht lid te zijn van Osama bin Ladens terroristische netwerk 'al-Qaeda'. De belangrijkste verdachte is een voormalige Egyptische veiligheidsagent, die Osama bin Laden in zijn verklaringen in verband brengt met de bomaanslagen in Kenia en Tanzania (EIU Country Report (februari 2001), blz. 35).

De vier zijn schuldig bevonden en op 29 mei 2001 veroordeeld.

Cf. EIU Country Report (februari 2001), blz. 32-3. Zie voor een compleet overzicht van de sancties die door de Veiligheidsraad zijn ingesteld Resolution 1333 (2000). Adopted by the Security Council at its 4251 meeting, on 19 December 2000, Veiligheidsraad (S/RES/1333 , 19 december 2000).

De sancties zijn verscherpt onder druk van de Verenigde Staten en met steun van de Russische Federatie, maar tegen de wil van de humanitaire organisaties van de VN en NGO's. Zij vrezen dat verscherpte sancties zullen leiden tot een verslechtering van de humanitaire situatie. Bovendien verwachten zij dat de sancties nieuwe obstakels zullen opwerpen in de vredesdialoog onder auspiciën van de VN, waardoor het moeilijker zal worden voor humanitaire organisaties om hun werk te blijven doen. Het hoofd van UNOCHA en UNDP in Islamabad, de Speciale Afgevaardigde van de VN voor Afghanistan en de Secretaris-Generaal van de VN hebben zich uitgesproken tegen de verscherping van de sancties. Zie voor een kritische beschouwing van de gevolgen van het sanctieregime ook het interview in Le Monde met politicoloog en Afghanistan-kenner Olivier Roy (Les talibans incarnent la revanche des Pachtounes).

Cf. EIU Country Report (februari 2001), blz. 34.

EIU Country Report (februari 2001), blz. 36.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 14.

Cf The Situation in Afghanistan (juni 2000), §12; Afghanistan. The crisis deepens, The Middle East (april 2001), blz. 15; Afghanistan's opium fiends, The Economist (24 februari 2001), blz. 65; Verlies stad is forse klap voor Taliban, Volkskrant (15 februari 2001).

Zie ook paragraaf 2.5.4 Drugs.

Cf. UN Report on Emergency Assistance (augustus 2000), paragrafen 11-8; ; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 14.

Rond Kandahar leven momenteel zo'n tienduizend Koochi families in kampen. Deze nomaden hebben als gevolg van de droogte negentig procent van hun veestapel, hun belangrijkste bron van inkomsten, verloren.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 14, 15.

Cf. EIU Country Report (februari 2001), blz. 36-7; The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragrafen 46-50; UN Report on Emergency Assistance (augustus 2000), paragrafen 21-8; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 15, 18.

Cf. The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragraaf 53; UN Report on Emergency Assistance (augustus 2000), paragrafen 29-38; Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), paragraaf 45

Cf. Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2000), paragrafen 46-7.

Zie voor de mogelijkheden van meisjes en vrouwen tot het volgen van onderwijs paragraaf 3.4.1 'Onderwijs' van dit ambtsbericht.

Cf. The Situation in Afghanistan (juni 2000), §6, §§51-2; EIU Country Report (november 2000), blz. 29; Taliban maken einde aan opiumproductie, Volkskrant (16 februari 2001); Geen papaver meer, dan maar dochters verkopen, Volkskrant (17 februari 2001); Afghanistan's opium fiends, The Economist (24 februari 2001), blz. 65; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 16.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz 25. Voor een samenvatting van de grondwet die in november 1987 onder communistische bewind werd aanvaard en in mei 1990 geamendeerd, zie Fisher et al., Afghanistan, blz. 86-7. Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.1.2, blz. 9, en paragraaf 3.1.1, blz. 28-9; US State Report (februari 2001), section 2c.

Voor een korte beschrijving van de voorlopige grondwet van de regering Rabbani en de voorbereidingen voor een nieuwe grondwet door de Taliban, zie idem, blz. 87.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 23 (cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 3.1.2, blz. 29).

The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragrafen 13-5; Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 12; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 23.

Cf. UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 25-7.

Cf. Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), §48;US State Report (februari 2001), section 1f en 2a.

Er waren in 2000 tekenen dat het verbod op televisie zou worden verzacht. Hierover zouden gesprekken zijn gevoerd tussen ambtenaren van het ministerie van Informatie en Cultuur van de Taliban en provinciale autoriteiten (Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 55).

Cf. US State Report (februari 2001), section 2a en 2c. In Engelstalige bronnen wordt het radiostation soms onjuist aangeduid als 'the voice of Shariat'.

Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf
2.6.2, blz. 24; US State Report (februari 2001), section 2a. Voor een overzicht van de kranten die in Afghanistan verschijnen of zijn verschenen zie: Fisher, etc., "Afghanistan", in: The Far East and Australasia 2001 (Londen 2000), blz. 88-92.

Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 3.3.1, blz. 31. Dat deze bepaling nog steeds van kracht is bleek op 11 augustus 2000, toen drie buitenlandse journalisten werden gearresteerd op verdenking foto's te hebben genomen van een voetbalwedstrijd in Kabul. De journalisten werden twee uur ondervraagd, waarna hun film werd geconfisceerd (Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), paragraaf 48;US State Report (februari 2001), section 2a; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 33).

Een ander incident waarbij een journalist was betrokken betreft de arrestatie door de Taliban van een westers journalist en zijn medewerker in juli 2000. Tijdens de detentie was de journalist er getuige van dat zijn medewerker werd geslagen. De journalist werd niet lang na aanhouding het land uitgezet; zijn medewerker zou inmiddels uit de gevangenis hebben weten te ontsnappen (US State Report (februari 2001), section 1c en 2a; overigens maakt het US Department of State niet duidelijk wat de aanleiding voor de arrestatie was).

In december 2000 werd een vertaler die werkzaam was bij de BBC door de Taliban gearresteerd. Hij werd gesommeerd zijn functie op te geven. Nadat de BBC te kennen had gegeven dat de vertaler zou worden overgeplaatst, lieten de Taliban hem vijf dagen later vrij (EIU Country Report (februari 2001), blz. 34).

Op 14 maart 2001 besloot de Taliban over te gaan tot sluiting van het BBC kantoor in Kabul, nadat een programma van deze omroep de vernietiging van pre-islamitische beelden 'barbaars' had genoemd. De aanwezige correspondent diende binnen 24 uur het land te verlaten (UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 34)

Overigens maakten de Taliban een uitzondering op de strenge regels voor buitenlandse journalisten tijdens de kaping van het vliegtuig van Indian Airlines eind 1999/begin 2000. Dit vliegtuig stond op het vliegveld van Kandahar aan de grond. Buitenlandse journalisten mochten destijds hun beroep onder normale omstandigheden uitoefenen (cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 3.3.1, blz. 31).

Cf. US State Report (februari 2001), section 2a; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 33.

Ook voor mannen bestaan overigens kledingvoorschriften. Dit bleek nog eens in juli 2000, toen spelers van de Young Afghan Football Club uit Chaman (Pakistan) bij een wedstrijd in Kandahar het speelveld in korte broeken betraden. De religieuze politie arresteerde zes spelers, vijf wisten te ontsnappen. De zes gearresteerde spelers werden voor straf kaalgeschoren en daarna vrijgelaten. De Taliban boden later hun excuses aan voor het incident en lieten weten dat de verantwoordelijke politieman was overgeplaatst (Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 48).

US State Report (februari 2001), section 1c en 2c. Cf. Violence Against Women (maart 2000), paragrafen 36-8).

Een atheïst zou zelfs ter dood kunnen worden gebracht. Ditzelfde geldt voor een moslim die zich tot een ander geloof bekeert (cf. US State Report (februari 2001), section 2c). Op het verkondigen van een ander geloof, het verkopen van niet-islamitische religieuze literatuur en andere activiteiten die als actieve verbreiding van een ander geloof kunnen gelden, staat vijf jaar gevangenisstraf.

Afghanistan kende ook een zeer kleine Christelijke en Joodse gemeenschap, van wie de meeste leden Afghanistan echter reeds lang hebben verlaten (UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 32).

Zie voor een chronologisch overzicht van de onderdrukking van het sjiietische verzet in Herat door de Taliban het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, blz. 33-5.

De Taliban beweren dat de Hindoes zelf hebben verzocht om de merktekens, om niet lastig gevallen te worden door de religieuze politie (cf. 'Outrage at Taleban's Hindu dress code' (BBC-news, www.new.bbc.co.uk, 22 mei 2001; 'Taliban: merkteken voor niet-islamieten' (DPA, 22 mei 2001); 'Taliban defend yellow badges for non-Muslim Afghans' (Reuters 23 mei 2001)).

Op 31 mei 2001 stelde Kamerlid Karimi (Groen Links) kamervragen naar aanleiding van deze maatregelen van de Taliban.

Zie voor een beschrijving van de beperkte bewegingsvrijheid van vrouwen paragraaf 3.4.1 'Vrouwen', onder 'Bewegingsvrijheid'.

Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 3.3.4, blz. 37, en algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 3.3.3, blz. 33).

US State Report (februari 2001), section 2d (cf. US State Report (februari 1999) en US State Report (februari 2000)). In 1999 werden met name Hazara's in Hazarajat en Tadzjieken in de Shomali-vallei slachtoffer van deze praktijken (cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.2, resp. blz. 14-5 en blz. 16-7).

Cf. US State Report (februari 2001), section 2c, en algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 3.3.5, blz. 37. Voor de rechtsgang in Afghanistan ten tijde van het communistische bewind (1978-1992), zie het gelijknamige algemeen ambtsbericht met kenmerk DPC/AM-695004 van 29 september 2000.

Over 2000 zijn geen gevallen bekend van openbare executies in het stadion van Kabul. In voorgaande jaren was dit wel het geval. Zo kwamen hier in het verleden terechtstellingen voor, waar naar verluidt wel tot maximaal dertigduizend mensen bij aanwezig waren (US State Report (februari 2001), section 1a; cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 3.3.11, blz. 42, noot 92).

Voorbeelden van lichtere vormen van onislamitisch gedrag zijn: alcoholgebruik (ook indien de roesverwekkende eigenschap verloren is gegaan door bewerking, zoals door koken, bakken of flamberen; ook het eten van rumbonen is een lichte vorm), bezit van tv en videobanden (video's met pornografische beelden zijn een zware vorm, evenals het organiseren van buurtavonden voor de tv), lichte inbreuk op het gebedsritme (maar geheel niet aan het gebedsritme voldoen wordt beschouwd als geloofsafval), kruimeldiefstal, te korte baard (geen baard is een zware vorm) en lichte overtredingen van de kledingvoorschriften voor vrouwen. Commerciële papaverteelt is sinds kort een zware vorm.

Cf. UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 25 en Amnesty International, Brief aan Staatssecretaris Kalsbeek inzake Afghanistan (17 april 2001).

De keerzijde van de zware bewijslast is dat vrouwen zeer veel moeite hebben om verkrachting te bewijzen. Ook dan zijn namelijk vier getuigen vereist. Vrouwen die er niet in slagen om te bewijzen dat zij zijn verkracht, lopen het risico zelf te worden bestraft met zweepslagen voor overspel (cf.The Implementation of Human Rights With Regard to Women. Report of the Secretary-General on the situation of women and girls in Afghanistan, submitted in accordance with Sub-Commission resolution 1999/14, UN (E/CN.4/Sub.2/2000/18, 21 juli 2000), paragraaf 6).

Cf. Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), paragraaf 56.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 30.

Zie ook paragraaf 3.3.9 van dit ambtsbericht.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz . 36.

Ismaël Khan zat tijdens zijn gevangenschap opgesloten in het hoofdkwartier van de veiligheidsdienst van de Taliban. Dit hoofdkwartier staat bekend als Istikhbarat. De Sarposa gevangenis is het reguliere detentiecentrum in Kandahar (Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragrafen 40-1).

Medio 2000 gaf het UIFSA aan dat de Taliban naar schatting 4.200 sympathisanten van het UIFSA zou vasthouden. Slechts zes- à zevenhonderd van hen zouden strijders zijn die tijdens gevechten werden gevangengenomen. Het UIFSA liet voorts weten dat ongeveer zevenhonderd Taliban-strijders werden vastgehouden in Taloqan. De Taliban meenden echter dat hun aantal niet hoger was dan vierhonderd (Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 14). Een andere bron schat het totale aantal gedetineerden in Afghanistan op ongeveer 10.000, van wie de helft krijgsgevangenen zouden zijn.

Cf. US State Report (februari 2001), section 1c; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 31; Report on the Situation of Human Rights, paragraaf 42; The Implementation of Human Rights with regard to Women, paragraaf 10.

Op 8 maart 2000 werd ter gelegenheid van de viering van Internationale Vrouwendag aangekondigd dat zes vrouwen zouden worden vrijgelaten (Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 54; zie ook paragraaf 3.4.1 Vrouwen van dit ambtsbericht onder het tussenkopje 'Bewegingsvrijheid').

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 30-2.

In een gesprek met de Speciale Rapporteur van de VN Mensenrechtencommissie liet Ismaël Khan, de voormalige gouverneur van Herat, weten dat twee van zijn medestanders tijdens hun gevangenschap in Kandahar zijn gemarteld. Vanuit zijn cel hoorde Khan dat ook andere gevangenen werden gemarteld. Khan werd volgens eigen zeggen geketend vastgehouden in een cel zonder ramen. Volgens de medestanders van Khan bestond de marteling eruit mensen ondersteboven op te hangen, waarna zij met kabels werden geslagen. Voor een beschrijving van de achtergrond van Khan en zijn ontsnapping uit de gevangenis van Kandahar in maart 2000, zie het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, §3.3.4, blz. 34-5 (Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 40; US State Report (februari 2001), section 1c en 1d).

Er zijn tevens aanwijzingen dat enkele tientallen burgers uit Naikpai in begin 2000 tijdens hun gevangenschap door Taliban-strijders zijn gemarteld. Gesproken wordt van het slaan met kabels en het gedwongen buiten laten staan in de vrieskou. De gevangenen zijn later dood aangetroffen bij de Robatak-pas op de grens van de provincies Baghlan en Samangan (zie paragraaf
3.3.9 'Buitengerechtelijke executies en moorden').
Ook commandanten van het UIFSA zouden hebben gemarteld om informatie van hun gevangenen los te krijgen. Tenminste een van de personen die was gearresteerd in verband met de moord op commandant Abdullah Jan Wahidi zou vóór zijn executie zijn gemarteld. (zie eveneens paragraaf 3.3.9 van dit ambtsbericht).

Niettemin zouden lokale Taliban-commandanten soms misbruik maken van hun macht door persoonlijke tegenstanders gevangen te zetten Ook zijn er berichten dat Taliban-soldaten Hazara's voor een losgeld vasthouden (US State Report (februari 2001), section 1b).

Cf. US State Report (februari 2001), section 1b; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 32).

Cf. The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragraaf 55; US State Report (februari 2001), section 1a en 1g.

Het aantal slachtoffers dat wordt genoemd varieert van 89 tot 189. De Taliban ontkennen de beschuldiging (Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 14 en paragraaf 39).

De Speciale Rapporteur van de VN Mensenrechtencommissie, Kamal Hossain, geeft aan dat het om etnische Oezbeken zou gaan en noemt, vermoedelijk abusievelijk, de Robatak-pas als de plaats waar de executie zou hebben plaatsgehad. Hossain meldt voorts dat het zou gaan om krijgsgevangenen, dienstplichtigen die zouden hebben geweigerd voor de Taliban te vechten of willekeurig gearresteerde burgers uit Samangan. Mullah Dadallah was als commandant direct verantwoordelijke voor de executie (Question of the Violation of Human Rights and Fundamental Freedoms in Any Part of the World. Report on the situation of human rights in Afghanistan submitted by Mr. Kamal Hossain, Special Rapporteur, in accordance with Commission resolution 2000/18, UN (E/CN.4/2001/43, februari 2001), paragraaf 43; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 37).

Zie voor de voorgenomen gevangenruil die met deze gewelddaad verband zou houden paragraaf 2.3.2 van dit ambtsbericht onder het kopje 'Vredesinitiatieven'.

Cf. UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 11.

Cf. US State Report (februari 2001), section 1a en 1c; Afghanistan. Executions in Panjshir, Amnesty International (ASA 11/005/2001, 14 februari 2001; Afghanistan. Executions in Panjshir, Amnesty International (ASA 11/004/2001, 15 februari 2001).

Wahidi was aanvankelijk commandant van Hekmatyars Hezb-i-Islami. Na de verovering van Kabul door de Taliban in september 1996 vocht hij aan de zijde van de troepen van Massoud. In april 2000 liep Wahidi over naar de Taliban, om reeds in augustus weer naar Massoud over te stappen.

Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 3.3.10, blz. 41.

Voor een gedetailleerde beschrijving van de aanloop naar het bloedbad en de omstandigheden waaronder de lichamen werden gevonden, zie Afghanistan. Massacres of Hazaras in Afghanistan, Human Rights Watch (Vol. 12, No. 7 (C), februari 2001), part V ('Massacre at Robatak Pass, May 2000').

Voor de namen van de slachtoffers, zie Massacres of Hazaras in Afghanistan, appendix B.

Bij een van de latere slachtoffers moesten als gevolg van de kou beide voeten worden geamputeerd (Massacres of Hazaras in Afghanistan, part V).

Human Rights Watch merkt in haar rapport over het bloedbad op dat de belangrijkste Taliban-commandant van het noordelijk front, mullah Abdul Razak Nawfiz, als leidinggevende van Shahzad mede-verantwoordelijkheid draagt (Report on the situation of human rights in Afghanistan (februari 2001), paragraaf 43; Massacres of Hazaras in Afghanistan, part VI ('Accountability')).

Massacres of Hazaras in Afghanistan, part V.

Yakawlang is het grootste district van de provincie Bamiyan. Het telt ca. 140.000 inwoners - meer dan een derde van de gehele bevolking van de provincie.

Zie voor een gedetailleerde beschrijving van de toedracht van het bloedbad, Massacres of Hazaras in Afghanistan, part IV ('Massacre in Yakaolang, January 2001') en Afghanistan. Massacres in Yakaolang, Amnesty International (ASA 11/008/2001, 1 maart 2001).

Cf. Summary execution of civilians in Yakaolang, Amnesty International (AFA 11/001/2001, 23 januari 2001); Report on the situation of human rights in Afghanistan (februari 2001), §44; UNHCR Background Paper (april 2001), blz . 38-9.

De geïdentificeerde slachtoffers zijn onder meer afkomstig uit de dorpen Akhundan, Bed Mushkin, Behsud, Boom, Chasma Shirin, Dai Nau, Diwalak, Feroz Bahar, Gardanak, Gumbazi, Jamak, Karya Kushkak, Kata Khana, Koshagola, Mindayak, Pushta Dar-i Ali, Qala-i Shah Nehang, Sarasiab (cf. Massacres of Hazaras in Afghanistan, appendix A).

Amnesty International vermoedt dat het werkelijke aantal doden meer dan driehonderd bedraagt (Massacres in Yakaolang).

Cf. Massacres of Hazaras in Afghanistan, part VI ('Accountability').

De Economist Intelligence Unit noemt als reden de mishandeling van Taliban-collaborateurs door strijders van Hezb-i-Wahdat (EIU Country Report (februari 2001), blz. 33). Amnesty International meldt dat strijders van Hezb-i-Wahdat vóór de komst van de Taliban vier burgers standrechtelijk zouden hebben geëxecuteerd (Massacre in Yakaolang).

Voor een beschrijving van de Hezb-i-Wahdat en de mensenrechtenschendingen die door deze Mudjahedin-beweging zijn gepleegd, zie het algemeen ambtsbericht van 23 juni 2000 met kenmerk DPC/AM-681499 met als titel 'Hezb-i-Wahdat. Mensenrechtenschendingen (1992-1999)'.

Massacres of Hazaras in Afghanistan, part IV.

Zie voor de rechtsgang onder de Taliban paragraaf 3.3.4 'Rechtsgang onder de Taliban' en paragraaf 3.3.5. 'Rechtsgang onder het UIFSA' van dit algemeen ambtsbericht.

Dit geldt met name op het platteland, maar ook in de stad. Zie voor het belang van stam- en clanverwantschap ten tijde van het communistische bewind bijvoorbeeld Afghan Communism and Soviet Intervention, Henry S. Bradsher (Oxford 1999). Overigens zouden de etnische Tadzjieken in Afghanistan minder aan stam- en clanverwantschap hechten dan met name de Pashtuns.

Met stam wordt in dit verband gedoeld op een etnische groepering, zoals bijvoorbeeld de Pashtuns, en met clan op een substam, zoals bijvoorbeeld de Durrani. Alleenstaande vrouwen die geen man hebben die voor hen kan bemiddelen (hetzij een echtgenoot, broer of andere mannelijke verwant), zijn niet in staat de hulp in te roepen van de stam of clan waartoe zij behoren. Te denken valt daarbij met name aan de vele weduwes die Afghanistan telt.

Hoewel het ondoenlijk is een uitputtend overzicht te geven van de machtsverhoudingen tussen stammen en clans, die bovendien aan verandering onderhevig zijn, zal de Taliban bijvoorbeeld in het algemeen terughoudend zijn bij de vervolging van Pasthuns uit de Durrani- of Gilzhai-clans. De Durrani-clan is stedelijk georiënteerd en leverde in het verleden de koningen van Afghanistan. Ook een deel van het Taliban-leiderschap bestaat uit Durrani's, onder wie mullahRabbani, tot zijn dood op 16 april 2001 officieel de tweede man in de hiërarchie. De kern van de Taliban, onder wie mullah Omar, is evenwel afkomstig uit de Gilzhai-clan, die met het Pashtun platteland is verbonden.

Ook Pashtun clans die geen deel uitmaken van het kader van de Taliban hebben in bepaalde regio's zoveel macht dat de Taliban hun leden ongemoeid laten. In de praktijk kan dit betekenen dat dorpen geen rekruten hoeven te leveren, hooggeplaatste ex-communisten vrijuit gaan en religieuze regels naar eigen inzicht worden geïnterpreteerd.

In het uiterste noorden van Afghanistan, waar het UIFSA zijn machtsbasis heeft, zijn weer andere stammen, clans en bevolkingsgroepen invloedrijk, zoals de Pansjhiri's. Iemand die tot een van deze groepen behoort kan, voor zover de gevechtshandelingen dat toestaan, een veilig heenkomen vinden bij zijn groepsgenoten. Generaal Massoud behoort tot de Pansjhiri's.

Zie ook UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 39-42 en Amnesty International, Brief aan Staatssecretaris Kalsbeek inzake Afghanistan (17 april 2001).

Cf. US State Report (februari 2001), section 5; algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 3.4.1, blz. 45;het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 3.4.1., blz. 35-6.

The Implementation of Human Rights with regard to Women, §29.

Zo bestond in 1978, vóór de communistische machtsovername, slechts dertien procent van de schoolgaande jeugd uit meisjes (cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 2.6.1, blz. 20).

Violence Against Women (maart 2000), paragraaf 23; cf. US State Report (februari 2001), section 5.

The Implementation of Human Rights with regard to Women, §§38-9.

Naar schatting 7% van de 4,4 miljoen kinderen in de schoolgaande leeftijd maakt gebruik van door NGO's gesteunde onderwijsprogramma's (The Implementation of Human Rights with regard to Women, paragraaf 34).

Violence Against Women (maart 2000), paragraaf 23-5; The Implementation of Human Rights with regard to Women, paragraaf 40; US State Report (februari 2001), section 5.

Het decreet dat meisjes toestaat onderwijs te volgen in 'moskee scholen' dateert van begin juni 2000 (Situation of Human Rights in Afghanistan, paragraaf 53).

Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001) paragraaf 46-47. Zie ook paragraaf 2.4 Sociaal-economische situatie onder 'onderwijs'.

The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragraaf 8;Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 50; en The Implementation of Human Rights with regard to Women, paragraaf 45.

Cf. US State Report (februari 2001), section 5; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 34-5.

Voorlopige cijfers geven aan dat in juni 2000 bijna duizend vrouwelijke artsen en verpleegsters werkzaam waren bij hulporganisaties en bijna 4.800 vrouwen werkzaam waren in andere betaalde beroepen (Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), paragraaf 50).

Cf. Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 49;The Implementation of Human Rights with regard to Women, paragraaf 44; Report on Human Rights in Afghanistan (februari 2001), paragraaf 51.

Twee dagen na de afkondiging van het decreet, op 8 juli 2000, arresteerden de Taliban een Amerikaanse vrouw en zeven van haar Afghaanse vrouwelijke medewerkers van de NGO 'Physiotherapy and Rehabilitation Support for Afghanistan' (PARSA). De vrouwen werden later vrijgelaten. De Amerikaanse diende daarop het land binnen 24 uur te verlaten, wat zij ook deed (cf. Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000),paragrafen51-2; US State Report (februari 2001), section 4 en 5).

Het World Food Program (WFP) subsidieert 45 bakkerijen in Kabul, waar vrouwen werken die goedkoop brood produceren voor de meest behoeftigen van de hoofdstad. Medio augustus 2000 vaardigden de Taliban een decreet uit, waarin tot sluiting van de bakkerijen werd besloten. De beslissing hing samen met het eerdergenoemde decreet dat in juli 2000 werd afgekondigd dat bepaalde dat Afghaanse vrouwen niet meer voor NGO's en VN-organisaties mochten werken. Nadat deze beslissing kort daarna werd herroepen, verordonneerden de Taliban begin juni 2001 wederom de sluiting van de bakkerijen. Na gesprekken tussen vertegenwoordigers van de Taliban en de VN, werd de beslissing half juni andermaal herroepen en zijn momenteel de bakkerijen weer open (Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 56; US State Report (februari 2001), section 4 en 5).

Sommige vrouwen belanden in de prostitutie om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. In Kabul zouden honderden prostituees werkzaam zijn. Dikwijls hebben zij hun man verloren en zien zij geen andere mogelijkheid om geld te verdienen. Naast zelfstandig opererende prostituees zou Kabul nog 25 à 30 bordelen kennen. Indien de Taliban op de hoogte raken dat een vrouw zich prostitueert, wordt zij gestraft. Door omkoping blijft deze straf meestal beperkt tot enkele dagen of weken gevangenisstraf en een aantal zweepslagen. Ook in andere steden in Afghanistan zou prostitutie in opkomst zijn (Violence Against Women (maart 2000), paragraaf 35).

Cf. Violence Against Women (maart 2000), paragraaf 30; The Implementation of Human Rights with regard to Women, paragrafen 46-50; US State Report (februari 2001), section 5.

Cf. Situation of Human Rights in Afghanistan (augustus 2000), paragraaf 54.

Cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, §2.2, blz. 17, noot 33; UNHCR Background Paper (april 2001), paragraaf 5.6, blz. 45.

Pogingen tot rekrutering op individuele basis liepen op niets uit, omdat de stam- en dorpsoudsten niet gepasseerd wensten te worden. Pogingen van de Taliban om een systeem van dienstplicht in te voeren in de provincie Paktia liepen zelfs uit op een complete dorpsopstand (Information concerning recruitment by the Taliban, UNHCR-Stockholm ).

Cf. The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragraaf 40 en het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.2, blz. 17, noot 33. Zie ook paragraaf 2.1.2.4.

Naar schatting tien procent van de troepen van de Taliban die in augustus 1999 bij het Shomali-offensief waren betrokken, zouden buitenlanders zijn geweest (algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.2, blz. 17, noot 33; The Implementation of Human Rights with regard to Women, paragraaf 13).

De amnestie is als bijlage 4 toegevoegd aan het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 4 maart 1998.

Cf. UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 4.

Zie recentelijk bijvoorbeeld het bloedbad dat door de Taliban in Yakawlang werd aangericht onder de Hazara-bevolking na de verovering van dit district in januari 2001 (cf. paragraaf 3.3.9.2).

Zie voor het ontstaan en de achtergronden van de etnische dimensie van het huidige conflict bijvoorbeeld een interview met politicoloog en Afghanistan-kenner Olivier Roy in Le Monde van 3 april 2001 (Les talibans incarnent la revanche des Pachtounes).

Zij zouden bij gevechten niet als volwaardige soldaten worden gebruikt, maar dienen veeleer als menselijk schild en ter verkenning van mijnenvelden. Voor een uitvoerige beschrijving van de recrutering van soldaten door de Taliban, zie het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 3.4.4, blz. 47-51.

Voor een beschrijving van de Hezb-i-Wahdat en de mensenrechtenschendingen die door deze Mudjahedin-beweging zijn gepleegd, zie het algemeen ambtsbericht van 23 juni 2000 met als titel 'Hezb-i-Wahdat. Mensenrechtenschendingen (1992-1999)'.

Dit verklaart waarom de Taliban in 1999 bij de strijd om de Shomali-vallei ruim honderdduizend Tadzjieken uit hun woongebieden verdreven en diegenen onder hen die naar Kabul uitweken als potentiële vijanden bejegenden. De Taliban hielden de inwoners van de Shomali-vallei immers ten minste gedeeltelijk verantwoordelijk voor het mislukken van hun eerste offensief, toen vele strijders van het UIFSA zich achter de frontlinie in het vijandelijke gebied bleken te hebben schuilgehouden. Volgens de Taliban kon dit alleen gebeuren met medeweten van de plaatselijke bevolking, van wie bekend is dat zij traditioneel op de hand van de Tadzjiekse commandant Massoud is (cf. algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 2.2, paragraaf 3.3.3 en paragraaf 3.3.4).

Volgens Amnesty International zouden de Tadzjieken om etnische redenen uit de Shomali-vallei zijn verdreven (cf. Amnesty International, Brief aan Staatssecretaris Kalsbeek inzake Afghanistan (17 april 2001).

Cf. UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 42-3.

Het is evenwel zeer de vraag of dergelijke communisten thans (ruim zeven jaar na de val van het communistische bewind) nog in Afghanistan aanwezig zijn.

Voor een beschrijving van de organisatie van het communistisch bestuur, zie het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 september 1999, paragraaf 2.2.1, blz. 6-12.

Overigens is het niet onwaarschijnlijk dat binnen de DVPA aanhangers van de Parcham-factie meer risico op vervolging lopen dan die van de Khalq-factie. Deze inschatting is gebaseerd op de verschillen in samenstelling van beide facties, die in het geval van de Parchams voornamelijk bestond uit communisten met een stedelijke en Tadzjiekse afkomst, terwijl de meerderheid van de Khalqi's rurale Pashtuns was (cf. het algemeen ambtsbericht 'Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan (1978-1992)' met kenmerk DPC/AM-663896 van 29 februari 2000), blz. 5-6).

In dit verband kan mede verwezen worden naar het onder redactie van William Maley uitgegeven boek Fundamentalism Reborn? Afghanistan and the Taliban (London 1998). In de bundel is een bijdrage opgenomen van Anthony Davis onder de titel "How the Taliban became a military force". Op bladzijden 54 en 70 noemt Davis als belangrijkste verklaring voor de snelle opmars van de Taliban het grote aantal regimentsofficieren uit het communistische leger dat de overstap maakte naar de Taliban. Ook in Kamal Matinuddins boek The Taliban Phenomenon. Afghanistan 1994-1997 (Oxford 1999) staat beschreven dat voormalige communisten en medewerkers van de KhAD naar de Taliban zijn overgelopen (zie blz. 27, 29 en 34).

Cf. Amnesty International, Brief aan Staatssecretaris Kalsbeek inzake Afghanistan (17 april 2001).

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 17. Zie ook de brief van de minister van Buitenlandse Zaken met kenmerk HH-0440/01 van 2 april 2001 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal met antwoorden op Kamervragen van mevr. Karimi over Afghaanse vluchtelingen in het Jalozai vluchtelingenkamp.

Zie voor de beschrijving van de situatie van Afghanen in Pakistan het algemeen ambtsbericht 'Asiel in derde landen' met kenmerk DPC/AM-663895 van 6 december 2000 en het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 4.3.1, blz. 47-52.

Dit is de benaming voor een MoU tussen de Iraanse regering en UNHCR. Zie voor een uitvoerige beschrijving van het MoU en de complete tekst van het akkoord het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, §4.3.2, blz. 55-7 en bijlage 3 (cf. The Situation in Afghanistan (juni 2000), paragrafen 43-5).

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 18.

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 21.

Naar aanleiding van de bomaanslag heeft Iran het 'consulaat' in Herat gesloten (Iran Daily, 6 mei 2001).

UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 21.

Zie voor de beschrijving van de situatie van Afghanen in Iran ook het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 4.3.2, blz. 52-7.

Zie voor de beschrijving van de situatie van Afghanen in de aan Afghanistan grenzende Centraal-Aziatische republieken ook het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 9 mei 2000, paragraaf 4.3.3 (Turkmenistan), paragraaf 4.3.4 (Tadzjikistan) en paragraaf 4.3.5 (Oezbekistan), blz. 57-60.

Cf. Jurisprudentie Vreemdelingenrecht (aflevering 16, 7 december 2000), blz. 1126-31.

Cf. UN Report on Emergency Assistance (augustus 2000), paragraaf 68; UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 45-7.

Mullah Mohammad Rabbani overleed op 16 april 2001 te Rawalpindi, Pakistan, aan de gevolgen van een ziekte. Een deel van zijn taken, met name de coördinatie van de strijd tegen de UIFSA, is in handen gelegd van Rabbani's broer, Ahmad.

Baghlani werd op 25 juli 2000 door de Taliban gearresteerd op verdenking in het geheim banden te onderhouden met het UIFSA (UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 36).

Volgens UNHCR was Maulawi Islam gouverneur van de provincie Bamiyan in 2000. In augustus 2000 zou echter onenigheid zijn ontstaan tussen Maulawi Islam en de Taliban (UNHCR Background Paper (april 2001), blz. 36).

===

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie