Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Abel Herzberg-lezing uitgesproken door Job Cohen

Datum nieuwsfeit: 23-09-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Gemeente Amsterdam
Zoek soortgelijke berichten
Gemeente Amsterdam

GRENZEN

Over de verhouding van autochtonen en migranten

Abel Herzberg-lezing uitgesproken door Job Cohen op zondag 23 september 2001 in de Rode Hoed

Dames en heren,

Het is mij een grote eer en een genoegen om hier vandaag in de Rode Hoed de Abel Herzberg-lezing van 2001 te mogen houden. Vandaag: minder dan twee weken geleden sinds de kaping van vier vliegtuigen de wereld veranderden. Vier vliegtuigen, die grote consequenties kunnen hebben voor de manier waarop wereldburgers met elkaar omgaan. Wereldburgers, die vandaag de dag meer dan ooit in alle delen van de wereld terechtkomen, met op elkaar botsende culturen tot gevolg, met alle vragen van dien. Vragen die al op grote belangstelling mochten rekenen, vragen die nu des te indringender aan de orde zijn. De Abel Herzberg-lezing moet in deze omstandigheden gaan over autochtonen en migranten, en hoe zij zich tot elkaar verhouden.

Abel Herzberg: Nederlander en jood, jood en Nederlander. En daarmee per definitie, zoals hij het zelf formuleerde " een mens die leeft in 2 natuurlijke gebondenheden". ("Kan een zionist een goede vaderlander zijn?"-1936)
Zijn hele leven lang was hij overtuigd zionist.
Als zionist stond hij vóór de oorlog, net als alle andere zionisten, voor de volgende twee zaken:

1. De burgerlijke emancipatie van de joden van Europa was mislukt. Zij was met de Franse revolutie begonnen en had voor het gros van de Europese joden de hoop ingehouden van volledige integratie en assimilatie binnen de samenlevingen waarin zij leefden. De joden waren weliswaar grotendeels geassimileerd en geïntegreerd, maar de samenlevingen waarin zij leefden, met Duitsland voorop, waren hen desondanks steeds vijandiger gaan bejegenen.
2. De uitweg voor deze penibele situatie kon niet zijn een nog verdere aanpassing en assimilatie, want dat was bijkans onmogelijk. Daarom bestond de oplossing in het kiezen van een eigen weg met als einddoel de stichting van een eigen nationale joodse staat in Palestina.

Deze zionistische opvattingen waren voor de oorlog niet populair, ook niet onder de joden. Hoe zouden ze dat ook kunnen zijn? Hadden de joden niet gedurende bijna 140 jaar ziel en zaligheid geïnvesteerd in aanpassing en assimilatie, in integratie, met als doel hun volledige gelijkheid als staatsburgers? Was dat anno 1940 allemaal niet zo goed als gelukt? Waren de joden van Europa niet voorbeeldige burgers van hun respectievelijke vaderlanden? Goede Fransen, goede Duitsers, Hongaren, Tsjechen, Nederlanders etc. net als alle andere burgers van die landen? Hadden de joden zich niet op tal van verschillende maatschappelijke terreinen ­ zoals bijvoorbeeld de muziek, de wetenschappen, de geneeskunst, de vakbonden en de politieke partijen - zeer verdienstelijk gemaakt? Waarom dan dat hameren van de zionisten op een eigen weg ­ wat alleen maar kon leiden tot tweedracht, wantrouwen en het oplaaien van anti-semitisme?
Abel Herzberg heeft evenwel zijn hele leven volgehouden dat anti-semitisme geen joods probleem is en dat het dus niet de houding of het gedrag van joden is die bepalen hoe zij door de samenlevingen waarin ze wonen zullen worden bejegend. Nee, zei Herzberg (o.a. in zijn


1



essay `Over oorzaak en bedoeling van de jodenvervolging in Duistland' uit 1967): "het is een probleem waar nooit en nergens een minderheid beslist, maar altijd en overal de meerderheid. Als het om de status van die minderheid zelf gaat, dan hangt het volledig van de wil van de meerderheid af of die minderheid iets te vertellen heeft".

We leven nu in een geheel andere tijd. Niet meer de vragen waar Herzberg mee bezig was, maar het zogenoemde allochtonenprobleem, het asielzoekersprobleem, of het "multiculturele drama" dat zich volgens Paul Scheffer in onze samenleving zou afspelen, staan in de huidige Nederlandse samenleving en in andere Westerse landen in het brandpunt van de belangstelling. In alle Westerse landen woedt een debat over de mate van toelating van vreemdelingen en hun integratie in de hen opnemende landen.

Migratie is nu en in de komende tijd onontkoombaar. De ongelijke verdeling van de welvaart in de wereld, het feit dat de meerderheid van de mensen in de wereld in armoede leeft, en het feit dat allerlei landen geteisterd worden door oorlogen, al die feiten en omstandigheden brengen mensen ertoe om hun land te verlaten en hun heil elders te zoeken. Bovendien heeft eigenlijk iedereen de mogelijkheid daartoe door in een vliegtuig te stappen en naar elders te vertrekken.
Migratie is bovendien onontkoombaar, nu Westerse landen vergrijzen en hun economieën grote behoefte aan extra arbeidskrachten kennen. Je hoeft maar de kranten van de afgelopen paar maanden te lezen om te zien dat deze vraag in allerlei Westerse landen speelt: "Portugal heeft 20.000 migranten nodig", "Voorstel Duitse minister: geschikte immigranten aantrekken", "Illegalen in VS dromen van 'green card'", "Stimuleren tijdelijke migratie biedt voordelen" ­ het zijn maar een paar voorbeelden.
En zelfs als migratie op dit moment voor sommige Westerse landen geen (economische) noodzaak zou zijn, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse regering heeft geoordeeld, dan nog zullen demografische factoren op de langere termijn tot enige mate van migratie nopen. De bevolkingprojecties van de Verenigde Naties wijzen erop dat de bevolkingen van bijna alle geïndustrialiseerde landen, ook die van Europa, door de lage geboortecijfers, bij ongewijzigd beleid, in de komende vijftig jaar zullen inkrimpen en vergrijzen. Zo daalt het aantal inwoners van de huidige vijftien landen van de Europese Unie bij ongewijzigd beleid met zo'n 17% (dat zijn 44 miljoen mensen): van 375 miljoen mensen in 2000 tot 311 miljoen mensen in 2050.
Nederland telt in 2050 volgens de berekeningen van de Verenigde Naties ook minder inwoners dan nu: 14 miljoen in plaats van de huidige 16 miljoen. Het aantal ouderen boven de 65 stijgt met 1,9 miljoen mensen: van 2 miljoen in 1995 naar 3,9 miljoen in 2050, terwijl de leeftijdscategorie 15-64 jaar met ruim 2 miljoen mensen daalt: van 9,6 miljoen in 1995 tot 7,3 miljoen in 2050.

Bij een dergelijke demografische ontwikkeling, waarin sprake is van een krimpende en tegelijkertijd vergrijzende bevolking, waarbij de beroepsbevolking afneemt, wordt de druk op de schouders van degenen die werken om de benodigde pensioenen op te brengen groter. Tegelijkertijd rijst de vraag of wij bij een dergelijke demografische ontwikkeling de zorg voor onze ouderen zullen kunnen garanderen.
Migratie uit het buitenland en enige vorm van "replacement migration" zullen de komende vijftig jaren in Europa, maar ook in Nederland nodig zijn om deze en andere problemen op te lossen. En dan zien we dat - in tegenstelling tot wat we altijd hebben gedacht, namelijk dat een toestroom van migranten onze verzorgingsstaat uitholt - het zo zou kunnen zijn dat de toekomst van onze verzorgingsstaat afhangt van het aantal migranten dat hieraan wil mee


2



bouwen! Migratie van mensen die hier willen komen werken en hier willen blijven wonen zou dan ­ anders dan nu - een zaak zijn die gestimuleerd zou moeten worden. Migratie is dus een zaak waarmee onze samenleving de komende vijftig jaar permanent rekening heeft te houden. En omdat dat zo is, moet onze samenleving er ook klaar voor zijn. Niet alleen in de sfeer van voorzieningen (huisvesting, onderwijs, sociale uitkeringen, pensioenen), maar ook en vooral mentaal.

Het staat buiten kijf dat immigratie, en juist het onontkoombare karakter daarvan, alle Westerse landen, Nederland incluis, voor allerlei dilemma's plaatst. In de eerste plaats staan landen niet te popelen om vreemdelingen in hun midden toe te laten, al was het maar omdat, zoals Abel Herzberg eens heeft gezegd, "de omgang met het vreemde niet gemakkelijk is". In de tweede plaats maakt men zich in het Westen zorgen over de mogelijkheden tot integratie van de vreemdelingen in de eigen cultuur en samenleving. Die zorg neemt toe naar mate de kennis van de vreemde cultuur kleiner is en onze afstand tot de cultuur van de immigrant groter. Om het populair te zeggen: een Amerikaan die in Nederland komt wonen hoeft van ons geen inburgeringscursus te volgen; gaat het om een Turk, een Marokkaan of een Somaliër dan moet die verplichte inburgering wel. Hierin zijn we zelf niet altijd consequent: een Japanner, wiens cultuur wij ook helemaal niet kennen, hoeft van ons ook niet in te burgeren; misschien omdat hij rijk is en meestal tijdelijk komt? - maar dit terzijde. Een derde factor die immigratie problematisch maakt, is de onzekerheid of de migranten onze normen en waarden wel zullen delen. Velen zijn bang dat de komst van vreemde culturen, met andere normen en waarden, het vrije en open karakter van onze samenleving zal aantasten. Al deze factoren leiden ertoe dat het debat over "het allochtonen-probleem" en over de multiculturele samenleving hartstochtelijk wordt gevoerd.

Sinds de terroristische aanslagen op het World Trade Centre in New York en op het Pentagon in Washington op 11 september jl. is dit debat er alleen maar scherper op geworden. Door de aanslagen is men vooral in Amerika, maar ook in andere Westerse landen wantrouwender gaan kijken naar de "vreemden in ons midden"; vooral als dat moslims zijn. Nu er een oorlog dreigt met een deel van de islamitische wereld, zou dat alleen maar erger kunnen worden.

Ik zal niet al teveel woorden vuil maken aan het eerste punt, nl. dat landen niet staan te popelen om vreemdelingen binnen te halen en dat de omgang met het vreemde moeilijk is; dat weet iedereen en herkent iedereen bij zichzelf. De overige drie punten zal ik hieronder uitwerken.

Eerst iets over onze zorg over de integratie van migranten. Wat bij de discussie over allochtonen en de multiculturele samenleving opvalt is dat het meestal problemen zijn die hierin de boventoon voeren ­ en dan met name problemen aan allochtone zijde. Allochtonen zouden weinig betrokken zijn bij de Nederlandse samenleving; er zou sprake zijn van een gebrekkige beheersing van het Nederlands, een lage graad van participatie in onze samenleving, tegenvallende resultaten in het onderwijs en op de arbeidsmarkt en een relatief hoge aanwezigheid in criminaliteitscijfers. Dat alles, zo wordt dan betoogd, belemmert de integratie van migranten in de samenleving. En omdat hun integratie niet vlot verloopt, is hun acceptatie door diezelfde samenleving problematisch. Weinig worden in de discussies de positieve resultaten aangehaald die vele migranten intussen hebben behaald. Te weinig wordt beseft dat deze migranten blijvend in ons midden zijn en dat het daarom alleen al onverstandig is, om niet te zeggen contraproductief, om velen van hen het etiket allochtoon te blijven geven. Wanneer betrokkenen inmiddels gewoon Nederlands, wat zeg ik, gewoon Amsterdams of gewoon Limburgs praten, een baan hebben,


3



na een opleiding op een van onze scholen gevolgd te hebben, ook in hun overige doen en nalaten steeds meer trekken van autochtone Nederlanders hebben overgenomen, en meer dan twee generaties hier zijn, dan is er amper verschil met oorspronkelijke autochtonen - die trouwens op hun beurt in vorige generaties als allochtoon bestempeld konden worden - en is het woord allochtoon achterhaald.
Weinig wordt de multiculturele samenleving bekeken vanuit de optiek van een "creative opportunity", zoals Trevor Davis dat formuleerde.

Kortom, er is sprake van een eenzijdig, negatief beeld wanneer het gaat om het allochtonen- vraagstuk. Dat is een beeld dat geen recht doet aan de complexe realiteiten in de multiculturele samenleving, maar waardoor velen zich toch laten leiden. Overigens, velen ook niet, dat zeg ik er uitdrukkelijk bij. Duizenden Nederlanders voelen zich thuis in onze multiculturele samenleving, zeker hier in Amsterdam. Vele Nederlanders staan aldus afwerend tegenover vreemdelingen, asielzoekers en allochtonen. Ik hoor zelfs steeds meer mensen spreken in termen van "vol is vol". Opvattingen die een spreker nog niet zo lang geleden in de extreem rechtse hoek zouden hebben geplaatst. Wat met de term "vol is vol" wordt bedoeld, is meestal niet duidelijk, want met evenveel gemak kan het tegendeel worden beweerd. Het valt niet te ontkennen: uit dit soort geluiden spreekt een onbehagen met de aanwezigheid van grote groepen vreemdelingen in de Nederlandse samenleving. In een stad als Amsterdam bijvoorbeeld, wordt 43% van de bevolking als allochtoon aangemerkt Een onbehagen, dat zoals gezegd sterker is naarmate de oorspronkelijke culturen verder uit elkaar liggen, omdat er dan ­ zo vermoedt men - geen vanzelfsprekend gemeenschappelijk normen- en waardenpatroon bestaat. "Vol is vol" zou in deze context dan kunnen worden opgevat in termen van "we hebben er genoeg van, van al die buitenlanders die zo anders zijn en zich niet aanpassen". Wie zo denkt en spreekt zegt dan eigenlijk: ik heb niets tegen buitenlanders of allochtonen, als ze maar de taal spreken, zich aanpassen aan en integreren in de Nederlandse samenleving. Zo opgevat klinkt dat niet onredelijk. Maar als wij de opvattingen van Herzberg zoals ik die aan het begin verwoordde, als uitgangspunt nemen, dan klopt het verhaal van: "als vreemdelingen en allochtonen zich maar aanpassen dan gaat het goed", niet. Want zien wij hoe het de joden verging, dan zien wij dat zij voor de oorlog bijna volledig geassimileerd en geïntegreerd waren in de hen omringende samenlevingen. Ze spraken in elk land de taal, waren er op alle niveaus in het sociale en economische leven vertegenwoordigd, bekleedden posities en ambten in alle geledingen van de samenleving, waren daarin zeer actief, waren ternauwernood crimineel en toch ging het mis, heel erg mis.
Het ging mis omdat joden, ondanks assimilatie en integratie toch joden bleven, maar het ging vooral mis omdat er iets veranderde in de gezindheid van de samenleving om hen heen.

Dit bracht Herzberg tot zijn uitspraken dat joden vooral joden moesten blijven en als jood door het leven moesten gaan: voor hun acceptatie maakte dat toch niets uit. Niet hun houding of hun gedrag was doorslaggevend voor de vraag hoe zij door de samenlevingen zouden worden behandeld, nee, het was uiteindelijk een kwestie die beslist werd door de wil van anderen, van de meerderheid in de samenleving.
De misschien schokkende implicatie van Herzbergs opvattingen voor onze tijd is, dat anders dan wij meestal geneigd zijn te denken, noch het gedrag, noch de mate van assimilatie en integratie van allochtonen bepalend zullen zijn voor hun uiteindelijke acceptatie in ons midden. Bepalend zal zijn of, en zo ja in welke mate, wij bereid zijn om vreemdelingen en allochtonen in onze samenleving op te nemen als volwaardige burgers.


4



Burgers die weliswaar hun eigenaardigheden en dubbele loyaliteiten kunnen hebben, net als Abel Herzberg die had, maar die vooral gebonden zijn aan de met het Nederlandse burgerschap verbonden rechten en plichten. Als Herzberg gelijk had, dan is het de meerderheid die de grenzen van de integratie van minderheden bepaalt, en niet omgekeerd. Integratie en acceptatie van allochtonen is dus een kwestie van onszelf en niet van de ander. Als wij hiertoe bereid zijn gebeurt het, anders niet. Omdat onze houding en bereidheid hierin doorslaggevend zullen zijn voor hun integratie en acceptatie, wil ik het in het vervolg van mijn verhaal met name over ons hebben, over wat wij willen en moeten; voor de verandering dus niet over hen.

Het praten over ons komt mooi van pas bij de bespreking van migratie in relatie tot onze eigen normen en waarden. Dan gaat het om vragen of migranten onze normen en waarden delen en of door migratie gevaar bestaat voor het open en tolerante karakter van onze samenleving. Om hierover te kunnen spreken moeten wij wel eerst weten over welke normen en waarden wij het hebben. Het gaat dan om basisnormen van de Nederlandse samenleving, want over een heleboel andere normen en waarden zijn we het als Nederlanders al niet met elkaar eens. Maar wie de vraag stelt: "vertel me eens in een aantal woorden waarvoor de Nederlandse cultuur staat", is net als de heiden die in de tijd dat een man op één been kon staan (en dat dus niet lang kon volhouden), van de rabbijn wilde weten wat het jodendom inhield. Een schier onmogelijke opgave om binnen die tijd de hele Thora uit te leggen. Toch krijgt de heiden in het oude joodse verhaal antwoord van de rabbijn. Rabbi Hillel -want zo heette hij- zegt: "Jodendom? Dat is maar een enkel gebod: doe je naaste niet aan, wat je zelf niet wilt dat jou wordt aangedaan. De rest is bijzaak". Het is een wereldberoemd verhaal, door Abel Herzberg gememoreerd in zijn essay " De godsdienst van Israël" uit 1969. Zo is het voor mij ook moeilijk om in een paar woorden het wezen van de Nederlandse cultuur te beschrijven, maar net als rabbi Hillel 2000 jaar geleden wil ik het toch proberen. De normen en waarden van onze cultuur worden gedomineerd door het idee van gelijkheid en democratie en door het idee van de vrijheid gesymboliseerd in de grondrechten, waarvan vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst tot de kern behoren. Gelijkheid, van een ieder, ongeacht ras, geloof of levensovertuiging, geslacht of seksuele geaardheid. Vrijheid om het leven naar eigen inzicht in te richten ­ met respect voor de ander. Het zijn deze normen die onze samenleving tot een open en tolerante samenleving maken. Juist voor zo'n samenleving is het moeilijk om andere normen en waarden niet te tolereren. Want door die niet te tolereren, loop je het risico je eigen normen en waarden onderuit te halen. De ideeën van gelijkheid en van vrijheid impliceren immers dat ze niet alleen gelden voor mij als individu, of voor ons als Nederlanders, maar ook voor alle anderen in onze samenleving (heeft die oude Hillel dus toch gelijk!).

Het staat als een paal boven water dat deze ideeën bepaald niet het exclusieve eigendom van het Westen zijn. Miljoenen mensen over de hele wereld hangen deze ideeën aan. Dat geldt natuurlijk ook voor het overgrote deel van de vreemdelingen en allochtonen in onze Nederlandse samenleving. Ik wijs in dit verband bijvoorbeeld op het project Islam en Burgerschap, een initiatiefgroep van verschillende moslimgroeperingen in Nederland, dat tot doel heeft het normen- en waardendebat over de invulling van het begrip burgerschap binnen de moslimgemeenschap te stimuleren. Uitgangspunt is hierbij dat de Islam aangewend kan worden om integratie in de Nederlandse samenleving en burgerschap te bevorderen. Het accent wordt daarbij gelegd op gedeelde normen en waarden.

Dat is de ene helft van het verhaal over onze normen en waarden. De andere helft is dat onze vrije en gelijkwaardige samenleving gaat rammelen, zodra we met de mond vrijheid en


5



gelijkheid belijden, maar die principes zelf niet ten aanzien van iedereen toepassen. Want op dat moment worden wij inconsistent. En als dat al niet gebeurt in onze eigen ogen, dan in ieder geval wel in de ogen van anderen. Zeker wanneer die anderen niet in onze welvaart delen. Wanneer wij en andere Westerse landen op deze wijze inconsistent zijn, dan lijdt dat tot verlies van geloofwaardigheid, zowel in eigen land als in de buitenlandse politiek. Wij zijn dan voor miljoenen mensen niet een voorbeeld dat navolging verdient. Los daarvan zijn er vele miljoenen mensen op de wereld voor wie de ideeën van vrijheid en gelijkheid een gruwel zijn, omdat zij zelf leven binnen een overgeleverde ideologie, levensbeschouwing of religie die de vrijheid of gelijkheid van de individuele mens ontkent. Daaronder vallen onder meer allerlei vormen van fundamentalisme, of het nu gaat om de christelijke, de joodse of de moslim variant ervan. Hoe ze elkaar ook verketteren, hoe verschillend van oorsprong ze ook zijn, zij hebben één kenmerk met elkaar gemeen: de haat en het verzet tegen de moderne wereld en alles waar die voor staat in economische, ideologische en spirituele zin.
Daarom hoeven wij niet verbaasd te zijn als wij worden geconfronteerd met andere opvattingen dan in het Westen gemeengoed zijn. Zoals er de afgelopen twee weken een voelbare, duidelijk aanwezige, maar meestal onderhuidse stroming was die ten minste enig begrip leek te hebben voor de aanslagen op het economische en politieke hart van de Verenigde Staten. Het gaat daarbij niet alleen om fundamentalisten, en zeker niet alleen om moslims, en onder degenen die dat begrip hebben, zijn er velen die de gekozen vorm van de aanslagen in hoge mate verfoeien.

Dames en heren,

De terroristische aanslagen op New York en Washington, die de wereld veranderd hebben, hebben het debat over vraagstukken van migratie en integratie waarover ik vandaag met u heb gesproken verscherpt; ik zei dat al eerder. De kijk en het perspectief op allochtonen in onze samenleving lijken daardoor voor het moment verschoven, in de zin dat er een gevoel van wantrouwen is ontstaan, en er veel meer wordt gedacht en gekeken in termen van de "vreemden onder ons", met name als die anderen moslim zijn. Dat de meeste moslim-landen en de meeste moslim-organisaties in Nederland hun diepste afkeuring over de terroristische aanslagen en medeleven met de slachtoffers hebben uitgesproken doen daaraan niet af ­ helaas.

Helaas, omdat het toegenomen wantrouwen geen basis vindt in de feiten. Helaas, omdat ik burgemeester ben van een stad met ruim 730.000 inwoners, afkomstig uit 174 verschillende landen. Onder die Amsterdammers bevindt zich een groot aantal moslims. Volgens een recent onderzoek van het Bureau Onderzoek en Statistiek "Religie in Amsterdam" is 14% van de Amsterdamse bevolking moslim, dat zijn 102.200 medeburgers. Ik vind dat al deze medeburgers, alle 174 nationaliteiten, zich in Amsterdam thuis moeten kunnen voelen en in vrede en vriendschap met elkaar moeten samenleven. Ik ben, zoals ik bij mijn aantreden zei, burgemeester van alle Amsterdammers. Daarom moet het wantrouwen worden omgebogen in vertrouwen.

Bij het zoeken naar wegen waarbij iedereen zich in Nederland, in Amsterdam thuis kan voelen, en in vrede en vriendschap met elkaar kan leven, is het houden en het op gang houden van een dialoog op basis van openheid, vertrouwen en respect het noodzakelijke voertuig. Dialoog veronderstelt dat wij normen en waarden delen of tenminste willen delen. Dat doen wij ook vaak, zoals ik hiervoor al zei.


6



Een respectvolle dialoog kunnen wij alleen voeren vanuit onze westerse waarden: met onze waarden als uitgangspunt en niet als dictaat; vanuit een open en onderzoekende houding. Alleen zo kunnen wij onze waarden en normen overbrengen; vrijheid en gelijkheid, democratie en tolerantie vallen immers niet te dicteren. Zo'n dialoog moet er overigens zeker niet toe leiden dat wij maar alles moeten goedkeuren wat anderen doen. Ook niet als die anderen dat doen "omdat het in hun cultuur gebruikelijk is". Natuurlijk niet. Want het kan voorkomen dat wij het met overleg, met overtuiging, met rede niet redden, bijvoorbeeld in gevallen waarin gedrag flagrant in strijd is met onze basisnormen van vrijheid en gelijkheid, of, wanneer er sprake is van flagrante strijd met de normale regels van respect die in onze samenleving gelden. Dan moeten wij helder en duidelijk zijn, en zeggen: ho, dat kan niet, er zijn grenzen. Dat er grenzen moeten worden gesteld is evident in crisissituaties, zoals we die nu meemaken met de terroristische aanvallen op New York en Washington. Vrijwel niemand zal vinden dat president Bush van de Verenigde Staten nu met gekruiste armen moet blijven zitten en een dialoog moet zoeken.
Dat er grenzen moeten worden gesteld is minder evident in een samenleving als de onze waarin vrijheid en tolerantie te vaak en ten onrechte worden vertaald in termen van "alles moet kunnen". Onze befaamde gedoogcultuur is een exponent van dit denken. Een samenleving waarin dit denken domineert, accepteert voor zichzelf in beginsel geen enkele grens: van moraal noch wet, van recht noch staat en zeker niet van een andere burger. Diezelfde samenleving vindt het dan ook moeilijk om grenzen te stellen aan het gedrag van anderen. En hetzelfde geldt voor individuen in zo'n samenleving. Als er geen afgebakende grenzen zijn, geen wetten en regels waaraan wij ons gebonden weten en waaraan wij dus ook anderen kunnen binden, vervalt een samenleving op den duur tot anarchie, waar willekeur en het recht van de sterkste regeren. Dan sta je met lege handen als je wordt geconfronteerd met mensen uit binnen- en buitenland die jouw eigen normen en waarden niet op voorhand delen. Bovendien weten nieuwkomers in onze samenleving dan niet waar ze aan toe zijn en waar zij zich aan te houden hebben. Dus ook hier: grenzen stellen.

Duidelijke grenzen, voor autochtonen en voor allochtonen, zijn de wetten en regels van onze rechtsstaat. Dat klinkt als een open deur, maar zo is het wel. Wetten en regels ontstaan niet zomaar en vormen geen statisch, onveranderlijk geheel. Ze zijn het resultaat van langdurige maatschappelijke processen en reflecteren de in onze samenleving levende ideeën en opvattingen, normen en waarden. Bij een toename van het aantal allochtonen in Nederland, maar vooral bij een toename van het aantal allochtonen dat mee wil doen, meedoet en ook mee mag doen aan de maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland, neemt ook de kans toe dat hun ideeën zullen worden opgenomen in de hoofdstroom van Nederlandse wetten en regels. Daarmee verandert onze samenleving, daarmee worden onze grenzen hun grenzen, daarmee worden hun grenzen onze grenzen.
Als wij bereid zijn om vreemdelingen en allochtonen in onze samenleving op te nemen als volwaardige burgers, dan zullen zij daadwerkelijk volwaardige burgers zijn.


7



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie