Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

BUZA ambtsbericht Ivoorkust: situatie i.v.m. asielbeleid

Datum nieuwsfeit: 22-10-2001
Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken



---


1 Inleiding

---

In dit algemene ambtsbericht wordt een beschrijving gegeven van de recente ontwikkelingen in Ivoorkust voorzover die van belang zijn voor de beoordeling van asielaanvragen van Ivoriaanse staatsburgers en voor de besluitvorming over terugkeer van afgewezen Ivoriaanse asielzoekers. Het beslaat de periode van december 1999 tot en met juli 2001.

In hoofdstuk twee wordt ingegaan op de recente ontwikkelingen op politiek, veiligheids- en sociaal-economisch gebied. Deze schets wordt voorafgegaan door een overzicht van de geschiedenis van Ivoorkust. Ook is een korte passage over geografie en bevolking van Ivoorkust opgenomen. Hoofdstuk drie geeft een overzicht van de mensenrechtensituatie in Ivoorkust voorzover van belang voor de beoordeling van asielaanvragen. In hoofdstuk vier komen de binnenlandse vestigingsvrijheid, het beleid van een aantal andere Europese landen inzake asielzoekers uit Ivoorkust alsmede de activiteiten van UNHCR ter zake aan de orde. Een algehele samenvatting volgt in hoofdstuk vijf.

Bij de opstelling van dit ambtsbericht is gebruik gemaakt van informatie afkomstig uit openbare bronnen, aangevuld met vertrouwelijke gegevens van Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland en van EU-lidstaten. Een overzicht van de gebruikte openbare bronnen is te vinden in de literatuurlijst (bijlage I).


2 Landeninformatie

---

2.1 Basisgegevens

---
Ivoorkust is gelegen aan de westkust van Afrika en beslaat een gebied ter grootte van ruim 322.000 vierkante kilometer. Het land grenst in het westen aan Liberia, in het noorden aan Guinee, Mali en Burkina Faso, in het oosten aan Ghana en in het zuiden aan de Atlantische Oceaan .

De politieke en administratieve hoofdstad is sinds 1983 Yamoussoukro. De meeste overheidsinstellingen bevinden zich echter nog steeds in de vroegere hoofdstad Abidjan, het economische centrum van het land. Het land kent een tropisch klimaat.

Een kaart van Ivoorkust is toegevoegd als bijlage II.

De bevolking van Ivoorkust telt ruim vijftien miljoen inwoners - onder hen veel immigranten -, die qua etnische afkomst voortkomen uit vijf hoofdgroepen en zestig subgroepen. Het land telt bijna 3,5 miljoen immigranten afkomstig uit de buurlanden Burkina Faso (bijna 15% van de totale bevolking), Mali (ruim 5% van de totale bevolking), Guinee, Ghana en Liberia (samen 3% van de totale bevolking). Daarnaast wonen in Ivoorkust een half miljoen andere buitenlanders waaronder Fransen (tussen de 16.000 en 20.000), Libanezen (100.000) en anderen.

De officiële taal is Frans en een groot aantal inheemse Afrikaanse talen komt voor .

Hoofd- en subgroepen

Akan

Ongeveer 31% van de bevolking bestaat uit de Akan groep en is woonachtig in het centraal en zuidoostelijk deel van Ivoorkust. Van deze groep is de Baoulé (17% van de bevolking) de grootste subgroep. De Baoulé tellen veel boeren, grootgrondbezitters en plantagehouders die vooral tijdens de regeringsperiode van Ivoorkust's eerste president Felix Houphouët-Boigny (een Baoulé) de economische en politieke macht in het land in handen hadden.

Voltaic

Deze groep is woonachtig in het noorden en het noordoosten van het land, vormt ongeveer 13% van de Ivoriaanse bevolking en is oorspronkelijk afkomstig uit Burkina Faso en Ghana. Onder de Voltaic is een belangrijke subgroep genaamd Senoufo (bijna 8% van de bevolking). De Voltaic zijn voornamelijk werkzaam in de landbouw, veeteelt en akkerbouw.

Krou

Deze etnische groep is oorspronkelijk afkomstig uit Liberia, is woonachtig in het westen en zuidwesten van het land en vormt ruim 8% van de bevolking. De Bété is de grootste subgroep (ruim 3% van de bevolking) en is relatief sterk vertegenwoordigd in het leger en de politie. De huidige president van Ivoorkust, president Gbagbo, is een Bété. Vanouds zijn de Krou werkzaam in de visserij, bosbouw en plantages (koffie en cacao).

Mande

De etnische groep Mande kan worden verdeeld in Mande du Nord of ook wel genaamd Manding, inclusief de Malinke - ook wel Mandingo - en Dioula, en Mande du Sud, waaronder de Yacouba. Mande wonen voornamelijk in het noorden en het zuidwesten van het land en maken bijna 20% van de bevolking uit. De Mande zijn voornamelijk werkzaam in de handel en industrie. De voormalige juntaleider generaal Guéï is een Yacouba.

Niet-Ivorianen

De bijna 3,5 miljoen immigranten afkomstig uit de buurlanden Burkina Faso (bijna 15%), Mali (ruim 5%), Guinee, Ghana en Liberia (samen 3%) zijn voornamelijk werkzaam in de informele sector, kleine (straat) handel, reparatiewerkplaatsen, industrie en landbouw. De Franse en Libanese bevolking is als eigenaren/managers werkzaam in de industrie, (groot)handel, scheepvaart en dienstensector (hotels en restaurants).

Het pre-koloniale tijdperk

In het pre-koloniale tijdperk bestond het gebied dat het huidige Ivoorkust omvat uit een dicht en dunbevolkt tropisch regenwoud dat zich vanaf de Atlantische Oceaan vele honderden kilometers landinwaarts uitstrekte.

Het noordelijke deel van het gebied, grotendeels savanne, werd bewoond door moslims en behoorde oorspronkelijk tot de Guinese koninkrijken, waarvan de invloedssfeer zich op gezette tijden uitstrekte tot grote delen van het huidige Mali, Guinee en Niger . Het eerste contact tussen Europeanen en het latere Ivoorkust dateert van 1637 toen enkele Franse missionarissen aan land gingen bij Assinie nabij de grens met de Goudkust (nu Ghana). Lange tijd bleven de contacten op een laag pitje staan door de ongastvrije kust en de angst die de kolonisten koesterden voor de autochtone bewoners. In de achttiende eeuw werd het gebied bezet door twee aan elkaar verwante Akan-groepen , de Agnis, die het zuidoostelijk deel van het gebied bezetten, en de Baoulé die zich vestigden in het centrale deel. In 1843 en 1844 ondertekende de Franse admiraal Bouet-Williaumez overeenkomsten met de koningen van de regio's Grand Bassam en Assinie, waarbij deze gebieden een Frans protectoraat werden . Pas in 1893 werd Ivoorkust door de Fransen gekoloniseerd. De invloed van de Fransen werd geleidelijk groter, maar volledige pacificatie werd pas bereikt in 1915. Geleidelijk werd het grote potentieel van het land duidelijk. De aanleg van een spoorlijn dwars door Ivoorkust tot in het huidige Burkina Faso maakte het mogelijk dit potentieel op winstgevende wijze te benutten . Na de tweede wereldoorlog was Ivoorkust Senegal opgevolgd als rijkste Franse kolonie .

De periode als Franse kolonie (1893-1960)

De eerste gouverneur, Captain Binger, sloot grensverdragen met Liberia en het Verenigd Koninkrijk (namens de Goudkust) en startte een campagne tegen de voornamelijk in het noorden van het land wonende etnische groep Malinke. Hun leider Almany Samory bleef tot 1898 tegen de Fransen strijden.

In de periode 1904-1958 was Ivoorkust onderdeel van de Federatie van Frans West-Afrika.

De conferentie van Brazzaville in 1944, de eerste constitutionele vergadering van de vierde republiek in 1946, en Frankrijks dankbaarheid voor de Afrikaanse loyaliteit die was betoond tijdens de tweede wereldoorlog leidden uiteindelijk tot hervormingen binnen het Franse koloniale systeem. Alle Afrikaanse 'onderdanen' kregen het Franse staatsburgerschap, het recht op het vormen van politieke organisaties werd erkend, en verschillende vormen van dwangarbeid werden afgeschaft.

De Loi Cadre van 1956 bracht een deel van de macht en het gezag over Frans West-Afrika naar gekozen territoriale regeringen in het gebied. In 1958 werd Ivoorkust een autonome republiek binnen de Franse Gemeenschap. Onafhankelijkheid volgde op 7 augustus 1960 .

De geschiedenis vanaf de onafhankelijkheid in 1960 tot en met eind 1999

De politieke geschiedenis van Ivoorkust sinds de onafhankelijkheid op 7 augustus 1960 is onlosmakelijk verbonden met de eerste president Félix Houphouët-Boigny en de Parti Démocratique de Côte d'Ivoire (- Rassemblement Démocratique Africain) (PDCI-RDA).

Door zijn persoonlijke relaties met opeenvolgende Franse presidenten en regeringen zorgvuldig te onderhouden en koesteren, maar evenzo op basis van kundig economisch en politiek management, domineerde Houphouët-Boigny (in latere jaren ook bekend als le vieux) zo'n veertig jaar het leven in Ivoorkust. Onder zijn bestuur ontwikkelde Ivoorkust zich tijdens de jaren zestig en zeventig tot één van de meest welvarende en goed bestuurde Afrikaanse landen. Hij vormde partijstructuren tot een fijnmazig netwerk en er bestonden opmerkelijk weinig dissidente gevoelens. De president - hoewel omringd door een kleine coterie die deels uit zijn eigen Baoulé uit Centraal Ivoorkust bestond - zorgde er strikt voor dat geen enkele etnische groep dominant was. Voorzover er protest was, was dat vrijwel niet langs etnische of religieuze lijnen.

Een andere belangrijke factor voor de stabiliteit tijdens de jaren zestig en zeventig was de welvaart door het succes van de export van cacao, koffie, hout en tropisch fruit. Er was sprake van gestadige economische groei. De skyline van Abidjan werd gekenmerkt door hoge kantoorgebouwen en luxe winkels verlevendigden het straatbeeld. Immigranten werden aangetrokken tot de plantages. Zij kwamen uit Burkina Faso, Mali, Ghana en andere landen en aan het eind van de jaren tachtig maakten zij tussen de 33 en 40 % van de bevolking uit .

In de jaren tachtig echter kwam de ommekeer. Een wereldwijde val in prijzen, de oliecrisis en als gevolg daarvan een toename van de staatsschuld aan het buitenland zorgden ervoor dat Ivoorkust te maken kreeg met economische en sociale problemen. In de late jaren tachtig en begin jaren negentig werden verschijnselen als demonstraties, stakingen en onrust onder militante studenten een welhaast alledaags verschijnsel .

In oktober 1990 werd Houphouët-Boigny voor zijn zevende opeenvolgende termijn voor vijf jaar tot president herkozen met, volgens officiële cijfers, 82% van de stemmen. De presidentsverkiezingen van 1990 waren de eerste meerpartijenverkiezingen. De flamboyante leider van het Front Populaire Ivoirien (FPI), Laurent Gbagbo, was de enige andere kandidaat. Bij de parlementsverkiezingen in november 1990 won de PDCI zijn gebruikelijke 165 van de 175 zetels, terwijl de FPI negen zetels veroverde en de Parti Ivoirien des Travailleurs (PIT) één zetel. Een meerderheid van de kiezers kwam echter niet opdagen en de oppositie sprak van stembusfraude in een poging het publieke protest verder aan te wakkeren.

In een poging het land uit de economische crisis van de jaren tachtig te tillen benoemde Houphouët-Boigny in 1990 een nieuwe premier. Dit was Alassane Dramane Ouattara, een bij de Wereldbank geschoold econoom, en voormalig president van de Banque Centrale des États de l'Afrique de l'Ouest (BCEAO), de regionale West-Afrikaanse bank, gevestigd in Dakar, Senegal . Ouattara trok in de vroege jaren negentig de economie uit het slop en zette pijnlijke privatiseringen door. Zijn premierschap bezorgde hem de reputatie van technocraat.

Publieke protesten bleven echter doorgaan en het kwam uiteindelijk tot confrontaties tussen burgers onderling in de straat en tussen studenten op de campus van de universiteit. Toen de oppositie in februari 1992 een grote protestmars in Abidjan wilde houden, grepen de autoriteiten hard in. Laurent Gbagbo en elf andere prominente oppositieleden werden gevangen genomen op basis van wetgeving die een dag tevoren door het parlement was geloodst. Zes maanden later, toen de lucht enigszins was opgeklaard, gaf Houphouët-Boigny opdracht hen weer vrij te laten. Er volgde vooralsnog geen nieuwe onrust. Laurent Gbagbo en de meeste andere opposanten hadden voorlopig hun lust voor confrontatie verloren .

Toen gedurende de vroege jaren negentig Houphouët-Boigny langzaam wegzakte in ziekte en seniliteit zochten zijn party barons hun toevlucht tot de aartsrivaal van Ouattara, Henri Konan Bédié, de voorzitter van het parlement. Binnen enkele uren na de dood van de president in december 1993, verscheen Bédié op de nationale televisie en riep zichzelf - conform de mogelijkheden die de grondwet bood - uit tot nieuwe tijdelijke president tot de voorziene presidentsverkiezingen die voor oktober 1995 voorzien waren. Bédié's claim werd gesteund door de Franse president Mitterrand en Ouattara nam ontslag. Bédié zette eigen aanhangers op sleutelposities en zette aanhangers van Ouattara op een zijspoor. Na de devaluatie van de gemeenschappelijke West-Afrikaanse munt, de CFA, in januari 1994, trok de economie weer aan en kon Bédié daarvan de politieke vruchten plukken. Deze verbetering was overigens wel grotendeels te danken aan het beleid dat de verdreven Ouattara had gevoerd .

Bédié won de verkiezingen in oktober 1995 met 95% van de stemmen. Ouattara had het Bédié makkelijk gemaakt door zich niet kandidaat te stellen en een functie te aanvaarden als plaatsvervangend directeur van het Internationaal Monetair Fonds. Zijn partij - de Rassemblement des Républicains (RDR)
- leverde geen andere kandidaat. Laurent Gbagbo weigerde mee te doen, omdat hij vond dat het verkiezingsproces gemanipuleerd werd. Er was uiteindelijk slechts één opponent, de jurist en hoogleraar Francis Wodié van de kleine Parti Ivoirien des Travailleurs (PIT). Alleen kandidaten van 'zuivere' Ivoriaanse afkomst mochten overigens meedoen aan de verkiezingen. Dit was een uiterst controversieel uitgangspunt. In december 1994 had het parlement een ontwerpwet aangenomen waarin niet-Ivorianen werden uitgesloten van stemrecht. Niet-Ivorianen waren afstammelingen van gemengde ouders, maar ook Ivorianen die de laatste vijf jaar in het buitenland hadden verbleven werden als niet-Ivoriaan beschouwd . Deze laatste bepaling was overduidelijk bedoeld om Ouattara uit te sluiten. Zijn vader kwam uit Burkina Faso en hij woonde zelf inmiddels in Washington. Er was enig geweld tijdens de aanloopperiode naar de verkiezingen toen latente spanningen aan de oppervlakte kwamen en leden van de oppositie leden van de Baoulé aanvielen .

In november 1995 verliepen de verkiezingen voor het parlement vrij en eerlijk, grotendeels omdat alle grote partijen - dus ook de RDR (zonder Ouattara) en de FPI - meededen. De goed voorbereide PDCI won echter 148 zetels, de RDR 13 en de FPI 11 .

Bédié bleef gepreoccupeerd met zijn eigen persoonlijke en politieke veiligheid. Vanaf 1997 probeerde Bédié, niet zonder succes, de oppositiepartijen te ondermijnen in de aanloop naar de presidents- en parlementsverkiezingen van 2000. In maart 1998 kondigde Ouattara aan dat hij na zijn werk bij het Internationaal Monetair Fonds wenste terug te keren in de Ivoriaanse politiek. Er circuleerden geruchten dat de RDR en FPI samen zouden gaan om Ouattara aan het presidentschap te helpen. In augustus 1998 werden echter grondwetswijzigingen doorgevoerd die de deelname van Ouattara aan de verkiezingen weer uitsloten (zie hoofdstuk 2.4) .

De steun voor de regering Bédié begon af te brokkelen toen eind 1998 - mede als gevolg van het door Bédie gevoerde beleid, corruptie en nepotisme - de economie weer terugliep.

Toenemende spanningen in 1999

In het jaar 1999 liepen de politieke spanningen - met de verkiezingen van 2000 in het vooruitzicht - in Ivoorkust geleidelijk op. De spanningen werden mede veroorzaakt door onvrede over de economische situatie en het economisch beleid van de regering dat gepaard ging met aanzienlijke bezuinigingen, hetgeen leidde tot onrust onder arbeiders en studenten. Ook groeide de onvrede over corruptie en nepotisme binnen de regering.

De toenemende economische en politieke spanningen leidden in de gegeven context - armoede, een groot aantal werknemers afkomstig uit andere West-Afrikaanse landen (met name Burkina Faso) geconcentreerd in grote arme wijken in steden in het gehele land, dalende inkomsten, diepgewortelde corruptie, verdeeldheid in stammen, nationaliteiten, godsdiensten en politieke overtuigingen, en het onvermogen van Bédié om het etnisch evenwicht te handhaven (zoals zijn voorganger Huophouët-Boigny dat altijd gedaan had) - tot toenemende xenofobie.

In de zomer van 1999 maakte de voormalig premier Alassane Ouattara zijn kandidatuur voor het presidentschap bekend.

De regering Bédié beschouwde de kandidatuur van Ouattara als een serieuze bedreiging en trachtte diens kandidatuur te verhinderen, onder meer met een beroep op de controversiële wet uit 1994 die van kandidaten eiste dat niet alleen zijzelf, maar ook hun ouders in Ivoorkust waren geboren. De regering stelde dat de ouders van Ouattara oorspronkelijk afkomstig waren uit Burkina Faso. Ouattara werd aldus de facto uitgesloten van deelname aan de te houden presidentsverkiezingen en vertrok op 19 september 1999 naar Frankrijk. Toen hiertegen in Abidjan grootschalige protesten ontstonden, liet president Bédié de kopstukken van Ouattara's partij, de Rassemblement des Republicains (RDR), arresteren. De partijtop van de RDR werd vervolgens in november 1999 veroordeeld tot zware gevangenisstraffen. Mede als gevolg van verhitte debatten over de dubieuze nationaliteitswetgeving lieten aanhangers van Bédié zich gedurende het laatste kwartaal van 1999 inspireren tot xenofobisch geweld tegen migranten, met name de Burkinabé, waarvan zo'n 12.000 op de vlucht sloegen naar Burkina Faso.

Ter achtergrond diene de volgende informatie . Een vijfde tot een derde van de Ivoriaanse bevolking bestaat uit Afrikanen uit de buurlanden, waaronder Burkina Faso. De Ivoriaanse bevolking zelf bestaat uit vijf etnische hoofdgroepen . De Baoulé vormen daarvan de grootste etnische groep en beheersten de PDCI-RDA en de regering Bédié. Sommige etnische groepen in Ivoorkust omvatten vele buitenlandse Afrikanen - zonder de Ivoriaanse nationaliteit - en zien voordeel in stemrecht voor deze groepen. Andere, zoals de Baoulé, hebben weinig buitenlandse Afrikanen zonder Ivoriaanse nationaliteit en zien voordeel in uitsluiting van deze groep van de Ivoriaanse nationaliteit en daarmee van stemrecht. De geldende, omstreden, nationaliteitswetgeving werkte dus in het voordeel van de Baoulé en de regering Bédié.

2.2 Politieke ontwikkelingen

---
De politieke ontwikkelingen in Ivoorkust gedurende de verslagperiode - december 1999 tot en met mei 2001 - worden gekenmerkt door de coup en val van generaal Robert Guéï, politieke polarisatie als gevolg van de pogingen van opeenvolgende Ivoriaanse regeringen om Ouattara uit te sluiten met behulp van de 'ivoirité-ideologie' , met als gevolg sociale polarisatie, en ten slotte een voorzichtig begin van normalisatie van de verhoudingen in het land.

De oorzaken van de gebeurtenissen gaan zeker een tiental jaren terug, en moeten ten dele worden gezocht in de strijd om de macht (het presidentschap) tussen een viertal 'oudgediende' leidende figuren in Ivoorkust, namelijk Bédié, Guéï, Ouattara en Gbagbo. De methode die in deze strijd door de zittende president steeds gebruikt werd, namelijk het uitschakelen van Ouattara door alle niet-Ivorianen uit te sluiten van het presidentschap, wakkerde onder de bevolking de onvrede over het grote aantal Afrikaanse immigranten aan.

Een tweede oorzaak is gelegen in de verslechtering van de economische situatie sinds circa 1990. De bevolking schreef deze verslechtering, en met name de hoge werkloosheid, toe aan de aanwezigheid van de grote aantallen Afrikaanse immigranten.

Een derde oorzaak vormen de etnische en culturele verschillen tussen de verschillende bevolkingsgroepen, met name tussen de noorderlingen en de zuiderlingen, en de etnische en culturele affiniteit tussen de noorderlingen en de Afrikaanse immigranten (onder meer vanwege het gemeenschappelijke geloof, de islam). Dit complex van factoren kwam in de verslagperiode tot uitbarsting in machtswisselingen, politieke onrust en episoden van haat tegen aanhangers van Ouattara / noorderlingen / moslims / immigranten, waarbij geen onderscheid meer werd gemaakt tussen deze verschillende categorieën.

In deze paragraaf zullen deze ontwikkelingen nader worden toegelicht.

De coup van Robert Guéï

Op 22 december 1999 hield president Bédié een toespraak tot het parlement. Velen hadden gehoopt dat de president deze toespraak zou aangrijpen om een beleid van vernieuwing te presenteren en daarmee draagvlak in de samenleving te herstellen. Bédié wist deze kans niet te benutten. De toespraak stelde velen in de Ivoriaanse samenleving teleur.

In de namiddag van 23 december 1999 mondde een militair oproer - ontstaan uit onvrede over achterstallige soldij - in Abidjan uit in een machtsovername door brigadegeneraal b.d. Robert Guéï, een Yacouba. Op 24 december 1999 maakte Guéï bekend dat de zittende president, Henri Konan Bédié, was afgezet. Het parlement en de regering werden ontbonden en de constitutionele raad en het hooggerechtshof buiten werking gesteld. Bédié werd door de Fransen in bescherming genomen en verbleef vanaf dat moment in de residentie van de Franse ambassadeur. Van daaruit op dezelfde dag om 15.30 uur deed de afgezette president via Radio France Internationale een oproep aan het volk van Ivoorkust om zich met alle middelen te verzetten tegen de nieuwe machthebbers. Aan de oproep werd evenwel geen gehoor gegeven. In het land werd de staatsgreep met vreugde begroet. Men verwachtte dat Guéï de democratie zou herstellen en Ouattara zou laten terugkeren in de politiek.

De staatsgreep verliep zonder gewapende strijd en het gedrag van de militairen tegenover de burgers van Ivoorkust was - afgezien van enkele incidenten - over het algemeen gedisciplineerd. Orde en rust werden snel hersteld. Tijdens de machtsovername bleven ongeregeldheden grotendeels beperkt tot het door de militairen vorderen van particuliere auto's, die overigens vanaf 26 december 1999 weer werden teruggeven aan de rechtmatige eigenaren. Ook plunderden in de nacht van 24 op 25 december 1999 militairen en burgers winkels en bij de bevrijding van de RDR-gevangenen uit de gevangenis, waarbij overigens ook vele misdadigers ontsnapten, vielen enkele doden.

Op 26 december 1999 in het begin van de middag vertrok Bédié in gezelschap van zijn naaste familie per Franse helicopter naar Lomé in Togo. Op 27 december 1999 volgden enkele andere leden van de regering. Op dezelfde dag werd het vliegveld heropend en de avondklok opgeheven.

Er werd als overgangsregering een Comité National du Salut Public opgericht waarin tien militairen zitting hadden. De leiding van de RDR, die was bevrijd uit de gevangenis, trad in overleg met de nieuwe machthebbers. Volgens Guéï was de machtsovername gericht op het herstel van de democratie en op het houden van democratische verkiezingen. Alle onderdelen van het leger, de gendarmerie, de politie, de douane etc. betuigden hun steun aan het nieuwe regime, alsmede vele maatschappelijke organisaties. De machtsgreep werd gedragen door brede lagen van de Ivoriaanse bevolking en door alle militaire geledingen. De indruk die de machthebbers van meet af aan maakten, was er een van oprechte wil tot verbetering van de situatie in Ivoorkust. Dit voedde bij de bevolking en militairen de hoop op een betere toekomst en op een ommekeer van de politieke tradities uit het tijdperk Bédié, gericht als die waren op machtsbehoud door Bédié en zijn PDCI-RDA.

De staatsgreep werd direct formeel veroordeeld door Frankrijk, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Canada, Nigeria, Zuid-Afrika, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid, en enkele andere Afrikaanse organisaties. Deze landen en organisaties stelden dat een snelle terugkeer naar een democratische rechtsorde dringend gewenst was. Ook de reactie van de landen van Europese Unie benadrukte dit uitgangspunt: de staatsgreep werd veroordeeld als zijnde in strijd met de democratische rechtsorde; er werd aangedrongen op spoedig herstel van rust, orde en veiligheid, en herstel van de democratie in Ivoorkust.

De periode Guéï (december 1999 - 25 oktober 2000): van goede bedoelingen tot een poging de macht te behouden

De militaire machthebbers maakten bekend dat er op korte termijn een overgangsregering zou worden geformeerd waarin leden van het Comité National du Salut Public de posten buitenlandse zaken, defensie, binnenlandse zaken en veiligheidszaken zouden bezetten. De Ivoriaanse politieke partijen werden uitgenodigd kandidaten voor te dragen voor de overige ministersposten. De overgangsregering ging vrije en eerlijke verkiezingen voorbereiden.

Op 29 december 1999 keerde Ouattara terug uit Frankrijk naar Abidjan. Eind december 1999 verklaarde Guéï tijdens een bijeenkomst met verzamelde diplomaten dat er gewaakt zou worden over de buitenlandse belangen, over de veiligheid van buitenlandse onderdanen en over de mensenrechten.

De nieuwe machthebbers suggereerden inmiddels dat de machtsovername een min of meer spontane gebeurtenis was geweest (er zou geen sprake zijn geweest van een zorgvuldig voorbereide staatsgreep, maar van het 'door de omstandigheden' - namelijk door het oproer ontstaan ten gevolge van achterstallige betalingen - afzetten van het vorige staatshoofd). Toch waren er aanwijzingen dat de machtsovername wel degelijk goed was voorbereid. De systematische uitvoering deed een zorgvuldige planning en draaiboek vermoeden. De volledige steun van alle militaire onderdelen moest reeds van tevoren zijn verworven. De civiele steun bleek alom, nutsbedrijven bleven normaal doorfunctioneren.

Een week na de machtsovername was de rust in het land volledig weergekeerd en ging het dagelijks leven zijn normale gang. De atmosfeer was opgeklaard, er was hoop op een betere toekomst en de verwachtingen waren hoog gespannen.

Het nieuwe bewind trad voortvarend op, installeerde een overgangsregering op 4 januari 2000 en kondigde aan het overheidsapparaat te zullen saneren, een nieuwe grondwet te zullen opstellen en vrije en open verkiezingen voor te bereiden. Consultaties vonden plaats met alle groeperingen binnen de samenleving, met de buurlanden en met internationale organisaties.

Bij de samenstelling van de overgangsregering werd de voorkeur gegeven aan competentie boven politieke gezindheid en etnische origine. De overgangsregering zou bestaan uit 21 ministers, van wie vijf militairen en zes partijloze burgers. Aan de politieke partijen vielen aldus tien ministerszetels toe (Front Populaire Ivoirien, FPI: vier, Rassemblement des Républicains, RDR: drie, Parti Africain pour la Renaissance Ivoirienne, PARI: één, Parti pour le Progrès et la Solidarité, PPS: één en de Parti Démocratique de la Côte d'Ivoire - Rassemblement Démocratique Africain, PCDI-RDA: één).

Het oppositionele Front Populaire Ivoirien (FPI) weigerde aanvankelijk toe te treden tot de regering uit onvrede met de ministersselectie en vervulde de toegewezen 4 zetels niet. Als gevolg hiervan ontstond op 6 januari 2000 een eerste impasse volgend op de euforie na de machtsovername. Ook was er ongerustheid over het uitbetalen van salarissen en soldij. Guéï had verklaard dat de staatskas leeg was (de schatkist zou zijn geplunderd door gevluchte leden van de regering Bédié), waarop kapitaalsovermakingen naar het buitenland korte tijd verboden werden en de afbetaling van buitenlandse schulden werd opgeschort. In Abidjan was het enige tijd onrustig, maar na een ronde van generaal Guéï langs de troepen op 7 januari 2000 en verdere onderhandelingen met FPI-leider Gbagbo werd de rust snel hersteld. De FPI vervulde nu ook de haar toegewezen ministersposten.

Aanvankelijk bestond binnen Ivoorkust vrijwel algemene overeenstemming dat de overgangsregering vooralsnog het voordeel van de twijfel verdiende. Ook de internationale gemeenschap sloot zich, ondanks de formele veroordeling van de militaire staatsgreep, bij dit standpunt aan. Wel werd in binnen- en buitenland beseft dat moest blijken of de overgangsregering in staat zou zijn haar positie te consolideren en vervolgens de democratische orde te herstellen.

Op 24 januari 2000 maakte Guéï bekend dat het 'electorale proces' voor 1 oktober 2000 zou zijn afgerond. Dit hield in dat er voor die tijd een referendum over een nieuwe grondwet zou komen en dat er dan parlements- en presidentsverkiezingen zouden zijn geweest.

Kort na deze aankondiging werd echter steeds duidelijker dat Guéï de doelstelling van kort na de staatsgreep, namelijk herstel van de democratie, meer en meer achter zich liet ten gunste van een poging de macht te behouden.

In maart 2000 verzocht de junta de leiders van de politieke partijen om buiten de (nog niet eens begonnen!) verkiezingscampagne terughoudendheid te betrachten, met als argument dat het hervormingsproces tegenkrachten zou opwekken die het einde van het proces zouden kunnen inluiden. De discussie over de ivoirité - de vraag wie al dan niet 'Ivoriaan' was - bleef intussen de politieke gemoederen beheersen. In een politieke ommezwaai nam Guéï op dit punt het gedachtegoed van zijn voorganger over. Ten slotte besloot hij zelf een gooi te doen naar het presidentschap.

Toch besloten medio juni 2000 de RDR, de PCDI-RDA en de FPI het op 23 juli 2000 door middel van een referendum aan de kiezers voor te leggen ontwerp van een grond- en kieswet - inclusief de daarin vervatte bepalingen met betrekking tot 'ivoirité' als voorwaarde voor bepaalde politieke rechten
- te accepteren en het electoraat op te roepen 'ja' te stemmen. Zo leek aanvankelijk een potentiële basis van politieke consensus geschapen.

Op 4 juli 2000 vond echter opnieuw een muiterij van soldaten plaats wegens niet gehonoreerde salariseisen. De muiterij werd de kop ingedrukt en op 6 juli 2000 was de situatie weer grotendeels genormaliseerd. Er waren rond de vijf doden en ten minste acht gewonden gevallen. Generaal Guéï beschuldigde 'zekere politici' ervan tot de muiterij te hebben opgeroepen. Vier RDR-kopstukken werden opgepakt voor verhoor en vervolgens weer vrijgelaten. Ouattara en zijn RDR bleven mikpunt van overheidsobstructie. Op 23 juli 2000 werd het ontwerp van een grond- en kieswet door middel van een referendum aangenomen. De junta verbood een publieke bijeenkomst van de RDR op 27 juli 2000 te Abidjan waar het partijprograma zou worden gepresenteerd.

Inmiddels werd steeds duidelijker dat Guéï door zijn beslissingen sinds maart 2000 aan - moreel en feitelijk - gezag inboette. Guéï probeerde inmiddels politiek onderdak te vinden bij de PCDI-RDA voor zijn presidentskandidatuur. De weg werd hem echter versperd door Bédié-aanhangers en anti-Guéï-gezinden binnen de oude regeringspartij. Daarop besloot Guéï als onafhankelijk kandidaat mee te doen aan de presidentsverkiezingen.

In de aanloop naar de beslissing welke presidentskandidaten aan de verkiezingen zouden deelnemen, liepen de spanningen verder op. Uiterlijk 17 augustus 2000 moesten de kandidaatsstellingen officieel worden ingediend. Het Constitutioneel Gerechtshof moest vóór 3 september 2000 besluiten welke van de voorgestelde kandidaten - waaronder Ouattara - zich kwalificeerden om kandidaat te staan in de presidentsverkiezingen.

In verband met de datum voor deze uitspraak besloot de ministerraad op 30 augustus 2000 tot uitstel van de eerste ronde van de presidentsverkiezing van de oorspronkelijk voorziene datum van 17 september 2000 naar 22 oktober 2000.

Eveneens op 30 augustus 2000 begon een politiek partijverbond een wrakingsprocedure tegen de voorzitter van het Constitutioneel Gerechtshof, Tia Koné. Het verbond bestond uit de RDR en een zestal kleine partijen. Tegen Koné werd aangevoerd dat hij tot vlak voor zijn benoeming tot opperrechter adviseur van Guéï was geweest. Dit maakte hem partijdig en niet in staat tot een deugdelijke beoordeling van wie zich kwalificeerden als presidentskandidaat, aldus de aanklagers. Voorzover bekend heeft deze procedure tot dusverre geen gevolgen gehad voor Koné of zijn positie.

In de ochtend van 18 september 2000 voerden militairen een mislukte aanval uit op het huis van Guéï. Guéï suggereerde daarop dat elementen uit de RDR en de noordelijke moslimgemeenschap achter de aanval zaten. Zeker was wel dat de soldaten uit het islamitische noorden zich tegen Guéï keerden. De junta besloot razzia's te houden naar aanleiding van de aanslag. Het merendeel van de circa vijftien gearresteerde militairen zou zijn gedood. Guéï verloor steeds meer van zijn geloofwaardigheid en steun. Zijn positie werd wankel, de situatie precair.

Eerst op 6 oktober 2000 maakte Tia Koné de langverwachte beslissing van het Constitutioneel Gerechtshof bekend inzake de kwalificatie van de presidentskandidaten. In een controversiële beslissing diskwalificeerde het Hof veertien van de negentien kandidaten, waaronder Ouattara, de kandidaat van de RDR, op gronden van nationaliteit, en Bédié, de voormalige president, omdat hij geen correct medisch certificaat had ingediend .

Daarop gaf de grootste politieke groepering - de PCDI-RDA - haar kiezers het consigne de op zondag 22 oktober 2000 te houden presidentsverkiezingen te boycotten. De RDR nam korte tijd later een zelfde beslissing.

De Verenigde Naties, de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid, de Europese Unie, en landen als de Verenigde Staten en Canada besloten waarnemers en/of financiële steun bij het verkiezingsproces terug te trekken. Het verbod - op dubieuze gronden - op deelname aan de verkiezingen voor leiders van belangrijke partijen als de PCDI-RDA en RDR maakte het immers onmogelijk dat de verkiezingen vrij en eerlijk zouden zijn.

Duidelijk werd dat de gooi van Guéï naar de macht, waarbij hij op dezelfde wijze als zijn voorganger tegenkandidaat Ouattara had uitgeschakeld, bestaande maatschappelijke tegenstellingen aanscherpte. In toenemende mate kwamen de christelijke bevolking van het zuiden en oosten, en de islamitische bevolking in het noorden, tegenover elkaar te staan.

De presidentsverkiezingen van 22 oktober 2000: Gbagbo aan de macht

Na ruim tien maanden van relatieve rust explodeerde de situatie in het land direct na de presidentsverkiezingen van 22 oktober 2000. Nog tijdens het tellen van de stemmen, toen duidelijk werd dat Laurent Gbagbo van de FPI de verkiezingen gewonnen had, liet Guéï het tellen stoppen en eiste de overwinning op. Dit leidde tot een oproer. Gbagbo mobiliseerde zijn aanhangers, die op 25 oktober 2000 in Abidjan in vreedzaam protest massaal de straat opgingen. Na aanvankelijk de demonstranten te hebben bestreden (waarbij doden en gewonden vielen), lieten de gendarmerie en het leger in de loop van de ochtend Guéï vallen. De nationale radio en televisie meldden dat Guéï was afgetreden en het land ontvlucht was. Duizenden FPI-aanhangers vierden de overwinning van hun leider, maar tegelijkertijd gingen duizenden RDR-aanhangers in Abidjan de straat op om nieuwe verkiezingen te eisen. RDR-leiders stelden dat de presidentsverkiezingen ongeldig waren. Inmiddels riep Gbagbo, in een rede voor de nationale televisie op de avond van de 25e oktober, zichzelf uit tot president. Hij dankte zijn aanhangers en de veiligheidsdiensten voor hun steun .

De periode Gbagbo (25 oktober 2000 - heden): van een dieptepunt van etnisch geweld naar een begin van normalisatie

Etnisch geweld in nasleep presidentsverkiezingen en rond parlementsverkiezingen

In reactie op de televisierede van Gbagbo gingen Ouattara's aanhangers op 26 oktober 2000 opnieuw de straat op met hun eis van nieuwe presidentsverkiezingen. Ouattara steunde kort daarna deze protesten . De demonstraties leidden tot confrontaties met de veiligheidsdiensten en FPI-aanhangers, waarbij vele dodelijke slachtoffers zijn gevallen, honderden gewonden in ziekenhuizen zijn opgenomen, ten minste twee moskeeën en een kerk in brand zijn gestoken, en enorme vernielingen zijn aangericht. Hier was voor het eerst concreet sprake van etnisch geïnspireerd geweld gericht tegen moslims/noorderlingen en (Afrikaanse) buitenlanders . De PCDI-RDA overigens had zijn 'militanten' opgeroepen niet deel te nemen aan de demonstraties.

Ook in verscheidene andere steden vonden gewelddadige confrontaties plaats in de nasleep van de verkiezingen van 22 oktober 2000. Dodelijke slachtoffers werden gemeld uit Daloa, San Pedro, Divo en Bouake .

Eind oktober gelastte de nieuwe Ivoriaanse regering een politie-onderzoek en een nationaal onderzoek om vast te stellen wie verantwoordelijk waren voor de executie van 57 jongeren, die vermoedelijk op 26 oktober 2000 om het leven waren gebracht en begraven in een massagraf. Er zijn sterke aanwijzingen dat de gendarmerie de moordpartij op haar geweten heeft. De RDR eiste een internationaal onderzoek .

Conform de planning van het 'electorale proces' waren voor 10 december 2000 parlementsverkiezingen voorzien. De verkiezingscommissie had de kandidatuur van Ouattara voor deze verkiezingen goedgekeurd. De procedure voorzag echter in de mogelijkheid dat iedere Ivoriaanse kiezer binnen drie dagen na publicatie van de kandidatenlijst bezwaar kon aantekenen tegen de beslissingen van de verkiezingscommissie bij het Constitutioneel Gerechtshof. In het geval van Ouattara werd van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Op 30 november 2000 diskwalificeerde het Hooggerechtshof de RDR-lijsttrekker vervolgens als kandidaat voor de parlementsverkiezingen. Ouattara had volgens het hof niet kunnen aantonen dat hij de Ivoriaanse nationaliteit bezit. De partij besloot daarop op 1 december 2000 ook de parlementsverkiezingen te boycotten en haar kandidaten terug te trekken. De partij riep haar aanhangers in het gehele land op om op maandag 4 december 2000 massaal te komen demonstreren in Abidjan. De leiding van de RDR riep weliswaar op tot vreedzame betogingen, maar waarschuwde dat zij niet kon instaan voor de gevolgen indien de demonstranten geprovoceerd zouden worden. De Ivoriaanse autoriteiten verboden daarop de voorgenomen betoging, hoewel een bijeenkomst in het stadion van Abidjan werd toegestaan.

De Europese Commissie besloot begin december de EU-lange termijnwaarnemers terug te trekken gezien de veiligheidsontwikkelingen.

De betogers negeerden het demonstratieverbod en meer dan 20.000 aanhangers van Ouattara gingen maandag 4 december 2000 de straat op. President Gbagbo zag zich gedwongen tot het instellen van een avondklok en het uitroepen van de noodtoestand. Beide maatregelen golden voor het hele land en zouden van kracht blijven tot 12 december 2000, twee dagen na sluiting van de stembureau's. De overheid stelde de RDR verantwoordelijk voor de onlusten, doden, gewonden en vernielingen. De RDR-leiding wees elke verantwoordelijkheid van de hand en handhaafde haar standpunt dat Ouattara aan de verkiezingen moest kunnen deelnemen.

Op 4 en 5 december 2000 vonden gevechten plaats tussen aanhangers van Ouattara en regeringsgezinden. De strijd was vooral hevig in de wijken Abobo, Adjame, Koumassi, Treichville en Yopougon van Abidjan. Er zouden zeker twintig - volgens een woordvoerder van de RDR dertig - doden zijn gevallen. In het zaken- en diplomatieke district heerste echter kalmte.

In het islamitische noorden van het land heerste op genoemde data eveneens onrust, met name in de stad Kong (Ouattara's geboorteplaats), waar de sous-prefect door RDR-aanhangers werd verjaagd en waar bestuurders, politie en gendarmes van die aanhangers het consigne kregen te vertrekken. Ook werd een kerk in brand gestoken. De bevolking aldaar stelde dat als Ouattara geen Ivoriaan is, zij het dus ook niet is en dat het noordelijke gebied derhalve niet meer tot Ivoorkust behoort.

In een van de wijken van Bouake - na Abidjan de grootste stad in Ivoorkust - braken op 5 december 2000 ook ongeregeldheden uit. De balans was drie doden. De rust keerde er snel terug. Elders buiten Abidjan bleef het relatief rustig.

Na twee dagen van geweld trachtte de Ivoriaanse regering de rust te herstellen door middel van discrete pogingen de gesprekken met de tegenstanders te hervatten.

Met ingang van 6 december 2000 was de rust - deels afgedwongen door de aanwezigheid van een sterke politiemacht - in het grootste deel van Abidjan teruggekeerd. Ongeregeldheden gingen echter door in de volkswijken Abobo en Adjame. De gendarmerie en militante FPI-aanhangers ondernamen daar wraakacties tegen aanhangers van de RDR, c.q. noorderlingen, moslims of buitenlanders.

De parlementsverkiezingen op 10 december 2000 verliepen relatief rustig, behoudens in het noorden van het land (zie volgende alinea). De RDR-boycot van de verkiezingen bleef gehandhaafd. Er werden zeer veel militairen ingezet voor bewaking van de stembureaus, aangezien ongeregeldheden werden gevreesd.

In het zuiden en midden van het land bleven de verwachte ongeregeldheden uit. In het noorden konden vanwege boycotacties van de RDR slechts in drie van de 29 kiesdistricten stemmingen plaatsvinden. Uit verschillende noordelijke steden kwamen berichten dat RDR-aanhangers vernielingen hadden aangericht in stembureaus en ambtenaren hadden belaagd. Zo werd in Ferkessedougou het stemmen door RDR-militanten geheel onmogelijk gemaakt, in andere districten kwamen de kiezers niet opdagen. Besloten werd dat in kiesdistricten waar door ongeregeldheden en de boycot van de RDR geen verkiezingen konden plaatsvinden, deze op een later tijdstip zouden worden gehouden.

In Abidjan was de opkomst laag. Oorzaken waren de boycot van de RDR en angst voor ongeregeldheden. Medewerkers van de Nederlandse ambassade in Ivoorkust bezochten een vijftiental stembureaus in de wijken Cocody, Treichville en Abobo. In Cocody werden geen militairen in de stembureaus waargenomen, wel in stembureaus in respectievelijk Treichville en Abobo. Er was echter geen sprake van intimidatie, noch door de overheid noch van de kant van de RDR.

In de dagen na de verkiezingen werden honderden mensen, veelal moslims en buitenlanders, opgepakt door de politie en de veiligheidsdiensten en vastgehouden in paramilitaire kampen en politiekampen in Abidjan. Op 14 december 2000 maakt president Gbagbo bekend dat hij een onderzoek had gelast naar onrechtmatig optreden tegen de gedetineerden. Binnen tien dagen wilde hij een rapport ontvangen. Tot op heden is niets bekend geworden over de verschijning of inhoud van dit rapport.

De opkomst bij de verkiezingen was ongeveer gelijk aan die van de presidentsverkiezingen, officieel rond 37%, in de praktijk waarschijnlijk lager. Afgezien van enkele zetels voor RDR-'dissidenten' was het voorlopige resultaat van de verkiezingen dat het parlement werd samengesteld uit vertegenwoordigers van de PCDI-RDA en FPI, met nog een klein aantal zetels voor de kleinere partijen. Als gevolg hiervan vormde de vertegenwoordiging in het parlement geen correcte afspiegeling van de politieke verhoudingen in het land. Deze samenstelling van het parlement was voorlopig, daar in 26 noordelijke districten nog gestemd moest worden.

In Ivoorkust was inmiddels een grimmige situatie ontstaan. De Ivoriaanse autoriteiten leken voor de harde benadering te hebben gekozen. Zowel de autoriteiten als de RDR groeven zich in en een compromis leek moeilijk haalbaar. De machtsstrijd werd uitgevochten op straat, met eerste tekenen van etnische tegenstellingen die zouden kunnen escaleren en die de grote groep gematigde moslims (40% van de bevolking) in het land kon aanzetten zich te organiseren. Geluiden als afscheiding en burgeroorlog klonken reeds, tot dusver namen de moslimleiders echter een neutrale en pacificerende houding aan.

De RDR zei bereid te zijn een compromis te sluiten en stelde als voorwaarde dat heronderzoek plaatsvond naar de nationaliteit van Ouattara. De partij leek evenwel haar achterban niet meer goed onder controle te hebben. De achterban radicaliseerde en was gericht op vergelding voor alles wat door hen als onrecht werd beschouwd. De partijleiding werd steeds meer links ingehaald door een oncontroleerbare achterban.

In de nacht van 7 op 8 januari 2001 vond een poging tot staatsgreep plaats. Loyale regeringstroepen waren in staat de coupplegers snel op de vlucht te jagen en de regering had de situatie in de ochtend van 8 januari 2001 weer grotendeels onder controle. Voor de periode 9 tot en met 11 januari 2001 werd een avondklok ingesteld. Er waren doden te betreuren zowel bij de coupplegers als bij de regeringstroepen tijdens schotenwisselingen in de wijken Cocody en Plateau van Abidjan. Volgens de autoriteiten bestond de groep uit militairen in burger en enkele - Afrikaanse - buitenlanders. In de loop van 8 januari 2001 werd gemeld dat zij voornamelijk uit het noorden afkomstig zouden zijn. Onduidelijk bleef echter wie er werkelijk bij betrokken waren, hoeveel doden en gewonden er gevallen waren en wie de mogelijke instigator was.

Al snel waren er aanwijzingen dat president Gbagbo tevoren al op de hoogte was geweest van de couppoging. De president gedroeg zich uiterst kalm en de opstand werd zeer snel onderdrukt. Wellicht was de coup gepleegd door ontevreden militairen. Wegens al dan niet vermeende betrokkenheid van - Afrikaanse - buitenlanders ondernamen jongeren in de voorsteden van Abidjan gewelddadige acties tegenover buitenlanders.

Volgens de autoriteiten was er sprake van een coalitie tussen noorderlingen en ontevreden militairen uit Abidjan. De leider van de noorderlingen zou de ex-militair Ibrahim Coulibaly zijn, die ook bij de staatsgreep van 24 december 1999 een rol speelde. Ook ex-president Guéï zou aanvankelijk betrokken zijn geweest bij de voorbereidingen maar zich later hebben bedacht. Guéï zou mogelijk de informant van president Gbagbo zijn geweest. Duidelijk was dat het leger zich loyaal had betoond.

Het optreden van de jeugd tegen buitenlanders nam inmiddels zeer verontrustende vormen aan. In diverse wijken van Abidjan werden buitenlanders, met name Burkinabe, 'benaderd' met het dringende verzoek naar huis te vertrekken. Van velen van hen werden eigendommen vernield. In de wijken Cocody, Plateau, Treichville, Abobo en Adjame in Abidjan sloten veel winkeliers uit eigen beweging hun winkel .

Intermezzo: De reacties van de buurlanden op de gebeurtenissen in Ivoorkust tot en met januari 2001

Op 25 januari 2001 kwamen Ivoorkust, Burkina Faso, Mali, Benin, Niger en Togo te Yamoussoukro overeen maatregelen te treffen om te voorkomen dat hun land werd gebruikt ter destabilisering van andere landen in de West-Afrikaanse regio. Men kwam overeen de grenzen beter te beveiligen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden, illegale immigratie onder controle te houden, en voorlichting te geven aan de pers ten behoeve van de staatsveiligheid.

Ivoorkust weigerde expliciet te erkennen dat onderdanen van de overige landen in Ivoorkust werden lastig gevallen, vervolgd en beroofd. Wel moest Ivoorkust aanvaarden dat in het slotcommuniqué een passage werd opgenomen waarin werd gesteld dat aan deze praktijken een einde diende te komen.

Burkina Faso

De regering van Burkina Faso maakte zich sinds de verkiezing van Gbagbo in toenemende mate zorgen over de veiligheid van haar onderdanen in het buurland. De Burkinese president doorbrak het traditionele stilzwijgen over de ontwikkelingen in Ivoorkust en sprak op 9 januari 2001 in een tv-rede zijn treurnis uit over de toestand in het land.

Op 18 januari 2001 maakte de Burkinese ambassadeur in Abidjan melding van het feit dat zijn landgenoten maar ook immigranten uit andere buurlanden (Mali, Niger en Senegal) in Ivoorkust op instructie van de Ivoriaanse autoriteiten werden lastiggevallen en vervolgd door veiligheidstroepen. Politie en gendarmes hielden voortdurend Afrikaanse buitenlanders aan die werden vervoerd in taxi's en minibussen. Zij moesten uitstappen en hun papieren laten zien. Zij dienden een standaardboete te betalen - ook als alles in orde was - van 2.000 CFA-Francs . Waren er aanmerkingen, dan bedroeg de boete 5.000 CFA-Francs.

Mali

De Malinese autoriteiten betoonden grote terughoudendheid in hun reactie op de vreemdelingenhaat jegens hun onderdanen in Ivoorkust. Ook de uitlatingen van president Gbagbo over betrokkenheid van buurlanden bij de mislukte staatsgreep eerder in januari werden door de Malinese autoriteiten genegeerd. Wel verschenen in de lokale Malinese pers geregeld berichten over Malinezen die uit Ivoorkust waren teruggekeerd. Ook de moord op een Malinees gezin in Ivoorkust en de rellen rond de verkiezingen werden breed uitgemeten. Uit deze berichten klonk een algemene klacht door over de vernederende behandeling door de Ivoriaanse autoriteiten en over het gebrek aan steun van de Malinese overheid.

In ECOWAS-verband had Mali bij de staatsgreep van Guéï en na de presidentsverkiezingen een kritische houding aangenomen. In de bilaterale relatie echter, werd de voorkeur gegeven aan stille diplomatie. Er wonen ongeveer 175.000 Malinezen in Ivoorkust. Zestig procent van de Malinese import en export passeert de haven van Abidjan. Mali heeft er aldus belang bij de verhoudingen met Ivoorkust zo min mogelijk te belasten.

Ghana

De Ghanese autoriteiten reageerden niet op de ontwikkelingen in Ivoorkust. De berichtgeving in de media was beknopt, zakelijk en niet voorzien van commentaar. Er waren ook geen berichten dat Ghanezen in Ivoorkust waren lastiggevallen.

Senegal

De Senegalese president Wade merkte op 22 januari 2001 op ter gelegenheid van de opening te Dakar van een regionale conferentie tegen racisme dat Burkinabe thans in Ivoorkust vernederingen ondergingen, die geen enkele zwarte in Europa behoefde mee te maken.

Deze opmerking leidde in Ivoorkust tot een woedende reactie van de bevolking die ontaardde in agressie tegen Senegalese burgers. In algemene zin werd de Senegalese bevolking in Ivoorkust overigens niet geconfronteerd met vreemdelingenhaat.

De Ivoriaanse autoriteiten meldden bij monde van Sangare Abou Drahamane, minister van Staat van Buitenlandse Zaken, tijdens een EU-missiehoofdenlunch dat Ivorianen de buik vol hadden van vreemdelingen en dat er sprake was van een uitbarsting van langdurig ingehouden woede over het feit dat zij door vreemdelingen steeds meer uit hun posities werden gedrongen. De uiteenzetting kon worden geïnterpreteerd als een morele ondersteuning door de Ivoriaanse regering van acties die van de kant van politie en gendarmerie en individuele burgers tegen - Afrikaanse - buitenlanders werden ondernomen.

Begin van normalisatie

Op 14 januari 2001 vonden in 25 noordelijke kiesdistricten, waar op 10 december 2000 geen parlementsverkiezingen hadden kunnen plaatsvinden, alsnog verkiezingen plaats. Het opkomstpercentage (13,27%) was (vooral vanwege de RDR-boycot) uitzonderlijk laag. In het kiesdistrict Kong (de geboorteplaats van Ouattara) kon wegens verzet van de lokale bevolking weer niet worden gestemd. Na deze aanvullende parlementsverkiezingen was de PCDI-RDA in het parlement bijna even sterk geworden als de regeringspartij FPI, die geen zetel bij deze aanvullende verkiezingen verwierf.

Van de 22 onafhankelijke afgevaardigden - veelal ex-PCDI-RDA en Guéï-aanhanger - sloten veertien een coalitie-akkoord met de FPI. Over twee zetels moest nog worden gestemd. De zetelverdeling luidde nu als volgt: FPI 96; PDCI-RDA 94; Onafhankelijken 22; RDR vijf; PIT vier; Union des Democrates de Côte d'Ivoire (UDCI) één, en Mouvement des Forces d'Avenir (MFA) één.

De PDCI-RDA besloot tot een constructieve opstelling in het parlement. De FPI-kandidaten voor het voorzitterschap en het vice-voorzitterschap werden op 22 januari 2001 met grote meerderheid gekozen. De demissionaire FPI-minister van economie en financiën, Mamadou Koulibaly, werd verkozen tot parlementsvoorzitter en is moslim en noorderling. Mevrouw Ango Marthe Amon werd gekozen tot vice-voorzitter. Alleen de vijf RDR-afgevaardigden waren afwezig en hadden al eerder verklaard dat zij 'bij vergissing' zijn gekozen en dat zij zich houden aan het boycot-consigne van de partij.

President Gbagbo benoemde op 24 januari 2001 een nieuw kabinet van nationale eenheid, wederom onder aanvoering van premier N'Guessan Affi. De samenstelling van het kabinet luidde: FPI negentien ministers; PDCI-RDA vijf ministers, Onafhankelijken (ex-PDCI-RDA, pro-Guéï) twee ministers, en de PIT eveneens twee ministers. De PDCI-RDA was teleurgesteld omdat met haar positie in het parlement te weinig rekening gehouden werd.

Volgens de verkiezingskalender stonden na de parlementsverkiezingen nog gemeenteraadsverkiezingen op het programma. Deze vonden plaats op 25 maart 2001. Zij waren van bijzonder politiek belang, omdat de oppositionele RDR landelijk deelnam. De verkiezingen leverden een aanzienlijke winst op voor de RDR. De opkomst was behoorlijk, ruim 40%, de verkiezingen verliepen rustig en er waren weinig incidenten. Een waarnemingsmissie in groter Abidjan en Grand-Bassam bestaande uit leden van de Parliamentarians for Global Action (PGA) en medewerkers van de Amerikaanse en Nederlandse ambassades in Abidjan stelden vast dat de verkiezingen aldaar op democratische en transparante wijze plaatsvonden. In het westen bij de Liberiaanse grens zouden mogelijk twee doden zijn gevallen. Voorzover er sprake was van onregelmatigheden leken deze overwegend onbedoeld te zijn geweest.

Op basis van de voorlopige uitslag kon reeds worden gesteld dat het bewijs geleverd was dat de RDR een overal in het land verankerde nationale partij is, die met recht kon claimen ten minste 30% van de Ivoriaanse kiezers te vertegenwoordigen. De uitslag liet tevens duidelijk zien dat de FPI, die de presidentiële en parlementsverkiezingen had gewonnen op basis van 20% van de stemgerechtigde kiezers, opnieuw slechts 17-20% van de stemmen verwierf bij de gemeenteverkiezingen. De totale landelijke aanhang van de FPI overtreft derhalve nauwelijks de 20%. Nog meer dan tevoren worden Gbagbo en zijn partij met de legitimiteitsvraag geconfronteerd. De PDCI-RDA scoorde naar omstandigheden redelijk goed en was qua uitslag de tweede partij.

De massale kiezerssteun voor de RDR gaf aan dat de partij sterk profiteerde van het ongenoegen dat leefde bij kiezers die in de afgelopen periode vanwege hun etnische afkomst of religieuze overtuiging (noorderlingen/moslims) door de autoriteiten/ordetroepen waren lastiggevallen en/of in een identiteitscrisis waren geraakt, omdat hun Ivoriaanse nationaliteit werd betwist. Zij kozen waarschijnlijk massaal voor de RDR, omdat leider Ouattara het symbool was geworden van verzet tegen intimidatie en ultra-nationalisme.

Het verloop van de gemeenteraadsverkiezingen (opkomst, rust, acceptatie van de RDR-overwinning) lijkt te duiden op een begin van normalisatie in Ivoorkust. De spanningen zijn echter nog niet uit de lucht, en de RDR voelt zich nog geen recht gedaan. Op basis van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen stelde de RDR de volgende eisen: vrijlating van alle nog gevangen zittende RDR-sympathisanten en herstel van Ouattara in zijn burger- en politieke rechten. Vooralsnog heeft de regering-Gbagbo niet op deze eisen gereageerd.

In de tweede helft van april 2001 voerde de regering besprekingen met politieke en maatschappelijke organisaties. Het door de regering ingestelde Comité de Médiation pour la Réconciliation Nationale (CMRN) organiseerde daarnaast van 17 tot en met 19 april 2001 een bijeenkomst over de 'problematiek van de nationale verzoening'. Onder de deelnemers waren vijf ministeries, vertegenwoordigers van de belangrijkste politieke partijen en vertegenwoordigers van NGO's. Voorts trokken regeringsdelegaties het land in om met de bevolking te spreken over nationale verzoening. Al deze acties worden beschouwd als ondersteuning van de discussie die moet leiden tot een Forum de la Nation, waarvoor overigens concept, data, plaats en deelnemers nog nader moeten worden vastgesteld.

2.3 Veiligheidssituatie

---
De veiligheidssituatie in Ivoorkust werd gedurende de verslagperiode - december 1999 tot en met mei 2001 - in negatieve zin beïnvloed door het optreden van politie, veiligheidstroepen en bevolking tegen aanhangers van de RDR, dan wel noorderlingen/islamieten/(Afrikaanse) buitenlanders in het algemeen.

Etnisch-religieuze spanningen laaiden op voornamelijk als gevolg van de 'ivoirité-ideologie'.

In deze paragraaf zullen de veiligheidsaspecten van de in paragraaf 2.2. beschreven ontwikkelingen in chronologische volgorde nader worden uitgewerkt.

Tijdens de machtsovername door Robert Guéï in december 1999 waren er geen ernstige ongeregeldheden. Wel plunderden militairen en burgers winkels en bij de bevrijding van de RDR-gevangenen uit de gevangenis ontsnapten vele misdadigers waarbij enkele doden vielen. Ook vorderden militairen particuliere auto's, die overigens vanaf 26 december 1999 weer werden teruggeven aan de rechtmatige eigenaren. Een week na het begin van de machtsovername was de rust in het land volledig weergekeerd en ging het dagelijks leven zijn normale gang.

De staatsgreep verliep zonder gewapende strijd en het gedrag van de militairen tegenover de burgers van Ivoorkust was - afgezien van enkele incidenten - over het algemeen gedisciplineerd. Orde en rust werden snel hersteld.

In de eerste week van januari 2000 was het enige tijd onrustig in Abidjan in verband met problemen rond het uitbetalen van salarissen en soldij, maar Guéï kon de rust snel herstellen.

Op 4 juli 2000 vond echter opnieuw een muiterij van soldaten plaats wegens niet gehonoreerde salariseisen. De muiterij werd de kop ingedrukt en op 6 juli 2000 was de situatie weer grotendeels geneutraliseerd. Er waren rond de vijf doden en ten minste acht gewonden gevallen.

In de ochtend van 18 september 2000 voerden militairen een mislukte aanval uit op het huis van Guéï. Guéï suggereerde daarop dat elementen uit de RDR en de noordelijke moslimgemeenschap achter de aanval zaten. Zeker was wel dat de soldaten uit het islamitische noorden zich tegen Guéï keerden. De junta besloot razzia's te houden naar aanleiding van de aanslag. Het merendeel van de circa vijftien gearresteerde militairen zou zijn gedood. Guéï verloor steeds meer van zijn geloofwaardigheid en steun. Zijn positie werd wankel, de situatie precair.

Na ruim tien maanden van relatieve rust explodeerde de situatie in het land direct na de presidentsverkiezingen van 22 oktober 2000. Nog tijdens het tellen van de stemmen, toen duidelijk werd dat Laurent Gbagbo van de FPI de verkiezingen gewonnen had, liet Guéï het tellen stoppen en eiste de overwinning op. Dit leidde tot een oproer. Gbagbo mobiliseerde het volk dat op 25 oktober 2000 in vreedzaam protest massaal de straat opging. De gendarmerie en het leger lieten Guéï vallen. Gbagbo werd uitgeroepen tot president en riep op tot nationale verzoening. De leider van de RDR, Ouattara, riep Gbagbo op deze verkiezingen ongeldig te verklaren en nieuwe presidentsverkiezingen uit te schrijven.

Ten gevolge van de oproep van Ouattara gingen op 26 oktober 2000 zijn militante aanhangers de straat op om aldus nieuwe presidentsverkiezingen af te dwingen. Deze demonstratie leidde tot onlusten, waarbij verscheidene dodelijke slachtoffers zijn gevallen, tweehonderd gewonden in ziekenhuizen zijn opgenomen, ten minste twee moskeeën en een kerk in brand zijn gestoken, en enorme vernielingen zijn aangericht. Hier was voor het eerst concreet sprake van etnisch geïnspireerd - deels ongericht - geweld gericht tegen moslims, noorderlingen en (Afrikaanse) buitenlanders. De PCDI-RDA overigens had zijn 'militanten' opgeroepen niet deel te nemen aan de demonstraties.

Tot dusverre was sinds de machtsovername van Guéï geweld in Ivoorkust kleinschalig en politiek geïnspireerd geweest. Mede echter als gevolg van de voortdurende nadruk van de zijde van de overheid op de ivoirité-ideologie - waarbij etnische factoren werden gebruikt ten bate van politiek voordeel - was er nu voor het eerst niet langer sprake van min of meer eenduidig geweld tegen politieke tegenstanders (de RDR), maar gingen gendarmerie, veiligheidsdiensten en delen van de bevolking over tot het uitoefenen van - deels ongericht en willekeurig - geweld tegen personen van wie men aanleiding had te veronderstellen dat zij moslim, noorderling dan wel (Afrikaans) buitenlander waren. Het geweld was grootschalig en nam verschillende vormen aan. Huizen werden bestormd en geplunderd, vrouwen werden seksueel misbruikt, mannen werden zonder enige aanleiding op straat in elkaar geslagen en opgepakt. Het geweld richtte zich zoals gezegd aanvankelijk op moslims, noorderlingen en buitenlanders. Deze lieten zich evenwel al snel niet onbetuigd tijdens de gewelddadigheden waardoor al spoedig sprake was van geweld en terreur over en weer.

Conform de planning van het 'electorale proces' waren voor 10 december 2000 parlementsverkiezingen voorzien. Op 30 november 2000 diskwalificeerde het Hooggerechtshof RDR-lijsttrekker Ouattara als kandidaat voor deze verkiezingen. De partij besloot daarop op 1 december 2000 ook de parlementsverkiezingen te boycotten en haar kandidaten terug te trekken. De partij riep haar aanhangers in het gehele land op om op maandag 4 december 2000 massaal te komen demonstreren in Abidjan. De leiding van de RDR riep weliswaar op tot vreedzame betogingen, maar waarschuwde dat zij niet kon instaan voor de gevolgen indien de demonstranten geprovoceerd zouden worden. De Ivoriaanse autoriteiten verboden daarop de voorgenomen betoging, hoewel een bijeenkomst in het stadion van Abidjan werd toegestaan. Op 4 en 5 december 2000 vonden vervolgens gevechten plaats tussen aanhangers van Ouattara en regeringsgezinden. De strijd was vooral hevig in de wijken Abobo, Adjame, Koumassi, Treichville en Yopougon van Abidjan. Er zouden zeker twintig - volgens een woordvoerder van de RDR dertig - doden zijn gevallen.

In het islamitische noorden van het land heerste op genoemde data eveneens onrust. In een van de wijken van het centraal gelegen Bouake - na Abidjan de grootste stad in Ivoorkust - braken op 5 december 2000 ook ongeregeldheden uit. De balans was drie doden.

In de nacht van 7 op 8 januari 2001 vond een poging tot een staatsgreep plaats. Tijdens schotenwisselingen in de wijken Cocody en Plateau van Abidjan waren doden te betreuren bij zowel de coupplegers als bij de regeringstroepen.

In dezelfde maand was de veiligheidssituatie in het noorden van het land gespannen in verband met de aanvullende verkiezingen voor het parlement.

Met de gemeenteraadsverkiezingen van 25 maart 2001 leek echter een begin van normalisatie in te zetten. De verkiezingen verliepen rustig. De uitslag toonde aan dat de RDR een overal in het land verankerde nationale partij is. Het verloop van de verkiezingen (rust, opkomst, acceptatie van uitslag) had een gunstige uitwerking op de veiligheidssituatie en op de onderlinge verhouding van de verschillende etnisch-religieuze groepen.

In april 2001 concludeerde de EU dat onwettelijke acties van veiligheidstroepen tegen burgers zichtbaar waren afgenomen.

Incidenten bleven echter voorkomen. Zo maakte in mei 2001 een medewerker van het Rode Kruis melding van een incident tussen Ivorianen en Burkinabe in het dorp Goya, ongeveer 450 kilometer ten westen van Abidjan. Het geschil over land resulteerde uiteindelijk in zes doden en ongeveer duizend ontheemden .

Concluderend kan gesteld worden vanaf eind oktober 2000 tot ongeveer februari 2001, bij verscheidene gelegenheden sprake is geweest van grootschalig etnisch geweld tussen enerzijds islamieten / noorderlingen / Afrikaanse buitenlanders, en anderzijds veiligheidsdiensten, gendarmerie en delen van de bevolking . Dit geweld vond met name plaats in Abidjan en, in mindere mate, in het noorden. Vanaf maart 2001 is een omslag te constateren, en hebben zich geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan. Afgewacht moet worden of deze verbetering in de veiligheidssituatie zich zal bestendigen.

In Ivoorkust zijn geen relatief veilige en relatief onveilige of onrustige gebieden te onderscheiden. Anders dan in andere landen in de regio, is er in Ivoorkust geen sprake van dat delen van het land in handen zijn van, of deels worden beheerst door, rebellengroepen. Er is evenmin sprake van een burgeroorlog. Afgezien van de hierboven opgesomde incidenten is de situatie in het gehele land relatief veilig.

2.4 Staatsinrichting

---
Inleiding

Ivoorkust is een constitutionele republiek met een uit één kamer bestaand parlement, de Assemblée Nationale (175 leden). De oorspronkelijke grondwet dateert van 3 november 1960 en werd vaak geamendeerd met name op essentiële punten in 1995 en in 1998 .

Op 24 december 1999 werd de grondwet als gevolg van de militaire coup opgeschort. Op 27 december 1999 publiceerde Guéï een voorlopige grondwet en op 23 en 24 juli 2000 werd door middel van een referendum een nieuwe grondwet aangenomen. Deze nieuwe grondwet werd op 3 augustus 2000 gepubliceerd in het Journal officiel de la République de Côte d'Ivoire.

Het juridische systeem is gebaseerd op het Franse burgerlijk recht en op gewoonterecht. Er is universeel stemrecht voor personen van 21 jaar en ouder .

De grondwetswijzigingen in 1995

In 1995 werd de grondwet in die zin gewijzigd dat presidentskandidaten twee Ivoriaanse ouders moesten hebben, of minimaal vijf jaar aaneengesloten in Ivoorkust dienden te hebben gewoond .

De grondwetswijzigingen in juni 1998

In 1998 werd de grondwet in die zin gewijzigd dat presidentskandidaten in ieder geval een Ivoriaanse vader moesten hebben, of minimaal tien jaar aaneengesloten in Ivoorkust dienden te hebben gewoond.

De president verkreeg de bevoegdheid verkiezingen uit te stellen of ze geheel af te gelasten als serieuze omstandigheden daartoe noodzaakten.

De termijn van het presidentschap werd verlengd van vijf naar zeven jaar met ingang van het jaar 2000. Een president mocht een maximum leeftijd van 75 jaar hebben.

De bevoegdheden van het parlement werden verder uitgehold, doordat met ingang van het jaar 2000 een Senaat gecreëerd zou worden (hetgeen overigens niet gebeurd is), waarvan eenderde van de leden rechtstreeks aangewezen zou worden door de president. De overige leden zouden worden aangewezen op grond van indirecte algemene verkiezingen.

In geval van overlijden of ongeschiktheid van de president zou niet langer de voorzitter van het parlement de president vervangen, maar de voorzitter van de Senaat. Deze moest in dat geval binnen zes maanden verkiezingen organiseren, waaraan hijzelf niet mocht meedoen.

De grondwet van 2000

Uitvoerende macht

De president wordt gekozen voor een termijn van vijf jaar en is staatshoofd. Hij wordt rechtstreeks door de bevolking gekozen en is eenmaal herkiesbaar voor een nieuwe ambtstermijn. Hij benoemt de premier c.q. eerste minister - het hoofd van de regering - alsmede - op voordracht van de premier - de leden van de ministerraad c.q. het kabinet. De grondwet schrijft bovendien voor dat de leeftijd van een presidentskandidaat tussen de 40 en 75 jaar dient te liggen. De kandidaat dient Ivoriaan te zijn en twee Ivoriaanse ouders te hebben. De kandidaat mag nimmer afstand hebben gedaan van de Ivoriaanse nationaliteit of de voorkeur hebben gegeven aan een andere nationaliteit. De kandidaat dient minimaal vijf jaar aaneen voor de datum van de verkiezingen in Ivoorkust te hebben gewoond. Dit geldt niet voor diplomaten c.q. consulaire ambtenaren, voor hen die door de staat worden uitgezonden voor een missie in het buitenland, voor internationale functionarissen en voor politieke ballingen. Ten slotte dient een kandidaat in totaal tien jaar daadwerkelijk in Ivoorkust gewoond te hebben .

Wetgevende macht

De wetgevende macht is in handen van één kamer, het parlement, bestaande uit 175 zetels, voor vijf jaar direct gekozen door de bevolking .

Rechterlijke macht

De grondwet voorziet in een onafhankelijke door de president bewaakte rechterlijke macht. Het Constitutioneel Gerechtshof is de hoogste rechterlijke macht .

Buiten de formele structuren wordt er op lokaal niveau in civiele zaken door leiders recht gesproken op basis van ongeschreven oude wetten.

2.5 Economische situatie

---
De economie van Ivoorkust is grotendeels gebaseerd op de marktsector en is in zeer sterke mate afhankelijk van de commerciële agrarische sector en de internationale marktprijzen voor cacao en koffie. Ivoorkust is van oudsher de economische motor van West-Afrika en de situatie in het land is derhalve van regionaal belang. Ivoorkust oefent - eveneens van oudsher - een grote aantrekkingskracht uit op regionale migranten als gevolg van het economisch potentieel en het (in het verleden) goede economische beleid. De economische neergang sinds de jaren negentig is mede-oorzaak van sociale en politieke polarisatie. Dit leidt tot instabiliteit hetgeen grote - niet alleen economische - gevolgen heeft voor de gehele regio.

Het land neemt op de Human Development Index thans plaats 154 in .

Gedurende de verslagperiode was er maar weinig internationale hulp als gevolg van de coup van Guéï, de corruptie binnen de overheid, slecht bestuur en politieke onrust .

Het bepalen van een economisch beleid heeft gedurende de regeringsperiode van Gbagbo tot dusverre op een laag pitje gestaan. Politiek overleven was het eerste doel, het voldoen aan de voorwaarden van Internationaal Monetair Fonds, Wereldbank en de EU staat vooralsnog op het tweede plan. De Wereldbank heeft zijn programma's opgeschort en de EU is consultaties begonnen om het samenwerkingsverband met Ivoorkust opnieuw te beoordelen .

Gbagbo echter is nog steeds gecommitteerd aan vitale hervormingen in de uiterst belangrijke cacao- en koffiesector, en hij lijkt de onvermijdelijkheid van een nieuwe overeenstemming met het Internationaal Monetair Fonds te hebben geaccepteerd. Er is enige voorzichtige vooruitgang merkbaar op het gebied van privatisering .

Op 28 mei 2001 formuleerde de Europese Commissie een voorstel aan de regeringen van de lidstaten om te komen tot hervatting van hulpbetalingen nu er sprake was van democratische vooruitgang en er inmiddels vrije open verkiezingen waren gehouden .

2.6 Samenvatting

---
Na jarenlange - soms relatieve - stabiliteit werd Ivoorkust in december 1999 voor het eerst in haar geschiedenis geconfronteerd met een militaire coup. De aanleiding werd gevormd door het protest van een groep ontevreden militairen, waarop door president Bédié arrogant-afwijzend werd gereageerd. Het protest ontaardde in een coup waarna een militair-civiele overgangsregering werd gevormd.

De achterliggende oorzaken van de coup zijn een toenemend blijk van bestuurlijke incompetentie van president Bédié, een politieke polarisatie als gevolg van de pogingen van de president om zijn rivaal van de RDR, Ouattara, langs juridische weg te beletten zich kandidaat te stellen voor de presidentsverkiezingen van 2000, sociale polarisatie door de introductie door Bédié van de 'ivoirité-ideologie', primair bedoeld om Ouattara de weg te versperren, maar met als neveneffect toenemende etnisch-religieuze tegenstellingen, en ten slotte toenemende financieel-economische problemen vanwege dalende wereldmarktprijzen van cacao en koffie en opschorting van EU-bijstand.

Guéï werd aanvankelijk door de bevolking gesteund, maar hij verspeelde zijn krediet door terug te komen op zijn belofte zich niet kandidaat te stellen voor de presidentsverkiezingen van 2000, zich geleidelijk steeds meer af te zetten tegen de oppositionele RDR en door blijk te geven van verkeerde politieke inschattingen, bestuurlijke incompetentie en onvermogen de militarie discipline te bewaren.

Guéï werd in oktober 2000 door een volksbeweging met aanhangers van de FPI in de voorhoede gedwongen het veld te ruimen.

De onder de nieuwe president Gbagbo georganiseerde parlementsverkiezingen in december 2000 en januari 2001 werden voorafgegaan door een diskwalificatie door het Hooggerechtshof van Ouatarra. De RDR speelde aldus een rol van gering belang. Pas bij de gemeenteverkiezingen van 25 maart 2001 speelde de RDR de rol die haar qua aanhang onder de Ivoriaanse bevolking toekomt. Politiek gezien zijn er voorzichtige aanwijzingen dat de situatie in Ivoorkust zich gunstig ontwikkelt. De voornaamste politieke leiders praten thans met elkaar in een poging een oplossing te vinden voor de politieke en economische crisis. Het concept van de ivoirité en de uitsluiting van Ouattara blijven evenwel hete hangijzers.

De veiligheidssituatie werd in de periode december 1999 tot oktober 2000 gekenmerkt door een aantal incidenten van beperkte omvang (rond de staatsgreep van Guéï; enkele acties van militairen). Vanaf eind oktober 2000 tot ongeveer februari 2001 is bij verscheidene gelegenheden sprake geweest van grootschalig etnisch geweld tussen enerzijds islamieten / noorderlingen / Afrikaanse buitenlanders, en anderzijds veiligheidsdiensten, gendarmerie en delen van de bevolking. Dit geweld vond met name plaats in Abidjan en, in mindere mate, in het noorden. Vanaf maart 2001 is een omslag te constateren, en hebben zich geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan. Afgewacht moet worden of deze verbetering in de veiligheidssituatie zich zal bestendigen.

De economie van Ivoorkust is grotendeels gebaseerd op de marktsector en is in zeer sterke mate afhankelijk van de commerciële agrarische sector en de internationale marktprijzen. In de verslagperiode leed de economie onder de instabiliteit op politiek en veiligheidsgebied. De huidige Ivoriaanse regering is gecommitteerd aan vitale hervormingen in de uiterst belangrijke cacao- en koffiesector, en lijkt de onvermijdelijkheid van een nieuwe overeenstemming met het Internationaal Monetair Fonds te hebben geaccepteerd. Er is enige voorzichtige vooruitgang merkbaar op het gebied van privatisering .

De sociaal-economische situatie van de bevolking blijkt uit plaats 154 op de Human Development Index.


3 Mensenrechten

---

3.1 Waarborgen

---
Grondwet

Zowel de 'oude', van 3 november 1960 daterende, grondwet als de 'nieuwe' grondwet van augustus 2000 is gebaseerd op de algemene principes van de rechtsstaat en bevat waarborgen tegen schending van de burgerlijke en politieke mensenrechten.

Gezien het grote aantal immigranten in Ivoorkust zijn de bepalingen in de grondwet (en lagere wetgeving) ten aanzien van immigranten van belang, zoals het stemrecht en het recht de Ivoriaanse nationaliteit te verkrijgen.

In december 1994 werd door het parlement een wet aangenomen waarin niet-Ivorianen werden uitgesloten van stemrecht. Deze uitsluiting is, ook na het aannemen van de nieuwe grondwet in augustus 2000, nog steeds van kracht .

Voor het verkrijgen van de Ivoriaanse nationaliteit moet de betrokkene, krachtens de Code de la Nationalité van 1982 (artikelen 25 en 26) voldoen aan voorwaarden op het gebied van leeftijd (minimaal 18 jaar), domicilie (op het moment van naturalisatie-toekenning in Ivoorkust woonachtig zijn), verblijfsduur (gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de naturalisatie in Ivoorkust gewoond hebben (residence habituelle), en van goed gedrag en goede gezondheid zijn.

Uitzonderingen worden gemaakt voor buitenlanders die zich voor Ivoorkust zeer verdienstelijk hebben gemaakt. De eis van vijf jaar domicilie kan dan tot twee jaar worden gereduceerd. Verder zijn er speciale bepalingen voor buitenlanders die in Ivoorkust zijn geboren (twee jaar domicilie vereist) of die met een Ivoriaan / Ivoriaanse zijn gehuwd (eveneens twee jaar domicilie vereist). Geadopteerde buitenlandse kinderen en minderjarige kinderen onder de hoede van Ivoriaanse of gemengd Ivoriaanse en buitenlandse ouders kunnen zonder voorwaarden worden genaturaliseerd.

Verdragen

Ivoorkust heeft op 8 december 1961 het Vluchtelingenverdrag van Genève geratificeerd. Daarnaast is Ivoorkust partij bij de belangrijkste mensenrechtenverdragen, inclusief de Conventie voor de Eliminatie van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen, de Conventie voor de Rechten van het Kind, de Internationale Conventie voor de Eliminatie van Alle Vormen van Rassendiscriminatie, het Internationaal Convenant voor Burger- en Politieke Rechten en het Internationaal Convenant voor Economische, Sociale and Culturele Rechten.

De Ivoriaanse autoriteiten hebben bij het merendeel van de verdragen al geruime tijd niet voldaan aan hun verplichtingen te rapporteren aan organen van toezicht .

3.2 Toezicht

---
Onder meer de volgende mensenrechtenorganisaties zijn in Ivoorkust werkzaam: het Internationale Rode Kruis en Amnesty International. Lokale NGO's op het terrein van de mensenrechten zijn: LIDHO (Ligue Ivoirien des Droits de l'Homme), MIDH (Mouvement Ivoirien des Droits Humains), AIDF (Association Ivoirienne pour la Défense des Droits de la Femme, komt op voor vrouwenrechten), MIFED-CI (Mouvement International des Femmes Démocrates - Côte d'Ivoire, komt op voor belangen en rechten van vrouwen en is pro-FPI/PDCI-RDA), Les Soeurs Républicaines (vrouwen- en kinderbelangen, pro-RDR), GERDDS-CI (mensenrechtenonderzoek, pro FPI/PDCI-RDA).

In het algemeen worden deze organisaties niet belemmerd in hun werk en staan zij niet bloot aan vervolging door de overheid.

3.3 Naleving en schendingen

---
Tal van mensenrechtenschendingen, waaronder ernstige, komen de laatste anderhalf jaar, doch sinds begin 2001 in afnemende mate voor. Het betreft verdwijningen, buitengerechtelijke executies, onwettige arrestaties en detenties, intimidatie en arrestatie van journalisten, martelingen, verkrachtingen, mensonterende behandeling, het verhinderen van eerlijke berechting, het niet eerbiedigen van het recht op vrijheid van vergadering, het niet naleven van het recht een rechter te wraken , ontbreken van onafhankelijke rechtspraak, pesterij, intimidatie en beroving van immigranten en Afrikaanse buitenlanders, erbarmelijke gevangenisomstandigheden, repressie en intimidatie van de RDR en geestverwante politieke partijen.

Ernstige mensenrechtenschendingen vonden plaats ten tijde van de militaire junta, met name in de periode juni tot oktober 2000; tijdens de onlusten onder de regering Gbagbo kort na diens aantreden in oktober 2000; en naar aanleiding van de onlusten op 4 en 5 december 2000. Bij deze laatste onlusten gevangen genomen vrouwen zouden systematisch verkracht zijn door leden van de veiligheidsdiensten .

Persvrijheid

De Ivoriaanse pers kan redelijk vrij opereren. De met de RDR sympathiserende pers en radio worden wel herhaaldelijk door de autoriteiten lastiggevallen. Er waren invallen bij de RDR-krant Le Patriote, de krant Le Libéral kreeg een tijdelijk verschijningsverbod, en in juli 2000 werd het radiostation Radio Nostalgie uit de lucht gehaald. Een internationale persvertegenwoordiger (van het AFP) werd in januari 2001 gearresteerd en korte tijd vastgehouden. De nationale radio en televisie staan onder controle van de staat en zijn niet onafhankelijk.

Academische vrijheid

In de praktijk wordt academische vrijheid gerespecteerd. Wel is er angst bij sommige wetenschappers om in verband met hun politieke activiteiten te worden overgeplaatst naar minder aanlokkelijke plekken. Volgens de studentenbeweging gebruikt de regering studenten als informanten om politieke activiteiten op de universiteit van Abidjan in de gaten te houden .

Vrijheid van vereniging en vergadering wordt door de grondwet voorzien, maar de regering Guéï beperkte deze vrijheid in de praktijk met name om ongewenste demonstraties en betogingen te voorkomen. Ook onder de regering Gbagbo moet nog steeds drie dagen tevoren schriftelijk toestemming worden gevraagd voor het houden van openbare demonstraties .

Voor de beperkingen die in de verslagperiode werden opgelegd aan het functioneren van de politieke partijen, met name de RDR en in mindere mate de PDCI-RDA, wordt verwezen naar paragraaf 2.2.

Politieke partijen

De volgende politieke partijen zijn vertegenwoordigd in het parlement:

Front Populaire Ivoirien (FPI)

Het Front Populaire Ivoirien is een sociaal-democratische, traditioneel-Afrikaanse, in toenemende mate ultra-nationalistisch getinte partij die in redelijke mate westers georganiseerd is. Partijleider is Laurent Gbagbo. De partij heeft een vrij stabiele vaste aanhang van circa 20% van het electoraat en heeft als basis de etnische groep Bété in het midden-westen.

Parti Démocratique de Côte d'Ivoire - Rassemblement Démocratique Africain (PDCI-RDA)

Deze eveneens traditioneel-Afrikaanse partij is veertig jaar regeringspartij geweest. Leiders waren achtereenvolgens Felix Houphouët-Boigny en Henri Konan Bédié. De basis ligt in het centrum en het zuiden van het land en concentreert zich rond de etnische groep Baoulé. De partij kan worden gekenschetst als liberaal-conservatief en is na de coup van 1999 verdeeld en enigszins in verval geraakt.

Rassemblement des Républicains (RDR)

Een traditioneel-Afrikaanse oppositiepartij geleid door Alassane Dramane Ouattara. De partij kan worden beschouwd als liberaal-modernistisch en heeft haar aanhang onder de noordelijke etnische groep Dioula, maar wordt ook gesteund door moslims en - veelal langdurig - in Ivoorkust verblijvende Afrikaanse immigranten.

Onafhankelijken / Union pour la Démocratie et la Paix (UDP)

Het betreft hier een groep van veertien PCDI-RDA dissidenten die zich eerder achter generaal Guéï hebben geschaard. Dit deel heeft zich inmiddels georganiseerd als nieuwe traditioneel-Afrikaanse Partij in de UDP, achter een nieuwe leider, Akoto Yao (oud-minister van communicatie). Vier onafhankelijken zijn inmiddels in de praktijk naar de PCDI-RDA teruggekeerd.

Parti Ivoirien des Travailleurs (PIT)

Een traditioneel-Afrikaanse splinterpartij geleid door Francis Wodié, een vakbondsman.

Union des Démocrats de Côte d'Ivoire (UDCI)

Een traditioneel-Afrikaanse splinterpartij geleid door Mel Théodore, een PDCI-RDA dissident.

Mouvement des Forces d'Avenir (MFA)

Een traditioneel-Afrikaanse splinterpartij geleid door Anaki Kobena.

Er is sprake van vrijheid van godsdienst. Alle godsdiensten (islam, christendom en animisme) zijn redelijk evenwichtig verspreid over Ivoorkust met dien verstande dat christenen vooral voorkomen in het midden en zuiden, terwijl moslims vooral in het noorden present zijn. Animisten komen in alle regio's voor. Moslims en christenen in Ivoorkust blijven onder de oppervlakte in hoge mate animistische trekken vertonen.

Abidjan herbergt als smeltkroes en als concentratiepunt van immigranten en buitenlanders alle godsdiensten, voorzover bekend getalsmatig in redelijk evenwicht.

Moslims zijn in de verslagperiode lastiggevallen, zowel door veiligheidsdiensten als door de bevolking . De achtergronden van deze problemen zijn niet zozeer terug te voeren op de godsdienst van de moslims, alswel op een complex van politieke en economische factoren . Op het dieptepunt van de sociale onrust, maakten bevolking en veiligheidsdiensten geen onderscheid meer tussen moslims, noorderlingen, aanhangers van de RDR en Afrikaanse immigranten.

Nationaal

In principe wordt de bewegingsvrijheid van de Ivoriaan in eigen land niet beperkt. Wel komen wegversperringen voor waar burgers kleine bedragen afhandig worden gemaakt .

Internationaal

Ivorianen kunnen zonder restricties naar het buitenland reizen. Daarnaast hebben zij het recht vrijwillig terug te keren. De regering van Guéï paste evenwel restricties op buitenlandse reizen toe voor leiders van politieke partijen. Onder president Gbagbo is hierin verbetering gekomen en zijn er geen restricties meer .

Identificatieplicht

Ivoorkust kent een identificatieplicht vanaf de leeftijd van zestien jaar. De aanvraag voor de identiteitskaart wordt ingediend bij de commissaris van politie of bij de préfecture en geschiedt onder overlegging van een geboorteakte en een identiteitskaart van één van de ouders.

De mogelijkheid bestaat om zonder de Ivoriaanse nationaliteit te bezitten in Ivoorkust verblijf te houden. Iedere buitenlander die voornemens is om zijn hoofdverblijf in Ivoorkust te hebben of die langer dan drie maanden verblijf houdt in Ivoorkust dient in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning (carte de séjour of carte de réfugié) .

Geregistreerde Liberiaanse vluchtelingen verblijvend in de zone d'accueil in de grensgebieden bezitten een identiteitskaart (met foto) afgegeven door de lokale autoriteiten. Het is vluchtelingen uit deze categorie niet toegestaan zich vrij te vestigen buiten die centra. Geregistreerde stedelijke vluchtelingen (urban refugees) zijn veelal in het bezit van een verblijfsvergunning genaamd carte de réfugié of een carte de séjour. De vluchteling die houder is van een carte de séjour, kan zich in principe vrij bewegen doch zich niet zonder toestemming van de autoriteiten elders vestigen.

Er zijn geen gevallen bekend van personen met een geldige vluchtelingenstatus die onvrijwillig werden gerepatrieerd naar een land waar zij te vrezen hadden voor vervolging .

De grondwet stipuleert een onafhankelijke rechterlijke macht. In de praktijk is de rechterlijke macht echter onderworpen aan beïnvloeding door de uitvoerende macht, het militaire apparaat en andere invloeden van buitenaf.

In april 2001 maakte de regering bekend voornemens te zijn ideeën te ontwikkelen om het functioneren van justitie te verbeteren. Als uitgangspunt geldt het rapport van een door de EU in 1999 gefinancierd onderzoek naar het functioneren van het Ivoriaanse juridische systeem.

In Ivoorkust komt detentie zonder aanklacht voor. Met name ten tijde van het politieke geweld van oktober en december 2000 werden honderden RDR-activisten, moslim burgers en buitenlanders gearresteerd, tijdens demonstraties, thuis of op de werkplek, velen uitsluitend op basis van hun etnische afkomst, godsdienst of nationaliteit .

Nadat president Gbagbo in december 2000 ongeveer 6.000 gevangenen gratie had verleend bevonden zich tot voor kort nog ongeveer 7.500 gedetineerden in 37 officiële gevangenissen in het land. De grootste gevangenis staat in Abidjan en is genaamd Maca. Daarnaast zijn er officieuze detentiecentra in militaire kazernes, waaronder het detentiecentrum Mama in Abidjan, alwaar politieke gevangenen (inclusief aanhangers van de RDR) zijn ondergebracht. Het aantal van deze categorie gedetineerden wordt geschat op honderd à tweehonderd personen. De generaals Palenfo en Coulybali - verdacht van betrokkenheid bij de aanslag op Guéï op 18 september 2000 - bevonden zich tijdens hun afgelopen detentie in het opleidingskamp van de gendarmerie in Abidjan.

Eind april 2001 werd een onbekend aantal RDR-aanhangers uit de gevangenis ontslagen .

De omstandigheden in de gevangenissen en de officieuze detentiecentra zijn over het algemeen slecht. Het Ivoriaanse gevangeniswezen besteedt officieel CFA-Francs 120 per dag per gevangene. Om budgettaire redenen wordt er per gevangene in werkelijkheid aanmerkelijk minder uitgegeven. Het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) heeft de Ivoriaanse regering geadviseerd om minimaal CFA-Francs 250 tot CFA-Francs 300 per gevangene per dag te besteden. Er heerst overbevolking in de gevangenis, de gedetineerde krijgt onvoldoende en kwalitatief ontoereikende voeding en ook de medische en hygiënische voorzieningen zijn ontoereikend.

Medewerkers van het ICRC bezoeken op regelmatige basis gevangenen. Ook krijgt het ICRC na enig onderhandelen met de Ivoriaanse autoriteiten toegang tot politieke gevangenen in de officieuze detentiecentra. Het ICRC adviseert de Ivoriaanse gevangenisautoriteiten en heeft hen de afgelopen twee jaar financiële hulp verstrekt voor de verbetering van de medische, sanitaire en voedselvoorzieningen in de gevangenissen.

Tijdens de ongeregeldheden in oktober en december 2000 heeft het ICRC gearresteerde aanhangers (ca. 950) van de strijdende (politieke) partijen bijgestaan door het verlenen van medische hulp en juridische bijstand. Het merendeel van de gearresteerden werd na enige dagen wederom in vrijheid gesteld.

In de grondwet worden mishandeling en foltering verboden. In de praktijk komt mishandeling door de politie en veiligheidsdiensten voor. Over het algemeen worden de daders niet ter verantwoording geroepen.

De politie gebruikte in de verslagperiode vaak excessief geweld om demonstraties uiteen te jagen. Ook vielen politie en veiligheidsdiensten niet-Ivoriaanse Afrikaanse inwoners van Ivoorkust lastig . RDR-aanhangers, moslims en buitenlanders die bij het politieke geweld van oktober en december 2000 waren gearresteerd, werden in vele gevallen tijdens hun detentie mishandeld. In sommige gevallen betrof het seksueel misbruik van mannen of vrouwen .

Sinds februari 2001 is het politieke geweld, en de daaraan verbonden mishandeling en foltering, afgenomen.

Na de moordaanslag op president Guéï op 18 september 2000 werden verschillende verdachten gearresteerd door de veiligheidsdiensten. Er zijn aanwijzingen - onder andere gebaseerd op getuigenissen van later vrijgelaten soldaten - dat drie of vier van hun collega's verdwenen, gemarteld en gedood zijn. Na de presidentsverkiezingen van 22 oktober 2000 en de onlusten verdwenen meerdere personen, met name aanhangers van de RDR, noorderlingen en Afrikaanse buitenlanders. In de kranten verschenen talloze oproepen waarin werd geïnformeerd naar verdwenen familieleden. Er zijn aanwijzingen dat de meeste personen die verdwenen aanvankelijk gearresteerd waren door de politie .

Sinds februari 2001 is het politieke geweld, en het aantal daaraan verbonden verdwijningen, afgenomen.

Veiligheidsdiensten maakten zich schuldig aan buitengerechtelijke executies en moorden. Zij deden dit veelal bij hun pogingen de wijdverbreide gewelddadige misdaad te bestrijden. Vaak werden criminelen opgespoord en onmiddellijk gedood. Volgens gegevens van de regering en mededelingen in de media zijn op deze wijze honderden criminelen in het jaar 2000 gestorven. Aan deze praktijken kwam een einde toen Laurent Gbagbo president werd.

De regering Gbagbo was tot dusverre evenwel nog niet erg succesvol bij de bestrijding van politiek getinte buitengerechtelijke executies en moorden. Zo kondigde de president aan de slachtingen in Yopougon te zullen laten onderzoeken. Er is nog geen rapport verschenen. Gewelddadig optreden van politiediensten en gendarmerie tegen RDR-aanhangers, moslims en immigranten kwam in de verslagperiode voor, met name in oktober en december 2000. Sancties worden niet of nauwelijks opgelegd .

Sinds februari 2001 is het aantal politiek getinte buitengerechtelijke executies en moorden afgenomen.

De Ivoriaanse wetgeving kent sinds kort geen doodstraf meer. Hoewel de straf tot in 2000 in het wetboek stond heeft Ivoorkust al tientallen jaren de doodstraf niet uitgevoerd. President Houphouët-Boigny (1960-1993) was tegen de doodstraf en heeft nooit toestemming verleend hem uit te voeren.

In 1995 regelde het parlement dat de doodstraf ook van toepassing was op vergrijpen als beroving met geweld. De toenmalige minister van Justitie, Faustin Kouamé, was voor de doodstraf met als argument dat de misdaad toenam en aldus de harmonieuze ontwikkeling van het land in de weg stond. Economische initiatieven en vooral buitenlandse investeringen zouden worden ontmoedigd. De wet werd niet geratificeerd door de toenmalige president, Henri Konan Bédié, en hoewel rechtbanken de doodstraf bleven uitspreken, vonden geen voltrekkingen plaats.

Onder de regering van Robert Guéï werd een grondwet aangenomen waarin voor de doodstraf geen plaats meer was. De wet werd aangenomen bij referendum op 23 en 24 juli 2000. Artikel twee van de nieuwe grondwet stipuleert dat iedere sanctie waarbij het menselijk leven wordt ontnomen, verboden is. Omdat de grondwet boven de strafwet staat, kunnen rechtbanken niet langer de doodstraf uitspreken .

3.4 Positie van specifieke groepen

---
Hieronder volgt een beschrijving van de mensenrechtensituatie van achtereenvolgens vrouwen, minderjarigen, homoseksuelen, en etnische groepen en minderheden. Ook zijn paragrafen over leger, dienstplicht en politie toegevoegd.

Seksueel geweld tegen vrouwen

Seksueel geweld is evenals simpel fysiek geweld veel voorkomend in de huiselijke kring en leidt vaak tot echtscheiding. Dergelijk geweld wordt beschouwd als een sociaal stigma. Buren trachten vaak in te grijpen om erger te voorkomen. Rechtbanken en politie beschouwen geweld tegen vrouwen als een probleem binnen de huiselijke kring tenzij er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Alleen in het laatste geval wordt wel tot vervolging overgegaan .

Politiek geweld tegen vrouwen

Tijdens de onlusten gedurende de verslagperiode - die worden beschreven in de paragrafen 2.2. en 2.3. - was veelvuldig sprake van (seksueel) geweld tegen vrouwen. Met name tijdens en na de onlusten op 4 en 5 december 2000 zouden gevangen genomen vrouwen systematisch verkracht zijn door leden van de veiligheidsdiensten .

Maatschappelijke positie van vrouwen

Discriminatie op basis van sexe is verboden. De regering is voorstander van volledige participatie door vrouwen in het sociale en economische leven. Desondanks spelen de meeste vrouwen maatschappelijk een ondergeschikte en achtergestelde rol .

Besnijdenis

Tot 1998 was er geen wetgeving die besnijdenis verbood. Besnijdenis werd alleen als onwettig beschouwd in die zin dat de praktijk een schending inhield van algemene wetten die misdaden tegen personen verhinderen.

In december 1998 werd evenwel een wet aangenomen die besnijdenis expliciet verbiedt. Zij die het ritueel uitvoeren lopen kans op een gevangenisstraf tot vijf jaar en een boete van tussen de 360.000 en 2.000.000 CFA Francs. Artsen worden dubbel gestraft.

Besnijdenis komt vooral voor onder de landelijke bevolking in het noorden en westen en in mindere mate in het centrale deel van het land. De procedure wordt meestal uitgevoerd bij nog heel jonge meisjes of meisjes in hun puberteit.

Volgens de World Health Organisation en de Association Ivoirienne de la Défense de la Femme (AIDF) is zo'n 60% van alle vrouwen besneden. Ondanks de wet van december 1998 werden bij wijze van voorbeeld zes jonge meisjes in Port Bouet in Abidjan besneden, terwijl noch politie noch sociale werkers iets deden om de besnijdenis te verhinderen of de ouders van de meisjes te arresteren.

In enkele gebieden zijn inmiddels traditioneel gezinde autoriteiten, die in het algemeen besnijdenis uitvoerden, deel gaan nemen aan openbare demonstraties tegen besnijdenis .

In tegenstelling tot de traditionele dorpsgemeenschappen op het platteland bestaat in de grote steden de mogelijkheid zich aan de praktijk van besnijdenis te onttrekken vanwege de daar minder aanwezige of zelfs geheel ontbrekende sociale controle.

De economische problemen van Ivoorkust hebben geleid tot een verslechtering van de situatie van minderjarigen in de afgelopen jaren . Zo zijn de kindersterftecijfers tussen 1994 en 1999 toegenomen met 15 à 20 %, met als belangrijkste doodsoorzaken malaria en acute luchtweginfecties. Een kwart van de kinderen jonger dan vijf jaar kent een groeiachterstand. Het toenemend aantal kinderen dat AIDS/HIV-besmet is, en de toenemende economische en seksuele exploitatie van kinderen zijn punten van grote zorg voor de Ivoriaanse overheid.

Toch is in het decennium 1990 - 2000 belangrijke voortgang gemaakt op drie terreinen: wetgeving, sociale voorzieningen en bescherming van het kind.

Op het terrein van de wetgeving is in de nieuwe grondwet van augustus 2000 de bescherming van de rechten van het kind vastgelegd. De familie wordt beschouwd als de basiseenheid van de samenleving en de staat heeft als taak deze te beschermen. De grondwet verbiedt onder meer slavernij, female genital mutilation (vrouwenbesnijdenis) en gedwongen huwelijken.

Ivoorkust heeft de Conventie over de Rechten van het Kind geratificeerd.

Een studie van UNICEF heeft aangetoond dat de wetten van Ivoorkust als geheel in lijn zijn met de Conventie over de Rechten van het Kind, maar dat de meerderheid van de bevolking deze wetten niet kent, en dat de wetten onvoldoende worden toegepast.

Op het gebied van de sociale voorzieningen is in het afgelopen decennium enige voortuitgang geboekt, bijvoorbeeld in vaccinatiegraad, toegang tot drinkwater en scholingsgraad, maar de verschillen in niveau van sociale voorzieningen blijven aanzienlijk, tussen regio's, tussen stad en platteland, en tussen diverse sociale klassen.

De activiteiten ter bescherming van het kind hebben zich met name gericht op bescherming tegen economische uitbuiting, bescherming tegen kinderhandel en
-smokkel, voorzieningen voor AIDS/HIV-besmette kinderen en voorzieningen voor straatkinderen.

De wettelijke minimumleeftijd voor toelating tot betaald werk is veertien jaar. Het laatste bevolkingsonderzoek (1998) wees echter uit dat circa 15 % van de kinderen tussen zes en veertien jaar een economische activiteit uitoefent.

De strijd tegen de kinderhandel en -smokkel vindt zowel op nationaal als internationaal niveau plaats. De nationale strijd is gericht tegen de binnenlandse handel in jong huishoudelijk personeel van het platteland naar de steden. De internationale strijd richt zich tegen het in West- en Centraal-Afrika opkomende verschijnsel van kinderhandel en -smokkel, waarbij Ivoorkust ontvangend land is. Op 1 september 2000 is een bilateraal samenwerkingsakkoord tussen Mali en Ivoorkust getekend ter bestrijding van de handel in kinderen tussen de beide landen.

Sinds 1992 is een programma gestart voor de opvang van straatkinderen. Een zevental overheidscentra en een vijftiental particuliere instellingen zijn op dit terrein actief, en vangen gezamenlijk ruim 15.000 kinderen op. Zo zijn er opvangcentra in Abidjan, Aboisso, Yopougon, Dabou, Adjamé, Bouake, Adiake, Man, Bingerville en Bassam. Ondanks alle inspanningen in het kader van de bescherming van straatkinderen zijn de resultaten nog onvoldoende in het licht van de omvang van het probleem .Volgens de laatste schatting (1997) leefden in Ivoorkust 175.000 straatkinderen . Niet bekend is of de kwaliteit van de opvanginstellingen voldoet aan lokale maatstaven.

Vooral in Abidjan, maar ook in andere grote(re) steden, komen veel straatkinderen voor. Hoewel kinderen die alleen komen te staan traditioneel worden opgevangen door de grootfamilie (extended family), is een dergelijke opvang tegenwoordig niet langer gegarandeerd. Alleen al als gevolg van AIDS kent Ivoorkust meer dan 600.000 wezen .

Kinderen in het algemeen worden veelal ingezet als huispersoneel en kunnen - volgens mensenrechtenorganisaties en persberichten - slachtoffer worden van seksueel misbruik en andere vormen van mishandeling door hun werkgevers .

Het volgen van lager onderwijs is verplicht, kosteloos en eindigt gewoonlijk op het dertiende levensjaar. Voor de meeste kinderen houdt - in verband met armoede - scholing op deze leeftijd op. Ouders geven er de voorkeur aan allereerst hun zonen te scholen en vervolgens pas hun dochters .

Meerderjarigheid

De wettelijke leeftijd van meerderjarigheid is21 jaar. De bevolking acht in de praktijk jongeren van gemiddeld achttien jaar in staat voor zichzelf te zorgen. Voor het in het huwelijk treden is voor mannen goedkeuring van de ouder(s) verplicht tot twintig jaar, voor vrouwen tot achttien jaar. Voor het uitoefenen van een zelfstandig bedrijf is tot zestien jaar de goedkeuring van de ouder(s) nodig.

Ivoorkust kent geen wetgeving die homoseksualiteit verbiedt. De overgrote meerderheid van de Ivoriaanse bevolking heeft evenwel grote moeite met het fenomeen homoseksuele relatie, waardoor veel homoseksuelen een teruggetrokken en 'clandestien' leven leiden. Er zijn geen voorbeelden van vervolging bekend.

Zoals beschreven in subparagraaf 2.1.1, is de bevolking van Ivoorkust etnisch divers. Sociale discriminatie op grond van etnische afkomst komt bij alle etnische groepen voor. Wijken in de steden hebben nog een duidelijk etnisch karakter, en de grote politieke partijen hebben aanwijsbare etnische en regionale bases. Wel zijn huwelijken tussen leden van verschillende stammen in de stedelijke gebieden steeds gebruikelijker.

Sociale en politieke spanningen treden vooral op tussen noorderlingen en zuiderlingen, ofwel tussen stammen met vele Afrikaanse buitenlanders in hun midden en stammen die vooral uit Ivorianen bestaan .

In de verslagperiode is, vanaf eind oktober 2000 tot ongeveer februari 2001, bij verscheidene gelegenheden sprake geweest van grootschalig etnisch geweld tussen enerzijds islamieten / noorderlingen / Afrikaanse buitenlanders, en anderzijds veiligheidsdiensten, gendarme en delen van de bevolking . Dit geweld vond met name plaats in Abidjan en, in mindere mate, in het noorden. Vanaf maart 2001 is een omslag te constateren, en hebben zich geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan. Afgewacht moet worden of deze verbetering in de mensenrechtensituatie van de islamieten / noorderlingen / Afrikaanse buitenlanders zich zal bestendigen.

In het algemeen is sprake van discriminatie van buitenlanders of van Ivorianen van buitenlandse origine, bijvoorbeeld bij de toekenning van banen of bij de inschrijving van de kinderen voor scholen. De politie valt Afrikaanse buitenlanders regelmatig lastig.

In het zuidwesten van het land bestaan spanningen tussen de bevolkingsgroep van de Krou en immigranten uit Burkina Faso, waarvan velen al sinds hun geboorte of tientallen jaren in het gebied wonen. Tussen eind augustus en oktober 2000 leidden gevechten om land tussen beide groepen tot tenminste achttien doden en de vlucht van 2.500 mensen. Ook in november 1999 hadden dergelijke gevechten plaatsgevonden, met als gevolg de uittocht van ongeveer 12.000 Burkinabé naar Burkina Faso .

Het Ivoriaanse militaire apparaat bestaat uit de volgende onderdelen:


- het reguliere leger, bestaande uit 9.200 officieren en manschappen; dit leger is relatief klein, daar Ivoorkust tot in het recente verleden rekende op de honderden in Ivoorkust gelegerde Franse militairen. Het leger kampte met name tijdens de regering Guéï met interne verdeeldheid, ontevredenheid over de soldij en gebrek aan discipline;


- de gendarmerie, bestaande uit 5.600 officieren en manschappen die zowel civiele als militaire politiediensten verrichten;


- de nationale politie, die 10.000 functionarissen telt en ressorteert onder de Minister van Veiligheid. De organisatie is afgeleid van het Franse model. Het politieapparaat heeft te kampen met budgettaire tekorten, slecht beheer en corruptie. De criminaliteit in het land neemt toe hetgeen het moreel van de politie verder aantast. De economische recessie en de politieke instabiliteit in het land hebben geleid tot een verdere afbrokkeling van het gezag van het politieapparaat;


- de presidentiële garde, bestaande uit 1.400 officieren en manschappen;

- de brandweer, bestaande uit 950 officieren en manschappen.
Ivoorkust heeft geen dienstplicht. Het leger rekruteert uit alle etnische groepen van Ivoorkust. Een aanzienlijk aantal rekruten is afkomstig uit de regio Abidjan, dat de hoogste bevolkingsconcentratie van het land heeft. De Bété, de grootste subgroep van de Krou en ruim 3% van de bevolking uitmakend, is relatief sterk vertegenwoordigd in het leger en de politie. Het is niet uitgesloten dat gezien de huidige anti-RDR stemming in het land een verminderde opname van rekruten uit het moslim-noorden plaatsvindt.

De diverse veiligheidsdiensten - die tot 25 oktober 2000 president Guéï steunden en sindsdien president Gbagbo - waren verantwoordelijk voor ernstige schendingen van mensenrechten, met name in oktober en december 2000. Binnen de veiligheidsdiensten waren vooral de gendarmes en de politie direct betrokken. Het reguliere leger bleef grotendeels in de kazernes, afgezien van de presidentiële garde die direct voorafgaande aan de vlucht van president Guéï demonstranten aanviel .

Desertie valt onder het strafrecht. De in het wetboek van strafrecht vastgelegde straffen variëren van een half jaar tot de doodstraf, afhankelijk van de ernst van de desertie (een enkele deserteur of een samenzwerende groep, oorlogstijd of vredestijd, binnen of buiten de landsgrenzen, soldaat of officier, al dan niet aangesloten bij vijandelijke groepering, etc.) .

Het is niet bekend hoe de bestraffing van desertie in de praktijk plaatsvindt.

3.5 Samenvatting

---
Tal van mensenrechtenschendingen, waaronder ernstige, kwamen in de verslagperiode voor, maar de frequentie en ernst namen vanaf februari 2001 af. Ernstige mensenrechtenschendingen vonden plaats ten tijde van de militaire junta, met name in de periode juni tot oktober 2000, en onder de regering Gbagbo kort na diens aantreden in oktober 2000 en in december 2000 .

Overigens worden in het algemeen organisaties op het gebied van de mensenrechten niet belemmerd in hun werk en staan zij niet bloot aan vervolging door de overheid.

Er zijn groepen in de Ivoriaanse samenleving die gedurende de verslagperiode
- tot ongeveer februari 2001 - als gevolg van door de ívoirité-ideologie oplaaiende etnische spanningen, slachtoffer waren van mensenrechtenschendingen. Leden van de veiligheidsdiensten, politie, gendarmerie en leger maakten zich schuldig aan discriminatoir gedrag - intimidatie, afpersing, mishandeling, verdwijningen, buitengerechtelijke executies - ten opzichte van RDR-aanhangers, moslims, noorderlingen in het algemeen en buitenlanders van Afrikaanse oorsprong. Ook vrouwen binnen deze groepen waren tijdens deze verslagperiode slachtoffer van dit geweld, veelal in de vorm van seksueel geweld.

Door de regering werd hier onvoldoende tegen opgetreden.

Sinds februari 2001 is een verbetering van de situatie van deze groepen waarneembaar.


4 Migratieproblematiek

---

4.1 Inleiding

---
Ivoorkust biedt onderdak aan circa 121.000 voor het merendeel Afrikaanse vluchtelingen, waaronder 117.000 Liberianen, 2.000 Sierra Leoners en 1.700 anderen, voornamelijk afkomstig uit het grote merengebied (Rwanda, Burundi, Democratische Republiek Congo en de Republiek Congo). De Liberianen en Sierra Leoners zijn ondergebracht in de zuidwestelijke grensgebieden met Liberia, van de kustplaats Tabou (veelal etnische Krahn) via Danane (voornamelijk Mandingo) tot Touba (Krou). De rest van de vluchtelingen is ondergebracht in de grote steden, waaronder de hoofdstad Abidjan.

4.2 Binnenlandse vestigingsvrijheid

---
In beginsel is iedere Ivoriaan vrij in het land te reizen en zich te vestigen . Evenzo is elke Ivoriaan gerechtigd terug te keren naar zijn land. Terugkerende asielzoekers - mits voorzien van een reisdocument - zullen bij binnenkomst niet anders dan andere Ivorianen worden behandeld.

Aanhangers van de RDR en noorderlingen hebben in geval van intimidatie de mogelijkheid veilig in het noorden van het land te verblijven.

4.3 Beleid in andere Europese landen

---
Ivoriaanse asielzoekers meldden zich in Europa in 2000 met name in het Verenigd Koninkrijk (ruim 400), in Frankrijk (circa 350), Duitsland (ruim 200) en België en Nederland (elk ongeveer 100).

Door een aantal ons omringende landen worden Ivorianen gedwongen gerepatrieerd. Het betreft Duitsland en Zwitserland. België en het Verenigd Koninkrijk repatriëren niet in de praktijk.

Gedurende de periode 1 januari 2000 tot en met 1 februari 2001 werden in België 105 asielaanvragen door Ivorianen ingediend. De instroom bestond voornamelijk uit moslims, leden van de RDR en leden van de bevolkingsgroepen Dioula en Baoulé. Deze groepen lopen voor wat betreft de Belgische autoriteiten een verhoogd risico op vervolging. Uitgeprocedeerde asielzoekers zijn beleidsmatig verwijderbaar. In de praktijk is dat echter nog niet voorgekomen.

Gedurende het jaar 2000 werden in Duitsland 236 asielaanvragen door Ivorianen ingediend. In januari 2001 ging het om twaalf gevallen. Het BAFl heeft in 2000 respectievelijk januari 2001 op 195 respectievelijk twaalf asielaanvragen een beslissing genomen. In 2000 kregen drie personen asiel, ten aanzien van drie andere personen werden uitzettingsbelemmeringen vastgesteld. In januari 2001 werd in geen enkel geval asiel verleend en er werden ook geen uitzettingsbelemmeringen vastgesteld. Het BAFl onderscheidt geen categorieën asielzoekers met een verhoogd vervolgingsrisico.

In het jaar 2000 werden 34 personen - al dan niet afgewezen asielzoekers - naar Ivoorkust verwijderd.

Met ingang van 27 oktober 2000 schortten de Britse autoriteiten verwijderingen naar Ivoorkust op. In maart 2001 was deze maatregel nog steeds van kracht. Meer recente gegevens zijn niet beschikbaar. De Britse autoriteiten beschouwen slachtoffers van vrouwenbesnijdenis als een extra 'gevoelige' categorie asielzoekers.

De Zwitserse autoriteiten maken geen onderscheid naar categorieën asielzoekers met een verhoogd risico op vervolging. Evenmin worden categorieën asielzoekers onderscheiden die in aanmerking worden gebracht voor een verblijfstitel om humanitaire redenen. Ieder asielverzoek wordt op individuele merites beoordeeld.

Het aantal asielaanvragen bedroeg in de periode 1 januari 2000 tot 1 februari 2001 honderd. Van deze honderd personen werden drie gedwongen verwijderd naar Ivoorkust. Voorzover bekend hebben zij geen problemen ondervonden van de zijde van de autoriteiten bij terugkeer in Ivoorkust.

4.4Activiteiten van UNHCR ten aanzien van het land van herkomst
---
UNHCR stelt zich op het standpunt dat de voortdurende sociaal-politieke onrust in de afgelopen periode vooralsnog geen direct negatief effect heeft gehad op het welzijn van de vluchtelingen in Ivoorkust. Indirect veroorzaakte de onrust vertraging bij de integratie van de vluchteling in de Ivoriaanse gemeenschap.

Slechts incidenteel en op kleine schaal is er in enkele steden, waaronder in Abidjan en in Grand Bassam, sprake geweest van pesterijen gericht tegen vluchtelingen.

UNHCR streeft naar integratie van de overige vluchtelingen in de Ivoriaanse samenleving. Hiertoe assisteert UNHCR de vluchteling bij het verkrijgen van een legale status en een werkvergunning. Teneinde de vluchteling op eigen benen te kunnen laten staan verleent UNHCR in beperkte mate materiële hulp en vaardigheidstraining. Onderwijsvoorzieningen worden in samenwerking met het ministerie van Onderwijs, UNICEF en World Food Program opgezet, waarbij er bijvoorbeeld in de zone d'accueil naar wordt gestreefd om vluchtelingenkinderen en lokale kinderen gezamenlijk te laten deelnemen aan het leerproces in de Franse taal en volgens het Ivoriaanse systeem.


5 Samenvatting

---

Na jarenlange - soms relatieve - stabiliteit werd Ivoorkust in december 1999 voor het eerst in haar geschiedenis geconfronteerd met een militaire coup. De aanleiding werd gevormd door het protest van een groep ontevreden militairen, waarop door president Bédié arrogant-afwijzend werd gereageerd. Het protest ontaardde in een coup van generaal Guéï, waarna een militair-civiele overgangsregering werd gevormd.

De achterliggende oorzaken van de coup zijn een toenemend blijk van bestuurlijke incompetentie van president Bédié, een politieke polarisatie als gevolg van de pogingen van de president om zijn rivaal van de RDR, Ouattara, langs juridische weg te beletten zich kandidaat te stellen voor de presidentsverkiezingen van 2000, sociale polarisatie door de introductie van Bédié van de 'ivoirité-ideologie', primair bedoeld om Ouattara de weg te versperren, maar met als neveneffect toenemende etnisch-religieuze tegenstellingen, en ten slotte toenemende financieel-economische problemen vanwege dalende wereldmarktprijzen van cacao en koffie en opschorting van EU-bijstand.

Guéï werd aanvankelijk door de bevolking gesteund, maar hij verspeelde zijn krediet door terug te komen op zijn belofte zich niet kandidaat te stellen voor de presidentsverkiezingen van 2000, zich geleidelijk steeds meer af te zetten tegen de oppositionele RDR en door blijk te geven van verkeerde politieke inschattingen, bestuurlijke incompetentie en onvermogen de militarie discipline te bewaren.

Guéï werd in oktober 2000 door een volksbeweging met aanhangers van de FPI in de voorhoede gedwongen het veld te ruimen.

De onder de nieuwe president Gbagbo georganiseerde parlementsverkiezingen in december 2000 en januari 2001 werden voorafgegaan door een diskwalificatie door het Hooggerechtshof van Ouatarra. De RDR speelde aldus een rol van gering belang. Pas bij de gemeenteverkiezingen van 25 maart 2001 speelde de RDR de rol die haar qua aanhang onder de Ivoriaanse bevolking toekomt. Politiek gezien zijn er voorzichtige aanwijzingen dat de situatie in Ivoorkust zich gunstig ontwikkelt. De voornaamste politieke leiders praten thans met elkaar in een poging een oplossing te vinden voor de politieke en economische crisis. Het concept van de ivoirité en de uitsluiting van Ouattara blijven evenwel hete hangijzers.

De veiligheidssituatie werd in de periode december 1999 tot oktober 2000 gekenmerkt door een aantal incidenten van beperkte omvang (rond de staatsgreep van Guéï; enkele acties van militairen). Vanaf eind oktober 2000 tot ongeveer februari 2001 is bij verscheidene gelegenheden sprake geweest van grootschalig etnisch geweld tussen enerzijds veiligheidsdiensten, gendarmerie en delen van de bevolking (met name FPI-aanhangers uit zuidelijke en westelijke bevolkingsgroepen), en anderzijds RDR-aanhangers, islamieten / noorderlingen / Afrikaanse buitenlanders. Dit geweld vond met name plaats in Abidjan en, in mindere mate, in het noorden. Vanaf februari 2001 is een omslag te constateren, en hebben zich geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan.

De economie van Ivoorkust is grotendeels gebaseerd op de marktsector en is in zeer sterke mate afhankelijk van de commerciële agrarische sector en de internationale marktprijzen. In de verslagperiode leed de economie onder de instabiliteit op politiek en veiligheidsgebied. De huidige Ivoriaanse regering is gecommitteerd aan vitale hervormingen in de uiterst belangrijke cacao- en koffiesector, en lijkt de onvermijdelijkheid van een nieuwe overeenstemming met het Internationaal Monetair Fonds te hebben geaccepteerd. Er is enige voorzichtige vooruitgang merkbaar op het gebied van privatisering.

De sociaal-economische situatie van de bevolking blijkt uit plaats 154 op de Human Development Index.

Tal van mensenrechtenschendingen, waaronder ernstige, kwamen in de verslagperiode voor, maar de frequentie en ernst namen vanaf begin 2001 af. Ernstige mensenrechtenschendingen vonden plaats ten tijde van de militaire junta, met name in de periode juni tot oktober 2000, en onder de regering Gbagbo kort na diens aantreden in oktober en december 2000. Overigens worden in het algemeen organisaties op het gebied van de mensenrechten niet belemmerd in hun werk en staan zij niet bloot aan vervolging door de overheid.

Er zijn groepen in de Ivoriaanse samenleving die gedurende de verslagperiode
- tot ongeveer februari 2001 - als gevolg van door de ívoirité-ideologie oplaaiende etnische spanningen, slachtoffer waren van mensenrechtenschendingen. Leden van de veiligheidsdiensten, politie, gendarmerie en leger maakten zich schuldig aan discriminatoir gedrag - intimidatie, afpersing, mishandeling, verdwijningen, buitengerechtelijke executies - ten opzichte van RDR-aanhangers, moslims, noorderlingen in het algemeen en buitenlanders van Afrikaanse oorsprong. Ook vrouwen binnen deze groepen waren slachtoffer van dit geweld, veelal in de vorm van seksueel geweld.

Door de regering werd hier onvoldoende tegen opgetreden.

Sinds februari 2001 is een verbetering waarneembaar in de situatie van deze groepen.

Door een aantal ons omringende landen worden Ivorianen gedwongen gerepatrieerd. Het betreft Duitsland en Zwitserland. België en het Verenigd Koninkrijk repatriëren niet in de praktijk.

Amnesty International AFR 31/003/2000 - Côte d'Ivoire - Some Military Personnel Believe They Have Impunity Above The Law, 19/09/2000.

AFR 31/007/2000 - Côte d'Ivoire - Amnesty International Appeal To All Parties, 27/10/2000.

ACT 53/003/2000 - Death Penalty September 2000 News, 01/09/2000.

CIA The World Factbook 2000 - Côte d'Ivoire.

Europa Publications Africa South of the Sahara 2001 - Côte d'Ivoire 2001.

Human Rights Watch The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001.

The Economist Intelligence Unit Country Profile Côte d'Ivoire 1997-1998.

Country Profile Côte d'Ivoire 1999-2000.

Country Profile Côte d'Ivoire 2000.

Country Report Côte d'Ivoire January 2001.

Republiek Ivoorkust Code Penal Section 3.

Ministère de la Famille, de la Femme en de l'Enfant: Rapport aan de VN-Commissie voor de Rechten van het Kind, mei 1998; en aanvullende informatie, april 2001

United Kingdom Home Office Côte d'Ivoire Assessment, April 2000.

U.S. Department of State Background Notes: Côte d'Ivoire, July 1998.

2000 Country Reports on Human Rights Practices, Côte d'Ivoire, February 2001.

CIA - The World Factbook 2000 - Cote d'Ivoire.

Europa Publications: Africa South of the Sahara 2001 - Côte d'Ivoire 2001.

EIU Country Profile 2000.

Zie subparagraaf 3.4.4.

U.S. Department of State. Background Notes: Cote d'Ivoire, July 1998.

U.S. Department of State. Background Notes: Cote d'Ivoire, July 1998.

EIU Country Profile 2000.

U.S. Department of State. Background Notes: Cote d'Ivoire, July 1998.

Thans Burkina Faso.

Thans Benin.

EIU Country Profile 1997-1998 en U.S. Department of State. Background Notes: Cote d'Ivoire, July 1998.

EIU Country Profile 1997-1998.

EIU Country Profile 1997-1998.

EIU Country Profile 1997-1998.

EIU Country Profile 1997-1998.

EIU Country Profile 1997-1998.

De RDR was opgericht door afvalligen afkomstig uit de hervormingsgezinde vleugel van de PDCI.

Bédié introduceerde hiermee een vorm van nationalisme in de Ivoriaanse politiek die bekend werd onder de naam ivoirité ('Ivoriaanschap'). Op grond van deze ideologie werd de uitoefening van openbare ambten voorbehouden aan degenen die Ivoriaan waren; de definitie van 'Ivoriaan' in dit verband werd in de loop der tijd op verschillende wijze ingevuld en vastgelegd in de grondwet (zie hoofdstuk 2.4).

EIU Country Profile 1997-1998.

EIU Country Profile 1997-1998.

EIU Country Profile 1999-2000.

Zie ook paragraaf 3.4.

Zie subparagraaf 2.1.1.

Zie voetnoot 18

Zie paragraaf 2.4.

Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001

Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001

ibidem

Het geweld richtte zich aanvankelijk op moslims, noorderlingen en buitenlanders. Deze beantwoordden echter het geweld vrijwel onmiddellijk.

Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001

De in een massagraf in de wijk Yopougon in Abidjan gevonden lijken waren overwegend de lichamen van jongeren die met de RDR sympathiseerden en/of voor de RDR aan het demonstreren waren. Zij behoorden overwegend tot de Dioula, of waren 'buitenlander' en afkomstig uit Burkina Faso, Mali en Niger. Naar de massamoord is onderzoek ingesteld door internationale organisaties als de Verenigde Naties, Amnesty International, Human Rights Watch, de Fédération Internationale des Associations des Droits de l'Homme (FIDH) en Reporter sans Frontières (RSF). De laatste twee organisaties concluderen dat de 'slachting van Yopougon' plaatsvond als wraak van gendarmes uit het Camp d'Abobo in Abidjan na de moord op één van hen, luitenant Nyobo N'Guessan. De uitslag van een door de Ivoriaanse justitie ingesteld onderzoek is nog steeds niet officieel bekend gemaakt (het rapport zou zijn afgerond, maar was op 24 juli 2001 nog niet gepubliceerd). Artsen hebben op 57 lijken autopsie gepleegd en 22 kogels in de lichamen gevonden die afkomstig zijn van wapens zoals die door de Ivoriaanse veiligheidstroepen (inclusief gendarmerie) worden gebruikt. Als gevolg van het onderzoek van de Ivoriaanse regering zijn acht gendarmes in staat van beschuldiging gesteld. Op 24 juli 2001 is het proces tegen hen begonnen. Op 3 augustus 2001 werden zij vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Mensenrechtenorganisaties en oppositie hebben kritisch op de vrijspraak gereageerd, onder meer vanwege gestelde intimidatie van getuigen.

De boycot gold zowel het passieve stemrecht (kandidaatstelling) als het actieve stemrecht (het uitbrengen van een stem).

Volgens Human Rights Watch leidde de beschuldiging door president Gbagbo, dat buitenlanders uit Burkina Faso bij de couppoging betrokken waren, tot aanvallen op buitenlanders door leden van de veiligheidsdiensten en groepen gewapende jongeren/burgers. Als gevolg van deze aanvallen ontvluchtten tienduizenden buitenlanders, voornamelijk Burkinabé, het land (Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001)

1000 CFA-Francs komt neer op drie gulden en 35 cent.

IRIN-WA Weekly Roundup 71 .

Volgens Human Rights Watch waren uit de bevolking vooral actief aanhangers van president Gbagbo (veelal christenen behorend tot de etnische groepen uit het westen en zuiden van het land, zoals de Bété, Agni, Baoulé en Ebrié), en in het bijzonder de jongerenvleugel van de FPI en gewapende groepen jongeren en burgers uit de genoemde etnische groepen (Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001)

EIU Country Profile 1999-2000 en CIA - The World Factbook 2000 - Côte d'Ivoire.

CIA - The World Factbook 2000 - Côte d'Ivoire.

EIU Country Profile 1999-2000.

Journal Officiel de la République de Côte d'Ivoire, 3 augustus 2000.

Journal Officiel de la République de Côte d'Ivoire, 3 augustus 2000.

CIA - The World Factbook 2000 - Côte d'Ivoire.

In 1999 werd eveneens plaats 154 ingenomen. In 1998 stond Ivoorkust nog op plaats 148. Ter vergelijking de positie in 2000 van een aantal andere landen in de regio: Ghana 129, Guinee 162, Mali 165, Burkina Faso 172, Sierra Leone 174 en laatste. Liberia komt (bij gebrek aan gegevens?) al een aantal jaren niet voor op de HDI; www.undp.org

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

EIU Country Report January 2001.

EIU Country Report January 2001.

Reuters, May 29 2001.

EIU Country Report January 2001.

De kieswet bepaalt het volgende: Art. 3 - Sont électeurs les nationaux ivoiriens des deux sexes et les personnes ayant acquis la nationalité ivoirienne soit par naturalisation soit par mariage, âgés de dix-huit ans accomplis, incrits sur une liste électorale, jouissants de leur droits civils et civiques et n'étant dans aucun des cas d'incapacité prévus par la loi. Les personnes visées à l'alinéa précédent, vivant à l'étranger et immatriculées dans une représentation diplomatique ou consulaire, peuvent prendre part à l'élection du Président de la République selon les modalités fixées par décret en Conseil des Ministres sur proposition de la Commission chargée des élections. Art. 4 - Ne sont pas électeurs les individus frappés d'incapacité ou d'indignité notamment: - les individus condamnés à une peine d'imprisonnement sans sursis pour vol, escroquerie, abus de confiance, détournement de deniers publics, faux et usage de faux, corruption et trafic d'influence, attentats aux moeurs; - les faillis non réhabilités; - les individus en état de contumace; - les interdits; - les individus auxquels les tribunaux ont interdit le droit de vote et, plus généralement, ceux pour lesquels les lois ont édicté cette interdiction.

www.unhchr.ch.

Zie bijvoorbeeld de mislukte wrakingsprocedure tegen de voorzitter van het Constitutioneel Gerechtshof, in 2.2

Zie voor voorbeelden het rapport van Amnesty International van 19 september 2000 (AFR 31/003/00) en het US State Department Report 2000 van februari 2001.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Zie paragraaf 2.2.

Zie subparagraaf 2.1.2. en paragraaf 2.2.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Voor de inreis in Ivoorkust is een visa d'entrée benodigd. Op vertoon van dit visum en een paspoort kan men een visa de court séjour verkrijgen. Dit document is één tot maximaal drie maanden geldig en kan eenmaal worden verlengd. Als de geldigheidsduur van dit document definitief is verstreken, kan een carte de séjour worden verkregen. Deze kaart is telkens een jaar geldig. Wil men Ivoorkust tijdelijk verlaten, dan dient men te beschikken over een visa de sortie et de retour.

Deze kaart wordt uitgegeven door de Service d'Assistance aux Réfugiés et Assimilés (SARA). UNHCR in Abidjan geeft een advies aan een commissie bestaande uit medewerkers van een aantal Ivoriaanse ministeries die vervolgens een beslissing neemt.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001

Het betreft vrijwel zeker zeven RDR-aanhangers. Er zouden er evenwel nog 67 gevangen zitten.

Ongeveer veertig cent.

Tachtig cent tot één gulden.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Amnesty International: ACT 53/003/2000, 01/09/2000.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Zie voor voorbeelden het rapport van Amnesty International van 19 september 2000 (AFR 31/003/00) en het US State Department Report 2000 van februari 2001.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000 Côte d'Ivoire.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Deze paragraaf is grotendeels ontleend aan een samenvatting van een rapport over de rechten van het kind in Ivoorkust, door de Ministrede la Famille, de la Femme en de l'Enfant van Ivoorkust, 2001.

Ministrede la Famille, de la Femme en de l'Enfant van Ivoorkust, 2001.

Republiek Ivoorkust, Aanvullende informatie bij het rapport aan het VN-Comité voor de Rechten van het Kind, april 2001

Ministère de la Santé Publique van Ivoorkust, 2001

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Zie ook subparagraaf 2.1.2. en de paragrafen 2.2. en 2.3.

Volgens Human Rights Watch waren uit de bevolking vooral actief aanhangers van president Gbagbo (veelal christenen behorend tot de etnische groepen uit het westen en zuiden van het land, zoals de Bété, Agni, Baoulé en Ebrié), en in het bijzonder de jongerenvleugel van de FPI en gewapende groepen jongeren of burgers uit de genoemde etnische groepen (Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001)

U.S. Department of State: Human Rights Reports for 2000: Côte d'Ivoire.

Human Rights Watch, The New Racism: The political manipulation of ethnicity in Côte d'Ivoire, August 2001

Republiek Ivoorkust, Code Penal Section 3

Zie voor voorbeelden het rapport van Amnesty International van 19 september 2000 (AFR 31/003/00) en het US State Department Report 2000 van februari 2001.

In de praktijk is het vestigingspatroon veelal etnisch bepaald. Zie subparagraaf 3.4.4.

===

Bron: www.minbuza.nl/content.asp?Key=422266

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie