Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

Datum nieuwsfeit: 24-10-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: European Union
Zoek soortgelijke berichten
European Union

2373. Raad - WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID
PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2373e zitting van de Raad


- WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID -

Luxemburg, 8 oktober 2001

Voorzitters:

mevrouw Laurette ONKELINX

vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid

de heer Frank VANDENBROUCKE

minister van Sociale Zaken en Pensioenen

van het Koninkrijk België

INHOUD

DEELNEMERS 4

BESPROKEN PUNTEN

EUROPESE VENNOOTSCHAP *

WERKGELEGENHEIDSPAKKET 2001/2002 EN KWALITEIT VAN DE WERKGELEGENHEID


*

BEVORDERING VAN FUNDAMENTELE ARBEIDSNORMEN IN DE CONTEXT VAN DE

GLOBALISERING

*

SOCIALE BEMIDDELING IN EUROPA

*

GENDERPERSPECTIEF IN HET BELEID VAN DE EUROPESE UNIE


*


- Inachtneming in de andere Raadsformaties
*

- Europees-mediterraan partnerschap

*

- Beloningsverschillen: follow-up van de Conferentie van Peking
*

COÖRDINATIE VAN DE SOCIALEZEKERHEIDSSTELSELS

*

EUROPEES JAAR VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP

*

e-INSLUITING -RESOLUTIE

*

STRIJD TEGEN ARMOEDE EN SOCIALE UITSLUITING

*

KWALITEIT EN HOUDBAARHEID VAN DE PENSIOENEN

*

RESULTAAT VAN DE CONFERENTIES EN SEMINARS

*

DIVERSEN

*


-
NIEUW VOORSTEL OVER BLOOTSTELLING AAN ASBEST *

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

MILIEU

*


-
Prioritaire schadelijke stoffen op het gebied van het waterbeleid * *

-
Ozon in de lucht - bijeenroeping van het bemiddelingscomité *

INTERNE MARKT

*


-
Voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers *
-
Nadat het Europees Parlement en de Raad op 25 juni 2001 in de vergadering van het Bemiddelingscomité een akkoord hadden bereikt, heeft de Raad de richtlijn betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/27/EG formeel aangenomen. Als het Parlement de gemeenschappelijke ontwerpen goedkeurt, is de richtlijn dus definitief aangenomen. *

LANDBOUW

*


-
Gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt *

ONDERZOEK

*


-
Overeenkomst EG-Oekraïne *

VIA DE SCHRIFTELIJKE PROCEDURE AANGENOMEN PUNT

VERVOER

*


-
Vervoer van reizigers en hun bagage per schip *


---

Voor meer informatie: tel. 285.62.19 of 285.74.59

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België
:

mevrouw Laurette ONKELINX

vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid

de heer Frank VANDENBROUCKE

minister van Sociale Zaken en Pensioenen

de heer Renaat LANDUYT

Vlaams minister voor Werkgelegenheid en Toerisme

Denemarken
:

de heer Ove HYGUM

de heer Henrik Dam KRISTENSEN

de heer Bo SMITH

minister van Arbeid

minister van Sociale Zaken

staatssecretaris van Werkgelegenheid

Duitsland:

de heer Gert ANDRES

parlementair staatssecretaris van Arbeid en Sociale Zaken

Griekenland
:

de heer Anastasios GIANNITSIS

minister van Arbeid en Sociale Zekerheid

Spanje
:

de heer Juan Carlos APARICIO PÉREZ

minister van Arbeid en Sociale Zaken

Frankrijk
:

mevrouw Elisabeth GUIGOU

minister van Werkgelegenheid en Solidariteit

Ierland
:

de heer Tom KITT

onderminister van Ondernemingen, Handel en Werkgelegenheid, belast met arbeidsvraagstukken, consumentenrechten en internationale handel

Italië
:

de heer Roberto MARONI

minister van Arbeid en Sociale Zaken

Luxemburg
:

de heer François BILTGEN

minister van Arbeid en Werkgelegenheid

mevrouw Marie-Josée JACOBS

minister van Gezinszaken, Maatschappelijke Solidariteit en Jeugdzaken, minister voor Emancipatie van de Vrouw

Nederland
:

de heer Willem VERMEEND

minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Oostenrijk
:

mevrouw Mares ROSSMANN

staatssecretaris van Economische Zaken en Arbeid

Portugal
:

de heer Paulo FERNANDES PEDROSO

minister van Arbeid en Solidariteit

de heer António DORNELAS

staatssecretaris van Arbeid en Opleiding

Finland
:

mevrouw Maija PERHO

minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

mevrouw Tarja FILATOV

minister van Arbeid

Zweden
:

mevrouw Mona SAHLIN

minister bij het ministerie van Industrie, Werkgelegenheid en Verkeer, belast met arbeidsvraagstukken, integratie en grotestedenbeleid

mevrouw Ingela TAHLÉN

minister bij het ministerie van Sociale Zaken, belast met Sociale Zekerheid

mevrouw Lise BERGH

staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Sociale Zekerheid

Verenigd Koninkrijk
:

de heer Alan JOHNSON

onderminister van Arbeidsverhoudingen en de Regio's

de heer Malcolm WICKS

staatssecretaris van Arbeid en Pensioenen


* * *

Commissie
:

mevrouw Anna DIAMANTOPOULOU

lid

de heer Pascal LAMY

lid


* * *

Overige deelnemers
:

de heer Clive TUCKER

voorzitter van het Comité voor de werkgelegenheid

de heer Raoul BRIET

voorzitter van het Comité voor sociale bescherming

EUROPESE VENNOOTSCHAP

De Raad heeft definitief de beide instrumenten aangenomen die vereist zijn voor de oprichting van de Europese vennootschap: de verordening betreffende het statuut van de Europese Vennootschap ( 1) en de richtlijn tot aanvulling van het statuut met betrekking tot de rol van de werknemers in de Europese vennootschap ( 2); deze twee teksten vormen een onlosmakelijk geheel. De aanneming wordt gezien als een historisch moment, meer dan 31 jaar na het begin van de onderhandelingen over de oprichting van de Europese vennootschap, en de voorzitter van de Raad heeft haar dank uitgesproken aan alle vorige voorzitterschappen die tot de totstandkoming hiervan hebben bijgedragen.

Na bespreking van de amendementen van het Europees Parlement heeft de Raad zijn instemming bevestigd met de teksten waarop in de zitting van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 20 december 2000 gunstig gereageerd was. Het Parlement was opnieuw geraadpleegd ingevolge de ingrijpende wijzigingen die in de teksten waren aangebracht. De verordening en de richtlijn zullen tegelijkertijd drie jaar na aanneming in werking treden.

De Europese vennootschap wordt beschouwd als één van de sleutelelementen van de totstandbrenging van de interne markt. Het statuut van de Europese vennootschap zal vennootschappen een nieuw facultatief instrument bieden om het management van grensoverschrijdende vennootschappen soepeler en minder bureaucratisch te maken, hetgeen stellig zal bijdragen aan de verbetering van het concurrentievermogen van communautaire bedrijven. Dankzij dit statuut kan op het grondgebied van de Gemeenschap een vennootschap worden opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap (aangeduid met de Latijnse term "Societas Europaea" (SE)). Deze SE's kunnen op Gemeenschapsniveau opereren en zijn daarbij onderworpen aan de in alle lidstaten rechtstreeks toepasselijke communautaire wetgeving. Vennootschappen uit ten minste twee lidstaten die een SE-statuut willen aannemen, beschikken voortaan over verschillende keuzemogelijkheden: fusie, holding, oprichting van een dochtervennootschap of de omvorming tot een SE. Het statuut staat een naamloze vennootschap met statutaire zetel en hoofdbestuur in de Gemeenschap toe, zich zonder ontbinding om te vormen tot een SE. De SE wordt ingeschreven in een register van de lidstaat van haar statutaire zetel. Elke ingeschreven SE zal worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De SE moet de rechtsvorm hebben van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. Teneinde te waarborgen dat deze vennootschappen een redelijke omvang hebben, wordt een minimumkapitaal van ten minste 120.000 euro vastgesteld.

De voorschriften in verband met de rol van de werknemers in de SE komen aan bod in de richtlijn, die moet waarborgen dat de oprichting van een SE niet tot gevolg heeft dat de rol van de werknemers in de vennootschappen die deelnemen aan de oprichting van de SE, verdwijnt of verzwakt wordt. Door de uiteenlopende regels en gebruiken in de lidstaten met betrekking tot de wijze waarop de vertegenwoordigers van de werknemers betrokken zijn bij de besluitvorming in vennootschappen, wordt één Europees model niet overwogen. Niettemin wordt gezorgd voor procedures voor transnationale informatie en raadpleging van de werknemers. Indien er in een of meer van de vennootschappen die een SE oprichten, medezeggenschapsrechten bestaan, blijven deze rechten gevrijwaard door ze op de SE over te dragen zodra die opgericht is, tenzij de partijen anders besluiten in het kader van de "bijzondere onderhandelingsgroep", die is samengesteld uit de vertegenwoordigers van de werknemers van alle betrokken vennootschappen.

WERKGELEGENHEIDSPAKKET 2001/2002 EN KWALITEIT VAN DE WERKGELEGENHEID

De Raad heeft een eerste inhoudelijk debat over het werkgelegenheidspakket voor dit jaar gevoerd in een nieuwe mondiale politieke en macro-economische context. Het pakket bestaat uit drie elementen: het ontwerp van een gezamenlijk verslag met een analyse van de situatie van de werkgelegenheid in de Gemeenschap en het door de lidstaten gevoerde werkgelegenheidsbeleid, de
werkgelegenheidsrichtsnoeren voor het volgend jaar en de tot de lidstaten gerichte aanbevelingen. Het is het vierde pakket sinds de invoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie door de Europese Raad van Luxemburg in 1997, en het laatste voor de voor volgend jaar geplande evaluatie van het effect van de strategie.

De ministers toonden zich verheugd over de positieve resultaten van de Europese werkgelegenheidsstrategie, die in 2000 drie miljoen nieuwe banen heeft opgeleverd, de sterkste groei sinds tien jaar. Ze waarschuwden dat ze niettemin niet op hun lauweren mogen gaan rusten, maar moeten doorgaan met de werkloosheidsbestrijding en het doorvoeren van de structurele hervormingen van de arbeidsmarkt, met name in het licht van de meest recente ontwikkelingen en de vertraging van de wereldeconomie. Derhalve waren de ministers van mening dat de middellange- en langetermijndoelstellingen van de Europese Unie, met name wat betreft volledige werkgelegenheid, ondanks de economische vertraging niet gewijzigd hoeven te worden. Velen onderstreepten dat Europa zich ten aanzien van deze nieuwe politieke en economische situatie sterk moet opstellen en moet tonen dat ze de uitdagingen aankan.

Tijdens de gedachtewisseling gingen de ministers ook in op de kwaliteit van de arbeid, die ze als doelstelling allen steunden, en op de ontwikkeling van indicatoren hiervoor, aan de hand waarvan gemeten kan worden hoeveel vooruitgang er is geboekt. De Europese Raad van Stockholm van maart 2001 was namelijk overeengekomen dat de inzet van de Europese Unie voor de werkgelegenheid niet alleen op een kwantitatieve maar ook op een kwalitatieve verbetering gericht moet zijn. De Commissie heeft in haar voorstel voor
werkgelegenheidsrichtsnoeren een nieuw horizontaal kwaliteitsdoel opgenomen. De ministers onderstreepten dat de indicatoren betrouwbaar moeten zijn en op vergelijkbare gegevens moeten berusten, en dat er rekening mee moet worden gehouden dat bepaalde sectoren niet uitsluitend onder de bevoegdheid van de regeringen vallen, maar initiatieven van de betrokken actoren, met name de sociale partners, vereisen.

Tenslotte hebben de ministers ook het functioneren van het partnerschap van de sociale partners in het kader van de werkgelegenheidsstrategie besproken, en zich daarbij ingenomen betoond met het belang dat erin wordt gesteld om de sociale partners nauw bij de Europese werkgelegenheidsstrategie te betrekken.

De voorzitter van de Raad besloot het debat met een woord van dank aan de ministers voor hun bijdragen, die in aanmerking zullen worden genomen bij de verdere besprekingen over dit dossier, zodat de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december 2001 zijn goedkeuring kan hechten aan de drie elementen van het pakket.

Wat het debat over de kwaliteit van de arbeid betreft, memoreerde de voorzitter dat de besprekingen over de indicatoren zullen worden voortgezet, met name in het Comité voor de werkgelegenheid, zodat de Europese Raad van Laken deze in december 2001 conform het van de Europese Raad van Stockholm ontvangen mandaat kan goedkeuren.

De gedachtewisseling over het werkgelegenheidspakket en de kwaliteit van de arbeid werd gevolgd door een debat met de sociale partners in het Permanent Comité voor arbeidsmarktvraagstukken (zie de conclusies in de afzonderlijke persmededeling, doc. 12485/01 Presse 346).

BEVORDERING VAN FUNDAMENTELE ARBEIDSNORMEN IN DE CONTEXT VAN DE

GLOBALISERING

Tijdens de lunch heeft de Raad op basis van de mededeling van de Commissie van 18 juli 2001 een debat gehouden over de bevordering van fundamentele arbeidsnormen en de verbetering van de sociale governance in de context van de globalisering. Het debat werd gevoerd in aanwezigheid van Commissieleden DIAMANTOPOULOU en LAMY, alsmede vertegenwoordigers van de sociale partners.

De mededeling is een bijdrage aan de voorbereiding van de Vierde Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die van 9 tot en met 13 november 2001 in Doha (Qatar) zal worden gehouden. Er wordt een bepaald aantal maatregelen in voorgesteld die op Europees en internationaal niveau genomen moeten worden om aan te zetten tot daadwerkelijke toepassing van fundamentele arbeidsnormen in de wereld.

Deze mededeling werd op dezelfde dag ook ingediend bij de Raad Algemene Zaken.

SOCIALE BEMIDDELING IN EUROPA

De Raad heeft nota genomen van informatie van het voorzitterschap over de stand van zijn beraad hierover, alsook over de bilaterale contacten die het voorzitterschap heeft gehad in het verlengde van het door hem geopperde idee om een Europees stelsel voor sociale bemiddeling te ontwikkelen.

GENDERPERSPECTIEF IN HET BELEID VAN DE EUROPESE UNIE

De Raad heeft nota genomen van informatie van het voorzitterschap over drie punten in verband met het genderperspectief in het beleid van de Europese Unie, die alle in de lijn liggen van de in 1995 in Peking gehouden Conferentie van de Verenigde Naties over de rechten van de vrouw.


- Inachtneming in de andere Raadsformaties

Het betreft in de allereerste plaats de inachtneming van het begrip gender in de andere Raadsformaties. Het Belgische voorzitterschap wil in het kader van de Raad ECOFIN de "globale richtsnoeren voor het economisch beleid" bestuderen, met name vanuit het gezichtspunt van de gedifferentieerde gevolgen ervan voor vrouwen en mannen. De Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december 2001 en de Raad ECOFIN van 4 december 2001 zullen op het resultaat van die analyse terugkomen.


- Europees-mediterraan partnerschap

De voorzitter heeft tevens verslag uitgebracht over de conclusies van het regionaal forum betreffende "de rol van vrouwen in de economische ontwikkeling" dat in juli in het kader van het Europees-mediterrane partnerschap is gehouden.


- Beloningsverschillen: follow-up van de Conferentie van Peking
Tenslotte heeft de voorzitter haar ambtsgenoten informatie verstrekt over een onderwerp dat een onderdeel vormt van de jaarlijkse follow-up van de uitvoering van het actieprogramma van Peking, te weten het ontwikkelen van indicatoren voor een van de thema's van dat actieprogramma. Na behandeling van de politieke vertegenwoordiging van vrouwen tijdens het Finse voorzitterschap, en van het combineren van privé- en beroepsleven tijdens het Franse voorzitterschap, is het Belgische voorzitterschap ingegaan op het vraagstuk beloningsverschillen.
De voorzitter besloot dit punt met de aankondiging dat de Raad in zijn zitting op 3 december 2001 uitgebreider op dit punt zal terugkomen, zodra alle antwoorden van de lidstaten op de vragenlijst zijn bestudeerd, met de presentatie van een deskundigenverslag en conclusies waarin een reeks indicatoren zal worden voorgesteld.

COÖRDINATIE VAN DE SOCIALEZEKERHEIDSSTELSELS

De Raad heeft een eerste debat gehouden over de parameters die moeten worden opgesteld voor de modernisering van Verordening nr. 1408/71. Die verordening, die betrekking heeft op de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, stelt deze mensen in staat zich binnen de Europese Gemeenschap te verplaatsen met behoud van hun sociale rechten.

Het debat, dat werd gevoerd op basis van een ontwerptekst van het voorzitterschap waarin in totaal twaalf parameters worden voorgesteld, was bedoeld om duidelijkheid te verkrijgen omtrent bepaalde punten, zodat de Raad de vereiste politieke keuzes kan maken voor de toekomstige besprekingen over deze verordening. Het voorzitterschap heeft twee vragen gesteld over de situatie van grensarbeiders en één over de uitbreiding van het toepassingsgebied van de verordening tot onderdanen van derde landen.


1. Ziekteverstrekkingen aan gepensioneerde grensarbeiders De huidige verordening bepaalt dat grensarbeiders ziekteverstrekkingen kunnen krijgen in de lidstaat waar ze werkzaam zijn, maar dat ze dat recht verliezen wanneer ze met pensioen gaan; ze zijn dan genoopt hun medische onderzoeken te vervolgen in de lidstaat waar zij woonachtig zijn, waardoor zij verplicht zijn hun gewoontes te veranderen. De vraag aan de lidstaten was of deze gepensioneerde grensarbeiders hun ziekteverstrekkingen niet kunnen blijven krijgen in de lidstaat waar zij het laatst hebben gewerkt. De voorzitter besloot de gedachtewisseling met de constatering dat het voor sommige lidstaten problematisch ligt om gepensioneerden in het algemeen deze keuze te bieden, met name omdat zodoende een discriminerende situatie zou worden geschapen ten opzichte van de andere gepensioneerden, die dit recht niet genieten. Het debat heeft uitgewezen dat niettemin zelfs die lidstaten erkenden dat er bepaalde concrete gevallen bestaan waarvoor een pragmatische oplossing gevonden moet worden, bijvoorbeeld wanneer medische behandelingen werden voortgezet die vóór het ingaan van het pensioen waren begonnen.

2. Werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders De vraag was welke staat bevoegd moet zijn voor het uitbetalen van werkloosheidsuitkeringen aan voormalige grensarbeiders: de lidstaat waar ze het laatst hebben gewerkt of die waar zij woonachtig zijn.
Het voorzitterschap concludeerde dat het debat moet worden voortgezet aangezien er uiteenlopende opvattingen blijven bestaan over de toekenning van de bevoegdheid aan de lidstaat waar ze het laatst hebben gewerkt. Sommige lidstaten vreesden dat in dat geval de autoriteiten die bevoegd zijn voor arbeidsbemiddeling en de autoriteiten die bevoegd zijn voor de uitbetaling van de werkloosheidsuitkering niet dezelfde zouden zijn en zich niet in dezelfde staat zouden bevinden. Bovendien zouden de financiële lasten dan mogelijk onbillijk verdeeld kunnen zijn.
3. Uitbreiding tot onderdanen van derde landen Het voorzitterschap had voorgesteld om, in het verlengde van de conclusies van de Europese Raad van Tampere, het debat over de uitbreiding van het toepassingsgebied van de socialezekerheidsstelsels tot onderdanen van derde landen die legaal in de Gemeenschap wonen en werken, te heropenen en zodoende een eind te maken aan een onbillijke behandeling. De voorzitter concludeerde dat geen enkele lidstaat tegen uitbreiding van het toepassingsgebied van Verordening nr. 1408/71 was, ook al hadden sommige deze kwestie gekoppeld aan de keuze van de rechtsgrondslag waarop die uitbreiding gebaseerd zou worden. Voorts waren sommige lidstaten nog bezig met het bestuderen van de gevolgen en het bereik van de rechten die onderdanen van derde landen zouden kunnen genieten.
Als rechtsgrondslag had de Commissie de artikelen 18 (vrij verkeer van Europese burgers) 42 (coördinatie van de sociale zekerheid) en 308 (maatregelen in verband met de interne markt) voorgesteld. Sommige lidstaten waren eerder voor artikel 63, lid 4 (immigratiebeleid). De Raad besloot het Comité van permanente vertegenwoordigers op te dragen een oplossing te vinden voor de passende rechtsgrondslag, en zodoende het algemene vraagstuk van de uitbreiding van de verordening tot onderdanen van derde landen te regelen.

Er is afgesproken dat de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december 2001 de parameters zal aannemen en deze vervolgens zal voorleggen aan de Europese Raad van Laken van 14-15 december a.s. Tegelijkertijd zou er een tijdsschema voor de bespreking van de bepalingen van de verordening tijdens het Spaanse en het Deense voorzitterschap moeten worden vastgesteld. Deze zullen vervolgens redactievoorstellen voorleggen.

Aan de hervorming van de oude verordening, die uit 1971 dateert, is een begin gemaakt met de indiening van een Commissievoorstel van 21 december 1998. Dit voorstel strekt tot modernisering en vereenvoudiging van het huidige stelsel. De verordening is namelijk herhaaldelijk gewijzigd en is in de loop der tijd zowel voor de autoriteiten die ze moeten toepassen, als voor de burger die ze moeten begrijpen, zeer gecompliceerd geworden.

EUROPEES JAAR VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP

In afwachting van het advies van het Europees Parlement, dat voor november wordt ingewacht, heeft de Raad geconstateerd dat er in het algemeen positief is gereageerd op het ontwerp-besluit betreffende het Europees jaar van personen met een handicap 2003. Doel is het besluit na de bestudering van de amendementen van het Parlement, tijdens de zitting van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 3 december 2001 aan te nemen.

Het voorstel beoogt enerzijds de publieke opinie bewust te maken van de rechten van personen met een handicap en van hun positieve bijdrage aan de samenleving, van de problemen waarmee zij vanwege hun handicap geconfronteerd worden en van de vele vormen van discriminatie waaraan zij blootgesteld zijn. Anderzijds heeft het ten doel aan te zetten tot bezinning op de maatregelen die nodig zijn om hun problemen aan te pakken, de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen en de samenwerking tussen alle partijen die bij dit vraagstuk betrokken zijn, te versterken. In het voorstel wordt twaalf miljoen euro uitgetrokken voor acties op Gemeenschapsniveau en vooral op nationaal vlak.

e-INSLUITING -RESOLUTIE

De Raad heeft de onderstaande resolutie aangenomen om tot uitdrukking te brengen dat de informatiemaatschappij en de mogelijkheden daarvan voor iedereen toegankelijk moeten zijn en niet mogen leiden tot nieuwe vormen van uitsluiting.

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE:

(1) ERAAN HERINNEREND dat de Gemeenschap onder meer tot taak heeft in de gehele Gemeenschap een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan, alsmede economische en sociale samenhang te bevorderen;
(2) HERINNEREND AAN de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de Regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad (17 december 1999) bijeen, over de werkgelegenheids- en sociale dimensie van de informatiemaatschappij ( 3); (3) ERAAN HERINNEREND dat de buitengewone Europese Raad van Lissabon (23 en 24 maart 2000) heeft opgeroepen tot het tot stand brengen van een informatiemaatschappij voor iedereen; (4) ERAAN HERINNEREND dat één van de door de Europese Raad van Nice (7 tot en met 9 december 2000) goedgekeurde doelstellingen voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is, het potentieel van de kennisgebaseerde maatschappij en van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën volledig te benutten en ervoor te zorgen dat niemand daarvan wordt uitgesloten, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan de behoeften van mensen met een handicap;
(5) ERAAN HERINNEREND dat de bevordering van de kennisgebaseerde maatschappij een centraal thema is in alle Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren, en met name dat deze richtsnoeren oproepen tot e-Learning-mogelijkheden voor alle burgers, bijzondere aandacht voor de behoeften van kansarmen, het aanboren van het werkgelegenheidspotentieel van de kennisgebaseerde maatschappij, en er bij de sociale partners op aandringen omstandigheden te creëren voor de computeralfabetisering van alle werknemers;
(6) ERAAN HERINNEREND dat in de in februari 2000 aangenomen mededeling van de Commissie "Strategieën voor banen in de informatiemaatschappij" de nadruk wordt gelegd op de mogelijkheden die de informatiemaatschappij biedt om de leef- en werkomstandigheden van alle burgers te verbeteren, en ERKENNEND dat lering kan worden getrokken uit eerdere ervaring op gebieden zoals economische ontwikkeling, overdracht van technologie en duurzame ontwikkeling op gemeenschapsniveau; (7) ERAAN HERINNEREND dat tijdens de gezamenlijke informele vergadering van de ministers van werkgelegenheid en de ministers van telecommunicatie in Luleå (16 februari 2001) de aandacht is gevestigd op de rol van de informatie- en
communicatietechnologieën (ICT) als motor voor groei en werkgelegenheid in Europa en de nadruk is gelegd op de noodzaak om het gebrek aan ICT-vaardigheden te verminderen en computeralfabetisering te bevorderen, en ERKENNEND dat het zaak is werklozen in staat te stellen dit banenpotentieel te benutten door hun een passende opleiding in ICT-vaardigheden te geven; (8) ERAAN HERINNEREND dat de sociale partners en de niet-gouvernementele organisaties een sleutelrol spelen bij het overbruggen van de digitale kloof, door toegang voor allen tot de kennisgebaseerde maatschappij te bevorderen en door het daaruit voortvloeiende potentieel, met name in termen van banen en kwalificaties, te benutten;
(9) ERAAN HERINNEREND dat één van de hoofddoelstellingen van het door de Europese Raad van Feira (19 en 20 juni 2000) goedgekeurde actieplan "eEurope 2002" is, te bewerkstelligen dat iedereen kan deelnemen aan de kennisgebaseerde economie en met name dat de beleidscoördinatie op Europees niveau doeltreffender wordt om info-uitsluiting te vermijden;
(10) ERAAN HERINNEREND dat in de aan de Europese Raad van Stockholm (23 en 24 maart 2001) voorgelegde mededeling van de Commissie "eEurope 2002 - Effecten en Prioriteiten" het prioritaire karakter van e-Insluiting wordt benadrukt en de Groep op hoog niveau Werkgelegenheids- en Sociale dimensie van de Informatiemaatschappij (ESDIS) wordt opgeroepen het proces van sociale insluiting te ondersteunen door vóór eind 2001 een verslag inzake e-Insluiting op te stellen om de coördinatie van het beleid te verbeteren en het ontstaan van een digitale kloof in Europa te voorkomen;
(11) IN DE WETENSCHAP dat dit verslag, dat als werkdocument van de Commissiediensten onder de titel "e-Inclusion. The Information Society's potential for social inclusion in Europe" is ingediend, gebaseerd is op een enquête van Eurobarometer en een grootschalige uitwisseling van beleidspraktijken tussen de vertegenwoordigers van de lidstaten in de ESDIS-Groep op hoog niveau; dat in die analyse obstakels worden aangegeven die deelneming aan de informatiemaatschappij in de weg staan, alsmede beleidsterreinen die zich ertoe lenen de insluiting van kansarmen in de informatiemaatschappij te verbeteren en te zorgen voor een doeltreffend en duurzaam technologiegebruik dat volledig in de plaatselijke economie is geïntegreerd;
(12) REKENING HOUDEND met de aanbevelingen van de ESDIS-Groep op hoog niveau op basis van die analyse,

ROEPT DE LIDSTATEN OP:

I. het potentieel dat de informatiemaatschappij kansarmen biedt aan te boren door:


1. faciliteiten te verstrekken voor passende on-line-inhoud en
-diensten die ter beschikking worden gesteld op basis van vraagprofielen, voor iedereen begrijpelijk en betaalbaar zijn, ondersteund worden door regelmatige controles van de gebruikersvriendelijkheid, ook voor personen met een handicap en andere personen met speciale behoeften, en met name on-line-diensten voor specifieke doelgroepen op gebieden als sociale bescherming, werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, gezondheid, huisvesting en justitie, terwijl waar nodig de fundamentele openbare diensten tegelijkertijd off-line toegankelijk blijven;

2. faciliteiten te bieden aan lokale gemeenschappen door de stimulering van financiële en technische steunverlening voor de ontwikkeling van on-line-diensten en netwerken, met name in achtergestelde stadsbuurten, minder begunstigde plattelands- en perifere gebieden en door meer aandacht voor de behoeften van deze gebieden in het kader van e-Government (digitale overheid);


3. ICT-vacatures te creëren, in samenwerking met de sociale partners, in het kader van de werkgelegenheidsrichtsnoeren, en in het bijzonder

a) door werklozen en niet-actieve personen, werknemers die het risico lopen uitgesloten te raken, met inbegrip van oudere werknemers, en mensen met een handicap een ICT-opleiding en ander onderricht te geven, aansluitend bij hun individuele behoeften en arbeidsvoorwaarden, via stimuleringsmaatregelen om een erkend diploma ICT-basisvaardigheden te behalen, zoals het Europees Computer Rijbewijs (ECDL), en door het volgen van omscholingscursussen in ICT of e-businessvaardigheden aan te moedigen, en
b) door telewerken en on-line-personeelswerving te bevorderen.

II. obstakels in de informatiemaatschappij weg te nemen door:


1. mensen meer bewust te maken van de mogelijkheden en uitdagingen van de informatiemaatschappij, met name mensen met "koudwatervrees" voor technologie, waaronder ouderen, en gemeenschappen die het risico van digitale uitsluiting lopen, alsook door ICT-producenten, informatieleveranciers, sociale partners en politieke actoren gevoelig te maken voor de speciale behoeften van kansarmen qua ICT-apparatuur, on-line-inhoud en banen in de informatiemaatschappij;


2. ICT-toegang beschikbaar en betaalbaar te maken, bijvoorbeeld
a) door steun te bieden voor het creëren van gebruikersvriendelijke openbare internettoegangspunten in alle lokale gemeenschappen, waarbij kan worden gedacht aan gratis toegang, on-site-opleidingsfaciliteiten en locaties die aantrekkelijk zijn voor kansarmen en toegankelijk voor personen met een handicap, b) door doelgerichte stimuleringsmaatregelen te treffen die erop gericht zijn kansarmen persoonlijk aan te zetten tot het kopen of gebruiken van ICT-producten,
c) door ICT-infrastructuren aan te leggen in afgelegen of versnipperde locaties, en
d) door de mogelijkheden van andere technische platforms voor e-Insluiting te benutten, zoals mobiele communicatie of digitale TV;


3. computeralfabetisme te bevorderen als een mogelijkheid om volwaardig in de samenleving te kunnen functioneren, daarbij inspelend op specifieke scholingsbehoeften, mede door de ontwikkeling van netwerken van centra voor e-Learning, inzonderheid voor kansarmen;


4. technische belemmeringen voor mensen met een handicap weg te nemen als het gaat om ICT-apparatuur en webinhoud, met name door de verschillende acties in het kader van eEurope uit te voeren, die onder toezicht staan van de Groep deskundigen inzake e-toegankelijkheid;


5. de ontwikkeling van specifieke software te bevorderen die aangepast is aan de specifieke behoeften van kansarme groepen.

III. partnerschappen van alle belanghebbenden te bevorderen, met nadruk op de regionale en lokale dimensie, door:
1. de bovengenoemde maatregelen inzake e-Insluiting binnen alle betrokken beleidssectoren tot integraal element van de bestrijding van sociale uitsluiting te maken;

2. de centrale rol van de regionale en lokale actoren, de sociale partners en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te stimuleren - wat mede inhoudt dat zij als producenten van informatie en inhoud gaan fungeren en de gemeenschap in ruimere zin actief in de voordelen van de nieuwe technologie laten delen - en partnerschappen tussen de overheid en de particuliere sector optimaal te benutten;

3. naar behoren rekening te houden met de verschillende niveaus van digitale uitsluiting waar dan ook in de lidstaten, en daar voor de verschillende kansarme gemeenschappen passend op te reageren;

4. het principe van gendergelijkheid te integreren in het beleid inzake e-Insluiting, en er in het bijzonder op te letten dat vrouwen de opleidings- en werkgelegenheidskansen die de informatiemaatschappij biedt in ruimere mate aangrijpen;
5. in voorkomend geval maatregelen inzake e-Insluiting in het kader van de structuurfondsen, en met name binnen het Europees Sociaal Fonds te stimuleren,

ROEPT DE COMMISSIE OP:


1. terdege rekening te houden met de uitdagingen en kansen van e-Insluiting met het oog op verdere ontwikkelingen van de strategie inzake sociale insluiting, ook in de context van de open coördinatiemethode op Europees niveau;

2. de verdere concretisering van het werkgelegenheidspotentieel van de informatiemaatschappij voor werklozen in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie te bevorderen;
3. maatregelen inzake e-Insluiting in voorkomend geval in het kader van de structuurfondsen, en met name binnen het Europees Sociaal Fonds te stimuleren - met inachtneming van andere prioriteiten - en hiervoor ook binnen andere communautaire actieprogramma's stimulansen te bieden;

4. in samenwerking met de ESDIS-Groep op hoog niveau de vorderingen inzake doeltreffende coördinatie van het beleid betreffende e-Insluiting in het kader van de strategieën op het gebied van werkgelegenheid en sociale insluiting te toetsen en te analyseren en daarover verslag uit te brengen in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid en in het samenvattend verslag over de bestrijding van sociale uitsluiting en armoede.

STRIJD TEGEN ARMOEDE EN SOCIALE UITSLUITING

De Raad heeft nota genomen van de verslagen van het voorzitterschap en de voorzitter van het Comité voor sociale bescherming over de stand van zaken betreffende de opstelling van indicatoren voor de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting. De bedoeling is dat de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid op 3 december 2001 een aantal indicatoren aanneemt die, overeenkomstig het door de Europese Raad van Stockholm van maart 2001 verstrekte mandaat, vervolgens aan de Europese Raad van Laken van december dit jaar zullen worden voorgelegd.

Dankzij deze indicatoren zal de situatie in de verschillende lidstaten beter in kaart worden gebracht, bevattelijker worden gemaakt en zullen de ontwikkelingen beter kunnen worden gevolgd. De besprekingen over de indicatoren worden gevoerd in het Comité voor sociale bescherming, dat daartoe een subgroep heeft ingesteld. Het werk in de subgroep vordert snel en de lidstaten zijn het reeds eens geworden over 13 indicatoren die drie belangrijke aspecten van sociale uitsluiting bestrijken, te weten financiële toestand, werkgelegenheid en gezondheid. Over de twee overige aspecten, onderwijs en huisvesting, lopen de besprekingen nog.

Er zij aan herinnerd dat in het kader van de Europese strategie ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting op Europees niveau passende doelstellingen zijn vastgesteld (in oktober 2000) en dat de lidstaten dit jaar voor het eerst nationale actieplannen hebben ingediend om de in Europees verband afgesproken doelstellingen te realiseren.

KWALITEIT EN HOUDBAARHEID VAN DE PENSIOENEN

De Raad heeft nota genomen van de stand van zaken m.b.t. het tussentijdse verslag over de kwaliteit en de houdbaarheid van pensioenen dat het Comité voor sociale bescherming en het Comité voor economische politiek gezamenlijk moeten opstellen. Beide Comités proberen uit te zoeken hoe de open coördinatiemethode specifiek op de pensioenen kan worden toegepast, en aan welke doelstellingen de pensioenstelsels moeten voldoen. Ook werken zij aan een tijdschema voor de uitvoering. Over de laatste twee punten zijn nog besprekingen aan de gang.

De voorzitter concludeerde dat de Raad met grote belangstelling uitkijkt naar het verslag dat op 3 december 2001 aan de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid zal worden voorgelegd en dat vervolgens naar de Europese Raad van Laken in december toegaat.

RESULTAAT VAN DE CONFERENTIES EN SEMINARS

De Raad heeft kort aandacht besteed aan enkele conferenties en seminars die sedert eind juli hebben plaatsgevonden.

DIVERSEN


- NIEUW VOORSTEL OVER BLOOTSTELLING AAN ASBEST

De Raad heeft nota genomen van een document van de Commissie over haar onlangs aangenomen voorstel tot wijziging van de richtlijn van 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk (Richtlijn 83/477/EEG).

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

De documenten waarvan het referentienummer is vermeld zijn beschikbaar op de webpagina van de Raad
ue.eu.int. Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen is verkrijgbaar op de bovenbedoelde webpagina of bij de Persdienst.)

MILIEU

Prioritaire schadelijke stoffen op het gebied van het waterbeleid *

De Raad heeft de beschikking tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van waterbeleid en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (doc. PE-CONS 3645/01 + 11550/01 ADD 1) formeel aangenomen. In de tekst van de beschikking zijn alle amendementen overgenomen die het Europees Parlement in eerste lezing had aangenomen en waarmee de Raad Milieu van 7 juni 2001 reeds had ingestemd. De tekst is derhalve na de eerste lezing aangenomen.

Doel van de beschikking is de invulling van bijlage X van de kaderrichtlijn voor het waterbeleid die in 2000 werd overeengekomen. Deze bevat een lijst van 33 stoffen of groepen van stoffen waarvan er een aantal als "prioritaire gevaarlijke stoffen" worden aangemerkt die onderworpen zijn aan stopzetting of geleidelijke afschaffing, alsook een aantal "te evalueren prioritaire gevaarlijke stoffen". Deze laatste worden mogelijk als zodanig aangemerkt bij de herziening van de gehele lijst.

De aanneming van de beschikking zal de Commissie in staat stellen een begin te maken met het opstellen van voorstellen voor maatregelen om deze prioritaire stoffen te beheersen.

Ozon in de lucht - bijeenroeping van het bemiddelingscomité

De Raad is tot het besluit gekomen dat hij niet alle amendementen van het Europees Parlement op zijn gemeenschappelijk standpunt over het richtlijnvoorstel betreffende ozon in de lucht kan overnemen (doc. 12176/01). Overeenkomstig de verdragsbepalingen over de medebeslissingsprocedure moet derhalve de bemiddelingsprocedure worden ingeleid.

INTERNE MARKT

Voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers

Nadat het Europees Parlement en de Raad op 25 juni 2001 in de vergadering van het Bemiddelingscomité een akkoord hadden bereikt, heeft de Raad de richtlijn betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/27/EG formeel aangenomen. Als het Parlement de gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, is de richtlijn dus definitief aangenomen.

Met deze richtlijn wordt beoogd geharmoniseerde bepalingen vast te stellen voor de goedkeuring van voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers (autobussen en touringcars). De richtlijn bestrijkt de belangrijkste aspecten van de veiligheid van autobussen, zoals stabiliteit, het gedrag bij kantelen, het aantal bedrijfsdeuren en nooduitgangen en de toegankelijkheid voor gehandicapten. In eerste instantie blijft deze richtlijn facultatief en zal zij naast de nationale goedkeuringssystemen bestaan, totdat Kaderrichtlijn 92/53/EEG verplicht wordt voor autobussen en touringcars.

LANDBOUW

Gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt

De Raad heeft de verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 3072/95 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt aangenomen.

Met dit voorstel wordt beoogd de betalingsdata voor oppervlaktesteun voor rijstbouw te harmoniseren met de oppervlaktesteun voor akkerbouwgewassen.

ONDERZOEK

Overeenkomst EG-Oekraïne

De Raad heeft het besluit aangenomen waarbij de Commissie wordt gemachtigd te onderhandelen over een overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne.

VIA DE SCHRIFTELIJKE PROCEDURE AANGENOMEN PUNT

VERVOER

Vervoer van reizigers en hun bagage per schip

De Raad heeft op 3 oktober via de schriftelijke procedure conclusies aangenomen betreffende de onderhandelingen bij de IMO over een nieuw protocol tot wijziging van het Verdrag van Athene van 1974 inzake het vervoer van reizigers en hun bagage per schip.


---
Footnotes:

( 1) doc. 14886/00 + doc. 12114/01 ADD 1.

( 2) doc. 14732/00 + doc. 11826/01 ADD 1.

( 3) PB C 8 van 12.1.2000, blz. 1.

---

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie