Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag LNV van de Landbouwraad te Luxemburg

Datum nieuwsfeit: 08-11-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Algemene Commissie voor Europese Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
IZ. 2001/1820
datum
08-11-2001

onderwerp
Verslag van de Landbouwraadd.d. 23 oktober te Luxemburg TRC 2001/11008 doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Op dinsdag 23 oktober jongstleden vond in Luxemburg een vergadering plaats van de ministers van Landbouw van de Europese Unie. Tijdens deze Raad werd de stand van zaken besproken ten aanzien van BSE in de EU. Daarnaast presenteerde de Commissie haar nieuwe voorstellen over zoönoses en twee voorstellen over Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO's). De eerste van de GGO-voorstellen gaat in op de marktintroductie van GGO's in levensmiddelen en diervoeders en de tweede gaat over traceerbaarheid en etikettering van GGO's en de traceerbaarheid van met GGO's geproduceerde levensmiddelen en diervoeders. Aansluitend vond tijdens de Raad een debat plaats over de gewasbeschermingsrichtlijn en zette de Commissie bondig de situatie op de rundvleesmarkt uiteen. Onder het punt diversen werd onder andere gesproken over de stand van zaken ten aanzien van Mond- en Klauwzeer in Engeland en het uitstel van de wereldvoedseltop van de FAO.

Tijdens de lunchbespreking kwam de stand van zaken bij de WTO-onderhandelingen ter sprake. Daarnaast werd deels op mijn verzoek van gedachten gewisseld over het onderwerp bio-terrorisme.

datum
08-11-2001

kenmerk
IZ. 2001/1820

bijlage

De Commissarissen Fischler en Byrne gaven tijdens de lunch een presentatie over het Commissieverslag met als titel: Overzicht van de EU-maatregelen na de gebeurtenissen van 11 september en evaluatie van de verwachte economische gevolgen. Onderdeel van dit verslag is een korte beschrijving over bedreigingen door biologische en/of chemische agentia. De Commissaris lichtte toe inmiddels bezig te zijn met de ontwikkelingen van een systeem voor de surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten, met inbegrip van een systeem voor snelle waarschuwing en maatregelen.

Aansluitend werd tijdens de lunch kort stilgestaan bij de stand van zaken ten aanzien van de WTO-onderhandelingen. Op basis van de alle ingediende papers, waaronder die van de EU, heeft de voorzitter van de Algemene Raad van de WTO, Stuart Harbinson, een ontwerp ministeriële verklaring voor Doha gepresenteerd. De concepttekst wordt door vrijwel alle onderhandelingspartners gezien als een goede basis voor de onderhandelingen.
De heer Fischler legde uit dat de onderhandelingspartners niet direct warm lopen voor het onderwerp dierenwelzijn. In algemene zin is het moeilijk de 'non-trade concerns' breed geaccepteerd te krijgen, zo voegde de Commissaris toe. Om toch druk op de handelspartijen te houden zet de Europese Commissie in op een minder vergaande tekst ten aanzien van markttoegang, exportsubsidies en interne steun en een aanscherping van de tekst op het gebied van de 'non-trade concerns'.

In mijn inbreng heb ik het belang onderstreept van de 'non-trade concerns'.

Bovine Spongiforme Encefalopathie (BSE)

De Voorzitter, mevrouw Neyts, leidde de discussie in door de lidstaten te duiden op de daadkrachtige beslissingen die in de Raad genomen zijn om de BSE-problematiek het hoofd te bieden. De communautaire maatregelen zoals bijvoorbeeld de verplichte BSE-testen, het verwijderen en vernietigen van SRM's, verbod wervelkolom, en het verbod op het gebruik van diermeel, worden in alle lidstaten toegepast. Op nationaal niveau hebben veel lidstaten aanvullende maatregelen genomen. Ondanks dat is de rundvleesmarkt nog steeds beneden het niveau van voor de crisis. Daarnaast komen veel lidstaten, in meer of mindere mate hun rundvleessector tegemoet middels financiering voor destructie van risicomateriaal en testen. Enige lidstaten hebben aangegeven dat hieraan meer gedaan moet worden op communautair niveau.

De Commissaris deelde mee dat reeds 4.6 miljoen snelle tests zijn uitgevoerd. In totaal zijn 381 runderen positief getest. Hieruit kan de voorzichtige conclusie getrokken worden dat de genomen maatregelen inderdaad positieve effecten lijken te hebben. Uit de gegevens valt een trend af te leiden over het leeftijdsprofiel van runderen waarbij BSE het meest voorkomt. Daaruit blijkt dat BSE in toenemende mate gevonden wordt bij jongere dieren. Het jongste rund waarbij BSE is vastgesteld was 42 maanden, zo vervolgde de heer Byrne.

Aansluitend stond de Commissaris kort stil bij het onderzoek dat in het Verenigd Koninkrijk is uitgevoerd naar BSE bij schapen. Dit onderzoek vertoont veel tekortkomingen en biedt derhalve geen goede basis om mee verder te gaan. Voorlopig is er geen reden het beleid ten aanzien van BSE bij schapen en geiten aan te passen. Er zijn immers in het kader van de TSE-verordening reeds veel maatregelen getroffen om de consument te beschermen. Daarnaast wordt intensiever gecontroleerd vergeleken met het verleden. De Commissaris hoopte op korte termijn wel met nieuwe voorstellen te komen met name gericht op verbetering van tests en onderzoek naar resistentie tegen TSE's bij schapen.

Afsluitend ging de Commissaris in op de beschikbare verbrandingscapaciteit binnen de EU. Het blijkt dat er 46% te weinig verbrandingscapaciteit beschikbaar is. Lidstaten dienen derhalve te waken voor illegale dumping.

Het Verenigd Koninkrijk gaf uitleg over het mislukte BSE-onderzoek bij schapen en geiten. Het betreffende onderzoek is een onderdeel uit een breed pakket van onderzoeksprogramma's. Het onderzoek moest aantonen of het mogelijk is schapen en geiten met BSE te besmetten. Het bleek echter dat onderzoeksmonsters besmet waren met runderhersenen, zodat geen conclusies zijn te trekken. Om toch op genoemde vragen antwoord te geven dient nieuw onderzoek uitgevoerd te worden.

Van Nederlandse zijde heb ik laten weten de situatie ten aanzien van het BSE-onderzoek te betreuren. Dat onderzoek voortgezet wordt, ondersteun ik. Aansluitend heb ik ingebracht dat Nederland vergevorderd is met fokprogramma's inzake genetische ongevoeligheid voor BSE bij schapen. Tevens heb ik de Commissie verzocht onderzoek naar genetische resistentie bij geiten te bevorderen. De beste garantie tegen BSE-incidentie bij schapen zijn uiteraard BSE-resistente dieren. Ik heb mijn inbreng afgerond door nogmaals de aandacht te vestigen op het belang van goede Identificatie en Registratie (I&R). Een centraal data-systeem kan daar een waardevolle bijdrage aan leveren. Ik heb wederom de suggestie gedaan om toekenning van de ooipremie deels afhankelijk te maken van deelname aan het I&R-systeem.

De lidstaten waren eensgezind in hun reactie. Zij uitten hun zorgen over de mogelijke situatie die zou kunnen ontstaan als inderdaad BSE bij schapen en geiten aangetoond wordt. De noodzaak voor verder onderzoek werd breed ondersteund alsook het werken aan goede identificatie en tracering.

Zoönosen

De Commissie heeft een verslag gepubliceerd dat een beschrijving geeft van de huidige situatie betreffende de aanwezigheid van zoönoses (ziekten die van dieren op de mens kunnen worden overgedragen) en zoönoseverwekkers. In het verslag wordt uiteengezet over welke wettelijke instrumenten de Gemeenschap op dit moment beschikt om zoönoses te bestrijden. Veel nadruk wordt gelegd op de ervaring die is opgedaan met de tenuitvoerlegging van de wetgeving voor specifieke zoönoses. Geconcludeerd wordt dat er weliswaar vooruitgang geboekt is met de bewaking en bestrijding van zoönoses, maar dat deze maatregelen moeten worden geïntensiveerd.

De Commissaris ging in op de voorstellen die de Commissie tegelijkertijd met het verslag heeft gepresenteerd. Deze voorstellen hebben tot doel de huidige wetgeving te verbeteren door een systeem in het leven te roepen om zinvollere en beter vergelijkbare gegevens te genereren over het vóórkomen van zoönoses bij mensen en dieren. Deze gegevens kunnen vervolgens gebruikt worden voor risico-evaluaties. De heer Byrne lichtte toe dat deze voorstellen noodzakelijk zijn omdat de huidige situatie ten aanzien van zoönoses niet bevredigend is. Er komen nog steeds teveel besmettingen voor, met name salmonellabesmettingen. Het op te zetten monitoringssyteem dient te worden geharmoniseerd via aanpassing van de comitologie. Ook de voedingsmiddelenindustrie wordt gestimuleerd te komen met eigen programma's die aansluiten bij de nationale programma's.

Ik heb aangegeven blij te zijn met het verslag. Voor wat betreft het voorstel bracht ik in het onaanvaardbaar te vinden dat pas in 2009 gegarandeerd sallmonellavrije producten in de winkels zullen liggen. Het probleem van salmonellabesmetting in de EU is onaanvaardbaar hoog. Daarnaast heb ik ervoor gepleit om ook campylobacter mee te nemen in de voorstellen hoewel deze zoönose moeilijker te bestrijden is. Punt van zorg is eveneens dat eisen die in de voorstellen neergelegd zijn moeilijk te realiseren lijken voor de biologische landbouw.

Enige delegaties, met name die uit de zuidelijke landen van de EU, gaven aan dat het ambitienieveau van de voorstellen erg hoog is. Deze landen verzochten de Commissie dan ook om financiële ondersteuning. De meer noordelijke lidstaten gaven aan juist enigszins teleurgesteld te zijn over het ambitieniveau. Tot deze groep behoort ook Nederland.

In antwoord op onder andere mijn vragen deelde de heer Byrne mee dat in het voorstel de mogelijkheid open wordt gehouden ook andere zoönoses op te nemen. Aangaande het ambitieniveau van de voorstellen, die een aantal lidstaten te laag vond, liet de Commissaris weten dat het doel van de Commissie is om alle lidstaten naar een hoger niveau te brengen. Om die reden is gezocht naar een ambitieniveau waar alle lidstaten zich in kunnen vinden. Op mijn vraag over de specifieke situatie in biologische landbouw antwoordde de Commissie dat hier uitgebreid over nagedacht is en de Commissie tot de conclusie is gekomen dat er voldoende mogelijkheden zijn voor de biologische landbouw om de gestelde eisen te kunnen naleven. De Commissaris verwees hierbij naar positieve ervaringen die zijn opgedaan in de Scandinavische landen.

Gewasbeschermingsrichtlijn

Mevrouw Neyts deelde mee dat het Belgische Voorzitterschap er voor gekozen heeft om besluitvorming over de gewasbeschermingsrichtlijn plaats te laten vinden in de Milieuraad. Om reden van het grote belang van deze Richtlijn voor de landbouw en het feit dat besluitvorming tot op heden aan de Landbouwraad was voorbehouden, is het onderwerp ook geagendeerd voor de Landbouwraad.

De heer Byrne lichtte toe dat het verslag in gaat op de inspanningen van Commissie en lidstaten die in het verleden zijn gedaan om middelen te harmoniseren. De beoordelingstermijn tot 2003, zoals afgesproken in de EU-gewasbeschermingsrichtlijn van 1991, blijkt niet haalbaar. Om die reden stelt de Commissie voor de datum te verschuiven naar 2008. Tevens worden de beoordelingsprocedures aangescherpt waarbij mede een actievere rol van de fabrikanten wordt geëist inzake het aanleveren van complete dossiers om de middelen te kunnen beoordelen. Als gevolg van de strengere procedures en de actievere rol die nodig is van fabrikanten voor het aanleveren van dossiers, sprak de heer Byrne de verwachting uit dat in juli 2003, honderden stoffen van de markt gehaald zullen worden door producenten. De Commissie is zich ervan bewust dat dit voor veel landbouwers (en lidstaten) problemen op zal leveren. De Commissaris zei daarom toe dat samen met de lidstaten gezocht zal worden naar oplossingen om aan dit probleem tegemoet te komen zonder de doelstelling van de richtlijn aan te tasten. De heer Byrne sloot af met de mededeling dat de voorstellen en de discussie in de Raad bedoeld is om de werking van de richtlijn te verbeteren.

Een groot aantal delegaties liet weten er sterk aan te hechten dat besluitvorming over dit dossier in de Landbouwraad plaatsvindt.

Van Nederlandse zijde heb ik aangegeven het belangrijk te vinden dat de Landbouwraad een stevige inhoudelijke betrokkenheid behoudt bij dit dossier. Ik heb het Voorzitterschap gewezen op het feit dat ministers van Landbouw het algemeen belang dienen en geen sectorvertegenwoordigers zijn en derhalve een uitgebalanceerde afweging - waarbij ook milieubelangen worden meegenomen - gewaarborgd is. Om die reden had ik ook een voorkeur voor besluitvorming in de Landbouwraad.

In reactie op de voorstellen van de Commissie heb ik herinnerd aan het feit dat Nederland herhaaldelijk heeft gepleit voor de inzet van extra menskracht om een snellere beoordeling mogelijk te maken om daarmee de oorspronkelijke termijn van 2003 te halen. Dat deze aanvankelijke deadline niet gehaald wordt, is treurig, zo hield ik de Commissaris voor. Mede met het oog op de specifieke problemen in Nederland alsmede met het oog op de concurrentieverhoudingen binnen de EU heb ik de Commissie verzocht om bij de nieuwe beoordelingsprocedure de meest schadelijke stoffen prioriteit te geven. Afsluitend heb ik de Commissie nog gevraagd hoe zij verdere vertraging wil voorkomen en hoe ze denkt om te gaan met de problemen met de kleine toepassingen.

De Commissaris deelde mee dat de voorstellen snel in behandeling worden genomen. De beoordelingen van de stoffen zullen in een strakker tijdsschema behandeld worden. Op die manier kan gegarandeerd worden dat het gehele beoordelingsproces op z'n laatst in 2008 voltooid zal zijn. De voornaamste reden voor de vertragingen in het verleden zijn ontstaan als gevolg van een gebrek aan middelen. Ik was blij te vernemen dat de Commissaris meedeelde dat prioriteit zal worden toegekend aan de evaluatie van de meest schadelijke stoffen. Inzake kleine teelten liet de heer Byrne weten dat de Commissie voorlopig geen medefinanciering beschikbaar stelt om deze middelen in stand te houden. Hij sprak dan ook de vrees uit dat op termijn deze type gewasbeschermingsmiddelen kunnen verdwijnen, met name in de kleinere lidstaten. De Commissaris gaf wel aan dat dit een serieus probleem is waar de Commissie energiek aan zal blijven werken om te komen tot mogelijke oplossingen.

De Voorzitter vatte samen dat een nuttige gedachtewisseling had plaatsgevonden. Zij zei dat de meningen van de landbouwministers uiteraard erg belangrijk zijn. Daarom zal voor de Landbouwraad van november het gewasbeschermingsbeleid opnieuw geagendeerd worden waarna de Milieuraad op een later tijdstip besluiten kan nemen.

Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO's)

De Voorzitter zette uiteen dat de twee nieuwe voorstellen inzake de GGO's die de Commissie heeft gepresenteerd opgenomen zijn in het Witboek voedselveiligheid. De voorstellen zijn erop gericht te komen tot verbetering van de transparantie en om het vertrouwen van de consument te versterken. Deze voorstellen maken deel uit van de bredere discussie over gebruik van biotechnologie in de EU.

De Commissie had de twee voorstellen al tijdens de Informele Landbouwraad in Alden Biesen kort toegelicht. Het eerste voorstel gaat over de marktintroductie van GGO's in levensmiddelen en diervoeders en van GGO's afgeleide producten.
Daarvoor bestaan momenteel slechts gedeeltelijk communautaire regels, alleen nog voor levensmiddelen die GGO's bevatten. De kern van dit voorstel is drieledig: 1) één geharmoniseerde veiligheidsbeoordeling uitgevoerd door de Europese Voedselautoriteit; 2) één systeem van etikettering; 3) GGO-voedingsmiddelen en -diervoeders mogen uitsluitend via een autorisatieprocedure op de markt komen.

Het tweede voorstel biedt een kaderregeling voor de traceerbaarheid en etikettering van GGO's en traceerbaarheid van geproduceerde voedingsmiddelen en diervoeders die afkomstig zijn van GGO's. De bedoeling is dat GGO's in alle stadia van de productie- en distributieketen traceerbaar zijn en worden geëtiketteerd. Traceerbaarheid is nodig om de etiketteringsbepalingen te kunnen controleren en om producten die onvoorziene schadelijke effecten blijken te hebben voor mens, dier of milieu uit de handel te kunnen nemen.

De heer Byrne lichtte toe dat met de voorstellen verschillende doelen worden nagestreefd: een hoog beschermingsniveau van en keuzevrijheid voor consumenten en transparantie in uitvoering. De voorstellen zijn op deze beginselen gebaseerd. Om bovenstaande te kunnen garanderen is een goede wetenschappelijke risicobeoordeling noodzakelijk. Om die reden zijn beter gestroomlijnde procedures ontwikkeld, zo legde de Commissaris uit. Uitsluitend aantoonbaar veilige producten zullen op de markt toegelaten worden. De consument worden altijd twee keuzes gegarandeerd: GGO-vrij of niet. Hierbij gaat het erom dat alle type GGO's op het etiket vermeld moeten worden. Transparantie en openbare informatie met betrekking tot het beoordelingsproces is hierbij eveneens van belang, zo vervolgde de heer Byrne. Uitsluitend op deze manier kan de keuzevrijheid van de consument gegarandeerd worden.

Van Nederlandse zijde heb ik aangegeven dat ik in grote lijnen kan instemmen met de voorstellen. Dat neemt niet weg dat er zaken zijn die opheldering behoeven. Zo heb ik een aantal vragen aan de Commissaris voorgelegd onder andere met betrekking tot de consequenties van deze voorstellen voor de internationale handel. In mijn inbreng heb ik niet alleen verwezen naar de mogelijke handelsconflicten met de VS, maar ook op de implicaties van deze voorstellen voor ontwikkelingslanden. Aanvullend heb ik geduid op de praktische uitvoering voor het bedrijfsleven, daarover is meer duidelijkheid nodig. De administratieve systemen zullen namelijk erg complex zijn als gevolg van de lange productiekolommen en de vele ingrediënten in de voedingsmiddelen. Zoals ik reeds eerder heb laten blijken, vind ik het van essentieel belang dat de biologische landbouw gegarandeerd GGO-vrij blijft. Ik heb de Commissaris gevraagd dit onderwerp verder uit te diepen.

De Commissaris ging slechts ten dele in op de gestelde vragen. Hij benadrukte het belang van een goede risicobeoordeling. Vele aspecten dienen hierbij betrokken te worden zoals onder andere een rationeel communicatiebeleid. Over de gevolgen voor de handelsbetrekkingen met de VS en de mogelijke consequenties die daaruit voortvloeien, liet de heer Byrne weten dat hij daarover contact met het bedrijfsleven heeft gehad. Hij concludeerde daaruit dat het bedrijfsleven de mogelijke gevolgen heel anders inschat dan de Commissie. De Commissaris voegde eraan toe alles in het werk te stellen om de consequenties tot een minimum te beperken.
De biologische landbouw wordt beschouwd als een geheel eigen keten. Om die reden blijft coëxistentie gewoon mogelijk. De Commissie voert nog aanvullende studies uit om die mogelijkheid te blijven garanderen en te behouden.

De Voorzitter was van mening dat een nuttige uitwisseling van gedachten had plaatsgevonden. Ze concludeerde dat nog wel veel werk verzet moet worden, alvorens tot besluitvorming over deze voorstellen te kunnen komen.

Marktsituatie rundvlees

De Voorzitter zette uiteen dat in de Raad van juli een pakket maatregelen aangenomen is, het zogenaamde 7-puntenplan. Daarbij was afgesproken de ontwikkelingen op de markt intensief te volgen. De situatie op de markt is nog steeds slecht.

Commissaris Fischler zei nog geen gedegen overzicht te kunnen geven van de verschillende nationale hulpprogramma's. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld de tegemoetkoming in testkosten op BSE en andere marktondersteunende maatregelen. Het bleek dat niet alle lidstaten de hiervoor noodzakelijke input geleverd hadden aan de Commissie. Naar aanleiding van het verzoek in de Raad van juli om een gedegen overzicht had de Commissie een brief gestuurd aan de lidstaten met een verzoek om informatie terzake. Tot nu toe hadden slechts 12 van de 15 lidstaten gehoor gegeven aan deze oproep. De heer Fischler hoopte in de Raad van november het overzicht alsnog te kunnen geven.

Aansluitend gaf de Commissaris een beknopt overzicht van de rundvleesmarkt. Prijzen van jonge stieren in de EU zijn gemiddeld 15% onder het prijsniveau van 1999. Voor koeien is het prijsverschil 22% onder het gangbare niveau. De heer Fischler legde uit dat 1999 als referentiejaar is genomen omdat 2000 geen representatief jaar is. Voor wat betreft de consumentenvraag blijkt dat de vraag naar rundvlees 6% onder het normale niveau ligt. De heer Fischler sprak de verwachting uit dat het nog wel een tijdje zou duren tot dat het niveau van voor de crisis bereikt is. Indien de trend wordt doorgetrokken voor heel 2001 dan is een terugloop in de vraag van 10% een realistische inschatting. In aanvulling hierop vermeldde de Commissaris dat de export naar derde landen nog steeds niet echt op gang komt.

Op grond van de speciale marktmaatregelen is inmiddels 755.000 ton rundvlees uit de markt genomen. 241.000 ton is opgeslagen in het kader van de interventie en 328.000 ton in het kader van opkoop en destructie. In totaal is 185.000 ton rundvlees vernietigd met name in het Verenigd Koninkrijk uit het oogpunt van bestrijding van de MKZ-premie. Afsluitend riep de Commissaris de lidstaten op gebruik te blijven maken van de speciale opkoopregeling. Voor wat betreft de toekomst was de heer Fischler optimistisch. Zijn verwachting was dat in 2002 de marktondersteunende maatregelen niet meer nodig zullen zijn.

De Voorzitter dankte de Commissaris voor de uitgebreide toelichting. Ze sloot dit agendapunt af met een dringende oproep aan de drie lidstaten die nog geen informatie beschikbaar hadden gesteld omdat alsnog te doen.

Additieven (verzoek Verenigd Koninkrijk en Italië)

Het doel van dit voorstel van de Commissie is om een aantal vergunningen voor toevoegingsmiddelen in diervoeding in te trekken waarvan geen compleet dossier ter beoordeling bij de Commissie is ingediend. Op basis van de richtlijn zijn fabrikanten verplicht een degelijk dossier bij de Commissie in te dienen. Daarvoor was een ruime termijn uitgetrokken. Om reden dat de dossiers van een zestal middelen niet compleet waren, is de Commissie voornemens de vergunningen voor gebruik van deze middelen in te trekken.

De minister van Italië, de heer Allemanno, was van mening dat de bedoelde additieven geen probleem opleveren inzake dierenwelzijn en volksgezondheid. Hij wees op de bureaucratische wijze waarop dit dossier wordt behandeld door de Commissie. De heer Allemanno pleitte ervoor te komen tot een oplossing. Hij hoopte dat een compromis in deze te bereiken was. Het pleidooi van de Italiaanse minister werd gesteund door het Verenigd Koninkrijk.

De heer Byrne deelde mee bij de genomen beslissing te blijven om de vergunningen van zes additieven in te trekken. Hij motiveerde deze beslissing door te wijzen op het feit dat betreffende bedrijven vier jaar de tijd hadden om complete dossiers in te dienen. De betreffende fabrikanten hebben daar niet aan voldaan met als gevolg dat de vergunning ingetrokken wordt. Daarnaast, zo vervolgde de heer Byrne, zou het gedogen van deze producten een heel verkeerd signaal afgeven. Het staat bedrijven vrij opnieuw dossiers voor deze additieven in te dienen.

Stand van zaken MKZ (verzoek Verenigd Koninkrijk)

Het Verenigd Koninkrijk meldde dat er sinds 30 september geen nieuwe MKZ-gevallen bij gekomen waren. Echter, zo werd gewaarschuwd, het was nog te vroeg om de waakzaamheid te laten verslappen. Het Verenigd Koninkrijk dankte de lidstaten die gedurende de periode hun diensten hadden aangeboden.

Op 12 en 13 december vindt in Brussel de MKZ-conferentie plaats. Het Verenigd Koninkrijk was er van overtuigd dat de conferentie een zeer belangrijke discussie zou opleveren. De conclusies daarvan zullen als basis dienen voor het maken van een goed kader voor de preventie van MKZ.

De heer Fischler deelde mee zelf ook enigszins optimistisch te worden over de situatie in het Verenigd Koninkrijk. Hij sprak de wens uit dat geleidelijk aan de maatregelen opgeheven zouden kunnen worden.

De voorzitter sloot dit agendapunt af door de lidstaten op te roepen tot een actieve deelname aan de MKZ-conferentie op 12-13 december in Brussel.

Uitvoerrestituties voor slachtrunderen (verzoek Duitsland)

Op verzoek van Duitsland wordt dit agendapunt op de Raad van november besproken.

Conferentie te Ried (verzoek Oostenrijk)

De Oostenrijkse vertegenwoordiger gaf een toelichting op de conclusies van de conferentie die plaatsgevonden heeft op 4 september 2001 in Ried. Het betrof een: 'Dialogue Conference of the Ministers of Agriculture of Austria, Poland, Czech Republic, Slovakia, Hungary, Slovenia and Croatia'.

Deze conferentie had tot doel de dialoog tussen genoemde landen te stimuleren mede omdat deze landen een gemeenschappelijke historische en culturele achtergrond hebben.

Commissaris Fischler vulde de inbreng van Oostenrijk aan door de in zijn ogen twee belangrijkste conclusies van de conferentie te benadrukken: 1) Voor zowel de lidstaten als de kandidaat-lidstaten dienen dezelfde rechten en plichten te gelden; en 2) de besprekingen rondom de mid term review staan geheel los van de onderhandelingen over de uitbreiding van de EU.

Eiwitproblematiek (verzoek Italië)

Voorafgaand aan de discussie gaf de Voorzitter aan dat het onderwerp meer inhoudelijk besproken zal worden tijdens de Raad van november.

De Italiaanse minister Allemanno hield een bondig pleidooi voor het stimuleren van de productie van plantaardige eiwitten in de EU. Na het verbod op het verwerken van dierlijke eiwitten in diervoerders achtten verschillende lidstaten de tijd rijp om met hernieuwde energie te pleiten voor het inzetten van meer financiële steun voor de marktordeningen gericht op het stimuleren van eiwithoudende gewassen. Het Italiaanse pleidooi was met name gericht op oliehoudende zaden.

De Commissie koos ervoor niet in te gaan op het onderwerp gezien het feit dat de Voorzitter aankondigde tijdens de Raad van november dieper op de materie in te zullen gaan.

Interpretatie percentage vaarzen voor zoogkoeienpremie (verzoek Ierland)

In juni heeft de Raad een aantal maatregelen aangenomen die de problemen in de rundvleesmarkt moeten oplossen, het 7-puntenplan. Een van de elementen uit het 7-puntenplan was om veehouders die de zoogkoeienpremie aanvragen, verplicht te stellen om binnen hun kudde waarvoor ze premie aanvragen minimaal 15 % vaarzen te houden. Dit zou leiden tot minder kalveren en dus tot een lagere vleesproductie.

De Ierse minister, de heer Walsh, legde uit dat Ierland een probleem heeft met de interpretatie van deze regelgeving en vroeg om een soepele houding van de Commissie in deze zaak.

De Commissaris was niet van zins Ierland tegemoet te komen. Het aandeel van 15% vaarzen moet gelden voor de hele houdperiode. Voor deze interpretatie heeft de Commissie bewust gekozen. De heer Fischler was van mening dat het effect wegvalt als de interpretatie soepeler wordt toegepast. Van de regeling gaat namelijk een aanbodbeperkende werking uit.

FAO (verzoek Zweden)

Mevrouw Winberg, de Zweedse minister, bracht haar zorgen tot uitdrukking over het feit dat belangrijke onderwerpen door de uitstel van de wereldvoedseltop nu langer onbesproken blijven. Zij lichtte toe dat in 1996 afspraken vastgelegd zijn in een actieplan om het aantal mensen dat honger lijdt in de wereld met 15% te verminderen. Cijfers tonen aan dat dat streven bij lange na niet gehaald wordt. Mevrouw Winberg vroeg zich af hoe de inzet van het EU-ontwikkelingsbeleid effectiever kan worden. Zij wees hierbij op de mogelijkheid het EU-landbouwbeleid aan te passen om de negatieve effecten voor ontwikkelingslanden te verminderen.

Van Nederlandse zijde heb ik medegedeeld dat het belangrijk is dat een stevig politiek signaal van de Landbouwraad uitgaat dat toch op korte termijn de 'Wereldvoedseltop 5 jaar later' wordt gehouden. Ik heb gewezen op het strategisch belang van de FAO. Daarbij heb ik benadrukt dat de FAO niet alleen oog moet hebben voor de problemen van ontwikkelingslanden, maar tevens de balans moet vinden voor onderwerpen die evenzeer van belang zijn voor westerse landen, zoals voedselveiligheid. In dat kader heb ik eveneens de coherentie in EU-beleid onderstreept. Om die reden heb ik mijn collega's opgeroepen aanwezig te zijn bij de FAO-conferentie, begin november.

De heer Fischler gaf aan dat het inderdaad belangrijk is dat de wereld zich solidair toont met de ontwikkelingslanden. Hij wees er op dat de EU alleen al meer dan 40% uit ontwikkelingslanden importeert. Daarnaast heeft de EU ook het 'Everything but Arms' initiatief gepresenteerd. De Commissaris betreurde het dat geen andere landen tot op heden dit initiatief volgen. Het is derhalve belangrijk ook andere landen te bewegen hetzelfde te doen. Ook binnen WTO-verband diende meer rekening gehouden te worden met de situatie van ontwikkelingslanden, zo sloot de heer Fischler af.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst


---

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie