Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Burgerzaallezing minister van Boxtel

Datum nieuwsfeit: 14-11-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Burgerzaallezing minister van Boxtel
Een toespraak bij het onderwerp Grotestedenbeleid 14 november 2001
Een stad is vele steden
Voor Rotterdam maken we een uitzondering, omdat de stad zou ophouden te bestaan. Maar voor de rest van het land zijn we onverbiddelijk: alles van na 1945 moet weg!. Dat zegt de hoofdpersoon uit het boek de Passievrucht van Karel Glastra van Loon. Maar is dat zo? Zou Rotterdam ophouden te bestaan als we alle gebouwen van na 1945 weghalen: de torens van Nationale Nederlanden, de Lijnbaan, de Erasmusbrug? Natuurlijk niet! Rotterdam zou anders zijn, zou er anders uit zien, maar een stad - zeker een stad als Rotterdam - is méér dan een optelsom van infrastructuur en bebouwing, méér dan een verzameling gebouwen, wegen en bruggen.
Iedere stad is een unieke samenstelling van cultuur, historie en sociaal-economische verbanden, een gemeenschap van bewoners en bezoekers, een plek om te wonen, te werken en te recreëren. Dit geldt niet alleen voor de stad van verleden en heden, maar ook voor de stad van de toekomst. Mij is gevraagd te schetsen hoe zon stad van de toekomst er uit zal zien. Ik moet u teleurstellen: dat zal ik niet doen, of beter, dat kán ik niet doen. Want een stad, nu of later, is nooit in één woord, in één zin te vangen, kan nooit door één persoon volledig beschreven worden. Iedereen kijkt tenslotte vanuit een eigen, verschillend gezichtspunt naar een stad. De één ziet de stad als het decor voor een verhaal, de ander als een planologisch ontwerp, als een mogelijk nieuw afzetgebied, als een uitgaanscentrum of als een stukje familiegeschiedenis. Sommigen zien alleen de materiële stad, de stad van bedrijven, handel, input en output. Anderen zien alleen de gedroomde stad, de stad van de ideeën, gedachten en gevoelens. Maar een complete stad is een amalgaam van al die gezichtspunten. Geert Mak spreekt in dit verband van: de plaats waar al het tegengestelde zich concentreert: macht en recht, cultuur en barbarij, het goddelijke en het menselijke. Het is de klassieke plek van de tempel, de markt, het kasteel, de rechtbank, de academie. In die geschakeerdheid van het stedelijk landschap zijn, voor wie het wil zien, heden, verleden én toekomst aanwezig. Een toekomst die gemaakt wordt door de burgers, de bewoners van de steden. Dit besef, dit gegeven dat een complete stad een complexe stad is, én dat de betrokkenheid van de burger essentieel is, zijn belangrijke uitgangspunten van het grotestedenbeleid. Maar waarom hebben we eigenlijk een grotestedenbeleid nodig? Daar zijn drie allemaal even goede redenen voor. Reden één: steden zijn de motor zijn in onze moderne economische en internationale verhoudingen: de stad als plaats waar veel maatschappelijke ontwikkelingen samenkomen, als knooppunt voor handel en andere bedrijvigheid, als broedplaats voor innovatie en creativiteit.
Reden twee: het gaat de laatste decennia niet altijd even goed met onze steden. De Franse filosoof Michel Foucault stelde ooit: Als ergens heel veel over wordt gesproken, dan kun je er vergif op innemen dat dat een probleem is, iets wat mensen hoofdbrekens bezorgt. Ik denk dat dat zeker opgaat voor onze steden. De steden zijn de laatste decennia qua omvang en samenstelling immers sterk veranderd. Uit het twee weken geleden gepubliceerde SCP-rapport De stad in de omtrek blijkt dat bij de verhuizingen van de steden naar de suburbane gebieden, de huishoudens uit de hogere inkomensgroepen al tientallen jaren oververtegenwoordigd zijn. Tussen 1994 en 1998 is het aandeel van de middeninkomens in deze migratiestroom toegenomen. Daarvoor in de plaats worden de steden bevolkt door jonge en hoogopgeleide alleenstaanden en veel, vooral laag opgeleide, immigranten. Ook de economische functie en werkgelegenheidsstructuur in de steden veranderde; veel werkgelegenheid voor laaggeschoolden verdween, net als de bakker-op-de-hoek en de buurtsuper. De steden behielden wél hun culturele centrumfunctie met hun musea, scholen, theaters en andere voorzieningen. De steden zijn door deze ontwikkelingen uit balans geraakt. De sociaal-economische problemen stapelden zich op: scheefgroei van de arbeidsmarkt en de woningmarkt, toenemende onveiligheid en criminaliteit, toenemende armoede, zwarte scholen en onleefbaarheid. Reden drie: stedelijk beleid, stedelijke ontwikkeling - zoals uit het voorgaande blijkt - heeft vele aspecten: veiligheid, leefbaarheid, werkgelegenheid, sociale cohesie, verkeer en vervoer, onderwijs, zorg, integratie, armoede, criminaliteit, jeugdbeleid, etcetera. Aspecten die in samenhang, binnen één grotestedenbeleid moeten worden aangepakt. De gsb-methode
Kortom, er is in onze steden veel dat we willen behouden, veel dat we willen veranderen, veel dat we willen bereiken: meer dan genoeg redenen voor een grotestedenbeleid. Maar een grotestedenbeleid draait om meer dan een set inhoudelijke doelstellingen. Om de steden in balans te brengen en compleet te maken, om de problemen op te lossen, om een stad succesvol te besturen, te veranderen en te ontwikkelen moet de bestaande sturingsfilosofie op de schop. Onze steden moeten radicaal anders bestuurd worden; én de bestuurlijke verhouding tussen rijksoverheid en stedelijk bestuur moet radicaal veranderen.
Dat betekent: niet meer op Haagse hoogte nationale oplossingen bedenken voor lokale problemen. Niet meer ad hoc, per ministerie, per directie, steeds opnieuw het wiel uitvinden met een projectje hier of een subsidietje daar. Niet meer ieder voor zich en niemand voor ons allen. Dat betekent: decentraliseren, ontschotten, ontkokeren en samenwerken, of, met andere woorden: én het definiëren van de problemen én het vinden van oplossingen overlaten aan de lokale bestuurders, zorgen voor integraal en meerjarig beleid, budget en bestuur en partnerschap tussen bestuurders, burgers en bedrijven bevorderen.
Daarom heeft het huidige kabinet in 1998 gekozen voor een coördinerend bewindspersoon voor het grotestedenbeleid met bijzondere eigen bevoegdheden, werd er bijna 18 miljard, waarvan zon 5 miljard gulden éxtra uitgetrokken voor het grotestedenbeleid, gingen de steden aan de slag om op basis van hun stadsvisie voor tien jaar - hun eigen meerjarige ontwikkelingsplannen te schrijven, en werden eind 1999 met de vijfentwintig grote steden convenanten voor vier jaar gesloten op basis van de volgende nieuwe sturingsprincipes: · Decentralisatie met grotere beleidsruimte voor de steden · Wijkgerichte benadering · Een meer integrale aanpak tussen en binnen de fysieke, economische en sociale pijler van het grotestedenbeleid · Meerjarige programmatische afspraken · Eenmalige financiële verantwoording · Sturing op concrete resultaten
Ik noem deze nieuwe, andere manier van besturen de gsb-methode. Geen enkele stad is tenslotte hetzelfde, heeft dezelfde problemen, kiest voor dezelfde oplossingen. De gsb-methode kenmerkt zich door meer ruimte om vraagstukken integraal, territoriaal en decentraal op te lossen, in combinatie met in convenanten vastgelegde afspraken over te behalen resultaten. Hierdoor is het grotestedenbeleid democratisch, wendbaar en meetbaar. En dat werpt vruchten af. Inhoudelijk zien we een kentering in díe wijken, die jarenlang de verkeerde lijstjes hebben aangevoerd. Aan het eind van de vorige GSB-periode werd geconcludeerd dat de aandachtswijken onvoldoende profiteerden van de economische ontwikkeling van de steden. Nu constateren we dat de leefbaarheid en de veiligheid in deze buurten verbeteren en dat de werkgelegenheid aantrekt. Kijk maar naar de verbeteringen in Hoogvliet, de Millinxbuurt, én de succesjes van Feyenoord. Ik heb het dan over de wijk, niet over de voetbalclub
Burgerparticipatie en partnerschap
Dat zijn belangrijke stappen voorwaarts. Maar net zo belangrijk, en voor mijn betoog zelfs belangrijker, is het feit dat deze gsb-methode de bestuurscultuur en bestuurlijke organisatie in veel steden zienderogen weet te veranderen.
Bijvoorbeeld als het gaat om de relatie van de stad met haar inwoners. Op vele terreinen zijn steden bezig om de betrokkenheid van burgers en het lokale bedrijfsleven bij hun buurt, hun wijk, hun stad, te vergroten. Burgers, bestuurders en bedrijven kunnen - en moeten - samen de problemen benoemen en samen over mogelijke oplossingen nadenken. Niet alleen om het voor iedere verandering noodzakelijke draagvlak te creëren, maar om de dialectiek te bevorderen: het bedenken van een verzoening tussen alle aspecten van de stad, tussen alle bewoners, bestuurders en gebruikers, voor het zoeken van een juiste balans. Met andere woorden: zij moeten zich samen buigen over de vraag In welke stad willen we samen wonen?. Zeker in deze tijd, tijdens dit conflict tussen beschaving en terrorisme, is het van groot belang om te bouwen aan een hechte gemeenschap. Niet voor niks wordt in Maastricht het grotestedenbeleid samengevat met de slogan 'Mensen Maken Maastricht'. Inmiddels heeft deze slogan een centrale rol gekregen in ál het handelen van de stad. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop Maastricht de sterke delen van de stad koppelt aan de minder sterke delen: arbeidskrachten uit de zwakkere wijk kunnen gaan werken in de sterkere wijk en een deel van het rendement van de sterkere wijk , wordt gebruikt voor investeringen in de zwakkere wijk. Een goede samenwerking met het bedrijfsleven is de basis voor deze aanpak.
Om dergelijke wijkgerichte projecten in alle steden te stimuleren is onlangs het project 'Onze Buurt aan zet' gestart: 90 miljoen gulden voor projecten die bewoners nadrukkelijk weten te betrekken bij de verbetering van de veiligheid en leefbaarheid van hun buurt. Een onderwerp dat ook uw korpschef Lutken na aan het hart ligt. Mede door zijn inzet heeft Rotterdam nu een vijfjarig veiligheidsprogramma, zijn met elke gemeentelijke dienst afspraken gemaakt over hún bijdrage aan de veiligheid, en gaan alle 72 Rotterdamse wijken, in samenspraak met bewoners, bedrijven en instellingen een wijkveiligheidsplan opstellen. Een prima spin-off van het grotestedenbeleid! Net als de Digitale Trapveldjes! Niet alleen inhoudelijk, als manier om door ICT burgers meer te betrekken bij hun stad en hun bestuur, maar - net als de veiligheidsplannen - ook door de aanpak: ieder Trapveldje is een joint-venture tussen rijksoverheid, lokale overheid en bedrijfsleven. In Rotterdam zijn de zeventien Trapveldjes, met als topper het Digitale voetbalveld in het Kasteel van Sparta, een groot succes. Mede hierdoor heeft de gemeente Rotterdam besloten om maar liefst zestig E-centr@ verspreid over de wijken in te gaan richten. Momenteel zijn er 24 E-centr@ in opbouw, en 24 andere hebben recent te horen gekregen dat ze kunnen starten met bouwen. Van de 600.000 Rotterdammers is de helft inmiddels al actief op Internet. Geen stad begon eerder een dergelijk grootschalig en ambitieus programma.
Om ICT nóg beter te integreren in het grotestedenbeleid heeft een commissie onder leiding van de heer Cerfontaine, op mijn verzoek, een advies uitgebracht over het onderwerp ICT en de Stad . In het onlangs aan de Kamer aangeboden Kabinetsstandpunt hierover zijn een aantal aanbevelingen van de commissie uitgewerkt tot een concreet actieplan. Voor vier zogenaamde digitale broedplaatsen, wordt - voor de duur van 2 jaar - 16 miljoen gulden ingezet. Het idee hierachter is net zo eenvoudig - en hopelijk minstens zo succesvol - als bij de digitale trapveldjes. Op lokaal niveau bestaande en nieuwe ICT-intitiatieven combineren, waarbij het vooral gaat om die activiteiten die een toegevoegde waarde hebben voor de sociale cohesie en kwaliteit van een buurt of wijk of stad. Denk bijvoorbeeld aan de communicatie tussen bewoners en instanties in een wijk, het verbeteren van sociale contacten tussen verschillende groepen bewoners, de lokale dienstverlening, de participatie van burgers en bedrijfsleven.
Het Rotterdamse project Stadsetiquette sluit hier naadloos bij aan. Groepen burgers in moeilijke wijken worden gestimuleerd om met elkaar te praten over problemen in de buurt, hoe bewoners met elkaar omgaan, wat de oorzaken daarvan zijn en wat zij daaraan willen en kunnen doen. Er worden afspraken gemaakt waar men elkaar vervolgens op kan aanspreken.
Door het grotestedenbeleid is op verschillende terreinen de samenwerking met het bedrijfsleven versterkt. Bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid worden er afspraken gemaakt tussen gemeente, politie en bedrijven, en het handboek 'Veiligheid in de wijk' van het Ondernemers Platform Stedelijke Vernieuwing, is in samenwerking met publieke en private partijen tot stand gekomen. De stichting Samenleving en Bedrijf, een samenwerkingsverband van verschillende grote partijen, waaronder: Rabobank, ABN-Amro, Randstad, Shell, Ordina en andere, stelt zich ten doel om de samenwerking tussen private en publieke partijen te versterken. Zij hebben een initiatief genomen onder de naam "Steeds beter" om in een aantal grote steden samenwerkingsprojecten op te zetten. Een ander goed voorbeeld is de aanpak die bekend staat als de "ArenA-methodiek". Dit is een initiatief van het bedrijfsleven, de bewoners en het lokaal bestuur in Amsterdam Zuidoost. Zij hebben een leer/werkroute voor jongeren ontwikkeld die zich vooral richt op de jongeren die niet altijd van het naar-school-gaan houden. Maar ook de onderlinge samenwerking tussen de steden heeft een impuls gekregen. Onlangs is het Kenniscentrum Grotestedenbeleid (www.kenniscentrumgrotesteden.nl) ingericht: een plek waar steden informatie, ervaringen en best practices kunnen uitwisselen, gezamenlijk onderzoek kunnen initiëren en visitaties kunnen coördineren.
Het grotestedenbeleid is uitgegroeid tot een kerntaak voor de GSB-gemeenten, waarbij de steden de gsb-methode steeds meer in hun werkwijze verankeren. De afgelopen drie jaar zijn door de steden benut om tal van activiteiten in gang te zetten. Zij hebben een visie geformuleerd, die visie vertaald in afspraken in de convenanten en die afspraken uitgewerkt in concrete projecten. Hier past een kritische noot: de vroegere projectencarrousel van het Rijk, mag niet verworden tot een projectencarrousel op stedelijk niveau.
Maar: een soepel grotestedenbeleid vraagt ook om een soepele organisatie. Daarmee bedoel ik: niet te veel willen regelen, niet te veel willen registreren, niet teveel stroop en schuurpapier. Het grotestedenbeleid is onvoldoende effectief als het niet samengaat met een bestuurlijke vernieuwing, waarbij sprake is van een herijking van de rol van de gemeentelijke overheid, zoals regierol, makelaarsrol, intermediair, financier. Een aantal steden heeft een coördinerende raadscommissie voor het grotestedenbeleid: een éérste stap op weg naar een slagvaardig prestatie- en programmagericht gemeentebestuur.
Naar aanleiding van de zelfanalyses en visitaties uit de eerste fase van het GSB, heeft er in een aantal steden een kanteling van de bestuurlijke en ambtelijke organisatie plaatsgevonden. Een goed voorbeeld hiervan is Eindhoven. Bij de taakverdeling in het college, is duidelijk omschreven wat de rol is van de programmawethouder Grotestedenbeleid en de pijler-wethouders bij de uitvoering van het meerjarig ontwikkelingsplan. Daarnaast is er een brede ambtelijke reorganisatie doorgevoerd met een vertaling van beleidsvoorbereidende en uitvoerende taken naar zes stadsdeelkantoren als frontoffice, waar coproductie met burgers, bedrijven, corporaties etc. hoog in het vaandel staat. Door een goede balans tussen front- en backoffice, ontstaan er directe voordelen voor de burgers waar het gaat om integraal stadsdeelgericht werken.
Zowel bij het Rijk als bij de steden zal deze ontkokering en ont-bureaucratisering moeten worden voortgezet. Bureaucratie, bij de één of bij de ander, mag niet meer gebruikt worden als excuus voor het uitblijven van resultaten. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling gaat zelfs een stapje verder en stelt: "De uitvoering van beleid heeft vaak te kampen met versnippering en verkokering. Het GSB beoogt dit met een integrale benadering te overstijgen. Waar dit in de praktijk niet helemaal van de grond komt wordt vaak naar de verkokerde landelijke regelgeving gewezen. Voor een deel is dat niet onterecht, voor een ander deel is ook in de gemeentelijke vormgeving van het GSB een meer integrale werkwijze mogelijk. Gemeenten blijken namelijk de mogelijkheden die nu reeds bestaan om tot een samenhangende aanpak te komen niet volledig te benutten. Dat bleek ook uit het SCP-rapport Knelpunten in het stedelijk jeugdbeleid dat in december 2000 is verschenen. Stad en rand
Maar, een stad bestaat niet alleen door haar kern of centrum. Een stad bestaat mede bij de gratie van haar ommeland, dat gebied waar van alles gebeurt, maar dat ook heel leeg kan zijn. Stad en ommeland verhouden zich niet als water en olie, zoals sommige grotestedelingen in al hun hoogmoed wel eens denken, maar zijn juist communicerende vaten: de moderne stad leeft van de regio, en omgekeerd. Helaas wordt het regionale karakter van grootstedelijke ontwikkelingen vaak onderschat. In het eerder genoemde SCP-rapport De stad in de omtrek wordt in dit verband zelfs gesproken over de miskende regio.
Dat moet anders!
In de volgende convenantsperiode moet het grotestedenbeleid steviger in de regio worden verankerd. De beleidsopgaven, de problemen en kansen in de grootstedelijke gebieden moeten in samenhang worden aangepakt. Deze samenwerking tussen grote stad en omliggende gemeenten mag niet vrijblijvend zijn. Het kabinet heeft afgelopen vrijdag daarvoor een Wetsvoorstel bestuur in stedelijke regios vastgesteld en dat is nu onderweg naar de Kamer. Deze wet moet zorgen voor een sterkere stedelijke regio, met de grote steden als bestuurlijk middelpunt. De feitelijke stad groeit immers over de gemeentegrenzen heen en maakt deel uit van een groter stedelijk netwerk. Ook buiten de door wet ingestelde stedelijke regios moet deze samenwerking in mijn ogen vorm krijgen. Vorige week heb ik gesproken met een delegatie uit de Drechtsteden, die het initiatief hebben genomen voor een stevige regionale samenwerking tussen de stad en de regiogemeenten. Ik wil, samen met staatssecretaris Remkes van VROM, met de Drechtsteden afspraken maken over een heldere en effectieve regionale inbedding van grotestedenbeleid en het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) in de nieuwe convenantsperiode.
Ik vind een betere verankering en afstemming van het GSB in de regionale context belangrijk. En daarin sta ik niet alleen. Dat blijkt uit de adviezen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, de VROM-Raad, de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor de Financiële Verhoudingen, die ik vorige week in ontvangst heb genomen. Dat blijkt ook uit diverse andere trajecten, zoals de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, de herziening van de WRO, de toekomstige Woonwet en de voorgenomen aanpassingen van de Wet stedelijke vernieuwing. Een regionale lange termijnvisie en een regionaal programma op fysiek-ruimtelijk terrein (ruimtelijke ordening, wonen, werken, groen, verkeer en vervoer, etc) is van vitaal belang, niet alleen voor een sterker GSB, maar bovenal voor stad en bewoners. Een complete stad is een stad met oog, oor en hart voor de regio.
Deze stedelijke regios moeten een stevige positie innemen in het middenbestuur van ons land. Het is duidelijk dat dat consequenties heeft voor de rol van het bestaande middenbestuur, de provincie. Zij zal de steden en de stedelijke regios de ruimte moeten geven om hun specifieke problemen op maat op te lossen. Dat kan gezien worden als een bedreiging, maar ís een kans. Provincies kunnen groeien van toetser naar facilitator bij bovenstedelijke, bovenregionale problemen. Het Interprovinciaal Overleg heeft onlangs een zware commissie onder leiding van de heer Geelhoed ingesteld. Ik hoop dat deze commissie, vanuit de focus van de stad in zijn regionale context, zich zal buigen over de vraag hoe het middenbestuur zich dient te vernieuwen, in plaats van zich te lenen voor het verdedigen van posities die hoe dan ook verleden tijd worden. Een goede buur(t) lijkt mij voor de steden beter dan een verre vriend.
De kunst van het overlaten
Bij al deze stedelijke en regionale activiteiten moeten we de rol van de rijksoverheid niet uit het oog verliezen. Ook op landelijk niveau zijn we toe aan een nieuwe manier van besturen. Decentralisatie van bevoegdheden en verantwoordelijkheden is immers geen kwestie van de boel over de schutting gooien en afwachten of er ooit wat van terecht komt. Decentralisatie is een bestuurlijke methode om taken elders neer te leggen zodat ze beter kunnen worden uitgevoerd. Het Rijk is er dan niet van af, maar houdt de taak om te normeren, te stimuleren, te coördineren en (achteraf) te controleren. De gsb-methode houdt het Rijk een spiegel voor. Het is hoog tijd om departementale verantwoordelijkheden te ontkokeren, geldstromen te ontschotten, beleidsterreinen te bundelen en interdepartementaal samen te werken. Burgers ervaren immers geen ministeries, maar problemen, geen beleidscyclus, maar oplossingen. De vraagstukken van vandaag hebben de eenvoud van dertien afzonderlijke ministeries verre overstegen. Dat werd de afgelopen periode onderstreept door de gebeurtenissen in Enschede en Volendam. Deze rampen hebben duidelijk gemaakt dat een aantal beleidsonderwerpen, een aantal maatschappelijke problemen, zoals veiligheid, integratiebeleid en ruimtelijke ordening in onderlinge samenhang moeten worden aangestuurd om tot een succesvolle oplossing te komen. Themas die overigens ook weer nauw verweven zijn met het grotestedenbeleid. Het huidige kabinet heeft dat begrepen: de grootstedelijke problematiek, het integratiebeleid en nu ook het veiligheidsbeleid zijn niet alleen volwaardig onderdeel, maar belangrijke rode draden door het totale kabinetsbeleid.
De 4 R-en, die het kabinet eind augustus introduceerde in de Verkenningen, richting-ruimte-resultaat-rekenschap, zie ik dan ook als de voortzetting van de gsb-methode in andere takken van het overheidsbeleid.
In het grotestedenbeleid is dit proces van overlaten onomkeerbaar in gang gezet, al blijkt dat de verschillende partijen daar soms maar moeilijk aan kunnen wennen. Bij werkbezoeken wordt ik vaak door bewoners aangesproken op problemen die niet door mij maar door de wethouder moeten worden opgepakt. De Kamer stelt mij regelmatig vragen die ik pas goed kan beantwoorden als de verantwoordingstermijn is verstreken die met de steden is afgesproken. Nog één keer voor iedereen die wil weten hoe het gaat: in maart 2002 presenteer ik de Tussenstand, waarin zo goed mogelijk alle tot dan toe bereikte resultaten van het grotestedenbeleid op een rij worden gezet. Pas in 2003 wordt de definitieve balans van de eerste convenantsperiode opgemaakt. Zo zij het!
Van stille revolutie tot bestuurlijke innovatie
Het is duidelijk dat het grotestedenbeleid voor het eerst sinds decennia een einde heeft gemaakt aan een gebrek aan slagkracht - veroorzaakt door hardnekkige verkokering, tekortschietende financiële middelen en een vluchtige beleidscultuur. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling noemt in zijn vorige week verschenen rapport, het GSB een impuls die de modernisering van werkwijzen dichterbij brengt. Kortom: de bestuurlijke aanpak van het GSB slaat aan.
Dat wil niet zeggen dat nu alle stedelijke problemen zijn opgelost en we kunnen overgaan tot de orde van de dag. Zeker niet. We staan nu voor de vraag of we stoppen of doorgaan. Daarop is wat mij betreft maar één antwoord mogelijk: doorgaan! Alleen dan geven we de steden én de rijksoverheid de ruimte om de stille revolutie die nu door het land waart, uit te bouwen tot een totale bestuurlijke omwenteling.
Het succes van het grotestedenbeleid laat immers zien dat de klassieke top-down, sectorale bestuursstructuur haar beste tijd heeft gehad. De ontwikkeling van nieuwe informatie- en communicatietechnieken versnelt die behoefte aan een nieuwe overheid. Of, in de woorden van Manuel Castells: door ICT gaan belangrijke beslissers steeds centraler opereren terwijl activiteiten steeds decentraler plaatsvinden. Na de fases van informatie, interactie en transactie, treedt onherroepelijk de vierde fase in: die van transformatie.
Daarover, over de gevolgen van deze veranderingen voor het functioneren van de overheid, heeft de door mij ingestelde commissie ICT en overheid, onder voorzitterschap van de heer Docters van Leeuwen, recent een advies geschreven. Daarin stelt zij dat de Nederlandse overheid in een sluipende crisis dreigt terecht te komen als zij niet snel maatregelen neemt om de democratische processen te vernieuwen en een post-moderne bestuursstijl te ontwikkelen. Dit is klare taal. De commissie doet aanbevelingen die de rol van de overheid in de netwerksamenleving moet versterken. Er zullen dan nieuwe relaties ontstaan tussen burger en overheid. Hiërarchische en plaatsgebonden relaties worden steeds meer vervangen door horizontale samenwerkingsvormen tussen burgers, bedrijven, organisaties en overheden en het ontstaan van netwerkrelaties: deterritorialisering in bestuurstaal. Of we dat nu leuk vinden of niet. Het functioneren van het oude, vertrouwde Huis van Thorbecke, met zijn drie bestuurslagen, zou daardoor problematisch kunnen worden. Dat zou kunnen leiden tot legitimiteits- en gezagsverlies en tot een marginale rol in de publieke discussie. Dus is er behoefte aan een institutionele innovatie, zoals de ondertitel van het advies van de Commissie aangeeft. De klassieke aanbod-oriëntatie wordt steeds meer vervangen door een oriëntatie op de vraag. De overheid zal meer dan tot nu toe de procesarchitectuur bepalen en de besluitvorming over de inhoud in de samenleving zelf leggen. Maatschappelijke democratisering kan een passend antwoord betekenen op de tekorten in verantwoording, controle en toezicht die de informatiesamenleving nu nog kenmerken. Aldus de commissie. Een aanbeveling die naar mijn mening naadloos aansluit op de ervaringen met de gsb-methode.
Ik voeg daar het volgende aan toe. Door de piramidale ordening van de overheid (rijk, provincie, gemeente) en omdat taken vaak verdeeld zijn over alledrie de delen van de bestuurskolom, weet niemand meer wie nu precies wáár op aanspreekbaar is. Bij het vernieuwen van stadscentra of plattelandsgebieden neemt elke overheid haar eigen geldpotje mee met de daarbij behorende subsidievoorwaarden en doelen. Daarbij wordt er volop genetwerkt en worden er bestuursakkoorden gesloten en andere maatwerkvoorzieningen getroffen. De convenanten met de grote steden zijn daar een goed voorbeeld van. Echter, ook bij complexe maatschappelijke opgaven moet steeds vanuit de bestaande, vaak sterk verkokerde, bevoegdheden-verdeling worden gehandeld. Dat moet anders kunnen. Toen in 1995 Nederland bijna onder water kwam te staan, kon het immers ook anders: toen konden in korte tijd alle dijken verzwaard worden, zonder dat onze democratische principes in het gedrang kwamen. Om grote rijksprojecten, zoals de Maasvlakte, snel en soepel te kunnen realiseren, hebben we de Rijksprojectenprocedure.
Ik vind dat we ook een mogelijkheid moeten creëren om acute problemen op kleinere schaal, bijvoorbeeld het jeugdbeleid of een probleemwijk, integraal aan te pakken. Dit, door een wettelijke voorziening die tijdelijk bevoegdheden en middelen overdraagt aan één projectleider, aan één wethouder, aan één bestuurder. Natuurlijk binnen de voorwaarden van rechtszekerheid en democratische legitimiteit, en zonder te tornen aan de bevoegdheidsverdeling rond de openbare orde. Daarom moet er volgens mij een Wet Bestuurlijk Maatwerk komen. Deze wet moet het de overheid mogelijk maken sneller en oplossingsgerichter te werken, in een bepaald gebied, óf als het gaat om een bepaald probleem. In het begin moeten we misschien aan een experiment denken. Door zon wet kunnen bepaalde problemen integraal en slagvaardig worden opgelost, zonder de in de klassieke verhoudingen helaas gebruikelijke bureaucratische red tape en tijdrovende bestuurlijke afstemming. Bijvoorbeeld de herstructurering van de Arnhemse wijk Klarendal. De verantwoordelijke wethouder loopt daar tegen de grenzen van zijn bevoegdheden aan. Er kan geen tempo gemaakt worden omdat bepaalde delen van de wijk aan het spoor liggen en de
herstructureringsplannen botsen met Rail 21, een project van VenW en de NS. De koffieshops die juist veel van de problemen veroorzaakten, blijven dus waar ze zijn, en er komt voorlopig geen veilige verbinding tussen Klarendal en het centrum. Met andere woorden: de herstructurering stagneert. De Wet Bestuurlijk Maatwerk moet het mogelijk maken dat een wethouder kan doorpakken. Dat betekent dat de veilige verbinding en de binnenstedelijke herstructurering er komt, én dat het spoor niet wordt gehinderd. Deze Wet Bestuurlijk maatwerk maakt het mogelijk om de gsb-methode breder toe te passen, om op allerlei terreinen, voor allerlei problemen, bestuursoplossingen op maat te leveren. Er ontstaat ruimte om te doen wat moet, in het tempo dat burgers van hun overheid wensen en verwachten. Zonder dat we afbreuk doen aan onze democratische principes, zonder dat we snijden in de participatiemogelijkheden van burgers, bedrijven en instellingen, zonder dat sneller slechter is. Echter, de wijze waarop een wethouder - met deze maatwerkbevoegdheden verantwoording aflegt, kan veranderen: aan de raad, aan de regio, óf zelfs aan de provinciale staten, óf zo nodig aan het parlement. De lokale en regionale samenwerking kan zo worden versterkt zonder het Huis van Thorbecke onmiddellijk te slópen.
Slot
In alle verhalen over grootstedelijke en regionale ontwikkeling is een voortdurend heen en weer zichtbaar tussen probleem en potentie: de stad of regio wordt óf afgeschilderd als een verzameling grote problemen, die moeten worden aangepakt, óf als een locatie met grote potenties die moeten worden uitgebuit. Ik ben vooral geïnteresseerd in die enorme ruimte tussen probleem en potentie, die ambivalente tussenruimte waarin nog van alles mogelijk is en van alles kan worden gedaan. Dáár komen bestuurders, bewoners en andere spelers elkaar tegen. Om deze ruimte optimaal te benutten moeten we een aantal oude, om niet te zeggen ouderwetse, bestuursprincipes overboord gooien. Het is duidelijk dat niet alleen het grotestedenbeleid baat heeft bij een programmagestuurde, integrale aanpak, dat niet alleen aandachtswijken behoefte hebben aan burgerparticipatie, samenwerking met het bedrijfsleven en maatwerk. Ook als het gaat om de economische groei, de veiligheid van ons land, de aanpak van de criminaliteit, de ruimtelijke ordening, de immigratie en integratie van minderheden is integraliteit en samenwerking noodzakelijk.
Ik verwacht dat de steden, natuurlijk mét hun regios, doorgaan op de ingeslagen weg en van de gsb-methode hun belangrijkste algemene bestuursprincipe maken. De Wet Bestuurlijk Maatwerk is een eerste stap om ook op regionaal en nationaal niveau het Huis van Thorbecke te verbouwen voor de effectieve aanpak van belangrijke maatschappelijke problemen. Dat is wat burgers van hun overheid verwachten en mogen verwachten.
Natuurlijk blijft de rijksoverheid betrokken als het gaat om de analyse van de problematiek en het ontwerp van de oplossingsrichtingen. Maar deze hands-on-aanpak zal ongetwijfeld gevolgen hebben voor de aansturing van de dertien ministeries. Ik ben er van overtuigd dat bij de komende kabinetsformatie wat bruggen moeten worden geslagen en wat bestuurlijke familiehuwelijken moeten worden aangegaan. Nederland is bestuurlijk nog lang niet af!
Dat geldt ook voor de grote steden: ook die zijn nog lang niet af, compleet en in balans. Complete steden vragen om een krachtig, modern bestuur, om verder kijken dan het centrum groot is, om samenwerking met bestuurders, burgers en bedrijven, binnen en buiten de stadsgrenzen. Op de brede boulevard die voert van een stad vol grote problemen naar een toplocatie met allure en potentie, staat een file., zei cultuurfilosoof René Boomkens. Door het grotestedenbeleid, door de gsb-methode, hebben we de afgelopen periode die file hier en daar al weten op te lossen. Het is nu zaak om door te gaan, met het banen van nieuwe paden, met vernieuwende initiatieven en onorthodoxe samenwerkingsverbanden. Want, al heb ik mij in dit betoog vooral gericht op de bestuurlijke verworvenheden van het grotestedenbeleid, laten we niet vergeten waar het allemaal om gaat: om de stad, om zijn huidige en toekomstige bewoners. We kunnen constateren dat het beter gaat met de steden in Nederland. De ingeslagen weg is naar mijn stellige overtuiging de goede. Daar kies ik voor, dat is mijn ambitie en, naar ik hoop, ook die van het volgende kabinet. We moeten immers doen wat we de burgers, de kiezers, beloofd hebben: dat is waar het in de politiek, in het bestuur om draait. Tot slot: complete, vitale steden zijn de kern van een sterke samenleving, zijn de basis voor een sterke toekomst. Die toekomst zijn we zelf! Dank u.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie