Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Monitor misbruik en oneigenlijk gebruik bijstandswet 2000

Datum nieuwsfeit: 01-12-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

MONITOR MISBRUIK EN ONEIGENLIJK GEBRUIK
ALGEMENE BIJSTANDSWET 2000 (M&O monitor)


- eindrapport -

drs. I.M. Jonker
dr. P.H. Renooy

Amsterdam, december 2001
Regioplan publikatienr. 435

Regioplan Onderzoek Advies en Informatie
Max Euweplein 36
1017 MB Amsterdam
Tel.: 020 - 6277166
Fax : 020 - 6265199

Onderzoek, uitgevoerd door Regioplan Onderzoek Advies en Informatie B.V. in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.





INHOUDSOPGAVE

Voorwoord


1 Inleiding en vraagstelling...................................................................................... 1
1.1 Achtergrond................................................................................................ 1
1.2 Doel- en vraagstelling................................................................................... 3
1.3 Uitgangspunten van het project..................................................................... 5
1.4 Instrumentontwikkeling................................................................................. 7
1.5 Steekproeftrekking en deelname aan het onderzoek........................................ 8
1.6 Opbouw van het rapport............................................................................... 8


2 Beleidsdocumenten en beschikbare middelen........................................................ 11
2.1 Beleidsplan................................................................................................. 11
2.2 Verificatie- validatieplan.............................................................................. 18
2.3 Beleidsverslag............................................................................................ 19
2.4 Conclusies.................................................................................................. 24


3 Preventie en voorlichting..................................................................................... 29 3.1 Inleiding ..................................................................................................... 29 3.2 Voorlichting................................................................................................ 29 3.3 Preventie: betrokkenheid van sociale recherche en preventiemedewerkers bij aanvragen.............................................................................................. 32 3.4 Conclusies.................................................................................................. 33


4 Verificatie-validatie en controle ........................................................................... 35 4.1 Inleiding ..................................................................................................... 35 4.2 Verificatie-validatie ..................................................................................... 35 4.3 Reguliere controle ....................................................................................... 36 4.4 Controle op maat........................................................................................ 41 4.5 Conclusies.................................................................................................. 43


5 Opsporing en constatering van fraude .................................................................. 45 5.1 Inleiding ..................................................................................................... 45 5.2 Opsporing via bestandsvergelijking............................................................... 45 5.3 Interne en externe fraudesignalen................................................................ 48 5.4 Constatering van fraude .............................................................................. 51 5.5 Conclusies.................................................................................................. 55




6 Afhandeling en sanctionering............................................................................... 59 6.1 Inleiding ..................................................................................................... 59 6.2 Consequenties voor de uitkering................................................................... 59 6.3 Aantallen boeten en processen verbaal......................................................... 60 6.4 Boetevorderingen........................................................................................ 62 6.5 Conclusies.................................................................................................. 63


7 Terug- en invordering fraudeschulden.................................................................. 65 7.1 Beleid ........................................................................................................ 65 7.2 Fraudevorderingen...................................................................................... 66 7.3 Conclusies.................................................................................................. 68


8 Indicatoren......................................................................................................... 69 8.1 Inleiding ..................................................................................................... 69 8.2 Relatie tussen voorlichting en fraudeconstateringen....................................... 70 8.3 Relatie tussen heronderzoeken en de constatering van fraude ........................ 73 8.4 Relatie tussen belastingsignalen en de constatering van fraude ....................... 75 8.5 De relatie tussen het invorderingsbeleid en de constatering van fraude............ 75 8.6 Conclusies.................................................................................................. 76


9 Conclusies en samenvatting................................................................................. 79 9.1 Inleiding ..................................................................................................... 79 9.2 Instrumentontwikkeling.................................................................................80 9.3 Resultaten.................................................................................................. 81

Literatuurlijst............................................................................................................ 87

Bijlagen:
Bijlage 1: Vragenlijst M&O monitor........................................................................... 89 Bijlage 2: Gemeenten in de steekproef ..................................................................... 105



VOORWOORD

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is sinds enige jaren bezig vorm te geven aan het toezicht op de doeltreffendheid van de uitvoering van de Algemene Bijstandswet (Abw) door gemeenten. Ten behoeve van het meten van de doeltreffendheid van de uitvoering van verschillende delen van de Abw, zijn in de afgelopen jaren instrumenten ontwikkeld. Deze meetinstrumenten zijn gebaseerd op het beleidscyclus-model.
Bij de directie Toezicht van het ministerie bestond de behoefte ook een dergelijk instrument te ontwikkelen en uit te (laten) voeren op het terrein van de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Abw. Een M&O monitor derhalve, die bovendien moest leiden tot het aanwijzen van enkele indicatoren die in later te ontwikkelen verantwoordingsmodel kunnen worden opgenomen. De voorliggende rapportage is een neerslag hiervan. Zij bevat zowel het ontwikkelde meetinstrument als de resultaten van de toepassing ervan. Bovendien wordt een aanzet gedaan om tot het herkennen van enkele eenduidige M&O indicatoren te komen.
Aan het onderzoek hebben vijftig gemeenten met grote bereidwilligheid meegewerkt. Behalve het invullen van de monitor hebben veel gemeenten een bijdrage geleverd in de opbouw van de vragenlijst en aan het interpreteren van de gegevens.
De vragenlijst is opgesteld na uitvoerige consultatie van vertegenwoordigers van het ministerie, de Rijksconsulentschappen, gemeenten, adviesbureaus en andere deskundigen. Graag willen wij hen allen bedanken voor de plezierige en bijzonder constructieve samenwerking. Dank gaat ook uit naar de begeleidingscommissie, die eveneens op even deskundige als plezierige wijze het project begeleidde. Deze commissie bestond uit de volgende leden:


- de heer H. D. van der Nol, directie Toezicht, Ministerie van SZW (voorzitter);
- de heer J. van der Blankevoort, directie Toezicht, Ministerie van SZW;
- mevrouw L. van Langen, Directie Bijstandszaken, Ministerie van SZW;
- de heer A. van der Linden, Rijksconsulentschap Regio Zuid;
- de heer P. Stege, Rijksconsulentschap Regio Zuid.
Binnen Regioplan hebben meer onderzoekers een bijdrage geleverd aan het rapport. Roeland van Geuns heeft het project in de beginfase op de rails gezet. Tijdens de uitvoering hebben vervolgens vele collega's ons bijgestaan. Met name noemen we Marscha Mehciz die actief in het veldwerk was en Jakko Mur, wiens methodologische kennis van grote waarde was. Tot slot was de afwerking en opmaak in de vertrouwde handen van Rosie Bhola.

Uiteraard blijft de verantwoordelijkheid voor het rapport geheel bij de auteurs.

Amsterdam, december 2001

Ineke Jonker
Piet Renooy






1 INLEIDING EN VRAAGSTELLING





1.1 Achtergrond


Voorliggend rapport is een verslag van een onderzoek naar de doeltreffendheid van het beleid dat gemeenten voeren om misbruik en oneigenlijk gebruik van de Algemene bijstandwet (Abw) tegen te gaan.

Artikel 130 van de Abw beschrijft dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verantwoordelijk is voor het toezicht op de uitvoering van de Abw. Dit betreft de rechtmatigheid én de doeltreffendheid van de wetsuitvoering door gemeenten.

De laatste jaren hebben zich in dit toezicht drie accentverschuivingen voorgedaan:
- een toenemende aandacht voor doeltreffendheid;
- meer aandacht voor actueel toezicht in plaats van repressief toezicht;
- een verschuiving in de toezichtsverantwoordelijkheid van Rijk naar gemeente. Deze drie punten worden hieronder nader besproken.

Toenemende aandacht voor doeltreffendheid

In 1996 is begonnen met het geven van vorm en inhoud aan het toezicht op doeltreffendheid. Waar bij het toezicht op rechtmatigheid met name gekeken wordt of de wet volgens de regels wordt uitgevoerd, staat bij doelmatigheid de vraag centraal of de doelstellingen van de wet gehaald worden.

De doelstellingen van de Abw kunnen als volgt kort worden weergegeven:
* het bieden van een sociaal minimum aan uitsluitend rechthebbenden;
* het bevorderen van een zelfstandige bestaansvoorziening.
In 1997 verscheen het rapport: `Ontwikkeling van toezichtsmodellen doeltreffendheid'. Vanaf 1998 zijn vervolgens drie doeltreffendheidsonderzoeken uitgevoerd. Als eerste is op grond van `het bevorderen van een zelfstandige bestaansvoorziening' een onderzoek uitgevoerd naar de doeltreffendheid van het gemeentelijk beleid ten aanzien van uitstroombevordering en sociale activering. In 1999 is op grond van de doelstelling `uitsluitend aan rechthebbenden' het doeltreffendheidsonderzoek naar de poortwachtersfunctie en misbruikbestrijding uitgevoerd. Het derde doeltreffendheidsonderzoek, uitgevoerd in 2000, is gericht op het gemeentelijk armoedebeleid op grond van `het aan bieden van een sociaal minimum'.


1



Het onderhavige project `M&O-monitor 2000' is het vierde doeltreffendheidsonderzoek op het gebied van de Abw.

Van repressief toezicht naar actueel toezicht

De laatste jaren heeft er een accentverschuiving van een repressief toezicht naar actueel toezicht plaatsgevonden. Bij repressief toezicht was sprake van toezicht achteraf, op de uitvoering in het voorafgaande jaar. Deze vorm van toezicht schiet echter te kort, er is behoeft aan een vorm waarbij snel en op elk gewenst moment informatie over uitvoering beschikbaar is. Hierbij is transparantie van het gevoerde beleid het uitgangspunt. In dit kader hebben het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Divosa en StimulanSZ het gemeenschappelijk initiatief genomen tot de Single Audit. Dit is een project dat erop gericht is de informatie in de huishouding van de bijstandsketen te verbeteren. Hierbij is het toekomstbeeld dat door middel van een verantwoordingsmodel het ministerie van adequate informatie wordt voorzien. Hiervoor is het van belang dat voor de verschillende terreinen van de Abw prestatie-indicatoren worden ontwikkeld. Dit zijn indicatoren die een cijfermatig inzicht geven in de mate waarin doelstellingen van de Abw worden behaald. De aandacht voor een actueel toezicht en inzichtelijke uitvoering beperkt zich niet tot de Abw. De lopende operatie `Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording' (VBTB) is bijvoorbeeld een traject dat streeft naar meetbare doelstellingen aan beleid op alle beleidsterreinen. Het uitganspunt is ook hier het streven naar een doorzichtig en transparant beleid.

Verschuiving in toezichtsverantwoordelijkheid

Het inzichtelijk maken van beleid en de behoefte aan meetbare doelstellingen, is een voorwaarde voor de derde accentverschuiving. Dit betreft de wijziging in toezichtsverantwoordelijkheid. Het eerstelijnstoezicht ligt bij de gemeenten en het Rijk zal zich steeds meer beperken tot het tweedelijnstoezicht. Voor een dergelijke verschuiving in de verantwoordingsverdeling is het van belang dat via indicatoren het al dan niet behalen van de doelstellingen van de Abw door gemeenten meetbaar en inzichtelijk wordt.

De ingezette ontwikkeling van het toezichtsbeleid gericht op de doeltreffendheid van de Abw is van de drie accentverschuivingen de belangrijkste voor dit rapport. Daarnaast ligt de ontwikkeling in de aandacht voor het fraudebestrijdingsbeleid ten grondslag aan dit rapport. In het afgelopen decennium is hard gewerkt aan het bevorderen van de rechtshandhaving in de sociale zekerheid, de Abw incluis. Een belangrijke stimulans daarvoor vormde een reeks van onderzoeken gepubliceerd in de vroege jaren negentig, waaruit duidelijk werd dat er veel meer gefraudeerd werd dan men voor waarschijnlijk hield


2



en - in samenhang hiermee - dat er het nodige schortte aan de kwaliteit van de uitvoering van de bijstandswet.
Deze inzichten verstevigden het politieke en bestuurlijke draagvlak voor een heroriëntatie op de inhoud en uitvoering van de bijstandswet. Deze heroriëntatie kent vele dimensies en heeft zich inmiddels onder meer vertaald in veranderingen in wet- en regelgeving, in het uitvoeringsproces, bij het gericht opsporen en afhandelen van fraude en bij het Rijkstoezicht.

Dat de aandacht voor fraudebestrijding is beklijfd, blijkt uit het feit dat het nog steeds hoort tot de speerpunten van het kabinetsbeleid. Het kabinet heeft het huidige beleid uitgewerkt in de notitie `Fraudebestrijding 1998-2002, kabinetsnotitie inzake maatregelen ter intensivering van de fraudebestrijding'. In deze notitie wordt (onder andere) aandacht besteed aan de bestrijding van fraude in het domein van de bijstandswet (Abw).

De aandacht voor inspanningen van gemeenten op het gebied van fraudebestrijding kwam op onderzoeksgebied al tot uitdrukking in het monitoren van het gemeentelijk beleid ten aanzien van misbruik en oneigenlijk gebruik in de jaren '90. Sinds 1994 bestaat hiervoor een uitgewerkt kader en is jaarlijks de uitvoering van het gemeentelijk M&O-beleid op het gebied van de Abw, en overige door gemeenten uitgevoerde sociale-zekerheidsregelingen, bekeken. De laatste M&O-monitor verscheen in 2000: `Facetten van fraudebestrijding 1997/1998'. Daarna is het M&O-beleid in het kader van doeltreffendheidsonderzoek in beeld gebracht in het bovengenoemde onderzoek naar de poortwachtersfunctie en misbruikbestrijding.

Het onderhavige doeltreffendheidsonderzoek M&O-monitor 2000 richt zich, overeenkomstig eerdere monitoren, alleen op het terrein misbruikbestrijding en preventie. Hierin onderscheidt het zicht van het bovengenoemde onderzoek naar de Poortwachtersfunctie uit 1999 waarin een sterker accent lag op de poortwachtersfunctie. Net als in dit laatste onderzoek wordt hier alleen gekeken naar de uitvoering van de Abw (exclusief Iaow, Iaoz en Bbz).


1.2 Doel- en vraagstelling


Het project M&O-monitor 2000 kent de volgende doelstellingen en de hieruit afgeleide probleemstelling en onderzoeksvragen:

* Het ontwikkelen van een onderzoeksinstrument ten behoeve van meting/monitoring van de wijze waarop gemeenten misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen voorkomen en bestrijden.
* Het genereren van stuurinformatie via het meetinstrument. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van indicatoren zodat bepaald kan worden of doelstellingen worden gehaald. Door middel van deze indicatoren dient er een cijfermatig inzicht gegeven te worden in de stand van zaken op het gebied van M&O. Op basis van de informatie die de indicatoren opleveren kunnen gemeenten bijsturingsmaatregelen treffen.


3




* Het genereren van verantwoordingsinformatie. De indicatoren van het meetinstrument dienen een duidelijk beeld te geven van al dan niet behaalde doelstellingen van het gevoerde beleid. Hiermee kan naar de toezichthouder verantwoording over het gevoerde beleid worden afgelegd.


* Het presenteren van een landelijk fraudebestrijdingsbeeld. De gegenereerde informatie moet een indicatie geven van de doeltreffendheid van het fraudebestrijdingsbeleid van gemeenten op een landelijk niveau.

De centrale probleemstelling kan hierbij op de volgende wijze geformuleerd worden:

In welke mate geven gemeenten op een doeltreffende wijze uitvoering aan het fraude- bestrijdingsbeleid in het kader van de Abw, welke verschillen bestaan er tussen gemeenten en hoe kan deze doeltreffendheid met behulp van een te ontwikkelen meetinstrument door de Directie Toezicht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gemeten worden?

Deze algemene probleemstelling is vertaald in zes meer concrete onderzoeksvragen die hieronder zijn weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vragen die betrekking hebben op de ontwikkeling van het meetinstrument en vragen die betrekking hebben op het in de praktijk meten van de doeltreffendheid van de uitvoering van het M&O-beleid.

Vragen met betrekking tot de instrumentontwikkeling:


1. Welke variabelen indiceren een doeltreffende uitvoering van het fraudebestrijdingsbeleid in het kader van de Abw door gemeenten en welke daarvan kunnen als randvoorwaarden voor een succesvol fraudebestrijdingsbeleid worden aangemerkt?


2. In hoeverre zijn de geïdentificeerde indicatoren direct beschikbaar op basis van ander onderzoek, direct leverbaar door gemeenten en betrouwbaar?

Vragen met betrekking tot het meten van doeltreffendheid in de praktijk:
3. In hoeverre kan het misbruikbestrijdingsbeleid van gemeenten gekwalificeerd worden als doeltreffend?


4. Op welke randvoorwaarden danwel resultaatindicatoren is dit oordeel gebaseerd?
5. Welke verschillen bestaan er tussen gemeenten en in hoeverre zijn deze verschillen te relateren aan kenmerken van de gemeenten?


6. Hoe kunnen de geconstateerde verschillen tussen gemeenten verklaard worden?




4




1.3 Uitgangspunten van het project


Bij de beantwoording van de vragen, en dus bij de ontwikkeling van de monitor, hebben wij ons laten leiden door een aantal uitgangspunten.

* Voor het te ontwikkelen meetinstrument vormen de beleidscyclus en de handhavingcyclus het kader.

* De monitor dient een beknopt instrument te zijn, handzamer dan de instrumenten uit de voorgaande doeltreffendheidsonderzoeken.

* De monitor moet zo ingericht worden dat in de tijd vergelijkbare informatie verzameld kan worden.
* Uit de monitor dienen indicatoren afgeleid te kunnen worden die in het te ontwikkelen ver- antwoordingsmodel kunnen worden opgenomen.

* Bij de ontwikkeling van het instrument dienen de Rijksconsulentschappen SZ nauw betrokken te zijn.

Met het kiezen voor de beleidscyclus als belangrijk uitgangspunt, sluiten we aan bij het eerder uitgevoerde doeltreffendheidsonderzoek. De koppeling met de handhavingcyclus biedt een analysekader waar we hieronder nader op in gaan.


1.3.1 Onderzoekskader: de beleidscyclus en handhavingcyclus

De beleidscyclus
De beleidscyclus vormt ook in de voorgaande doeltreffendheidsonderzoeken een belangrijk onderzoekskader. De gedachte hierachter is dat de doeltreffendheid van de uitvoering van het beleid wordt bevorderd wanneer:

- een doordacht plan wordt geformuleerd;

- dit plan wordt vertaald in organisatorische voorwaarden en concrete werkinstructies;
- in de praktijk daadwerkelijk volgens dit plan wordt gewerkt;
- de resultaten van het beleid systematisch worden geregistreerd; en
- op grond van een evaluatie managementinformatie wordt gegenereerd waardoor bijstelling mogelijk is.

Om fraude op gebied van de Abw adequaat te kunnen bestrijden moeten vóór de constatering van fraude en daarna op verschillende terreinen en op verschillende momenten tijdens de gang van aanvraag van een uitkering tot en met de lopende uitkeringen, maatregelen en werkzaamheden uitgevoerd worden. Deze kunnen worden ingedeeld in de volgende onderdelen van fraudebestrijding die tezamen de handhavingscyclus vormen.


5




- Preventie van en voorlichting over fraude is een voorwaarde voor een goed werkend frau- debestrijdingsbeleid. De ervaring heeft geleerd dat wanneer daadwerkelijk fraude wordt ge- constateerd, terugvordering vaak problemen oplevert. Vandaar dat ook op het gebied van fraudebestrijding de regel geldt `voorkomen is beter dan genezen'.


- Een adequate controle op de rechtmatigheid van lopende uitkeringen is tevens een belangrijk onderdeel van de handhavingscyclus. Het heeft zowel een preventieve als repressieve werking. Wanneer het door controle de klant moeilijker wordt gemaakt de wet te misbruiken, zal men minder snel in de verleiding komen dit te doen. Daarnaast gaat er van een regelmatige en grondige controle een repressieve werking uit in de vorm van het inperken van de schade. Wanneer er sprake is van misbruik, neemt met controle de kans toe dat de duur ervan beperkt wordt.


- Voor een snelle en zo volledig mogelijke opsporing van misbruik en oneigenlijk gebruik zijn opsporingsambtenaren in sterke mate afhankelijk van anderen. Er kan pas dan fraude opgespoord worden wanneer er door fraudealertheid bij controle voldoende signalen worden opgevangen. Opsporing staat derhalve sterk onder invloed van het veld controle.


- Nadat de fraude is opgespoord is het van wezenlijk belang hoe deze wordt afgehandeld. Niet alleen het opleggen van een invordering van het benadeelde bedrag is hierbij van belang. Ook de sanctionering is belangrijk, onder meer omdat hiervan een preventieve werking uit kan gaan. De laatste tijd wordt er over het algemeen een `lik op stuk' beleid gevoerd. Hierbij is zowel een snelle afhandeling, als een voldoende sanctionering van belang. De overweging die hieraan ten grondslag ligt, is dat bij een snelle en voldoende bestraffende reactie de kans op recidive afneemt. Daarnaast gaat hiervan ook een waarschuwende werking uit naar de totale bijstandspopulatie.


- Het lik op stuk beleid vindt zijn vervolg bij de terug- en invordering van fraudeschulden. Hieraan ligt dezelfde gedachte ten grondslag. Een snelle en zo volledig mogelijke invordering van het fraudebedrag en de opgelegde boete zendt een boodschap uit dat fraude niet loont, maar uiteindelijk nadelig is. Dat een adequate afhandeling en invordering een vorm van preventie kunnen zijn, illustreert dat de velden van fraudebestrijding een cyclus vormen. Boven beschreven cycli vormen samen het onderzoekskader voor het zoeken naar valide prestatie- indicatoren. Daarbij is de beleidscyclus voor elk veld van de handhavingscyclus van toepassing. Hieronder wordt het onderzoekskader schematisch weergegeven.


6



Schema 1.1: Onderzoekskader.

Beleidscyclus

Handhavingscyclus Plan Vertaling Werking Resultaat Evaluatie

Preventie en voorlichting

Controle

Opsporing

Afhandeling en
sanctionering

Terug- en invordering


1.4 Instrumentontwikkeling


De eerder genoemde uitgangspunten voor de monitor hebben als leidraad gefungeerd bij de ontwikkeling van het meetinstrument. Voor alle velden van de handhavingscyclus zijn indicatoren samengesteld op de niveaus van de beleidscyclus. Een eerste groslijst van deze indicatoren is besproken met de opdrachtgever. Voor verdere selectie en uitwerking van de indicatoren zijn workshops belegd. Daarin hebben externe deskundigen van onder meer gemeenten en adviesbureaus deelgenomen. Vervolgens is de lijst met indicatoren besproken met medewerkers van de RC's van verschillende regio's. Hieruit is een concept-meetinstrument tot stand gekomen en deze is getest in vijf gemeenten. Naar aanleiding van de resultaten zijn enkele praktische aanpassingen aangebracht. In de uiteindelijke lijst is de nadruk komen te liggen op resultaat-indicatoren. Veel minder aandacht gaat uit naar indicatoren op het vertalings- en werkingsniveau. De lijst is verzonden naar gemeenten met het verzoek deze in te vullen. Vervolgens hebben onderzoekers van Regioplan de lijst opgehaald (of telefonisch onderhoud gehad) om de juistheid en volledigheid van de ingevulde gegevens te controleren en waar nodig aanvullende informatie te vragen.
De gegevens in deze monitor hebben alleen betrekking op de Abw, exclusief de Ioaw, Ioaz en Bbz in het jaar 2000. Er is gevraagd naar de gegevens van klanten onder de 65 jaar. De deelnemende gemeenten is gevraagd om alleen gegevens van de eigen gemeente te leveren, ook wanneer er sprake was van een centrumgemeente en/of van eventuele samenwerkingsverbanden.


1.5 Steekproeftrekking en deelname aan het onderzoek

De onderzoeksgroep in dit onderzoek bestaat uit een steekproef van vijftig gemeenten. In de steekproef zijn geen gemeenten met minder dan 20.000 inwoners opgenomen. De overweging die hieraan ten grondslag ligt is dat deze kleinste gemeenten in totaal slechts 8,5 procent van de uitkeringsgerechtigden bevatten. Door een steekproef met alleen grotere gemeenten te trekken beslaat deze met 50 deelnemende gemeenten zo'n 60 procent van het landelijk aantal uitkeringsgerechtigden.


7



Naast de uitsluiting van gemeenten met minder dan 20.000 inwoners, is bij het trekken van de steek- proef rekening gehouden met de volgende variabelen:
- RC regio;

- gemeentegrootteklasse;

- samenwerkingsverband (alleengaande gemeenten en aaneengesloten gemeenten);
- de gemeentelijke herindeling van 1998 op 2000.
Een consequentie van deze werkwijze is wel dat wanneer over het landelijk beeld van gemeentelijk beleid wordt gesproken, dit steeds exclusief de kleinste gemeenten is. Onderstaande tabel geeft de indeling weer met de bijbehorende landelijke aantallen gemeenten en de aantallen gemeenten in de steekproef.

Tabel 1.1: Overzicht gemeenten naar aantal inwoners: landelijk en in de steekproef.

Aantal inwoners Landelijk In steekproef Percentage

tot 20.000 inwoners 312 0 0

20.000 tot 50.000 inwoners 167 18 11

50.000 tot 100.000 inwoners 34 17 50

100.000 tot 150.000 inwoners 15 8 53

150.000 inwoners of meer 10 7 70

Totaal 538 50 9


1.6 Opbouw van het rapport


In het tweede hoofdstuk van dit rapport worden de beleidsdocumenten besproken. Hierin komen het planniveau, beschikbaar gestelde middelen en het evaluatieniveau van de beleidscyclus aan bod. De volgende hoofdstukken zijn in grote lijnen ingedeeld naar de onderwerpen van de handhavingscyclus. Per hoofdstuk worden zowel gegevens van afzonderlijke gemeentegrootteklassen als landelijke cijfers gerapporteerd. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de verbanden tussen de verschillende onderwerpen van de handhavingscyclus. Hierin wordt besproken welke resultaatvariabelen als `maat' voor een doeltreffend fraudebestrijdingsbeleid gebruikt kunnen worden en welke `kritische succes factoren' op dit resultaat van invloed zijn. Ter afsluiting is er een hoofdstuk met algemene conclusies op basis van het totale rapport. Ook elk hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf conclusies.


8




2 BELEIDSDOCUMENTEN EN BESCHIKBARE MIDDELEN






2.1 Beleidsplan


In de Abw wordt omschreven dat het gemeentebestuur zorg moet dragen voor een beleidsplan. Het moet gericht zijn op de bevordering van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, de bevordering van een zelfstandige bestaansvoorziening door middel van arbeid en de realisatie en vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet. Daarbij geldt de wettelijke verplichting voor het opstellen van uitvoeringsplannen op het gebied van fraudebestrijding en uitstroombevordering. De reden hiervoor is het uitgangspunt dat een complexe taak als bijstandsverlening slechts effectief kan worden uitgevoerd wanneer daaraan een planmatige, actieve en doelgerichte aanpak ten grondslag ligt. Hierbij vergt een verhoging van de kwaliteit van de uitvoering een actieve betrokkenheid van het gemeentebestuur. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat een wettelijke verplichting tot het opstellen van een uitvoeringsplan voor fraudebestrijding en uitstroombevordering een garantie geeft dat gemeenten hieraan inderdaad de noodzakelijke aandacht besteden.

De opstelling van een concreet en onderbouwd beleidsplan is een voorwaarde voor het functioneren van de beleidscyclus. Het is immers pas mogelijk in de evaluatiefase na te gaan of de resultaten van het gevoerde beleid hun doel hebben bereikt, als de doelstellingen vooraf zijn geformuleerd. Om hier vervolgens op te kunnen sturen moeten de conclusies vertaald worden in concrete beleidskeuzes. Hierbij is het van belang dat de gemaakte keuzes onderbouwd worden en dat wordt aangegeven met welke middelen en instrumenten er uitvoering aan het beleid moet worden gegeven. Voor het terugkoppelen van de resultaten en het verkrijgen van informatie waarop gestuurd kan worden, is met name de kwantificering van de doelstellingen belangrijk.

Uit onderzoek is gebleken dat de wijze waarop gemeenten vorm en inhoud geven aan het beleidsplan sterk kan variëren. Er zijn gemeenten die de beleidskeuzes onderbouwen met beschrijvingen van de huidige en gewenste situatie, zichzelf concrete doelen stellen en aangeven met welke middelen en instrumenten er uitvoering aan het beleid moet worden gegeven. Maar ook komt het vaak voor dat er in een beleidsplan met betrekking tot fraudebestrijding slechts enkele velden van de handhavingscyclus aangehaald worden als aandachtspunten, zonder hierover uit te wijden.

In dit onderzoek is getracht door een beperkte, maar gerichte vraagstelling de verschillen in uitwerking van het beleidsplan in beeld te brengen. Er is daarbij alleen gekeken naar het schriftelijk vatsgestelde beleid. Daarbij is de handhavingscyclus als uitgangspunt gebruikt. Er is per onderdeel van deze cyclus (preventie, voorlichting, controle op nieuwe aanvragen, controle op lopende uitkeringen, opsporing (strafrechtelijk traject), de Wet boeten en maatregelen en invordering) gevraagd of dit in het plan wordt besproken, of de doelstellingen zijn gekwantificeerd, of deze zijn gekoppeld aan middelen en of er beleidsinstrumenten zijn beschreven. Daarnaast is gevraagd of er risico- en fraudeprofielen zijn


---



beschreven. Hiermee zoekt de monitor aansluiting bij kwaliteitsmodellen, zoals bijvoorbeeld het `hoogwaardig handhaven'1, waarin dit een leidraad is.

In de Abw is vastgesteld dat er jaarlijks een beleidsplan opgesteld moet worden. Omdat de ervaring heeft geleerd dat hierin vaak wordt verwezen naar eerder opgestelde stukken en omdat in sommige gevallen het beleid ten aanzien van de fraudebestrijding in een afzonderlijk stuk is beschreven, is gevraagd naar de inhoud van het beleidsplan inclusief deelplannen. Hieronder worden de resultaten naar indeling van de vraagstelling besproken.

2.1.1 Bespreking van de onderwerpen van de handhavingscyclus

Op één gemeente na hebben alle gemeenten in het onderzoek het beleid schriftelijk vastgelegd in het beleidsplan. Eén gemeente in de klasse 20-50.000 inwoners heeft aangegeven geen beleidsplan opgesteld te hebben. Daarnaast is er een gemeente in de klasse 100-150.000 inwoners die heeft aangegeven dat er wel een beleidsplan 2000 is opgesteld, maar dat daarin geen enkel fraudebestrijdingsonderwerp zoals in de monitor gevraagd wordt, aan bod komt.

Gebleken is dat een groot gedeelte van de gemeenten verschillende onderwerpen van de beleidscyclus bespreken in het beleidsplan.

Tabel 2.1: Bespreking van de handhavingscyclus in het beleidsplan in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.

20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners Percentage inwoners inwoners
1. Preventie 94 100 75 100 95
2. Voorlichting 82 94 63 100 84
3. Controle nieuwe aanvragen 100 100 75 86 99
4. Controle op lopende uitkeringen 100 100 75 100 99
5. Opsporing (strafrechtelijk traject) 88 100 75 100 90
6. Wet boeten en maatregelen 100 100 88 100 98
7. Invordering 94 100 88 86 93 Aantal gemeenten 17 17 8 7 49 Alle onderwerpen van de handhavingcyclus worden bij meer dan 80 procent van de gemeenten in het beleidsplan besproken. Er is hierbij nauwelijks een verschil tussen de gemeentegrootteklassen.


1 Dit model wordt beschreven in: `De sleutel tot hoogwaardige handhaving' Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

10




2.1.2 Kwantificering van doelstellingen

Het blijkt dat bij de uitwerking van de onderwerpen die besproken worden in het beleidsplan er weinig gemeenten zijn die daarbij doelstellingen kwantificeren. Hierbij moet wel een kanttekening geplaatst worden. Uit eerder onderzoek naar de poortwachtersfunctie2 is gebleken dat een klein gedeelte van de gemeenten (ongeveer 10%) kwantificering van taakstellingen alleen op ambtelijk niveau vastlegt. In dit onderzoek is gevraagd naar het beleidsplan en eventuele deelplannen en niet expliciet naar ambtelijke stukken zoals bijvoorbeeld sector- en afdelingsplannen. Het is daarom mogelijk dat gemeenten die alleen op ambtelijk niveau kwantitatieve taakstellingen omschreven hebben, in dit onderzoek hebben aangegeven dat er geen kwantitatieve doelstellingen in het beleidsplan of deelplannen zijn beschreven.

Tabel 2.2: Kwantificering van doelstellingen in het beleidsplan in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.

20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners Percentage inwoners inwoners


1. Preventie 12 24 38 14 15


2. Voorlichting 18 18 0 14 16


3. Controle op nieuwe uitkeringen 24 29 50 14 26


4. Controle op lopende uitkeringen 35 35 50 43 37

5. Opsporing (strafrechtelijk traject) 35 47 38 71 39

6. Wet boeten en maatregelen 18 29 38 43 22

7. Invordering 12 24 38 43 17
Aantal gemeenten 17 17 8 7 49

Kwantificering van doelstellingen blijkt het meest vaak voor te komen als het gaat om opspo- ringsdoelstellingen. Dit is logisch, aangezien hierover vaak afspraken worden gemaakt met het OM. Daarnaast blijkt dat bij voorlichting bijna nooit sprake is van kwantificering. Slechts 22 procent van de gemeenten behandelen in het beleidsplan de kwantificering van doelstellingen van de Wet boeten en maatregelen. Een verklaring hiervoor kan gezocht worden in het feit dat deze wet reeds gekwantificeerde doelstellingen beschrijft en dat daardoor gemeenten er voor kiezen dit niet gedetailleerd in het beleidsplan te beschrijven. Als gekeken wordt naar de verschillen tussen de gemeentegrootteklassen, valt op dat er in de klasse tot 50.000 inwoners het minst vaak doelstellingen worden gekwantificeerd.

2 Doeltreffendheid uitvoering Abw 1999, Poortwachtersfunctie en misbruikbestrijding, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000.


---



2.1.3 Koppeling van doelstellingen aan middelen

Er is nagegaan of er in het beleidsplan beschreven wordt aan welke middelen de doelstellingen gekoppeld worden. Het gaat hierbij alleen om het beleidsplan, de begroting is buiten beschouwing gelaten.

Tabel 2.3: Koppeling van doelstellingen aan middelen in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.

20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners Percentage inwoners inwoners


1. Preventie 6 24 13 0 9


2. Voorlichting 12 18 13 0 12


3. Controle op nieuwe aanvragen 6 24 25 14 10


4. Controle op lopende uitkeringen 6 29 25 43 12


5. Opsporing (strafrechtelijk 12 18 13 57 15 traject)


6. Wet boeten en maatregelen 18 24 38 43 21

7. Invordering 12 24 25 43 16
Aantal gemeenten 17 17 8 7 49

Het blijkt dat over het algemeen maar een klein deel van de gemeenten in hun beleidsplan een koppeling van de doelstellingen aan middelen maken. Omdat dit in principe uitgewerkt wordt in de begroting, is het voorstelbaar dat hierover minder uitgebreid in het beleidsplan wordt gesproken. De Wet boeten en maatregelen is het onderdeel van de handhavingscyclus waarbij het vaakst de doelstellingen aan middelen worden gekoppeld. Ook hier blijkt dat de gemeenten onder de 20-50.000 inwoners het minst vaak de koppeling tussen doelstellingen en middelen bespreken.

2.1.4 Beschrijving van beleidsinstrumenten

Het blijkt dat voor alle onderdelen van de handhavingcyclus door minstens 50 procent van de gemeenten de te hanteren beleidsinstrumenten worden beschreven.

12



Tabel 2.4: Beschrijving van beleidsinstrumenten in het beleidsplan in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.

20-50.000 50- 100- > 150.000 landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners


1. Preventie 63* 82 88 57 67


2. Voorlichting instrument 47 65 63 57 51


3. Controle op nieuwe aanvragen 65 82 88 86 70


4. Controle op lopende uitkeringen 65 82 88 86 70


5. Opsporing (strafrechtelijk 59 71 75 86 63 traject)


6. Wet boeten en maatregelen 65 71 38 57 64

7. Invordering 59 76 38 86 61
Aantal gemeenten 17 17 8 7 49


* Voor deze variabele kon één gemeente het antwoord niet tijdig geven, deze cel bevat 16 waarnemingen.
Evenals bij de kwantificering van doelstellingen en de koppeling ervan aan middelen, zien we hier dat de beschrijving van beleidsinstrumenten vaker voorkomt bij gemeenten met meer dan 50.000 inwoners dan bij gemeenten met minder dan 50.000 inwoners.

2.1.5 Meest besproken onderwerpen en aandachtspunten in het beleidsplan

Om een indicatie te geven van de onderwerpen waaraan de gemeenten de meeste aandacht besteden in hun beleidsplan, worden de gegevens uit bovenstaande paragraaf in onderstaande tabel gecombineerd weergegeven. De volgorde van de meest besproken onderwerpen wordt daarbij verticaal weergegeven, met daarbij de aantallen aandachtspunten (kwantificering van doelstellingen, koppeling aan middelen en beschrijving van instrumenten) die in een plan worden uitgediept.

13



Tabel 2.5: Onderwerpen van de handhavingscyclus besproken in het beleidsplan naar volgorde van aantal uitwerkingspunten, percentages gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.

Volgorde van Onderwerp Uitwerking in 3 Uitwerking in 2 Uitwerking in 1 Geen na- meest besproken besproken aandachtspunte aandachtspunte aandachtspunt dere uit- onderwerpen n n werking

Controle op 99 6 29 44 22 lopende
uitkeringen

Controle op 99 4 23 47 26 nieuwe aanvragen

Wet boeten en 98 5 22 48 25 maatregelen

Preventie 95 3 15 49 33

Invordering 93 5 10 57 28

Opsporing 90 10 22 42 26

Voorlichting 84 5 8 49 39

Om na te gaan of er gemeenten zijn die over het algemeen veel onderwerpen uitwerken of dat gemeenten juist kiezen om slechts 1 of 2 onderwerpen uit te werken is gekeken naar de samenhang tussen het aantal uitwerkingspunten van verschillende onderwerpen. Er blijkt een sterke onderlinge samenhang te bestaan tussen het aantal uitwerkingspunten van de verschillende onderwerpen in het beleidsplan3. Dit betekend dat de aantallen uitwerkingspunten in tabel 2.5 zo zijn verdeeld dat gesteld kan worden dat er gemeenten zijn die alle onderwerpen in hun beleidsplan uitwerken tegenover gemeenten die op alle onderwerpen globaal blijven.

2.1.6 Beschrijving van risico- en fraudeprofielen

Er is nagegaan in hoeverre de gemeenten in hun beleidsplan risico- en fraudeprofielen beschrijven. In kwaliteitsmodellen zoals het `hoogwaardig handhaven' is een fraudeaanpak op maat een belangrijk uitgangspunt. Het blijkt dat in 2000 nog weinig gemeenten hier in hun plannen aandacht aan besteden.

3 De correlaties tussen de items in tabel 2.5 zijn allen significant (p<.05).

14



Tabel 2.6: Risicoanalyse en fraudeprofielen voor de onderwerpen van de handhavingcyclus in beleidsplan besproken in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.

20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners Percentage inwoners inwoners


1. Preventie 6 6 0 0 5


2. Oorlichting instrument 0 0 0 0 0


3. Controle op nieuwe aanvragen 6 6 13 0 6


4. Controle op lopende uitkeringen 12 12 13 0 11


5. Wet boeten en maatregelen 12 0 0 0 9


6. Invordering 12 0 0 0 9

Aantal gemeenten 17 17 8 7 49

Met betrekking tot de meeste onderwerpen van de handhavingcyclus worden door maximaal 10 procent van de gemeenten risico- en fraudeprofielen beschreven. Dit wordt het meest vaak gedaan op het gebied van de controle op lopende uitkeringen. Omdat bij de gang van zaken bij het strafrechtelijk opsporingstraject geen ruimte is voor een eigen invulling door gemeenten zijn risico en fraudeprofielen hierop niet van toepassing4. Dit onderwerp is derhalve niet opgenomen in tabel 2.6.


2.1.7 Beschikbaar gestelde middelen


Om na te gaan of er in 2000 extra aandacht is besteed aan fraudebestrijding, is aan de gemeenten gevraagd of er zich in 2000 een verandering ten opzichte van 1999 heeft voorgedaan in de hoeveelheid hiervoor beschikbaar gestelde middelen. Het gaat om zowel financiële als personele middelen.

In aansluiting hierop is gevraagd of, wanneer er extra middelen beschikbaar zijn gesteld, een gedeelte hiervan is gebruikt voor de bevordering van deskundigheid van de medewerkers. De deskundigheid van de medewerkers is belangrijk, omdat zowel een dienstverlenende houding als fraudealertheid nodig zijn om fraude te voorkomen en te bestrijden. Een dienstverlenende houding ter voorkoming van fraude is ook een uitgangspunt van `hoogwaardig handhaven'. Hierbij wordt ervan uit gegaan dat een tevreden klant minder de neiging tot misbruik of oneigenlijk gebruik van uitkeringen heeft. Fraudealertheid is van belang omdat de schade van gepleegde fraude zo klein mogelijk blijft wanneer de fraude in een zo vroeg mogelijk stadium ontdekt wordt. Dit is alleen mogelijk wanneer medewerkers van de dienst weten op welke signalen zij moeten letten.
Het blijkt dat zich bij het grootste gedeelte van de gemeenten (landelijk 86%) geen verandering heeft voorgedaan in de hoeveelheid beschikbaar gestelde middelen voor fraudebestrijding. Er zijn hierbij


4 Sinds april 2000 moet bij fraudezaken boven de fl. 12.000,- aangifte gedaan worden bij het OM.




15



weinig verschillen tussen gemeentegrootteklassen. Een klein gedeelte (landelijk 7%) geeft aan in 2000 minder middelen voor fraudebestrijding beschikbaar gesteld te hebben.

Tabel 2.7: Beschikbaar gestelde middelen voor fraudebestrijding in 2000 ten opzichte van 1999 in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100- > 150.000 Landelijk inwoners inwoners 150.000 inwoners percentage inwoners

Geen verandering 89 88 57 60 86

Minder middelen beschikbaar 6 12 14 0 7 gesteld

Meer middelen beschikbaar 6 0 29 40 8 gesteld

Aantal gemeenten 18 17 7 6 48

Twee gemeenten uit de steekproef konden niet tijdig aangeven of er meer of minder middelen beschikbaar zijn gesteld.

Het blijkt dat slechts een klein percentage van de gemeenten (8%) in 2000 meer financiële en personele middelen beschikbaar heeft gesteld. Hierbij geven al deze gemeenten aan dat van de extra middelen een gedeelte aan de deskundigheidsbevordering van de medewerkers is besteed. Het betreft hier met name de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners.


2.2 Verificatie- validatieplan


Om een rechtmatige uitvoering te waarborgen is het noodzakelijk dat gemeenten voorafgaande aan het toekennen van een uitkering in staat worden gesteld de gegevens die de klant aanlevert te verifiëren. In artikel 122 van de Abw wordt aangegeven welke instanties verplicht zijn informatie aan de sociale diensten te leveren. Omdat dit een zeer uitgebreid skala van overige instanties betreft is het van belang dat goed vastgelegd wordt op welke wijze de verificatie uitgevoerd moet worden.

Ook voor de bijstandsconsulenten is het belangrijk dat er duidelijke richtlijnen voor verificatie bestaan. Dit laatste heeft te maken met de `dubbelrol' die hun functie impliceert. Aan de ene kant zijn zij dienstverlener en is het daarom belangrijk een goede relatie met de klant op te bouwen, aan de andere kant moeten ze ook optreden als `streng controleur'.


16



Duidelijk vastgelegde richtlijnen voor deze controle kunnen de onzekerheid die deze functiescheiding soms met zich meebrengt, beperken.

Bij de gemeenten is nagegaan of er een verificatie- of validatieplan aanwezig is. Het gaat hierbij zowel om op zichzelf staande documenten, als die plannen die onderdeel uitmaken van het beleidsplan. Er blijkt dat de meeste gemeenten een verificatie- validatieplan hebben opgesteld. Bij gemeenten onder de
50.000 inwoners komt dit het meest voor (94%), van de gemeenten met meer dan 150.000 inwoners heeft er een kleiner aantal (83%) de verificatie-validatie in een plan beschreven.

Tabel 2.8: Aanwezigheid van een verificatie- validatieplan in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.

Verificatie- valdidatieplan 20-50.000 50-100.000 100- > 150.000 landelijk inwoners inwoners 150.000 inwoners percentage inwoners

Aanwezig 94 88 88 83 93

Afwezig 6 12 13 17 7

Aantal gemeenten 18 17 8 7 50


2.3 Beleidsverslag


Voor een adequate opstelling en uitvoering van beleid is het noodzakelijk dat tussen de beleidsniveaus terugkoppeling plaatsvindt; dat er sprake is van een cyclische werking. Voorwaarde hiervoor is het evalueren van de vertaling, de werking en het resultaat. Pas wanneer van deze evaluatie uitgebreid verslag wordt gedaan in de vorm van het presenteren van de `jaarcijfers', kan dit gebruikt worden om het toekomstig beleid aan te passen. Een beleidsverslag is daarom van belang omdat het nieuwe input voor beleid biedt. Daarnaast is een uitgebreid beleidsverslag van belang voor de toezichthouder. Hiermee legt de gemeente verantwoording af naar het Rijk over het gevoerde beleid en de resultaten ervan.

In artikel 118 van de Abw staat beschreven dat het gemeentebestuur zorg moet dragen voor een beleidsverslag. Het moet evenals het beleidsplan gericht zijn op de bevordering van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, de bevordering van een zelfstandige bestaansvoorziening door middel van arbeid en de realisatie en vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet. Er worden daarnaast geen nadere specifieke eisen omschreven aan de inhoud van het verslag en de wijze van rapporteren. Wel is in dit artikel opgenomen dat er nadere regels gesteld kunnen worden om de documenten bruikbaarder te maken voor toezicht, maar deze zijn niet verplichtend.


17




2.3.1 Wijze van rapportage van jaarcijfers


In het onderzoek hebben we gevraagd op welke manier de gemeenten over hun M&O-beleid rapporteren. Daarbij is gevraagd of de gegevens over bijzonder onderzoek in een afzonderlijk jaarverslag zijn opgenomen, of ze intern worden gepubliceerd en of ze in het beleidsverslag zijn opgenomen. Het is mogelijk dat gemeenten op meer manieren hebben gerapporteerd.

Tabel 2.9: Wijze van rapportage van de jaarcijfers bijzonder onderzoek in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Afzonderlijk jaarverslag 50 41 38 57 48

Interne publicatie jaarcijfers 39 59 50 43 43

Geïntegreerd in beleidsverslag 61 88 75 57 68

Aantal gemeenten 18 17 8 7 50

Over de jaarcijfers bijzonder onderzoek wordt het meest vaak in het algemeen beleidsverslag gerapporteerd. Meer dan 68 procent van de gemeenten doet dit. Bij de helft van de gemeenten worden deze gegevens in een interne publicatie weergegeven. En ook een afzonderlijk jaarverslag is in de helft van de gemeenten aanwezig. Er zijn weinig verschillen in de wijze van rapporteren tussen de verschillende gemeentegrootteklassen. Eén gemeente (in de klasse 20-50.000 inwoners) heeft aangegeven dat er geen beleidsverslag van 2000 aanwezig was.

Er zijn wel verschillen tussen de gemeentegrootteklassen in het aantal manieren waarop deze gegevens worden beschreven. Bij de kleinere gemeenten komt rapportage op drie verschillende manieren minder vaak voor. Bij de kleinste klasse en de klasse 100-150.000 inwoners doen respectievelijk 12 en 13 procent van de gemeenten dit.

Tabel 2.10: Mate waarin op verschillende manieren wordt gerapporteerd in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage


1. Manier van rapporteren 53 35 50 43 50


2. Manieren van rapporteren 35 41 38 14 35


3. Manieren van rapporteren 12 24 13 43 15

Aantal gemeenten 17 17 8 7 49


18




2.3.2 Preventie en voorlichting


Er is aan de gemeenten gevraagd of zij in de rapportage van de jaarcijfers de onderwerpen preventie en voorlichting bespreken. Beide onderwerpen worden in ruim een derde van de gemeenten genoemd.

Tabel 2.11: Bespreking van preventie en voorlichting in de rapportage van de jaargegevens in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage

Voorlichting besproken 47 41 38 83 47

Preventie besproken 59 94 50 86 65

Beide 33 41 38 71 36

Aantal gemeenten 17 17 8 7 49

Voor alle gemeenten geldt dat in de rapportage van de jaargegevens er vaker aandacht wordt besteed aan preventie en iets minder vaak aan voorlichting. Het valt op dat de gemeenten met meer dan 150.000 inwoners in de rapportage beide onderwerpen het meest vaak noemen. Zowel het onderwerp voorlichting als preventie wordt bij minstens 80 procent van deze gemeenten in het beleidsverslag beschreven. Daarnaast valt op dat bijna alle gemeenten met 50-
100.000 inwoners (94%) aandacht besteden aan het onderwerp preventie.






2.3.3 Controle


Er is nagegaan welke onderwerpen met betrekking tot controle er in het beleidsverslag aan bod komen. Daarbij is gevraagd naar de behandeling van heronderzoeken, de behandeling van beëindingsonderzoeken en het gebruik van externe gegevensbestanden. Het gebruik van externe gegevensbestanden wordt het vaakst in de rapportage genoemd (bijna 70%). De behandeling van de heronderzoeken en de behandeling van beëindigingsonderzoeken komen minder vaak in de rapportage voor, maar voor beide geldt dat ongeveer de helft van de gemeenten hierover rapporteert.


19



Tabel 2.12: Bespreking van controle in de rapportage van de jaargegevens in percentages gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Behandeling heronderzoeken 53 65 63 50 56

Behandeling 41 65 63 40* 47 beëindigingonderzoeken

Gebruik externe 65 69* 75 83 67 gegevensbestanden

Aantal gemeenten 17 17 8 7 49


* Vanwege het niet op tijd kunnen leveren van de antwoorden ontbreekt in deze cellen 1 waarneming.
Er bestaan in de rapportage van deze onderwerpen weinig verschillen tussen de verschillende gemeentegrootteklassen. Alleen de gemeenten met minder dan 50.000 inwoners bespreken alle drie de controle onderwerpen iets minder vaak dan de grotere gemeenten.


2.3.4 Behandeling van fraudesignalen


Belangrijk onderdeel van M&O-beleid is de afhandeling van fraudesignalen. In het onderzoek is gevraagd of de herkomst en de behandeling van de fraudesignalen besproken wordt in het verslag. Het gaat hierbij om het bestrijden van verschillende soorten fraude, de voortgang van de werkvoorraad, de doorlooptijd van de onderzoeken en de afhandeling van signalen uit bestandsvergelijking.

Tabel 2.13: Bespreking van herkomst en behandeling van fraudesignalen in de rapportage van de jaargegevens in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Afhandeling signalen uit 77 88 88 86 79 bestandsvergelijking

Bestrijding verschillende soorten 59 88 88 86 66 fraude

Voortgang afhandeling werkvoorraad 77 88 75 50* 77

Voorlooptijd van onderzoeken 47 47 25 33 45

Herkomst fraudesignalen 59 53 50 57 57

Aantal gemeenten 17 17 8 7 49


*Deze cel bevat 6 gemeenten omdat van één gemeente de informatie niet op tijd verkregen kon worden.

20



De onderwerpen die het meest vaak worden besproken in de grotere gemeenten zijn de bestrijding van verschillende soorten fraude en de afhandeling van de signalen uit bestandsvergelijking. Hierover wordt door een ruime meerderheid van die gemeenten gerapporteerd. Iets minder vaak wordt in hun rapportage aandacht besteed aan de voortgang van de afhandeling van de werkvoorraad. De doorlooptijd van onderzoeken wordt door (45%) van alle gemeenten besproken.


2.3.5 Wet boeten en maatregelen


Om na te gaan in hoeverre de sanctionering wordt geëvalueerd is er aan de gemeenten gevraagd of de Wet boeten en maatregelen in de rapportage van de jaarcijfers wordt beschreven. Het blijkt dat de gemeenten hier vaak aandacht aan besteden. In ruim 80 procent van de jaarverslagen wordt dit besproken.

Tabel 2.14: Bespreking van de Wet boeten en maatregelen in de rapportage van de jaargegevens in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage

Wet boeten en maatregelen 76 100 88 83 81

Aantal gemeenten 17 17 8 7 49

Het minst vaak komen we dit tegen bij de kleinste gemeenten. Van de gemeenten met 50-100.000 inwoners geeft daarentegen 100 procent aan de Wet boeten en maatregelen in de evaluatie te betrekken.


2.3.6 Terug- en invordering van fraudeschulden

Aan de gemeenten is gevraagd of er aan de terug- en invordering van fraudeschulden in het jaarverslag aandacht wordt besteed. Daarbij is nagegaan of de terug- en invordering in het algemeen wordt besproken danwel of daarbij het invorderingsbedrag wordt genoemd.

Tabel 2.15: Bespreking van terug- en invordering van fraudeschulden in de rapportage van de jaargegevens in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100- > 150.000 Landelijk inwoners inwoners 150.000 inwoners percentage inwoners

Terug- en invordering 65 82 63 83 73

Omvang invorderingsbedrag 88 82 38 83 77

Aantal gemeenten 17 17 8 6* 48


21




* Een gemeenten uit deze grootteklasse heeft niet geantwoord op de vragen over terug- en invordering in het be- leidsverslag.
Er wordt over het algemeen vaker aandacht besteed aan de omvang van het invorderingsbedrag alleen, dan aan de terug- en invordering in het algemeen.


2.3.7 Kosten opsporingsapparaat en omvang besparingsbedrag

Naast het signaleren welke onderwerpen van de handhavingscyclus het meest vaak aandacht krijgen bij het opstellen van de jaarcijfers, is ook gekeken of hierbij de kosten en baten van de opsporing besproken worden. Wat betreft de kosten is er gevraagd naar de kosten van het opsporingsapparaat, wat betreft inkomsten is gevraagd naar de omvang van het besparingsbedrag. Beide onderwerpen worden over het algemeen in minder dan de helft van de gemeenten besproken in de jaarrapportage.

Tabel 2.16: Bespreking van de kosten en baten van het opsporingsapparaat in de rapportage van de jaargegevens in percentages gemeenten per grootteklasse, landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Kosten van het opsporingsapparaat 41 29 38 33 39

Omvang van het besparingsbedrag 47 53 25 33 46

Aantal gemeenten 17 17 8 6* 48

r Kosten, besparingsbedrag) = 0,39, p<0.01.

* Een gemeenten uit deze grootteklasse heeft niet geantwoord op de vragen over terug- en invordering in het be- leidsverslag.

Er zijn daarbij weinig verschillen tussen de gemeentegrootteklassen. De twee onderwerpen correleren onderling significant. Hieruit kan afgeleid worden dat wanneer gemeenten aandacht besteden aan de kosten en baten van het opsporingsbedrag vaak zowel de kosten van het opsporingsapparaat als het besparingsbedrag worden genoemd.


2.4 Conclusies


Beleidsplan

Nagenoeg alle gemeenten hebben het M&O-beleid schriftelijk vastgelegd in een beleidsplan. Eén responderende gemeente gaf aan geen beleidsplan 2000 opgesteld te hebben en één gemeente gaf aan in het beleidsplan geen M&O-onderwerpen te bespreken.


22



Het blijkt dat gemeenten van verschillende omvang grotendeels dezelfde invulling geven aan het beleidsplan wat betreft de behandelde onderwerpen en de mate van uitwerking ervan. Er zijn op dit gebied geen contrasten tussen de verschillende gemeentegrootteklassen.

Alle onderwerpen van de handhavingscyclus worden door minimaal 84 procent van de gemeenten besproken. De meest besproken onderwerpen zijn de controle op lopende uitkeringen en de controle op nieuwe aanvragen, nagenoeg alle gemeenten noemen deze onderwerpen in het plan. Al eerder bleek dat gemeenten op planniveau doorgaands de nadruk leggen op het primaire proces van een rechtmatige uitkeringsverstrekking en dat preventieve aspecten minder aandacht krijgen. Er wordt dan ook expliciet in de Abw aangegeven dat het beleidsplan tenminste een beschrijving moet geven van de wijze waarop de gemeente haar controletaak vorm geeft.

Het blijkt echter dat de M&O-onderwerpen niet altijd nader worden uitgewerkt in concrete aandachtspunten. Bij een kwart van de gemeenten worden de verschillende onderwerpen wel aangehaald in het plan, maar ontbreekt een verdere verdieping ervan.

Concretisering van het beleid houdt vaak in dat er slechts één aandachtspunt uitgewerkt wordt. Dit is meestal het beschrijven van de te hanteren beleidsinstrumenten. Minimaal de helft van de gemeenten werkt het M&O-beleid op deze wijze nader uit. Minder aandacht gaat uit naar het uitwerken van doelstellingen in gekwantificeerde termen. Dit bleek tevens uit een uitgebreid onderzoek naar de kwaliteit van beleidsdocumenten van gemeenten op het gebied van M&O5. Ook hier werd geconcludeerd dat gemeenten in de uitwerking van hun beleid meer aandacht besteden aan het instrumentarium dan het concretiseren van doelstellingen. Dit is niet alleen voor het jaar 2000 geconstateerd maar is ook in voorgaande jaren het geval geweest.

Met name voorlichting aan de klant en fraudepreventie worden vaak niet nader uitgewerkt. Er wordt meer aandacht besteed aan de uitwerking van het beleid op het gebied van controle, opsporing en invordering. Controle en opsporing zijn tevens de onderwerpen die, naast uitwerking in het te hanteren instrumentarium, relatief het meest vaak worden uitgewerkt in gekwantificeerde doelstellingen. Ook uit eerder genoemd onderzoek naar de poortwachtersfunctie bleek, bij het kijken naar kwantitatieve taakstellingen, dat deze verhoudingsgewijs het meest vaak betrekking hebben op het primaire proces van rechtmatige uitkeringsverstrekking (beëindigingsonderzoeken, heronderzoeken, belastingsignalen en nieuwe aanvragen). In 2000 wordt door bijna 40 procent van de gemeenten op het gebied van controle en opsporing, doelstellingen in gekwantificeerde termen omschreven. Van de overige onderwerpen worden de doelstellingen slechts in een klein gedeelte van de gemeenten gekwantificeerd en door nog minder gemeenten gekoppeld aan middelen.


5 Onderzoek naar de gemeentelijke aandacht voor M&O met betrekking tot de Algemene bijstandswet (Abw), PriceWaterhouseCoopers, 2001


23



Er is reeds gewezen op het belang van een concreet uitgewerkt plan en met name het belang van de kwantificering van doelstellingen voor de evaluatie ervan. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek kan gesteld worden dat er zeker aandacht bestaat voor het fraudebestrijdingsbeleid bij de gemeenten. Maar het ontbreekt vaak aan vertaling van deze aandacht in concrete handvatten en doelstellingen voor de uitvoering van het beleid. Daarbij valt met name op dat over het algemeen weinig gemeenten in staat zijn na te gaan of hun doelen gehaald worden, omdat deze niet gekwantificeerd in het plan zijn beschreven. Daarmee lijken beleidsplannen van gemeenten in aandachtspunten en de gekozen wijze van uitwerking ervan, weinig te verschillen van voorgaande jaren. Uit eerder genoemd onderzoek naar de beleidsplannen van gemeenten bleek eveneens dat de kwaliteit van de aandacht voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik de laatste jaren stabiel is gebleven.

In de beleidsmatige aandacht voor fraudebestrijding speelt controle een voorname rol. Een belangrijk instrument hiervoor is het verificatie- validatieplan. Er is daarom in het onderhavige onderzoek expliciet gevraagd of gemeenten over een dergelijk plan beschikken. Nagenoeg alle gemeenten (93%) hebben dit document met instructies voor de controlehandelingen opgesteld.

Om na te gaan of de aandacht voor fraudebestrijding zich heeft vertaald op financiëel gebied, is nagegaan of de gemeenten in 2000 meer financiële of personele middelen voor fraudebestrijding hebben vrijgemaakt dan in het voorgaande jaar. Dit blijkt slechts bij een klein deel (8%) van de gemeenten het geval te zijn. Het betreft hier met name de grootste gemeenten. Daarbij wordt door gemeenten aangegeven dat een deel van deze middelen besteed wordt aan de deskundigheidsbevordering van de medwerkers.

Er lijkt, zoals eerder in dit hoofdstuk besproken, een toenemende aandacht te zijn voor de rol die fraudeprofielen en risicoanalyses kunnen spelen bij een doeltreffend fraudebestrijdingsbeleid. Hieraan wordt met name vorm gegeven in recent ontwikkelde kwaliteitsmodellen handhaving. Het blijkt echter dat de aandacht hiervoor in gemeenten in 2000 nog nauwelijks terug te vinden is in de opgestelde beleidsplannen. De aandacht die enkele gemeenten hieraan besteden, heeft voornamelijk betrekking op controle. Bij elf procent van de gemeenten worden in verband met controle op lopende uitkeringen, risico- en fraudeprofielen beschreven in het beleidsplan. Op het gebied van de Wet boeten en maatregelen en invordering wordt hieraan door negen procent van de gemeenten aandacht besteed in het plan.


24



Beleidsverslag

Gemeenten blijken op verschillende wijzen vorm te geven aan het rapporteren van de resultaten van het gevoerde beleid. De jaarcijfers kunnen gepubliceerd worden in een afzonderlijk jaarverslag, in een interne publicatie en ze kunnen in het algemene jaarverslag opgenomen zijn. Een klein percentage (15%) van de gemeenten publiceert de gegevens op alle drie de manieren. Het gaat hierbij voornamelijk om de grootste gemeenten. De meeste gemeenten rapporteren echter op één manier. Dit is meestal door middel van het opnemen van de jaarcijfers van het M&O-beleid in het algemene jaarverslag. Het onderwerp dat hierbij het meest vaak belicht wordt is de Wet boeten en maatregelen; hierover rapporteert 81 procent van de gemeenten. Naar deze wet zijn de afgelopen jaren verscheidene onderzoeken uitgevoerd door de Directie Toezicht. Het lijkt niet verwonderlijk dat deze ministeriële aandacht zijn weerslag heeft in de rapportage van de gemeenten. Ook is er vaak aandacht voor de behandeling van fraudesignalen (met name de afhandeling van signalen uit bestandsvergelijking) en de terug- en invordering.

Bij een vergelijking tussen het beleidsplan en -verslag valt op dat de onderwerpen van de handhavingcyclus wel door bijna alle gemeenten in het plan besproken worden, maar daarbij lang niet altijd zijn terug te vinden in het jaarverslag. Ook uit eerder genoemd onderzoek naar beleidsdocumenten wordt geconcludeerd dat het verband tussen beleidsplan en beleidsverslag op het gebied van M&O te kort schiet. Hier werd geconcludeerd dat het gebrek aan kwantificering van doelstelling hieraan ten grondslag te ligt. Men kan zich afvragen of gemeenten in staat zijn het gevoerde beleid adequaat te evalueren en de beleidscyclus wat betreft M&O-onderwerpen volledig te doorlopen.


25




3 PREVENTIE EN VOORLICHTING





3.1 Inleiding


Toen in de begin jaren 90 uit diverse onderzoeken bleek dat het misbruik en oneigenlijk gebruik van de Abw veel groter was dan gedacht en de politiek concludeerde dat er wat moest gebeuren, werd de aandacht in eerste instantie gericht op de repressie van fraude. Mede dankzij de nieuwe Abw, heeft er de laatste jaren echter een aandachtsverschuiving naar preventie van fraude plaatsgevonden.

Voorlichting en preventie vormen het begin van de `handhavingscyclus'. Beide onderwerpen hebben als doel misbruik en oneigenlijk gebruik van de Abw te voorkomen. Daarbij kan voorlichting gezien worden als onderdeel van het meer omvattende onderwerp preventie.

Er is de laatste jaren hard gewerkt aan modellen die de frauderisico's in kaart brengen en daarbij aangeven wat er voor nodig is om de Sociale Diensten fundamenteel fraudebestendiger te maken. Het model `hoogwaardig handhaven' geeft hierbij aan dat er gestreefd moet worden naar een verhoging van de spontane naleving van de wet door de klanten. Dienstverlening en klanttevredenheid zijn hierbij sleutels. Klanten zullen de regels omtrent het ontvangen van een uitkering, de controle daarop en de consequenties van misbruik eerder accepteren wanneer er sprake is van een soepele en klantvriendelijke bejegening en wanneer zij niet met allerlei ondoorzichtige procedures te maken krijgen. Het motto hierbij is `zeggen wat je doet en doen wat je zegt'. Hiervoor is een degelijke voorlichting van essentieel belang.


3.2 Voorlichting


Om inzicht te krijgen in de inspanningen van de gemeenten op het gebied van voorlichting, is nagegaan op welke manieren en welke momenten er aan de klant voorlichting over fraudebestrijding wordt gegeven. Het gaat hierbij ook om voorlichting over de rechten en plichten van de klant met betrekking tot de Wet boeten en maatregelen.

Het blijkt dat de gemeenten met minder dan 50.000 inwoners op minder manieren aan voorlichting over fraudebestrijding aan de klant doen dan de grotere gemeenten. De kleine gemeenten geven op gemiddeld vier verschillende manieren aan de klant voorlichting. De gemeenten met meer dan 100.000 inwoners op gemiddeld meer dan zes manieren.


26



Tabel 3.1: Gemiddeld aantal manieren waarop gemeenten aan voorlichting aan de klant doen in percentages gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > Landelijk Inwoners Inwoners inwoners 150.000 Inwoners

Aantal manieren van voorlichting 4,0 5,9 6,7 6,3 4,6

Aantal gemeenten 18 16 7 7 48

Mondelinge voorlichting is de wijze van voorlichting waarvan gemeenten het meest gebruik maken. In bijna alle gemeenten (95%) wordt aan de klant op deze wijze informatie gegeven over fraudebestrijding. Dit komt overeen met de uitkomsten van eerder uitgevoerd onderzoek waarin gekeken is naar de voorlichting over de Wet boeten en maatregelen in het bijzonder6. Hieruit bleek ook dat gemeenten hun klanten het vaakst mondeling voorlichten over deze wet. De voorlichtingsvorm die in onderhavig onderzoek ook vaak voorkomt is voorlichting via klantenparticipatie of de klantenraad (67%). In onderstaande tabel wordt weergegeven welke wijzen gemeenten hanteren om hun klanten voor te lichten.

Tabel 3.2: Wijzen waarop aan de klant voorlichting is gegeven over fraudebestrijding in percentages gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Mondeling 94 100 88 100 95

Klantenparticipatie/klantenraad 61 88 88 71 67

Landelijke folder 50 53 75 43 52

Door de gemeente ontwikkelde 28 59 75 86 38 folder

Schrijven gericht aan de klant 50 41 75 71 51

Nieuwsbrief/bijstandskrant 22 71 88 57 35

Lokale kranten, huis-aan-huisbladen 50 59 75 57 53

Andere lokale media 17 29 13 29 19

Voorlichtingsmateriaal in een 6 38* 29* 43 13 buitenlandse taal

Voorlichtingsbijeenkomsten 6 6 25 14 7

Via intermediairs zoals politie of 17 35 25 29 21 welzijnswerk

Gericht op specifieke doelgroepen 0 18 13 29 5


6 Sancties in de bijstand, Een onderzoek naar de gemeentelijke uitvoering van de wet boeten, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000.


27



Aantal gemeenten 18 17 8 7 50
* Vanwege het niet op tijd kunnen leveren van de informatie ontbreekt in deze cellen 1 waarneming.

28



Ruim de helft van de gemeenten biedt aan de klant een landelijke folder aan. Daarnaast heeft 38 procent van de gemeenten een eigen voorlichtingsfolder ontwikkeld. Dit komt vaker voor naarmate de gemeenten groter worden. Ook het gericht aanschrijven van de klant wordt vaker in de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners gedaan dan in de gemeenten met minder inwoners. Weinig gemeenten beschikken over voorlichtingsmateriaal in een buitenlandse taal. Dit komt met name weinig voor bij de gemeenten met minder dan 50.000 inwoners.

Naast de wijzen waarop gemeenten voorlichting geven, kan ook het aantal momenten waarop deze voorlichting aangeboden wordt een indicatie geven van de inspanningen van gemeenten op dit gebied. Het blijkt dat over het algemeen de gemeenten op gemiddeld 5 verschillende momenten voorlichting geven. Er zijn hierbij weinig verschillen tussen de gemeentegrootteklassen.

Tabel 3.3: Gemiddeld aantal momenten waarop gemeenten aan voorlichting aan de klant doen. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Aantal momenten waarop 4,8 6,1 5,0 4,6 5,0 voorlichting wordt gegeven

Aantal gemeenten 100% 18 17 8 7 50

De momenten waarop gemeenten voorlichting aan de klant aanbieden worden in onderstaande tabel nader omschreven.

Tabel 3.4: Momenten waarop aan de klant voorlichting is gegeven over fraudebestrijding in percentages gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Bij de intake/ aanvraag/ toekenning 100 94 100 100 99 van een uitkering

Op het maandelijkse 78 88 88 71 80 rechtmatigheidsformulier

Bij het heronderzoek 89 88 88 71 88

Bij het beëindigingonderzoek 50 76 38 43 53

Bij wijzigingen in de verplichtingen 67 76 63 86 69 van de klant

Bij het aanbieden van passende 39 71 38 43 44 arbeid

Bij het aangaan van een traject 33 65 50 29 39 gericht op uitstroom

Bij het aanbieden van een traject 28 53 38 14 32 gericht op sociale activering


29



Aantal gemeenten 18 17 8 7 50 Bijna alle gemeenten (99%) geven bij de intake, de aanvraag en of de toekenning van een uitkering voorlichting over fraude. Daarnaast geeft ook een groot deel van de gemeenten deze voorlichting op het maandelijkse rechtmatigheidsformulier (80%) en bij het heronderzoek. De gemeenten uit de klasse met meer dan 150.000 inwoners blijken iets minder vaak op deze laatste twee momenten voorlichting aan te bieden dan de gemeenten met minder dan 150.000 inwoners.

Ruim de helft van de gemeenten biedt voorlichting over fraude aan bij het beëindigingsonderzoek en bij wijzigingen in de verplichtingen van de klant. Het minst vaak wordt de klant over fraude voorgelicht op het moment dat er een traject gericht op sociale activering aangeboden wordt. Dit ligt voor de hand, omdat dit moment nauwelijks een extra risico op fraude met zich meebrengt. Wel wijst bijna de helft van de gemeenten op de consequenties van fraude wanneer er een traject gericht op uitstroom wordt aangeboden. Dit is dan ook een moment waarop weigering van het verlenen van medewerking mis- of oneigenlijk gebruik van de wet tot gevolg kan hebben.


3.3 Preventie; betrokkenheid van sociale recherche en preventiemedewerkers bij aanvragen

Preventie omvat naast voorlichting andere belangrijke activiteiten. De meest effectieve vorm van preventie is strenge controle aan de poort. In 1998 werd de doeltreffendheid van de poortwachtersfunctie uitgebreid onderzocht. Hier beperken we ons tot de rol van de sociale recherche en preventiemedewerkers bij de aanvragen.
Er is nagegaan of er bij gemeenten voor consulenten de mogelijkheid bestaat om, indien nodig, de sociale recherche of preventiemedewerkers te betrekken bij intakegesprekken.

Tabel 3.5: Betrokkenheid van sociale recherche bij aanvragen in procenten. Landelijke cijfers herwogen.

Sociale recherche betrokken 20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk bij intakegesprekken inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Nooit 22 29 38 17 25

Soms 72 59 63 67 69

Vaak 6 12 0 17 7

Aantal gemeenten 18 17 8 7 50

Bij 25 procent van de gemeenten bestaat er geen mogelijkheid voor de consulenten om de sociale recherche of een preventiemedewerker te betrekken bij intakegesprekken. Het lijkt erop dat de grootste gemeenten wat vaker de sociale recherche bij de intake betrekken. Bij de gemeenten met 100-


30




150.000 inwoners bestaat deze mogelijkheid niet vaak. Maar de verschillen tussen gemeenten zijn niet groot.

Van de resterende 75 procent van de gemeenten, waarbij de sociale recherche of preventie- medewerkers wel betrokken kunnen worden bij intakegesprekken, geeft het grootste gedeelte aan dat hiervan soms sprake is. Bij slechts zeven procent van de gemeenten in Nederland komt het vaak voor dat er een sociaal rechercheur of preventiemedewerker bij de intake betrokken wordt.

De resultaten van de inzet van gemeenten op het gebied van preventie van fraude zijn moeilijk meetbaar. Een kwantificeerbare indicator van het resultaat van preventie is het aantal aanvragen dat door tussenkomst van de sociale recherche of preventiemedewerker wordt afgewezen. In dit onderzoek is de gemeenten naar dit aantal gevraagd. Dit blijkt echter door slechts 32 procent van de responderende gemeenten geregistreerd te worden. Deze aantallen worden daarom hier niet nader besproken.


3.4 Conclusies


Voorlichting

Er wordt door gemeenten veel aandacht besteed aan het voorlichten van de klanten over fraude. Gemeenten geven gemiddeld op vijf verschillende momenten en op vijf verschillende manieren voorlichting. De voorlichting wordt met name mondeling door consulenten gegeven, 95 procent van de gemeenten doet dit. Daarna wordt het meest vaak door gemeenten voorlichting gegeven via een klantenraad of klantenparticipatie (67%). Het lijkt niet verwonderlijk dat bovenstaande kanalen het meest gebruikt worden om informatie over fraude, waaronder de Wet boeten en maatregelen, te geven. Bij deze vormen van voorlichting is er sprake van persoonlijk contact met de klanten. Op die manier heeft men de zekerheid dat klanten bereikt worden, in tegenstelling tot het voorlichten via schriftelijk materiaal waarbij men zich af kan vragen of het door de doelgroep gelezen wordt. Toch wordt door de helft van de gemeenten ook gebruik gemaakt van de lokale media, lokale kranten of huis-aan-huisbladen, worden de klanten persoonlijk aangeschreven en beschikt de gemeente over een landelijke folder over fraudebestrijding. Daarnaast heeft een klein gedeelte van de gemeenten een eigen folder ontwikkeld (38%). Betrekkelijk weinig gemeenten beschikken over een folder in een buitenlandse taal.

Gezien de eerder genoemde aandacht voor maatwerk bij fraudebestrijding in kwaliteitsmodellen, is het opmerkelijk dat slechts vijf procent van de gemeenten de voorlichting richt op specifieke doelgroepen. Dit is echter consistent met het feit dat in 2000 nog maar weinig gemeenten op planniveau aandacht besteed hebben aan risico- en fraudeprofielen. Wanneer deze aandacht zich in de komende jaren zou ontwikkelen, wordt dit wellicht ook doorgevoerd op het gebied van de voorlichting.


31



De voorlichting wordt de klant op verschillende momenten tijdens het proces van aanvragen en ontvangen van een uitkering aangeboden. Dit gebeurt met name bij de toekenning, waarbij voorlichting sterke preventie-effecten kan hebben als gevolg van persoonlijk contact. Daarnaast wordt er door veel gemeenten tijdens het heronderzoek en op het maandelijkse rechtmatigheidsformulier informatie over fraude en/of de Wet boeten en maatregelen gegeven. Dit lijken efficiënte manieren, want ook tijdens het heronderzoek is er sprake van persoonlijk contact met de klant. Bij voorlichting op het rechtmatigheidsformulier wordt de klant juist op het moment dat men in de verleiding kan komen om misbruik te maken van de Abw, gewezen op de gevolgen van fraude.

Preventie

Preventie van fraude is een breed begrip. Van talloze inspanningen op het gebied van fraude kan een preventieve werking uitgaan. In dit onderzoek hebben we ons beperkt tot preventie in de zin van de poortwachterfunctie. Daarbij is nagegaan of er bij gemeenten voor de consulenten een mogelijkheid bestaat om bij twijfel de sociale recherche in te schakelen bij intakegesprekken. Driekwart van de gemeenten biedt de consulenten deze mogelijkheid. Het grootste gedeelte van deze gemeenten geeft aan dat er van deze mogelijkheid soms gebruik wordt gemaakt. Maar bij zeven procent van de gemeenten in Nederland wordt de sociale recherche vaak betrokken bij aanvragen.

Preventie van fraude is door de ongrijpbaarheid van het resultaat moeilijk te meten. In deze monitor is getracht de preventie inspanningen meetbaar te maken door te vragen naar de aantallen aanvragen die zijn afgewezen door tussenkomst van een preventiemedewerker of sociale recherche. Deze resultaatvariabele blijkt helaas niet beschikbaar omdat het niet door gemeenten geregistreerd wordt. Dit is, gezien de recente verschuiving van de aandacht van een repressief naar een preventief fraudebestrijdingsbeleid, te betreuren.


32




4 VERIFICATIE-VALIDATIE EN CONTROLE





4.1 Inleiding


Het onderwerp controle wordt in dit onderzoek in drie onderdelen uitgesplitst. Het eerste onderdeel is de verificatie en validatie. In hoofdstuk 2 is reeds aandacht besteed aan de vastlegging hiervan in een plan. In dit hoofdstuk wordt gekeken naar het nakomen van de vastgelegde instructies. Het tweede onderdeel is de reguliere controle, hiermee worden de controlewerkzaamheden bedoeld waarover de Abw gemeenten verplichtingen voorschrijft. Ten derde wordt de controle op maat besproken. Dit zijn de controlewerkzaamheden die aangepast worden aan de klant, afhankelijk van het risico dat de omstandigheden van de klant met zich meebrengen. De werkzaamheden in verband met controle op maat kunnen zowel een aanvulling op, als een vervanging van, deze reguliere controle zijn.


4.2 Verificatie-validatie


Eerder bleek al dat 93 procent van de gemeenten in Nederland een verificatie- validatieplan heeft opgesteld. Met het opstellen van een dergelijk plan wordt de kans dat fraude bij de poort wordt tegengehouden verhoogd. Maar alleen de aanwezigheid van een plan is niet voldoende; voorwaarde is dat de opgestelde instructies daadwerkelijk uitgevoerd worden. In dit onderzoek is daarom nagegaan of het verificatie- validatieplan onderwerp is van de interne controle en op welk niveau de resultaten van deze controle teruggekoppeld worden. Hierbij is alleen gekeken naar de gemeenten die een verificatie- validatieplan hebben opgesteld.

Tabel 4.1: Interne controle (ic) op verificatie-validatie bij gemeenten met een verificatie- validatieplan in percentage gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage

Verificatie-validatie onderwerp 100 100 100 100 100 van interne controle

Resultaten zowel management 82 93 86 100 89 als uitvoeringsniveau besproken

Resultaten alleen op manage- 6 7 14 0 7 mentniveau besproken

Resultaten alleen op uitvoe- 12 0 0 0 4 ringsniveau besproken

Aantal gemeenten 17 15 7 6 45 Bij alle gemeenten met een verificatie- validatieplan is de verificatie en validatie onderwerp van interne controle. Bij bijna allemaal worden de resultaten van de interne controle besproken op zowel


33



managementniveau als uitvoeringsniveau. Slechts bij een klein percentage van de gemeenten worden de resultaten alleen op managementniveau besproken en niet op uitvoeringsniveau. Dit hoeft niet te betekenen dat de uitvoerenden geen kennis nemen van de resultaten van de interne controle. Tijdens de afname van het onderzoek is gebleken dat er soms geen sprake is van een georganiseerde bespreking van de ic-resultaten, maar dat de manier van bespreking hiervan door teamleiders zelf wordt ingevuld. Alleen bij de gemeenten met minder dan 50.000 inwoners zijn er enkele waarbij dit niet op managementniveau wordt besproken, maar alleen op uitvoeringsniveau.


4.3 Reguliere controle


Op grond van artikel 66 van de Abw zijn burgemeester en wethouders verplicht tot het uitvoeren van heronderzoeken en beëindigingsonderzoeken. In verschillende gemeenten wordt het onderzoek inzake de arbeidsverplichting (onderdeel van het heronderzoek) los van het onderzoek naar de overige verplichtingen en gegevens van de klant gedaan. Men noemt dit het doelmatigheidsonderzoek.Voor termijnen waarop her- en beëindigingsonderzoeken moeten worden uitgevoerd staan nadere regels beschreven in artikel 71 van de Abw en de daaruit voortgekomen Regeling Administratieve Uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz (RAU).

De gegevens van de klanten die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand, dienen regelmatig onderzocht te worden in het zogenaamde heronderzoek. De RAU stelt dat dit onderzoek binnen acht maanden na aanvang van de uitkering uitgevoerd moet worden. Daarbij wordt gemeenten de mogelijkheid geboden van deze termijn af te wijken. De voorwaarden die daarbij gesteld worden, zijn dat de aangepaste termijnen beschreven worden in een onderzoeksplan en dat de termijn niet langer mag zijn dan 18 maanden.

In deze monitor is nagegaan hoeveel heronderzoeken er door gemeenten uitgevoerd hadden moeten worden in 2000. Er is gekeken hoeveel daarvan daadwerkelijk zijn uitgevoerd en in hoeverre ze binnen de gestelde termijnen zijn uitgevoerd.

Beschikbaarheid en registratiewijzen van de gegevens over aantallen uitgevoerde heronderzoeken

Het blijkt dat gemeenten op verschillende wijze uitvoering geven aan de heronderzoeksverplichting en dat zij deze onderzoeken op verschillende manieren registreren. Bij het heronderzoek dient zowel naar rechtmatigheid als naar doelmatigheid gekeken te worden. Bij doelmatigheid gaat het om de mogelijkheden van de klant om toe te treden tot de arbeidsmarkt (de arbeidsverplichting). Rechtmatigheid heeft betrekking op overige gegevens van de klant, die het recht op en de hoogte van de uitkering bepalen. Er bestaan verschillen in de organisatie van de uitvoering van deze twee onderdelen van het heronderzoek. Er zijn gemeenten die de beide onderdelen altijd tegelijkertijd uitvoeren. Andere gemeenten kiezen ervoor de beide onderzoeken gescheiden uit te voeren. Het


34



onderzoek naar de rechtmatigheid wordt doorgaans niet vaker dan één keer in de gestelde termijn voor heronderzoek uitgevoerd. Wanneer gemeenten genoemde delen van het heronderzoek niet gecombineerd uitvoeren kan het voorkomen dat doelmatigheidsonderzoeken meer malen tijdens de gestelde heronderzoekstermijn plaatsvinden. Naast deze verschillen in organisatie bestaan er bij ge- meenten verschillen in registratie. Uitgevoerde doelmatigheidsonderzoeken worden bij sommige gemeenten apart van de onderzoeken naar rechtmatigheid geregistreerd. Maar ook een combinatie van de registratie van de beide onderdelen van het heronderzoek komt voor. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de mate waarin gemeenten informatie over heronderzoeken beschikbaar hebben en op welke wijze zij deze registreren.

Tabel 4.2: Registratiewijze van gegevens van de heronderzoeken in percentage gemeenten per - grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage

Rechtmatigheids- en 61 47 75 14 58 doelmatigheidsonderzoeken
apart geregistreerd

Gecombineerde registratie van 33 53 13 71 37 rechtmatigheids- en doelmatig-
heidsonderzoeken

Informatie niet beschikbaar 6 0 13 14 6

Aantal gemeenten 18 17 8 7 50

De informatie over de uitgevoerde heronderzoeken is in 94 procent van de gemeenten beschikbaar. Er is daarbij een verschil tussen de gemeenten uit de kleinste twee klassen en de grotere gemeenten. Bij de grotere gemeenten is deze informatie minder vaak beschikbaar.

De meeste gemeenten in Nederland registreren de aantallen heronderzoeken exclusief het aantal doelmatigheidsonderzoeken. Er zijn hierbij wel verschillen tussen de gemeentegrootteklassen. In de grootste klasse is de meest voorkomende manier een gecombineerde registratie van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoeken. Dit wordt door 71 procent van de gemeenten met meer dan 150.000 inwoners gedaan. In de klasse 50-100.000 inwoners worden door de helft van de gemeenten de heronderzoeken inclusief doelmatigheidsonderzoeken geregistreerd. Bij de overige twee klassen registreert de meerderheid de twee onderdelen van het heronderzoek apart.

Aantallen uitgevoerde heronderzoeken

Om ondanks de verschillen in registratiewijze toch een indicatie te geven van het aantal her- onderzoeken dat door gemeenten in 2000 is uitgevoerd, zijn de aparte en de gecombineerde registraties


35



in dit onderzoek samengenomen7. Hierbij zijn twee gemeenten uit grootteklasse 20-50.000 inwoners en één gemeente uit de klasse 100-150.000 inwoners niet meegenomen vanwege zodanig afwijkende aantallen dat er twijfel over de validiteit bestond.

Tabel 4.3: Gemiddelde aantallen uitgevoerde heronderzoeken (inclusief doelmatigheidsonderzoeken) per
100 uitkeringen. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage

Uitgevoerde heronderzoeken 114 97 79 61 80 per 100
uitkeringsgerechtigden

Standaarddeviatie 41 20 23 32

Aantal gemeenten 16 17 6 6 45

Er zijn in het jaar 2000 gemiddeld in Nederland ruim 80 heronderzoeken per 100 uitkeringsgerechtigden uitgevoerd. Dit betekent dat er per uitkeringsgerechtigde gemiddeld eens in de vijftien maanden een heronderzoek heeft plaatsgevonden. Het aantal uitgevoerde heronderzoeken per 100 uitkeringen blijkt af te nemen naarmate de gemeentegrootte toeneemt. Omgerekend voeren de kleinste gemeenten per klant gemiddeld ruim één keer in de tien maanden een heronderzoek uit. De gemeenten met 50-
100.000 inwoners doen dit iets minder vaak, gemiddeld ruim één heronderzoek per jaar. Bij de grootste twee klassen is de heronderzoeksfrequentie het laagst: de klasse met 100-150.000 inwoners één keer in de zeventien maanden en de klasse met meer van 150.000 inwoners gemiddeld één keer in de twintig maanden. De grootste gemeenten slagen er dus niet in alle heronderzoeken binnen de wettelijke termijn uit te voeren. Uit bovenstaande gegevens kan echter niet eenduidig worden geconcludeerd dat gemeenten met minder dan 150.000 inwoners zich wel aan de wettelijke termijn voor heronderzoeken houden. Er zijn gemeenten met achterstanden in heronderzoeken, zij hebben in 2000 onderzoeken uitgevoerd die voor 1999 gepland waren.

Er moet ook rekening gehouden worden met een kleine overschatting van het aantal uitgevoerde heronderzoeken dat hier wordt gerapporteerd. De verschillen in uitvoering en registratie tussen gemeenten hebben tot gevolg dat er bij een (niet nader te bepalen) gedeelte van de gerapporteerde heronderzoeken alleen sprake is geweest van een deelonderzoek naar doelmatigheid. Het is echter niet voor de hand liggend dat het verschil in gemeentegrootteklassen veroorzaakt wordt door verschillen in registratie. De hier geconstateerde verschillen tussen gemeentegrootteklassen in aantallen uitgevoerde


7 Bij de gemeenten die de verschillende onderdelen van het heronderzoek apart registreren zijn de gerapporteerde aantallen rechtmatigheidsonderzoeken en doelmatigheidsonderzoeken bij elkaar opgeteld. Van de 46 gemeenten die het aantal uitgevoerde heronderzoeken beschikbaar heeft, heeft 43 procent aangegeven dat dit het aantal inclusief uitgevoerde doelmatigheidsonderzoeken is. Variantieanalyse heeft uitgewezen dat er geen effect bestaat van registratiewijzen op het aantal uitgevoerde onderzoeken.


36



heronderzoeken bestaan al langer8. En gemeenten blijken ook naarmate zij groter worden minder heronderzoeken tijdig uit te voeren en minder heronderzoeken per klant te plannen (zie tabel 4.4 en tabel 4.5).

Tijdigheid van de uitgevoerde heronderzoeken

Er is aan de gemeenten gevraagd hoeveel van de uitgevoerde heronderzoeken er binnen de geplande termijn zijn uitgevoerd. Van één gemeente is dit gegeven niet betrokken bij de analyse vanwege een dermate afwijkend aantal dat over de validiteit twijfels bestonden.

Tabel 4.4: Aantal tijdig uitgevoerde heronderzoeken per 100 uitkeringsgerechtigden naar ge- meentegrootte. Landelijke cijfer herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners

Gemiddeld aantal tijdig 97 77 67 65 74 uitgevoerde heronderzoeken

Standaarddeviatie 46 18 24 30

Aantal gemeenten 12 13 7 4 36

Het blijkt dat in het jaar 2000 er landelijk gemiddeld 74 heronderzoeken per 100 uitkeringsgerechtigden binnen de gestelde termijnen zijn uitgevoerd. De gemeenten met minder dan 50.000 inwoners hebben de meeste heronderzoeken tijdig uitgevoerd, 97 per 100 uitkeringsgerechtigden in het jaar 2000. De gemeenten met 50-100.000 inwoners hebben 77 heronderzoeken per 100 uitkeringsgerechtigden tijdig uitgevoerd. In de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners zijn de minste heronderzoeken tijdig uitgevoerd (65/67 per 100 uitkeringsgerechtigden). Bij dit percentage moet een kanttekening geplaatst worden. Dit gegeven was slechts bij vier van de 150.000+ gemeenten beschikbaar. Hierdoor is een vertekening ontstaan in die klasse. Uit een vergelijking met de gegevens in tabel 4.3 blijkt dat het totaal aantal uitgevoerde heronderzoeken kleiner is dan het aantal tijdig uitgevoerde onderzoeken. Dit kan in werkelijkheid niet het geval zijn en wordt veroorzaakt door de verschillen in de responderende gemeenten. Hieruit valt af te leiden dat juist de gemeenten waar nagenoeg alle heronderzoeken tijdig worden uitgevoerd gegevens over de tijdigheid registreren. In vergelijking met het totaal aantal uitgevoerde heronderzoeken valt op dat zowel het totaal aantal uitgevoerde heronderzoeken als de mate waarin deze binnen termijn worden uitgevoerd groter wordt naarmate gemeenten kleiner worden.

Aantallen geplande uit te voeren heronderzoeken volgens de RAU


8 Doeltreffendheid uitvoering Abw, Poortwachtersfunctie en misbruikbestrijding, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000.


37



Behalve het aantal heronderzoeken dat op tijd is uitgevoerd, is ook gekeken naar de hoeveelheid heronderzoeken die volgens plan uitgevoerd hadden moeten worden. Dit geeft inzicht in de termijnen die de gemeenten zichzelf opleggen.
In principe zou het aantal geplande heronderzoeken per 100 lopende uitkeringen niet minder dan 66 moeten zijn. Dit is het aantal wanneer alle termijnen op 18 maanden gesteld worden9. Een lager aantal uit te voeren heronderzoeken is alleen mogelijk wanneer het klantenbestand een sterke in- en uitstroom laat zien en daarbij alle termijnen op 18 maanden zijn gesteld. Het blijkt dat vier gemeenten uitkomen op minder dan 66 per jaar is.

Wanneer alle heronderzoekstermijnen op de termijn van acht maanden gesteld worden moeten er per
100 klanten 150 heronderzoeken per jaar uitgevoerd worden. Twee gemeenten, met 20-50.000 inwoners, hebben aangegeven meer dan 150 heronderzoeken per 100 uitkeringsgerechtigden te moeten uitvoeren volgens het door hen opgestelde onderzoeksplan. Dit duidt op een `streng' beleid. In onderstaande tabel worden de gemiddelde aantallen geplande heronderzoeken en de range (het kleinste en grootste gerapporteerde aantal geplande heronderzoeken) weergegeven per gemeentegrootteklasse.

Tabel 4.5: Aantal geplande uit te voeren heronderzoeken per 100. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners

Aantal geplande uit te voeren 112 95 84 78 89 heronderzoeken per 100
uitkeringsgerechtigden

Range (minimum - maximum) 63-193 59-124 59-112 50-94 50-193

Standaarddeviatie 41 19 22 24

Aantal gemeenten 13 12 5 3 33

Het aantal geplande uit te voeren heronderzoeken neemt af naarmate gemeenten groter worden. Hierdoor wordt het begrijpelijk dat er in de grotere gemeenten ook minder heronderzoeken uitgevoerd worden. Het aantal heronderzoeken dat binnen de geplande termijn uitgevoerd moet worden fluctueert sterk tussen de gemeenten. Bij het nader bekijken van de data blijkt dat de spreiding in het aantal geplande heronderzoeken per gemeente kleiner wordt naarmate gemeenten groter worden. Er bestaan grote verschillen in de wijze waarop kleinere gemeenten vorm geven aan hun beleid op het gebied van onderzoekstermijnen. De grootste gemeenten in deze steekproef lijken bij de invulling van hun heronderzoeksplan vaker dezelfde keuzes betreffende termijnen te maken.

Beëindigingsonderzoeken


9 Volgens de RAU is het niet toegestaan voor alle heronderzoeken de termijn op 18 maanden te stellen. De praktijk wijst echter uit dat dit wel voorkomt.


38



In artikel 66 van de Abw staat de verplichting tot het uitvoeren van een onderzoek bij beëindiging van een uitkering beschreven. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd uiterlijk drie maanden na de beëindiging van een uitkering. Er is getracht door middel van de monitor gegevens te verzamelen waaruit af te leiden valt welk percentage van de beëindigde uitkeringen gevolgd wordt door een onderzoek. Het bleek echter dat deze gegevens, onder andere door verschillende wijze van registratie, zich niet lenen voor statistische analyse.


4.4 Controle op maat



4.4.1 Bijzondere aanvraagprocedures


Controle op maat is een belangrijk instrument om de risico's op misbruik en oneigenlijk gebruik van de Abw te beperken. Eerder werd het belang van vastgelegde procedures over de controle bij aanvragen al uiteengezet. Controle op maat bij de aanvraag houdt in dat bij deze procedures rekening wordt gehouden met de risico's die de klant met zich meebrengt.

In de monitor is aan de gemeenten gevraagd of er gebruik wordt gemaakt van bijzondere of specifieke aanvraagprocedures die afwijken van de standaardprocedures wanneer er bij de klant risico's worden vermoed. Het criterium voor een bijzondere of specifieke aanvraag is hierbij dat het onderscheid met een standaardprocedure schriftelijk moet zijn vastgelegd.

Het blijkt dat in het jaar 2000 de grote gemeenten vaker gebruik maken van controle op maat bij de aanvraagprocedures dan de kleine gemeenten.

Tabel 4.6: Percentages gemeenten per grootteklasse die werken met bijzondere aanvraagprocedures. Landelijke cijfer herwogen.


20-50.000 50-100.000 100- > 150.000 Landelijk inwoners inwoners 150.000 inwoners percentage inwoners

Percentage gemeenten dat ge- 17 25 50 57 22 bruik maakt van specifieke of
bijzondere aanvraagprocedures

Aantal gemeenten 18 16 8 7 49

Van de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners maakt de helft gebruik van een bijzondere of specifieke aanvraagprocedure. De kleine gemeenten doen dit een stuk minder. Dat de kleinere gemeenten minder vaak gebruik maken van specifieke of bijzondere aanvraagprocedures hoeft niet te betekenen dat in deze gemeenten minder aandacht wordt besteed aan controle op maat bij de poort. Uit


39



de gevraagde gegevens in dit onderzoek blijkt wel dat controle op maat in de kleinere gemeenten minder vaak in schriftelijke instructies wordt vastgelegd.

Overigens is bij gemeenten niet bekend welk deel van de aanvragen als risicovol beschouwd moet worden.


4.4.2 Risico- en fraudeprofielen


Een tweede vorm van controle op maat is het gebruik van risico- en fraudeprofielen. Een risicoprofiel komt tot stand door op basis van risicoanalyses kenmerken van klanten te identificeren die het risico van misbruik of oneigenlijk gebruik verhogen. Een fraudeprofiel kan geschetst worden door te analyseren of klanten waarbij fraude is geconstateerd gemeenschappelijke kenmerken hebben. Om na te gaan in hoeverre deze werkwijze door gemeenten gebruikt wordt bij fraudebestrijding is er gevraagd of zij in het jaar 2000 gebruik maakten van risico-fraudeprofielen van specifieke klantengroepen.

Gesteld kan worden dat gemeenten in 2000 niet of nauwelijks gebruik maakten van risico- of fraudeprofielen. In dit onderzoek hebben slechts twee gemeenten met 50-100.000 inwoners en één gemeente met meer dan 150.000 inwoners aangegeven dat deze methode gebruikt wordt bij fraudepreventie en bestrijding.

In kwaliteitsmodellen van het te voeren fraudebestrijdingsbeleid die de laatste jaren ontwikkeld zijn, wordt controle op maat gezien als een belangrijke voorwaarde voor een doeltreffend M&O-beleid. Tijdens de gesprekken met gemeenten is meermalen naar voren gekomen dat er weliswaar in 2000 niet met risico- en fraudeprofielen werd gewerkt, maar dat er inmiddels aan een introductie ervan gewerkt wordt. Hierdoor is de indruk gekregen dat het gebruik maken van controle op maat inderdaad in ontwikkeling is en de komende jaren meer vorm zal krijgen.


4.5 Conclusies


Verificatie- validatieplan

Gemeenten blijken op meer niveaus van de beleidscyclus gebruik te maken van het verificatie- validatieplan. Bij alle gemeenten die een dergelijk plan hebben opgesteld, wordt de uitvoering ervan intern gecontroleerd. Daarna wordt dit plan in de meeste gevallen gebruikt als evaluatie-instrument. De


40



resultaten van de interne controle worden door 89 procent van de gemeenten met een plan zowel op managementniveau als op uitvoeringsniveau teruggekoppeld.

Reguliere controle

Naast het gebruik van een verificatie- validatieplan is het voor een gedegen uitvoering van het controlebeleid van belang in welke mate de lopende uitkeringen worden onderworpen aan een heronderzoek. Daarbij is het van belang dat deze onderzoeken frequent gepland worden en tijdig worden uitgevoerd. Gemeenten kunnen aan het heronderzoeksbeleid hun eigen invulling geven door middel van het opstellen van een heronderzoeksplan. Het blijkt dat hierin grote verschillen bestaan tussen gemeenten onderling. Er zijn gemeenten die alle heronderzoeken op de maximale termijn van achttien maanden hebben gesteld en er zijn gemeenten die een dergelijk streng heronderzoeksbeleid voeren dat ze zelfs eerder dan de wettelijke aangegeven acht maanden na aanvang van een uitkering een heronderzoek uitvoeren.

De invulling van het heronderzoeksbeleid en de uitvoering ervan blijkt consistent te verschillen tussen de gemeentegrootteklassen. Er kan gesteld worden dat hoe kleiner de gemeente, hoe intensiever het gevoerde beleid. Er zijn bij kleine gemeenten in 2000 meer heronderzoeken gepland, meer heronderzoeken per klant uitgevoerd en dit is vaker binnen de gestelde termijnen gedaan. Bij de kleinste gemeenten is slechts drie procent van de heronderzoeken na de geplande termijn uitgevoerd. Bij grotere gemeenten is 23 tot 35 procent te laat uitgevoerd. Ook in voorgaande jaren werd geconstateerd dat gemeenten beter presteren op het gebied van de uitvoering van heronderzoeken naarmate zij kleiner worden.

De registratie van gegevens over het controlebeleid blijkt bij een gedeelte van de gemeenten te wensen over te laten. Het aantal uitgevoerde heronderzoeken wordt wel door het grootste gedeelte van de gemeenten geregistreerd, maar of dit binnen de gestelde termijnen is gebeurd, is landelijk gezien, door meer dan een kwart van de gemeenten niet aan te geven. Het aantal dat volgens het (eventueel) opgestelde heronderzoeksplan uitgevoerd moet worden, is zelfs in minder dan een kwart van de gemeenten bekend. Hierdoor is het niet of nauwelijks mogelijk beleid te evalueren en aan te passen. Het feit dat bij veel gemeenten niet bekend is hoeveel heronderzoeken er gepland zijn, is met name opvallend. Het is daardoor moeilijk te schatten hoeveel middelen er in de toekomst beschikbaar voor moeten worden gesteld, waardoor de kans op achterstanden groter wordt.

Controle op maat

Het blijkt dat het beleid op het gebied van controle op maat nog weinig vorm heeft in 2000. Gemeenten werken niet of nauwelijks met risico- en fraudeprofielen van specifiek klantengroepen. Wat betreft de poortwachtersfunctie is controle op maat door nog geen kwart van de gemeenten schriftelijk vastgelegd. Er is gevraagd of er gebruik wordt gemaakt van specifieke aanvraagprocedures wanneer


41



er bij een klant risico's worden vermoed. Er is hierbij aan de gemeenten expliciet aangegeven dat het gaat om schriftelijke vastlegging van het onderscheid met de standaardprocedure. Bij de grootste gemeenten komt dit het meest vaak voor. Een verklaring hiervoor kan zijn dat gezien de omvang van deze organisaties het schriftelijke vastleggen van beleid eerder noodzakelijk is. Het hoeft niet te betekenen dat kleine gemeenten controle op maat aan de poort niet hanteren. Het is opvallend dat wanneer gemeenten wel controle op maat bij de poort voorschrijven, er bijna nooit resultaten worden geregistreerd. Daardoor is het helaas niet mogelijk na te gaan in hoeverre controle op maat preventief heeft gewerkt.


42




5 OPSPORING EN CONSTATERING VAN FRAUDE





5.1 Inleiding


Een voorwaarde voor een doeltreffend fraudebestrijdingsbeleid is het oppikken van zo veel mogelijk signalen van mogelijke fraude en een snelle afhandeling daarvan. De hoeveelheid binnengekomen signalen (exclusief de belastingsignalen) en het deel dat daarvan afgehandeld wordt, kunnen hierbij gezien worden als prestatie-indicatoren. Een snelle afhandeling van signalen en een daarmee samenhangende lage werkvoorraad, duiden op een doeltreffend fraudebestrijdingsbeleid. Een doeltref- fende wijze van opsporing zal uiteindelijk moeten leiden tot een lager bedrag aan fraude. Het bedrag dat gemeenten aan fraude opsporen is echter niet een eenduidige indicator voor een doeltreffend beleid. Een laag totaalbedrag aan opgespoord misbruik kan eveneens een indicator zijn van een lage kwaliteit van de opsporing. Een bruikbaarder indicator lijkt te zijn het opgespoord fraudebedrag per fraudegeval. Dit is zowel een indicator voor de kwaliteit van de opsporing (hoe sneller de fraude opgespoord wordt, des te lager het fraudebedrag) als voor het totale beleid (wat bij een doeltreffende uitvoering de klant de minste kans op frauderen geeft). Aan het eind van dit hoofdstuk worden zowel de aantallen fraudeconstateringen als de totale fraudebedragen en de bedragen per fraudeconstatering besproken.

De signalen over fraude die binnenkomen worden in dit onderzoek in drie categorieën ingedeeld; signalen uit bestandsvergelijking, interne signalen (signalen binnen de dienst ontstaan) en externe signalen (signalen die van buiten de dienst komen). In dit hoofdstuk worden de signalen uit bestandsvergelijking apart behandeld. De interne en externe signalen worden samen besproken omdat deze signalen door weinig gemeenten gescheiden geregistreerd worden.


5.2 Opsporing via bestandsvergelijking


Het grootste gedeelte van de fraudesignalen die bij de sociale dienst binnenkomen, is afkomstig uit bestandsvergelijking10. In dit onderzoek zijn aan de gemeenten vragen gesteld over het aantal signalen dat in het jaar 2000 in de werkvoorraad is opgenomen en de afhandeling van deze signalen.

Beschikbaarheid van signalen uit bestandsvergelijking


10 Op basis van de gesprekken met gemeenten en uitkomsten van het doeltreffendheidsonderzoek naar de poortwachtersfunctie en misbruik bestrijding (1999), kan gesteld worden dat de meerderheid van de gemeenten alleen bestanden vergelijkt met de belastingdienst.


43



De informatie over het aantal signalen uit bestandsvergelijking blijkt slechts in een deel van de gemeenten beschikbaar. De informatie kon door 45 procent van de gemeente niet of niet tijdig achterhaald worden.

Tabel 5.1: Beschikbaarheid van het aantal samenloopsignalen uit bestandsvergelijking in percentages gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.

Aantal geregistreerde signalen in 20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk
2000 inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Beschikbaar 33 82 88 57 45

Niet beschikbaar 67 18 13 43 55

Aantal gemeenten 18 17 8 7 50

De kleinste gemeenten blijken het minst vaak de hoeveelheid binnengekomen signalen te registreren. Ook in de grootste gemeenteklasse komt dit vaak voor, bijna de helft van deze gemeenten kan het aantal binnengekomen signalen uit bestandsvergelijking niet leveren. Van de middelgrote gemeenten registreert een ruime meerderheid de binnengekomen belastingsignalen wel.

Uit eerdere onderzoeken bleek al dat gemeenten zeer verschillende werkwijzen hanteren voor de registratie van de binnengekomen signalen. Zij verschillen van elkaar onder andere in het uitvoeren van een eerste check. Er zijn gemeenten die eerst een globale check uitvoeren op de ontvangen bestanden en vervolgens alleen onderzoekswaardige signalen in de werkvoorraad opnemen, andere registreren alle `samenloopsignalen'11 als fraudesignaal. Er zijn ook verschillen in het hanteren van een ondergrens. Er zijn gemeenten die signalen uit bestandsvergelijking alleen registreren wanneer er voor een bepaald bedrag aan fraude wordt vermoed. Daarnaast zijn er gemeenten die de belastingsignalen eens in de twee jaar afhandelen, waardoor het aantal als binnengekomen genoteerde signalen hoog is.

De verzamelde informatie in deze monitor over de hoeveelheid binnengekomen signalen blijkt, ondanks de extra vraag naar de wijze van registratie, net als in eerdere onderzoeken moeilijk tussen gemeenten vergelijkbaar. Hierdoor is het gegeven `geregistreerde signalen' geen adequate landelijk te gebruiken indicator voor doeltreffendheid. Gemeenten kunnen echter wel afzonderlijk het aantal binnengekomen fraudesignalen als prestatie-indicator betrekken bij de evaluatie.

Afhandeling van belastingsignalen

Een informatieve en wel beschikbare indicator van de inspanning op het gebied van de afhandeling van signalen, wordt gevormd door na te gaan tot en met welk jaar de gemeenten de belastingsignalen hebben verwerkt. In de tijd dat dit onderzoek afgenomen is, hadden de diensten de bestanden van 1999


11 Samenloopsignaal: signaal van derde dat sociale dienst klant ook ander inkomen heeft.


44



nog niet van de belastingdienst ontvangen. Er kan dus gesteld worden dat de gemeenten in dit onderzoek geen achterstand in af te handelen signalen hebben, wanneer de signalen tot en met 1998 zijn verwerkt. In onderstaande tabel wordt aangegeven voor welke jaren de belastingsignalen door de diensten zijn afgehandeld.

Tabel 5.2: Afhandeling van belastingsignalen over de afgelopen jaren in percentage gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.

Belastingsignalen afgehandeld tot 20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk en met: inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners


199212 0 0 13 0 1


1995 6 12 13 14 7


1996 17 29 38 43 21


1997 33 6 25 29 28


1998 44 53 13 14 42

Gemeenten 18 17 8 7 50

Uit tabel 5.2 blijkt dat 42 procent van de gemeenten in Nederland geen achterstand heeft in de afhandeling van de belastingsignalen. Het grootste gedeelte van de gemeenten was in 2000 bezig met de afhandeling van de belastingsignalen van 1997 en eerdere jaren. Gemeenten met minder dan
100.000 inwoners hebben minder achterstanden dan de grotere gemeenten.

De achterstanden in af te handelen belastingsignalen is al jaren een probleem, waar vooral de grootste gemeenten mee te kampen hebben13. Omdat in eerder onderzoek voor elk voorgaand jaar afzonderlijk gevraagd is of de signalen wel of niet waren afgedaan, is niet duidelijk na te gaan of de achterstanden gedurende 2000 groter of kleiner zijn geworden ten opzichte van 199914. In 1999 gaf alleen vijf procent van de gemeenten tot 100.000 inwoners aan de signalen van het meest recente jaar (toen 1997) afgedaan te hebben. Van de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners had toen nog geen enkele gemeente het recentste jaar verwerkt.


5.3 Interne en externe fraudesignalen





12 Een gemeente heeft aangegeven de belastingsignalen tot en met 1992 te hebben afgedaan, voor de problemen met de ach- terstanden heeft de gemeente extra financiële middelen ontvangen.


13 Facetten van fraudebestrijding 1997/98, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000; Doeltreffendheid uitvoering Abw 1999, Poortwachtersfunctie en Misbruikbestrijding, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2000.


14 Gemeenten geven soms voorrang aan de afhandeling van de meest recente jaren, hierdoor sluit de vraagstelling uit vorig onderzoek niet direct aan op de vraagstelling uit onderhavig onderzoek. Gemeenten die in voorgaand onderzoek aangaven signalen van 1997 afgedaan te hebben hadden mogelijkerwijs nog wel signalen uit eerdere jaren af te handelen.


45



Naast de signalen uit bestandsvergelijking komen er ook uit andere bronnen signalen van fraude binnen. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen interne en externe signalen. Interne signalen ontstaan binnen de dienst, ze worden door de bijstandsconsulenten opgevangen. Het aantal interne signalen zou daarom een goede indicator kunnen zijn van de fraudealertheid van de medewerkers. Externe fraudesignalen worden door derden aan de diensten aangeleverd. Dit kan door overige instanties gedaan worden, maar ook tips van burgers vallen hieronder. In veel gemeenten worden deze signalen niet apart geregistreerd. Om toch een indicatie te krijgen van de verhouding, is in de monitor alleen met betrekking tot de nieuw binnengekomen fraudesignalen in 2000 gevraagd naar de aantallen interne en externe signalen.

Beschikbaarheid van de gegevens en wijze van registratie

Er is nagegaan hoeveel signalen er per 100 uitkeringen in het jaar 2000 in portefeuille bij bijzonder onderzoek waren, hoeveel er in dat jaar zijn bijgekomen, en hoeveel er in totaal zijn afgehandeld. Er is tevens nagegaan naar hoeveel signalen er een bijzonder onderzoek is gestart.

Ook bij de interne en externe fraudesignalen blijkt de registratie niet bij alle gemeenten volledig. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de percentages gemeenten die de gegevens over interne en externe fraudesignalen kunnen leveren.

Tabel 5.3: Beschikbaarheid van geregistreerde interne en externe signalen in 2000 in percentage gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.

Beschikbaarheid van gere- 20-50.000 50-100.000 100- > 150.000 Landelijk gistreerde signalen in 2000 inwoners inwoners 150.000 inwoners percentage inwoners

Werkvoorraad per 1-1 61 88 88 86 68

Binnengekomen signalen 72 100 88 86 78

Gesplitst naar herkomst 50 59 75 29 52

Bijzondere onderzoeken gestart 56 82 88 86 64

Werkvoorraad per 31-12 78 94 88 86 81

Aantal gemeenten 18 17 8 7 50

Het blijkt dat de registratie van de interne en externe fraudesignalen vollediger is dan de registratie van de signalen uit bestandsvergelijking. Maar hierbij worden niet altijd alle binnengekomen signalen geregistreerd en in behandeling genomen (zie tabel 5.4 en tabel 5.5). Ruim 50 procent van de gemeenten registreert alle bovenstaande gegevens die het verloop van de werkvoorraad weergeven. Het aantal interne en externe signalen dat in het jaar 2000 is binnengekomen wordt door een groot gedeelte van de gemeenten geregistreerd, maar slechts door iets meer dan de helft van de gemeenten


46



gescheiden naar herkomst. Vanwege dit gebrek aan beschikbaarheid kan deze informatie niet gebruikt worden als indicator voor de fraudealertheid van de medewerkers.

Over het algemeen kan geconcludeerd worden dat ruim 80 procent van de gemeenten zowel de werkvoorraden aan het begin en het eind van het jaar, als de binnengekomen signalen en het aantal bijzondere onderzoeken dat is gestart, registreren. Een uitzondering hierop wordt gevormd door de gemeenten met 20 tot 50.000 inwoners. In deze grootteklasse registreert 10 tot 20 procent minder gemeenten deze gegevens.

Evenals bij de signalen uit bestandsvergelijking, hanteren de gemeenten voor de interne en externe signalen verschillende wijzen van registratie. Er is daarom aan de gemeenten gevraagd of er voordat de signalen geregistreerd worden een globale check wordt uitgevoerd, zodat alleen de onderzoekswaardige signalen worden geregistreerd of dat alle soorten meldingen als signalen worden geregistreerd. In onderstaande tabel worden de percentages van de gemeenten die de verschillende werkwijzen hanteren gepresenteerd naar gemeentegrootteklasse.

Tabel 5.4: Manier van registreren van interne en externe fraudesignalen in percentage gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Globale check 78 71 57 100 76

Alle signalen in de werkvoorraad 22 29 43 0 24

Aantal gemeenten 18 17 7 7 49

Het blijkt dat de verschillende registratiewijzen niet gelijk verdeeld zijn over de gemeenten in Nederland. Ruim drie kwart van de gemeenten voert een globale check uit op meldingen en signalen alvorens deze als fraudesignalen in de werkvoorraad worden opgenomen. De grootste gemeenten in dit onderzoek hanteren allemaal deze werkwijze. De gemeenten met 100-150.000 inwoners maken het minst vaak gebruik van een globale check bij de registratie van signalen. Bij deze gemeenten is de wijze van registratie ongeveer gelijk verdeeld over de twee varianten.

Afhandeling interne en externe fraudesignalen en bijzonder onderzoek

Het verloop van de werkvoorraad fraudesignalen wordt in onderstaande tabel weergegeven. Er worden hier gemiddelde absolute aantallen gerapporteerd. Omdat niet bij alle gemeenten dezelfde combinatie van gegevens wordt geregistreerd, zijn per cel de aantallen gemeenten waarvan de gegevens beschikbaar zijn weergegeven. In deze tabel worden ook de landelijke aantallen per 100 uitkeringsgerechtigden gerapporteerd.


47



Tabel 5.5: Gemiddelde aantallen interne en externe fraudesignalen en onderzoeken per gemeente (in absolute aantallen) per grootteklasse en landelijke aantallen per 100 uitkeringsgerechtigden15.


20- n 50-100.000 n 100- n > 150.000 n Landelijk
50.000 inwoners 150.000 inwoners gemiddelde inwoners inwoners per 100 uitk.

Werkvoorraad per 1- 28 11 91 15 357 7 795 6 4,1
1-2000


Binnengekomen 36 13 158 17 302 7 928 6 7,4 signalen

Bijzondere 21 10 125 14 384 7 637 6 6,2 onderzoeken gestart

Werkvoorraad per 20 14 69 16 266 7 506 6 3,6
31-12-2000
Het blijkt dat alle responderende gemeenten in het jaar 2000 zijn ingelopen op de achterstand die zij hadden in het afhandelen van de interne en externe signalen. Bij alle gemeenten is de werkvoorraad per 31 december 2000 kleiner dan per 1 januari 2000. De gemeenten met meer dan 150.000 inwoners hebben het grootste percentage van de achterstand ingelopen: 37 procent. Hierbij moet een kanttekening geplaatst worden. Bij het nader bekijken van de gegevens in tabel 5.5 blijkt dat een gedeelte van de signalen niet is afgehandeld, maar wel uit de werkvoorraad is gehaald. Dit `opschonen' van de werkvoorraad gebeurt meestal wanneer het aantal nog af te handelen signalen zo groot is dat het niet reëel lijkt de achterstand nog in te halen. De overige gemeenten hebben, ten opzichte van het aantal signalen op 1 januari, 24 tot 29 procent minder signalen in de werkvoorraad op 31 december. Voor de kleinere gemeenten zijn de gegevens steeds bij een verschillend aantal gemeenten voorradig, wat kan leiden tot een niet sluitende reeks in tabel 5.5.


5.4 Constatering van fraude


Beschikbaarheid van de gegevens over fraudeconstateringen

In bovenstaande paragrafen is een beeld geschetst van de inspanningen van gemeenten op het gebied van de opsporing van fraude. Een prestatie-indicator voor deze inspanningsverrichtingen zijn de gegevens over de aantallen geconstateerde fraudegevallen en de bedragen waarvoor gefraudeerd is. Voor een gedegen evaluatie van het gevoerde beleid zijn dit essentiële gegevens. Toch blijkt dat in 2000 nog een klein gedeelte van de gemeenten deze gegevens niet voorhanden had. In onderstaande tabel wordt de beschikbaarheid weergegeven.


15 In deze tabel is zijn de landelijke aantallen per 100 uitkeringsgerechtigden berekend door voor de responderende gemeenten het aantal signalen per uitkeringsgerechtigde te berekenen, te vermenigvuldigen met de aantallen uitkeringsgerechtigden in de betreffende grootteklasse en de som van de klassen te delen door het landelijk aantal uitkeringsgerechtigden.


48



Tabel 5.6: Beschikbaarheid van aantallen fraudeconstateringen en het bruto benadelingsbedrag16 in percentages gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.

Beschikbare gegevens 20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Aantal fraudeconstateringen 61 88 100 100 70

Fraude uit interne en externe 50 88 75 86 59 signalen

Fraude uit bestandsvergelijking 39 88 75 86 51

Bruto benadelingsbedrag 78 94 100 71* 83

Aantal gemeenten 18 17 8 7 50


* Van twee gemeenten uit het vooronderzoek kon niet tijdig achterhaald worden of het bruto benadelingsbedrag beschikbaar is. Vandaar dat deze cel 5 gemeenten bevat.

Uit tabel 5.6 blijkt dat bijna 30 procent van de gemeenten niet het aantal fraudeconstateringen kan leveren. Het totale benadelingsbedrag is bij 17 procent niet beschikbaar. Dit is gezien het belang van deze gegevens als resultaatindicatoren opvallend. Met name bij de kleinste gemeenten worden deze gegevens niet altijd geregistreerd. Zij registreren vaker het totale benadelingsbedrag dan het aantal fraudeconstateringen. De grote gemeenten registreren wel het aantal fraudeconstateringen èn het benadelingsbedrag.

Totaalbedrag aan geconstateerde fraude en aantallen fraudeconstateringen

De gemeenten is gevraagd naar het totale fraudebedrag. In onderstaande tabel wordt het gemiddelde opgespoorde fraudebedrag in 2000 per gemeentegrootteklasse weergegeven. Ook worden hier de bedragen over de voorgaande jaren gepresenteerd, afkomstig uit het doeltreffendheidsonderzoek naar de poortwachtersfunctie.

Tabel 5.7: Gemiddeld opgespoord fraudebedrag (in guldens) per gemeente naar gemeentegrootte.

Gemiddeld opgespoord fraude- 20-50.000 50- 100- > 150.000 Streekproef- bedrag per jaar per gemeente inwoners 100.000 150.000 inwoners gemiddelde inwoners inwoners


2000 247.725 676.093 1.656.136 9.384.377 1.731.548

Aantal gemeenten 14 16 8 5 43


1998 174.540 740.329 1.904.639 9.186.780 2.376.292




16 Het bruto benadelingsbedrag is het bedrag waarvoor de Sociale Dienst in totaal is benadeeld, de administratiefrechtelijke bedragen (bedragen onder de fl. 12.000) en strafrechtelijke bedragen (bedragen boven de
12.000) samen.





49




1997 139.730 774.318 2.253.185 9.909.269 2.587.930


1996 216.986 939.701 2.589.505 10.042.630 2.771.949

Aantal gemeenten 7 21 10 8 46


* Voor 96-98: 10.000-50.000 inwoners.

Wanneer gekeken wordt naar de ontwikkeling van het landelijk gemiddeld opgespoord fraudebedrag, dan is te zien dat er sinds 1996 sprake is van een jaarlijkse daling hiervan. Ook in het jaar 2000 is het gemiddeld opgespoord fraudebedrag lager dan het jaar daarvoor. Bij de gegevens in tabel 5.7 moet echter een kanttekening geplaatst worden. Om het landelijk bedrag uit dit onderzoek vergelijkbaar te houden met de landelijke bedragen uit eerder onderzoek is het landelijk gemiddelde op dezelfde wijze berekend. Hierbij is echter geen rekening gehouden met de landelijke aantallen gemeenten binnen de verschillende grootteklassen. De landelijke bedragen in tabel 5.7 zijn de gemiddelden van de steekproef. Omdat de steekproef van onderhavig onderzoek meer kleine gemeenten en minder grote gemeenten bevat dan de voorgaande steekproef, levert dit een vertekening op waarbij het landelijk gemiddelde fraudebedrag in het jaar 2000 onderschat wordt in vergelijking met voorgaande jaren.

Omdat in beide steekproeven de grote gemeenten oververtegenwoordigd zijn, kan aangenomen worden dat de steekproefgemiddelden van 1996 tot en met 1998 in tabel 5.7 een grote overschatting zijn van het daadwerkelijk landelijk gemiddelde. Wanneer er bij de berekening rekening gehouden wordt met de aantallen klanten in de verschillende klassen in Nederland en daarbij ook rekening wordt gehouden met het aantal gemeenten onder de 20.0000 inwoners, is er in 2000 per gemeente voor fl. 253.991,- aan fraude opgespoord17. Dit betekent dat er in 2000 totaal in Nederland voor 136,6 miljoen gulden aan bijstandsfraude is geconstateerd.

Het is informatiever om te kijken naar de gemeentegrootteklassen afzonderlijk. Hier blijkt dat zich niet bij alle grootteklassen een daling in het gemiddeld opgespoord fraudebedrag heeft voorgedaan. In de grootste klasse is er sprake van een kleine stijging. Ook het gemiddelde fraudebedrag van de kleinste gemeenten lijkt in tabel 5.7 hoger te zijn dan de voorgaande jaren. Echter, aangezien het gemiddeld fraudebedrag lager wordt naarmate gemeenten kleiner zijn, is het waarschijnlijk dat deze stijging veroorzaakt wordt doordat in het onderhavige onderzoek geen gemeenten onder de 20.000 inwoners zijn opgenomen. In de voorgaande jaren is het gemiddeld fraudebedrag berekend over de gemeenten met 10-50.000 inwoners.

Een doeltreffende uitvoering van het fraudebestrijdingsbeleid zal resulteren in een zo laag mogelijk benadelingsbedrag. Echter, ook bij een slecht uitgevoerd beleid wordt weinig opgespoord. Een indicator die meer inzicht verschaft is het fraudebedrag per fraudegeval. Hierbij valt de stelling te verdedigen dat


17 Voor de gemeenten onder de 20.000 inwoners is een schatting gemaakt voor het totaal opgespoord bedrag van deze gemeenten. Het totaal aantal fraudeconstateringen dat voor deze klasse in 2000 is geconstateerd is vermenigvuldigd met het gemiddeld fraudebedrag per fraudegeval dat gemeenten met 20-50.000 inwoners rapporteren.


50



een laag gemiddeld fraudebedrag per fraudegeval duidt op een snelle opsporing van de fraude. Hoe sneller de fraude gedetecteerd wordt hoe kleiner het bedrag waarvoor gefraudeerd is.

Voor de gemeenten waarvan zowel bekend is hoeveel fraudeconstateringen er in 2000 waren, als het opgespoorde fraudebedrag, is het gemiddelde per fraudegeval berekend. In tabel 5.8 wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling in deze bedragen per gemeentegrootteklasse sinds 1996.


51



Tabel 5.8: Gemiddeld opgespoord fraudebedrag (in guldens) per fraude geval in 2000 naar ge- meentegrootte.

Gemiddeld opgespoord fraudebe- 20-50.000 50- 100- > 150.000 Steekproef- drag per fraudegeval. inwoners 100.000 150.000 inwoners Gemiddelde inwoners inwoners


2000 5.241 7.295 8.310 5.171 6.652

Aantal gemeenten 11 15 8 5 39


1998 3.440 6.866 9.448 7.505 7.112


1997 2.293 7.294 12.444 8.309 8.198


1996 7.544 7.519 10.852 11.194 9.020

Aantal gemeenten 6 15 10 6 37

Evenals bij het gemiddelde totale fraudebedrag is er bij het landelijk gemiddelde fraudebedrag per fraudegeval de laatste jaren sprake geweest van een daling. In tabel 5.8 is evenals in tabel 5.7 het landelijk bedrag het gemiddelde van de totale steekproef. Ook hier kan ervan uitgegaan worden dat het bedrag in 2000 een overschatting is ten opzicht van de bedragen van voorgaande jaren vanwege het verschil in steekproef. Het landelijk gemiddeld fraudebedrag per fraudegeval bedraagt fl. 5.751,- wanneer er rekening gehouden wordt met de landelijke verdeling van de gemeenten over de gemeentegrootteklassen.

Dat het bedrag aan fraude per fraudegeval lager is dan in voorgaande jaren wordt ook veroorzaakt door een daling bij de grootste gemeenten. Bij deze gemeenten is het gemiddelde bedrag waarvoor in
2000 gefraudeerd is 30 procent lager dan twee jaar ervoor. In de gemeenten met 50-100.000 inwoners is het gemiddeld bedrag daarentegen enigszins gestegen sinds 1998. Daarnaast valt de stijging bij de kleinste grootteklasse in 2000 op. Hierbij moet echter weer rekening gehouden worden met het eerder genoemde verschil in samenstelling van de groep van de kleinste gemeenten.

In tabel 5.9 worden de aantallen fraudeconstateringen per 100 uitkeringen en het bruto bena- delingsbedrag (in guldens) per 100 uitkeringen weergegeven voor de verschillende gemeen- tegrootteklassen.


52



Tabel 5.9: Gemiddeld aantal fraudeconstateringen en bruto benadelingsbedrag (in guldens) per 100 uitkeringsgerechtigden in 2000 naar gemeentegrootte. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners gemiddelde inwoners inwoners

Gemiddeld aantal fraudeconstate- 9,1 6,8 6,4 8,1 7,8 ringen per 100 uitkeringen

Aantal gemeenten 11 15 8 7 41

Bruto benadelingsbedrag per 100 39.987 38.363 40.704 39.939 397.81 uitkeringen

Aantal gemeenten 14 16 8 5 43

In de gemeenten met 20-50.000 inwoners en de gemeenten met meer dan 150.000 inwoners wordt per
100 klanten het meest vaak fraude geconstateerd. De middelgrote gemeenten constateren gemiddeld 1 tot 2 keer minder fraude per 100 klanten dan de grootste en de kleinste gemeenten. De bruto benadelingsbedragen per 100 uitkeringsgerechtigden liggen in de middelgrote gemeenten iets hoger dan in de grootste en de kleinere gemeenten.


5.5 Conclusies


Fraudesignalen

Bij het kijken naar het verloop van de werkvoorraad van fraudesignalen blijkt dat gegevens hierover in beperkte mate beschikbaar zijn. Gegevens over de signalen uit bestandsvergelijking en het verwerken hiervan zijn slechts door de helft van de gemeenten te leveren. De verwerking van interne en externe fraudesignalen kan door meer gemeenten geleverd worden (50 tot 80%). In kleine gemeenten zijn de gegevens over fraudesignalen in mindere mate beschikbaar dan bij grote gemeenten.

Naast de beperkte beschikbaarheid blijkt er bij het analyseren van signalen uit bestandsvergelijking ook een probleem te zijn met de vergelijkbaarheid van de geleverde gegevens. Door verschillende registratiewijzen en verschillende wijzen van afhandeling lenen deze gegevens zich niet voor een indicatie van de doeltreffendheid van het fraudebestrijdingsbeleid.

Een betere indicator zijn de jaren waarover de signalen uit de bestanden van de belastingdienst volledig zijn afgehandeld. Gemeenten hebben al jaren problemen met het afhandelen van deze signalen. Ook in
2000 had meer dan de helft van de gemeenten de signalen van 1998 nog niet afgehandeld, de bestanden van 1999 hadden de gemeenten ten tijde van het onderzoek nog niet ontvangen. De kleinere gemeenten hebben minder achterstanden in de afhandeling dan de grotere gemeenten. Hierin is de situatie ten opzichte van voorgaande jaren niet gewijzigd. In de grote gemeenten is bijna 15 procent nog


53



bezig met de signalen uit 1995. In vergelijking met voorgaand jaar zijn er in alle grootteklassen meer gemeenten die de belastingsignalen van het laatst binnengekomen jaar hebben afgedaan. Maar de achterstanden zijn nog steeds groot. De komst van het IB in 2002 lijkt, gezien de moeite die gemeenten hebben met de hoeveelheid belastingsignalen, een welkome verandering.

Grote gemeenten hebben niet alleen meer achterstand in de belastingsignalen. Zij ondervinden ook meer problemen bij het tijdig afhandelen van de interne en externe signalen dan de kleine gemeenten. De werkvoorraad is bij alle gemeenten aan het einde van het jaar kleiner dan aan het begin van het jaar. Bij de grootste gemeenten is het verschil tussen de werkvoorraden het grootst. Het is echter aannemelijk dat dit komt door het `opschonen' van de werkvoorraad, waarbij doorgaans de oudste signalen niet meer in behandeling worden genomen vanwege capaciteitsgebrek. Bij een kwart van de af te handelen signalen is een bijzonder onderzoek ingesteld. Bij kleinere gemeenten werd dit bij de helft van de interne en externe signalen gedaan.

Geconstateerde fraude

Er is in 2000 in de gemeenten in Nederland per gemeente gemiddeld voor bijna fl. 254.000,- aan fraude geconstateerd. Dit betekent dat er totaal in Nederland voor 136,6 miljoen gulden aan bijstandsfraude wordt geconstateerd. Per fraudegeval bedroeg de opgespoorde fraude gemiddeld bijna fl. 6.000,-. Sinds
1996 zijn zowel de totale geconstateerde fraudebedragen als het benadelingsbedrag per fraudegeval jaarlijks afgenomen.

Bij het bekijken van de aantallen fraudeconstateringen en de totale fraudebedragen valt op dat 20 tot 40 procent van de kleinste gemeenten hierover geen gegevens beschikbaar heeft. Dit is opmerkelijk, omdat bij een gebrek aan gegevens over het resultaat van fraudebestrijding het niet mogelijk is een adequaat fraudebestrijdingsbeleid op te stellen langs lijnen van de beleidscyclus.

Toch blijkt dat er bij kleinere gemeenten over het algemeen geen sprake is van een minder doeltreffend fraudebestrijdingsbeleid. Het opgespoord fraudebedrag per fraudegeval, waarvan wordt aangenomen dat dit een indicatie geeft van de snelheid waarmee fraude wordt opgespoord, is in deze kleine gemeenten lager dan de gemeenten met 50.000 tot 150.000 inwoners. Bij de kleinste gemeenten is de dienst gemiddeld per fraudeconstatering voor ruim fl. 5.000,- benadeeld. Dit bedrag is bij de middelgrote gemeenten 2- tot 3.000 gulden hoger. Het is opvallend dat de gemeenten met meer dan
150.000 inwoners per fraudegeval de laagste fraudebedragen constateren. Het verschil in opgespoord fraudebedrag per geval tussen de grootste en kleine gemeenten is zeer klein, bij beide grootteklassen ligt dit 2 tot 3 duizend gulden lager dan bij de middelgrote gemeenten. Dit zou er op kunnen duiden dat de kleine en de grootste gemeenten er beter in slagen fraude adequaat te bestrijden. Ondersteuning voor deze veronderstelling is te vinden in het feit dat ook juist deze gemeenten de meeste fraudegevallen per 100 uitkeringsgerechtigden constateren. Gesteld kan worden dat de kleine en de grootste gemeenten veel lage fraudebedragen opsporen tegenover de middelgrote gemeenten die


54



relatief minder vaak fraude opsporen en hierbij grotere bedragen vinden. Daarbij valt echter op dat de kleine en grootste gemeenten met betrekking tot een andere indicator juist van elkaar verschillen. De kleine gemeenten hebben de minste achterstanden in de verwerking van belastingsignalen terwijl de grootste gemeenten hier veel meer problemen mee hebben. Bij de grote gemeenten moet het relatief lage fraudebedrag per fraudegeval en relatief hoge aantal fraudeconstateringen per 100 klanten misschien anders geïnterpreteerd worden. Gezien het relatief grote aantal fraudesignalen (uit bestandsvergelijking en uit andere bronnen) dat deze gemeenten niet in behandeling nemen is het mogelijk dat ze juist de signalen van grote fraudebedragen, waarbij wellicht sprake is van een kleinere pakkans, niet in onderzoek nemen.


55




6 AFHANDELING EN SANCTIONERING





6.1 Inleiding


Een belangrijke onderdeel van de handhavingscyclus is de afhandeling en de sanctionering van geconstateerde fraude. Het eerder genoemde lik op stuk beleid, dat veel gemeenten voeren, houdt in dat er na de constatering van fraude een snelle en voldoende strenge consequentie volgt. Daarbij is de Wet boeten en maatregelen (Wbm) een belangrijk instrument.

De Wbm is sinds 1 juli 1997 voor de Abw van kracht en is van invloed op werking van artikelen in de Abw en vult de Abw aan (bijvoorbeeld Boeten). De wet verplicht gemeenten een boete op te leggen wanneer er onjuiste of onvolledige informatie wordt verstrekt door klanten bij de aanvraag of gedurende de duur van een uitkering. Naast boeten geeft deze wet de mogelijkheid maatregelen en waarschuwingen op te leggen. Maatregelen, waarbij de hoogte van de uitkering kan worden aangepast, worden opgelegd wanneer de klant andere verplichtingen niet nakomt, zoals bijvoorbeeld het weigeren van passende arbeid of het niet nakomen van de sollicitatieplicht. Wanneer een overtreding van de inlichtingen verplichting door klanten niet heeft geleid tot financieel nadeel voor de dienst, de zogenaamde nulfraude, kan volstaan worden met een waarschuwing.

Bij de gemeenten is nagegaan hoeveel boeten er in 2000 zijn opgelegd, welke bedragen hiermee zijn gemoeid en welke consequenties de fraudeconstateringen voor de uitkeringen hebben gehad.


6.2 Consequenties voor de uitkering


In de monitor is aan de gemeenten gevraagd hoe vaak een fraudeconstatering heeft geleid tot het beëindigen of het wijzigen van de hoogte van een uitkering. Het blijkt dat deze informatie slechts bij de helft van de gemeenten beschikbaar is. In tabel 6.1 wordt een overzicht van de beschikbaarheid gegeven, ingedeeld naar gemeentegrootteklasse.

Tabel 6.1: Beschikbaarheid van de gegevens over de aantallen beëindigde en in hoogte gewij- zigde uitkeringen vanwege fraude, in percentage gemeenten per gemeentegrootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.

Beschikbare gegevens 20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage

Uitkering beëindigd 50 65 75 50 59

Uitkering gewijzigd in hoogte 39 59 50 33 47

Aantal gemeenten 18 17 8 7 50


56



De gegevens over de aantallen beëindigde uitkeringen naar aanleiding van de constatering van fraude, worden door meer gemeenten geregistreerd dan de aantallen uitkeringen die vanwege fraude in hoogte veranderen. Omdat de beide gegevens in slechts ongeveer de helft van de gemeenten beschikbaar zijn, worden hier de landelijke cijfers besproken en wordt niet nader opgesplitst naar gemeentegrootteklassen.

De aantallen wijzigingen en beëindigingen van uitkeringen zijn afhankelijk van het aantal fraudeconstateringen. In onderstaande tabel wordt het landelijke aantal beëindigde en in hoogte gewijzigde uitkeringen weergegeven per 100 fraudeconstateringen.

Tabel 6.2: Landelijk aantal vanwege fraude beëindigde en in hoogte gewijzigde uitkeringen per 100 uitkeringen. Landelijke cijfers herwogen.

Landelijk aantal per Aantal
100 uitkeringen gemeenten

Uitkeringen beëindigd vanwege fraude 0,79 29

Uitkeringen gewijzigd in hoogte vanwege fraude 0,52 23

Er wordt bij constatering van fraude vaker een uitkering beëindigd dan in hoogte gewijzigd. Gemiddeld één op de tweehonderd uitkeringen werd in 2000 per gemeente in hoogte gewijzigd vanwege fraude. Na fraudeconstateringen werd per gemeente één op de honderdzevenentwintig uitkeringen beëindigd.


6.3 Aantallen boeten en processen verbaal


In de monitor is vanwege het uitgangspunt van een beknopte vragenlijst alleen gevraagd naar de aantallen opgelegde boeten en niet naar het aantal opgelegde maatregelen en waarschuwingen. Daarnaast is gevraagd hoeveel processen verbaal (pv's) er in 2000 zijn opgemaakt. Er moet volgens de Wet boeten en maatregelen aangifte gedaan worden bij het openbaar ministerie in de vorm van het opmaken van een proces verbaal, wanneer het fraudebedrag boven de fl. 12.000,- gulden ligt. Er wordt, wanneer er een strafrechtelijke vervolging volgt, afgezien van het opleggen van een boete.

In tabel 6.3 worden de aantallen opgelegde boeten en het aantal opgemaakte processen verbaal per
100 uitkeringen weergegeven. Het gaat om het aantal opgelegde boeten inclusief de boeten opgelegd bij nulfraude, waarvan sprake is wanneer het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingen verplichting zonder financiële gevolgen voor de dienst is gebleven.


57



Tabel 6.3: Gemiddelde aantallen opgelegde boeten, opgemaakte processen verbaal per 100 uitkeringen in
2000 naar gemeentegrootte. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 n 50- n 100- n > 150.000 n Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners inwoners inwoners

Boeten 5,0 16 6,7 17 8,3 7 4,9 7 5,7

Standaarddeviatie 4,6 3,4 3,1 4,1

Processen verbaal 0,6 14 0,9 17 1,4 6 0,9 7 0,9

Standaarddeviatie 0,6 0,5 0,8 0,6

Per 100 uitkeringsgerechtigden worden jaarlijks gemiddeld bijna 6 boeten opgelegd en werd er gemiddeld per 111 uitkeringsgerechtigden in Nederland één proces verbaal opgemaakt.

Uit de standaarddeviaties, die in bovenstaande tabel worden gepresenteerd, blijkt dat de verschillen tussen gemeenten in de opgelegde boeten zeer groot zijn. Dit is ook gebleken uit onderzoeken naar de uitvoering van de Wbm die de afgelopen jaren in opdracht van de Directie Toezicht zijn uitgevoerd18. De verschillen kunnen worden herleid naar gemeentelijke verschillen op diverse gebieden, zoals bijvoorbeeld de werkdruk van uitvoerenden en de aanwezigheid van een boete-ambtenaar. Daarnaast is het verschil in invulling van beleid van belang. Wanneer gemeenten voor een strenge invulling van wet hebben gekozen, wordt er bij fraudeconstateringen vaker overgegaan tot het opleggen van een boete 19.


6.4 Boetevorderingen


Naast de functie van sanctionering kan ervan uitgegaan worden dat het opleggen van boeten een preventieve werking kan hebben. Wanneer de gevolgen van fraude als voldoende negatief ervaren worden is de kans op recidive kleiner. Het is daarbij van belang dat een opgelegde boete zo snel mogelijk wordt ingevorderd.

In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de boetevorderingen in het jaar 2000. De gegevens omtrent de boetebedragen en mate waarin deze geïnd worden, zijn in een deel van de gemeenten met minder dan 50.000 inwoners niet beschikbaar.


18 Zie onder meer Sancties in de Bijstand, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000.


19 Straffen in de bijstand, De evaluatie van de Wet boeten in het domein van de bijstandswet, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2001.


58



Tabel 6.4: Boetevorderingen over 2000 gemiddeld per gemeente (in guldens) naar gemeentegrootte. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners

Saldo per 1-1 3.753 24.475 51.587 240.399 20.516

Opboekingen gedurende 2000 7.156 33.595 65.323 233.175 24.995

Ontvangsten gedurende 2000 4.026 15.416 38.321 128.909 13.541

Buiten invordering gesteld 50 431 778 3.360 302

Saldo per 31-12 7.067 39.969 77.499 331.920 31.065

Aantal gemeenten 15 16 8 7 46

Een belangrijk gegeven om na te gaan of de opgelegde boeten daadwerkelijk afgelost worden en daarmee een preventief effect kunnen veroorzaken, zijn de boetebedragen die buiten invordering zijn gesteld. Het blijkt dat landelijk gezien bijna 1,5 procent van het saldo aan in te vorderen boeten per 1 januari 2000 buiten invordering is gesteld. De gemeenten uit de verschillende grootteklassen verschillen hierin weinig van elkaar.

Ondanks het kleine gedeelte dat buiten invordering is gesteld, is er in 2000 door gemeenten in Nederland een hoger bedrag aan boeten opgeboekt dan dat er aan boeten is geïnd. Bij alle gemeentegrootteklassen is het saldo aan in te vorderen boeten hoger op 31 december dan op 1 januari. In 2000 is ruim de helft van het bedrag dat aan boeten is opgeboekt, ook geïnd.

Boetevorderingen

Een indicator voor een `soepel' sanctioneringsbeleid is het bedrag aan boeten dat buiten invordering is gesteld. Dit blijkt bij gemeenten nauwelijks te gebeuren: bij slechts anderhalf procent van de in te vorderen boeten in Nederland is er sprake geweest van buiten invorderingstelling. Hieruit kan echter niet rechtstreeks afgeleid worden dat er over het algemeen een streng beleid wordt gevoerd. Het is mogelijk dat juist bij de minst draagkrachtige gevallen afgezien wordt van het opleggen van een boete.

Het opleggen van een boete alleen is niet voldoende om van het lik op stuk beleid een preventief effect uit te laten gaan. Daarvoor is het ook van belang dat de boete daadwerkelijk wordt ingevorderd. Het blijkt dat gemeenten op dit gebied problemen ondervinden. In 2000 is slecht iets meer dan de helft van de opgelegde boeten ingevorderd. Daarbij is ook de saldi aan boetevorderingen aan het einde van het jaar groter dan aan het begin van het jaar.


59




6.5 Conclusies


Consequenties van fraudeconstateringen

Of de doelstellingen van het gevoerde sanctioneringsbeleid gehaald worden is door 60 procent van de gemeenten niet na te gaan, omdat ook hier vaak sprake is van een gebrekkige registratie van de benodigde resultaatgegevens. Van zowel de kleinste als de grootste gemeenten registreert ongeveer de helft het aantal beëindigde en in hoogte gewijzigde uitkeringen vanwege fraude niet.

Wet boeten en maatregelen

De registratie van de Wbm is vollediger, wat verband zal houden met de (politieke) aandacht voor deze wet in de vorm van verschillende onderzoeken die hiernaar zijn uitgevoerd. De aantallen opgelegde boeten en opgemaakte processen verbaal worden door minstens 90 procent van de gemeenten vastgelegd. Ook hier is de registratie bij de kleinste gemeenten het minst frequent. Gemiddeld werden er per 100 uitkeringsgerechtigden bijna 6 boeten opgelegd en werd voor 1 op de 111 uitkeringsgerechtigden proces verbaal opgemaakt.

De wijze van gegevensverzameling in dit onderzoek maakt het niet mogelijk na te gaan hoe `streng' de houding van gemeenten is met sanctionering. Hiervoor zou gekeken moeten worden naar de hoogte van de boete in percentages van het fraudebedrag. Omdat er tussen het constateren van fraude en het opleggen van een boete een tijdsinterval bestaat, kan dit alleen achterhaald worden via analyse van gegevens op klantniveau.


60




7 TERUG- EN INVORDERING FRAUDESCHULDEN





7.1 Beleid


Het eerder besproken lik op stuk beleid dat veel gemeenten nastreven, werkt ook door bij de invordering van fraudeschulden. Het belang dat gemeenten hechten aan fraudebeleid is mede af te lezen aan de snelheid waarmee fraudeschulden worden teruggevorderd. Gemeenten kiezen er soms voor aan de schulden die voortkomen uit fraude prioriteit te geven. In tabel
7.1 wordt een overzicht gegeven van de percentages gemeenten die fraudeschulden prioriteit geven bij invordering.

Tabel 7.1: Percentages gemeenten naar grootteklasse die prioriteit geven aan fraudeschulden bij invordering. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50- 100- > 150.000 Landelijk inwoners 100.000 150.000 inwoners percentage inwoners inwoners

Fraudeschulden prioriteit bij invorde- 53 53 33 43 51 ring

Fraudeschulden geen prioriteit bij in- 47 47 67 57 49 vordering

Aantal gemeenten 17 15 6 7 45

In de helft van de gemeenten krijgen fraudeschulden prioriteit bij invordering. Kleine gemeenten kiezen vaker voor dit invorderingsbeleid dan grote gemeenten. Het blijkt echter dat het geven van prioriteit aan fraudeschulden niet betekent dat gemeenten succesvoller zijn in het invorderen. Er bestaat geen significant verband tussen de prioriteitstelling en het percentage van uitstaande en opgeboekte fraudevorderingen dat teruggevorderd wordt.

Gemeenten verschillen op het gebied van invorderingsbeleid ook van elkaar in het bieden van de mogelijkheid om fraudeschulden af te kopen. Bij de afkoop van fraudeschulden wordt doorgaans de overeenkomst gesloten dat wanneer men de schuld ineens betaalt, er een gedeelte van de fraudeschuld kwijtgescholden wordt. Deze mogelijkheid biedt de diensten een voordeel. Een snelle invordering is niet alleen van belang omdat het een preventieve werking kan hebben. Het terugvorderen van fraudeschulden is ook vaak een moeizaam en langdurig proces, waarmee kosten gemoeid zijn. Des te sneller het benadelingsbedrag, eventueel deels, teruggevorderd wordt, des te voordeliger dit is voor de diensten.


61



Tabel 7.2: Percentages gemeenten naar grootteklasse die klanten de mogelijkheid bieden fraudeschulden af te kopen. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage

Wel afkoop mogelijkheid 28 53 100 50 36

Geen afkoop mogelijkheid 72 47 0 50 64

Aantal gemeenten 18 15 6 6 45

In ruim een derde van de gemeenten is het mogelijk een fraudeschuld af te kopen. De gemeenten verschillen in dit beleid van elkaar naar gemeentegrootte. Van de gemeenten met 20-50.000 inwoners werkt slechts 28 procent met deze regeling. In de klasse met 100-150.000 inwoners bestaat er bij alle gemeenten een mogelijkheid tot het afkopen van fraudeschulden. Slechts elf gemeenten kunnen aangeven hoeveel fraudeschulden er zijn afgekocht. Zeven van deze gemeenten geven aan dat er geen fraudeschulden zijn afgekocht, drie gemeenten geven aan dat er één fraudeschuld is afgekocht in 2000 en in één gemeente zijn er drie fraudeschulden afgekocht.

Er blijkt dus nauwelijks invloed te zijn van het wel of niet gebruik maken van een afkoopregeling op de mate waarin fraudeschulden daadwerkelijk worden afgelost, omdat afkoop nauwelijks voorkomt.


7.2 Fraudevorderingen


Om een beeld te krijgen van de mate waarin diensten er in slagen de fraudebedragen waarvoor ze benadeeld zijn terug te vorderen, is de gemeenten gevraagd naar de saldi van uitstaande fraudevorderingen aan het begin en aan het einde van het jaar, het bedrag aan vorderingen dat er bij gekomen is en het bedrag aan fraudeschuld dat in 2000 afgelost is. Het bleek dat lang niet alle gemeenten deze gegevens van fraudevorderingen registreren. In tabel 7.3 wordt een overzicht gegeven van de percentages gemeenten die bovenbeschreven gegevens kunnen leveren.

Tabel 7.3: Beschikbaarheid van gegevens over fraudevorderingen in percentages gemeenten per grootteklasse. Landelijke cijfers herwogen.

Beschikbare gegevens 20-50.000 50-100.000 100-150.000 > 150.000 Landelijk inwoners inwoners inwoners inwoners percentage

Saldo per 1-1 50 88 86 100 60

Opboekingen gedurende 2000 72 88 86 100 77

Ontvangsten gedurende 2000 61 88 86 86 68

Buiten invordering gesteld 67 81 71 86 70

Saldo per 31-12 56 88 86 86 64


62



Aantal gemeenten 18 16 7 7 48

Tijdens de gesprekken met de gemeenten is naar voren gekomen dat de gegevens over frau- devorderingen vaak niet geleverd kunnen worden omdat de verschillende soorten vorderingen niet gescheiden worden geregistreerd. Met name de kleine gemeenten registreren alleen gegevens over het totaalbedrag aan vorderingen en geven daarbij niet aan wanneer een vordering verband houdt met fraude.

Voor de gemeenten die de gegevens wel beschikbaar hebben, worden in onderstaande tabel de saldi en opboekingen en aflossingen van fraudevorderingen weergegeven.

Tabel 7.4: Absolute bedragen tot fraudevorderingen (in guldens), gemiddeld per gemeente in 2000. Landelijke cijfers herwogen.


20-50.000 n 50- n 100-150.000 n > 150.000 n Landelijke inwoners 100.000 inwoners inwoners Bedragen inwoners

Saldo per 1-1 1.111.952 9 3.408.085 14 13.390.200 6 57.691.453 7 4.775.834

Opboekingen 269.021 13 608.358 14 1.953.160 6 8.025.530 7 775.059 gedurende 2000

Ontvangsten 198.311 11 326.895 14 1.290.100 6 6.831.813 6 583.637 gedurende 2000

Buiten invorde- 21.680 12 103.385 13 349.371 5 5.002.468 6 276.110 ring gesteld

Saldo per 31-12 1.097.151 10 3.589.946 14 13.737.125 6 60.983.290 6 4.960.939

Aan de gegevens in tabel 7.4 is te zien dat het terugvorderen van fraudeschulden vaak een lang en moeizaam proces is. Slechts gemiddeld twaalf procent van het bedrag aan openstaande fraudevorderingen aan het begin van het jaar werd in 2000 afgelost. Evenals bij de boetevorderingen blijkt dat de meeste gemeenten aan het eind van 2000 een hoger saldo aan fraudevorderingen hebben dan aan het begin van 2000. Alleen de gemeenten met 20-50.000 inwoners zijn erin geslaagd de fraudevorderingen in 2000 enigszins terug te dringen. In bovenstaande tabel zijn ook de gemiddelde bedragen weergegeven die buiten invordering zijn gesteld. Deze geven een indicatie van de `strengheid' van het terugvorderingsbeleid dat gemeenten voeren. Bij de gemeenten onder de 150.000 inwoners is in 2000 twee tot drie procent van het in januari uitstaande vorderingssaldo buiten invordering gesteld. Bij de grote gemeenten is dit een groter bedrag, daar is ruim acht procent van de fraudevorderingen per januari 2000 buiten invordering gesteld. Bij deze percentages moet echter een kanttekening gezet worden. Een derde van de gemeenten heeft aangegeven dat de fraudevorderingen die buiten invordering zijn gesteld niet gescheiden kunnen worden van de correctieboekingen. Voor deze gemeenten is het totaal afgeboekte bedrag meegenomen als buiten invordering stelling, waardoor de percentages gezien kunnen worden als een overschatting.


63



Omdat de gemeenten waarvan het totaal afgeboekte bedrag is meegenomen niet oververtegenwoordigd zijn in de grootste gemeenteklasse, heeft dit geen invloed op het verschil in buiten invordering stelling dat deze klasse met de overige gemeenten laat zien.


7.3 Conclusies


Om fraude niet te laten lonen en daarmee de neiging tot recidive te onderdrukken, is het van belang het fraudebedrag zo volledig en snel mogelijk terug te vorderen. De helft van de gemeenten besteedt aan een snelle invordering extra aandacht door bij terugvorderingen fraudeschulden voorrang te geven boven andere soorten vorderingen. Deze gemeenten slagen er echter niet in meer van de uitstaande vorderingen te incasseren.

De gegevens met betrekking tot fraudevorderingen blijken door een gedeelte van de gemeenten niet geleverd te kunnen worden. Ook hier zijn het met name de kleine gemeenten (50 tot 65%) die niet over deze informatie beschikken. Hier worden de fraudevorderingen vaak niet gescheiden van de overige vorderingen. Bij de overige gemeenten vindt bij minimaal 86 procent wel gescheiden registratie plaats.

De terugvordering van fraudeschulden blijkt niet eenvoudig. Terwijl het totaal opgespoorde fraudebedrag in Nederland gedaald is, is het saldo aan terugvorderingen in 2000 gestegen. Er is slechts twaalf procent van het bedrag aan openstaande fraudevorderingen in 2000 ontvangen en acht procent van dit bedrag is buiten invordering gesteld. Hieruit blijkt dat bij fraude duidelijk van toepassing is dat voorkomen beter is dan genezen.


64




8 INDICATOREN







8.1 Inleiding

Een belangrijke doelstelling van de M&O-monitor 2000 is het vinden van kengetallen die de doeltreffendheid van het misbruikbestrijdingsbeleid indiceren, zogenaamde prestatie-indicatoren. Daarbij moet gezocht worden naar indicatoren die geschikt zijn om opgenomen te worden in het verantwoor- dingsmodel, wat betekent dat ze door het grootste gedeelte van de gemeenten in Nederland geleverd moeten kunnen worden en dat ze de gemeenten voldoende van elkaar onderscheiden.

In dit hoofdstuk geven we inzicht in de variabelen die het fraudebestrijdingsresultaat beïnvloeden. Als eerste stap hierbij dienen we variabelen te onderscheiden die een goede indicatie van het al dan niet slagen van het beleid geven.
Als resultaatvariabelen hanteren we20:

* het fraudebedrag per fraudegeval;

* het aantal fraudeconstateringen per 100 uitkeringsgerechtigden; en
* het bruto benadelingsbedrag per 100 uitkeringsgerechtigden.
We gaan ervan uit dat de variabelen die een samenhang vertonen met een laag fraudebedrag per fraudegeval het meest zeggen over de doeltreffendheid van het gevoerde fraudebestrijdingsbeleid. Het totaal aantal fraudeconstateringen en het bruto benadelingsbedrag zijn, zoals eerder beschreven, minder éénduidige indicatoren. In dit hoofdstuk wordt nagegaan op welke wijze de resultaatvariabelen verband houden met verschillende inspanningen op het gebied van fraudebestrijding.

Bij het kijken naar de verbanden willen we echter een kanttekening plaatsen. Er moet bij de gerapporteerde verbanden in dit hoofdstuk in het achterhoofd gehouden worden dat het hier gaat om een indicatie van de factoren die voor een doeltreffend fraudebestrijdingsbeleid van belang zijn. Het totaal bedrag aan opgespoorde fraude en het opgespoord fraudebedrag per fraudegeval kunnen per gemeente sterk beïnvloed worden door zogenaamde uitbijters. Dit zijn zeer afwijkende, maar wel betrouwbare resultaten.

20 De resultaatvariabelen worden in hoofdstuk 5 `Constatering van Fraude' in tabel 5.8 en tabel 5.9 weergegeven per gemeentegrootteklasse.

65



Daarbij kan het kleine aantal gemeenten, dat vanwege beperkte beschikbaarheid van de gegevens in de analyses wordt opgenomen, de betrouwbaarheid van de uitkomsten beïnvloeden21.

De verbanden in dit hoofdstuk worden niet nader besproken per gemeentegrootteklasse. In hoofdstuk 5 kwam naar voren dat de gemeentegrootteklassen met 20-50.000 inwoners en de gemeenten met meer dan 150.000 inwoners, in vergelijking met de middelste gemeentegrootteklassen, lagere fraudebedragen per fraudegeval rapporteren en per 100 uitkeringsgerechtigden meer fraudegevallen constateren en lagere totale benadelingsbedragen per 100 uitkeringsgerechtigden opsporen. De verschillen tussen de gemeentegrootteklassen blijken echter niet zo groot dat zij de gevonden verbanden tussen de resultaatvariabelen en overige M&O-variabelen beïnvloeden22.

8.2 Relatie tussen voorlichting en fraudeconstateringen

Momenten van voorlichting

Wanneer er op meer momenten aan voorlichting wordt gedaan, blijkt er voor een lager bedrag per fraudegeval gefraudeerd te worden. In figuur 8.1 wordt het fraudebedrag per fraudegeval weergegeven naar aantal momenten waarop aan voorlichting wordt gedaan.

Figuur 8.1: Fraudebedrag per fraudegeval (y-as) naar aantal momenten waarop door de dienst aan voorlichting over fraudebestrijding aan de klant wordt gedaan (x-as).

Gemiddeld fraudebedrag per geval

10000

8000
6000 Gemiddeld fraudebedrag per 4000 geval 2000

0
2 3 of 4 5 of 6 7 of 8

De mate van voorlichting kan een indicatie geven van de doeltreffendheid van het fraudebestrijdings- beleid (er bestaat een significant verband tussen deze variabelen).

21 Het kleine aantal waarneming waarop analyses zijn uitgevoerd vergroten de kans dat uitkomsten op toeval berusten.

22 Variantieanalyse heeft uitgewezen dat er geen effect bestaat van gemeentegrootteklasse op de genoemde resultaatvariabelen, zij hebben geen invloed op de correlatieanalyses die uitgevoerd zijn om te kijken naar verbanden tussen de resultaatvariabelen en overige variabelen van het M&O-beleid.


---



Het dalen van fraudebedrag per fraudegeval naarmate de voorlichting op meer momenten wordt gegeven, wordt alleen onderbroken bij de gemeenten die dit op vijf manieren doen. Bij het nader bekij- ken van de data blijkt dat dit komt door twee uitbijters in deze groep.

Om te kijken wat de meest effectieve momenten van voorlichting zijn, is nagegaan welk moment het sterkst verband houdt met het fraudebedrag per fraudegeval. Hierbij is niet gekeken naar het geven van voorlichting bij de intake, omdat bijna alle gemeenten dit doen en zich daardoor te weinig van elkaar onderscheiden. Het blijkt dat het geven van voorlichting over fraudebestrijding bij het heronderzoek, bij het aanbieden van passende arbeid en bij een traject gericht op uitstroom significant samenhangen met een lager fraudebedrag per fraudegeval. Daarnaast blijkt ook voorlichting bij het beëindigingsonderzoek in redelijke mate (zij het niet significant) samen te hangen met deze resultaatvariabele. In figuur 8.2 wordt het gemiddelde bedrag per fraudegeval weergegeven naar het gebruiken van de momenten voor voorlichting.

Figuur 8.2: Fraudebedrag per fraudegeval (y-as) naar momenten waarop voorlichting wordt gegeven (x- as).

1 4 0 0 0

1 2 0 0 0
1 0 0 0 0

8000 voorlichting 6000

4000 geen voorlichting 2000
0

heronderzoek
Passende arbeid Uitstroomtraject

Beëindigingsonderzoek

De samenhang met voorlichting bij het heronderzoek blijkt daarbij het sterkst. Dit moment van voorlichting lijkt derhalve bij te dragen aan minder misbruik en oneigenlijk gebruik. Er is echter juist een omgekeerd verband waar te nemen tussen voorlichting tijdens het heronderzoek en het aantal fraudeconstateringen. Het blijkt dat meer voorlichting samengaat met meer fraudegevallen. Dit duidt derhalve, op zijn beurt weer, niet op een hoge preventieve werking van de voorlichting. Meer voor de hand ligt de veronderstelling dat beide bovengenoemde verbanden zijn terug te voeren naar het goed op orde hebben van de werkprocessen (waaronder goede en regelmatige voorlichting) door sociale diensten. Hierdoor wordt sneller (en vaker) fraude geconstateerd en blijft het gemiddeld bedrag lager. Hierna gepresenteerde verbanden ondersteunen deze veronderstelling.

Figuur 8.3: Aantal fraudeconstateringen per 100 uitkeringsgerechtigden (y-as) naar het geven van voorlichting over fraudebestrijding bij het heronderzoek (x-as).

67



Percentage fraudeconstateringen

10

8

6 Percentage 4 fraudeconstateringen

2

0
voorlichting geen voorlichting

Wijzen van voorlichting

Het aantal verschillende manieren waarop voorlichting wordt gegeven is niet van invloed op de doeltreffendheid van het fraudebestrijdingsbeleid. Er bestaat wel voor twee afzonderlijke wijzen van voorlichting een verband met het fraudebedrag per fraudegeval (deze verbanden grenzen aan significantie). Het geven van voorlichting via een klantenraad en via het gericht schrijven aan de klant blijkt bij gemeenten met een lager fraudebedrag per fraudegeval vaker gedaan te worden.

Figuur 8.4: Fraudebedrag per fraudegeval (y-as) naar het geven van voorlichting via een klantenraad en het schrijven aan de klant (x-
as).

10000

8000

6000 wel 4000 niet

2000

0
Klantenraad Schrijven aan de klant

Het lijkt onwaarschijnlijk dat voorlichting via een klantenraad leidt tot minder frauduleus gedrag. Ook hier lijken de beide variabelen, de voorlichting en het lagere fraudebedrag, te wijzen op een goed functionerende sociale dienst.

68



8.3 Relatie tussen heronderzoeken en de constatering van fraude

Om na te gaan welke controle-aspecten invloed hebben op de doeltreffendheid van het gevoerde beleid, is ten eerste gekeken of er een samenhang bestaat tussen de verschillende controlevariabelen en het fraudebedrag per fraudegeval. Wat hierbij opvalt is dat er maar bij één controlevariabele een zekere mate van samenhang is geconstateerd. Het blijkt dat de tijdigheid van de heronderzoeken belangrijk is voor een snelle constatering van fraude. Uit figuur 8.5 valt af te lezen dat er in het algemeen gesteld kan worden dat hoe meer heronderzoeken er per 100 uitkeringsgerechtigden tijdig worden uitgevoerd, des te lager het fraudebedrag per geconstateerd fraudegeval is23.

Figuur 8.5: Hoogte van de fraude per fraudegeval in guldens (y-as) naar aantal tijdig uitgevoerde heronder- zoeken per 100 uitkeringsgerechtigden (x-as).

Gemiddeld fraudebedrag per geval 10000

8000

6000 Gemiddeld 4000 fraudebedrag per geval 2000

0
31-53 53-74 74-96 96-193

Een kanttekening bij deze constatering is dat de tijdigheid van de heronderzoeken hier geen betekenis heeft voor de termijn waarop de onderzoeken zijn uitgevoerd. De tijdigheid van de heronderzoeken is alleen gerelateerd aan de termijnen die de gemeenten zichzelf in het heronderzoeksplan hebben opgelegd. Er kan hierbij geen uitspraak gedaan worden over de kwaliteit van deze heronderzoeksplannen.

Het opgespoord fraudebedrag per fraudegeval wordt bij de responderende gemeenten niet beïnvloed door het aantal (tijdig of niet tijdig) uitgevoerde heronderzoeken per 100 uitkeringsgerechtigden. De aantallen uitgevoerde heronderzoeken hebben daarentegen wel een verband met het totaal aantal fraudeconstateringen.

23 Het gaat hier om een niet significant verband, p<0.1.

69



Figuur 8.6: Aantal fraudeconstateringen (y-as) naar aantal uitgevoerde heronderzoeken per 100 uitke- ringsgerechtigden (x-as).

Aantal fraudeconstateringen

10

8

6
4 Aantal fraudeconstateringen 2

0
50-71 71-94 94-111 111-193

Figuur 8.6 laat zien dat hoe hoger het aantal uitgevoerde heronderzoeken, des te hoger het aantal fraudeconstateringen. Omdat een hoog aantal fraudeconstateringen zowel een goede uitvoering als een slechte uitvoering van het fraudebestrijdingsbeleid kan betekenen, laat dit verband zich niet éénduidig interpreteren. Dit is al helemaal het geval omdat de opgespoorde bedragen van deze fraudegevallen niet lager zijn. Er bestaat de mogelijkheid dat dit verband wordt veroorzaakt doordat een aantal gemeenten in 2000 een inhaalslag op het gebied van de heronderzoeken heeft gepleegd. Een deel van de heronderzoeken in 2000 had reeds in het voorgaande jaar uitgevoerd moeten zijn. Het is dus niet gezegd dan een hoog aantal uitgevoerd heronderzoeken in 2000 een goed uitgevoerd beleid betekent. Wanneer er heronderzoeken te laat uitgevoerd zijn, heeft de klant meer kans om te frauderen en is het logisch dat er op een later tijdstip meer fraudegevallen ontdekt worden. Deze veronderstelling kan echter alleen getoetst worden wanneer de heronderzoeksfrequenties van twee jaar of langer terug bekend zijn.

Daarnaast moet bij zowel het verband tussen de tijdigheid van de heronderzoeken en het fraudebedrag per fraudegeval als bij de relatie tussen de uitgevoerde heronderzoeken en het aantal fraudeconstateringen een kanttekening geplaatst worden. Omdat een groot deel van het misbruik onderzoek plaats vindt naar aanleiding van belastingsignalen, een proces dat los staat van de heronderzoekscyclus, is het mogelijk dat de gevonden relaties tussen heronderzoeken en resultaatvariabelen beïnvloed worden door de achterstanden in belastingsignalen. Het is gezien de aard van de verzamelde data echter niet mogelijk te corrigeren voor de achterstanden in belastingsignalen.

70



8.4 Relatie tussen belastingsignalen en de constatering van fraude

Zoals eerder besproken lijkt een groot aantal binnengekomen signalen en een snelle afhandeling ervan een goede indicator voor een doeltreffend fraudebestrijdingsbeleid. Het blijkt inderdaad dat gemeenten die geen achterstand in de af te handelen belastingsignalen hebben, de laagste fraudebedragen per fraudegeval hebben geconstateerd. Bij de gemeenten met minstens drie jaar achterstand is het fraudebedrag per fraudegeval een aantal malen groter. Deze constateringen liggen in lijn met de eerder geuite veronderstelling dat diensten die hun "zaakjes" goed op orde hebben, het meest doeltreffend zijn in hun M&O-beleid.

Figuur 8.7: Hoogte van de fraude per fraudegeval inguldens (y-as) naar jaartal van afhandeling van belas- tingsignalen (x-as).

Fraudebedrag per geval

25000

20000

15000
Fraudebedrag per 10000 geval

5000

0
' 98 ' 97 ' 96 ' 95-' 92

De gegevens in figuur 8.7 laten zien dat het voor een doeltreffend fraudebestrijdingsbeleid noodzakelijk is gegevens zo snel mogelijk met bestanden van de belastingdienst te controleren. In dit licht lijkt de komst van het IB in 2002 een positieve ontwikkeling.

8.5 De relatie tussen het invorderingsbeleid en de constatering van fraude

Het blijkt dat gemeenten die veel waarde hechten aan het terugvorderen van fraudeschulden en daaraan prioriteit geven, gemiddeld voor minder hoge bedragen worden benadeeld. Figuur 8.8 geeft het gemiddeld fraudebedrag per fraudegeval aan voor de gemeenten die wel en geen prioriteit geven aan fraudeschulden boven overige schulden bij de invordering.

71



Figuur 8.8: Gemiddeld fraudebedrag per fraudegeval in guldens (y-as) naar prioriteitstelling aan fraude- schulden bij terugvordering (x-as).

Gemiddeld fraudebedrag per geval

9000
8000
7000
6000
5000 Gemiddeld 4000 fraudebedrag per geval 3000
2000
1000
0
wel prioriteit geen prioriteit

Dit zou geïnterpreteerd kunnen worden als ondersteuning voor de veronderstelling dat van een streng terugvorderingsbeleid een afschrikwekkende werking uitgaat. Maar hierbij moet ook weer een kanttekening geplaatst worden. Wanneer deze veronderstelling op waarheid berust zou het voor de hand liggen dat ook het aantal fraudeconstateringen beïnvloed wordt door het invorderingsbeleid. Bij de responderende gemeenten is dit echter niet het geval. Het is daarom aannemelijker dat de gemeenten die een succesvol fraudebestrijdingsbeleid voeren ook in het invorderingsbeleid extra aandacht besteden aan fraude. Deze aandacht heeft echter op zich geen effect op de fraudegeneigdheid van de klant. Er is immers eerder gebleken dat de prioriteitstelling aan fraudevorderingen ook geen effect heeft op de mate waarin gemeenten er in slagen fraudeschulden terug te vorderen.

8.6 Conclusies

Het blijkt niet eenvoudig door middel van de monitor eenduidige indicatoren te vinden die inzicht geven in de mate waarin het fraudebestrijdingsbeleid doeltreffend is. Uit de verzamelde gegevens van de monitor komen drie mogelijke indicatoren voor doeltreffendheid van het fraudebestrijdingsbeleid naar voren. Doeltreffendheid operationaliseren wij daarbij als het hebben van lage bedragen per fraudegeval. Het blijkt dat er een duidelijke samenhang is tussen een laag bedrag per fraudegeval en de situatie waarin:


* er een gedegen voorlichtingsbeleid wordt gevoerd, waarbij het van belang is dat:
- de klant zo frequent mogelijk geconfronteerd wordt met informatie rondom fraude in de vorm van voorlichting;

- de voorlichting in ieder geval ten tijde van het heronderzoek gegeven wordt en daarnaast bij het aanbieden van passende arbeid en uitstroom trajecten;
- voorlichtingsinformatie wordt aangeboden via een klantenraad of door middel van het aanschrijven van de klant.

* er zo veel mogelijk heronderzoeken tijdig worden uitgevoerd;
72




* er geen achterstanden in het afhandelen van belastingsignalen bestaan.
Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het aantal heronderzoeken dat de dienst per 100 uit- keringsgerechtigden uitvoert samen lijkt te gaan met het aantal constateringen van fraude.

Deze indicatoren duiden er op dat het M&O-beleid van de dienst vooral doeltreffend is wanneer het beleid in zijn verschillende facetten goed wordt uitgevoerd. Het lijkt niet zo te zijn dat de doeltreffendheid is terug te voeren naar alleen preventie, of alleen controle. Integraliteit lijkt van groot belang.

In dit hoofdstuk, waarin gezocht is naar indicatoren voor doeltreffendheid is ook naar bovengekomen dat die niet eenvoudig zijn te geven. Bij de toekomstige opname van indicatoren voor een doeltreffend M&O-beleid in het verslag over de uitvoering (verantwoordingsmodel) moet bedacht worden dat om verschillende redenen op basis van deze monitor de gevonden indicatoren hun waarde nog moeten bewijzen. Dat heeft consequenties voor het nog op te stellen verantwoordingsmodel. Onderstaande redenen kunnen ten grondslag liggen aan het feit dat de doeltreffendheid van het M&O-beleid zich niet makkelijk laat vertalen in indicatoren.

Ten eerste is de gebrekkige beschikbaarheid van gegevens bij de gemeenten een probleem. Indicatoren zijn het meest veelzeggend wanneer zij gezocht worden in de combinatie van verschillende beleidsaspecten. Er moet daarbij gedacht worden aan verhoudingsgetallen. Voorbeelden hiervan zijn de relatie tussen de binnengekomen signalen, de gestarte onderzoeken en de constateringen, het percentage waarvoor beboet wordt en het percentage dat teruggevorderd wordt. Echter, vanwege de kleine aantallen gemeenten die gecombineerde gegevens beschikbaar hebben, kunnen de verhoudingsgetallen uit de steekproef niet als representatief voor de gemeentepopulatie worden beschouwd.

Een tweede probleem bij het identificeren van indicatoren wordt gevormd door de manier van gegevensverzameling in deze monitor. Uitgangspunt van het onderhavige onderzoek is geweest het ontwikkelen van een beknopt, gestructureerd instrument. Daarmee zijn de gemeenten benaderd voor gegevens over hun M&O-beleid. Hier blijken echter knelpunten op te treden. Gemeenten hanteren zeer verschillende werk- en registratiemethoden en soms zelfs verschillende definities van M&O-begrippen. De verzamelde gegevens lenen zich hierdoor voor het geven van een indruk van gemiddelden en eventuele verschillen daarin tussen gemeentegrootteklassen. Maar de data blijken minder geschikt te zijn voor een diepgaander analyse, die nodig is om de betekenis van verbanden eenduidig te interpreteren.

Tot slot is het mogelijk dat de veronderstelling dat een laag fraudebedrag per fraudegeval wijst op een doeltreffend M&O-beleid niet altijd opgaat. Met name vanwege de verschillende werkwijzen in afhandeling van belastingsignalen moeten er kanttekeningen gezet worden bij een eenzijdige

73



interpretatie van deze resultaatvariabele. Bij gemeenten die achterstanden in de belastingsignalen hebben kan selectiviteit ten aanzien van het onderzoeken van deze signalen het gemiddelde bedrag per fraudegeval beïnvloeden. Er zijn gemeenten die bij belastingsignalen prioriteit geven aan klanten waarvan tevens van latere jaren signalen zijn binnengekomen. De kans op relatief hoge fraudebedragen neemt dan toe. Ook wanneer gemeenten kiezen om alleen belastingsignalen boven een bepaald bedrag in onderzoek te nemen sporen ze hogere bedragen op. Het fraudebedrag per fraudegeval wordt bij deze werkwijzen `kunstmatig' hoger. De gemeenten die de bovenbeschreven werkwijze hanteren kiezen dan welbewust voor een aanpak waarbij ze zo doeltreffend mogelijk te werk gaan, juist omdat ze achterstanden hebben. Maar volgens de geselecteerde resultaatvariabele voeren zij juist een minder doeltreffend beleid.

Om de bruikbaarheid van de geselecteerde variabelen nader te onderzoeken is het van belang om informatie te verzamelen over verschillende registratiewijzen van belastingsignalen en fraudesignalen uit overige bronnen en eventuele prioriteitstellingen bij het instellen van bijzondere onderzoeken. Hierdoor kan voor de invloed hiervan op de resultaatvariabelen gecorrigeerd worden. Daarnaast raden wij aan om gegevens in de tijd te verzamelen. Op deze wijze kan er bij het kijken naar doeltreffendheid rekening gehouden worden met de invloed van eventuele extra inspanningen of inhaalslagen op de resultaatvariabelen. Wanneer er meer jaren achtereen dezelfde gegevens verzameld worden, levert dit ook een ander voordeel op. Gemeenten kunnen hun registratiesystemen inrichten op de gewenste informatie, wat de beschikbaarheid van gegevens zal bevorderen. Ook gemeenten zelf hebben in gesprekken tijdens dit onderzoek aangegeven dat dit voor hen een welkome ontwikkeling zou zijn omdat het verzamelen van de gevraagde gegevens dan minder tijd kost.

74




9 CONCLUSIES EN SAMENVATTING




9.1 Inleiding

Het onderzoek waarvan in de voorgaande hoofdstukken verslag is gedaan, kende een dubbele doelstelling, te weten:

* het ontwikkelen van een onderzoeksinstrument ten behoeve van meting/monitoring van de wijze waarop gemeenten misbruik van uitkeringen bestrijden; en
* het feitelijk uitvoeren van een dergelijk onderzoek.
De centrale probleemstelling die daarmee aan het project wordt meegegeven luidde:

In welke mate geven gemeenten op een doeltreffende wijze uitvoering aan het fraude- bestrijdingsbeleid in het kader van de Abw, welke verschillen bestaan er tussen gemeenten en hoe kan deze doeltreffendheid met behulp van een te ontwikkelen meetinstrument door de Directie Toezicht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gemeten worden?

Vervolgens is ten behoeve van de uitvoering van het project deze centrale probleemstelling vertaald in een aantal concrete onderzoeksvragen. Daarbij is onderscheid gemaakt naar vragen die betrekking hebben op de instrumentontwikkeling en vragen die betrekking hebben op het in de praktijk meten van de doeltreffendheid van de uitvoering van het misbruikbestrijdingsbeleid.

Vragen met betrekking tot de instrumentontwikkeling:


1.a Welke variabelen indiceren een doeltreffende uitvoering van het fraudebestrijdingsbeleid in het kader van de Abw door gemeenten en welke daarvan kunnen als kritische succesfactoren worden aangemerkt?


1.b Kunnen deze kritische factoren worden ondergebracht in het beleidscyclus-concept van de voorgaande doeltreffendheidsonderzoeken?


1.c In hoeverre zijn de geïdentificeerde indicatoren direct beschikbaar op basis van ander onderzoek, direct leverbaar door gemeenten en betrouwbaar?


75



Vragen met betrekking tot het meten van de doeltreffendheid in de praktijk:


2.a In hoeverre kan het misbruikbestrijdingsbeleid van gemeenten gekwalificeerd worden als doeltreffend?


2.b Op welke kritische succesfactoren dan wel resultaatindicatoren is dit oordeel gebaseerd?

2.c Welke verschillen bestaan er tussen gemeenten en in hoeverre zijn deze verschillen te relateren aan kenmerken van de gemeenten, de sociale diensten dan wel hun cliëntenbestanden?

2.d Hoe kunnen de tussen gemeenten geconstateerde verschillen verklaard worden?

In onderstaande paragrafen wordt het landelijk fraudebestrijdingsbeeld van 2000 geschetst en gaan we in op de onderzoeksvragen waarbij, wanneer mogelijk, antwoorden op de vragen worden geformuleerd.

9.2 Instrumentontwikkeling

Via een intensieve methode, waarin onder meer via workshops diverse terzake deskundigen zijn geraadpleegd, is gekomen tot een vragenlijst "doeltreffendheid M&O-beleid". Hierin waren, naar de mening van genoemde deskundigen, de belangrijkste variabelen en combinaties van variabelen opgenomen voor het geven van een indruk van de doeltreffendheid van M&O-beleid. Op voorhand is daarbij geen onderscheid gemaakt naar meer of minder kritische factoren. Wel zijn de, als kritische factoren, omschreven elementen uit het hoogwaardig handhaven gedachtegoed verwerkt in de lijst van vragen. Een afwijking van dat gedachtegoed vormde de nadruk op plan- en resultaatvariabelen. Variabelen die betrekking hebben op de niveaus `vertaling' en `werking' uit de beleidscylus hebben in de lijst een minder prominente plaats gekregen. De gewenste beknoptheid van de lijst vormde daarvoor een belangrijke aanleiding.
De beschikbaarheid van de gevraagde gegevens is uitgebreid getest. Daarbij is zowel gebruik gemaakt van de kennis van de deskundigen die in de diverse workshops bij het project betrokken waren, als van informatie uit pilots die wij uitvoerden in een vijftal gemeenten. Desondanks bleek in de praktijk van het onderzoek de beschikbaarheid van gegevens een groot knelpunt. We komen hier later op terug. Uiteindelijk heeft het geleid tot een vragenlijst die als bijlage bij dit rapport is bijgevoegd.

76



9.2.1 De uitvoering

Voor het onderzoek is een steekproef getrokken van vijftig Nederlandse gemeenten. Bij de trekking is rekening gehouden met onder meer de omvang van de gemeente. In de groep van vijftig gemeenten zijn de grotere gemeenten oververtegenwoordigd. Gemeenten met minder dan 20.000 inwoners zijn niet vertegenwoordigd.
De gemeenten hebben de vragenlijst zelf ingevuld, waar nodig met ondersteuning van Regioplan. De praktijk wees uit dat de meerderheid van de gemeenten de lijst binnen redelijke termijn kon invullen. Alle vijftig gemeenten respondeerden, zij het niet allemaal met een volledig ingevulde lijst (waarover hieronder meer).

9.3 Resultaten

Het landelijk fraudebestrijdingsbeeld

In deze paragraaf wordt het landelijk fraudebestrijdingsbeeld van 2000 samengevat voor verschillende velden van het fraudebestrijdingsbeleid en verschillende niveaus van de beleidscyclus.

Slechts een klein deel van de gemeenten in Nederland heeft in 2000 extra aandacht besteed aan misbruik en oneigenlijk gebruik door hiervoor extra middelen beschikbaar te stellen. Nagenoeg alle gemeenten in Nederland besteden op planniveau aandacht aan het M&O-beleid door verschillende onderwerpen van fraudebestrijding te noemen in het beleidsplan. Daarbij word echter vaak oppervlakkig op de onderwerpen ingegaan. Met name door het gebrek aan de kwantificering van doelstellingen lijkt het erop dat veel gemeenten niet in staat zijn het gevoerde beleid adequaat te evalueren. Dit temeer omdat de onderwerpen die in de plannen besproken worden lang niet altijd zijn terug te vinden in de beleidsverslagen.

Op het gebied van fraudepreventie wordt de nadruk gelegd op voorlichting. Hierop zetten gemeenten breed in, door op meer momenten en langs meer kanalen de klant over fraude voor te lichten. Het grootste gedeelte van de gemeenten richt zich tevens op preventie aan de poort door de consulenten de mogelijkheid te bieden de sociale recherche te betrekken bij intakegesprekken. Maar ook hier lijkt een gedegen beleidsvoering ondermijnd te worden doordat evaluatie van de preventieinspanningen niet mogelijk is. De resultaten van de inzet van preventiemedewerkers of sociale recherche bij aanvragen worden namelijk niet of nauwelijks geregistreerd.

De kleine gemeenten presteren beter op het gebied van de reguliere controle. Hoe kleiner de gemeenten, hoe intensiever het gevoerde heronderzoeksbeleid. De kleinste gemeenten plannen verhoudingsgewijs ruim 40 procent meer onderzoeken per jaar, voeren bijna twee keer zoveel onderzoeken uit en doen dit vaker binnen de gestelde termijnen. De grootste gemeenten lijken bij het


---



gevoerde heronderzoeksbeleid zowel op plan- als werkingsniveau te kort te schieten. Bij een schatting van de termijn waarop de heronderzoeken uitgevoerd worden, blijken de grootste gemeenten dit per klant eens in de 20 maanden te doen. Zij lijken er dus niet in te slagen de wettelijke maximale termijn van 18 maanden te halen. Ook op het gebied van de heronderzoeken is de registratie vaak niet volledig en is het daarom een gedeelte van de gemeenten niet mogelijk alle niveaus van de beleidscyclus te doorlopen.

De problemen met de afhandeling van belastingsignalen die gemeenten in voorgaande jaren hebben gehad zijn in 2000 nauwelijks minder geworden. Met name de grootste gemeenten blijken nog steeds van meer jaren de belastingsingalen niet onderzocht te hebben. De helft van de gemeenten met meer dan 150.000 inwoners heeft twee jaar achterstand. Slechts 15 procent had geen achterstand. Kleinere gemeenten presteren op dit gebied duidelijk beter. Bij de helft is er geen sprake van achterstanden. Het verschil in prestatie tussen kleine en grote gemeenten is ook terug te vinden bij de behandelingen van signalen uit overige bronnen. Grote gemeenten hebben hierin meer achterstanden en stellen naar een kwart van de af te handelen signalen een bijzonder onderzoek in, terwijl de kleine gemeenten dit bij de helft van de signalen doen.

In 2000 werden er per 100 uitkeringen gemiddeld bijna acht fraudeconstateringen gedaan. De middelgrote gemeenten met 50 tot 150.000 inwoners constateren verhoudingsgewijs minder fraudegevallen en vinden hierbij hogere bedragen tegenover de kleine en grootste gemeenten die hogere aantallen fraudeconstateringen en lagere bedragen per fraudegeval rapporteren. Het gemiddeld opgespoord fraudebedrag per 100 uitkeringen blijkt daarentegen weinig te variëren tussen verschillende grootteklassen.
Het gemiddelde fraudebedrag per fraudegeval is de afgelopen jaren gestaag gedaald. In 1996 bedroeg het nog ruim fl. 9.000,-. Nu meten we een bedrag van ruim fl. 6.600,- voor de steekproef. Herwogen naar een landelijk cijfer komt het fraudebedrag per fraudegeval op ruim fl. 5.700,-.

Ook het totaal opgespoorde fraudebedrag per gemeente vertoont diezelfde daling. In de steekproef daalde dit bedrag van bijna 2,8 miljoen in 1996 naar 1,7 miljoen in 2000. Die daling deed zich in alle grootteklassen voor. Gecorrigeerd voor de scheve steekproefverhoudingen komt het landelijke gemiddelde opgespoord fraudebedrag per gemeente op ruim fl. 250.000,-. Hieruit volgt dat in 2000 in Nederland totaal voor 136,6 miljoen gulden aan bijstandsfraude is geconstateerd24.

Landelijk gezien zijn er per 100 uitkeringsgerechtigden bijna zes boeten opgelegd. Maar deze aantallen blijken net als in voorgaande jaren van gemeente tot gemeente sterk te fluctueren. Deze fluctuatie doet zich in alle grootteklassen voor. Per gemeente werd in totaal bijna fl. 25.000,- aan boeten

24 Het totale fraudebedrag is langs verschillende lijnen te schatten. Het hier gepresenteerde bedrag is naar onze mening het meeste feitelijk in de zin dat het zoveel mogelijk is opgebouwd vanuit het klantniveau (zie hoofdstuk 5), en daardoor de minste vertekening vertoont.

78



opgelegd. Het invorderen van deze boeten blijkt echter een probleem, slechts iets meer dan de helft van de opgelegde boeten werd geïnd. Het saldo aan te innen boeten is hierdoor in 2000 gegroeid. Resultaatvariabelen in relatie tot kenmerken van het M&O-beleid

Het vaststellen van één of enkele variabelen die een indicatie moeten geven van de doeltreffendheid van het M&O-beleid werd gehinderd door het feit dat niet altijd alle relevante gegevens bij alle gemeenten aanwezig waren. Als resultaatvariabelen hebben we uiteindelijk gekozen voor:
* het fraudebedrag per fraudegeval;

* het aantal fraudeconstateringen per 100 uitkeringsgerechtigden; en
* het bruto benadelingsbedrag per 100 uitkeringsgerechtigden.
Een laag fraudebedrag per fraudegeval wijst in onze optiek op een doeltreffend fraudebestrij- dingsbeleid. Het totaal aantal fraudeconstateringen en het bruto benadelingsbedrag zijn minder éénduidige indicatoren. De stelling wordt wel verdedigd dat deze indicatoren in positieve relatie staan tot doeltreffendheid. Er wordt er dan van uitgegaan dat hoe groter het aantal fraudeconstateringen en benadelingsbedrag des te doeltreffender het gevoerde beleid is geweest. Deze stelling gaat echter alleen op wanneer met zekerheid gezegd kan worden dat een groot gedeelte van gepleegde fraude onopgespoord blijft. Uiteraard is die situatie niet ondenkbaar maar hier is niet met zekerheid iets over te zeggen. Wij gaan er vanuit dat ook bij een lage kwaliteit van opsporing weinig fraude geconstateerd wordt.

De verklaring
Na het vaststellen van de drie bovengenoemde resultaatvariabelen, is gezocht naar welke onderdelen van het gemeentelijk beleid van invloed kunnen zijn geweest op die resultaten. Na analyse bleek een drietal variabelen enige voorspellende waarde te hebben, te weten:
- de mate van voorlichting die aan cliënten wordt gegeven;
- de tijdigheid van de uitgevoerde heronderzoeken; en
79




- de snelheid van afhandelen van belastingsignalen.
Het blijkt met name dat voorlichting aan de cliënt in relatie staat tot een lager bedrag per fraudegeval. Hierbij is het van belang dat er zo frequent mogelijk informatie wordt aangeboden en dat dit in ieder geval bij het uitvoeren van het heronderzoek gebeurd. Het bedrag per fraudegeval blijkt tevens te dalen wanneer er een kleinere achterstand in het verwerken van de belastingsignalen is en het aandeel tijdig uitgevoerde heronderzoeken toeneemt, zij het in iets mindere mate.

De kanttekening
De bovenstaande beleidsvariabelen vertonen een relatie met de geformuleerde resultaatindicator. Of hieruit ook de conclusie getrokken kan worden dat deze beleidsvariabelen gezien moeten worden als doeltreffendheidsindicatoren en dat de doeltreffendheid van beleid hiermee kan worden voorspeld, staat open voor twijfel.

Ten eerste is de gebrekkige beschikbaarheid van gegevens bij de gemeenten een probleem. Indicatoren zijn het meest veelzeggend wanneer zij bestaan uit combinaties van gegevens op verschillende niveaus van de beleidscyclus en uit verhoudingsgetallen. Voorbeelden hiervan zijn het percentage van de geplande heronderzoeken dat wordt uitgevoerd en de relatie tussen de binnengekomen signalen, de gestarte onderzoeken en de constateringen. Echter, vanwege de kleine aantalllen gemeenten die gecombineerde gegevens beschikbaar hebben, kunnen verhoudingsgetallen uit de steekproef niet als representatief beschouwd worden. Een mogelijke oplossing voor de toekomst is het uitbreiden van de steekproef. Het lijkt echter beter de registratie bij gemeenten te verbeteren.

Een tweede probleem bij het identificeren van indicatoren wordt gevormd door de manier van gegevensverzameling in deze monitor. Een beknopt gestructureerd, landelijk te gebruiken instrument veronderstelt eenduidigheid in bijvoorbeeld definities en registratiewijzen bij de eenheden van onderzoek, in casu de sociale diensten. Dit blijkt echter in de praktijk lang niet het geval. Met name op het gebied van de registratie van belastingsignalen bestaan verschillen tussen gemeenten. Voor het uitvoeren van een betrouwbare en valide M&O-monitor is het daarom noodzakelijk dat niet alleen de discipline bij de registratie wordt verbeterd, zoals boven bepleit, maar ook dat de eenduidigheid in gemeentelijke registraties wordt vergroot.

Hiernaast is het mogelijk dat de veronderstelling dat een laag fraudebedrag per fraudegeval wijst op een doeltreffend M&O-beleid niet altijd opgaat. Met name het beperkte verband met overige beleidsvariabelen wekt twijfel over de validiteit van deze resultaatvariabele. Er zijn alleen verbanden gevonden op werkingsniveau en niet op de overige niveaus van de beleidscyclus. Met name een gebrek aan verbanden met planvariabelen valt hierbij op. Daarnaast valt op dat juist de gemeenten onder de 20.000 inwoners en de gemeenten met meer dan 150.000 de laagste fraudebedragen per geval constateren. Terwijl zij op een aantal belangrijke plan- en werkingsvariabelen zoals uitvoering van het heronderzoeksbeleid en afhandeling van belastingsignalen juist uiteenlopend presteren. Een alternatieve

80



verklaring van een laag opgespoord fraudebedrag per fraudegeval moet gezocht worden in verschillende werkwijzen en de achtergrond van gemaakte beleidskeuzes. Zo kan met name bij achterstanden op het gebied van signaalbehandeling er welbewust gekozen worden voor een aanpak waarbij de hoogste bedragen prioriteit krijgen, wat dan juist een doeltreffende werkwijze is. Omdat de werkelijke omvang van de gepleegde fraude slechts alleen geschat kan worden, blijft de validiteit van geselecteerde resultaatvariabelen altijd onzeker.

Doeltreffend?
Het moge duidelijk zijn dat gegeven het bovenstaande het moeilijk is om eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe doeltreffend het M&O-beleid in de praktijk is. Op basis van een aantal variabelen lijkt de conclusie zich op te dringen dat gemeenten er in slagen hun M&O-beleid doeltreffender te maken, naarmate zij verschillende onderdelen van het werkproces goed uitvoeren. Een adequaat uitgevoerd integraal beleid lijkt derhalve vruchten af te werpen. Het is daarom van belang naast de fraudebedragen per fraudegeval, de aantallen fraudeconstateringen en de totale benadelingsbedragen, de verschillende onderdelen van het opsporingsbeleid te beoordelen. Wanneer doeltreffendheid gebaseerd wordt op de definitie van de geselecteerde resultaatvariabelen en de gevonden variabelen die hiermee in relatie staan en daarbij de geplaatste kanttekeningen in het achterhoofd worden gehouden, lijken kleine gemeenten doeltreffender te zijn dan grotere gemeenten. Zij hebben hoge aantallen fraudeconstateringen, een laag bedrag per fraudegeval en voeren daarbij het meest intensieve heronderzoeksbeleid en hebben de minste achterstanden in het afhandelen van belastingsignalen. Ook wordt bij het volgen van deze resultaatvariabelen de indruk gewekt dat het beleid doeltreffender geworden is ten opzichte van voorgaande jaren. Het onbreken van essentiële managementinformatie en eenduidigheid in gegevensverzameling door gemeentende nopen echter tot terughoudendheid bij de interpretatie van de resultaten van onderhavig onderzoek.

81



82



83



LITERATUURLIJST

Eiselin, W.F.A.,
Teksten en toelichting op de Algemene bijstandswet. Editie 1999, Lelystad, Koninklijke Vermande, 1998.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Straffen in de bijstand. De evaluatie van de Wet boeten in het domein van de bijstandswet. Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Ontwikkeling toezichtsmodellen doeltreffendheid uivoering ABW. Werkdocumenten No. 44, Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1997.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Verantwoordingsmodel Abw, Ioaw, Ioaz 1999. Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1999.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Sancties in de bijstand. Een onderzoek naar de gemeentelijke uitvoering van de Wet Boeten. Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Facetten van fraudebestrijding 1997/98. Bestrijding van misbruik van uitkeringen door gemeenten. Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Doeltreffendheid uivoering Abw 1999. Poortwachtersfunctie en misbruikbestrijding. Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000.

PricewaterhouseCoopers,
Onderzoek naar de gemeentelijke aandacht voor M&O met betrekking tot de Algemene bijstandswet. Den Haag, PricewaterhouseCoopers, 2001.

84



BIJLAGE 1:
Vragenlijst M&O monitor

85



M&O-MONITOR 2000

Naam gemeente: .....................................................................

Naam contactpersoon: .....................................................................

Functie contactpersoon: .....................................................................

Telefoonnummer: .....................................................................

Leest u voor het invullen van de vragenlijst eerst de toelichting op pagina 2. Als u tijdens het invullen vragen heeft neemt u dan contact op met Ineke Jonker of Piet Renooy bij Regioplan: 020-6277166.

86



TOELICHTING BIJ DE M&O-MONITOR 2000

Voor u ligt de M&O-monitor 2000. Deze monitor Misbruik en Oneigenlijk gebruik van de Algemene Bijstandswet is in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontwikkeld door Regioplan, bureau voor beleidsonderzoek.

Het doel van de monitor is het inzicht verkrijgen in de doeltreffendheid van het gevoerde fraudebestrijdingsbeleid op het gebied van de Algemene Bijstandswet.

De gevraagde informatie in deze monitor heeft betrekking op het jaar 2000. Het gaat hierbij alleen om de Algemene Bijstandswet exclusief IOAW, IOAZ en Bijzondere bijstand, en om klanten onder de 65 jaar.

Voor alle duidelijkheid benadrukken wij dat het de gegevens betreft van de gemeente die in de adresaanhef en begeleidende brief is genoemd. In gevallen van gezamenlijke administratie verzoeken wij u alleen voor die gemeente de informatie in te vullen. Ook wanneer de sociale recherche voor meerdere gemeenten werkt hebben de gevraagde gegevens alleen betrekking op de eigen gemeente.

Wij verzoeken u bij de vragen met antwoordmogelijkheden: `ja/nee' en `ja/nee/n.v.t.' het antwoord dat van toepassing is te omcirkelen. Het is mogelijk dat bij enkele vragen de informatie niet beschikbaar is. Bij de betreffende vragen kunt u dit aankruisen.

87



ALGEMEEN


1. Het aantal inwoners van de gemeente per 1-1-2000 ..................................


2. Het aantal uitkeringen Abw van de GSD per 1-1-2000 ................................. Het betreft hier alle Abw klanten onder de 65 exclusief Ioaw, Ioaz, BBZ-regeling en Bijzondere Bijstand onder de 65 jaar.


3. Het aantal aanvragen Abw in 2000 ................................. Het betreft hier alle Abw klanten onder de 65 exclusief Ioaw, Ioaz, BBZ-regeling en Bijzondere Bijstand onder de 65 jaar.

BELEIDSDOCUMENTEN EN BESCHIKBARE MIDDELEN

Beleidsplan


4. Worden in het beleidsplan (inclusief deelplannen) de verticaal aangegeven velden van fraudebestrijding (4.1 Preventie t/m 4.7 Terug- en invordering) besproken? Zo ja, welke specifieke aandachtspunten (b. kwantificering van doelstellingen t/m e. Risicoanlayses en Fraudeprofielen) worden er besproken? Omcirkel voor elk veld per aandachspunt het relevante antwoord.

Aandachts- a. b. c. d. e. punten Besproken Doelstellingen Doelstellingen Beleids- Risicoanalyse gekwanti- gekoppeld instrumenten en fraude- ficeerd aan middelen beschreven profielen Velden beschreven


4.1Preventie ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee




4.2 ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee Voorlichting


4.3 Controle ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee bij nieuwe
aanvragen
Abw


4.4 Controle ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee op lopende
uitkeringen
Abw


4.5 Opsporing ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee (strafrechtelijk
traject)


88




4.6 Uitvoering ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee wet Boeten en
Maatregelen


4.7 Terug- en ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee invordering

Beschikbaar gestelde middelen


5. Heeft er in 2000 ten opzichte van 1999 een verandering plaatsgevonden in termen van financiële en/of personele middelen die beschikbaar zijn gesteld voor fraudebestrijding op het gebied van de Abw?

a. In 2000 meer middelen ten opzichte van 1999 Indien u antwoord a. aankruist ga verder met vraag 6. b. In 2000 minder middelen ten opzichte van 1999 c. Geen verandering in 2000 ten opzichte van 1999 Indien u antwoord b. of c. aankruist ga verder met vraag 7.


6. Is van de extra beschikbaar gestelde middelen zoals gevraagd bij vraag 5. een gedeelte beschikbaar gesteld voor deskundigheidsbevordering van de medewerkers? Hier wordt bedoeld: medewerkers van alle afdelingen die te maken hebben met fraudebe- strijding, zowel consulenten als medewerkers van de sociale recherche en bijvoorbeeld boete ambtenaren.
ja / nee

Beleidsverslag


7. Is er een jaarverslag bijzonder onderzoek?
Er zijn meer antwoorden mogelijk

a. Afzonderlijk jaarverslag ja / nee b. De verzamelde gegevens worden intern gepubliceerd ja / nee c. Jaarcijfers zijn geïntegreerd in het beleidsverslag opgenomen ja / nee d. Anders, namelijk

---
e. Nee (ga naar vraag 9)


8. Wordt er (met betrekking tot vraag 7) gerapporteerd over:

a. Preventie ja / nee / n.v.t. b. Voorlichting ja / nee / n.v.t.


89



c. Behandeling heronderzoeken ja / nee / n.v.t. d. Behandeling beëindigingsonderzoeken ja / nee / n.v.t. e. Gebruik externe gegevensbestanden ja / nee / n.v.t f. Afhandeling signalen uit bestandsvergelijking ja / nee / n.v.t. g. Bestrijding verschillende soorten fraude ja / nee / n.v.t. h. Voortgang van de afhandeling van de werkvoorraad ja / nee / n.v.t. i. Doorlooptijd van onderzoeken ja / nee / n.v.t. j. Herkomst fraudesignalen ja / nee / n.v.t. k. Omvang van het invorderingsbedrag ja / nee / n.v.t. l. Omvang van het besparingsbedrag ja / nee / n.v.t. m. De uitvoering van de wet Boeten en Maatregelen ja / nee / n.v.t. n. Terug- en invordering ja / nee / n.v.t. o. Kosten van het opsporingsapparaat ja / nee / n.v.t.

Verificatie-validatieplan


9. Is er een verificatie-validatieplan, -handboek, of ­handleiding? ja / nee
(Eventueel als onderdeel van het beleidsplan) (Indien nee, ga naar vraag 12)


10. Is de verificatie-validatie onderwerp van interne controle? ja / nee (Indien nee, ga naar vraag 12)


11. Worden de resultaten van de interne controle m.b.t. verificatie-validatie besproken:
a. Op managementniveau ja / nee b. Op uitvoeringsniveau ja / nee


90



PREVENTIE EN VOORLICHTING


12. Is er door de dienst in 2000 op onderstaande manieren aan voorlichting over fraude(bestrijding) aan burgers gedaan?
Hier en bij vraag 13 wordt bedoeld: inclusief voorlichting over de rechten en plichten van de klant en voorlichting over de wet Boeten en Maatregelen.

a. Mondeling ja / nee b. Landelijke folder ja / nee c. Door de gemeente ontwikkelde folder ja / nee d. Schrijven gericht aan de klant ja / nee e. Voorlichtingsmateriaal in een buitenlandse taal ja / nee f. Nieuwsbrief/bijstandskrant ja / nee g. Voorlichtingsbijeenkomsten ja / nee h. Lokale kranten/huis-aan-huisbladen (b.v. rapportage van fraudeconstateringen) ja / nee i. Andere lokale media (b.v. lokale televisie, kabelkrant) ja / nee j. Posters op openbare plaatsen ja / nee k. Klantenparticipatie/klantenraad ja / nee l. Gericht op specifieke doelgroepen ja / nee m. Via intermediairs (politie, welzijnswerk e.d.) ja / nee n. Gericht op het bedrijfsleven ja / nee o. Anders,
namelijk...............................................................................................


13. Op welke momenten wordt structureel aan de klant voorlichting gegeven over fraude(bestrijding)?

a. Bij de intake/aanvraag/toekenning van een Abw-uitkering ja / nee b. Op het maandelijkse rechtmatigheidsformulier ja / nee c. Bij het heronderzoek ja / nee d. Bij het beëindingingsonderzoek ja / nee e. Bij wijzigingen in de verplichtingen van de klant ja / nee f. Bij het aanbieden van passende arbeid ja / nee g. Bij het aanbieden/aangaan van een traject gericht op uitstroom ja / nee h. Bij het aanbieden/aangaan van een traject gericht op sociale activering ja / nee


14. Hoeveel aanvragen Abw zijn in 2000 afgewezen naar aanleiding van een bijzonder onderzoek of door inspanningen van een preventiemedewerker ? Het betreft hier aanvragen waarbij, in verband met gerede twijfel, ter controle een extra handeling is uitgevoerd door een functionaris anders dan de consulent.


91



............................ niet beschikbaar


15. Wordt de sociale recherche, preventiemedewerker of bijzonder controleur be - trokken bij intake gesprekken?
a. Vaak
b. Soms
c. Nooit

CONTROLE

Reguliere controle


16. Hoe worden de aantallen verrichte heronderzoeken, doelmatigheidsonderzoeken en mutatie- of tussentijdse onderzoeken geregistreerd? En hoeveel zijn er in 2000 uitgevoerd?
Het is goed mogelijk dat deze gegevens niet gescheiden geleverd kunnen worden, kruis aan op welke wijze deze gegevens eventueel gecombineerd zijn en wat vervolgens de aantallen in
2000 waren.




a. Het aantal heronderzoeken wordt apart geregistreerd. aantal in 2000 .........................
b. Het aantal doelmatigheidsonderzoeken (onderzoeken gericht op uitstroom) wordt apart geregistreerd.
aantal in 2000 ........................
c. Het aantal mutatieonderzoeken (onderzoeken naar aanleiding van mutatie in de situatie van de klant die van invloed is op de hoogte of het recht op uitkering) wordt apart geregistreerd. aantal in 2000 ......................
d. Aantal heronderzoeken en het aantal doelmatigheidsonderzoeken worden in 1 getal weergegeven.
aantal in 2000 ......................
e. Het aantal heronderzoeken en het aantal mutatieonderzoeken (zie voor omschrijving c.) worden in 1 getal weergegeven.
aantal in 2000 ............
f. Het aantal mutatieonderzoeken (zie voor omschrijving c.) en het aantal doelmatigheids- onderzoeken worden in 1 getal weergegeven.
aantal in 2000 ............


17. Hoeveel heronderzoeken Abw zijn in 2000 binnen de wettelijke termijn en/of op basis van de termijnen vermeld in het heronderzoeksplan uitgevoerd? ............................ niet beschikbaar


92




18. Hoeveel heronderzoeken Abw hadden in 2000 uitgevoerd moeten worden op basis van de wettelijke termijnen en/of op basis van de termijnen vermeld in het heronder- zoeksplan?
............................ niet beschikbaar


19. Wat was in 2000 het aantal beëindigingsonderzoeken Abw? ............................ niet beschikbaar


93



Controle op maat


20. Wordt er gebruik gemaakt van een bijzondere/specifieke aanvraagprocedure die afwijkt van de standaardprocedure wanneer bij een klant risico's worden vermoed ?

Er is sprake van een bijzondere of specifieke aanvraagprocedure wanneer het onderscheid met een standaardprocedure schriftelijk is vastgelegd (bijvoorbeeld in werkinstructies). ja / nee (indien nee, ga naar vraag 22)


21. Wat was in 2000 het aantal uitgevoerde bijzondere/specifieke aanvraagprocedures? ............................ niet beschikbaar


22. Werd er in 2000 gewerkt met risico- fraudeprofielen van specifieke klantengroepen? ja / nee (indien nee, ga naar vraag 24)


23. Heeft de definitie van risico- fraudeprofielen consequenties voor: a. Frequentie van heronderzoek ja / nee b. Inhoud van heronderzoek ja / nee


94



CONSTATERING EN OPSPORING VAN FRAUDE

Fraudesignalen via bestandsvergelijking (Belastingdienst, Inlichtingenbureau of andere bestandsvergelijkingen)
Nadat controle van samenloopsignalen uit geautomatiseerde bestandsvergelijkingen zoals de Belastingdienst of het Inlichtingenbureau plaatsgevonden heeft, is er sprake van een fraudesignaal uit bestandsvergelijking. Het is mogelijk dat ook andere geautomatiseerde bestanden vergeleken worden met gegevens van het totale cliëntenbestand of categorieën daaruit (bijv. bestandsvergelijking met Zorgverzekeraars of andere niet in het Inlichtingenbureau vertegenwoordigde instellingen).

De manier waarop deze signalen uit bestandsvergelijking in behandeling worden genomen is verschillend per gemeente, hierdoor worden door gemeenten aan de `werkvoorraad' verschillende definities gegeven. Bij vraag 24 kunt u aangeven waaruit uw `werkvoorraad bijzondere onderzoeken' met betrekking tot signalen uit bestandsvergelijking bestaat.


24. Op welke wijze worden de signalen uit bestandsvergelijking in behandeling genomen? a. Van alle samenloopsignalen worden na een globale check op onderzoekswaardigheid alleen de onderzoekswaardige signalen in de `werkvoorraad bijzondere onderzoeken' opgenomen. b. Er is geen sprake van een globale check op onderzoekswaardigheid, alle samen- loop signalen worden in de `werkvoorraad bijzondere onderzoeken' opgenomen. c. Anders,
namelijk................................................................................................


---
....


25. Het aantal signalen uit bestandsvergelijking per 1-1-2000 in portefeuille (de werk- voorraad)
............................ niet beschikbaar


26. Het aantal in de werkvoorraad opgenomen signalen uit bestandsvergelijking gedurende
2000
............................ niet beschikbaar


27. Het aantal signalen uit bestandsvergelijking waarnaar in 2000 een bijzonder onderzoek is gestart
............................ niet beschikbaar


95




28. Het aantal onderzoeken naar aanleiding van signalen uit bestandsvergelijking dat in
2000 is afgesloten (ongeacht de uitkomst)
............................ niet beschikbaar


29. Het aantal signalen uit bestandsvergelijking dat resteert in portefeuille per 31-12-
2000
............................ niet beschikbaar


30. Tot en met welk jaar waren de belastingsignalen op 31-12-2000 afgehandeld?
---

Overige fraudesignalen
Bij vraag 31t/m 37 wordt met overige fraudesignalen bedoeld: alle fraudesignalen exclusief de signalen uit bestandsvergelijking. Het betreft hier dus signalen die binnen de dienst zijn ontstaan, tips van derden of signalen die door andere instanties (anders dan via bestandsvergelijking) aan de dienst worden aangeleverd.

De manier waarop deze fraudesignalen geregistreerd worden is eveneens per gemeente verschillend, hierdoor worden door gemeenten aan de `werkvoorraad' verschillende definities gegeven. Bij vraag 31 kunt u aangeven waaruit uw `werkvoorraad bijzondere onderzoeken' met betrekking tot deze overige fraudesignalen bestaat.
* Niet bij alle gemeenten wordt de zelfde terminologie gehanteerd, het is bijvoobeeld mogelijk dat in uw gemeente signalen `meldingen' worden genoemd.


31. Op welke wijze worden de `overige' fraudesignalen in behandeling genomen? a. Van alle fraudesignalen (meldingen) die binnenkomen worden na een globale check op onderzoekswaardigheid alleen de onderzoekswaardige signalen in de `werkvoorraad bijzondere onderzoeken' opgenomen.
b. Er is geen sprake van een globale check op onderzoekswaardigheid, alle `overige' fraudesignalen (meldingen) worden in de `werkvoorraad bijzondere onderzoeken' opgenomen. c. Anders,
namelijk................................................................................................


---
....


32. Het aantal overige fraudesignalen per 1-1-2000 in portefeuille (de werkvoorraad) ............................ niet beschikbaar


33. a. Het aantal in de werkvoorraad opgenomen overige fraudesignalen gedurende 2000




96



............................ niet beschikbaar

b. In hoeveel gevallen betrof het interne fraudesignalen? Er is sprake van een intern fraudesignaal wanneer er na een aanwijzing door de bijstandsmaatschappelijk werker een signaal als bijzonder onderzoek in de werkvoorraad wordt opgenomen. ............................ niet beschikbaar

c. In hoeveel gevallen betrof het externe fraudesignalen? Het betreft hier fraudesignalen (aanwijzingen) die door andere instellingen of mensen aan de sociale dienst zijn aangeleverd (exclusief de eerder beschreven signalen uit bestandsvergelijking). Dit zijn o.a. de tips van derden. ............................ niet beschikbaar


34. Het aantal overige fraudesignalen waarnaar in 2000 een bijzonder onderzoek is gestart ............................ niet beschikbaar


35. Het aantal onderzoeken naar aanleiding van overige fraudesignalen dat in 2000 is afgesloten (ongeacht de uitkomst)
............................ niet beschikbaar


36. Het aantal overige fraudesignalen dat resteert in portefeuille per 31-12-2000 ............................ niet beschikbaar

Geconstateerde fraude


37. In hoeveel gevallen is fraude geconstateerd in 2000? a. Fraude geconstateerd bij signalen uit bestandsvergelijking ............................ niet beschikbaar b. Fraude geconstateerd bij overige fraudesignalen ............................ niet beschikbaar c. Totaal aantal fraudeconstateringen
............................ niet beschikbaar


38. In hoeveel gevallen is in 2000 vanwege constatering van fraude een uitkering a. gewijzigd in hoogte
............................ niet beschikbaar b. beëindigd
............................ niet beschikbaar


97




39. Wat was in 2000 het totale bruto benadelingsbedrag?
---


40. Wat was het aantal opsporings-/fraudeambtenaren per 1-1-2000? a. Met opsporingsbevoegdheid ..................................... b. Zonder opsporingsbevoegdheid .....................................


98



UITVOERING VAN DE WET BOETEN EN MAATREGELEN
De gevallen van nulfraude moeten worden meegerekend.


41. Wat was in 2000 het aantal:
a. Boeten ......................................... b. Processen verbaal ......................................... c. Terugvorderingen .........................................


42. Wat was per 1-1-2000 het totaalbedrag aan in te vorderen boeten?
---


43. Wat was gedurende 2000 het totaalbedrag aan opboekingen m.b.t. boeten? Het totale bedrag dat er aan in te vorderen boeten in 2000 is bijgekomen.
---


44. Wat was gedurende 2000 het totaalbedrag aan ontvangsten m.b.t. boeten?
---


45. Wat was gedurende 2000 het totaalbedrag aan boeten dat buiten invordering is gesteld?
---


46. Wat is per 31-12-2000 het totaalbedrag aan in te vorderen boeten?
---


99



TERUG- EN INVORDERING FRAUDESCHULDEN


47. Hebben fraudeschulden prioriteit bij invordering? ja / nee


48. Wat is per 1-1-2000 het totaalbedrag aan uitstaande fraudevorderingen?
---


49. Wat is het totaalbedrag aan opgevoerde nieuwe fraudevorderingen over 2000?
---


50. Wat was gedurende 2000 het totaalbedrag aan ontvangsten m.b.t. fraudevorderingen?
---


51. Wat was gedurende 2000 het totaalbedrag aan fraudevorderingen dat buiten invordering is gesteld?

---


52. Wat is per 31-12-2000 het totaalbedrag aan uitstaande fraudevorderingen?
---


53.Wordt er gebruik gemaakt van de regeling om fraudeschulden af te kopen? ja / nee (Indien nee, ga naar vraag 55)


54.Wat was in 2000 het aantal afgekochte fraudeschulden? ........................................




55. Zijn er afspraken met het OM over de volgende zaken en worden deze nagekomen?
55.1 Afspraak 55.2 Nagekomen a. Het opsporingsproces ja / nee ja / nee / n.v.t. b. Het aantal aan te leveren zaken ja / nee ja / nee / n.v.t. c. Regulier/structureel overleg ja / nee ja / nee / n.v.t. d. Afloopberichten ja / nee ja / nee / n.v.t.


56. Hoeveel tijd heeft het invullen van deze monitor ongeveer gekost?
---


57. Welke vragen uit deze monitor vormen volgens de gemeente de belangrijkste indicator voor de doeltreffendheid van het gevoerde M&O-beleid?
1................................................................................................................... ......

2................................................................................................................... .....

100



58. Heeft de gemeente nog aanvullende opmerkingen over aspecten van fraude(be strij- ding), die in de vragenlijst onvoldoende tot uiting zijn gekomen? nee
ja,
namelijk............................................................................................................
---

---

Hartelijk bedankt voor uw medewerking.

101



BIJLAGE 2: Gemeenten in de steekproef

Amersfoort Huizen

Amsterdam Kerkrade

Arnhem Leidschendam

Bussum Lelystad

Culemborg Maastricht

Delft Noordenveld

Den Haag Neunen

Deventer Oosterhout

Diemen Opsterland

Dongeradeel Oss

Dordrecht Rijswijk

Eindhoven Roermond

Emmen Rotterdam

Epe Smallingerland

Franekeradeel Spijkenisse

Gendringen Steenwijk

Gouda Tilburg

Groningen Utrecht

Haarlem Veendam

Heemskerk Veenendaal

Heerlen Velsen

Helmond Wassenaar

Hengelo Zoetermeer

Hilversum Zutphen

Hoogeveen Zwolle

102



103



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie