Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Motie Geluk na aanleiding van Zicht op Gezonde Teelt

Datum nieuwsfeit: 18-12-2001
Vindplaats van dit bericht
Bron: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
TRCJZ/2001/17312
datum
17-12-2001

onderwerp
Motie Geluk cs. n.a.v. Zicht op Gezonde Teelt (TK 27858, nr. 10) Trcnr. 2001/12727 doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Tijdens het Nota-overleg van 12 november jl. over de beleidsnota 'Zicht op gezonde teelt' is aan de orde geweest de motie van het kamerlid Geluk onder stuknummer 27 858, nr. 10. In deze motie wordt de regering verzocht om uiterlijk 1 april 2002 wetsvoorstellen in samenhang aan de Tweede Kamer voor te leggen met betrekking tot wederzijdse erkenningen, voorlopige toelatingstermijnen, derdengebruik en alternatieventoets. In reactie op deze motie heb ik uw Kamer een schriftelijke onderbouwing toegezegd van mijn constatering dat een stelsel van wederzijdse erkenningen en een alternatieventoets, zoals met de motie wordt beoogd, in strijd is met de huidige gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. Hieronder zal ik, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, daarop nader ingaan.

datum
17-12-2001

kenmerk
TRCJZ/2001/17312

bijlage

Overige moties
De overige tijdens het Nota-overleg ingediende moties zullen bij de uitvoering van 'Zicht op gezonde teelt' worden betrokken. Begin volgend jaar zal ik de kamer hierover informeren.

Wederzijdse erkenningen
De gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn heeft op het punt van wederzijdse erkenningen in artikel 10 twee situaties geregeld. De eerste situatie heeft betrekking op wederzijdse erkenning van proeven en analyses ten behoeve van de nationale toelatingsbeoordeling. Een lidstaat, waarbij een toelatingsaanvraag wordt ingediend voor een reeds in een andere lidstaat toegelaten gewasbeschermingsmiddel, mag geen herhaling eisen van proeven en analyses die reeds voor de toelating in de andere lidstaat zijn uitgevoerd, indien de aanvrager in het dossier naar die proeven en analyses verwijst. Genoemd artikel geeft daarbij evenwel een belangrijk voorbehoud: de agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden met betrekking tot het gebruik van het middel in de betrokken lidstaten moeten vergelijkbaar zijn. De aanvrager zal dus moeten aantonen dat van vergelijkbaarheid van die omstandigheden sprake is.
De tweede situatie heeft betrekking op de wederzijdse erkenning van toelatingen.
Een lidstaat moet, op verzoek van een aanvrager, gewasbeschermingsmiddelen waarvan de werkzame stof reeds in EU-verband is beoordeeld en op de lijst van toegelaten werkzame stoffen (bijlage I bij de richtlijn) is geplaatst, toelaten. Ook hier geldt evenwel het voorbehoud dat de agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden met betrekking tot het gebruik van het middel in de betrokken lidstaten vergelijkbaar moeten zijn.
Uit de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn vloeit dus dwingend voort dat bij een beroep op wederzijdse erkenning steeds moet worden vastgesteld of de agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden met betrekking tot het gebruik van het middel in de betrokken lidstaten vergelijkbaar zijn. Dit is tot uitdrukking gebracht in de artikelen 23 en 28 van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995.
Van een automatische wederzijdse erkenning kan dan ook geen sprake zijn; dat zou strijdig zijn met de richtlijn.

Alternatieventoets
De gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn kent thans geen bepaling waarbij de toelating van een gewasbeschermingsmiddel afhankelijk kan worden gesteld van eventuele alternatieve middelen. Het systeem van de richtlijn is zodanig dat, indien een middel voldoet aan de toelatingseisen, dat middel moet worden toegelaten. De vraag of er andere middelen zijn met dezelfde werking voor dezelfde toepassing is daarbij niet relevant. Een dergelijke toetsing zou dan ook in strijd zijn met de huidige richtlijn. In dat verband wil ik er op wijzen dat de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 vóór de implementatie van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn een alternatieventoets kende. Die bepaling kon, gelet op de richtlijn, echter niet meer in stand worden gelaten en is dan ook met de implementatie van de richtlijn in 1995 uit de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 verwijderd. Weliswaar zijn er thans in EU-verband ontwikkelingen gaande die in de richting wijzen van een introductie van een soort alternatieventoets in de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn, ik heb dat ook al mondeling in uw Kamer aangegeven, deze ontwikkelingen zijn echter nog geenszins uitgekristalliseerd. Hierover kan thans dus nog geen wetsvoorstel worden opgesteld. Zodra in de richtlijn een alternatieventoets is opgenomen, zal dat in de bestrijdingsmiddelenregelgeving worden geïmplementeerd.

Overige onderdelen van de motie
Als reactie op de overige onderdelen van de motie wijs ik in de eerste plaats nogmaals op het wetsvoorstel tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, waarmee een vereenvoudiging van het stelsel van uitbreidingstoelatingen wordt beoogd. Dat wetsvoorstel is inmiddels aan de Raad van State ter advisering aangeboden.

Op het punt van de voorlopige toelatingen voor
gewasbeschermingsmiddelen op basis van nieuwe werkzame stoffen verwijs ik voorts naar de brief aan uw Kamer van 9 november jl., waarin ik mede namens de Minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heb aangegeven welke stappen worden ondernomen teneinde de totstandbrenging van voorlopige toelatingen te bevorderen. Daarvoor is geen aanvullende regelgeving nodig.

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

G.H. Faber


---

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie