Ministerie van Buitenlandse Zaken
Kamerbrief inzake de uitvoering van de motie Voordewind (31 263 Nr. 16) en
over de uitvoering van de motie Ortega Martijn (31 700 Nr. 38)
16-06-2009 | Kamerstuk | Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken
Graag willen wij u met deze brief informeren over de uitvoering van de
motie Voordewind (31 263 Nr. 16) en over de uitvoering van de motie
Ortega Martijn (31 700 Nr. 38).
De motie Voordewind verzoekt de regering bedrijven die
overheidssubsidie krijgen, kredieten ontvangen, meegaan op
handelsmissies of anderszins door de overheid gesteund worden, te
vragen om inzichtelijk te maken dat zij geen gebruik maken van
kinderarbeid in hun toeleveringsketen. Tevens verzoekt de motie de
regering indien bedrijven hiertoe niet bereid zijn of indien zij geen
openbaar tijdgebonden plan hebben om kinderen in hun keten van werk
naar school te krijgen, de overheidssteun stop te zetten. De motie
Ortega-Martijn is een verbreding van de motie Voordewind; van
uitsluiting van kinderarbeid naar alle vier de fundamentele
arbeidsrechten van de International Labour Organization (ILO) te weten
uitsluiting van kinderarbeid, uitsluiting van dwangarbeid, geen
discriminatie en vrijheid van vakvereniging en collectieve
onderhandelingen.
Aangezien beide moties in elkaars verlengde liggen, is gekozen voor
een gezamenlijke beantwoording van beide moties.
I. Ter Inleiding
a. Algemeen
Het kabinet onderschrijft de achterliggende doelstelling van de
moties, de uitbanning van schending van fundamentele arbeidsrechten,
en in het bijzonder alle vormen van kinderarbeid volledig. In de
Mensenrechtenstrategie "Naar een menswaardig bestaan" is aangegeven
dat Nederland het voortouw zal nemen bij het bestrijden van alle
vormen van kinderarbeid, te beginnen bij de ergste vormen. Dat kan
alleen met een integrale aanpak.
Vanuit deze brede betrokkenheid gebeurt er inmiddels veel. Vanuit
Ontwikkelingssamenwerking wordt geïnvesteerd in de onderwijssector in
de OS-partnerlanden. Van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking
wordt 15% besteed aan onderwijs. Onderwijs is immers de sleutel tot
een betere toekomst. Ook wordt bijgedragen aan programma's van IPEC
(International Programme for the Elimination of Child Labour) van de
ILO.
Vanuit de overheid wordt ook een politieke dialoog gevoerd met landen
waar fundamentele arbeidsrechten worden geschonden en waar
kinderarbeid voorkomt. Dat gebeurt op ministerieel niveau, maar ook
door de Mensenrechtenambassadeur en het onderwerp staat op de agenda
tijdens handelsmissies. Nederland spreekt landen aan op hun optreden
tegen bijvoorbeeld kinderarbeid, en roept hen op
mensenrechtenverdragen en ILO-conventies na te leven.
Vanuit de invalshoek van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)
is in dit verband grofweg een onderscheid te maken tussen beleid
gericht op de Nederlandse bedrijven (ketenverantwoordelijkheid) en
beleid gericht op het tot stand komen en handhaven van internationale
normen in de context van handel. Dit beleid is recent verwoord in de
kabinetsvisie over non-trade concerns (NTC's). Hierbij wordt
nadrukkelijk gekeken naar de effectieve inzet van handelsmaatregelen
om duurzaamheid te bevorderen.
Zoals aangekondigd in de Mensenrechtenstrategie zet Nederland
daarnaast in op een verbod op het op de Europese markt brengen van
producten die tot stand zijn gekomen met gebruikmaking van de ergste
vormen van kinderarbeid. In dat kader heeft Nederland in de Europese
Unie voorgesteld een onderzoek te laten verrichten naar de
mogelijkheden om dergelijke handelsmaatregelen in te zetten bij de
bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid. Dat Nederlandse
voorstel is in mei 2008 door de Raad van Ministers overgenomen, en de
Europese Commissie voert dat onderzoek momenteel uit. Ze zal daarbij
ook nadrukkelijk kijken naar de mogelijkheid om een verbod in te
stellen op het op de Europese markt brengen van producten die tot
stand zijn gekomen met gebruikmaking van de ergste vormen van
kinderarbeid.
b. ketenverantwoordelijkheid bedrijven
In de kabinetsvisie op ketenverantwoordelijkheid heeft het kabinet
aangegeven dat goed ketenbeheer, waaronder het respecteren van de vier
fundamentele arbeidsrechten, primair de verantwoordelijkheid van het
bedrijfsleven is waarbij de overheid faciliterend optreedt.
Om producten die het resultaat zijn van kinderarbeid van de markt te
laten verdwijnen, is het uiteraard primair van belang dat het
productieproces transparanter wordt gemaakt. Maatschappelijke
verantwoordelijkheid van bedrijven impliceert openheid en een dialoog
over de ethische, sociale en milieuaspecten van de bedrijfsvoering, en
de producten, en dienstverlening. Het bevorderen van deze
transparantie is dan ook één van de pijlers onder het MVO-beleid.
Bedrijven hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid. Bedrijven
worden aangemoedigd te controleren of de bedrijven waarmee ze
samenwerken, en hun toeleveranciers, gebruik maken van kinderarbeid of
andere fundamentele arbeidsnormen schenden. Van bedrijven mag verwacht
worden dat zij de invloed die zij hebben ook ruimhartig aanwenden om
verantwoordelijkheid te nemen in de keten. Bedrijven die
internationaal geaccepteerde standaarden bij hun ketenpartners, zowel
leveranciers als afnemers, willen afdwingen zullen daarvoor een extra
inspanning moeten leveren ten aanzien van de naleving van afspraken en
monitoring. Het verduurzamen van de keten is niet zozeer één maatregel
als wel een proces waarin betrokkenheid van alle stakeholders bij het
verbeterproces de grootste kans op succes oplevert. De regering
verwelkomt dat veel bedrijven hiertoe al initiatieven nemen en spreekt
de steun uit voor het SER-initiatief inzake Internationaal MVO.
Aanvullend neemt het kabinet acties om bedrijven te ondersteunen bij
het invullen van hun ketenverantwoordelijkheid zoals het Initiatief
voor Duurzame Handel (IDH), het internationaal brancheprogramma (pilot
start dit jaar) en een te ontwikkelen website waarop informatie over
ketenveranwoordelijkheid op toegankelijke wijze wordt ontsloten.
De richtlijn 400 van de Raad voor de Jaarverslaglegging levert een
belangrijke bijdrage aan het vergroten van transparantie. Het kabinet
heeft in de MVO-visie aangekondigd de Raad voor de Jaarverslaggeving
te vragen om richtlijn 400 te evalueren en indien gewenst, tot
aanpassing of aanscherping ervan te komen. Met het SER-advies
"Duurzame Globalisering: een wereld te winnen" is duidelijk geworden
dat herziening van de richtlijn 400 gewenst is met betrekking tot het
onderwerp 'ketenbeheer'. Het kabinet ondersteunt de aanbeveling van de
SER over de herziening van richtlijn 400 en heeft de Raad voor de
Jaarverslaglegging expliciet verzocht de richtlijn 400 op het gebied
van ketentverantwoordelijkheid voor 1 juli 2009 te herzien.
Tijdens de Bedrijfslevendag die in het kader van de
Mensenrechtenstrategie op 1 december 2008 werd georganiseerd door BZ,
in samenwerking met EZ en VNO-NCW, ICC-NL, FNV, CNV en een groot
aantal ngo's stond de vraag centraal hoe de overheid, het
bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties kunnen samenwerken ter
verbetering van de mensenrechtensituatie in de wereld. Door de
verschillende kanten werd benadrukt dat partijen een complementaire
rol hebben, en elkaar kunnen versterken, ook op het onderwerp van
ketenverantwoordelijkheid.
II. Uitvoering Moties
De moties richten zich specifiek op bedrijven die steun ontvangen van
de Nederlandse overheid, waaronder in eerste instantie verstaan wordt
het financiële buitenlandinstrumentarium van EZ, OS en Financiën. De
moties vragen dat bedrijven inzichtelijk maken dat zij in hun
toeleveringsketen geen gebruik maken van kinderarbeid of schending van
de andere fundamentele arbeidsnormen.
Momenteel onderschrijven bedrijven, die van het financieel
buitenlandinstrumentarium gebruik maken, reeds de OESO-richtlijnen.
Deze richtlijnen bieden een handvat voor gedragscodes van
ondernemingen om met maatschappelijke kwesties, inclusief kinderarbeid
en ketenverantwoordelijkheid, om te gaan. Voor de uitvoering van de
moties kan hierbij worden aangesloten. Daar waar op het terrein van
kinderarbeid en dwangarbeid de OESO-richtlijnen het karakter van een
inspanningsverplichting hebben, zal de regering het naleven van de
ILO-conventies 105, 138 en 182 gaan benoemen als toegangseis voor
ondersteuning van het bedrijfsleven vanuit het financieel
buitenlandinstrumentarium bij investeringen in risicolanden en -
sectoren. Voor de Exportkredietverzekering geldt dat indien er sprake
is van gegronde vrees van schending van de ILO-conventies 105, 138 en
182 in het project dit een reden is om de verzekeringsaanvraag af te
wijzen. ILO-conventie 105 betreft de afschaffing van dwangarbeid.
ILO-conventie 138 gaat over de minimumleeftijd waarop personen mogen
gaan werken, en ILO-conventie 182 betreft de uitbanning van de ergste
vormen van kinderarbeid.
Aan deze bedrijven zal worden gevraagd dat zij niet alleen zelf maar
ook hun eerste wezenlijke toeleverancier handelen conform deze
ILO-conventies. Voor wat betreft zogenaamde risicolanden en -sectoren
dienen bedrijven daarbij vooraf een verklaring af te geven dat zij en
hun eerste wezenlijke toeleverancier handelen conform de genoemde
ILO-conventies -en dus geen gebruik maken van kinderarbeid- en zich
daarvan vergewist hebben. Als de toeleverancier op basis van een
certificering al wordt gecontroleerd door een onafhankelijk instituut,
kan dat rapport als uitgangsmateriaal dienen. In het geval dat een
toeleverancier niet langer handelt conform de ILO-conventies dient het
bedrijf de ontvangen subsidie met terugwerkende kracht terug te
betalen plus een boete. Wil het bedrijf in de toekomst opnieuw in
aanmerking komen voor steun via het financieel
buitenlandinstrumentarium dan zal voordien een tijdsgebonden plan zijn
opgesteld en uitgevoerd om de kinderen uit het arbeidsproces naar
school te krijgen. Nederland is hiermee internationaal koploper bij
het stellen van dergelijke eisen voor overheidssteun bij
internationaal investeren.
De regering kiest er voor zich te richten op de eerste wezenlijke
toeleverancier. Geen bedrijf kan een garantie afgeven dat in een
gehele toeleveringsketen maatschappelijk verantwoord wordt ondernomen.
De ketens zijn veelal lang, wijdvertakt, grensoverschrijdend en
complex en zeker door het MKB niet geheel te overzien, laat staan te
beïnvloeden. Een ongeclausuleerde verplichting voor de gehele keten is
dus voor bedrijven onuitvoerbaar en daarmee onrealistisch.
Voor de naleving van de twee overige fundamentele arbeidsnormen,
vrijheid van vakvereniging en collectief onderhandelen en
non-discriminatie, kiest het kabinet voor de benadering van het in de
SER ingezette proces inzake Internationaal Maatschappelijk Verantwoord
Ondernemen op basis van de SER-verklaring van december 2008.
Zoals hierboven beschreven, wordt van bedrijven die opereren in
risicovolle landen en -sectoren een extra inspanning verwacht.
Maatwerk houdt in dat de focus ligt op waar de risico's optreden. Uit
onderzoek van de Wereldbank komt naar voren dat producten die worden
vervaardigd met behulp van kinderarbeid met name op de lokale markt
worden verhandeld. Bedrijven lopen dus met name risico als zij
investeren in opkomende markten en ontwikkelingslanden en lokaal
inkopen. Sectoren zoals textiel en landbouw zijn risicovoller dan de
andere sectoren en hoe groter het aandeel van de toeleverancier in het
product des te groter het risico. Door middel van classificatie van
het project zal het MVO risico in de keten worden beoordeeld door de
uitvoerders van de subsidies. De classificatie vindt plaats op basis
van de volgende criteria:
1. Internationale standaarden: IFC performance standards en OESO
common approaches
De IFC heeft een methode ontwikkeld om risico's binnen projecten en in
de keten te analyseren. Deze worden internationaal gebruikt en bieden
ook voor de Nederlandse uitvoerders van subsidie-instrumenten
handvatten voor het vaststellen van MVO risico's, ook in de keten. Ook
de OESO heeft een methode ontwikkeld om projecten te classificeren op
MVO risico's. In de OESO common approaches zijn risicovolle sectoren
geïdentificeerd.
2. Risicoanalyse van de uitvoerder rekeninghoudend met
proportionaliteit.
De uitvoerders van subsidies ter ondersteuning van internationale
activiteiten hebben de afgelopen jaren geïnvesteerd in MVO expertise
om de groeiende aandacht in de maatschappij en bij het bedrijfsleven
te bedienen. Deze kennis en expertise wordt ingezet om te beoordelen
hoe groot de risico's zijn in de keten. De Nederlandse ambassades in
opkomende markten en ontwikkelingslanden spelen hierbij een rol.
3. Aanwijzingen van Buitenlandse Zaken
Buitenlandse Zaken beschikt over informatie waar bedrijfs- en
arbeidsgerelateerde mensenrechten worden overschreden. Zij zal een
aanwijzing geven aan de uitvoerders van subsidies dat er voor bepaalde
landen / economische sectoren een risico geldt. Dat zal vanaf dat
moment voor nieuwe projecten gaan gelden.
De regering geeft op de bovengenoemde wijze een effectieve uitvoering
aan de moties.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
Het is dus zaak samen met bedrijven eventuele ongewenste situaties in
de keten aan te pakken en hen niet op te zadelen met onuitvoerbare
regels. Maatwerk is hierbij essentieel, zoals ook in de kabinetsvisies
op MVO en ketenverantwoordelijkheid is aangegeven. Van betrouwbare
toeleveranciers mag worden verwacht dat ook zij op MVO-conforme wijze
opereren. De enige manier tot effectief ketenbeheer is te zorgen voor
goede afspraken van schakel tot schakel. Van bedrijven zal dus worden
verlangd zich te vergewissen van het MVO-beleid van toeleveranciers.
Er zal een scheiding worden gemaakt naar type van markt waarvoor de
ondersteuning geldt. Daarna zal er van geval tot geval worden
beoordeeld in hoeverre het project risicovol is en in hoeverre de
toeleveringsketen te beïnvloeden is. Bedrijven zullen hierbij
ondersteund worden om de keten te onderzoeken. Bovenaan staat het
gegeven dat het bedrijf bewust moet worden van haar rol bij het
zakendoen, zeker in risicovolle markten. Bewustwording zal dus,
conform de kabinetsvisie op ketenverantwoordelijkheid, centraal staan
in de aanpak.
Nederlandse bedrijven hebben een goede naam op het gebied van
verantwoord zakendoen in ontwikkelingslanden en opkomende markten. Het
invoeren van het bovengenoemde maatwerk in de keten zal deze naam
verder versterken. Het kabinet zal de goede voorbeelden van de eigen
aanpak en die van de bedrijven blijven benadrukken en uitdragen in de
contacten met het buitenland.
Coördinatie
Coördinatie van de uitvoering van de moties ligt in eerste instantie
bij de ministeries van Economische Zaken, Ontwikkelingssamenwerking,
Buitenlandse Zaken, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Gelet op de coördinerende taak van het ministerie van Economische
Zaken op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen in het
financieel buitenlandinstrumentarium, zal dat departement een
voortrekkersrol spelen.
Mede namens de ministers van Financiën en Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Drs. M.J.M. Verhagen
De staatssecretaris van Economische Zaken,
Drs. F. Heemskerk
* Ministerie van Buitenlandse Zaken
* Bezuidenhoutseweg 67
* Postbus 20061
* 2500 EB Den Haag
* Tel.: 070-3 486 486
* Fax: 070-3 484 848
* Internet:
www.minbuza.nl