Wageningen Universiteit en Researchcentrum
2 sep 2010
Nummer: R
Wilbert Hetterscheid, onderzoeker bij de groep Biosystematiek van
Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR, heeft de ontdekking
van zo'n zestig nieuwe Amorphophallussen op zijn naam staan. Dat maakt
hem onbetwist tot 's werelds grootste kenner van de bizarre wereld van
de 'vormeloze penissen'. Hoogste tijd voor een proefschrift.
Ja, op feesten en partijen doet hij het goed, lacht Hetterscheid. Zijn
passie voor het plantengeslacht AmorÂphophallus werkt altijd op de
lachspieren. Het zij zo, hij heeft de term niet zelf bedacht. Dat deed
de Nederlandse botanicus Carl Ludwig Blume in 1825, die een exemplaar
van dit plantengeslacht in Indonesië tegenkwam. Maar treffend is die
wat scrabreuze geslachtsnaam wel. Veel fantasie is daar niet voor
nodig.Â
Hetterscheid, tot voor kort curator van de Wageningse botanische tuinen
en de tropische kas en inmiddels directeur van het Von Gimborn
Arboretum in Doorn, wijdt al twintig jaar zijn vrije tijd aan de
Amorphophallussen. Waarom? 'Het is eigenlijk puur emotie. Ik kreeg als
student biologie in Utrecht al interesse in 'het vreemde' in de
plantenwereld. Bolgewassen met hun vreemde ritmes van groei en bloei.
Daar kwam op een gegeven moment de Amorphophallus bij, het kroonstuk
van vreemd.'
Collectie
Wie in Wageningen bloeiende Amorphophallussen wil zien, is te laat. Met
het afstoten van de tropische kas is ook de collectie van Hetterscheid
verdwenen. Hij heeft ze ondergebracht bij de universtiteit van Hamburg.
Maar dode materie is er nog genoeg. In de kelders van het Herbarium op
De Dreijen staan zo'n 1500 potten met bloeiwijzen op alcohol. 'Mijn
sapcollectie', noemt Hetterscheid het gekscherend. De collectie zal op
termijn naar Leiden verkassen.
Amorphophallussen behoren tot de familie van de aronskelken. Er zijn nu
zo'n tweehonderd soorten beschreven, waarvan ruim zestig door
Hetterscheid. 'En het gaat gewoon door. Ik denk dat we wel op
driehonderd uit gaan komen, maar 250 is zeker haalbaar.' Dat er nog
steeds nieuwe bijkomen, heeft volgens Hetterscheid te maken met de
typische cyclus van de plant. 'De bloei is maar heel kort, hooguit een
weekje. En in die week moet je er maar net tegenaan lopen. Het blad
alleen zegt namelijk niet zoveel. Je moet de bloei erbij gezien hebben,
anders loop je er zo aan voorbij.'
Promotie
Het proefschrift waar Hetterscheid al twintig jaar aan werkt, is in de
kern een taxonomische revisie. Een geslachtsbeschrijving dus. 'Dat is
voor het laatst gebeurd in 1924 en sindsdien door niemand meer.' Op
aandringen van het Herbarium in Leiden - 'We hebben iemand nodig die
daar eens goed naar gaat kijken' - raakte Hetterscheid verzeild in een
langdurig promotietraject.
Die lengte is verklaarbaar. Hetterscheid heeft zijn onderzoek volledig
in zijn vrije tijd moeten doen. 'Bijkomend probleem is het enorme
verspreidingsgebied van deze plantengroep. Dat levert normaal gesproken
een hoop veldwerk op, want van herbaria moet ik het niet hebben. Daar
vind je alleen maar platgeslagen Amorphophallussen en dat levert weinig
informatie op.'
Hetterscheid besloot het daarom anders aan te pakken en niet zelf op
zoek te gaan. 'Ik liet de planten naar mij toe komen.' Via een
uitgebreid netwerk van contacten legde hij in de loop der jaren een
grote verzameling 'vormloze penissen' aan. 'Dat heeft me drie jaar
reizen bespaard', weet hij zeker. De laatste zeven jaar huisde die
collectie in de tropische kas in Wageningen, zo'n 1500 planten verdeeld
over 150 verschillende soorten, van een paar centimeter boven de grond
tot meters hoog.
Uitpluizen
Maar Hetterscheid deed veel meer dan verzamelen, beschrijven en
inventariseren. Hij schakelde links en rechts onderzoekers in om
deelaspecten uit het leven van de planten uit te pluizen. Neem de geur
bijvoorbeeld. Amorphophallussen zijn erkende stinkerds. Ze rieken in de
korte bloeiperiode sterk naar rottend afval, schimmel, lijken, riool en
stront. Maar gek genoeg zijn er ook soorten die naar onze maatstaven
juist lekker ruiken, naar anijs, appels of zuurtjes.
De planten ruiken niet zomaar. Al die moeite om te geuren dient een
duidelijk doel: seks. 'Planten doen over het algemeen in traagheid hun
ding', legt Hetterscheid uit. 'Maar Amorphophallussen leggen op
bepaalde punten een enorme snelheid aan de dag. Dat is met name zo bij
de geurontwikkeling. Op de eerste dag van de bloei opent zich de beker
of bestuivingskamer. Dan moet de plant bestuivers aantrekken. De geur
moet dus vluchtig worden, die moet naar buiten.'
Kachel aan
De plant zet op dat moment de kachel aan. 'Cellen in de bloeikolf
(zie illustratie) zitten tjokvol met zetmeel en mitochondriën. Die
mitochondriën zetten het zetmeel om in warmte. Dat gaat enorm snel. In
een paar uur zijn die cellen volkomen opgebrand. Letterlijk kapot. Dan
is het feest voorbij.' Het effect van die snelle verbranding is dat
delen van de plant wel 15 graad warmer worden. Warm genoeg om
geurstoffen snel te doen verdampen en de plant onweerstaanbaar te
maken. Voor sommige bestuivers tenminste.
Uitverkoren insecten worden als een magneet naar die geur getrokken.
Omdat ze denken dat er wat te halen valt of dat ze er eieren kunnen
leggen. Eenmaal gevangen in de bestuivingskamer is er voorlopig geen
ontkomen meer aan. Daar hebben Amorphophallussen zo hun methodes voor.
De wanden zijn bijvoorbeeld zo glad dat ontsnappen niet gaat. Maar het
kan ook vriendelijker. Er zijn volgens Hetterscheid ook soorten die
zorgen voor een gastvrij onthaal. 'Tussen de bloemen bevinden zich dan
steriele exemplaren barstensvol eiwitten. Die maaltijd zorgt ervoor dat
de bestuiver wel even blijft.' Na de bestuiving verandert er het een en
ander zodat het insect de kraamkamer kan ontsnappen.
Kameleon
Het is die ongebreidelde diversiteit en aanpassingskunst die
Hetterscheid al een leven lang boeit. En dan heeft hij nog niet eens
verteld over de schutkleuren van zijn planten. 'Het vlekkenpatroon op
de bladeren. Een aantal soorten imiteert bijvoorbeeld houtachtigen. Ik
heb foto's laten zien aan experts die zeker wisten dat het takken met
korstmossen waren. Maar het was blad van Amorphophallus. Het is de
kameleon van het plantenrijk.'
Hetterscheid heeft ook wel een idee hoe die diversiteit is ontstaan.
'Amorphophallussen zijn pioniers. Je ziet ze aan de randen van het bos
en op verstoorde plekken in het bos. Plekken die snel en krachtig
gekoloniseerd worden. De voortplantingsdrift is erg groot. Dat biedt de
mogelijkheid tot experiment en variatie, een kans om snel re reageren
op veranderende omstandigheden. Amorphophallussen zijn enorme
aanpassers en survivors. De vraag is natuurlijk: hoe doet het genoom
dat? Daar ben ik niet aan toegekomen.'
Maar het proefschrift gaat er komen; waarschijnlijk begin volgend jaar.
De hoofdstukken zijn in concept klaar. 'Het moet er maar eens van
komen', vindt Hetterscheid. Er zijn zelfs al plannen voor een
publieksversie.
Zweetvoeten
Het geslacht Amorphophallus heeft een uitgebreid geurpalet. Ze ruiken
zuurtjesachtig bijvoorbeeld, naar anijs, dood vlees of zweetvoeten.
Maar ook naar citrus, banaan, appel, gebakken vis, LPG of rottend
afval.
Hetterscheid onderscheidt twaalf verschillende geurgroepen. Op basis
van chemische analyse deelt hij de geuren in twee groepen in: complexe
geuren die bestaan uit een rijk mengsel van organische alcoholen en
eenvoudiger geuren die door één stof worden gedomineerd. In de
laatste categorie vallen bijvoorbeeld de lekkere luchtjes (appel,
zuurtjes, anijs) die chemisch gezien acetaten zijn. In de vieze
kadavergeuren spelen organische alcoholen een grote rol.
Hetterscheid ontdekte een overeenkomst tussen de geur en het uiterlijk
van Amorphophallussen. 'Lijkengeur blijkt vaak samen te hangen met een
donkergekleurde bloeiwijze, alsof de plant een kadaver imiteert. En dat
trekt een bepaald soort bestuivers aan.' In dat samenspel speelt ook de
vorm van het stuifmeel een rol. 'Die hele complexiteit van correlaties
tussen de soort Amorphophallus, de geur van de bloeiende plant en de
vorm van het stuifmeel was nog niet bekend. In ieder geval niet in die
mate van detail en variatie. Dit is wel een heel raar stelletje hoor.'
| Roelof Kleis
Bovenstaand bericht is geproduceerd door de redactie van Resource, het
blad voor Wageningen UR (University & Research centre). Meer informatie
bij Pers- en wetenschapsvoorlichting van Wageningen UR, e-mail:
pers.communicatie@wur of bij de redactie van Resource, e-mail:
resource@wur.nl. Zie ook
www.resource.wur.nl.