|
Raad voor de Journalistiek
Uitspraken vastgesteld d.d. 20 april 2012
door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, dr. H.J. Evers,
mw. J.R. van Ooijen en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van
mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend
secretaris.
H. Kriek / Het Orgel
Uitspraak: ongegrond
In Het Orgel, tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten
en Kerkmusici, is het artikel "Sexbierum, Sixtuskerk" verschenen.
Daarin is een beschrijving gegeven van de geschiedenis van en de
(restauratie)werkzaamheden aan het orgel uit de Sixtuskerk te
Sexbierum. In dat verband is klager genoemd. Volgens klager is sprake
van onjuiste berichtgeving doordat ten onrechte niet de reden van
beëindiging van de samenwerking tussen hem en het stichtingsbestuur,
dat de kerk beheerde, is vermeld en dat deze omissie niet is hersteld.
Niet ter discussie staat dat de in de publicatie beschreven
samenwerking tussen klager en het stichtingsbestuur is beëindigd. Dit
is ook in het artikel vermeld. Er is derhalve geen sprake van een
feitelijke onjuistheid. Dat de reden van de beëindiging onvermeld is
gelaten, is in dit geval geen zodanige omissie dat verweerder daarmee
journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld. Hoewel het
verweerder had gesierd als hij in zijn rectificatie op dit punt de
duidelijkheid had willen verschaffen waarom klager had verzocht, was
hij daartoe niet verplicht. Nu overigens niet is gebleken dat de
gewraakte berichtgeving relevante feitelijke onjuistheden bevat of
verweerder anderszins journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld, is
de klacht ongegrond. (zie punten 1.1. en 1.5. van de Leidraad van de
Raad)
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
· Rectificatie/weerwoord: rectificatie
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/15
Y. Albayrak-Temur / M. Gelauff, M. Bink en B. de Vries (NOS)
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft een uitzending van het NOS Journaal, waarin is
bericht over klaagster als bestuurder van het Centraal Orgaan opvang
asielzoekers (verder: COA).
Klaagster heeft allereerst gesteld dat de uitzending diverse ernstige
beschuldigingen aan haar adres bevat, gebaseerd op anonieme bronnen,
terwijl voor die beschuldigingen onvoldoende grondslag bestaat. Volgens
de Raad hebben verweerders voldoende inzicht verschaft in de wijze
waarop de uitzending tot stand is gekomen en de manier waarop zij
gebruik hebben gemaakt van de door anonieme bronnen verkregen
informatie. Verweerders hebben gemotiveerd aangevoerd dat zij ten
aanzien van de betrouwbaarheid van de bronnen extra zorgvuldigheid
hebben betracht, mede gelet op het feit dat die bronnen uit (ex-)
medewerkers bestonden. Hoewel de Raad de betrouwbaarheid van de
verstrekte informatie niet heeft kunnen verifiëren, hebben verweerders
voldoende aannemelijk gemaakt dat zij daarnaar voldoende deugdelijk
onderzoek hebben verricht. Voorts is de Raad van oordeel dat
verweerders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat op basis van de
voorhanden zijnde informatie en documentatie een deugdelijke grondslag
bestond voor hetgeen zij in de uitzending aan de orde hebben gesteld.
De klacht is op dit punt ongegrond. (zie punten 2.2.1., 2.2.2., 2.2.3.
en 2.2.5. van de Leidraad van de Raad)
Ten aanzien van de toepassing van wederhoor overweegt de Raad dat
verweerders voorafgaand aan de uitzending meerdere malen per e-mail aan
klaagster concrete vragen hebben gesteld, waarbij zij de strekking van
de gedane beschuldigingen hebben kenbaar gemaakt. Voorts is klaagster
de gelegenheid geboden om voor de camera haar reactie te geven. Dat zij
van die mogelijkheid geen gebruik heeft willen maken, kan verweerders
niet worden aangerekend. De Raad is dan ook van oordeel dat klaagster
voldoende in de gelegenheid is gesteld te reageren. Dit onderdeel van
de klacht is ongegrond. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad en vgl. onder
meer RvdJ 2011/65)
Echter, aangezien door het COA - mede namens klaagster - schriftelijk
is gereageerd op de vragen van verweerders, hadden verweerders die
reactie ook op een adequate manier behoren te verwerken in de
uitzending. Gelet op de ernst van de beschuldigingen hebben verweerders
dit onvoldoende gedaan door te volstaan met de vermelding dat
`klaagster er vooral moeite mee heeft dat wij niet kunnen zeggen wie
onze bronnen zijn en dat we ook onze stukken niet in inzage kunnen
geven' en dat zij in een schriftelijke verklaring laat weten `dat zij
dat beeld van die angstcultuur hier bij het COA totaal niet herkent en
dat dit soort dingen nou eenmaal gebeuren bij een organisatie die zo in
beweging is als het COA'. Door deze minimale weergave van de reactie
van klaagster is de berichtgeving niet in balans. Dat verweerders
hebben verwezen naar hun website voor de uitgebreide reactie van het
COA en achtergrondinformatie laat dit onverlet. De klacht is op dit
punt dan ook gegrond.
Volgens de Raad hebben verweerders voldoende onderscheid gemaakt tussen
feiten, beweringen en meningen. Daar waar uitlatingen citaten betreffen
van de door verweerders gehanteerde bronnen, is dit voldoende duidelijk
als zodanig weergegeven. In zoverre is de klacht ongegrond. (zie punt
1.4. van de Leidraad).
Verder overweegt de Raad dat de inhoud en strekking van de uitzending
als geheel genomen ten aanzien van klaagster uitermate kritisch zijn.
De kijker zal zich niet tot nauwelijks aan de indruk kunnen onttrekken
dat sprake is van ernstig mismanagement van klaagster en dat dit
falende beleid de belastingbetaler geld kost. Dit bij de kijkers
ontstane beeld over klaagster is het onvermijdelijke gevolg van de
feiten die in de uitzending naar voren zijn gebracht. De redenering dat
verweerders hiermee opzettelijk de berichtgeving in een voor klaagster
negatieve richting hebben geleid waardoor de waarheid te kort werd
gedaan, gaat niet op. Dat door de summiere weergave in de uitzending
van de door het COA gegeven reacties sprake is van enige
onevenwichtigheid in de berichtgeving, betekent niet dat ook sprake is
van tendentieuze berichtgeving. De klacht is dan ook gegrond voor zover
het betrekking heeft op eenzijdige berichtgeving, maar ongegrond voor
zover is geklaagd over tendentieuze berichtgeving. (zie punt 1.5. van
de Leidraad).
Ten aanzien van de op de website van verweerders verschenen reacties
overweegt de Raad dat verweerders voldoende aannemelijk hebben gemaakt
dat zij direct na ontvangst van de onderhavige klacht diverse reacties
van hun website hebben verwijderd, die een ernstige beschuldiging of
een diffamerende uitlating jegens klaagster bevatten. Daarmee hebben
zij adequaat en conform de uitgangspunten als vervat in de Leidraad van
de Raad gehandeld. Verweerders hebben ter zitting nog kenbaar gemaakt
dat zij bij het modereren bepaalde reacties niet als een beschuldigende
dan wel diffamerende uitlating hebben aangemerkt. Daargelaten dat het
verweerders uiteraard zou sieren als zij hun eigen spelregels ter zake
zorgvuldig naleven, is deze omissie niet in strijd met de Leidraad. Dit
klachtonderdeel is ongegrond. (zie punten 5.4. en 5.5. van de Leidraad)
Ten slotte stelt de Raad vast dat klaagster in haar positie als
bestuurder van het COA een publieke en openbare functie bekleedt. Zij
heeft bezwaar gemaakt tegen het (kort) in beeld brengen van het
kenteken van haar dienstauto. Naar het oordeel van de Raad is dat
kenteken niet tot klaagster herleidbaar. Bovendien betreft het een
kenteken van een auto, die in beginsel niet is bestemd voor persoonlijk
gebruik. Aldus is geen sprake is van een onevenredige aantasting van
het privéleven van klaagster. Op dit punt is de klacht evenzeer
ongegrond. (zie punten 2.4.1. en 2.4.2. van de Leidraad)
De beslissing van de Raad luidt derhalve dat de klacht gegrond is voor
zover deze betrekking heeft op de wijze waarop het wederhoor is
verwerkt, waardoor eenzijdig over klaagster is bericht. Voor het
overige is de klacht ongegrond.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
· Privacy: bekende persoonlijkheden, vermelding persoonlijke
gegevens
· Aard van de publicatie: ingezonden brieven/reacties op
websites
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/16
Dela, Monuta en Yarden Uitvaartzorg / RamBam (VARA)
Uitspraak: onbevoegd
Klagers maken bezwaar tegen een uitzending van het televisieprogramma
RamBam, waar De Raad stelt vast dat de klacht betrekking heeft op
gedragingen die zijn vooraf gegaan aan de uitzending van het programma
en niet op de uitzending zelf. Ook gedragingen die voorafgaand aan een
uitzending hebben plaatsgevonden, kunnen als journalistieke gedragingen
worden beoordeeld.
Echter, het naar het oordeel van de Raad is duidelijk dat de
programmamakers niet hebben beoogd aan het gewraakte programma enige
nieuwswaarde toe te voegen. De uitzending bestaat voornamelijk uit
elementen van niet-journalistieke aard, zoals het weergeven van de
mogelijkheid tot het uitvoeren van een `do-it-yourself begrafenis' op
een wijze die door de gemiddelde kijker waarschijnlijk als komisch zal
worden ervaren. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de
uitzending dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moet
worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de
beoordeling van dergelijke uitzendingen, daarin begrepen de aan de
uitzending voorafgaande gedragingen, niet bedoeld. De Raad acht zich
daarom onbevoegd over de klacht te oordelen.
Ten overvloede merkt de Raad op dat in een geval als het onderhavige -
waar de klacht is gericht tegen gedragingen voorafgaand aan een
uitzending en het programma door een buitenproducent wordt gemaakt - de
buitenproducent op de gedragingen moet worden aangesproken.
Trefwoorden:
· Procedure: bevoegdheid
Publicatie op www.rvdj.nl/2012/17
---
|
|