Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

persbericht

Gz-psychologe berispt voor seksuele relatie met TBS patiënt

Datum nieuwsfeit: 29-07-2017
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tuchtrecht Gezondheidszorg
Zoek soortgelijke berichten

Tuchtrecht | Grensoverschrijdend gedrag | ECLI:NL:TGZRZWO:2017:141

ECLI:NL:TGZRZWO:2017:141

Datum uitspraak: 27-07-2017

Datum publicatie: 27-07-2017

Zaaknummer(s): 022/2017

Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag

Beroepsgroep: Gezondheidszorgpsycholoog

Beslissingen: Gegrond, berisping

Inhoudsindicatie: Klacht tegen gz-psycholoog. Gz-psychologe was werkzaam in Tbs-kliniek en behandelde daar X. Na omzetting van dienst TBS met dwangverpleging in TBS met voorwaarden en tegen het einde van het dienstverband van de gz-psycholoog met de kliniek, ontstaat een affectieve (seksuele) relatie met X. Naar het oordeel van het college heeft verweerster geen of onvoldoende rekenschap gegeven van de noodzakelijke terughoudendheid en toetsbare opstelling die van haar verwacht had mogen worden. Berisping.

-------------------

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 27 juli 2017 naar aanleiding van de op 18 januari 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A, statutair gevestigd te B,

bijgestaan door mr. M.R. Gans,

k l a a g s t e r

-tegen-

C, gz-psycholoog, (destijds) werkzaam te B,

bijgestaan door mr. M.J.G. Peters,

v e r w e e r s t e r

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Dit blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 4 juli 2017, alwaar zijn verschenen D, directeur van de A, bijgestaan door mr. Gans en verweerster, bijgestaan door mr. Peters.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Verweerster werkte sinds 1 oktober 2010 bij de A als assistent-behandelcoördinator. Op dat moment was zij basispsycholoog. Na het afronden van de opleiding tot gz-psycholoog op 1 januari 2014 werd verweerster behandelcoördinator. De inschrijving in het BIG-register van verweerster als gz-psycholoog vond plaats op 8 april 2014.

Vanaf 30 november 2011 was verweerster betrokken bij de behandeling van X, die opgenomen was vanwege een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Eerst was verweerster bij de behandeling van X betrokken als assistent-behandelcoördinator en vanaf 1 april 2013 als (ondersteunend) therapeute. Op 3 maart 2014 verlengde de rechtbank de terbeschikkingstelling van X met een jaar. Het bevel tot verpleging van overheidswege werd voorwaardelijk beëindigd met ingang van 1 juni 2014 of zoveel eerder als dat er huisvesting voor X geregeld zou zijn. In aanloop naar het vertrek van X uit de A droeg verweerster begin maart 2014 de behandeling over aan een organisatie voor ambulante begeleiding. Op 14 april 2014 betrok X een woning in de omgeving van de stad B en is het bevel tot verpleging van overheidswege voorwaardelijk geëindigd. Vanaf dat moment is er geen behandelcontact meer geweest tussen X en de (behandelaren van de) A. In totaal waren er tussen verweerster en X 126 geregistreerde behandelcontacten in voornoemde periode van 26 maanden.

In oktober 2014 ontmoetten verweerster en X elkaar bij toeval in het uitgaansleven in B. In de periode daarna, van oktober 2014 tot en met januari 2015, hebben verweerster en X driemaal met elkaar afgesproken. Dit contact leidde tot een intieme relatie en verweerster raakte begin februari 2015 zwanger na seksueel contact met X.

In december 2014 werd verweerster aangenomen bij een andere zorginstelling waarna zij op 5 januari 2015 haar ontslag indiende. Formeel eindigde het dienstverband van verweerster bij de A op 1 maart 2015.

Op 26 maart 2015 is het bevel tot verpleging van X van overheidswege onvoorwaardelijk geëindigd.

Verweerster is begin oktober 2015 bevallen van een kind. Medio oktober 2015 raakte de directie van de A op de hoogte van de relatie tussen verweerster en X. Nadat de directeur van de A telefonisch contact had opgenomen met verweerster, deed hij een melding bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ). In overleg met de IGZ werd besloten tot een intern onderzoek door een onderzoekscommissie, ingesteld door de A en voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. Daarnaast vond onderzoek door de IGZ plaats. Mede omdat de A zelf een tuchtklacht indiende besloot de IGZ geen tuchtklacht in te dienen. Voorts gaven de rapporten aanleiding tot verbetermaatregelen binnen de A.

3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- dat zij:

- tijdens het bestaan van de behandelrelatie met X grenzen heeft doen vervagen tussen professioneel en niet-professioneel handelen. Zij sprak X vaker dan gebruikelijk en enkele malen ook buiten kantoortijden;

- in het najaar van 2014 geen melding heeft gedaan van haar contacten met X en aan deze contacten een vervolg gaf. Zij heeft zich daarbij niet open, transparant en toetsbaar opgesteld.

Met dit handelen heeft verweerster volgens klaagster de beroepsnormen en de interne gedragscode van de A geschonden.

Meer in het bijzonder ligt volgens klaagster de vraag voor of verweerster een voldoende lange afkoelingsperiode in acht heeft genomen voordat zij een seksuele relatie met X aanging, gezien de intensiteit van de behandelrelatie.

4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Op het standpunt van verweerster gaat het college hieronder bij de overwegingen in.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1.

Het college wijst erop, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Verweerster heeft allereerst aangevoerd dat het klaagschrift strijdig is met artikel 4 onder b van het Tuchtrechtbesluit Wet BIG. Nu verweerster op alle klachtonderdelen in het verweerschrift en ter zitting verweer heeft gevoerd en de klachtonderdelen in samenhang met de bijlagen voldoende kenbaar waren, valt niet in te zien dat niet aan de eisen, dat het klaagschrift de klacht en de feiten en gronden waarop deze berust bevat, is voldaan.

5.3

Verweerster heeft verzocht mee te wegen dat de procedure lang heeft geduurd doordat de A in februari 2016 heeft aangekondigd een tuchtklacht in te dienen en na het rapport van de IGZ in augustus 2016 nog vijf maanden heeft gewacht met het indienen van een klaagschrift. Dit tijdsverloop alleen rechtvaardigt niet een andere of mildere behandeling van het klachtwaardig geachte handelen. Ook de andere verwijten die verweerster de A maakt, rechtvaardigen dat niet. Het college dient het handelen van verweerster te beoordelen zoals dat aan hem is voorgelegd. Het zal daar in de navolgende overwegingen toe overgaan.

5.4

Uit de feiten en hetgeen ter zitting is besproken is het volgende verloop op te maken. Verweerster heeft als behandelaar van X in de laatste periode van zijn verblijf in de A een coachende rol vervuld. De weerstand van X tegen (psychologische) bijstand en behandeling verhinderde volgens verweerster contactgroei tussen behandelaar en patient. Gedurende de behandelrelatie en bij het beëindigen daarvan is niet of nauwelijks gesproken over de behandelrelatie op zichzelf of de verhouding tussen verweerster en X. In maart 2014 is die behandelrelatie beëindigd en afgesloten bij het vertrek van X naar de eigen woning.

Nadat verweerster en X elkaar rond oktober 2014 in het uitgaanscircuit waren tegengekomen, heeft X haar uitgenodigd voor een nader gesprek waarop verweerster is ingegaan. Daarna is een tweede afspraak gevolgd en nog een. Volgens verweerster is in die periode in haar iets door X geraakt dat is uitgegroeid tot een verliefdheid.

5.5

Ten aanzien van het verwijt aan verweerster dat zij tijdens de behandelrelatie de grenzen van haar professionaliteit niet in acht heeft genomen, overweegt het college dat verweerster toen nog niet BIG-geregistreerd was. Zij heeft zich pas na het einde van haar opleiding tot gz-psycholoog (en de behandelrelatie met X) ingeschreven in het BIG-register. Daarom is de A niet-ontvankelijk in haar klacht over het handelen of nalaten van verweerster voor de inschrijving als gz-psycholoog op 8 april 2014.

5.6

Dat er een behandelrelatie is geweest, speelt wel een rol in de beoordeling van het handelen van verweerster vanaf oktober 2014. Zij was toen nog in dienst van de A en ongeveer 6 maanden niet meer de behandelaar van X. De voormalige behandelrelatie kwalificeert het college als een intensieve behandelrelatie. Gedurende ruim 2 jaren was er gemiddeld wekelijks een professioneel contact tussen verweerster en X. Dit betrof een individueel contact in een TBS-instelling waar doorgaans patienten met psychiatrische problematiek onder dwang worden behandeld. Daarbij komt dat X in een versneld uitstroomtraject kwam na een langdurige opname in (andere) TBS-klinieken, die de intensiteit van de behandelrelatie naar inhoud en aard mede hebben bepaald.

5.7

Bij het toetsen van het handelen neemt het college voorts in aanmerking wat in de beroepsgroep van verweerster destijds als norm werd beschouwd. Daarbij sluit het college aan bij de NIP-beroepscode 2007, de normen van de IGZ (`Het mag niet, het mag nooit') en de interne integriteitscode van de A. Aan verweerster kan worden toegegeven dat deze richtsnoeren niet concreet bepalen of en zo ja, na welke periode een intieme (seksuele) relatie met een ex-patient toelaatbaar is. Anderzijds moet worden aangenomen dat eenieder in de beroepsgroep onder meer door de genoten opleiding(en) ervan bewust is dat een affectieve/seksuele relatie met een ex-patient precair is en de nodige terughoudendheid vereist. In dit kader bepaalt de NIP-beroepscode 2007 in artikel III.2.3.8 het volgende:

"Bij het aangaan van een persoonlijke relatie na het beëindigen van de professionele relatie, vergewist de psycholoog zich ervan dat de voorgaande professionele relatie geen onevenredige betekenis meer heeft. Als het hierbij gaat om een seksuele relatie is de psycholoog er verantwoordelijk voor dat hij desgevraagd kan aantonen dat hij bij het aangaan van deze relatie alle zorgvuldigheid in acht genomen heeft, die van hem als professioneel psycholoog verwacht mag worden."

Deze norm acht het college de standaard in de beroepsgroep weer te geven, ongeacht de vraag of de betrokken gz-psycholoog destijds lid was van de NIP. Verweerster heeft haar handelen naar haar zeggen ook afgestemd op deze code.

5.8

In de kern ligt dus de vraag voor of verweerster de nodige terughoudendheid heeft betracht, zich ervan heeft vergewist dat de voorafgaande professionele relatie geen onevenredige betekenis meer had en bij het aangaan van de seksuele relatie aantoonbaar de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die mag worden verwacht.

5.9

Het college beantwoordt deze vraag ontkennend. Van het in acht nemen van de benodigde zorgvuldigheid en terughoudendheid is het college niet gebleken. Na de eerste afspraak heeft verweerster haar contact met X gedeeld met een maatschappelijk werker van de kliniek, in de zin dat zij heeft verteld dat zij X had gezien en dat het hem goed ging. De maatschappelijk werker, van wie een verklaring is overgelegd, heeft haar gezegd dat wel vaker met ex-clienten wordt afgesproken door medewerkers. Pas in maart, toen de gevoelens van verweerster voor X waren uitgegroeid tot verliefdheid en reeds een seksuele relatie bestond, heeft zij haar handelen met een oud-studiegenoot, tevens GZ-psycholoog, getoetst aan de NIP-beroepscode.

5.10

Het college is van oordeel dat verweerster eerder, maar zeker voor de tweede en derde afspraak met X, die geen enkel professioneel zinnig doel diende, haar verhouding tot X had moeten (laten) toetsen en bespreken. Dit had zij kunnen doen in de vorm van supervisie, intervisie, een gesprek met een vertrouwenspersoon en/of met het multidisciplinair team. Hoewel uit de rapporten van de IGZ blijkt dat een aantal medewerkers de cultuur in de kliniek als onveilig ervaart, is niet aannemelijk dat verweerster niemand verbonden aan de A had kunnen spreken over de zeer precaire situatie waarin zij zich bevond en die zij op grond van de voor haar geldende beroepsnorm moest bespreken en toetsbaar maken. Zij heeft, voor het aangaan van de seksuele relatie, evenmin met een niet bij haar werkgever werkzame professional contact gezocht om haar gedrag te bespreken en te toetsen. Dat zij X heeft gevraagd of de voormalige behandelrelatie in de weg stond aan de ontstane relatie is onvoldoende en niet ter zake. Het op professionele wijze bespreken en toetsen van een beginnende persoonlijke relatie met (mogelijk) verliefdheid op de aspecten van verenigbaarheid met de eerdere behandelrelatie en sedertdien verlopen tijd, acht het college minimumvereisten voor de voor verweerster geldende zorgvuldigheidsnorm.

5.11

De conclusie is dan ook dat aan verweerster een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Zij heeft zich geen of onvoldoende rekenschap gegeven van de noodzakelijke terughoudendheid en toetsbare opstelling die van haar verwacht had mogen worden. De maatregel van berisping acht het college in dit geval passend omdat aan verweerster een ernstig verwijt valt te maken van haar onachtzaamheid en onprofessionele houding. Een zwaardere maatregel acht het college echter niet geindiceerd. Hoewel verweerster ontegenzeggelijk veel kritischer op haar eigen gedrag had moeten zijn, heeft het college er oog voor dat de regels omtrent het aangaan van een persoonlijke relatie na de beëindiging van een behandelrelatie niet eenduidig zijn (vastgelegd).Verder heeft verweerster het onjuiste van haar handelen ingezien en is zij zich ervan bewust dat zij het anders had moeten aanpakken. De kans op herhaling schat het college laag in. Daarom overweegt het college dat de preventieve effectiviteit van een berisping in de gegeven omstandigheden en gelet op de aard en de ernst van de aan de verweerster tuchtrechtelijk verweten gedraging, naar verwachting voldoende effect zal sorteren om herhaling van dat gedrag te voorkomen. Tot slot oordeelt het college dat onderhavige zaak zich onderscheidt van een geval waarin de zorgverlener tijdens de behandelrelatie een intieme (seksuele) relatie aangaat, waarvoor de maatregel van (voorwaardelijke) schorsing geindiceerd is.

6. DE BESLISSING

Het college berispt verweerster.

Aldus gedaan door mr. Th.C.M. Willemse, voorzitter, mr. M. Willemse, lid-jurist,dr. T.A.W. van der Schoot, dr. J.P.C. Jaspers en dr. R.J. Takens, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van mr. M. Mostert, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2017 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

voorzitter

secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie