Papua Lobby
All-inclusive dialogue with all stakeholders
[ Front door ] [ Objectives ] [ Who ] [ Contact ] [ Background ] [ Links ]



Contributions to the debate on
Historical myths and conflict resolution - West Papua
[ Index contributions ]

Een daad van vrije keuze
Eimert van Middelkoop
lid van de Eerste Kamer
[ English ] [ Bahasa Indonesia ]

Jongstleden dinsdag, 15 november 2005, presenteerde Prof. Drooglever zijn studie 'Een daad van vrije keuze'. Naar het verschijnen van die publicatie was door velen lang uitgezien. Ook door mij. Er was voor deze presentatie veel belangstelling. Niet alleen op die dag zelf in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, maar ook eraan voorafgaand, tijdens en achteraf in de media.
Het was een gebeurtenis, een 'event', daar in die bibliotheek. Wat begon als een wetenschappelijk symposium, voorafgaande aan de presentatie, eindigde als een soort politieke manifestatie. Vreedzaam, met veel blijde gezichten en met een moment van ontroering toen spontaan het volkslied van de Papoea’s werd gezongen.
Toen werd duidelijk dat deze wetenschappelijke studie niet los verkrijgbaar was als 'slechts' een academische studie van historisch-wetenschappelijke aard. Nee, deze studie figureerde in een reële politieke context. De voormalige minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen, die in 1999 opdracht gaf aan het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, nam het boek in ontvangst en wees in een voortreffelijk verhaal op het feit dat het ook ging om onze, dat wil zeggen: Nederlandse, geschiedenis.

Van Aartsen sprak de wens uit dat deze studie "niet in de politieke sfeer getrokken zou moeten worden". Dat was goed bedoeld, maar deze bezwering kwam te laat. Immers al voor het verschijnen van ‘Een daad van vrije keuze’ was deze studie al gepolitiseerd. Allereerst door de Indonesische autoriteiten, die al enkele jaren hun beduchtheid voor deze historische studie tegenover de Nederlandse regering niet hadden verzwegen. Vervolgens door de huidige minister van Buitenlandse Zaken die, vermoedelijk uit beduchtheid voor Indonesische reacties, zo onhoffelijk en bang was dat hij niet bereid bleek het boek als formele opdrachtgever in ontvangst te nemen. En tenslotte, natuurlijk door de Papoea’s zelf die er al jaren reikhalzend naar hadden uitgezien. Niet alleen in Den Haag, maar eerst en vooral in Jayapoera.

De vraag is dus niet of aan deze studie een politieke betekenis zou kunnen worden gegeven, maar welke. In feite gaat het dan om de altijd actuele vraag hoe de huidige generatie betrokkenen in verantwoordelijkheid moeten omgaan, politiek, moreel en juridisch, met de waarheid omtrent het verleden, dat deels dus een gedeeld verleden is. Het is laf om voor die vraag weg te lopen.

Welnu, wanneer het gaat om het onder ogen zien van de eigen historische verantwoordelijkheid voor daden uit het verleden moet helaas gezegd worden dat de Nederlandse politiek daarin niet uitblinkt. En zich soms schuldig maakt aan helaas maar al te goed herkenbare vormen van hypocrisie. Die stelling laat zich gemakkelijk illustreren. De Nederlandse buitenlandse politiek kenmerkt zich sinds lang door soms sterk morele of zelfs moralistische ondertonen. Nederlandse politici laten zich er graag op voorstaan dat zij wensen op te komen voor de bescherming van mensenrechten waar ook ter wereld. Ook geven zij graag steun aan processen van conflictpreventie, en —bemiddeling en verzoening. Aan bijvoorbeeld een land als Turkije wordt met klem, en terecht, gevraagd de waarheid te erkennen van de genocide op de Armeniërs van 1917. Met sympathie wordt gesproken over de Zuid-Afrikaanse Waarheids- en Verzoeningscommissie en vergelijkbare instrumenten elders in de wereld om mensen en bevolkingsgroepen met zichzelf, met elkaar en met de geschiedenis in het reine te doen komen. En als Nederlandse politici over Suriname spreken wordt met vaste regelmaat aan de autoriteiten van dat land gevraagd de zogenaamde decembermoorden van 1982 niet te vergeten, de moordenaars te vervolgen om de nabestaanden van de slachtoffers recht te doen.
Dat is goed. Echter, wanneer het moet gaan over onze eigen rol geven we vaak niet thuis, kijken we de andere kant op en zwijgen. Kennelijk weten we slecht raad met het onder ogen zien van eigen historische verantwoordelijkheden. Dat is beschamend.

Terug naar het begin. Naar december 1999 toen ik als lid van de Tweede Kamer het verzoek deed een historisch-wetenschappelijk onderzoek te laten verrichten naar de gebeurtenissen van voor, tijdens en na de zogenoemde Act of free choice. Op het symposium eerder deze week is mij van verschillende zijden de vraag gesteld wat ik destijds van dat onderzoek verwachtte, wat mij voor ogen stond. Het eerlijke antwoord moet zijn dat ik mij daar toen geen al te heldere voorstelling van had gemaakt. Natuurlijk leefde in mij de politiek-filosofische overtuiging dat het altijd goed is de waarheid onder ogen te zien. Dat de waarheid vrij maakt, wat een echo is van een bijbelse wijsheid. Ik vond toen dat de Papoea’s recht hadden op een wetenschappelijk gezaghebbende beschrijving van de historische waarheid omtrent een cruciaal moment in hun geschiedenis. Echter, pas een jaar later, tijdens een bezoek aan Jayapoera, drong het politieke gewicht van mijn verzoek goed tot mij door en ook het brisante karakter.

Nee, mijn verzoek om deze studie te laten verrichten kwam voor een niet onbelangrijk deel voort uit politieke frustratie. Laat mij dat verduidelijken. Ik sta als voormalig parlementariër van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) en nu als Eerste Kamerlid van de ChristenUnie in een lange traditie van betrokkenheid met de lotgevallen van de Papoea’s. Een vaste kern van die traditie is de overtuiging dat de Papoea’s in de jaren ’60 van de vorige eeuw onrecht is aangedaan. Kort gezegd: toen in de eerste twee decennia na de Tweede Wereldoorlog overal in de wereld het beginsel van het zelfbeschikkingsrecht aan de gekoloniseerde volken werd verleend, leidend tot staatkundige zelfstandigheid, werd dat beginsel met betrekking tot het volk van de Papoea’s in zijn tegendeel gemanipuleerd, leidend tot opneming in de Indonesische Republiek. Nederland was daarbij betrokken en zo medeverantwoordelijk voor deze schending van elementair recht.

Die wetenschap is blijven schrijnen. En daarom mochten wij de Papoea’s niet vergeten. Dat in mijn politieke groepering en ook bij sommigen daarbuiten, anders dan bij de hoofdstroom in de Nederlandse politiek, de Papoea’s niet werden vergeten vervult mij met weinig trots of voldoening. Veel zwaarder telt het delen in de schaamte dat in de Nederlandse en internationale politiek het slechte geweten werd dichtgeschroeid en dat zeker in ons land men niet meer aan het volk van de Papoea’s herinnerd wenste te worden, laat staan dat men er nog een speciale band mee wenste te onderhouden. Toen in een regeringsnotitie in 1979 voor het eerst aandacht werd geschonken aan de ontwikkelingen op Irian Jaya werd elke speciale band van Nederland met de Papoea’s ontkend en werd daarbij de schandelijke vergelijking gemaakt met de indianen in Amerika, waarmee Nederland immers ook geen bijzondere betrekkingen onderhield! Zo kun je nog eens extra schuld op je laden door de zonde der ontkenning en welbewuste verdringing.

Ik wil er ook nu geen misverstand over laten bestaan dat ook in mijn politieke kring men zich heeft neergelegd bij de volkenrechtelijke feiten. Irian Jaya was een provincie geworden van de Indonesische Republiek en het wettige gezag over deze provincie was gevestigd in Djakarta. Nooit hebben wij in de jaren daarna politieke of morele steun kunnen en willen geven aan het verzet van de OPM.
De Papoea’s waren dan wel opgenomen in Indonesië, maar dat rechtvaardigde nog niet het systematisch vergeten door Nederland. En toch is dat wat gebeurde. Dat werd nog versterkt door de diplomatieke breuk tussen Nederland en Indonesië van 1992. Toen enkele jaren later berichten werden gehoord over een hongersnood in de binnenlanden van Irian Jaya kon daaraan vanuit Nederland nauwelijks iets worden gedaan. Zelfs de NGO’s waren vrijwel verdwenen. Slechts zending en missie hadden nog contacten in het binnenland en konden enige hulp verlenen. Dat was frustrerend.

In 1999, dertig jaar na de zogenaamde Act of free choice, veranderde er iets. In Djakarta verschoven politieke panelen en verscheen de liberale Wahid op het toneel. Deze nieuwe president erkende dat Atjeh en Irian Jaya gebieden waren die recht hadden op een bijzondere status. In datzelfde jaar verschenen er in de internationale pers berichten over documenten uit Australië en de Verenigde Staten, die nieuw licht wierpen op de manipulaties van 1969. Zo ontstond bij mij het idee om aan die periode uit de dekolonisatiegeschiedenis van Nederland grondig aandacht te geven. Dat was dus meer een reactie op decennialange verwaarlozing van de lotgevallen van de Papoea’s dan een programmatische stap naar de toekomst.

De studie ligt er nu. Het volle licht is komen te vallen op het onrecht de Papoea’s aangedaan. De vraag is nu welke politieke betekenis aan dit moment kan worden toegekend. Hoe willen en kunnen wij verantwoordelijkheid dragen voor het onrecht van weleer? Welnu, als wij het beginsel van het zelfbeschikkingsrecht serieus nemen dan moeten de Papoea’s zelf als eersten een antwoord op die vraag formuleren. Het gaat allereerst om hun geschiedenis, het hen aangedane onrecht, hun miskenning. Wij, Nederlanders, mogen vervolgens hen wel met raad en daad bijstaan en adviseren. Daarom wil ik in dit betoog enkele richtinggevende noties formuleren, die ik aan mijn Papoea-vrienden wil meegeven. Want ik weet mij medeverantwoordelijk.

De eerste is de volgende. De slechts denkbare manier om de geschiedenis een politieke functie te geven is het exploiteren van de feiten uit het verleden om oude rekeningen te vereffenen. Dat is de manier waarop dat vaak op de Balkan is gebeurd met alle desastreuze gevolgen van dien. Zo worden de gebeurtenissen uit het verleden nooit echt geschiedenis, maar blijven zij opspelen als bronnen van wraakzucht. Ik wil daarom op dit moment oproepen tot een dialoog tussen de eerstverantwoordelijken, namelijk Djakarta en de Papoea’s, waarbij desgevraagd bijstand wordt verleend door Nederland en de Verenigde Naties. Die dialoog dient eerst en vooral in het teken te staan van verzoening door een vorm van erkenning van fouten in het verleden, van 1969 en ook van de decennia van slechte behandeling van de Papoea’s daarna. In die dialoog moeten de Papoea’s erkend worden in hun zelfstandigheid. Hoe daaraan moet worden vorm gegeven, ook staatkundig, is een van de onderwerpen van die dialoog. Op die manier kan de weg worden vrijgemaakt om — met aanvaarding van de staatkundige status quo van dit moment — een eind te maken aan de systematische verwaarlozing van de ontwikkeling van de Papoea’s en hun land, de eenzijdige exploitatie van de rijkdommen van het land en de schending van mensenrechten daar. Het recht van de Papoea’s op ontwikkeling moet worden erkend.

In de tweede plaats dient beseft te worden dat aan die dialoog een belangrijke keuze vooraf gaat. Die keuze betreft het moment waarop een nieuwe politieke agenda voor de Papoea’s dient te beginnen. Is dat in 1969? Dat mag, maar de realiteit dwingt dan wel tot het besef dat Djakarta daaraan zeer waarschijnlijk niet aan zal willen meewerken en ook dat men nauwelijks op internationale steun zal kunnen rekenen. Of is dat in 2000, het jaar waarin president Wahid de Papoea’s een autonomiewet beloofde? Daaraan mag men rechtens Djakarta herinneren en zal internationale bijval mogelijk zijn.
Deze vraag naar de politieke agenda dient allereerst door de Papoealeiding te worden beantwoord. Laat ik dit concreet maken. Wanneer Papoeleiders, wanneer bijvoorbeeld Victor Kasiepo, "merdeka" roept, zoals ik meer dan eens hoorde, over welke vrijheid hebben zij het dan? Gaat het dan om de staatkundige vrijheid van het volk van de Papoea’s in volkenrechtelijke zin? Of gaat het om de freedom from want en de freedom from fear als de basis voor een politiek, sociaal-economisch en cultureel ontwikkelingsprogramma voor een zelfbewust volk binnen de Indonesische Republiek?

In de derde plaats dienen alle betrokkenen zich te realiseren dat de geschiedenis na 1969 niet heeft stilgestaan. Er is veel veranderd in alle opzichten, ook demografisch. Het fundamentele gelijkheidsbeginsel verplicht ons thans in 2005 ook rekening te houden met de rechten en legitieme wensen van andere bevolkingsgroepen, die via bijvoorbeeld programma’s van transmigratie deel zijn gaan uitmaken van land en volk.
Ik herhaal: politieke verantwoordelijkheid beleef je altijd in het heden. Gijzel jezelf niet met het verleden of met het onrecht van destijds. Wees zelf ook bereid tot gebaren en daden van verzoening. Doe dat toekomstgericht en met het oog op het goede leven voor alle bewoners van Papoea. Doe het met trots en zelfrespect, kortom: stel een daad van vrije keuze!

Background articles to symposium


Papua Lobby: [ Front door ] [ Objectives ] [ Who ] [ Contact ] [ Background ] [ Links ]