Fenecon Persberichten

1998 TOPJAAR VOOR KLEDING- EN GORDIJNCONFECTIE-INDUSTRIE

Den Haag, 20 mei 1999 De Nederlandse kleding- en gordijnconfectie-industrie konden in 1998 duidelijk meeprofiteren van de uitbundige ontwikkeling van de economie, aldus FENECON-voorzitter mr. H. van Dalfsen tijdens de presentatie van het Jaarverslag 1998 op 20 mei.

FENECON is de landelijke werkge- versorganisatie voor de Nederlandse kleding- en gordijnconfectie-industrie. Met de besteding aan kleding in 1998 van ƒ 1.240,- per hoofd van de bevolking behoort ons land weer tot de kopgroep van Europa. Volgens het CBS steeg de omzet in de detailhandel voor bovenkleding met 7%. NSS marktonderzoek meet de aankopen van kleding door de consument en komt voor 1998 met een stijging van 10% hoger uit dan het CBS, tot een totale consumptie van kleding ter waarde van ƒ 19,3 miljard.

Volgens NSS kocht de Nederlander bijna een half miljard kledingstukken, een stijging met 7,3% ten opzichte van 1997. "Voor het eerst sinds lange tijd kunnen wij melding maken van een uitstekend achter ons liggend jaar voor de afzet van kleding op onze thuismarkt.

De woninginrichtingsbranche, van belang voor de bij ons aangesloten gordijnenateliers, deed het nóg beter en zette in 1998 zelfs 12,5% meer om.“ Van Dalfsen wijdt de spectaculaire groei van de bestedingen aan kleding en interieurtextiel aan de verbeterde inkomenspositie als gevolg van de gunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Ook de markt voor werk-, beroeps- en imagekleding is in 1998 opnieuw 5% gestegen tot ƒ 550 miljoen. De dynamiek in dit segment is een gevolg van toegenomen overheidsinvesteringen (waaronder de zorgsector), de ontwikkeling van verbeterde materialen, de hogere eisen die aan kleding en bedrijven worden gesteld ten aanzien van veiligheid en milieu en de wens van bedrijven om professioneel voor de dag te komen. Ook in het eerste kwartaal van 1999 zet de toename van de bestedingen aan kleding door. De verwachting is echter dat nu de groei van de economie in Nederlands afneemt, ook de kledingconsumptie minder uitbundig zal groeien. “Het gaat dus goed met onze bedrijfstak. De binnenlandse omzetten van de Nederlandse kleding-, textiel-, leder- en schoenindustrie zijn volgens het CBS in 1998 met 4% gestegen ten opzichte van 1997. De industriële export is met 5% gegroeid. Deze cijfers van de kledingindustrie steken gunstig af bij de totale Nederlandse industrie, die in 1998 in binnen- en buitenland samen 2% meer omzette.” Van Dalfsen benadrukt dat ondanks de goede ontwikkelingen, aandacht geboden blijft voor de wijze waarop de bedrijfskolom weet in te spelen op de wensen van de klant. De branche moet voortdurend alert blijven en werken aan verdere verbetering van het handelsverkeer in de keten, onder andere via nieuwe informatietechnologie. Industrie en handel vinden het van groot belang dat electronic commerce op grote schaal wordt ingevoerd, ook al heeft de branche haar handen vol aan het invoeren van de Euro en het voorkomen van millenniumproblemen. Vooral samenwerking met de detailhandel, die druk bezig is met het vernieuwen van systemen, is dringend gewenst. “De bedrijfskolom moet zich voorbereiden op ‘mass customisation’, waarbij informatietechnologie wordt ingezet om op maat gemaakte kledingstukken in een zo groot mogelijke variatie van stoffen en modellen op efficiënte wijze te kunnen produceren. Bodyscanning, een 3D techniek waarmee de lichaamsmaten van elke individuele consument snel, accuraat en betrouwbaar kunnen worden berekend, is een techniek die daarbij goed gebruikt zal kunnen worden en waardoor het aantal ‘nee-verkopen’ en retouren tot een minimum beperkt zal worden.” De kledingindustrie zal ook de productiekosten goed in de gaten moeten houden, aldus Van Dalfsen, die zich zorgen maakt over de cao’s die dit jaar zijn afgesloten. De loonstijgingen liggen aanmerkelijk hoger dan de groei van de economie.

Ook de ontwikkeling van het ziekteverzuim en de wao-instroom baren zorgen. “Gelukkig heeft het kabinet besloten de invulling van het recht op zorgverlof over te laten aan de sociale partners en heeft het kabinet het onzalige idee om werkgevers het zorgverlof te laten betalen laten varen. Ik ben van mening dat dergelijke kwesties in goed overleg tussen werknemer en werkgever kunnen worden opgelost.

Kabinetsplannen zoals het laten sparen van brutoloon of vakantiedagen en cao-à-la-carte modellen zijn daarvoor goede opties.” Van Dalfsen geeft aan dat de kledingindustrie voorop wil lopen in het uiting geven aan maatschappelijke betrokkenheid, ook ten aanzien van het sociaal verantwoord ondernemen. De omstandigheden waaronder kleding tot stand komt hebben de volle aandacht van FENECON. Samen met de NKC, de zelfstandige detaillisten verenigd in Mitex, de vakbonden en maatschappelijke organisaties heeft FENECON gewerkt aan het opstellen van een sociale gedragscode, het zgn. Eerlijk Handels Handvest, aan het projectplan hiervoor en de daarvoor vereiste projectorganisatie. Onder voorzitterschap van oud-minister De Boer maakt deze stichting ernst met haar gedragscode. “Ik mag FENECON in het bestuur van het EHH vertegenwoordigen en als het aan mij ligt zet de stichting alles op alles om nog voor het nieuwe millennium het eerste sociaal keurmerk voor kleding te kunnen verlenen. De aanpak van de problematiek verlangt een groot draagvlak en ik doe nogmaals een dringend beroep op de Vereniging van Grootwinkelbedrijven in Textiel (VGT) zich ook bij de stichting aan te sluiten.”, aldus Van Dalfsen. “Wij blijven bovendien pleiten voor wereldwijd gelijke en geaccepteerde gedragscodes, omdat sociaal verantwoord ondernemen een mondiale aanpak verdient.”

Deel: ' 1998 topjaar voor kleding- en gordijnconfectie-industrie '




Lees ook